De defectibus animae1 a Christo assumptis, in decem articulos divisa
Over de tot de ziel behoorende gebreken, die Christus in de menschelijke natuur op zich namOver de tot de ziel behorende gebreken, die Christus in de menselijke natuur op zich nam
423Deinde considerandum est de defectibus pertinentibus ad animam.
423Vervolgens moeten wij de tot de ziel behoorende gebreken behandelen.423Vervolgens moeten wij de tot de ziel behorende gebreken behandelen.
Et circa hoc quaeruntur decem: 1. Utrum in Christo fuerit peccatum. — 2. Utrum in eo fuerit fomes peccati. — 3. Utrum in eo fuerit ignorantia. — 4. Utrum anima ejus fuerit passibilis. — 5. Utrum in eo fuerit dolor sensibilis. — 6. Utrum in eo fuerit tristitia. — 7. Utrum in eo fuerit timor. — 8. Utrum in eo fuerit admiratio. — 9. Utrum in eo fuerit ira. — 10. Utrum simul fuerit viator, et comprehensor.
En hierover stellen wij ons tien vragen: 1. Was er zonde in Christus? 2. Bestond er een haard van zonden in Christus? 3. Was er onkunde in Hem? 4. Kon Zijn ziel lijden? 5. Bestond er in Hem zintuiglijke smart? 6. Bestond er droefheid in Hem? 7. Bestond er vrees in Hem? 8. Verwonderde Hij zich over iets? 9. Was er toorn in Hem? 10. Was Hij tegelijk pelgrim naar den hemel en bewoner ervan?En hierover stellen wij ons tien vragen: 1. Was er zonde in Christus? 2. Bestond er een haard van zonden in Christus? 3. Was er onkunde in Hem? 4. Kon Zijn ziel lijden? 5. Bestond er in Hem zintuiglijke smart? 6. Bestond er droefheid in Hem? 7. Bestond er vrees in Hem? 8. Verwonderde Hij zich over iets? 9. Was er toorn in Hem? 10. Was Hij tegelijk pelgrim naar de hemel en bewoner ervan?
Utrum in Christo fuerit peccatum
Was er zonde in Christus?
424Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in Christo fuerit peccatum: dicitur enim in Psalm. 21. [v. 2]: « Deus, Deus meus, respice in me: quare dereliquisti? longe a salute mea verba delictorum meorum ». Sed haec verba dicuntur ex persona ipsius Christi, ut patet ex hoc, quod ipse ea in cruce protulit [mt. 27. v. 46]. Ergo videtur, quod in Christo fuerint delicta.
424Bedenkingen. — Men beweert, dat er wel zonde in Christus was. — 1. Want in een der Psalmen wordt gezegd (Ps. 21, 2): « Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Mijn zondige woorden zijn ver van Uw heil ». Nu wordt dit in Christus' naam gezegd, zooals blijkt uit het feit, dat Hij die op het kruis uitsprak. Dus schijnen er zonden in Hem te zijn geweest.424Bedenkingen. — Men beweert, dat er wel zonde in Christus was. — 1. Want in een van de Psalmen wordt gezegd (Ps. 21, 2)a: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Mijn zondige woorden zijn ver van Uw heil”. Nu wordt dit in Christus' naam gezegd, zoals blijkt uit het feit, dat Hij die op het kruis uitsprak. Dus schijnen er zonden in Hem te zijn geweest.
2. Praeterea, Rom. 5. [v. 12] dicit Apostolus, quod « in Adam omnes peccaverunt », quia scilicet in eo originaliter fuerunt. Sed Christus etiam originaliter fuit in Adam. Ergo in eo peccavit.
2. In den Romeinenbrief (5, 12) zegt de Apostel: « Allen hebben in Adam gezondigd », omdat allen nl. oorspronkelijk in hem aanwezig waren. Nu was ook Christus oorspronkelijk in Adam aanwezig. Dus heeft ook Hij in hem gezondigd.2. In de Romeinenbrief (5, 12) zegt de Apostel: “Allen hebben in Adam gezondigd”, omdat allen nl. oorspronkelijk in hem aanwezig waren. Nu was ook Christus oorspronkelijk in Adam aanwezig. Dus heeft ook Hij in hem gezondigd.
3. Praeterea, Apostolus dicit Hebr. 2. [v. 18], quod « in eo, in quo Christus passus est, et tentatus, potens est et his qui tentantur, auxiliari ». Sed maxime indigebamus auxilio ejus contra peccatum. Ergo videtur, quod in eo fuerit peccatum.
3. De Apostel zegt in den Hebreeënbrief (2, 18), dat « Christus, omdat Hij geleden heeft en beproefd is, ook hen, die beproefd worden, kan helpen ». Maar wij hebben nog meer behoefte aan Zijn hulp tegen de zonde. Dus zou men zeggen, dat er in Hem ook zonde is geweest.3. De Apostel zegt in de Hebreeënbrief (2, 18), dat “Christus, omdat Hij geleden heeft en beproefd is, ook hen, die beproefd worden, kan helpen”. Maar wij hebben nog meer behoefte aan Zijn hulp tegen de zonde. Dus zou men zeggen, dat er in Hem ook zonde is geweest.
4254. Praeterea, 2 ad Cor. 5. [v. 21] dicitur, quod Deus « eum, qui non noverat peccatum » scilicet Christum, « pro nobis peccatum fecit ». Sed illud vere est, quod a Deo factum est. Ergo in Christo vere fuit peccatum.
4254. In den Tweeden Brief aan de Korinthiërs wordt gezegd, dat God « Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt », nl. Christus. Nu is iets werkelijk dat wat God ervan maakt. Dus was er waarlijk zonde in Christus.4254. In de Tweede Brief aan de Korintiërs wordt gezegd, dat God “Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt”, nl. Christus. Nu is iets werkelijk dat wat God ervan maakt. Dus was er waarlijk zonde in Christus.
5. Praeterea, sicut Augustinus dicit in libro de agone Christiano [cap. 11.], « in homine Christo se nobis ad exemplum vitae praebuit Filius Dei ». Sed homo indiget exemplo non solum ad recte vivendum, sed etiam ad hoc quod poeniteat de peccatis. Ergo videtur, quod in Christo debuerit esse peccatum, ut de peccatis poenitendo, poenitentiae nobis daret exemplum.
5. Zooals Augustinus zegt in het boek Over den Strijd van den Christen (11e H.), « gaf Gods Zoon Zichzelf aan ons in den mensch Christus als voorbeeld ». Nu heeft de mensch niet alleen een voorbeeld noodig om goed te leven maar ook om berouw over de zonde te hebben. Dus schijnt het, dat er in Christus zonde moest zijn, opdat Hij ons in berouw over de zonde een voorbeeld van berouw kon geven.5. Zoals Augustinus zegt in het boek Over de Strijd van de Christen (11e H.), “gaf Gods Zoon Zichzelf aan ons in de mens Christus als voorbeeld”. Nu heeft de mens niet alleen een voorbeeld nodig om goed te leven maar ook om berouw over de zonde te hebben. Dus schijnt het, dat er in Christus zonde moest zijn, opdat Hij ons in berouw over de zonde een voorbeeld van berouw kon geven.
Sed contra est, quod ipse dicit Joan. 8. [v. 46]: « Quis ex vobis arguet me de peccato? »
Maar daartegenover staat, dat Hijzelf bij Johannes (8, 46) zegt: « Wie van U zal mij van zonde overtuigen? »Maar daartegenover staat, dat Hijzelf bij Johannes (8, 46) zegt: “Wie van U zal mij van zonde overtuigen?”
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 14. art. 1.], Christus suscepit defectus nostros, ut pro nobis satisfaceret, et ut veritatem humanae naturae comprobaret, et ut nobis fieret exemplum virtutis. Secundum quae tria manifestum est, quod defectum peccati assumere non debuit: 426primo quidem, quia peccatum nihil operatur ad satisfactionem quinimmo virtutem satisfactionis impedit; quia, ut dicitur Eccli. 34. [v. 23]: « Dona iniquorum non probat Altissimus ». Similiter etiam ex peccato non demonstratur veritas humanae naturae; quia peccatum non pertinet ad humanam naturam, cujus Deus est causa, sed magis est contra naturam « per seminationem diaboli » introductum, ut Damascenus dicit [Orth. Fid. lib. 3. cap. 20.]. Tertio, quia peccando exemplum virtutis praebere non potuit, cum peccatum contrarietur virtuti; et ideo Christus nullo modo assumpsit defectum peccati, nec originalis, nec actualis, secundum illud quod dicitur 1. Pet. 2. [v. 22]: « Qui peccatum non fecit, etc. ».
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (14e Kw., 1e Art.), nam Christus onze gebreken op Zich om voor ons te voldoen en te bewijzen, dat zijn menschelijke natuur echt was en om een voorbeeld van deugden voor ons te worden. Nu is het duidelijk, dat het voor deze drie dingen niet noodig was het zondegebrek op 426Zich te nemen. Ten eerste immers draagt de zonde in het geheel niets bij tot de voldoening, maar maakt zij deze integendeel krachteloos, omdat zooals bij Ecclesiasticus (34, 23) gezegd wordt, « de Heer de gaven der onrechtvaardigheid het ontvangen niet waardig keurt ». De echtheid der menschelijke natuur blijkt evenmin uit de zonde, omdat de zonde niet tot de menschelijke natuur, die door God is voortgebracht, behoort, maar eerder tegen onze natuur door « het zaad van den duivel » in ons gebracht is, zooals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 20e H.). De zonde kon ten derde geen voorbeeld van deugd zijn, omdat zij tegenover de deugd staat. Dus nam Christus het gebrek van erfzonde noch van zonde door een daad op Zich, zooals in den Eersten Brief van Petrus (2, 22) wordt gezegd: « Hij heeft geen zonde bedreven en in Zijn mond is geen bedrog gevonden ».Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (14e Kw., 1e Art.), nam Christus onze gebreken op Zich om voor ons te voldoen en te bewijzen, dat zijn menselijke natuur echt was en om een voorbeeld van deugden voor ons te worden. Nu is het duidelijk, dat het voor deze drie dingen niet nodig was het zondegebrek op 426Zich te nemen. Ten eerste immers draagt de zonde in het geheel niets bij tot de voldoening, maar maakt zij deze integendeel krachteloos, omdat zoals bij Sirach (34, 23) gezegd wordt, “de Heer de gaven van de onrechtvaardigheid het ontvangen niet waardig keurt”. De echtheid van de menselijke natuur blijkt evenmin uit de zonde, omdat de zonde niet tot de menselijke natuur, die door God is voortgebracht, behoort, maar eerder tegen onze natuur door “het zaad van de duivel” in ons gebracht is, zoals Damascenus zegt (Over het Ware Geloof, 3e B., 20e H.). De zonde kon ten derde geen voorbeeld van deugd zijn, omdat zij tegenover de deugd staat. Dus nam Christus het gebrek van erfzonde noch van zonde door een daad op Zich, zoals in de Eerste Brief van Petrus (2, 22) wordt gezegd: “Hij heeft geen zonde bedreven en in Zijn mond is geen bedrog gevonden”.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 25.], dupliciter dicitur aliquid de Christo. Uno modo secundum proprietatem naturalem, et hypostaticam: sicut dicitur, quod Deus factus est homo, et quod passus est pro nobis. Alio modo secundum proprietatem personalem, et habitualem: prout scilicet aliqua dicuntur de 427ipso in persona nostra, quae sibi secundum se nullo modo conveniunt. Unde et inter septem regulas Ticonii, quas Augustinus ponit in 3. de Doctr. Christ. [cap. 31.], « prima ponitur de Domino, et ejus corpore » cum scilicet « Christi et Ecclesiae una persona aestimatur ». Et secundum hoc Christus ex persona membrorum suorum loquens dicit Ps. 21.: « Verba delictorum meorum » non quod in ipso capite delicta fuerint.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 25e H.) zegt, zegt men op twee manieren iets van Christus, ten eerste om een eigenschap die van natuur of hypostase komt, zooals men zegt, dat Hij mensch geworden is en voor ons geleden heeft; en daarnaast om een persoonlijke eigenschap, die Hij krachtens een of andere verhouding bezit, zooals nl. sommige dingen van Hem in plaats van ons worden 427gezegd, ofschoon zij Hem op zichzelf heelemaal niet toekomen. Daarom vinden wij als eerste onder de zeven regels van Tichonius, die Augustinus in het 3e boek Over de Christelijke leer (31e H.) opgeeft, die over den Heer en Zijn lichaam, daar nl. « Christus en de Kerk als één persoon beschouwd worden ». En zoo spreekt Christus in naam van Zijn ledematen die tekst over « Mijn zondige woorden » uit, niet alsof er in Hem, het Hoofd zelf, zonden zouden zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 25e H.) zegt, zegt men op twee manieren iets van Christus, ten eerste om een eigenschap die van natuur of hypostase komt, zoals men zegt, dat Hij mens geworden is en voor ons geleden heeft; en daarnaast om een persoonlijke eigenschap, die Hij krachtens een of andere verhouding bezit, zoals nl. sommige dingen van Hem in plaats van ons worden 427gezegd, ofschoon zij Hem op zichzelf helemaal niet toekomen. Daarom vinden wij als eerste onder de zeven regels van Tichonius, die Augustinus in het 3e boek Over de Christelijke leer (31e H.) opgeeft, die over de Heer en Zijn lichaam, daar nl. “Christus en de Kerk als één persoon beschouwd worden”. En zo spreekt Christus in naam van Zijn ledematen die tekst over “Mijn zondige woorden” uit, niet alsof er in Hem, het Hoofd zelf, zonden zouden zijn.
Ad secundum dicendum, quod, sicut dicit Augustinus 10. super Gen. ad lit. [cap. 20.], non eodem omni modo Christus fuit in Adam, et in aliis Patribus, quo nos ibi fuimus. Nos enim fuimus in Adam secundum seminalem rationem, et secundum corpulentam substantiam; quia scilicet ut ipse ibidem dicit, « cum sit in semine, et visibilis corpulentia, et invisibilis ratio utrumque cucurrit ex Adam. Sed Christus visibilem carnis substantiam de carne Virginis sumpsit: ratio vero conceptionis ejus non a semine virili, sed longe aliter, ac desuper venit ». Unde non fuit in Adam secundum seminalem rationem, sed solum secundum corpulentam substantiam. Et ideo Christus non accepit active ab Adam humanam naturam, sed solum materialiter, active vero a Spiritu Sancto: sicut et ipse Adam materialiter 428sumpsit corpus ex limo terrae, active autem a Deo [Gen. cap. 2. v. 7]. Et propter hoc Christus non peccavit in Adam, in quo fuit solum secundum materiam.
2. Zooals Augustinus in het 10e boek Over het boek der Schepping naar zijn letterlijke beteekenis (20e H.) zegt, was Christus niet op alle manieren, waarop wij in Adam en de oude Vaders tegenwoordig waren, in hen aanwezig. Want wij waren in Adam zoowel naar het zaad, dat ons voortbrengt, als naar de zelfstandigheid, waaruit ons lichaam voortkomt, want omdat wij, zooals hij daar zegt, « in het zaad zoowel de zichtbare lichamelijke zelfstandigheid als de onzichtbare oorzaak (van ons ontstaan) vinden, komen beiden van Adam. Nu nam Christus de zichtbare zelfstandigheid van het vleesch uit het vleesch der Maagd aan, maar de oorzaak van Zijn ontvangenis was niet het zaad van een man, maar iets geheel anders en van boven ». Daarom was Hij in Adam 428niet aanwezig, in zoover Hij uit diens zaad geboren werd, maar alleen wat de zelfstandigheid van Zijn lichaam betreft. En dus kreeg Christus, voor zoover het de werkende kracht aangaat, Zijn menschelijke natuur niet van Adam, maar alleen zooals men iets van een materie krijgt, en wat de actieve kracht betreft van den Heiligen Geest, zooals Adam zelf ook zijn lichaam van de aarde kreeg als van een materie, maar van God wat de werkende en voortbrengende kracht betreft. En daarom zondigde Christus in Adam, in wien Hij alleen wat Zijn materie betreft aanwezig was, niet.2. Zoals Augustinus in het 10e boek Over het boek van de Schepping naar zijn letterlijke betekenis (20e H.) zegt, was Christus niet op alle manieren, waarop wij in Adam en de oude Vaders tegenwoordig waren, in hen aanwezig. Want wij waren in Adam zowel naar het zaad, dat ons voortbrengt, als naar de zelfstandigheid, waaruit ons lichaam voortkomt, want omdat wij, zoals hij daar zegt, “in het zaad zowel de zichtbare lichamelijke zelfstandigheid als de onzichtbare oorzaak (van ons ontstaan) vinden, komen beiden van Adam. Nu nam Christus de zichtbare zelfstandigheid van het vlees uit het vlees van de Maagd aan, maar de oorzaak van Zijn ontvangenis was niet het zaad van een man, maar iets geheel anders en van boven”. Daarom was Hij in Adam 428niet aanwezig, in zover Hij uit diens zaad geboren werd, maar alleen wat de zelfstandigheid van Zijn lichaam betreft. En dus kreeg Christus, voor zover het de werkende kracht aangaat, Zijn menselijke natuur niet van Adam, maar alleen zoals men iets van een materie krijgt, en wat de actieve kracht betreft van de Heilige Geest, zoals Adam zelf ook zijn lichaam van de aarde kreeg als van een materie, maar van God wat de werkende en voortbrengende kracht betreft. En daarom zondigde Christus in Adam, in wie Hij alleen wat Zijn materie betreft aanwezig was, niet.
