Prologus
Proloog
1Post communem considerationem de virtutibus et vitiis et aliis ad materiam moralem pertinentibus, necesse est considerare singula in speciali. Sermones enim morales universales minus sunt utiles, eo quod actiones in particularibus sunt. Potest autem aliquid in speciali considerari circa moralia dupliciter : uno modo, ex parte materiae ipsius moralis, puta cum consideratur de hac virtute vel hoc vitio; alio modo, quantum ad speciales status hominum, puta cum consideratur de subditis et praelatis, de activis et contemplativis, vel quibuscumque aliis differentiis hominum. Primo ergo considerabimus specialiter de his, quae pertinent ad omnes hominum status; secundo vero specialiter de his, quae pertinent ad determinatos status.
1Na in het algemeen gehandeld te hebben over de deugden en de ondeugden en over het overige, wat tot de zedenleer behoort, moeten wij nu alles beschouwen in het bijzonder. Algemeene zedekundige verhandelingen immers zijn minder nuttig, want de handelingen worden telkens in het bijzonder gesteld. Met betrekking nu tot de zedenleer kan men iets op twee manieren in het bijzonder beschouwen: ten eerste, van den kant van de stof zelf der zedenleer, wanneer men b. v. handelt over een bepaalde deugd of ondeugd; ten tweede, van den kant van bijzondere levensstaten der menschen, wanneer men b. v. handelt over de onderdanen of over de oversten, over diegenen, die een beschouwend leven leiden of over diegenen, die een werkend leven leiden, of over welke andere verschillen onder de menschen ook. Wij zullen ten eerste in het bijzonder handelen over datgene, wat behoort tot den levensstaat van alle menschen, en ten tweede over datgene, wat behoort tot sommige bepaalde levensstaten.1Na in het algemeen gehandeld te hebben over de deugden en de ondeugden en over het overige, wat tot de zedenleer behoort, moeten wij nu alles beschouwen in het bijzonder. Algemene zedekundige verhandelingen immers zijn minder nuttig, want de handelingen worden telkens in het bijzonder gesteld. Met betrekking nu tot de zedenleer kan men iets op twee manieren in het bijzonder beschouwen: ten eerste, van de kant van de stof zelf van de zedenleer, wanneer men bv. handelt over een bepaalde deugd of ondeugd; ten tweede, van de kant van bijzondere levensstaten van de mensen, wanneer men bv. handelt over de onderdanen of over de oversten, over diegenen, die een beschouwend leven leiden of over diegenen, die een werkend leven leiden, of over welke andere verschillen onder de mensen ook. Wij zullen ten eerste in het bijzonder handelen over datgene, wat behoort tot de levensstaat van alle mensen, en ten tweede over datgene, wat behoort tot sommige bepaalde levensstaten.
Est autem considerandum circa primum, quod si seorsum determinaremus de virtutibus, donis, vitiis et praeceptis, oporteret idem multoties 2dicere; qui enim sufficienter vult tractare de hoc praecepto : Non maechaberis, necesse habet inquirere de adulterio, quod est quoddam peccatum, cujus etiam cognitio dependet ex cognitione oppositae virtutis. Erit ergo compendiosior et expeditior considerationis via, si simul sub eodem tractatu consideratio procedat de virtute et dono sibi correspondente, et vitiis oppositis, et praeceptis affirmativis vel negativis. Erit autem hic considerationis modus conveniens ipsis vitiis secundum propriam speciem. Ostensum est enim supra [1-2. q. 72.], quod vitia et peccata diversificantur specie secundum materiam vel objectum, non autem secundum alias differentias peccatorum, puta cordis, oris, et operis, vel secundum infirmitatem, ignorantiam et malitiam, et alias hujusmodi differentias. Est autem eadem materia, circa quam virtus recte operatur, et vitia opposita a rectitudine recedunt.
2Wanneer wij echter in het eerste deel afzonderlijk moesten handelen over de deugden, de gaven, de ondeugden en de geboden, dan zouden wij dikwijls hetzelfde moeten herhalen; wie b. v. het gebod : « Gij zult geen overspel bedrijven » op voldoende wijze wil behandelen, moet noodzakelijk spreken over het overspel, wat een zonde is, waarvan de kennis afhangt van de kennis van de tegengestelde deugd. Onze verhandeling zal dus bondiger en beknopter zijn, wanneer wij in dezelfde verhandeling handelen over de deugden en de gaven, die er aan beantwoorden, over de ondeugden, die er aan tegengesteld zijn, en over de positieve en de negatieve geboden. Daarenboven zal die wijze van behandeling overeenkomen met den eigen aard der ondeugden. Wij hebben immers vroeger bewezen (1a 2ae, Kw. 72), dat de ondeugden en de zonden soortelijk verschillen volgens de materie of het voorwerp er van, en niet volgens andere verschillen der zonden, zooals zonden door begeerte, door woorden, of door werken, of zooals zonden uit zwakheid, uit onwetendheid of uit boosheid, of nog andere verschillen van dien aard. Welnu, het voorwerp, met betrekking waartoe de deugd goed handelt, is hetzelfde als dat, met betrekking waartoe de ondeugd, die er aan tegengesteld is, verkeerd handelt.2Wanneer wij echter in het eerste deel afzonderlijk moesten handelen over de deugden, de gaven, de ondeugden en de geboden, dan zouden wij dikwijls hetzelfde moeten herhalen; wie bv. het gebod: “Gij zult geen overspel bedrijven” op voldoende wijze wil behandelen, moet noodzakelijk spreken over het overspel, wat een zonde is, waarvan de kennis afhangt van de kennis van de tegengestelde deugd. Onze verhandeling zal dus bondiger en beknopter zijn, wanneer wij in dezelfde verhandeling handelen over de deugden en de gaven, die er aan beantwoorden, over de ondeugden, die er aan tegengesteld zijn, en over de positieve en de negatieve geboden. Daarenboven zal die wijze van behandeling overeenkomen met de eigen aard van de ondeugden. Wij hebben immers vroeger bewezen (1a 2ae, Kw. 72), dat de ondeugden en de zonden soortelijk verschillen volgens de materie of het voorwerp er van, en niet volgens andere verschillen van de zonden, zoals zonden door begeerte, door woorden, of door werken, of zoals zonden uit zwakheid, uit onwetendheid of uit boosheid, of nog andere verschillen van die aard. Welnu, het voorwerp, met betrekking waartoe de deugd goed handelt, is hetzelfde als dat, met betrekking waartoe de ondeugd, die er aan tegengesteld is, verkeerd handelt.
