De Deo : an Deus sit
Over God, of Hij bestaat
40Quia igitur principalis intentio hujus sacrae doctrinae est Dei cognitionem tradere, et non solum secundum quod in se est, sed secundum quod est principium rerum et finis earum, et specialiter rationalis creaturae, ut ex dictis est manifestum, [art. 7, q. praeced.]; ad hujus doctrinae expositionem intendentes, primo tractabimus de Deo; secundo, de motu rationalis creaturae in Deum; tertio, de Christo, qui, secundum quod homo, via est nobis tendendi in Deum.
40Aangezien het hoofddoel van de gewijde leer is : God te leeren kennen, en dit niet alleen zooals Hij is in zich zelf, maar ook in zoover Hij, zooals uit het voorgaande blijkt (Ie Kw., 7e Art.), het beginsel en het einddoel is van alles en vooral van het redelijk schepsel, gaan we nu over tot de uiteenzetting van die leer. Wij zullen achtereenvolgens handelen : ten 1e over God; ten 2e, over het streven van het redelijk schepsel naar God; ten 3e, over Christus, die naar zijn menschheid de weg is waarlangs wij tot God moeten opstijgen.40Aangezien het hoofddoel van de gewijde leer is: God te leren kennen, en dit niet alleen zoals Hij is in zichzelf, maar ook in zover Hij, zoals uit het voorgaande blijkt (1e Kw., 7e Art.), het beginsel en het einddoel is van alles en vooral van het redelijk schepsel, gaan we nu over tot de uiteenzetting van die leer. Wij zullen achtereenvolgens handelen: ten eerste over God; ten tweede, over het streven van het redelijk schepsel naar God; ten derde, over Christus, die naar zijn mensheid de weg is waarlangs wij tot God moeten opstijgen.
Consideratio autem de Deo tripartita erit : Primo namque considerabimus ea quae pertinent ad essentiam divinam; secundo, ea quae pertinent ad distinctionem Personarum; tertio, ea quae pertinent ad processum creaturarum ab ipso.
Aangaande God handelen wij, ten 1e, over de goddelijke wezenheid; ten 2e, over de onderscheiden personen; ten 3e. over den oorsprong van de schepselen uit Hem.Aangaande God handelen wij, ten eerste, over de goddelijke wezenheid; ten tweede, over de onderscheiden personen; ten derde over de oorsprong van de schepselen uit Hem.
Circa essentiam vero divinam, primo considerandum est: an Deus sit; secundo, quomodo sit, vel potius quomodo non sit; tertio considerandum erit 41de his quae ad operationem ipsius pertinent, scilicet de scientia et voluntate et potentia.
Aangaande de goddelijke wezenheid onderzoeken wij : ten 1e, of God bestaat; ten 2e, hoedanig Hij is, of beter niet is; 41ten 3e, welke zijn werking is, te weten zijn wetenschap, zijn wil, en zijn macht.Aangaande de goddelijke wezenheid onderzoeken wij: ten eerste, of God bestaat; ten tweede, hoedanig Hij is, of beter niet is; 41ten derde, welke zijn werking is, te weten zijn wetenschap, zijn wil, en zijn macht.
Circa primum quaerentur tria : 1. Utrum Deum esse sit per se notum. — 2. Utrum sit demonstrabile. — 3. An Deus sit.
Aangaande de eerste kwestie stellen wij drie vragen : 1e Is het klaarblijkelijk, dat God bestaat? 2e Is het bewijsbaar? 3e Bestaat Hij?Aangaande de eerste kwestie stellen wij drie vragen: 1. Is het klaarblijkelijk, dat God bestaat? 2. Is het bewijsbaar? 3. Bestaat Hij?
Utrum Deum esse sit per se notum
Is het bestaan van God een uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deum esse sit per se notum. Illa enim nobis dicuntur per se nota, quorum cognitio nobis naturaliter inest, sicut patet de primis principiis. Sed, sicut dicit Damascenus in principio libri sui [De fide orthod. cap. 1. et 3] : « Omnibus cognitio existendi Deum naturaliter est inserta ». Ergo Deum esse est per se notum.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het bestaan van God een uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid is. Die waarheden immers zijn uit zichzelf klaarblijkelijk, waarvan we de kennis van nature bezitten, zooals dit het geval is met de eerste beginselen. Welnu, naar het getuigenis van Joannes Damascenus is zijn boek Over het ware Geloof (Ie en IIIe H.), is de kennis van Gods bestaan iedereen aangeboren. Dus is die waarheid uit zichzelf klaarblijkelijk.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat het bestaan van God een uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid is. Die waarheden immers zijn uit zichzelf klaarblijkelijk, waarvan we de kennis van nature bezitten, zoals dit het geval is met de eerste beginselen. Welnu, naar het getuigenis van Johannes Damascenus is zijn boek Over het ware Geloof (1e en 3e H.), is de kennis van Gods bestaan iedereen aangeboren. Dus is die waarheid uit zichzelf klaarblijkelijk.
422. Praeterea, illa dicuntur esse per se nota, quae statim, cognitis terminis, cognoscuntur : quod Philos. attribuit primis demonstrationum principiis in 1 Poster. [cap. 3] : scito enim quid est totum et quid pars, statim scitur, quod omne totum est majus sua parte. Sed intellecto quid significet hoc nomen Deus, statim habetur quod Deus est. Significatur enim hoc nomine id quo majus significari non potest : majus autem est quod est in re et intellectu, quam quod est in intellectu tantum; unde cum, intellecto hoc nomine Deus, statim sit in intellectu, sequitur etiam quod sit in re. Ergo Deum esse est per se notum.