Ad tertium dicendum, quod Christus ex sua tentatione, et passione nobis auxiliatus est, pro nobis satisfaciendo. Sed peccatum non cooperatur ad satisfactionem, sed magis ipsam impedit, ut dictum est [in corp. art.]; et ideo non oportuit, quod peccatum in se haberet, sed omnino esset purus a peccato: alioquin poena, quam sustinuit, fuisset sibi debita pro proprio peccato.
3. Christus bracht door Zijn bekoord worden en lijden hulp, omdat Hij voor ons voldoening gaf. Nu werkt de zonde niet mee ter voldoening, maar staat haar, zooals reeds gezegd is (in de Leerstelling), eerder in den weg. Daarom moest Hij geen zonde in Zich dragen, maar geheel en al rein van zonden zijn; want anders had Hij de straf, die Hij onderging, voor eigen zonden moeten dragen.3. Christus bracht door Zijn bekoord worden en lijden hulp, omdat Hij voor ons voldoening gaf. Nu werkt de zonde niet mee ter voldoening, maar staat haar, zoals reeds gezegd is (in de Leerstelling), eerder in de weg. Daarom moest Hij geen zonde in Zich dragen, maar geheel en al rein van zonden zijn; want anders had Hij de straf, die Hij onderging, voor eigen zonden moeten dragen.
Ad quartum dicendum, quod Deus « fecit Christum peccatum » non quidem ut in se peccatum haberet, sed quia fecit eum hostiam pro peccato; sicut et Oseae 4. [v. 8] dicitur: « Peccata populi mei comedent » scilicet Sacerdotes, qui secundum legem comedebant hostias pro peccato oblatas [Levit. cap. 6. v. 26]. Et secundum hunc modum dicitur Isa. 53. [v. 6], 429quod « Dominus posuit in eo iniquitatem omnium » quia scilicet eum tradidit, ut esset hostia pro peccatis omnium hominum: vel « fecit eum peccatum » idest « habentem similitudinem carnis peccati » ut dicitur Rom. 8. [v. 3], et hoc propter corpus passibile, et mortale, quod assumpsit.
4. « God maakte Christus tot zonde » niet in dien zin, dat Hij in Zichzelf zonde droeg, maar dat Hij Hem tot slachtoffer voor de zonde maakte; zooals bij Osee (4, 8) wordt gezegd, dat « zij de zonden van Mijn volk eten », nl. de priesters, die de offers aten, die voor de zonden werden opgedragen. En in dezen zin ook wordt bij Isaias (53, 6) gezegd, dat « God al onze misdaden op Hem 429heeft gelegd », omdat Hij Hem nl. heeft overgeleverd als offer voor de zonden van alle menschen. Ofwel « maakte (Hij) Hem tot zonde » d. w. z. « gelijkvormig aan het zondig vleesch », zooals gezegd wordt in den Brief aan de Romeinen (8, 3). En dit om wille van het lijdelijk en sterfelijk lichaam, dat Hij heeft aangenomen.4. “God maakte Christus tot zonde” niet in die zin, dat Hij in Zichzelf zonde droeg, maar dat Hij Hem tot slachtoffer voor de zonde maakte; zoals bij Hosea (4, 8) wordt gezegd, dat “zij de zonden van Mijn volk eten”, nl. de priesters, die de offers aten, die voor de zonden werden opgedragen. En in deze zin ook wordt bij Jesaja (53, 6) gezegd, dat “God al onze misdaden op Hem 429heeft gelegd”, omdat Hij Hem nl. heeft overgeleverd als offer voor de zonden van alle mensen. Ofwel “maakte (Hij) Hem tot zonde” d. w. z. “gelijkvormig aan het zondig vlees”, zoals gezegd wordt in de Brief aan de Romeinen (8, 3). En dit om wille van het lijdelijk en sterfelijk lichaam, dat Hij heeft aangenomen.
Ad quintum dicendum, quod poenitens laudabile exemplum dare potest, non ex eo quod peccavit, sed in hoc quod voluntarie poenam sustinet pro peccato: Unde Christus dedit maximum exemplum poenitentibus, dum non pro peccato proprio, sed pro peccatis aliorum voluit poenam subire.
5. Een boetvaardige kan een loffelijk voorbeeld geven, niet omdat hij gezondigd heeft, maar omdat hij vrijwillig de straf voor zijn zonde draagt. En dus gaf Christus het hoogste voorbeeld van boetvaardigheid, toen Hij niet voor eigen zonden, maar voor die van anderen de straf wilde dragen.
Utrum in Christo fuerit fomes peccati
Was de haard der zonde in Christus?Was de haard van de zonde in Christus?
429Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod in Christo fuerit fomes peccati: ab eodem enim principio derivatur fomes peccati, ei passibilitas corporis, sive mortalitas; scilicet ex subtractione originalis justitiae, per 430quam simul inferiores vires animae subdebantur rationi, et corpus animae. Sed in Christo fuit passibilitas corporis, et mortalitas. Ergo etiam in eo fuit fomes peccati.
429Bedenkingen. — Men beweert, dat de haard der zonde in Christus was. — 1. Want de haard der zonde en het kunnen lijden of de sterfelijkheid komen van hetzelfde beginsel, nl. het wegnemen der oorspronkelijke rechtvaardigheid, waardoor 430tegelijkertijd de lagere krachten der ziel aan het verstand onderworpen waren en het lichaam aan de ziel. Nu bestonden in Christus het vermogen om te lijden en de sterfelijkheid van het lichaam. Dus ook de haard der zonde.429Bedenkingen. — Men beweert, dat de haard van de zonde in Christus was. — 1. Want de haard van de zonde en het kunnen lijden of de sterfelijkheid komen van hetzelfde beginsel, nl. het wegnemen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, waardoor 430tegelijkertijd de lagere krachten van de ziel aan het verstand onderworpen waren en het lichaam aan de ziel. Nu bestonden in Christus het vermogen om te lijden en de sterfelijkheid van het lichaam. Dus ook de haard van de zonde.
2. Praeterea, sicut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 19.], « beneplacito divinae voluntatis permittebatur carni Christi pati, et operari quae propria ». Sed proprium est carni, ut concupiscat delectabilia sibi. Cum igitur nihil aliud sit fomes, quam concupiscentia, ut dicitur in Glos. Rom. 7. [v. 8. interl. et ord. sup. illud: Nam concupiscentiam nesciebam], videtur, quod in Christo fuerit fomes peccati.
2. Zooals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 19e H.) zegt, « werd door het besluit van den goddelijken wil aan het lichaam toegestaan te lijden en te handelen zooals het eraan eigen was ». Nu is het eigen aan het lichaam te begeeren, wat eraan behaagt. Waar nu de zondenhaard niets anders is als die begeerte, zooals de Glossa bij den Brief aan de Romeinen (7, 8), zegt, schijnt de haard der zonde in Christus geweest te zijn.2. Zoals Damascenus in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 19e H.) zegt, “werd door het besluit van de goddelijke wil aan het lichaam toegestaan te lijden en te handelen zoals het eraan eigen was”. Nu is het eigen aan het lichaam te begeren, wat eraan behaagt. Waar nu de zondenhaard niets anders is als die begeerte, zoals de Glossa bij de Brief aan de Romeinen (7, 8), zegt, schijnt de haard van de zonde in Christus geweest te zijn.
3. Praeterea, ratione fomitis peccati1 « caro concupiscit adversus spiritum » ut dicitur Gal. 5. [v. 17]. Sed tanto spiritus ostenditur fortior, et magis dignus corona, quanto magis superat hostem, scilicet concupiscentiam carnis, secundum illud 2. ad Tim. 2. [v. 5]: « Non coronabitur, nisi qui legitime certaverit » Christus autem habuit fortissimum, spiritum; et maxime dignum corona, secundum illud Apoc. 6. [v. 2]: 431« Data est ei corona, et exivit vincens, ut vinceret ». Videtur ergo, quod in Christo maxime debuerit esse fomes peccati.
3. Wegens die zondenhaard « begeert het vleesch tegen den geest in », zooals in den Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd. Nu toont de geest zich sterker en de kroon der overwinning meer waard, naarmate hij den vijand, nl. de begeerte van het vleesch meer beheerscht volgens den Tweeden Brief aan Timotheus (2, 5): « Niemand zal bekroond worden dan wie wettig gestreden heeft ». Nu had Christus een zeer sterken en overwinnenden geest, die de bekroning zoo waardig mogelijk was naar het boek der Openbaring (6, 2): « Hem werd een kroon gegeven en Hij trok uit om te 431overwinnen ». Dus schijnt het, dat vooral de zondenhaard in Christus aanwezig moet zijn geweest.3. Wegens die zondenhaard “begeert het vlees tegen de geest in”, zoals in de Galatenbrief (5, 17) wordt gezegd. Nu toont de geest zich sterker en de kroon van de overwinning meer waard, naarmate hij de vijand, nl. de begeerte van het vlees meer beheerst volgens de Tweede Brief aan Timoteüs (2, 5): “Niemand zal bekroond worden dan wie wettig gestreden heeft”. Nu had Christus een zeer sterken en overwinnenden geest, die de bekroning zo waardig mogelijk was naar het boek van de Openbaring (6, 2): “Hem werd een kroon gegeven en Hij trok uit om te 431overwinnen”. Dus schijnt het, dat vooral de zondenhaard in Christus aanwezig moet zijn geweest.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 1. [v. 20]: « Quod in ea natum est, de Spiritu Sancto est ». Sed Spiritus Sanctus excludit peccatum, et inclinationem peccati, quae importatur nomine fomitis. Ergo in Christo non fuit fomes peccati.
Maar daartegenover staat, dat bij Matthaeus (1, 20) wordt gezegd: « Wat in haar geboren is, is van den Heiligen Geest ». Nu sluit de Heilige Geest iedere zonde en ook de neiging tot zonde, die in de term haard vervat ligt, uit. Dus bestond er geen haard van zonde in Christus.Maar daartegenover staat, dat bij Matteüs (1, 20) wordt gezegd: “Wat in haar geboren is, is van de Heilige Geest”. Nu sluit de Heilige Geest iedere zonde en ook de neiging tot zonde, die in de term haard vervat ligt, uit. Dus bestond er geen haard van zonde in Christus.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 7. art. 2. et 9.], Christus perfectissime habuit gratiam, et omnes virtutes. Virtus autem moralis, quae est in irrationali parte animae, eam facit esse rationi subjectam, et tanto magis, quanto perfectior fuerit virtus: sicut temperantia concupiscibilem, et fortitudo et mansuetudo irascibilem, ut in 2. dictum est [1-2. q. 56. art. 4.]: ad rationem autem fomitis pertinet inclinatio sensualis appetitus in id, quod est contra rationem. Sic igitur patet, quod quanto virtus in aliquo fuerit magis perfecta, tanto magis in eo debilitatur 432vis fomitis; cum igitur in Christo fuerit virtus secundum perfectissimum gradum, consequens est quod in eo fomes peccati non fuerit: cum etiam iste defectus non sit ordinabilis ad satisfaciendum, sed potius inclinet ad contrarium satisfactioni.
Leerstelling. — Zooals boven is gezegd (7e Kw., 2e en 9e Art.), bezat Christus de genade en alle deugden in de hoogste volmaaktheid. Nu maken de zedelijke deugden, die zich in het niet-redelijke gedeelte der ziel bevinden, dat aan de rede onderworpen en wel zooveel te meer, naarmate de deugd sterker is; zoo doet het de matigheid bij het begeervermogen en de sterkte en zachtmoedigheid bij het tegenstrevende vermogen, zooals in het tweede deel (Ia-IIae, 56e Kw., 4e Art.) is gezegd. Nu behoort het tot het wezen van den haard, dat er een streven tegen het verstand in bestaat in het zinnelijk streefvermogen. Het blijkt dus, dat naarmate de deugd in iemand volmaakter is, de kracht van den haard in hem wordt verzwakt. Omdat nu de deugden in 432Christus de hoogste trap der volmaaktheid hadden bereikt, was dientengevolge de haard der zonde in Hem niet meer aanwezig, ook al omdat dit gebrek niet voor de voldoening kan worden benut, maar eerder iemand geneigd maakt tot het tegendeel van voldoening.Leerstelling. — Zoals boven is gezegd (7e Kw., 2e en 9e Art.), bezat Christus de genade en alle deugden in de hoogste volmaaktheid. Nu maken de zedelijke deugden, die zich in het niet-redelijke gedeelte van de ziel bevinden, dat aan de rede onderworpen en wel zoveel te meer, naarmate de deugd sterker is; zo doet het de matigheid bij het begeervermogen en de sterkte en zachtmoedigheid bij het tegenstrevende vermogen, zoals in het tweede deel (1-2, 56e Kw., 4e Art.) is gezegd. Nu behoort het tot het wezen van de haard, dat er een streven tegen het verstand in bestaat in het zinnelijk streefvermogen. Het blijkt dus, dat naarmate de deugd in iemand volmaakter is, de kracht van de haard in hem wordt verzwakt. Omdat nu de deugden in 432Christus de hoogste trap van de volmaaktheid hadden bereikt, was dientengevolge de haard van de zonde in Hem niet meer aanwezig, ook al omdat dit gebrek niet voor de voldoening kan worden benut, maar eerder iemand geneigd maakt tot het tegendeel van voldoening.
Ad primum ergo dicendum, quod inferiores vires pertinentes ad sensibilem appetitum naturaliter sunt obedibiles rationi: non autem vires corporales, vel humorum corporalium, vel etiam ipsius animae vegetabilis, ut patet in 1. Ethic. [cap. 13. n. 5 sq. S. Th. lect. 20]. Et ideo perfectio virtutis, quae est secundum rationem rectam, non excludit passibilitatem corporis: excludit autem fomitem peccati; cujus ratio consistit in resistentia sensualis2 appetitus ad rationem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De lagere krachten, die tot het zinnelijk streefvermogen behooren, kunnen van nature aan de rede gehoorzamen, maar de vloeistoffen of krachten van het lichaam of zelfs van de plantaardige ziel niet, zooals uit het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) blijkt. Daarom sluit de volmaaktheid van de deugd volgens de rechte rede het kunnen lijden van het lichaam niet uit, maar wel het bestaan van den zondenhaard, omdat het wezen daarvan bestaat in het weerstreven van het zinnelijk begeervermogen tegen het verstand.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De lagere krachten, die tot het zinnelijk streefvermogen behoren, kunnen van nature aan de rede gehoorzamen, maar de vloeistoffen of krachten van het lichaam of zelfs van de plantaardige ziel niet, zoals uit het 1e boek Over de Zedeleer (13e H., n. 15 en vlgd.) blijkt. Daarom sluit de volmaaktheid van de deugd volgens de rechte rede het kunnen lijden van het lichaam niet uit, maar wel het bestaan van de zondenhaard, omdat het wezen daarvan bestaat in het weerstreven van het zinnelijk begeervermogen tegen het verstand.
Ad secundum dicendum, quod caro naturaliter concupiscit id, quod est sibi delectabile, concupiscentia appetitus sensitivi: sed caro hominis, qui est animal rationale, hoc concupiscit secundum modum, et ordinem 433rationis. Et hoc modo caro Christi concupiscentia appetitus sensitivi naturaliter appetebat escam, et potum, et somnum, et alia3, quae secundum rectam rationem appetuntur, ut patet per Damascenum in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 14.]. Ex hoc autem non sequitur, quod in Christo fuerit fomes peccati, qui importat concupiscentiam delectabilium praeter ordinem rationis.
2. Van nature begeert het vleesch wat eraan behaagt met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen; het vleesch echter van den mensch, die een redelijk dier is, begeert dit op een manier en volgens een orde, die onder de leiding van het verstand staan. En zoo begeerde Christus' vleesch van nature met de begeerdaad 433van het zinnelijk streefvermogen om te eten en te drinken en te slapen en dergelijke dingen, die volgens het verstand worden begeerd, zooals blijkt uit Damascenus, het 3e boek (14e H.). Daaruit volgt echter niet, dat de haard der zonde in Christus bestond, omdat deze een begeeren van het behaaglijke meebrengt tegen de orde van het verstand in.2. Van nature begeert het vlees wat eraan behaagt met de begeerdaad van het zinnelijk streefvermogen; het vlees echter van de mens, die een redelijk dier is, begeert dit op een manier en volgens een orde, die onder de leiding van het verstand staan. En zo begeerde Christus' vlees van nature met de begeerdaad 433van het zinnelijk streefvermogen om te eten en te drinken en te slapen en dergelijke dingen, die volgens het verstand worden begeerd, zoals blijkt uit Damascenus, het 3e boek (14e H.). Daaruit volgt echter niet, dat de haard van de zonde in Christus bestond, omdat deze een begeren van het behaaglijke meebrengt tegen de orde van het verstand in.
