Theologische SummaSumma · IIISumma · IIIIII

Tertia Pars

Proloog

  1. De Verlosser (Kw. 1–59)
    1. Het geheim der MenschwordingHet geheim van de Menswording (Kw. 1–26)
      1. De gepastheid der MenschwordingDe gepastheid van de Menswording (Kw. 1)
        1. Kw. 1 Over de gepastheid der MenschwordingOver de gepastheid van de Menswording
      2. De wijze der vereenigingDe wijze van de vereniging (Kw. 2–15)
        1. Kw. 2 Over de wijze van vereeniging van het Vleeschgeworden Woord, wat de vereeniging zelf betreftOver de wijze van vereniging van het Vleesgeworden Woord, wat de vereniging zelf betreft
        2. Kw. 3 Over de vereeniging, bezien van de kant van den persoon, die aannamOver de vereniging, bezien van de kant van de persoon, die aannam
        3. Kw. 4 Over de vereeniging, bezien van de kant van wat aangenomen werdOver de vereniging, bezien van de kant van wat aangenomen werd
        4. Kw. 5 Over het aannemen der deelen van de menschelijke natuurOver het aannemen van de delen van de menselijke natuur
        5. Kw. 6 Over de volgorde bij het aannemen
        6. Kw. 7 Over de genade, die Christus als op zichzelf staand mensch hadOver de genade, die Christus als op zichzelf staand mens had
        7. Kw. 8 Over de genade, die Christus als Hoofd der Kerk bezitOver de genade, die Christus als Hoofd van de Kerk bezit
        8. Kw. 9 Over Christus' wetenschap in het algemeen
        9. Kw. 10 Over de zalige wetenschap van Christus' ziel
        10. Kw. 11 Over de Christus' ziel ingegeven of ingestorte kennis
        11. Kw. 12 Over de door ondervinding verworven wetenschap van Christus' ziel
        12. Kw. 13 Over de macht van Christus' ziel
        13. Kw. 14 Over de lichaamsgebreken, die Christus in de menschelijke natuur op zich heeft genomenOver de lichaamsgebreken, die Christus in de menselijke natuur op zich heeft genomen
        14. Kw. 15 Over de tot de ziel behoorende gebreken, die Christus in de menschelijke natuur op zich namOver de tot de ziel behorende gebreken, die Christus in de menselijke natuur op zich nam
      3. Wat uit de vereeniging volgtWat uit de vereniging volgt (Kw. 16–26)
        1. Kw. 16 Over wat Christus naar Zijn bestaan en worden toekomt
        2. Kw. 17 Over de eenheid van Christus wat het zijn betreft
        3. Kw. 18 Over Christus' eenheid wat den wil betreftOver Christus' eenheid wat de wil betreft
        4. Kw. 19 Over de eenheid van handelen bij Christus
        5. Kw. 20 Over Christus' onderworpenheid aan den VaderOver Christus' onderworpenheid aan de Vader
        6. Kw. 21 Over het gebed van Christus
        7. Kw. 22 Over het priesterschap van Christus
        8. Kw. 23 Of het Christus toekomt als kind aangenomen te worden
        9. Kw. 24 Over de voorbestemming van Christus
        10. Kw. 25 Over het aanbidden van Christus
        11. Kw. 26 Over het feit, dat Christus middelaar tusschen God en de menschen wordt genoemdOver het feit, dat Christus middelaar tussen God en de mensen wordt genoemd
    2. Wat Christus gedaan en geleden heeft (Kw. 27–59)
      1. Christus' komst in de wereld (Kw. 27–39)
        1. Kw. 27 Over de heiliging der H. MaagdOver de heiliging van de H. Maagd
        2. Kw. 28 Over de maagdelijkheid der Moeder GodsOver de maagdelijkheid van de Moeder Gods
        3. Kw. 29 Over de verloving der Moeder GodsOver de verloving van de Moeder Gods
        4. Kw. 30 Over de boodschap des engels aan de H. MaagdOver de boodschap van de engel aan de H. Maagd
        5. Kw. 31 Over de stof, waaruit Christus' Lichaam ontvangen werd
        6. Kw. 32 Over het actieve beginsel, dat Christus' ontvangenis bewerkte
        7. Kw. 33 Over de wijze en volgorde van Christus' ontvangenis
        8. Kw. 34 Over de volmaaktheid van het ontvangen kind
        9. Kw. 35 Over Christus' geboorte
        10. Kw. 36 Over de bekendmaking van Christus' geboorte
        11. Kw. 37 Over de besnijdenis van Christus en over de andere wettelijke voorschriften, die men het kind Christus liet nakomen