422. Die dingen zijn uit zichzelf klaarblijkelijk, welke duidelijk zijn uit de kennis der termen zelf, zooals dit het geval is met de eerste beginselen van elke bewijsvoering, naar het getuigenis van den Wijsgeer in zijn tweede werk Over de redeneering (Ie B., IIIe H., Nr 4). Weet men b. v. wat het geheel is, dan weet men ook dat ieder geheel grooter is dan een zijner deelen. Welnu, kent men de beteekenis van dit woord : God, dan weet men onmiddellijk dat God bestaat. Door dit woord wordt immers het hoogste denkbare wezen aangeduid. Maar iets wat zoowel in de werkelijkheid als in het verstand bestaat, is grooter dan wat in het verstand alleen bestaat. En aangezien God in het verstand bestaat zoo gauw iemand het woord God begrijpt, volgt hieruit, dat Hij ook in de werkelijkheid bestaat. Zoo is het duidelijk, dat Gods bestaan een uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid is.422. Die dingen zijn uit zichzelf klaarblijkelijk, welke duidelijk zijn uit de kennis van de termen zelf, zoals dit het geval is met de eerste beginselen van elke bewijsvoering, naar het getuigenis van de Wijsgeer in zijn tweede werk Over de redenering (1e B., 3e H., Nr 4). Weet men bv. wat het geheel is, dan weet men ook dat ieder geheel groter is dan een van zijn delen. Welnu, kent men de betekenis van dit woord: God, dan weet men onmiddellijk dat God bestaat. Door dit woord wordt immers het hoogste denkbare wezen aangeduid. Maar iets wat zowel in de werkelijkheid als in het verstand bestaat, is groter dan wat in het verstand alleen bestaat. En aangezien God in het verstand bestaat zo gauw iemand het woord God begrijpt, volgt hieruit, dat Hij ook in de werkelijkheid bestaat. Zo is het duidelijk, dat Gods bestaan een uit zichzelf klaarblijkelijke waarheid is.
3. Praeterea, veritatem esse est per se notum, quia qui negat veritatem esse, concedit veritatem esse : si enim veritas non est, verum est veritatem non esse. Si autem est aliquid verum, oportet quod veritas sit. Deus autem est ipsa veritas, Joan. 14 [v. 6] : « Ego sum via, veritas et vita. » Ergo Deum esse est per se notum.
3. Dat er waarheid is, is klaarblijkelijk, want men bevestigt het, door het feit alleen, dat men het loochent. Als er immers in het geheel niets waar is, dan is het toch waar, dat er niets waar is. Is er echter iets waar, dan moet er waarheid zijn. Welnu, God is de waarheid zelf, volgens het gezegde bij Johannes (14, 6) : « Ik bèn de weg, de waarheid en het leven ». Dus is het uit zichzelf klaarblijkelijk, dat God bestaat.3. Dat er waarheid is, is klaarblijkelijk, want men bevestigt het, door het feit alleen, dat men het loochent. Als er immers in het geheel niets waar is, dan is het toch waar, dat er niets waar is. Is er echter iets waar, dan moet er waarheid zijn. Welnu, God is de waarheid zelf, volgens het gezegde bij Johannes (14, 6): “Ik bèn de weg, de waarheid en het leven”. Dus is het uit zichzelf klaarblijkelijk, dat God bestaat.
43Sed contra, nullus potest cogitare oppositum ejus quod est per se notum, ut patet per Philosophum in 4. Metaph. [3, cap. 3] et 1 Poster. [cap. 10], circa prima demonstrationis principia. Cogitari autem potest oppositum ejus quod est Deum esse, secundum illud Psal. 52 [v. 1] : « Dixit insipiens in corde suo : non est Deus ». Ergo Deum esse non est per se notum.
43Daartegenover kan echter aangevoerd, dat niemand het tegenovergestelde kan denken van wat uit zichzelf klaarblijkelijk is, zooals de Wijsgeer aantoont in het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., IIIe H., Nr 7), en in zijn tweede werk Over de redeneering, (Ie B., Xe H., Nr 7), waarin hij handelt over de eerste beginselen van elke bewijsvoering. Welnu, men kan een oordeel uitspreken dat in tegenspraak staat met het oordeel : God bestaat, volgens dit woord van Psalm 52, 1 : « De dwaze heeft in zijn hart gezegd : Er is geen God ». Het bestaan van God is dus niet uit zichzelf klaarblijkelijk.43Daartegenover kan echter aangevoerd, dat niemand het tegenovergestelde kan denken van wat uit zichzelf klaarblijkelijk is, zoals de Wijsgeer aantoont in het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 3e H., Nr 7), en in zijn tweede werk Over de redenering, (1e B., 10e H., Nr 7), waarin hij handelt over de eerste beginselen van elke bewijsvoering. Welnu, men kan een oordeel uitspreken dat in tegenspraak staat met het oordeel: God bestaat, volgens dit woord van Psalm 52, 1a: “De dwaze heeft in zijn hart gezegd: Er is geen God”. Het bestaan van God is dus niet uit zichzelf klaarblijkelijk.
Respondeo dicendum quod contingit aliquid esse per se notum dupliciter : uno modo, secundum se et non quoad nos; alio modo, secundum se et quoad nos. Ex hoc enim aliqua propositio est per se nota, quia praedicatum includitur in ratione subjecti, ut homo est animal : nam animal est de ratione hominis. Si igitur notum sit omnibus et de praedicato et de subjecto quid sit, propositio illa erit omnibus per se nota : sicut patet in primis demonstrationum principiis, quorum termini sunt quaedam communia quae nullus ignorat, ut ens et non ens, totum et pars, et similia. Si autem apud aliquos 44notum non sit de praedicato et subjecto quid sit, propositio quidem, quantum in se est, erit per se nota : non tamen apud illos qui praedicatum et subjectum propositionis ignorant. Et ideo contingit, ut dicit Boetius in libro de Hebd., quod quaedam sunt communes conceptiones animi et per se notae apud sapientes tantum, « ut incorporalia non esse in loco ».