Ad tertium dicendum, quod fortitudo spiritus aliqualis ostenditur ex hoc, quod resistit concupiscentiae carnis sibi contrariantis: sed major fortitudo spiritus ostenditur, si per ejus virtutem totaliter caro4 comprimatur, ne contra spiritum concupiscere possit. Et ideo hoc competebat Christo, cujus spiritus summum fortitudinis gradum attigerat: et licet non sustinuerit impugnationem interiorem ex parte fomitis: sustinuit tamen exteriorem impugnationem ex parte mundi, et diaboli, quos superando victoriae coronam promeruit.
3. Er blijkt een zekere geestessterkte uit het weerstaan aan de tegen het verstand opstandige begeerten van het vleesch; maar het is een bewijs van nog grootere geestessterkte, als iedere begeerte van het vleesch tegen de geest geheel bedwongen wordt. En dat paste dus aan Christus, Wiens geest den hoogsten graad van sterkte had bereikt. Al ondervond Hij dus innerlijk geen weerstand van den zondenhaard, toch had Hij bestrijding van buiten te verduren van de wereld en den duivel, zoodat Hij door hen te overwinnen de kroon der zege verdiende.3. Er blijkt een zekere geestessterkte uit het weerstaan aan de tegen het verstand opstandige begeerten van het vlees; maar het is een bewijs van nog grotere geestessterkte, als iedere begeerte van het vlees tegen de geest geheel bedwongen wordt. En dat paste dus aan Christus, Wiens geest de hoogste graad van sterkte had bereikt. Al ondervond Hij dus innerlijk geen weerstand van de zondenhaard, toch had Hij bestrijding van buiten te verduren van de wereld en de duivel, zodat Hij door hen te overwinnen de kroon van de zege verdiende.
Utrum in Christo fuerit ignorantia
Was er in Christus onwetendheid?
434Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod in Christo fuerit ignorantia. Illud enim vere fuit in Christo, quod sibi competit secundum humanam naturam, licet ei non competat secundum divinam, sicut passio, et mors. Sed ignorantia convenit Christo secundum humanam naturam: dicit enim Damascenus in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 21.] quod « ignorantem, et servilem assumpsit naturam ». Ergo ignorantia vere fuit in Christo.
434Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus onwetendheid was. — 1. Want in Christus was waarlijk aanwezig wat Hem naar Zijn menschelijke natuur toekwam, ook al kwam het Hem naar Zijn goddelijke natuur niet toe zooals lijden en dood. Nu komt onwetendheid Hem naar de menschelijke natuur toe, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.), dat « Hij een onwetende en slaafsche natuur aannam ». Dus was er in Christus werkelijk onwetendheid.434Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus onwetendheid was. — 1. Want in Christus was waarlijk aanwezig wat Hem naar Zijn menselijke natuur toekwam, ook al kwam het Hem naar Zijn goddelijke natuur niet toe zoals lijden en dood. Nu komt onwetendheid Hem naar de menselijke natuur toe, want Damascenus zegt in het 3e boek (Over het Ware Geloof, 21e H.), dat “Hij een onwetende en slaafse natuur aannam”. Dus was er in Christus werkelijk onwetendheid.
2. Praeterea, aliquis dicitur ignorans per notitiae defectum. Sed aliqua notitia defuit Christo: dicit enim Apost. 2. ad Cor. 5. [v. 21]: « Eum, qui non novit peccatum, pro nobis peccatum fecit ». Ergo in Christo fuit ignorantia.
2. Men noemt iemand onwetend om gebrek aan kennis. Nu was er een kennis die Christus ontbrak, want de Apostel zegt in den Tweeden Brief aan de Korinthiërs (5, 21), dat « (God) Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt ». Dus was er in Christus onwetendheid.2. Men noemt iemand onwetend om gebrek aan kennis. Nu was er een kennis die Christus ontbrak, want de Apostel zegt in de Tweede Brief aan de Korintiërs (5, 21), dat “(God) Hem, die geen zonde kende, voor ons tot zonde heeft gemaakt”. Dus was er in Christus onwetendheid.
3. Praeterea, Isa. 8. [v. 4] dicitur: « Antequam sciat puer vocare 435patrem suum, et matrem suam, auferetur fortitudo Damasci ». Puer autem ille est Christus. Ergo in Christo fuit aliquarum rerum ignorantia.
3. Bij Isaias (8, 4) wordt gezegd: « Voordat dit kind zijn vader en moeder bij hun naam kan noemen, zal de sterkte van 435Damascus weggenomen zijn ». Nu is Christus dit kind en dus is er in Hem onwetendheid over sommige dingen.3. Bij Jesaja (8, 4) wordt gezegd: “Voordat dit kind zijn vader en moeder bij hun naam kan noemen, zal de sterkte van 435Damascus weggenomen zijn”. Nu is Christus dit kind en dus is er in Hem onwetendheid over sommige dingen.
Sed contra, ignorantia per ignorantiam non tollitur: Christus autem ad hoc venit, ut ignorantias nostras auferret: venit enim, « ut illuminaret his, qui in tenebris, et in umbra mortis sedent » [Luc. 1. v. 79]. Ergo in Christo ignorantia non fuit.
Maar daartegenover staat, dat onwetendheid niet door onwetendheid wordt weggenomen. Nu kwam Christus onze onwetendheid wegnemen, want « Hij kwam hen verlichten, die in de duisternis en de schaduw des doods zaten ». Dus was er geen onwetendheid in Christus.Maar daartegenover staat, dat onwetendheid niet door onwetendheid wordt weggenomen. Nu kwam Christus onze onwetendheid wegnemen, want “Hij kwam hen verlichten, die in de duisternis en de schaduw van de dood zaten”. Dus was er geen onwetendheid in Christus.
Respondeo dicendum, quod sicut in Christo fuit plenitudo gratiae, et virtutis; ita in ipso fuit plenitudo omnis scientiae, ut ex praemissis patet [q. 7. art. 2. et 9. et q. 9. sq.]. Sicut autem in Christo plenitudo gratiae, et virtutis excludit fomitem peccati: ita plenitudo scientiae excludit ignorantiam, quae scientiae opponitur. Unde sicut in Christo non fuit fomes peccati: ita non fuit in eo ignorantia.
Leerstelling. — Zooals Christus de volheid van genade en deugd bezat, was ook de volheid van iedere kennis in Hem, zooals uit het voorafgaande (7e Kw., 2e en 9e Art.; 9e Kw. en vlgd.) blijkt. Gelijk nu de volheid van genade en deugd in Christus het bestaan van den zondenhaard onmogelijk maakt, sluit de volheid der kennis de onwetendheid uit, die tegenover de wetenschap staat. Dus was er in Hem ook geen onwetendheid zooals geen haard van zonde.Leerstelling. — Zoals Christus de volheid van genade en deugd bezat, was ook de volheid van iedere kennis in Hem, zoals uit het voorafgaande (7e Kw., 2e en 9e Art.; 9e Kw. en vlgd.) blijkt. Gelijk nu de volheid van genade en deugd in Christus het bestaan van de zondenhaard onmogelijk maakt, sluit de volheid van de kennis de onwetendheid uit, die tegenover de wetenschap staat. Dus was er in Hem ook geen onwetendheid zoals geen haard van zonde.
Ad primum ergo dicendum, quod natura a Christo assumpta potest dupliciter considerari. Uno modo secundum rationem suae speciei. Et secundum hoc dicit Damascenus eam esse ignorantem et servilem. Unde 436subdit: « Nam serva est quidem hominis natura ejus qui fecit ipsam, Dei scilicet, et non habet futurorum cognitionem ». — Alio modo potest considerari secundum id, quod habet ex unione ad hypostasim divinam; ex qua habet plenitudinem scientiae, et gratiae, secundum illud Joan. 1. [v. 14]: « Vidimus eum quasi unigenitum a Patre, plenum gratiae, et veritatis » et hoc modo natura humana in Christo ignorantiam non habuit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De door Christus aangenomen natuur kan onder een dubbel opzicht worden beschouwd. Ten eerste naar haar soortelijke aard. En in dezen zin 436zegt Damascenus, dat zij « onwetend en slaafsch » is. Hij voegt er immers aan toe: « Want de natuur van den mensch is de slaaf van Hem, die haar maakte, God, en zij mist de kennis der toekomstige dingen ». Zij kan echter ook anders beschouwd worden, nl. naar datgene wat zij krachtens de vereeniging met de goddelijke hypostase bezit; en daardoor heeft zij de volheid van genade en wetenschap naar het woord van Johannes (1, 14). « Wij hebben Hem gezien als de Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid ». En zoo beschouwd had de menschelijke natuur in Christus geen onwetendheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De door Christus aangenomen natuur kan onder een dubbel opzicht worden beschouwd. Ten eerste naar haar soortelijke aard. En in deze zin 436zegt Damascenus, dat zij “onwetend en slaafs” is. Hij voegt er immers aan toe: “Want de natuur van de mens is de slaaf van Hem, die haar maakte, God, en zij mist de kennis van de toekomstige dingen”. Zij kan echter ook anders beschouwd worden, nl. naar datgene wat zij krachtens de vereniging met de goddelijke hypostase bezit; en daardoor heeft zij de volheid van genade en wetenschap naar het woord van Johannes (1, 14). “Wij hebben Hem gezien als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid”. En zo beschouwd had de menselijke natuur in Christus geen onwetendheid.
Ad secundum dicendum, quod Christus dicitur non novisse peccatum, quia nescivit per experientiam, scivit autem per simplicem notitiam.
2. Van Christus wordt gezegd, dat Hij geen zonde kende, omdat Hij haar niet bij ondervinding kende. Hij kende haar echter door eenvoudige kennis.
Ad tertium dicendum, quod loquitur ibi Propheta de scientia humana Christi: dicit ergo: « Antequam sciat puer », scilicet secundum humanitatem, « vocare patrem suum », scilicet Joseph, qui pater ejus fuit putativus, « et matrem suam » scilicet Mariam, « auferetur fortitudo Damasci ». Quod non est sic intelligendum, quasi aliquando fuerit homo, et hoc nesciverit: sed « antequam sciat », idest antequam fiat homo scientiam habens humanam, « auferetur » vel ad literam « fortitudo Damasci, 437et spolia Samariae per Regem Assyriorum »; vel spiritualiter, quia « nondum natus populum suum sola invocatione salvabit » ut Gloss. [interl.] Hieron. ibi exponit. Augustinus tamen in Serm. de Epiph. [202] dicit, hoc esse completum in adoratione Magorum; ait enim: « Antequam per humanam carnem humana verba proferret, accepit virtutem Damasci, scilicet divitias, in quibus Damascus praesumebat: in divitiis autem principatus auro defertur. Spolia vero Samariae iidem ipsi erant. Samaria namque pro idololatria ponitur: illic enim populus, ad idola colenda conversus est; haec igitur prima spolia puer idololatriae detraxit »; et secundum hoc intelligitur, « antequam sciat » idest « antequam ostendat se scire ».
3. De profeet spreekt hier over de menschelijke wetenschap van Christus. Hij zegt daarom: « Voordat dit kind (nl. met zijn menschelijke kennis) zijn vader (nl. Jozef, die als zijn vader werd beschouwd) en zijn moeder (nl. Maria) bij hun naam zal noemen, zal de kracht van Damascus worden weggenomen ». Maar dit moet men niet zoo opvatten, dat Hij eens mensch was en dit niet wist, maar « voordat Hij weet » dwz., voordat Hij mensch wordt met een menschelijke kennis zal ofwel in letterlijken zin « de kracht van Samaria en de buit van Damascus door den koning van 437Assyrië worden weggenomen » ofwel zal Hij naar den geestelijken zin « de volkeren redden alleen al doordat zij hem aanroepen ». zooals de Glossa van Hieronymus het uitlegt. Augustinus zegt echter in zijn preek over Epiphanie (202e Pr.), dat dit vervuld is bij de aanbidding der wijzen. Want hij zegt: « Voordat Hij in het menschelijk vleesch menschelijke woorden sprak, ontving Hij de kracht van Damascus, nl. de rijkdommen, waar Damascus trotsch op was en waaronder het goud vooraanstaat. Ook bezat Hij de buit van Damascus. Want Samaria staat hier voor afgodendienst, omdat het volk daar vervallen was tot het vereeren van afgoden. Dit was dus de eerste buit, die het Kind op den afgodendienst behaalde ». En dan moet men « voordat het Kind weet » verstaan als: « voordat het toont te weten ».3. De profeet spreekt hier over de menselijke wetenschap van Christus. Hij zegt daarom: “Voordat dit kind (nl. met zijn menselijke kennis) zijn vader (nl. Jozef, die als zijn vader werd beschouwd) en zijn moeder (nl. Maria) bij hun naam zal noemen, zal de kracht van Damascus worden weggenomen”. Maar dit moet men niet zo opvatten, dat Hij eens mens was en dit niet wist, maar “voordat Hij weet” dwz., voordat Hij mens wordt met een menselijke kennis zal ofwel in letterlijke zin “de kracht van Samaria en de buit van Damascus door de koning van 437Assyrië worden weggenomen” ofwel zal Hij naar de geestelijke zin “de volkeren redden alleen al doordat zij hem aanroepen”. zoals de Glossa van Hieronymus het uitlegt. Augustinus zegt echter in zijn preek over Epifanie (202e Pr.), dat dit vervuld is bij de aanbidding van de wijzen. Want hij zegt: “Voordat Hij in het menselijk vlees menselijke woorden sprak, ontving Hij de kracht van Damascus, nl. de rijkdommen, waar Damascus trots op was en waaronder het goud vooraanstaat. Ook bezat Hij de buit van Damascus. Want Samaria staat hier voor afgodendienst, omdat het volk daar vervallen was tot het vereren van afgoden. Dit was dus de eerste buit, die het Kind op de afgodendienst behaalde”. En dan moet men “voordat het Kind weet” verstaan als: “voordat het toont te weten”.
Utrum anima Christi fuerit passibilis
Kon Christus' ziel lijden?
437Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod anima Christi non fuerit 438passibilis. Nihil enim patitur, nisi a fortiori: quia « agens praestantius est patiente », ut patet per Augustinum 12. super Gen. ad lit. [cap. 16.], et per Philos. 3. de An. [cap. 5. n. 2. S. Th. lect. 10.]. Sed nulla creatura fuit praestantior, quam anima Christi. Ergo anima Christo non potuit ab aliqua creatura pati; et ita non fuit passibilis: frustra enim in ea fuisset potentia patiendi, si a nullo pati potuisset.
437Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel niet kon 438lijden. — 1. Want niemand lijdt tenzij van iemand, die sterker is, omdat « wie werkt, hooger staat dan wie ondergaat », zooals Augustinus bewijst in het 12e boek van de Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (16e H.) en de Philosoof in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 2). Nu staat er geen schepsel hooger in rang als Christus' ziel. Dus kon zij geen schepsel lijden. En dus kon zij in het geheel niet lijden, omdat het vermogen om te lijden in Hem nutteloos zou zijn geweest, als er toch niets was, waardoor Hij lijden kon.437Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus' ziel niet kon 438lijden. — 1. Want niemand lijdt tenzij van iemand, die sterker is, omdat “wie werkt, hoger staat dan wie ondergaat”, zoals Augustinus bewijst in het 12e boek van de Letterlijke verklaring van het boek van de Schepping (16e H.) en de Filosoof in het 3e boek Over de Ziel (5e H., n. 2). Nu staat er geen schepsel hoger in rang als Christus' ziel. Dus kon zij geen schepsel lijden. En dus kon zij in het geheel niet lijden, omdat het vermogen om te lijden in Hem nutteloos zou zijn geweest, als er toch niets was, waardoor Hij lijden kon.
2. Praeterea, Tullius in lib. 3. de Tusculanis quaestionibus dicit, quod passiones animae sunt « quaedam aegritudines ». Sed in anima Christi non fuit aliqua aegritudo: nam aegritudo animae sequitur peccatum, ut patet per illud Psal. 40. [v. 5]: « Sana animam meam, quia peccavi tibi ». Ergo in Christo non fuerunt animae passiones.
2. Tullius zegt in het boek Over de Vraagstukken van Tusculum (3e B., 10e H.), dat het lijden der ziel « een soort ziekte » is. Maar in Christus' ziel was er geen ziekte, omdat de ziekte der ziel uit de zonde volgt, zooals blijkt uit het Psalmwoord (Ps. 87, 4): « Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd ». Dus was er geen zielelijden in Christus.2. Tullius zegt in het boek Over de Vraagstukken van Tusculum (3e B., 10e H.), dat het lijden van de ziel “een soort ziekte” is. Maar in Christus' ziel was er geen ziekte, omdat de ziekte van de ziel uit de zonde volgt, zoals blijkt uit het Psalmwoord (Ps. 87, 4)a: “Genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd”. Dus was er geen zielelijden in Christus.
3. Praeterea, passiones animae videntur idem esse cum fomite peccati; unde et Apost. Rom. 7. [v. 5] vocat eas « passiones peccatorum ». Sed in Christo non fuit fomes peccati, ut supra dictum est [art. 2. huj. q.]. Ergo videtur, quod non fuerint eo animae passiones. Et ita anima Christi non fuit passibilis.