Sic ergo, tota materia morali ad considerationem virtutum reducta, 3omnes virtutes sunt ulterius reducendae ad septem; quarum tres sunt theologicae, de quibus primo est agendum; aliae vero quatuor sunt cardinales, de quibus posterius agetur. Virtutum autem intellectualium una quidem est prudentia, quae inter cardinales virtutes continetur et numeratur; ars vero non pertinet ad scientiam moralem, quae circa agibilia versatur, cum ars sit recta ratio factibilium, ut supra dictum est [1-2. q. 57, art. 3. et 4.]; aliae vero tres intellectuales virtutes, scilicet sapientia, intellectus et scientia, communicant etiam in nomine cum donis quibusdam Spiritus Sancti; unde simul etiam de eis considerabitur in consideratione donorum virtutibus correspondentium. Aliae vero virtutes morales omnes aliqualiter reducuntur ad virtutes cardinales, ut ex supradictis patet [1-2. q. 61. art. 3.]. Unde in consideratione alicujus virtutis cardinalis considerabuntur etiam omnes virtutes ad eam qualitercumque pertinentes, et vitia opposita. Et sic nihil moralium erit praetermissum.
Wanneer wij dan geheel het voorwerp der zedenleer tot de 3deugden herleiden, dan moeten wij al de deugden herleiden tot zeven, waarvan er drie goddelijke deugden zijn, waarover op de eerste plaats wordt gehandeld, en vier hoofddeugden, waarover daarna wordt gehandeld. Van de verstandelijke deugden is er één, nl. de beradenheid of verstandigheid, die tot de hoofddeugden behoort en er dan ook onder gerekend wordt, terwijl de andere, nl. de kunstvaardigheid, niet behoort tot de zedenleer, waarvan het voorwerp de menschelijke daden zijn; de kunstvaardigheid immers is « de goede opvatting der dingen, die moeten gemaakt of voortgebracht worden », zooals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 57, Art. 3 en 4); de drie andere verstandelijke deugden, nl. de wijsheid, het verstand en de wetenschap, komen, ook naar de benaming, overeen met sommige gaven van den H. Geest, en zullen daarom behandeld worden, wanneer wij zullen handelen over de gaven, die aan de deugden beantwoorden. Al de overige zedelijke deugden worden op een of andere wijze herleid tot de hoofddeugden, zooals uit het hierboven gezegde blijkt (1a 2ae, Kw. 61, Art. 3). Daarom zullen wij, met iedere hoofddeugd, ook al de deugden beschouwen, die er op een of andere wijze toe behooren, alsook de ondeugden, die er aan tegengesteld zijn. En op die wijze zullen wij het heele voorwerp der zedenleer behandelen.Wanneer wij dan geheel het voorwerp van de zedenleer tot de 3deugden herleiden, dan moeten wij al de deugden herleiden tot zeven, waarvan er drie goddelijke deugden zijn, waarover op de eerste plaats wordt gehandeld, en vier hoofddeugden, waarover daarna wordt gehandeld. Van de verstandelijke deugden is er één, nl. de beradenheid of verstandigheid, die tot de hoofddeugden behoort en er dan ook onder gerekend wordt, terwijl de andere, nl. de kunstvaardigheid, niet behoort tot de zedenleer, waarvan het voorwerp de menselijke daden zijn; de kunstvaardigheid immers is “de goede opvatting van de dingen, die moeten gemaakt of voortgebracht worden”, zoals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 57, Art. 3 en 4); de drie andere verstandelijke deugden, nl. de wijsheid, het verstand en de wetenschap, komen, ook naar de benaming, overeen met sommige gaven van de H. Geest, en zullen daarom behandeld worden, wanneer wij zullen handelen over de gaven, die aan de deugden beantwoorden. Al de overige zedelijke deugden worden op een of andere wijze herleid tot de hoofddeugden, zoals uit het hierboven gezegde blijkt (1a 2ae, Kw. 61, Art. 3). Daarom zullen wij, met iedere hoofddeugd, ook al de deugden beschouwen, die er op een of andere wijze toe behoren, alsook de ondeugden, die er aan tegengesteld zijn. En op die wijze zullen wij het hele voorwerp van de zedenleer behandelen.