        12. Kw. 38 Over het doopsel van JoannesOver het doopsel van Johannes
        13. Kw. 39 Over den doop van ChristusOver de doop van Christus
      2. Zijn levensloop (Kw. 40–45)
        1. Kw. 40 Over Christus' levenswijze
        2. Kw. 41 Over de bekoring van Christus
        3. Kw. 42 Over Christus' leer
        4. Kw. 43 Over de wonderen welke door Christus verricht zijn in het algemeen
        5. Kw. 44 Over de verschillende soorten van wonderen in het bizonder
        6. Kw. 45 Over de gedaanteverandering van Christus
      3. Zijn heengaan uit de wereld (Kw. 46–52)
        1. Kw. 46 Over het lijden van Christus
        2. Kw. 47 Over de uitwerkende oorzaak van Christus' lijden
        3. Kw. 48 Over de wijze van Christus' lijden, wat zijn uitwerking betreft
        4. Kw. 49 Over de gevolgen van Christus' lijden
        5. Kw. 50 Over den dood van ChristusOver de dood van Christus
        6. Kw. 51 Over Christus' begrafenis
        7. Kw. 52 Over Christus' nederdaling ter helle
      4. Zijn verheffing (Kw. 53–59)
        1. Kw. 53 Over Christus' verrijzenis
        2. Kw. 54 Over de hoedanigheid van den verrijzenden ChristusOver de hoedanigheid van de verrijzende Christus
        3. Kw. 55 Over de bekendmaking der verrijzenisOver de bekendmaking van de verrijzenis
        4. Kw. 56 Over de oorzakelijkheid van Christus' verrijzenis
        5. Kw. 57 Over de hemelvaart van Christus
        6. Kw. 58 Over het zitten van Christus aan de rechterhand des VadersOver het zitten van Christus aan de rechterhand van de Vader
        7. Kw. 59 Over de oordeelsmacht van Christus
  2. De Sacramenten (Kw. 60–90)
    1. De Sacramenten in het algemeen (Kw. 60–65)
      1. Kw. 60 Over de Sacramenten
      2. Kw. 61 Over de noodzakelijkheid der SacramentenOver de noodzakelijkheid van de Sacramenten
      3. Kw. 62 Over het voornaamste uitwerksel der Sacramenten, n. l. de genadeOver het voornaamste uitwerksel van de Sacramenten, n. l. de genade
      4. Kw. 63 Over het merkteeken der Sacramenten dat ook een van hun uitwerkselen isOver het merkteken van de Sacramenten dat ook een van hun uitwerkselen is
      5. Kw. 64 Over de oorzaak der SacramentenOver de oorzaak van de Sacramenten
      6. Kw. 65 Over het aantal sacramenten
    2. Het doopsel (Kw. 66–71)
      1. Kw. 66 Over het doopsel
      2. Kw. 67 Over de bedienaars door wie het doopsel wordt toegediend
      3. Kw. 68 Over degenen die het doopsel ontvangen
      4. Kw. 69 Over de uitwerkselen van het doopsel
      5. Kw. 70 De besnijdenis die in het Oude Testament het doopsel voorafging
      6. Kw. 71 Over de voorbereidselen die tot het doopsel vereischt wordenOver de voorbereidselen die tot het doopsel vereist worden
    3. Het vormsel (Kw. 72)
      1. Kw. 72 Over het vormsel
    4. De Eucharistie (Kw. 73–83)
      1. Kw. 73 Over het sacrament der Eucharistie op zich genomenOver het sacrament van de Eucharistie op zich genomen
      2. Kw. 74 Over de stof van dit Sacrament
      3. Kw. 75 Over de verandering van het brood en den wijn in het Lichaam en Bloed van ChristusOver de verandering van het brood en de wijn in het Lichaam en Bloed van Christus
      4. Kw. 76 Over de wijze, waarop Christus in dit Sacrament tegenwoordig is
      5. Kw. 77 Over de bijkomstigheden, die in dit Sacrament overblijven
      6. Kw. 78 Over den vorm van dit SacramentOver de vorm van dit Sacrament
      7. Kw. 79 Over de uitwerkselen van het Sacrament der EucharistieOver de uitwerkselen van het Sacrament van de Eucharistie
      8. Kw. 80 Over het gebruik of de nuttiging van dit Sacrament in het algemeen
      9. Kw. 81 Over de wijze, waarop Christus dit Sacrament heeft gebruikt
      10. Kw. 82 Over den bedienaar van dit SacramentOver de bedienaar van dit Sacrament
      11. Kw. 83 Over den ritus van dit SacramentOver de ritus van dit Sacrament
    5. De boete (onvoltooid) (Kw. 84–90)