3. Het zielelijden schijnt hetzelfde te zijn als de zondenhaard, zoodat de Apostel in den Romeinenbrief (7, 5) zegt: « een lijden der zonde ». Nu was er, zooals boven is gezegd (2e Art.), geen zondenhaard in Christus. Dus schijnt er ook geen zielelijden in Hem te zijn geweest en dus kon Zijn ziel niet lijden.3. Het zielelijden schijnt hetzelfde te zijn als de zondenhaard, zodat de Apostel in de Romeinenbrief (7, 5) zegt: “een lijden van de zonde”. Nu was er, zoals boven is gezegd (2e Art.), geen zondenhaard in Christus. Dus schijnt er ook geen zielelijden in Hem te zijn geweest en dus kon Zijn ziel niet lijden.
439Sed contra est, quod in Psal. 87. [v. 4] dicitur ex persona Christi: « Repleta est malis anima mea »: non quidem peccatis, sed humanis malis. « idest doloribus » ut Gloss. [interl. Aug.] ibi exponit. Sic ergo anima Christi fuit passibilis.
439Maar daartegenover staat, dat in den Psalm (87, 4) in Christus' naam wordt gezegd: « Mijn ziel is van het kwaad vervuld » en dan niet van zonde, maar van menschelijk lijden, nl. « smarten », zooals de Glossa het daar uitlegt. Dus kon Christus' ziel wel lijden.439Maar daartegenover staat, dat in de Psalm (87, 4)b in Christus' naam wordt gezegd: “Mijn ziel is van het kwaad vervuld” en dan niet van zonde, maar van menselijk lijden, nl. “smarten”, zoals de Glossa het daar uitlegt. Dus kon Christus' ziel wel lijden.
Respondeo dicendum, quod animam in corpore constitutam dupliciter contingit pati: uno modo passione corporali; alio modo passione animali. Passione quidem corporali patitur per corporis laesionem. Cum enim anima sit forma corporis, consequens est quod unum sit esse animae, et corporis: et ideo corpore perturbato per aliquam corpoream passionem, necesse est quod anima per accidens perturbetur, scilicet quantum ad esse, quod habet in corpore. Quia igitur corpus Christi fuit passibile, et mortale, ut supra habitum est [q. 14. art. 2.], necesse fuit, ut etiam ejus anima hoc modo passibilis esset. Passione autem animali pati dicitur anima secundum operationem, quae vel est propria animae, vel principalius est animae, quam corporis; et quamvis etiam secundum intelligere, et sentire dicatur hoc modo anima aliquid pati: tamen, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 22. art. 3. 440q. 41. art. 1.], propriissime dicuntur passiones animae affectiones appetitus sensitivi: quae in Christo fuerunt, sicut et caetera quae ad naturam hominis pertinent. Unde Augustinus dicit in 14. de Civ. Dei [cap. 9.]: « Ipse Dominus in forma servi vitam agere dignatus humanitus adhibuit eas, ubi adhibendas esse judicavit. Neque enim in quo verum erat hominis corpus, et verus hominis animus, falsus erat humanus affectus ». Sciendum tamen est, quod hujusmodi passiones aliter fuerunt in Christo, quam in nobis, quantum ad tria. Primo quidem quantum ad objectum. Quia in nobis plerumque hujusmodi passiones feruntur ad illicita; quod in Christo non fuit. Secundo quantum ad principium: quia hujusmodi passiones frequenter in nobis praeveniunt judicium rationis: sed in Christo omnes motus sensitivi appetitus oriebantur secundum dispositionem rationis; unde Augustinus dicit. de Civ. Dei [loc. cit.], quod « hos motus certissimae dispensationis gratia ita cum voluit, Christus suscepit animo humano, sicut cum voluit, factus est homo ». Tertio quantum ad effectum: quia in nobis quandoque 441hujusmodi motus non sistunt in appetitu sensitivo, sed trahunt rationem; quod in Christo non fuit: quia motus naturaliter humanae carni convenientes, sic ex ejus dispositione in appetitu sensitivo manebant, quod ratio ex his nullo modo impediebatur facere quae conveniebant. Unde Hieronymus dicit super Matth. [sup. illud cap. 26. v. 37: Coepit contristari] quod « Dominus noster, ut veritatem assumpti probaret hominis, vere quidem contristatus est: sed ne passio in animo illius dominaretur, per propassionem dicitur quod « coepit contristari »: ut passio perfecta intelligatur, quando animo, idest rationi dominatur; « propassio » autem, quando est inchoata in appetitu sensitivo, sed ulterius non se extendit.
Leerstelling. — Als de ziel in het lichaam is, kan zij op twee manieren iets ondergaan; ten eerste door lichamelijk lijden, ten tweede door zg. dierlijk lijden. Door zg. lichaamslijden ondergaat zij iets, als het lichaam gekwetst wordt; want omdat de ziel de vorm van het lichaam is, is er maar één bestaan van ziel en lichaam; en wordt dus het lichaam gekwetst door lichamelijk lijden, dan moet ook de ziel op bijkomstige wijze daardoor getroffen worden, nl. wat haar bestaan, dat zij met het lichaam deelt, betreft. Omdat dus zooals boven gezegd is (14e Kw., 1e en 2e Art.), Christus' lichaam kon lijden en sterven, moest ook Zijn ziel op deze manier kunnen lijden. Men zegt echter, dat de ziel een zg. dierlijk lijden ondervindt, als dat geschiedt door een daad, die eigen is aan de ziel ofwel meer voornamelijk van de ziel als van het lichaam. En al zegt men dan ook, dat de ziel op deze manier iets ondergaat bij begrijpen en gevoelen, zooals in het tweede deel is gezegd (Ia-IIae, 22e Kw., 4403e Art.; 41e Kw., 1e Art.), toch heeten de daden van het zinnelijk streefvermogen in meest eigenlijken zin passies der ziel; en dezen bevonden zich in Christus zooals al het andere, dat tot de menschelijke natuur behoort. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (14e B., 9e H.): « Toen de Heer zich gewaardigde in de gestalte van een slaaf te leven, benutte Hij hen (de passies) op menschelijke manier, waar Hij vond, dat zij te pas kwamen. Want in Hem, in Wien een echt menschelijk lichaam en een echte menschelijke ziel waren, bestonden geen onechte menschelijke gevoelens ». Men moet echter weten, dat deze menschelijke hartstochten of passies in Christus op drie punten afweken van de manier, waarop zij in ons bestaan. Ten eerste wat hun voorwerp betreft. Bij ons immers richten zij zich meestal op ongeoorloofde dingen, wat bij Christus het geval niet was. Ten tweede wat hun uitgangspunt betreft. Want bij ons komen zij dikwijls vóór het oordeel van het verstand, maar bij Christus volgde iedere beweging van het zinnelijk streefvermogen op de beslissing van het verstand. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (t. a. pl.), dat « Christus door de onfeilbaar overheerschende genade deze passies in Zijn ziel ontving als Hij wilde, zooals Hij mensch werd, toen Hij het wilde ». Ten derde wat hun uitwerking betreft. Bij ons immers 441blijven deze bewegingen niet binnen het zinnelijk streefvermogen beperkt, maar sleepen het verstand met zich mee. Dit nu gebeurde bij Christus niet, want krachtens zijn beslissing bleven deze bij het menschelijk vleesch passende bewegingen tot het zinnelijk streefvermogen beperkt, zoodat het verstand er in het geheel niet door belemmerd werd om te doen wat gebeuren moest. Daarom zegt Hieronymus in zijn Commentaar op Matthaeus (4e B., op 26e H., 37), dat « de Heer, om aan te toonen, dat werkelijk een mensch door Hem aangenomen was, werkelijk bedroefd was, maar om die passie niet in Zijn ziel te laten overheerschen, « begon Hij bedroefd te worden », zooals er gezegd wordt om aan te duiden, dat het een wat men propassie noemt is ». Wij moeten het ons dus zoo denken, dat een passie volmaakt is, als zij de ziel, dwz. de rede beheerscht; maar het slechts een propassies, als zij in het zinnelijk streefvermogen begint, maar zich niet verder uitstrekt.Leerstelling. — Als de ziel in het lichaam is, kan zij op twee manieren iets ondergaan; ten eerste door lichamelijk lijden, ten tweede door zg. dierlijk lijden. Door zg. lichaamslijden ondergaat zij iets, als het lichaam gekwetst wordt; want omdat de ziel de vorm van het lichaam is, is er maar één bestaan van ziel en lichaam; en wordt dus het lichaam gekwetst door lichamelijk lijden, dan moet ook de ziel op bijkomstige wijze daardoor getroffen worden, nl. wat haar bestaan, dat zij met het lichaam deelt, betreft. Omdat dus zoals boven gezegd is (14e Kw., 1e en 2e Art.), Christus' lichaam kon lijden en sterven, moest ook Zijn ziel op deze manier kunnen lijden. Men zegt echter, dat de ziel een zg. dierlijk lijden ondervindt, als dat geschiedt door een daad, die eigen is aan de ziel ofwel meer voornamelijk van de ziel als van het lichaam. En al zegt men dan ook, dat de ziel op deze manier iets ondergaat bij begrijpen en gevoelen, zoals in het tweede deel is gezegd (1-2, 22e Kw., 4403e Art.; 41e Kw., 1e Art.), toch heten de daden van het zinnelijk streefvermogen in meest eigenlijken zin passies van de ziel; en deze bevonden zich in Christus zoals al het andere, dat tot de menselijke natuur behoort. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (14e B., 9e H.): “Toen de Heer zich gewaardigde in de gestalte van een slaaf te leven, benutte Hij hen (de passies) op menselijke manier, waar Hij vond, dat zij te pas kwamen. Want in Hem, in Wie een echt menselijk lichaam en een echte menselijke ziel waren, bestonden geen onechte menselijke gevoelens”. Men moet echter weten, dat deze menselijke hartstochten of passies in Christus op drie punten afweken van de manier, waarop zij in ons bestaan. Ten eerste wat hun voorwerp betreft. Bij ons immers richten zij zich meestal op ongeoorloofde dingen, wat bij Christus het geval niet was. Ten tweede wat hun uitgangspunt betreft. Want bij ons komen zij dikwijls vóór het oordeel van het verstand, maar bij Christus volgde iedere beweging van het zinnelijk streefvermogen op de beslissing van het verstand. Daarom zegt Augustinus in De Stad Gods (t.a.p.), dat “Christus door de onfeilbaar overheersende genade deze passies in Zijn ziel ontving als Hij wilde, zoals Hij mens werd, toen Hij het wilde”. Ten derde wat hun uitwerking betreft. Bij ons immers 441blijven deze bewegingen niet binnen het zinnelijk streefvermogen beperkt, maar slepen het verstand met zich mee. Dit nu gebeurde bij Christus niet, want krachtens zijn beslissing bleven deze bij het menselijk vlees passende bewegingen tot het zinnelijk streefvermogen beperkt, zodat het verstand er in het geheel niet door belemmerd werd om te doen wat gebeuren moest. Daarom zegt Hieronymus in zijn Commentaar op Matteüs (4e B., op 26e H., 37), dat “de Heer, om aan te tonen, dat werkelijk een mens door Hem aangenomen was, werkelijk bedroefd was, maar om die passie niet in Zijn ziel te laten overheersen, ‘begon Hij bedroefd te worden’, zoals er gezegd wordt om aan te duiden, dat het een wat men propassie noemt is”. Wij moeten het ons dus zo denken, dat een passie volmaakt is, als zij de ziel, dwz. de rede beheerst; maar het slechts een propassies, als zij in het zinnelijk streefvermogen begint, maar zich niet verder uitstrekt.
Ad primum ergo dicendum, quod anima Christi poterat quidem resistere passionibus, ut non ei supervenirent: praesertim virtute divina; sed propria voluntate se passionibus subjiciebat tam corporalibus, quam animalibus.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus' ziel had wel aan de passies kunnen weerstaan, zoodat zij in het geheel niet over Hem gekomen zouden zijn, en dat vooral door Zijn goddelijke kracht. Maar Hij onderging ze vrijwillig, zoowel de lichamelijke als de dierlijke.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Christus' ziel had wel aan de passies kunnen weerstaan, zodat zij in het geheel niet over Hem gekomen zouden zijn, en dat vooral door Zijn goddelijke kracht. Maar Hij onderging ze vrijwillig, zowel de lichamelijke als de dierlijke.
442Ad secundum dicendum, quod Tullius ibi loquitur secundum opinionem Stoicorum; qui non vocabant passiones quoscumque motus appetitus sensitivi, sed solum inordinatos: tales autem passiones manifestum est in Christo non fuisse.
4422. Tullius geeft daar de meening der Stoïcijnen weer, die alle bewegingen van het zinnelijk streefvermogen passies noemden.4422. Tullius geeft daar de mening van de Stoïcijnen weer, die alle bewegingen van het zinnelijk streefvermogen passies noemden.
Ad tertium dicendum, quod « passiones peccatorum » sunt motus appetitus sensitivi in illicita tendentes. Quod non fuit in Christo: sicut nec fomes peccati.
3. De passies der zonde zijn bewegingen van het zinnelijk streefvermogen, als dezen op iets ongeoorloofds zijn gericht. En die waren in Christus evenmin als de haard der zonde.3. De passies van de zonde zijn bewegingen van het zinnelijk streefvermogen, als deze op iets ongeoorloofds zijn gericht. En die waren in Christus evenmin als de haard van de zonde.
Utrum in Christo fuerit1 dolor sensibilis
Bestond er in Christus echte zintuiglijk voelbare smart?
442Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit verus dolor sensibilis. Dicit enim Hilarius in 10. de Trinit.: « Cum pro Christo mori sit vita, quid ipse in mortis sacramento doluisse aestimandus est, qui pro se morientibus vitam rependit? »; et infra dicit: « Unigenitus Deus hominem verum, non deficiens a se Deo, sumpsit; in quem quamvis aut 443ictus incideret, aut vulnus descenderet, aut nodi concurrerent, aut suspensio elevaret; afferrent quidem haec impetum passionis, non tamen dolorem passionis inferrent »; non igitur in Christo fuit verus dolor.
442Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen ware, zintuiglijk voelbare smart bestond. — 1. Want Hilarius zegt in het 10e boek Over de Drievuldigheid: « Waarom zouden wij meenen, dat Christus, Wien sterven het leven was, bij het sacrament van Zijn dood geleden heeft, als Hij aan hen, die voor Hem sterven, het leven teruggeeft? » En later zegt hij: « De Eeniggeboren God nam een mensch aan zonder Zijn godheid te verliezen, en als slagen op Hem vielen of Hem een wonde werd toegebracht 443of boeien Hem bonden of Hij aan het kruis geslagen verheven werd, dan deed dit wel den storm van het lijden over Hem losbreken, maar berokkende Hem geen smart ». Dus was er geen echte smart in Christus.442Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen ware, zintuiglijk voelbare smart bestond. — 1. Want Hilarius zegt in het 10e boek Over de Drievuldigheid: “Waarom zouden wij menen, dat Christus, Wie sterven het leven was, bij het sacrament van Zijn dood geleden heeft, als Hij aan hen, die voor Hem sterven, het leven teruggeeft?” En later zegt hij: “De Eniggeboren God nam een mens aan zonder Zijn godheid te verliezen, en als slagen op Hem vielen of Hem een wonde werd toegebracht 443of boeien Hem bonden of Hij aan het kruis geslagen verheven werd, dan deed dit wel de storm van het lijden over Hem losbreken, maar berokkende Hem geen smart”. Dus was er geen echte smart in Christus.
2. Praeterea, hoc proprium videtur esse carni in peccato conceptae, quod necessitati doloris subjaceat. Sed caro Christi non est cum peccato concepta, sed ex Spiritu Sancto in utero virginali. Non ergo subjacuit necessitati patiendi dolorem.
2. Noodzakelijk smart te moeten ondergaan schijnt juist aan het in zonden ontvangen vleesch eigen te zijn. Nu is Christus' vleesch niet in zonden, maar door den Heiligen Geest in de schoot der Maagd ontvangen. Dus was Hij niet gedwongen smarten te verduren.2. Noodzakelijk smart te moeten ondergaan schijnt juist aan het in zonden ontvangen vlees eigen te zijn. Nu is Christus' vlees niet in zonden, maar door de Heilige Geest in de schoot van de Maagd ontvangen. Dus was Hij niet gedwongen smarten te verduren.
3. Praeterea, delectatio contemplationis divinorum diminuit sensum doloris, unde et martyres in passionibus suis tolerabilius2 sustinuerunt ex consideratione divini amoris. Sed anima Christi summe delectabatur in contemplatione Dei, quem per essentiam videbat, ut supra dictum est [q. 9. art. 2.]. Non ergo poterat sentire aliquem dolorem.