Leerstelling. — Iets kan op een tweevoudige wijze uit zichzelf klaarblijkelijk zijn: ófwel op zichzelf en niet voor ons, ófwel op zichzelf en ook voor ons. Klaarblijkelijk is elke zin waarvan het gezegde ligt opgesloten in het begrip van het onderwerp, zooals b. v. deze: De mensch is een dier. Het begrip dier ligt immers besloten in het begrip mensch. Voor allen nu die dit onderwerp en dit gezegde kennen, zal deze zin klaarblijkelijk zijn. Dit nu is het geval met eenieder, voor wat de eerste beginselen betreft: de termen er van toch zijn zóó algemeen gebruikelijk, dat eenieder ze kent, zooals zijn en niet-zijn, het geheel en het deel, en 44dergelijke. Zijn er nu aan wie het onderwerp en het gezegde onbekend zijn, dan zal de zin wel op zich zelf klaarblijkelijk zijn, maar niet voor hen die het onderwerp en het gezegde niet kennen. En zooals Boëtius in zijn boek Over de Tijdstippen opmerkt, zijn er gegevens die alleen voor de geleerden klaarblijkelijk zijn, zooals deze stelling : De onstoffelijke dingen nemen geen plaats in.Leerstelling. — Iets kan op een tweevoudige wijze uit zichzelf klaarblijkelijk zijn: ófwel op zichzelf en niet voor ons, ófwel op zichzelf en ook voor ons. Klaarblijkelijk is elke zin waarvan het gezegde ligt opgesloten in het begrip van het onderwerp, zoals bv. deze: De mens is een dier. Het begrip dier ligt immers besloten in het begrip mens. Voor allen nu die dit onderwerp en dit gezegde kennen, zal deze zin klaarblijkelijk zijn. Dit nu is het geval met eenieder, voor wat de eerste beginselen betreft: de termen er van toch zijn zó algemeen gebruikelijk, dat eenieder ze kent, zoals zijn en niet-zijn, het geheel en het deel, en 44dergelijke. Zijn er nu aan wie het onderwerp en het gezegde onbekend zijn, dan zal de zin wel op zichzelf klaarblijkelijk zijn, maar niet voor hen die het onderwerp en het gezegde niet kennen. En zoals Boëtius in zijn boek Over de Tijdstippen opmerkt, zijn er gegevens die alleen voor de geleerden klaarblijkelijk zijn, zoals deze stelling: De onstoffelijke dingen nemen geen plaats in.
Dico ergo quod haec propositio : Deus est, quantum in se est, per se nota est : quia praedicatum est idem cum subjecto; Deus enim est suum esse, ut infra patebit [q. 3, art. 4]. Sed quia nos non scimus de Deo quid est, non est nobis per se nota : sed indiget demonstrari per ea quae sunt magis nota quoad nos, et minus nota secundum naturam, scilicet per effectus.
Welnu, deze zin : God is, is op zich zelf klaarblijkelijk uit zichzelf, omdat het gezegde één is met het onderwerp; God is immers zijn eigen bestaan, zooals later zal bewezen worden (IIIe Kwestie, 4e Art.) Aangezien we echter van God niet weten wat Hij is, is deze zin voor ons niet uit zichzelf klaarblijkelijk, maar moet hij bewezen worden uit dingen die ons beter bekend zijn, al zijn zij naar hun natuur minder bekend, en dit zijn de uitwerkselen.Welnu, deze zin: God is, is op zichzelf klaarblijkelijk uit zichzelf, omdat het gezegde één is met het onderwerp; God is immers zijn eigen bestaan, zoals later zal bewezen worden (3e Kwestie, 4e Art.) Aangezien we echter van God niet weten wat Hij is, is deze zin voor ons niet uit zichzelf klaarblijkelijk, maar moet hij bewezen worden uit dingen die ons beter bekend zijn, al zijn zij naar hun natuur minder bekend, en dit zijn de uitwerkselen.
Ad primum ergo dicendum quod cognoscere Deum esse in aliquo communi, sub quadam confusione, est nobis naturaliter insertum, scilicet inquantum Deus est hominis beatitudo : homo enim naturaliter desiderat beatitudinem, et quod naturaliter desideratur ab homine, naturaliter cognoscitur 45ab eodem. Sed hoc non est simpliciter cognoscere Deum esse; sicut cognoscere venientem, non est cognoscere Petrum, quamvis Petrus sit veniens : multi enim perfectum hominis bonum, quod est beatitudo, existimant divitias; quidam vero voluptates; quidam autem aliquid aliud.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het is ons door de natuur zelve gegeven God te kennen, maar in het algemeen en op een eenigszins vage wijze, in zoover Hij nl. ons geluk uitmaakt. De mensch verlangt immers van nature zijn geluk, en wat hij van nature verlangt, moet hij ook van nature kennen. Maar dat is nog niet zonder meer het bestaan van God kennen. 45Veronderstel b. v. dat men iemand op zich ziet aankomen, laten we zeggen Petrus, maar men hem niet herkent : dan zou men niet weten dat het Petrus is die er aankomt, ofschoon dit feitelijk het geval is. Zoo ook laten velen het volmaakte goed van den mensch, nl. de zaligheid, in de rijkdommen bestaan; anderen in de genietingen of nog in iets anders.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het is ons door de natuur zelve gegeven God te kennen, maar in het algemeen en op een enigszins vage wijze, in zover Hij nl. ons geluk uitmaakt. De mens verlangt immers van nature zijn geluk, en wat hij van nature verlangt, moet hij ook van nature kennen. Maar dat is nog niet zonder meer het bestaan van God kennen. 45Veronderstel bv. dat men iemand op zich ziet aankomen, laten we zeggen Petrus, maar men hem niet herkent: dan zou men niet weten dat het Petrus is die er aankomt, ofschoon dit feitelijk het geval is. Zo ook laten velen het volmaakte goed van de mens, nl. de zaligheid, in de rijkdommen bestaan; anderen in de genietingen of nog in iets anders.
Ad secundum dicendum quod forte ille qui audit hoc nomen Deus, non intelligit significare aliquid quo majus cogitari non possit, cum quidam crediderint Deus esse corpus. Dato autem quod quilibet intelligat hoc nomine Deus significari hoc quod dicitur, scilicet illud quo majus cogitari non potest; non tamen propter hoc sequitur quod intelligat id quod significatur per nomen, esse in rerum natura, sed in apprehensione intellectus tantum. Nec potest argui quod sit in re, nisi daretur quod est in re aliquid quo majus cogitari non potest : quod non est datum a ponentibus Deum non esse.
2. Er zijn er ook die bij het hooren van Gods naam zich van Hem geen begrip vormen, als van het hoogste wezen, daar sommigen dachten dat God een stoffelijk iets is. En zelfs zij die onder dien naam begrijpen wat er door beteekend wordt, nl. het hoogste wezen, weten daarom nog niet, dat dit hoogste wezen in werkelijkheid bestaat, maar alleen dat het in het verstandsbegrip bestaat. Dan alleen kan tot zijn werkelijk bestaan besloten worden, wanneer aangenomen is dat het hoogste wezen werkelijk bestaat, wat juist niet toegegeven wordt door diegenen die Gods bestaan ontkennen.2. Er zijn er ook die bij het horen van Gods naam zich van Hem geen begrip vormen, als van het hoogste wezen, daar sommigen dachten dat God een stoffelijk iets is. En zelfs zij die onder die naam begrijpen wat er door betekend wordt, nl. het hoogste wezen, weten daarom nog niet, dat dit hoogste wezen in werkelijkheid bestaat, maar alleen dat het in het verstandsbegrip bestaat. Dan alleen kan tot zijn werkelijk bestaan besloten worden, wanneer aangenomen is dat het hoogste wezen werkelijk bestaat, wat juist niet toegegeven wordt door diegenen die Gods bestaan ontkennen.
Ad tertium dicendum quod veritatem esse in communi, est per se notum, sed primam veritatem esse, hoc non est per se notum quoad nos.
3. Klaarblijkelijk is het uit zichzelf, dat er waarheid is, in het algemeen gesproken, maar dat er een eerste waarheid is, dit is voor ons niet uit zichzelf klaarblijkelijk.
Utrum Deum esse sit demonstrabile
Kan men Gods bestaan bewijzen?
46Ad secundum sic proceditur. Videtur quod Deum esse non sit demonstrabile. Deum enim esse est articulus fidei. Sed ea quae sunt fidei, non sunt demonstrabilia : quia demonstratio facit scire, fides autem de non apparentibus est, ut patet per Apostolum ad Hebr. 11 [v. 1]. Ergo Deum esse non est demonstrabile.
46Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men Gods bestaan niet kan bewijzen. Het is immers een artikel des geloofs, en wat tot het geloof hoort, is onbewijsbaar, want de bewijsvoering brengt ons tot de kennis van iets; het geloof daarentegen heeft, naar het getuigenis van den Apostel in den Hebreërbrief (11, 1) de niet waarneembare dingen tot voorwerp : Gods bestaan is dus onbewijsbaar.46Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat men Gods bestaan niet kan bewijzen. Het is immers een artikel van het geloof, en wat tot het geloof hoort, is onbewijsbaar, want de bewijsvoering brengt ons tot de kennis van iets; het geloof daarentegen heeft, naar het getuigenis van de Apostel in de Hebreërbrief (11, 1) de niet waarneembare dingen tot voorwerp: Gods bestaan is dus onbewijsbaar.
2. Praeterea, medium demonstrationis est quod quid est. Sed de Deo non possumus scire quid est, sed solum quid non est, ut Damascenus dicit [De Fide orthod., 1, cap. 4]. Ergo non possumus demonstrare Deum esse.
2. De wezenheid is de middenterm in de bewijsvoering. Welnu, van God kunnen we niet weten wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is, volgens Damascenus in zijn werk Over het ware Geloof (Ie B., IVe H.). Bijgevolg is Gods bestaan onbewijsbaar.2. De wezenheid is de middenterm in de bewijsvoering. Welnu, van God kunnen we niet weten wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is, volgens Damascenus in zijn werk Over het ware Geloof (1e B., 4e H.). Bijgevolg is Gods bestaan onbewijsbaar.
3. Praeterea, si demonstraretur Deum esse, hoc non esset nisi ex effectibus ejus. Sed effectus ejus non sunt proportionati ei : cum ipse sit infinitus, et effectus finiti; finiti autem ad infinitum non est proportio. Cum ergo causa 47non possit demonstrari per effectum sibi non proportionatum, videtur quod Deum esse non possit demonstrari.
3. Indien het bestaan van God bewijsbaar is, dan is het dit alleen uit de uitwerkselen. Welnu, deze staan niet in verhouding tot Hem : is Hij niet oneindig, en zijn uitwerkselen eindig? En is 47er wel eenige evenredigheid tusschen het eindige en het oneindige? Aangezien dus die oorzaak niet kan bewezen worden dan door uitwerkselen die in het geheel geen evenredigheid hebben met hun oorzaak, blijkt het, dat Gods bestaan onbewijsbaar is.3. Indien het bestaan van God bewijsbaar is, dan is het dit alleen uit de uitwerkselen. Welnu, deze staan niet in verhouding tot Hem: is Hij niet oneindig, en zijn uitwerkselen eindig? En is 47er wel enige evenredigheid tussen het eindige en het oneindige? Aangezien dus die oorzaak niet kan bewezen worden dan door uitwerkselen die in het geheel geen evenredigheid hebben met hun oorzaak, blijkt het, dat Gods bestaan onbewijsbaar is.
Sed contra est quod Apostolus dicit, ad Rom. 1 [v. 20] : « Invisibilia Dei per ea quae facta sunt, intellecta, conspiciuntur ». Sed hoc non esset, nisi per ea quae facta sunt, posset demonstrari Deum esse : primum enim quod oportet intelligi de aliquo, est an sit.
Dit is echter strijdig met wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (1, 20) : « Gods onzichtbare eigenschappen kunnen door de schepselen gekend worden ». Welnu, dit was onmogelijk indien men Gods bestaan niet kon bewijzen uit de geschapen dingen, aangezien het eerste wat we van een wezen dienen te kennen is, of het bestaat.Dit is echter strijdig met wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (1, 20): “Gods onzichtbare eigenschappen kunnen door de schepselen gekend worden”. Welnu, dit was onmogelijk indien men Gods bestaan niet kon bewijzen uit de geschapen dingen, aangezien het eerste wat we van een wezen dienen te kennen is, of het bestaat.
Respondeo dicendum quod duplex est demonstratio. Una quae est per causam, et dicitur propter quid : et haec est per priora simpliciter. Alia est per effectum, et dicitur demonstratio quia : et haec est per ea quae sunt priora quoad nos. Cum enim effectus aliquis est nobis manifestior quam sua causa, per effectum procedimus ad cognitionem causae. Ex quolibet autem effectu demonstrari potest propriam causam ejus esse, si tamen ejus effectus sint magis noti quoad nos : quia, cum effectus dependeant a causa, posito effectu 48necesse est causam praeexsistere. Unde Deum esse, secundum quod non est per se notum quoad nos, demonstrabile est per effectus nobis notos.