3. Genieten bij het aanschouwen der goddelijke dingen vermindert het gevoel voor smart, zoodat de martelaren in hun lijden hun smarten gemakkelijker konden verdragen door het beschouwen der goddelijke liefde. Nu genoot Christus' ziel het hoogste geluk in het beschouwen van God, Dien Hij in Zijn wezen zag, zooals vroeger is gezegd. Dus kon Hij geen smart gevoelen.3. Genieten bij het aanschouwen van de goddelijke dingen vermindert het gevoel voor smart, zodat de martelaren in hun lijden hun smarten gemakkelijker konden verdragen door het beschouwen van de goddelijke liefde. Nu genoot Christus' ziel het hoogste geluk in het beschouwen van God, Die Hij in Zijn wezen zag, zoals vroeger is gezegd. Dus kon Hij geen smart gevoelen.
Sed contra est, quod Isa. 53. [v. 4] dicitur: « Vere dolores nostros ipse tulit ».
Maar daartegenover staat, dat bij Isaias (53, 4) wordt gezegd: « In waarheid, Hij droeg onze smarten en leed onze kwalen ».Maar daartegenover staat, dat bij Jesaja (53, 4) wordt gezegd: “In waarheid, Hij droeg onze smarten en leed onze kwalen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut patet ex his quae in 2. dicta sunt 444[1-2. q. 35. art. 7.], ad veritatem doloris sensibilis requiritur laesio corporis, et sensus laesionis: corpus autem Christi laedi poterat; quia erat passibile, et mortale, ut supra habitum est [q. 14. art. 1. et 2.]. Nec defuit ei sensus laesionis, cum anima Christi perfecte haberet omnes potentias naturales: unde nulli dubium debet esse, quin in Christo fuerit verus dolor.
Leerstelling. — Zooals blijkt uit wat in het tweede deel (444Ia-IIae, 35e Kw., 7e Art.) is gezegd, wordt er voor de echtheid van een zintuiglijk voelbare smart kwetsing van het lichaam en het waarnemen ervan door de zintuigen vereischt. Nu kon Christus' lichaam worden gekwetst, zooals het, naar vroeger is behandeld (14e Kw., 1e Art.), kon lijden en sterven. Evenmin miste Hij het zintuigelijk waarnemen van die kwetsing, omdat Hij alle natuurlijke vermogens in alle volmaaktheid bezat. Dus lijdt het geen twijfel, of er ware smart in Christus was.Leerstelling. — Zoals blijkt uit wat in het tweede deel (4441-2, 35e Kw., 7e Art.) is gezegd, wordt er voor de echtheid van een zintuiglijk voelbare smart kwetsing van het lichaam en het waarnemen ervan door de zintuigen vereist. Nu kon Christus' lichaam worden gekwetst, zoals het, naar vroeger is behandeld (14e Kw., 1e Art.), kon lijden en sterven. Evenmin miste Hij het zintuigelijk waarnemen van die kwetsing, omdat Hij alle natuurlijke vermogens in alle volmaaktheid bezat. Dus lijdt het geen twijfel, of er ware smart in Christus was.
Ad primum ergo dicendum, quod in omnibus illis verbis, et similibus Hilarius a carne Christi non veritatem doloris, sed necessitatem excludere intendit; unde post praemissa verba subdit: « Neque enim cum sitivit, aut esurivit, aut flevit, bibisse Dominus, aut manducasse, aut doluisse monstratus est: sed ad demonstrandam corporis veritatem, corporis consuetudo suscepta est, ita ut naturae nostrae consuetudine consuetudini sit corporis satisfactum: vel cum potum, et cibum accepit, non necessitati corporis, sed consuetudini tribuit »: quia non accepit3 « necessitatem » per 445comparationem ad causam primam horum defectuum, quae est peccatum, ut supra dictum est [q. 14. art. 1. et art. 3.], ut scilicet ea ratione dicatur caro Christi non subjacuisse necessitati horum defectuum, quia non fuit in ea peccatum. Unde subdit: « Habuit enim, scilicet Christus, corpus sed originis suae proprium, neque ex vitiis humanae conceptionis existens, sed in forma corporis nostri, virtutis suae potestate subsistens ». Quantum tamen ad causam propinquam horum defectuum, quae est compositio contrariorum, caro Christi subjacuit necessitati horum defectuum, ut supra dictum est [q. 14. art. 2.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de aangehaalde en dergelijke woorden wil Hilarius niet het bestaan van de ware smart in Christus' vleesch uitsluiten, maar alleen de noodzakelijkheid die te ondergaan. Daarom voegt hij aan het boven aangehaalde toe: « Er wordt immers niet aangetoond, dat de Heer bij honger of dorst of toen Hij weende gegeten heeft of bedroefd was; maar wat de menschen gewoonlijk overkomt, nam Hij op Zich om de echtheid van Zijn lichaam te bewijzen, zoodat naar onze natuurlijke gewoonten aan de behoefte van het lichaam werd voldaan. Bij het gebruiken van spijs of drank schikte Hij zich niet naar noodzakelijke behoeften van het lichaam, maar alleen naar de gewoonte ». En deze noodzakelijkheid rekent hij af 445naar de eerste oorzaak van deze gebreken, nl. de zonde, zooals wij boven zeiden (14e Kw., 1e en 3e Art.); en dus zegt hij, dat Christus' vleesch niet gedwongen was deze zwakheden te ondergaan, omdat er geen zonde in Hem was. Daarom voegt hij eraan toe: « Hij had wel een lichaam, maar het was op heel eigen manier ontstaan, niet te midden der ondeugden, die bij het ontvangen van een mensch een rol spelen, maar dat door het vermogen van Zijn kracht in de gestalte van ons lichaam bestond ». Wat echter de naaste oorzaak van deze gebreken, het samengesteld zijn uit tegenstrijdige elementen betreft, moest Christus deze gebreken lijden zooals is gezegd (14e Kw., 2e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de aangehaalde en dergelijke woorden wil Hilarius niet het bestaan van de ware smart in Christus' vlees uitsluiten, maar alleen de noodzakelijkheid die te ondergaan. Daarom voegt hij aan het boven aangehaalde toe: “Er wordt immers niet aangetoond, dat de Heer bij honger of dorst of toen Hij weende gegeten heeft of bedroefd was; maar wat de mensen gewoonlijk overkomt, nam Hij op Zich om de echtheid van Zijn lichaam te bewijzen, zodat naar onze natuurlijke gewoonten aan de behoefte van het lichaam werd voldaan. Bij het gebruiken van spijs of drank schikte Hij zich niet naar noodzakelijke behoeften van het lichaam, maar alleen naar de gewoonte”. En deze noodzakelijkheid rekent hij af 445naar de eerste oorzaak van deze gebreken, nl. de zonde, zoals wij boven zeiden (14e Kw., 1e en 3e Art.); en dus zegt hij, dat Christus' vlees niet gedwongen was deze zwakheden te ondergaan, omdat er geen zonde in Hem was. Daarom voegt hij eraan toe: “Hij had wel een lichaam, maar het was op heel eigen manier ontstaan, niet te midden van de ondeugden, die bij het ontvangen van een mens een rol spelen, maar dat door het vermogen van Zijn kracht in de gestalte van ons lichaam bestond”. Wat echter de naaste oorzaak van deze gebreken, het samengesteld zijn uit tegenstrijdige elementen betreft, moest Christus deze gebreken lijden zoals is gezegd (14e Kw., 2e Art.).
Ad secundum dicendum, quod caro in peccato concepta subjacet dolori, non solum ex necessitate naturalium principiorum, sed etiam ex necessitate reatus peccati; quae quidem necessitas in Christo non fuit, sed solum necessitas naturalium principiorum.
2. Het in zonden ontvangen vleesch is niet alleen krachtens een door de beginselen der natuur, maar ook door de dwang der zondenschuld opgelegde noodzakelijkheid gedwongen smart te lijden. En deze dwang vond men in Christus niet, maar alleen de door de natuurbeginselen opgelegde.2. Het in zonden ontvangen vlees is niet alleen krachtens een door de beginselen van de natuur, maar ook door de dwang van de zondenschuld opgelegde noodzakelijkheid gedwongen smart te lijden. En deze dwang vond men in Christus niet, maar alleen de door de natuurbeginselen opgelegde.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 14. art. 1. ad 2.], virtute divinitatis Christi dispensative sic beatitudo in anima continebatur, quod non derivabatur ad corpus, ut ejus passibilitas, et mortalitas tolleretur; et eadem ratione delectatio contemplationis sic retinebatur in 446mente, quod non derivabatur ad vires sensibiles, ut per hoc dolor sensibilis excluderetur.
3. Zooals tevoren is gezegd (14e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.), deed de goddelijke kracht in Christus de zaligheid zoo tot de ziel beperkt blijven, dat zij niet op het lichaam overvloeide om daaruit het vermogen om te lijden en te sterven weg te nemen. Om dezelfde reden bleef het genot der aanschouwing zóó tot den 446geest beperkt, dat het niet op de zintuigen overvloeide en daar de zintuigelijke smart zou onmogelijk maken.3. Zoals tevoren is gezegd (14e Kw., 1e Art., Antw. op de 2e B.), deed de goddelijke kracht in Christus de zaligheid zo tot de ziel beperkt blijven, dat zij niet op het lichaam overvloeide om daaruit het vermogen om te lijden en te sterven weg te nemen. Om dezelfde reden bleef het genot van de aanschouwing zó tot de 446geest beperkt, dat het niet op de zintuigen overvloeide en daar de zintuigelijke smart zou onmogelijk maken.
Utrum in Christo fuerit tristitia
Bestond er in Christus droefheid?
446Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit tristitia: dicitur enim de Christo Isa. 42. [v. 4]: « Non erit tristis, nec turbulentus ».
446Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen droefheid bestond. — 1. Want bij Isaias (42, 4) wordt van hem gezegd: « Hij zal niet bedroefd of neerslachtig zijn ».446Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen droefheid bestond. — 1. Want bij Jesaja (42, 4) wordt van hem gezegd: “Hij zal niet bedroefd of neerslachtig zijn”.
2. Praeterea, Proverb. 12. [v. 21] dicitur: « Non contristabit justum, quidquid ei acciderit » et hujus rationem Stoici assignabant, quia nullus tristatur, nisi de amissione suorum bonorum: justus autem non reputat bona sua, nisi justitiam, et virtutem, quas non potest amittere; alioquin subjiceretur justus fortunae, si pro amissione bonorum fortunae tristaretur: sed Christus fuit maxime justus, secundum illud Hierem. 23. [v. 6]: 447« Hoc est nomen, quod vocabunt eum, Dominus justus noster ». Ergo in eo non fuit tristitia.
2. In het boek der Spreuken (12, 21) staat: « Wat den rechtvaardige ook overkomt, het zal hem niet bedroefd maken ». Hiervan gaven de Stoïcijnen als reden op, dat niemand bedroefd wordt tenzij hij verliest wat goed voor hem is en de rechtvaardige niets voor zich goed acht als de rechtvaardigheid en de deugd, die hij niet verliezen kan. Want als de rechtvaardige bedroefd zou zijn om het verlies der goederen, die de fortuin geeft, was hij aan het noodlot onderworpen. Volgens Jeremias (23, 6) nu was Christus in hoogste mate rechtvaardig: « Dit is de naam, waarmee zij hem 447zullen noemen: Heer, onze rechtvaardige ». Dus was er geen droefheid in Hem.2. In het boek van de Spreuken (12, 21) staat: “Wat de rechtvaardige ook overkomt, het zal hem niet bedroefd maken”. Hiervan gaven de Stoïcijnen als reden op, dat niemand bedroefd wordt tenzij hij verliest wat goed voor hem is en de rechtvaardige niets voor zich goed acht als de rechtvaardigheid en de deugd, die hij niet verliezen kan. Want als de rechtvaardige bedroefd zou zijn om het verlies van de goederen, die de fortuin geeft, was hij aan het noodlot onderworpen. Volgens Jeremia (23, 6) nu was Christus in hoogste mate rechtvaardig: “Dit is de naam, waarmee zij hem 447zullen noemen: Heer, onze rechtvaardige”. Dus was er geen droefheid in Hem.
3. Praeterea, Philos. dicit in 7. Ethic. [cap. 13. n. 1. S. Th. lect. 13.], quod omnis tristitia est « malum, et fugiendum ». Sed nullum malum fugiendum fuit in Christo. Ergo in Christo non fuit tristitia.
3. In het 7e boek Over de Zedeleer zegt de Philosoof, dat iedere droefheid « iets kwaads is, dat wij moeten ontvluchten ». In Christus nu was er niets kwaads, dat ontvlucht moet worden. Dus ook geen droefheid.3. In het 7e boek Over de Zedeleer zegt de Filosoof, dat iedere droefheid “iets kwaads is, dat wij moeten ontvluchten”. In Christus nu was er niets kwaads, dat ontvlucht moet worden. Dus ook geen droefheid.
4. Praeterea, sicut Augustinus dicit 14. de Civ. Dei [cap. 6], « tristitia est de his, quae nobis nolentibus accidunt ». Sed nihil passus est Christus contra suam voluntatem: dicitur enim Isa. 53. [v. 7]: « Oblatus est, quia ipse voluit ». Non ergo in Christo fuit tristitia.
4. Droefheid gaat, zooals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 6e en 15e H.) zegt, « over de dingen, die ons tegen onze wil overkomen ». Tegen Zijn wil echter leed Christus niets, want Isaias (53, 7) zegt: « Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde ». Dus bestond er geen droefheid in Hem.4. Droefheid gaat, zoals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 6e en 15e H.) zegt, “over de dingen, die ons tegen onze wil overkomen”. Tegen Zijn wil echter leed Christus niets, want Jesaja (53, 7) zegt: “Hij werd geofferd, omdat Hij het zelf wilde”. Dus bestond er geen droefheid in Hem.
Sed contra est, quod dicit Dominus Matth. 26. [v. 38]: « Tristis est anima mea usque ad mortem » et Ambrosius dicit in 2. de Trinit. [seu de fide ad Gratian. cap. 7.]: « Ut homo tristitiam habuit: suscepit enim tristitiam meam: confidenter tristitiam nomino, qui crucem praedico ».
Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Matthaeus (26, 38) zegt: « Mijn ziel is tot den dood toe bedroefd ». En in het 2e boek Over de Drievuldigheid zegt Ambrosius: « Als mensch onderging Hij droefheid, omdat Hij mijn droefheid op Zich nam. Met vertrouwen noem ik Zijn droefheid, als ik zelf Zijn Kruis predik ».Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Matteüs (26, 38) zegt: “Mijn ziel is tot de dood toe bedroefd”. En in het 2e boek Over de Drievuldigheid zegt Ambrosius: “Als mens onderging Hij droefheid, omdat Hij mijn droefheid op Zich nam. Met vertrouwen noem ik Zijn droefheid, als ik zelf Zijn Kruis predik”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec. ad 3.], delectatio divinae contemplationis ita per dispensationem divinae virtutis retinebatur in mente Christi, quod non derivabatur ad vires sensitivas, ut 448per hoc dolor sensibilis excluderetur. Sicut autem dolor sensibilis est in appetitu sensitivo, ita et tristitia. Sed est differentia secundum motivum, sive objectum. Nam objectum, et motivum doloris est laesio sensu tactus percepta: sicut cum aliquis vulneratur. Objectum autem, et motivum tristitiae est nocivum, seu malum interius apprehensum, sive per rationem, sive per imaginationem, ut in 2. habitum est [1-2. q. 35. art. 2. et 7.]. Sicut cum aliquis tristatur de amissione gratiae, vel pecuniae.
Leerstelling. — Zooals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 3e B.), bleef het genot in het beschouwen der godheid krachtens de beschikking van Gods kracht tot den geest beperkt, zoodat 448het op de zinnelijke krachten niet overvloeide en zoo de zintuiglijke smart zou uitsluiten. Gelijk nu de zintuiglijke smart zich bevindt in het zinnelijk streefvermogen, is dit ook de zetel der droefheid, maar tusschen beiden is een verschil wat hun oorzaak of voorwerp betreft. Want voorwerp en oorzaak van smart is een door de tastzin waargenomen letsel, als wanneer iemand wordt gewond. Maar oorzaak en voorwerp van droefheid is een inwendig waargenomen kwaad of schade, of nu het verstand of de verbeelding het waarnemen, zooals in het tweede deel (Ia-IIae, 35e Kw., 2e en 7e Art.) is gezegd, bv. als iemand bedroefd is om het verlies van de genade of van geld.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (Vorig Art. Antw. op de 3e B.), bleef het genot in het beschouwen van de godheid krachtens de beschikking van Gods kracht tot de geest beperkt, zodat 448het op de zinnelijke krachten niet overvloeide en zo de zintuiglijke smart zou uitsluiten. Gelijk nu de zintuiglijke smart zich bevindt in het zinnelijk streefvermogen, is dit ook de zetel van de droefheid, maar tussen beiden is een verschil wat hun oorzaak of voorwerp betreft. Want voorwerp en oorzaak van smart is een door de tastzin waargenomen letsel, als wanneer iemand wordt gewond. Maar oorzaak en voorwerp van droefheid is een inwendig waargenomen kwaad of schade, of nu het verstand of de verbeelding het waarnemen, zoals in het tweede deel (1-2, 35e Kw., 2e en 7e Art.) is gezegd, bv. als iemand bedroefd is om het verlies van de genade of van geld.
Potuit autem anima Christi interius apprehendere aliquid ut nocivum: et quantum ad se; sicut passio, et mors ejus fuit: et quantum ad alios; sicut peccatum discipulorum, vel etiam Judaeorum occidentium ipsum. Et ideo sicut in Christo potuit esse verus dolor; ita potuit in eo esse vera tristitia: alio tamen modo, quam in nobis, secundum illa tria, quae supra assignata sunt [art. 4. huj. q.], cum communiter de passionibus animae1 Christi loqueremur.
Christus' ziel nu kon iets inwendig als schadelijk kennen, zoowel als het Hem zelf betrof zooals Zijn lijden en dood, of als het anderen betrof, bv. de zonden van Zijn leerlingen of van de Joden, die Hem ombrachten. Dus kon er evenals echte smart ook echte droefheid in Hem bestaan, maar anders als bij ons, wat nl. de drie bij het lijden in het algemeen besproken punten betreft (4e Art.).Christus' ziel nu kon iets inwendig als schadelijk kennen, zowel als het Hemzelf betrof zoals Zijn lijden en dood, of als het anderen betrof, bv. de zonden van Zijn leerlingen of van de Joden, die Hem ombrachten. Dus kon er evenals echte smart ook echte droefheid in Hem bestaan, maar anders als bij ons, wat nl. de drie bij het lijden in het algemeen besproken punten betreft (4e Art.).
Ad primum ergo dicendum, quod tristitia removetur a Christo secundum passionem perfectam: fuit tamen in eo initiata secundum propassionem; 449unde dicitur Matth. 26. [v. 37]: « Coepit contristari, et moestus esse ». (Aliud enim est contristari, aliud incipere contristari), ut Hieronymus dicit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Droefheid bij Christus is uit te sluiten, als zij als hartstocht in vollen omvang wordt 449opgevat, maar zij bestond bij Hem in het beginstadium van hartstocht als een in oneigenlijken zin, als zg. propassie. Daarom ook zegt Matthaeus (26, 37): « Hij begon bedroefd te worden en terneergeslagen te zijn ». « Omdat er verschil is tusschen bedroefd zijn en beginnen bedroefd te zijn », zooals Hieronymus daarbij zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Droefheid bij Christus is uit te sluiten, als zij als hartstocht in vollen omvang wordt 449opgevat, maar zij bestond bij Hem in het beginstadium van hartstocht als een in oneigenlijke zin, als zg. propassie. Daarom ook zegt Matteüs (26, 37): “Hij begon bedroefd te worden en terneergeslagen te zijn”. “Omdat er verschil is tussen bedroefd zijn en beginnen bedroefd te zijn”, zoals Hieronymus daarbij zegt.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 14. de Civ. Dei [cap. 8.], « pro tribus perturbationibus » scilicet: cupiditate, laetitia, et timore, « Stoici tres eupadeias » idest bonas passiones, « in animo sapientis posuerunt, scilicet « pro cupiditate voluntatem. pro laetitia gaudium, pro metu cautionem sed pro tristitia negaverunt aliquid posse esse in animo sapientis; quia tristitia de malo est, quod jam accidit: nullum autem malum existimant posse accidere sapienti ». Et hoc ideo est, quia non credebant aliquid esse bonum, nisi honestum, quod homines mali fiunt:
2. Zooals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 8e H.) zegt, « namen de Stoïcijnen in plaats van de drie soorten gemoedsonrust, (nl. begeerte, vreugde en vrees) drie zg. eupathiën (of goede hartstochten) aan in de ziel van een wijs mensch, nl. willen in plaats van begeerte, opgewektheid in plaats van vreugde en omzichtigheid in plaats van vrees. Zij ontkenden echter, dat er in de ziel van een wijze iets in plaats van droefheid zou kunnen komen, omdat deze iets kwaads, dat ons al overkomt tot oorzaak heeft, terwijl naar hun meening den wijze niets kwaads kan overkomen ». En dat zeiden zij hierom, dat zij niets als goed beschouwden als het eerbare, dat de menschen goed maakt en niets als kwaad als het oneerbare, dat hen slecht maakt.2. Zoals Augustinus in de Stad Gods (14e B., 8e H.) zegt, “namen de Stoïcijnen in plaats van de drie soorten gemoedsonrust, (nl. begeerte, vreugde en vrees) drie zg. eupathiën (of goede hartstochten) aan in de ziel van een wijs mens, nl. willen in plaats van begeerte, opgewektheid in plaats van vreugde en omzichtigheid in plaats van vrees. Zij ontkenden echter, dat er in de ziel van een wijze iets in plaats van droefheid zou kunnen komen, omdat deze iets kwaads, dat ons al overkomt tot oorzaak heeft, terwijl naar hun mening de wijze niets kwaads kan overkomen”. En dat zeiden zij hierom, dat zij niets als goed beschouwden als het eerbare, dat de mensen goed maakt en niets als kwaad als het oneerbare, dat hen slecht maakt.
quamvis autem honestum sit principale hominis bonum, et inhonestum principale hominis malum; quia haec pertinent ad ipsam rationem, quae est principalis in homine: sunt tamen quaedam secundaria hominis bona, quae pertinent ad ipsum corpus, vel ad exteriores res corpori deservientes. Et 450secundum hoc potest in anima sapientis esse tristitia, quantum ad appetitum sensitivum secundum apprehensionem hujusmodi malorum; non tamen ita quod ista tristitia perturbet rationem. Et secundum hoc intelligitur, quod « non contristabit justum, quidquid ei acciderit » quia scilicet ex nullo accidente ejus ratio perturbatur. Et secundum hoc tristitia fuit in Christo secundum propassionem, non autem secundum passionem.
Al is echter het eerbare het voornaamste goed van den mensch en het oneerbare het ergste kwaad, omdat beiden tot het verstand behooren, dat het voornaamste is in den mensch, zijn er toch goede dingen van minderen rang, die bij het lichaam zelf behooren of tot de uitwendige dingen, die het lichaam benutten kan. En wat deze 450dingen betreft, kan er in de ziel van een wijze droefheid zijn in het zinnelijk streefvermogen, als tegenslagen op deze punten worden waargenomen; echter niet zoo, dat de droefheid het verstand zou verwarren. In dezen zin ook moet men het gezegde verstaan, dat « niets wat den rechtvaardige overkomt hem bedroeft », omdat zijn verstand nl. door geen enkel ongeluk in de war wordt gebracht. Zoo ook was er in Christus droefheid, nl. als een propassie, maar niet in volle hevigheid.Al is echter het eerbare het voornaamste goed van de mens en het oneerbare het ergste kwaad, omdat beiden tot het verstand behoren, dat het voornaamste is in de mens, zijn er toch goede dingen van minderen rang, die bij het lichaam zelf behoren of tot de uitwendige dingen, die het lichaam benutten kan. En wat deze 450dingen betreft, kan er in de ziel van een wijze droefheid zijn in het zinnelijk streefvermogen, als tegenslagen op deze punten worden waargenomen; echter niet zo, dat de droefheid het verstand zou verwarren. In deze zin ook moet men het gezegde verstaan, dat “niets wat de rechtvaardige overkomt hem bedroeft”, omdat zijn verstand nl. door geen enkel ongeluk in de war wordt gebracht. Zo ook was er in Christus droefheid, nl. als een propassie, maar niet in volle hevigheid.
Ad tertium dicendum, quod omnis tristitia est malum poenae: non autem est semper malum culpae, sed solum quando ex inordinato affectu procedit. Unde Augustinus dicit 14. de Civit. Dei [cap. 9.]: « Cum rectam rationem sequuntur istae affectiones, et quando, et ubi oportet adhibentur, quis eas tunc morbidas, seu vitiosas passiones audeat dicere? »
3. Iedere droefheid is als iets kwaads een straf, maar niet altijd is het een schuldig kwaad, doch alleen als zij uit ongeregelde neiging voortkomt. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (14e B., 9e H.): « Als deze gevoelens door de rechte rede beheerscht opkomen waar en wanneer het behoort, wie zou ze dan slechte en schuldige gevoelens durven noemen? »3. Iedere droefheid is als iets kwaads een straf, maar niet altijd is het een schuldig kwaad, doch alleen als zij uit ongeregelde neiging voortkomt. Daarom zegt Augustinus in de Stad Gods (14e B., 9e H.): “Als deze gevoelens door de rechte rede beheerst opkomen waar en wanneer het behoort, wie zou ze dan slechte en schuldige gevoelens durven noemen?”
Ad quartum dicendum, quod nihil prohibet, aliquid esse contrarium voluntati secundum se, quod tamen est volitum ratione finis, ad quem ordinatur: sicut medicina amara non est secundum se volita, sed solum secundum quod ordinatur ad sanitatem. Et hoc modo mors Christi, et ejus passio fuit secundum se considerata involuntaria, et tristitiam causans: licet fuerit voluntaria in ordine ad finem, qui est redemptio humani generis.
4. Er is niets op tegen, dat iets op zichzelf beschouwd tegen den wil is en toch wordt gewild om het doel, waarop het wordt gericht, zooals een bitter geneesmiddel niet om zichzelf wordt gewild, maar omdat het een middel tot gezondheid is. Zoo werden Christus' lijden en dood op zichzelf beschouwd niet begeerd en veroorzaakten zij droefheid; maar zij werden gewild als gericht op hun doel, nl. de verlossing van het menschelijk geslacht.4. Er is niets op tegen, dat iets op zichzelf beschouwd tegen de wil is en toch wordt gewild om het doel, waarop het wordt gericht, zoals een bitter geneesmiddel niet om zichzelf wordt gewild, maar omdat het een middel tot gezondheid is. Zo werden Christus' lijden en dood op zichzelf beschouwd niet begeerd en veroorzaakten zij droefheid; maar zij werden gewild als gericht op hun doel, nl. de verlossing van het menselijk geslacht.
Utrum in Christo fuerit timor
Bestond er vrees in Christus?
451Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit timor; dicitur enim Proverb. 28. [v. 1]: « Justus quasi leo confidens, absque terrore erit ». Sed Christus fuit maxime justus. Ergo in Christo non fuit aliquis timor.
451Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen vrees bestond. — 1. Want in het boek der Spreuken (28, 1) wordt gezegd: « De rechtvaardige zal als een leeuw vertrouwen en zonder vrees zijn ». Christus nu was in hoogste mate rechtvaardig en dus zonder vrees.451Bedenkingen. — Men beweert, dat er in Christus geen vrees bestond. — 1. Want in het boek van de Spreuken (28, 1) wordt gezegd: “De rechtvaardige zal als een leeuw vertrouwen en zonder vrees zijn”. Christus nu was in hoogste mate rechtvaardig en dus zonder vrees.
2. Praeterea, Hilarius dicit 10. de Trin. [n. 10.]: « Interrogo eos, qui hoc ita existimant, an ratione subsistat, ut mori timuerit, qui omnem ab Apostolis mortis timorem expellens, ad gloriam eos sit martyrii exhortatus ». Non ergo in Christo rationabile est fuisse timorem.
2. In het 10e boek Over de Drievuldigheid zegt Hilarius: « Hun, die dit meenen, stel ik de vraag of men zich in kan denken, dat Hij den dood zou vreezen, die alle vrees voor den dood uit de Apostelen uitdreef en hen opwekte de martelaarsglorie te verwerven ». Aan te nemen, dat er vrees in Christus zou zijn geweest, is dus onredelijk.2. In het 10e boek Over de Drievuldigheid zegt Hilarius: “Hun, die dit menen, stel ik de vraag of men zich in kan denken, dat Hij de dood zou vrezen, die alle vrees voor de dood uit de Apostelen uitdreef en hen opwekte de martelaarsglorie te verwerven”. Aan te nemen, dat er vrees in Christus zou zijn geweest, is dus onredelijk.
3. Praeterea, timor non videtur esse nisi de malo, quod non potest homo vitare. Sed Christus poterat vitare et malum poenae, quod passus est, et malum culpae, quod aliis accidit. Ergo in Christo non fuit aliquis timor.
3. Alleen voor iets kwaads, dat de mensch niet kan vermijden, schijnt vrees te bestaan. Nu kon Christus zoowel het kwaad der straf, dat Hij onderging, als dat der schuld, dat anderen trof, ontgaan. Dus was er geen vrees in Christus.3. Alleen voor iets kwaads, dat de mens niet kan vermijden, schijnt vrees te bestaan. Nu kon Christus zowel het kwaad van de straf, dat Hij onderging, als dat van de schuld, dat anderen trof, ontgaan. Dus was er geen vrees in Christus.
452Sed contra est, quod dicitur Marc. 14. [v. 33]: « Coepit Jesus pavere, et taedere ».
452Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (14, 33) wordt gezegd: « Hij begon beangst en benauwd te worden ».452Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (14, 33) wordt gezegd: “Hij begon beangst en benauwd te worden”.
Respondeo dicendum, quod sicut tristitia causatur ex apprehensione mali praesentis; ita timor causatur ex apprehensione mali futuri. Apprehensio autem mali futuri, si omnimodam certitudinem habeat, non inducit timorem. Unde Philos. dicit in 2. Rhetor. [cap. 5. n. 13.] quod timor non est, nisi ubi est aliqua spes evadendi: nam quando nulla spes est evadendi, apprehenditur malum ut praesens: et sic magis causat tristitiam, quam timorem.
Leerstelling. — Zooals droefheid uit kwaad, dat men reeds ondergaat, komt vrees voort uit het kennen van iets kwaads, dat in de toekomst dreigt. Nu brengt echter het kennen van een toekomstig kwaad, dat in alle opzichten zeker is, geen vrees teweeg. Daarom zegt de Philosoof in het 2e boek Over de welsprekendheid (5e H., n. 13), dat er geen vrees bestaat, tenzij waar nog hoop op ontsnappen is; want is die er niet meer, dan beschouwt men het kwaad als reeds tegenwoordig en brengt het eer droefheid dan vrees teweeg.Leerstelling. — Zoals droefheid uit kwaad, dat men reeds ondergaat, komt vrees voort uit het kennen van iets kwaads, dat in de toekomst dreigt. Nu brengt echter het kennen van een toekomstig kwaad, dat in alle opzichten zeker is, geen vrees teweeg. Daarom zegt de Filosoof in het 2e boek Over de welsprekendheid (5e H., n. 13), dat er geen vrees bestaat, tenzij waar nog hoop op ontsnappen is; want is die er niet meer, dan beschouwt men het kwaad als reeds tegenwoordig en brengt het eer droefheid dan vrees teweeg.
Sic ergo timor potest considerari quantum ad duo. Uno modo quantum ad hoc quod appetitus sensitivus naturaliter refugit corporis laesionem, et per tristitiam, si sit praesens, et per timorem, si sit futura. Et hoc modo timor fuit in Christo, sicut et tristitia. Alio modo potest considerari secundum incertitudinem futuri eventus: sicut quando nocte timemus ex aliquo sonitu, quasi ignorantes quid hoc sit. Et quantum ad hoc timor non fuit in Christo, ut Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 23.].
Vrees kan men dus op twee manieren beschouwen. Ten eerste in zoover het zinnelijk streefvermogen van nature voor lichamelijk letsel terugdeinst, in droefheid als het reeds aanwezig, en met vrees, als het nog toekomstig is. En zoo was er vrees zoowel als droefheid in Christus. Het kan ook anders beschouwd worden wat de onzekerheid der toekomstige gebeurtenissen betreft zooals wij 's nachts bang zijn, als wij iets hooren zonder te weten, wat het is. En zoo was er in Christus geen vrees, zooals Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 23e H.).Vrees kan men dus op twee manieren beschouwen. Ten eerste in zover het zinnelijk streefvermogen van nature voor lichamelijk letsel terugdeinst, in droefheid als het reeds aanwezig, en met vrees, als het nog toekomstig is. En zo was er vrees zowel als droefheid in Christus. Het kan ook anders beschouwd worden wat de onzekerheid van de toekomstige gebeurtenissen betreft zoals wij 's nachts bang zijn, als wij iets horen zonder te weten, wat het is. En zo was er in Christus geen vrees, zoals Damascenus in het 3e boek zegt (Over het Ware Geloof, 23e H.).
453Ad primum ergo dicendum, quod justus dicitur esse absque terrore, secundum quod terror importat perfectam passionem avertentem hominem ab eo1 quod est rationis; et sic timor non fuit in Christo, sed solum secundum propassionem; et ideo dicitur, quod « Jesus coepit taedere, et pavere » quasi « secundum propassionem » ut Hieronymus exponit [sup. illud Matth. 26. v. 36: Coepit contristari].
453Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van den rechtvaardige, dat hij zonder vrees is, als vrees een hartstocht in vollen omvang beteekent, die den mensch afhoudt van wat volgens de rede goed is. Op die manier was er in Christus geen vrees, maar alleen een zg. propassie. Daarom staat er ook, dat Jesus « begon beangst en benauwd te zijn », nl. door een propassie, zooals Hieronymus daarbij uitlegt.453Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van de rechtvaardige, dat hij zonder vrees is, als vrees een hartstocht in vollen omvang betekent, die de mens afhoudt van wat volgens de rede goed is. Op die manier was er in Christus geen vrees, maar alleen een zg. propassie. Daarom staat er ook, dat Jesus “begon beangst en benauwd te zijn”, nl. door een propassie, zoals Hieronymus daarbij uitlegt.