Leerstelling. — Er is een tweevoudige bewijsvoering : in de eerste steunen we op de oorzaak van iets, en in die bewijsvoering geeft men, naar men gewoonlijk zegt, het innerlijk waarom van iets aan; ze gaat uit van bewijsgronden, die op zichzelf genomen, het eerst kenbaar zijn. In de tweede bewijsvoering steunen we op het uitwerksel : ze bewijst dan ook alleen dat iets is, en gaat uit van dingen die ten opzichte van ons eerder kenbaar zijn. Wanneer immers een uitwerksel ons beter bekend is dan zijn oorzaak, dan komen wij door het uitwerksel tot de kennis van de oorzaak. Daarom kan men bewijzen wat de eigen oorzaak is 48van elk uitwerksel, wel te verstaan indien dit uitwerksel ons beter bekend is dan de oorzaak. Daar immers de uitwerkselen afhangen van de oorzaak, kunnen we uit de werkelijkheid van een uitwerksel besluiten tot het vooraf bestaan van zijn oorzaak. Wij kunnen dus het bestaan van God, dat voor ons niet klaarblijkelijk is, bewijzen uit zijn ons bekende uitwerkselen.Leerstelling. — Er is een tweevoudige bewijsvoering: in de eerste steunen we op de oorzaak van iets, en in die bewijsvoering geeft men, naar men gewoonlijk zegt, het innerlijk waarom van iets aan; ze gaat uit van bewijsgronden, die op zichzelf genomen, het eerst kenbaar zijn. In de tweede bewijsvoering steunen we op het uitwerksel: ze bewijst dan ook alleen dat iets is, en gaat uit van dingen die ten opzichte van ons eerder kenbaar zijn. Wanneer immers een uitwerksel ons beter bekend is dan zijn oorzaak, dan komen wij door het uitwerksel tot de kennis van de oorzaak. Daarom kan men bewijzen wat de eigen oorzaak is 48van elk uitwerksel, wel te verstaan indien dit uitwerksel ons beter bekend is dan de oorzaak. Daar immers de uitwerkselen afhangen van de oorzaak, kunnen we uit de werkelijkheid van een uitwerksel besluiten tot het vooraf bestaan van zijn oorzaak. Wij kunnen dus het bestaan van God, dat voor ons niet klaarblijkelijk is, bewijzen uit zijn ons bekende uitwerkselen.
Ad primum ergo dicendum quod Deum esse, et alia hujusmodi quae per rationem naturalem nota possunt esse de Deo, ut dicitur Rom. 1 [v. 19], non sunt articuli fidei, sed praeambula ad articulos : sic enim fides praesupponit cognitionem naturalem, sicut gratia naturam, et ut perfectio perfectibile. Nihil tamen prohibet illud quod secundum se demonstrabile est et scibile, ab aliquo accipi ut credibile, qui demonstrationem non capit.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het bestaan van God en de andere waarheden die volgens den Brief aan de Romeinen (1, 19) onder het bereik vallen van de natuurlijke rede, zijn geen geloofsartikelen, maar gaan het geloof vooraf. Het geloof immers veronderstelt de natuurlijke kennis, zooals de genade de natuur, en de volmaaktheid hetgeen voor volmaking vatbaar is. Er is echter niets op tegen, dat hij die er niet toe in staat is de bewijsvoering te volgen, door het geloof aanneemt wat op zich genomen bewijsbaar en met natuurlijk inzicht kenbaar is.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het bestaan van God en de andere waarheden die volgens de Brief aan de Romeinen (1, 19) onder het bereik vallen van de natuurlijke rede, zijn geen geloofsartikelen, maar gaan het geloof vooraf. Het geloof immers veronderstelt de natuurlijke kennis, zoals de genade de natuur, en de volmaaktheid hetgeen voor volmaking vatbaar is. Er is echter niets op tegen, dat hij die er niet toe in staat is de bewijsvoering te volgen, door het geloof aanneemt wat op zich genomen bewijsbaar en met natuurlijk inzicht kenbaar is.
Ad secundum dicendum quod, cum demonstratur causa per effectum, necesse est uti effectu loco definitionis causae, ad probandum causam esse : et hoc maxime contingit in Deo. Quia ad probandum aliquid esse, necesse est accipere pro medio quid significet nomen, non autem quod quid est : quia 49quaestio quid est sequitur ad quaestionem an est. Nomina autem Dei imponuntur ab effectibus, ut postea ostendetur [q. 13, art. 1]; unde, demonstrando Deum esse per effectum, accipere possumus pro medio quid significet hoc nomen Deus.
2. Bewijst men de oorzaak door het uitwerksel, dan moet het uitwerksel de rol vervullen die anders door de bepaling der oorzaak vervuld wordt, wanneer men wil bewijzen dat de oorzaak bestaat, — en dat is vooral het geval bij God. Om immers te bewijzen dat iets bestaat, moet men als bewijsmiddel de beteekenis van den naam gebruiken, niet de wezenheid, die hij aanduidt : 49de vraag: Wat is het? volgt op de vraag : Is het? Welnu, de goddelijke namen worden aan God toegekend naar zijn uitwerkselen, zooals later zal aangetoond worden (XIIIe Kw., Ie Art.). Om dus door de uitwerkselen Gods bestaan te bewijzen, kunnen we als bewijsmiddel de beteekenis van Gods naam gebruiken.2. Bewijst men de oorzaak door het uitwerksel, dan moet het uitwerksel de rol vervullen die anders door de bepaling van de oorzaak vervuld wordt, wanneer men wil bewijzen dat de oorzaak bestaat, — en dat is vooral het geval bij God. Om immers te bewijzen dat iets bestaat, moet men als bewijsmiddel de betekenis van de naam gebruiken, niet de wezenheid, die hij aanduidt: 49de vraag: Wat is het? volgt op de vraag: Is het? Welnu, de goddelijke namen worden aan God toegekend naar zijn uitwerkselen, zoals later zal aangetoond worden (13e Kw., 1e Art.). Om dus door de uitwerkselen Gods bestaan te bewijzen, kunnen we als bewijsmiddel de betekenis van Gods naam gebruiken.
Ad tertium dicendum quod per effectus non proportionatos causae, non potest perfecta cognitio de causa haberi : sed tamen ex quocumque effectu manifeste potest nobis demonstrari causam esse, ut dictum est [in corp. art.]. Et sic ex effectibus Dei demonstrari potest Deum esse, licet per eos non perfecte ipsum possimus cognoscere secundum suam essentiam.
3. Waar is het, dat door uitwerkselen die niet evenredig zijn met hun oorzaak, geen volledige kennis der oorzaak mogelijk is. Toch kan men uit ieder klaarblijkelijk uitwerksel het bestaan van een oorzaak bewijzen, zooals hierboven gezegd werd. En op die wijze kunnen wij uit Gods uitwerkselen bewijzen dat Hij bestaat, hoewel we Hem hierdoor in zijn wezenheid niet volkomen kennen.3. Waar is het, dat door uitwerkselen die niet evenredig zijn met hun oorzaak, geen volledige kennis van de oorzaak mogelijk is. Toch kan men uit ieder klaarblijkelijk uitwerksel het bestaan van een oorzaak bewijzen, zoals hierboven gezegd werd. En op die wijze kunnen wij uit Gods uitwerkselen bewijzen dat Hij bestaat, hoewel we Hem hierdoor in zijn wezenheid niet volkomen kennen.
Utrum Deus sit
Bestaat God?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod Deus non sit. Quia si unum contrariorum fuerit infinitum, totaliter destruetur aliud. Sed hoc intelligitur 50in hoc nomine Deus, quod sit quoddam bonum infinitum. Si ergo Deus esset, nullum malum inveniretur. Invenitur autem malum in mundo. Ergo Deus non est.
Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet bestaat. Indien er immers twee tegenstrijdige dingen waren, en een daarvan 50was oneindig, dan zou het andere geheel ontbreken. Welnu, God is het oneindig goed; zóó toch begrijpt iedereen dien naam. Bestond God nu, dan zou er geen kwaad zijn. Maar er is kwaad in de wereld. Dus bestaat God niet.Bedenkingen. — 1. Men beweert, dat God niet bestaat. Indien er immers twee tegenstrijdige dingen waren, en een daarvan 50was oneindig, dan zou het andere geheel ontbreken. Welnu, God is het oneindig goed; zó toch begrijpt iedereen die naam. Bestond God nu, dan zou er geen kwaad zijn. Maar er is kwaad in de wereld. Dus bestaat God niet.
2. Praeterea, quod potest compleri per pauciora principia, non fit per plura. Sed videtur quod omnia quae apparent in mundo, possunt compleri per alia principia, supposito quod Deus non sit : quia ea quae sunt naturalia, reducuntur in principium quod est natura; ea vero quae sunt a proposito, reducuntur in principium quod est ratio humana vel voluntas. Nulla igitur necessitas est ponere Deum esse.
2. Kan iets door een kleiner aantal beginselen verklaard, dan is het overbodig er een grooter aantal aan te voeren. Welnu, al wat in de wereld voorkomt, kan door andere beginselen buiten God verklaard worden. De natuurdingen worden verklaard door het natuurbeginsel; die dingen waaruit toeleg blijkt, door de menschelijke rede of wil. Gods bestaan dringt zich dus niet op.2. Kan iets door een kleiner aantal beginselen verklaard, dan is het overbodig er een groter aantal aan te voeren. Welnu, al wat in de wereld voorkomt, kan door andere beginselen buiten God verklaard worden. De natuurdingen worden verklaard door het natuurbeginsel; die dingen waaruit toeleg blijkt, door de menselijke rede of wil. Gods bestaan dringt zich dus niet op.
Sed contra est quod dicitur Exod. 3 [v. 14] ex persona Dei : « Ego sum qui sum. »
Dit stemt echter niet overeen met wat God over zichzelf getuigt in het Boek Exodus (3, 14) : « Ik ben degene die is ».Dit stemt echter niet overeen met wat God over zichzelf getuigt in het Boek Exodus (3, 14): “Ik ben degene die is”.
Respondeo dicendum quod Deum esse quinque viis probari potest. Prima autem et manifestior via est, quae sumitur ex parte motus. Certum est enim, et sensu constat, aliqua moveri in hoc mundo. Omne autem quod movetur, ab alio movetur. Nihil enim movetur, nisi secundum quod est in 51potentia ad illud ad quod movetur : movet autem aliquid secundum quod est actu. Movere enim nihil aliud est quam educere aliquid de potentia in actum; de potentia autem non potest aliquid reduci in actum, nisi per aliquod ens actu : sicut calidum in actu, ut ignis, facit lignum, quod est calidum in potentia, esse actu calidum, et per hoc movet et alterat ipsum. Non autem possibile est quod idem sit simul in actu et potentia secundum idem, sed solum secundum diversa : quod enim est calidum in actu, non potest simul esse calidum in potentia, sed est simul frigidum in potentia. Impossibile est ergo quod secundum idem et eodem modo aliquid sit movens et motum, vel quod moveat seipsum. Omne ergo quod movetur, oportet ab alio moveri. Si ergo id, a quo movetur, moveatur, oportet et ipsum ab alio moveri; et illud ab alio. Hic autem non est procedere in infinitum : quia sic non esset aliquod primum movens; et per consequens nec aliquod aliud movens, quia moventia secunda non movent nisi per hoc quod sunt mota a primo movente, sicut 52baculus non movet nisi per hoc quod est motus a manu. Ergo necesse est devenire ad aliquod primum movens, quod a nullo moveatur : et hoc omnes intelligunt Deum.