Ad secundum dicendum, quod Hilarius eo modo a Christo excludit timorem, quo excludit tristitiam, scilicet quoad necessitatem timendi [cfr. art. 5. ad 1.]. Sed tamen ad comprobandam veritatem humanae naturae, voluntarie timorem assumpsit, sicut etiam et tristitiam.
2. Op dezelfde manier als bij de droefheid sluit Hilarius vrees bij Christus uit, nl. wat de noodzakelijkheid om te vreezen betreft. Maar om te bewijzen dat Hij een echte menschelijke natuur heeft, nam Hij vrijwillig beiden op Zich.2. Op dezelfde manier als bij de droefheid sluit Hilarius vrees bij Christus uit, nl. wat de noodzakelijkheid om te vrezen betreft. Maar om te bewijzen dat Hij een echte menselijke natuur heeft, nam Hij vrijwillig beiden op Zich.
Ad tertium dicendum, quod licet Christus potuerit vitare mala futura secundum virtutem divinitatis; erant tamen inevitabilia, vel non de facili vitabilia secundum infirmitatem carnis.
3. Al kon Christus door goddelijke kracht het komende kwaad vermijden, dan was het toch moeilijk of niet te vermijden gerekend naar de zwakheid van het vleesch.3. Al kon Christus door goddelijke kracht het komende kwaad vermijden, dan was het toch moeilijk of niet te vermijden gerekend naar de zwakheid van het vlees.
Utrum in Christo fuerit admiratio
Heeft Christus Zich over iets verwonderd?
454Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit admiratio: dicit enim Philos. in 1. Metaph. [cap. 2. n. 8. et 9. S. Th. lect. 3.], quod admiratio causatur ex hoc, quod aliquis videt effectum, et ignorat causam: et sic admirari non est nisi ignorantis. Sed in Christo non fuit ignorantia, ut dictum est [art. 3. huj. q.]. Ergo in Christo non fuit admiratio.
454Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zich over niets heeft verwonderd. — 1. De Philosoof zegt immers in het 1e boek Over de Metaphysiek (2e H., n. 8 en 11), dat verwondering ontstaat doordat iemand een gevolg ziet zonder de oorzaak te kennen, en zoo is er zonder eenige onwetendheid geen verwondering. Nu was er in Christus zooals wij zeiden (3e Art.) geen onwetendheid. Dus ook geen verwondering.454Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus zich over niets heeft verwonderd. — 1. De Filosoof zegt immers in het 1e boek Over de Metafysica (2e H., n. 8 en 11), dat verwondering ontstaat doordat iemand een gevolg ziet zonder de oorzaak te kennen, en zo is er zonder enige onwetendheid geen verwondering. Nu was er in Christus zoals wij zeiden (3e Art.) geen onwetendheid. Dus ook geen verwondering.
2. Praeterea, Damascenus dicit in 2. lib. [Orth. Fid. cap. 15.] quod « admiratio est timor ex magna imaginatione ». Et ideo Philos. dicit in 5. Ethicor. [cap. 3. n. 30. S. Th. lect. 10.], quod « magnanimus non est admirativus ». Sed Christus fuit maxime magnanimus. Ergo in Christo non fuit admiratio.
2. Damascenus zegt in het 2e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.), dat « verwondering een door groote verbeeldingskracht opgewekte vrees is », en daarom zegt de Philosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 30), dat « een grootmoedig mensch zich niet gauw verwondert ». Omdat Christus dit in hoogste mate was, verwonderde Hij zich niet.2. Damascenus zegt in het 2e boek (Over het Ware Geloof, 15e H.), dat “verwondering een door grote verbeeldingskracht opgewekte vrees is”, en daarom zegt de Filosoof in het 4e boek Over de Zedeleer (3e H., n. 30), dat “een grootmoedig mens zich niet gauw verwondert”. Omdat Christus dit in hoogste mate was, verwonderde Hij zich niet.
3. Praeterea, nullus admiratur de eo, quod ipse facere potest. Sed 455Christus facere poterat quidquid magnum erat in rebus. Ergo videtur, quod de nullo admirabatur.
3. Niemand verwondert zich over wat hijzelf ook kan doen. 455Nu kon Christus alle groote dingen zelf doen. Dus schijnt Hij zich over niets verwonderd te hebben.3. Niemand verwondert zich over wat hijzelf ook kan doen. 455Nu kon Christus alle grote dingen zelf doen. Dus schijnt Hij zich over niets verwonderd te hebben.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 8. [v. 10]: « Audiens Jesus », scilicet verba Centurionis, « miratus est ».
Maar daartegenover staat, dat Matthaeus (8, 10) zegt: « Toen Jesus dit (nl. de woorden van den honderdman) hoorde, verwonderde Hij zich ».Maar daartegenover staat, dat Matteüs (8, 10) zegt: “Toen Jesus dit (nl. de woorden van de honderdman) hoorde, verwonderde Hij zich”.
Respondeo dicendum, quod admiratio proprie est de aliquo novo, et insolito: in Christo autem non poterat esse aliquid novum, et insolitum quantum ad scientiam divinam neque etiam quantum ad scientiam humanam, qua cognoscebat res in Verbo vel qua cognoscebat res per species inditas. Potuit tamen aliquid esse sibi novum, et insolitum secundum scientiam experimentalem, secundum quam sibi poterant quotidie aliqua nova occurrere. Et ideo si loquamur de ipso quantum ad scientiam divinam, et scientiam beatam, vel etiam infusam, non fuit in Christo admiratio. Si autem loquamur de eo quantum ad scientiam experimentalem, sic admiratio in eo esse potuit. Et assumpsit hunc affectum ad nostram instructionem; 456ut scilicet doceat esse mirandum, quod etiam ipse mirabatur; unde dicit Augustinus in 1. super Gen. contra Manichaeos [cap. 8.]: « quod mirabatur Dominus, nobis mirandum esse significat, quibus adhuc opus est sic moveri; omnes ergo tales motus ejus non perturbati animi signa sunt, sed docentis magistri ».
Leerstelling. — Eigenlijk komt verwondering voor naar aanleiding van iets nieuws en ongewoons. Van de kant der goddelijke kennis nu gerekend, kon niets voor Christus nieuw of ongewoon zijn en evenmin van de kant der menschelijke kennis, waarmee Hij de dingen in het Woord kende of waarmee Hij de dingen kende door ingestorte kenbeelden. Maar iets kon Hem nieuw en ongewoon toeschijnen naar Zijn door ondervinding verkregen kennis, want volgens deze konden Hem dagelijks nieuwe dingen overkomen. Spreken wij dus van Christus volgens zijn goddelijke of zaligmakende of ingestorte kennis, dan is er in Hem voor verwondering geen plaats, maar wel als wij van Hem spreken wat Zijn door ondervinding verkregen kennis betreft. En dezen gemoedstoestand nam Hij aan om ons te onderrichten en te leeren, dat wij ons moeten verwonderen over datgene, waarover Hij zich 456verwonderde. Daarom zegt ook Augustinus in het 1e boek van zijn Commentaar op het boek der Schepping tegen de Manichaeën (8e H.): « Dat de Heer zich verwondert, beteekent, dat wij ons moeten verwonderen, daar wij nog behoefte hebben om bewogen te worden. Al die gemoedsbewegingen van Hem zijn geen teekenen, dat zijn ziel verward was, maar zijn lessen van onzen Leeraar ».Leerstelling. — Eigenlijk komt verwondering voor naar aanleiding van iets nieuws en ongewoons. Van de kant van de goddelijke kennis nu gerekend, kon niets voor Christus nieuw of ongewoon zijn en evenmin van de kant van de menselijke kennis, waarmee Hij de dingen in het Woord kende of waarmee Hij de dingen kende door ingestorte kenbeelden. Maar iets kon Hem nieuw en ongewoon toeschijnen naar Zijn door ondervinding verkregen kennis, want volgens deze konden Hem dagelijks nieuwe dingen overkomen. Spreken wij dus van Christus volgens zijn goddelijke of zaligmakende of ingestorte kennis, dan is er in Hem voor verwondering geen plaats, maar wel als wij van Hem spreken wat Zijn door ondervinding verkregen kennis betreft. En deze gemoedstoestand nam Hij aan om ons te onderrichten en te leren, dat wij ons moeten verwonderen over datgene, waarover Hij zich 456verwonderde. Daarom zegt ook Augustinus in het 1e boek van zijn Commentaar op het boek van de Schepping tegen de Manicheeën (8e H.): “Dat de Heer zich verwondert, betekent, dat wij ons moeten verwonderen, daar wij nog behoefte hebben om bewogen te worden. Al die gemoedsbewegingen van Hem zijn geen tekenen, dat zijn ziel verward was, maar zijn lessen van onze Leraar”.
Ad primum ergo dicendum, quod licet Christus nihil ignoraret; poterat tamen aliquid de novo occurrere experimentali ejus scientiae, ex quo admiratio causaretur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al was niets aan Christus onbekend, toch kon zich nog iets nieuws voordoen aan Zijn door ondervinding verkregen kennis, wat oorzaak van verwondering was.
Ad secundum dicendum, quod Christus non admirabatur de fide Centurionis ea ratione, quod esset magna quantum ad ipsum, sed quia erat magna quantum ad alios.
2. Christus verwonderde zich niet over het geloof van den honderdman, alsof het voor Hem iets groots, maar omdat het voor anderen iets groot was.2. Christus verwonderde zich niet over het geloof van de honderdman, alsof het voor Hem iets groots, maar omdat het voor anderen iets groot was.
Ad tertium dicendum, quod ipse poterat facere omnia secundum virtutem divinam, secundum quam in eo admiratio non erat, sed solum secundum humanam scientiam experimentalem, ut dictum est [in corp. art.].
3. Hij kon alles door goddelijke kracht en zoo was er in Hem geen plaats voor verwondering, maar alleen zooals gezegd is (in de Leerstelling) krachtens menschelijke wetenschap door ondervinding.3. Hij kon alles door goddelijke kracht en zo was er in Hem geen plaats voor verwondering, maar alleen zoals gezegd is (in de Leerstelling) krachtens menselijke wetenschap door ondervinding.
Utrum in Christo fuerit ira
Kon er toorn in Christus bestaan?
457Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod in Christo non fuerit ira. Dicitur enim Jacobi 1. [v. 20]: « Ira viri justitiam Dei non operatur ». Sed quidquid fuit in Christo, ad justitiam Dei pertinuit: « ipse enim factus est nobis justitia a Deo », ut dicitur 1. Cor. 1. [v. 30]. Ergo videtur, quod in Christo non fuerit ira.
457Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen toorn in Christus was. — 1. Want in den Brief van Jacobus (1, 20) wordt gezegd: « De toorn van den mensch bewerkt Gods rechtvaardigheid niet ». Nu behoort al wat er in Christus was tot Gods rechtvaardigheid, want zooals in den Eersten Korinthiërsbrief (1, 30) staat: « is Hij voor ons van God rechtvaardigheid geworden ». Dus schijnt er geen toorn in Hem te zijn geweest.457Bedenkingen. — Men beweert, dat er geen toorn in Christus was. — 1. Want in de Brief van Jacobus (1, 20) wordt gezegd: “De toorn van de mens bewerkt Gods rechtvaardigheid niet”. Nu behoort al wat er in Christus was tot Gods rechtvaardigheid, want zoals in de Eerste Korintiërsbrief (1, 30) staat: “is Hij voor ons van God rechtvaardigheid geworden”. Dus schijnt er geen toorn in Hem te zijn geweest.
2. Praeterea, ira mansuetudini opponitur, ut patet in 4. Ethicor. [cap. 5. n. 1, 2, 3. S. Th. lect. 13.]. Sed Christus fuit mansuetus. Ergo in eo non fuit ira.
2. Toorn staat tegenover zachtmoedigheid, zooals in het 4e boek Over de Zedeleer (5e H., n. 1, 2 en 3) wordt gezegd. Omdat Christus nu in hoogste mate zachtmoedig was, bestond er in Hem geen toorn.2. Toorn staat tegenover zachtmoedigheid, zoals in het 4e boek Over de Zedeleer (5e H., n. 1, 2 en 3) wordt gezegd. Omdat Christus nu in hoogste mate zachtmoedig was, bestond er in Hem geen toorn.
3. Praeterea, Gregorius dicit in 5. Moral. [cap. 45.] quod « ira per vitium excaecat oculum mentis: ira vero per zelum ipsum turbat ». Sed in Christo mentis oculus non fuit excaecatus, nec turbatus. Ergo in Christo nec fuit ira per vitium, nec ira per zelum.
3. In het 5e boek Over de Zedeleer (45e H.) zegt Gregorius: « Toorn, die uit een gebrek voortkomt, verblindt; die uit ijver voortkomt, vertroebelt het geestesoog ». Nu was Christus' geestesoog verblind noch vertroebeld en dus was er in Hem noch uit een gebrek noch uit ijver toorn.3. In het 5e boek Over de Zedeleer (45e H.) zegt Gregorius: “Toorn, die uit een gebrek voortkomt, verblindt; die uit ijver voortkomt, vertroebelt het geestesoog”. Nu was Christus' geestesoog verblind noch vertroebeld en dus was er in Hem noch uit een gebrek noch uit ijver toorn.
458Sed contra est, quod Joan. 2. [v. 17] de eo dicitur esse impletum, quod in Ps. 68. [v. 10] legitur: « Zelus domus tuae comedit me ».
458Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (2, 17) wordt gezegd, dat het Psalmwoord (Ps. 68, 10): « De ijver voor Uw huis heeft mij verteerd » in Hem is vervuld.458Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (2, 17) wordt gezegd, dat het Psalmwoord (Ps. 68, 10)a: “De ijver voor Uw huis heeft mij verteerd” in Hem is vervuld.
Respondeo dicendum, quod, sicut in 2. dictum est [1-2. q. 46. art. 3. ad 3. et 2-2. q. 158. art. 2. ad 3.], ira est effectus tristitiae. Ex tristitia enim alicui illata consequitur in eo circa sensitivam partem appetitus repellendi illatam injuriam vel sibi, vel aliis. Et sic ira est passio composita ex tristitia, et appetitu vindictae. Dictum est autem [art. 6. huj. q.], quod in Christo tristitia esse potuit. Appetitus etiam vindictae quandoque est cum peccato. Quando scilicet aliquis vindictam quaerit absque ordine rationis. Et sic ira in Christo esse non potuit: hujusmodi enim dicitur « ira per vitium ». Quandoque vero talis appetitus est sine peccato, immo est laudabilis; puta cum aliquis appetit vindictam secundum ordinem justitiae. Et hoc vocatur « ira per zelum » dicit enim Augustinus super Joan. [tract. 10. aliquant. a med.] quod « zelo domus Dei comeditur, qui omnia perversa quae videt, satagit emendare; si emendare non potest, tolerat, et gemit ». Et talis ira fuit in Christo.
Leerstelling. — Toorn is, zooals in het tweede deel (Ia-IIae, 46e Kw., 3e Art., Antw. op de 3e B.; IIa-IIae, 158e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.) is gezegd, een gevolg van droefheid. Wordt iemand nl. droefheid berokkend, dan ontstaat in zijn zinnelijk deel het verlangen om het hem of anderen aangedane onrecht terug te betalen. Toorn is dus een hartstocht, die uit droefheid en een verlangen naar wraak is samengesteld. Nu hebben wij gezegd (6e Art.), dat er in Christus droefheid kon zijn. Soms is het verlangen naar wraak zondig, bv. als iemand zich wil wreken tegen de rechte rede in, en zoo kon er in Christus geen toorn zijn, omdat men dit de toorn noemt, die uit een gebrek voortkomt. Maar soms kan dit verlangen er zonder zonde zijn en zelfs lofwaardig, als iemand bv. wraak verlangt volgens de orde van het recht. En dit noemt men toorn uit ijver, want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (10e Trakt., bij 2e H., 17): « Iemand wordt door ijver voor Gods huis verteerd, als hij al het slechte, dat hij er ziet wil verbeteren, en kan hij dat niet, het dult en erover zucht ». Zoo'n toorn nu was er in Christus.Leerstelling. — Toorn is, zoals in het tweede deel (1-2, 46e Kw., 3e Art., Antw. op de 3e B.; 2-2, 158e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e B.) is gezegd, een gevolg van droefheid. Wordt iemand nl. droefheid berokkend, dan ontstaat in zijn zinnelijk deel het verlangen om het hem of anderen aangedane onrecht terug te betalen. Toorn is dus een hartstocht, die uit droefheid en een verlangen naar wraak is samengesteld. Nu hebben wij gezegd (6e Art.), dat er in Christus droefheid kon zijn. Soms is het verlangen naar wraak zondig, bv. als iemand zich wil wreken tegen de rechte rede in, en zo kon er in Christus geen toorn zijn, omdat men dit de toorn noemt, die uit een gebrek voortkomt. Maar soms kan dit verlangen er zonder zonde zijn en zelfs lofwaardig, als iemand bv. wraak verlangt volgens de orde van het recht. En dit noemt men toorn uit ijver, want Augustinus zegt in zijn Commentaar op Johannes (10e Trakt., bij 2e H., 17): “Iemand wordt door ijver voor Gods huis verteerd, als hij al het slechte, dat hij er ziet wil verbeteren, en kan hij dat niet, het dult en erover zucht”. Zo'n toorn nu was er in Christus.
459Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gregorius dicit 5. Moral. [cap. 30.], ira dupliciter se habet in homine. Quandoque enim praevenit rationem, et trahit eam secum ad operandum. Et tunc proprie ira dicitur operari, nam operatio attribuitur principali agenti; et secundum hoc intelligitur, quod « ira viri justitiam Dei non operatur ». Quandoque vero ira sequitur rationem, et est quasi instrumentum ipsius. Et tunc operatio, quae est justitiae, non attribuitur irae, sed rationi.
459Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Gregorius in het 5e boek Over de Zedeleer zegt, kan toorn op twee manieren in den mensch bestaan. Soms gaat zij aan het verstandsoverleg vooraf en sleept dat mee; en dan zegt men in eigenlijken zin, dat de toorn iets bewerkt, omdat men een werk aan de voornaamste oorzaak toeschrijft. Zoo ook moeten wij het verstaan, dat « de toorn van den mensch Gods rechtvaardigheid niet bewerkt ». Maar soms komt de toorn na het verstandswerk en is als het ware het werktuig ervan. Is het werk dan rechtvaardig, dan schrijft men het niet aan den toorn, maar aan het verstand toe.459Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Gregorius in het 5e boek Over de Zedeleer zegt, kan toorn op twee manieren in de mens bestaan. Soms gaat zij aan het verstandsoverleg vooraf en sleept dat mee; en dan zegt men in eigenlijke zin, dat de toorn iets bewerkt, omdat men een werk aan de voornaamste oorzaak toeschrijft. Zo ook moeten wij het verstaan, dat “de toorn van de mens Gods rechtvaardigheid niet bewerkt”. Maar soms komt de toorn na het verstandswerk en is als het ware het werktuig ervan. Is het werk dan rechtvaardig, dan schrijft men het niet aan de toorn, maar aan het verstand toe.
Ad secundum dicendum, quod ira, quae transgreditur ordinem rationis, opponitur mansuetudini, non autem ira quae est moderata, et ad medium reducta per rationem: nam mansuetudo medium tenet in ira.
2. Gaat de toorn buiten de verstandsorde, dan staat zij tegenover de zachtmoedigheid, maar niet als zij onder leiding van het verstand het juiste midden houdt. Want de zachtmoedigheid weet bij toorn het juiste midden te bewaren.
Ad tertium dicendum, quod in nobis secundum naturalem ordinem potentiae animae mutuo se impediunt; ita scilicet quod cum unius potentiae operatio fuerit intensa, alterius operatio debilitetur. Et ex hoc procedit, quod motus irae, etiamsi sit secundum rationem moderatus, utcumque impedit oculum animae contemplantis. Sed in Christo per moderationem divinae virtutis « unicuique potentiae permittebatur agere, quod erat ei 460proprium » [Damascenus: De Fide Orth. lib. 3. cap. 19] ita quod una potentia ex alia non impediebatur. Et ideo sicut delectatio mentis contemplantis non impediebat tristitiam, vel dolorem inferioris partis: ita etiam e converso passiones inferiores partis in nullo impediebant actum rationis.
3. Bij ons staan volgens de natuurlijke orde verschillende vermogens elkaar in den weg, zoodat nl. de heftige werking van het eene de werking van het andere verzwakt. Daarvandaan komt het, dat zelfs door de rede beheerschte toornige gemoedsbewegingen het geestesoog der beschouwende ziel toch vertroebelen. Bij Christus echter liet de goddelijke kracht « ieder vermogen doen wat eraan eigen is », zoodat het eene vermogen door het andere niet werd 460gehinderd. Zooals dus het genieten van den beschouwenden geest de droefheid of smart van het lagere deel niet in den weg stond, belemmerden omgekeerd de hartstochten van het lagere deel de verstandswerking in geen enkel opzicht.3. Bij ons staan volgens de natuurlijke orde verschillende vermogens elkaar in de weg, zodat nl. de heftige werking van het ene de werking van het andere verzwakt. Daarvandaan komt het, dat zelfs door de rede beheerste toornige gemoedsbewegingen het geestesoog van de beschouwende ziel toch vertroebelen. Bij Christus echter liet de goddelijke kracht “ieder vermogen doen wat eraan eigen is”, zodat het ene vermogen door het andere niet werd 460gehinderd. Zoals dus het genieten van de beschouwende geest de droefheid of smart van het lagere deel niet in de weg stond, belemmerden omgekeerd de hartstochten van het lagere deel de verstandswerking in geen enkel opzicht.
Utrum Christus simul fuerit viator, et comprehensor
Was Christus tegelijk pelgrim op weg naar den hemel en bereiker ervan?Was Christus tegelijk pelgrim op weg naar de hemel en bereiker ervan?
460Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod Christus non fuerit simul viator, et comprehensor: viatori enim competit moveri ad finem beatitudinis, comprehensori autem competit in fine quiescere. Sed non potest eidem simul convenire, quod moveatur ad finem, et quod quiescat in fine. Ergo non potuit simul esse, quod Christus esset viator, et comprehensor.
460Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet tegelijk pelgrim en bereiker was. — 1. Want een pelgrim moet zich voortbewegen naar het doel, de zaligheid, en de bereiker moet erin rusten. Nu kan niemand tegelijk zich naar een doel voortbewegen en erin rusten. Dus kon Christus niet tegelijk pelgrim op weg naar den hemel en bereiker ervan zijn.460Bedenkingen. — Men beweert, dat Christus niet tegelijk pelgrim en bereiker was. — 1. Want een pelgrim moet zich voortbewegen naar het doel, de zaligheid, en de bereiker moet erin rusten. Nu kan niemand tegelijk zich naar een doel voortbewegen en erin rusten. Dus kon Christus niet tegelijk pelgrim op weg naar de hemel en bereiker ervan zijn.
2. Praeterea, moveri ad beatitudinem, aut eam obtinere, non competit homini secundum corpus, sed secundum animam, unde Augustinus dicit in Epistola ad Dioscorum [118. al. 56.] quod « ad inferiorem naturam, 461quae est corpus, redundat ab anima, non beatitudo quae propria est fruentis, et intelligentis, sed plenitudo sanitatis, idest incorruptionis vigor ». Sed Christus, licet haberet corpus passibile, tamen secundum mentem plene Deo fruebatur. Non igitur Christus fuit viator, sed purus comprehensor.
2. Zich voortbewegen naar de zaligheid en haar bereiken komt den mensch vooral toe naar de ziel. Daarom zegt Augustinus in den Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.), dat « op de lagere 461natuur, nl. het lichaam de zaligheid, die eigen is aan wie begrijpt en zoo geniet, niet overstroomt uit de ziel ». Al had Christus nu een lichaam, dat lijden kon, toch genoot Hij naar Zijn ziel ten volle van God. Dus was Christus geen pelgrim, maar ten volle iemand, die den hemel had bereikt.2. Zich voortbewegen naar de zaligheid en haar bereiken komt de mens vooral toe naar de ziel. Daarom zegt Augustinus in de Brief aan Dioscorus (118e Br., 3e H.), dat “op de lagere 461natuur, nl. het lichaam de zaligheid, die eigen is aan wie begrijpt en zo geniet, niet overstroomt uit de ziel”. Al had Christus nu een lichaam, dat lijden kon, toch genoot Hij naar Zijn ziel ten volle van God. Dus was Christus geen pelgrim, maar ten volle iemand, die de hemel had bereikt.
3. Praeterea, sancti, quorum animae sunt in coelo, et corpora in sepulchris, fruuntur quidem beatitudine secundum animam, quamvis eorum corpora morti subjaceant: tamen non dicuntur viatores, sed solum comprehensores. Ergo pari ratione licet corpus Christi fuerit mortale; quia tamen mens ejus Deo fruebatur, videtur quod fuerit purus comprehensor, et nullo modo viator.
3. De heiligen, wier zielen in den hemel zijn en wier lichamen in het graf, genieten wat hun ziel betreft wel van de zaligheid, al zijn hun lichamen aan den dood onderworpen; en toch worden zij geen pelgrims genoemd, maar alleen bereikers van den hemel. Om dezelfde reden schijnt het, dat al was Christus' lichaam dan sterfelijk, Hij toch omdat Zijn ziel van God genoot, alleen een bereiker van den hemel was en geen pelgrim.3. De heiligen, wier zielen in de hemel zijn en wier lichamen in het graf, genieten wat hun ziel betreft wel van de zaligheid, al zijn hun lichamen aan de dood onderworpen; en toch worden zij geen pelgrims genoemd, maar alleen bereikers van de hemel. Om dezelfde reden schijnt het, dat al was Christus' lichaam dan sterfelijk, Hij toch omdat Zijn ziel van God genoot, alleen een bereiker van de hemel was en geen pelgrim.
Sed contra est, quod dicitur Hierem. 14. [v. 8]: « Quare quasi colonus futurus es in terra, et quasi viator declinans ad manendum? »
Maar daartegenover staat het woord van Jeremias (14, 8): « Gij zult als een balling op aarde zijn en als een reiziger, die weigert te blijven ».Maar daartegenover staat het woord van Jeremia (14, 8): “Gij zult als een balling op aarde zijn en als een reiziger, die weigert te blijven”.
Respondeo dicendum, quod aliquis dicitur viator ex eo, quod tendit in beatitudinem: comprehensor autem dicitur ex hoc, quod jam beatitudinem obtinet, secundum illud 1. Cor. 9. [v. 24]: « Sic currite, ut 462comprehendatis », et Philip. 3. [v. 12]: « Sequor autem, si quo modo comprehendam ». Hominis autem beatitudo perfecta consistit in anima, et corpore, ut in 2. habitum est [1-2. q. 4. art. 6.]: in anima quidem, quantum ad id quod est ei proprium, secundum quod mens videt, et fruitur Deo: in corpore vero, secundum quod corpus « resurget spirituale, et in virtute, et in gloria. et in incorruptione » ut dicitur 1. Cor. 15. [v. 42 sq.]. Christus autem ante passionem secundum mentem plene videbat Deum [cfr. q. 9. art. 2.] et sic habebat beatitudinem, quantum ad id quod est proprium animae: sed quantum ad alia deerat ei beatitudo; quia et anima ejus erat passibilis, et corpus passibile. et mortale, ut ex supradictis patet [art. 4. huj. q. et q. 14. art. 1. et 2.]. Et ideo simul erat comprehensor, inquantum habebat beatitudinem propriam animae, et simul viator, inquantum tendebat in beatitudinem secundum id, quod ei de beatitudine deerat.
Leerstelling. — Iemand wordt pelgrim genoemd, omdat Hij de zaligheid zoekt te bereiken, en bereiker, omdat hij de zaligheid reeds heeft verkregen, volgens den Eersten Brief aan de Korinthiërs (9, 24): « Loopt zoo, dat gij moogt winnen », en den 462Philippensenbrief (3, 12): « Ik jaag het na om het te bereiken ». Nu ligt de volmaakte zaligheid van den mensch zoowel in de ziel als in het lichaam, zooals in het tweede deel (Ia-IIae, 4e Kw., 6e Art.) is gezegd; en wel in de ziel wat het eigenlijke deel betreft, dat nl. de ziel God ziet en van Hem geniet, en in het lichaam, in zoover dit « geestelijk zal verrijzen in kracht en glorie en onbederflijkheid », zooals in den Eersten Brief aan de Korinthiërs (15, 42 en vlgd.) wordt gezegd. Christus nu aanschouwde voor Zijn lijden naar den geest God volledig en bezat dus de zaligheid voor het deel, dat eigen is aan de ziel. Maar Hij miste haar wat de andere deelen betreft, omdat zoowel Zijn ziel kon lijden als zijn lichaam kon lijden en sterven, als blijkt uit wat vroeger is gezegd (9e Kw., 2e Art.). Dus was Hij tegelijk iemand, die de zaligheid had bereikt, omdat Hij haar bezat voor zoover zij eigen is aan de ziel, en toch ook pelgrim, in zoover Hij naar de zaligheid streefde voor het deel, dat Hij nog miste.Leerstelling. — Iemand wordt pelgrim genoemd, omdat Hij de zaligheid zoekt te bereiken, en bereiker, omdat hij de zaligheid reeds heeft verkregen, volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (9, 24): “Loopt zo, dat gij moogt winnen”, en de 462Filippenzenbrief (3, 12): “Ik jaag het na om het te bereiken”. Nu ligt de volmaakte zaligheid van de mens zowel in de ziel als in het lichaam, zoals in het tweede deel (1-2, 4e Kw., 6e Art.) is gezegd; en wel in de ziel wat het eigenlijke deel betreft, dat nl. de ziel God ziet en van Hem geniet, en in het lichaam, in zover dit “geestelijk zal verrijzen in kracht en glorie en onbederflijkheid”, zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 42 en vlgd.) wordt gezegd. Christus nu aanschouwde voor Zijn lijden naar de geest God volledig en bezat dus de zaligheid voor het deel, dat eigen is aan de ziel. Maar Hij miste haar wat de andere delen betreft, omdat zowel Zijn ziel kon lijden als zijn lichaam kon lijden en sterven, als blijkt uit wat vroeger is gezegd (9e Kw., 2e Art.). Dus was Hij tegelijk iemand, die de zaligheid had bereikt, omdat Hij haar bezat voor zover zij eigen is aan de ziel, en toch ook pelgrim, in zover Hij naar de zaligheid streefde voor het deel, dat Hij nog miste.
Ad primum ergo dicendum, quod impossibile est moveri ad finem, et quiescere in fine secundum idem, sed secundum diversa nihil hoc prohibet: 463sicut aliquis homo simul est sciens quantum ad ea quae jam novit, et addiscens quantum ad ea quae nondum novit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is onmogelijk onder een en hetzelfde opzicht zich naar een doel toe te begeven en in het bereikte doel te rusten. Maar er is niets op tegen, dat dit 463onder verschillende opzichten geschiedt, zooals een mensch tegelijk wetenschap bezit wat de dingen betreft, die Hij reeds kent en de dingen, die hij nog niet kent, aanleert.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is onmogelijk onder een en hetzelfde opzicht zich naar een doel toe te begeven en in het bereikte doel te rusten. Maar er is niets op tegen, dat dit 463onder verschillende opzichten geschiedt, zoals een mens tegelijk wetenschap bezit wat de dingen betreft, die Hij reeds kent en de dingen, die hij nog niet kent, aanleert.
Ad secundum dicendum, quod beatitudo principaliter et proprie consistit in anima secundum mentem: secundario tamen, et quasi instrumentaliter requiruntur ad beatitudinem corporis bona: sicut etiam Philos. dicit in 1. Ethic. [cap. 8. n. 15, 16. S. Th. lect. 13.], quod exteriora bona « organice » deserviunt beatitudini.
2. Eigenlijk en hoofdzakelijk is de zaligheid in de ziel naar den geest, maar op de tweede plaats en als werktuigen worden de dingen, die goed zijn voor het lichaam, tot de zaligheid vereischt; zoo zegt ook de Philosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (8e H., n. 15 en 16), dat de uitwendige goederen organisch tot de zaligheid meewerken.2. Eigenlijk en hoofdzakelijk is de zaligheid in de ziel naar de geest, maar op de tweede plaats en als werktuigen worden de dingen, die goed zijn voor het lichaam, tot de zaligheid vereist; zo zegt ook de Filosoof in het 1e boek Over de Zedeleer (8e H., n. 15 en 16), dat de uitwendige goederen organisch tot de zaligheid meewerken.
Ad tertium dicendum, quod non est eadem ratio de animabus Sanctorum, et de Christo, propter duo: primo quidem, quia animae Sanctorum non sunt passibiles, sicut fuit anima Christi: secundo, quia corpora non agunt aliquid, per quod in beatitudinem tendant, sicut Christus secundum corporis passiones in beatitudinem tendebat, quantum ad gloriam corporis.
3. Om twee redenen gaat dezelfde redeneering voor de zielen der zalige afgestorvenen en voor Christus niet op. Ten eerste omdat de zielen der zaligen niet kunnen lijden, zooals Christus' ziel. Ten tweede omdat hun lichamen niets doen, waardoor zij naar de zaligheid streven, zooals Christus door het lichaamslijden naar de zaligheid streefde, wat de verheerlijking van het lichaam betreft.3. Om twee redenen gaat dezelfde redenering voor de zielen van de zalige afgestorvenen en voor Christus niet op. Ten eerste omdat de zielen van de zaligen niet kunnen lijden, zoals Christus' ziel. Ten tweede omdat hun lichamen niets doen, waardoor zij naar de zaligheid streven, zoals Christus door het lichaamslijden naar de zaligheid streefde, wat de verheerlijking van het lichaam betreft.