Leerstelling. — Voor het bestaan van God kan men vijf bewijzen aanvoeren. Het eerste en duidelijkste is het bewijs uit de verandering of « beweging ». Het is immers zeker — we nemen het door de zinnen waar — dat er dingen in de wereld veranderen, of « bewogen » worden. Welnu, al wat bewogen 51wordt, wordt door iets anders bewogen. Niets toch wordt bewogen, dan in zoover het in aanleg is tot datgene, waartoe het bewogen wordt. Maar alleen datgene wat in akt is kan iets bewegen, daar iets bewegen niets anders is dan iets doen overgaan van aanleg tot akt. Niets echter kan gebracht worden van aanleg tot akt, tenzij door iets dat in akt is. Zoo maakt iets dat metterdaad warm is, gelijk het vuur, het hout, dat in aanleg warm is, metterdaad warm, en op die wijze beweegt het vuur het hout en brengt het er een verandering in voort. Het is echter niet mogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht tegelijk in akt en in potentie is, maar alleen in een verschillend opzicht. Wat b.v. metterdaad warm is, kan niet tegelijk in potentie warm zijn, maar is in potentie koud. Het is dus onmogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht beweegt en bewogen wordt, of dat het m.a.w. zich zelf beweegt. Alles wat bewogen wordt, moet bijgevolg door iets anders bewogen worden. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt, zelf ook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders bewogen worden, en dat ook weer door iets anders. Maar zoo kan men niet opklimmen tot in het oneindige, want dan zou er geen eerste beweger zijn, en zelfs geen enkele andere, want de ondergeschikte bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zoover 52ze door een eersten beweger zelf bewogen worden : zoo brengt een stok alleen dan iets in beweging, wanneer hij zelf door de hand bewogen wordt. We moeten dus tot een eersten beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en hierdoor verstaat iedereen God.Leerstelling. — Voor het bestaan van God kan men vijf bewijzen aanvoeren. Het eerste en duidelijkste is het bewijs uit de verandering of “beweging”. Het is immers zeker — we nemen het door de zinnen waar — dat er dingen in de wereld veranderen, of “bewogen” worden. Welnu, al wat bewogen 51wordt, wordt door iets anders bewogen. Niets toch wordt bewogen, dan in zover het in aanleg is tot datgene, waartoe het bewogen wordt. Maar alleen datgene wat in act is kan iets bewegen, daar iets bewegen niets anders is dan iets doen overgaan van aanleg tot act. Niets echter kan gebracht worden van aanleg tot act, tenzij door iets dat in act is. Zo maakt iets dat metterdaad warm is, gelijk het vuur, het hout, dat in aanleg warm is, metterdaad warm, en op die wijze beweegt het vuur het hout en brengt het er een verandering in voort. Het is echter niet mogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht tegelijk in act en in potentie is, maar alleen in een verschillend opzicht. Wat bv. metterdaad warm is, kan niet tegelijk in potentie warm zijn, maar is in potentie koud. Het is dus onmogelijk, dat iets in hetzelfde opzicht beweegt en bewogen wordt, of dat het m.a.w. zichzelf beweegt. Alles wat bewogen wordt, moet bijgevolg door iets anders bewogen worden. Maar wanneer nu datgene, waardoor iets bewogen wordt, zelf ook weer bewogen wordt, dan moet het ook door iets anders bewogen worden, en dat ook weer door iets anders. Maar zo kan men niet opklimmen tot in het oneindige, want dan zou er geen eerste beweger zijn, en zelfs geen enkele andere, want de ondergeschikte bewegers kunnen alleen iets bewegen, in zover 52ze door een eersten beweger zelf bewogen worden: zo brengt een stok alleen dan iets in beweging, wanneer hij zelf door de hand bewogen wordt. We moeten dus tot een eersten beweger komen, die door geen ander wordt bewogen, en hierdoor verstaat iedereen God.
Secunda via est ex ratione causae efficientis. Invenimus enim in istis sensibilibus esse ordinem causarum efficientium : nec tamen invenitur, nec est possibile, quod aliquid sit causa efficiens sui ipsius; quia sic esset prius seipso, quod est impossibile. Non autem est possibile quod in causis efficientibus procedatur in infinitum. Quia in omnibus causis efficientibus ordinatis, primum est causa medii, et medium est causa ultimi, sive media sint plura sive unum tantum : remota autem causa, removetur effectus : si ergo non fuerit primum in causis efficientibus, non erit ultimum nec medium. Sed si procedatur in infinitum in causis efficientibus, non erit prima causa efficiens : et sic non erit nec effectus ultimus, nec causae efficientes mediae : quod patet esse falsum. Ergo est necesse ponere aliquam causam efficientem primam : quam omnes Deum nominant.
Het tweede bewijs berust op het begrip van werkende oorzaak. Het is immers een feit, dat er in de stoffelijke wereld een aaneenschakeling is van werkende oorzaken. Men vindt echter nergens een wezen, en het is ook onmogelijk er een te vinden, dat de werkende oorzaak van zichzelf zou zijn, want dan zou het eerder dan zichzelf moeten zijn, en dit is uitgesloten. Het is echter ook niet mogelijk om in de reeks der werkende oorzaken tot in het oneindige op te klimmen, daar in een reeks van werkende oorzaken die onderling verband houden, de eerste de oorzaak is van de tusschen-oorzaken, en de tusschen-oorzaken de oorzaak zijn van de laatste, hetzij er slechts één ofwel meerdere tusschen-oorzaken zijn. Neemt men echter de oorzaak weg, dan neemt men ook het uitwerksel weg. Is er dus geen eerste werkende oorzaak, dan is er ook geen laatste en geen tusschenoorzaak. Maar wanneer men in de reeks der werkende oorzaken zoo tot in het oneindige 53voortging, dan kon er nooit een eerste werkende oorzaak zijn, en dus ook geen laatste uitwerksel, noch werkende tusschen-oorzaken, wat een duidelijke ongerijmdheid is. Wij moeten dus een eerste werkende oorzaak aannemen, die door allen God genoemd wordt.Het tweede bewijs berust op het begrip van werkende oorzaak. Het is immers een feit, dat er in de stoffelijke wereld een aaneenschakeling is van werkende oorzaken. Men vindt echter nergens een wezen, en het is ook onmogelijk er een te vinden, dat de werkende oorzaak van zichzelf zou zijn, want dan zou het eerder dan zichzelf moeten zijn, en dit is uitgesloten. Het is echter ook niet mogelijk om in de reeks van de werkende oorzaken tot in het oneindige op te klimmen, daar in een reeks van werkende oorzaken die onderling verband houden, de eerste de oorzaak is van de tussen-oorzaken, en de tussen-oorzaken de oorzaak zijn van de laatste, hetzij er slechts één ofwel meerdere tussen-oorzaken zijn. Neemt men echter de oorzaak weg, dan neemt men ook het uitwerksel weg. Is er dus geen eerste werkende oorzaak, dan is er ook geen laatste en geen tussenoorzaak. Maar wanneer men in de reeks van de werkende oorzaken zo tot in het oneindige 53voortging, dan kon er nooit een eerste werkende oorzaak zijn, en dus ook geen laatste uitwerksel, noch werkende tussen-oorzaken, wat een duidelijke ongerijmdheid is. Wij moeten dus een eerste werkende oorzaak aannemen, die door allen God genoemd wordt.
53Tertia via est sumpta ex possibili et necessario : quae talis est. Invenimus enim in rebus quaedam quae sunt possibilia esse et non esse, cum quaedam inveniantur generari et corrumpi, et per consequens possibilia esse et non esse. Impossibile est autem omnia quae sunt talia semper esse, quia quod possibile est non esse, quandoque non est. Si igitur omnia sunt possibilia non esse, aliquando nihil fuit in rebus. Sed si hoc est verum, etiam nunc nihil esset; quia quod non est, non incipit esse nisi per aliquid quod est; si igitur nihil fuit ens, impossibile fuit quod aliquid inciperet esse, et sic modo nihil esset : quod patet esse falsum. Non igitur omnia entia sunt possibilia : sed oportet aliquid esse necessarium in rebus. Omne autem necessarium vel habet causam suae necessitatis aliunde, vel non habet. Non est autem possibile quod procedatur in infinitum in necessariis quae habent causam suae necessitatis, sicut nec in causis efficientibus, ut probatum est. Ergo necesse est ponere aliquid quod est per se necessarium, non habens causam necessitatis aliunde, sed quod est causa necessitatis aliis.
Het derde bewijs wordt genomen uit het mogelijke en het noodzakelijke. Het is het volgende : Er zijn in de wereld dingen die kunnen zijn en niet-zijn. Sommige dingen immers ontstaan en vergaan, en kunnen bijgevolg zijn en niet-zijn. Welnu het is onmogelijk dat dergelijke dingen immer zouden zijn; wat immers ook niet kan zijn, is eenmaal niet. Maar wanneer alle dingen ook niet zouden kunnen zijn, bestond er eenmaal niets. Maar dan zou er ook nu niets bestaan, want wat niet is begint toch enkel te zijn door iets wat wel is. Was er dus niets, dan zou er ook niets tot het bestaan komen, en bijgevolg zou er nu ook niets zijn, wat zeker valsch is. Niet alle wezens zijn dus mogelijke wezens, maar er bestaat ook een noodzakelijk wezen. Alles nu wat noodzakelijk is, heeft ofwel buiten zich een oorzaak van zijn noodzakelijkheid, of heeft er geen. Het is echter niet mogelijk om in de reeks van de wezens die buiten zich een oorzaak hebben van hun noodzakelijkheid, op te stijgen tot in het oneindige, evenals 54dit onmogelijk is voor de werkende oorzaken, zooals we hierboven bewezen hebben. Men moet dus aannemen dat er een wezen is dat uit zich zelf noodzakelijk is, en de oorzaak van zijn noodzakelijkheid niet buiten zich zelven vindt, maar integendeel de oorzaak is van de noodzakelijkheid van andere wezens, en dit wezen noemen allen God.Het derde bewijs wordt genomen uit het mogelijke en het noodzakelijke. Het is het volgende: Er zijn in de wereld dingen die kunnen zijn en niet-zijn. Sommige dingen immers ontstaan en vergaan, en kunnen bijgevolg zijn en niet-zijn. Welnu het is onmogelijk dat dergelijke dingen immer zouden zijn; wat immers ook niet kan zijn, is eenmaal niet. Maar wanneer alle dingen ook niet zouden kunnen zijn, bestond er eenmaal niets. Maar dan zou er ook nu niets bestaan, want wat niet is begint toch enkel te zijn door iets wat wel is. Was er dus niets, dan zou er ook niets tot het bestaan komen, en bijgevolg zou er nu ook niets zijn, wat zeker vals is. Niet alle wezens zijn dus mogelijke wezens, maar er bestaat ook een noodzakelijk wezen. Alles nu wat noodzakelijk is, heeft ofwel buiten zich een oorzaak van zijn noodzakelijkheid, of heeft er geen. Het is echter niet mogelijk om in de reeks van de wezens die buiten zich een oorzaak hebben van hun noodzakelijkheid, op te stijgen tot in het oneindige, evenals 54dit onmogelijk is voor de werkende oorzaken, zoals we hierboven bewezen hebben. Men moet dus aannemen dat er een wezen is dat uit zichzelf noodzakelijk is, en de oorzaak van zijn noodzakelijkheid niet buiten zich zelven vindt, maar integendeel de oorzaak is van de noodzakelijkheid van andere wezens, en dit wezen noemen allen God.
54Quarta via sumitur ex gradibus qui in rebus inveniuntur. Invenitur enim in rebus aliquid magis et minus bonum, et verum, et nobile : et sic de aliis hujusmodi. Sed magis et minus dicuntur de diversis secundum quod appropinquant diversimode ad aliquid quod maxime est : sicut magis calidum est, quod magis appropinquat maxime calido. Est igitur aliquid quod est verissimum, et optimum, et nobilissimum, et per consequens maxime ens : nam quae sunt maxime vera, sunt maxime entia, ut dicitur 2 Metaph. [1, cap. 1]. Quod autem dicitur maxime tale in aliquo genere, est causa omnium quae sunt illius generis : sicut ignis, qui est maxime calidus, est causa omnium calidorum, ut in eodem libro dicitur (ibid.). Ergo est aliquid quod est causa esse, et bonitatis, et cujuslibet perfectionis in rebus omnibus : et hoc dicimus Deum.
In het vierde bewijs voert men als bewijsgrond aan de graden die in de dingen gevonden worden. Er zijn immers in de wereld meer of minder goede, ware en edele dingen. Welnu « meer » en « minder » zegt men van verschillende dingen met het oog op hun verschillende verhouding tot het meeste; het warmere b. v. is datgene wat dichter bij het warmste staat. Er is dus iets dat het meest ware, het beste en het edelste is, en dus het hoogste wezen, daar volgens het IIe Boek der Metaphysica (Ie B., Ie H., Nr 5) de meest ware wezens ook het hoogste zijn hebben. Wat nu in een bepaalde soort het hoogste is, is de oorzaak van al wat tot die soort hoort : zoo is b. v. het vuur, dat warmer is dan wat dan ook, de oorzaak van alle warmte, gelijk in hetzelfde Boek gezegd wordt. Er is dus iets dat voor alle wezens de oorzaak is van het zijn, van de goedheid en van welke volmaaktheid ook, en dit wezen noemen wij God.In het vierde bewijs voert men als bewijsgrond aan de graden die in de dingen gevonden worden. Er zijn immers in de wereld meer of minder goede, ware en edele dingen. Welnu “meer” en “minder” zegt men van verschillende dingen met het oog op hun verschillende verhouding tot het meeste; het warmere bv. is datgene wat dichter bij het warmste staat. Er is dus iets dat het meest ware, het beste en het edelste is, en dus het hoogste wezen, daar volgens het 2e Boek van de Metafysica (1e B., 1e H., Nr 5) de meest ware wezens ook het hoogste zijn hebben. Wat nu in een bepaalde soort het hoogste is, is de oorzaak van al wat tot die soort hoort: zo is bv. het vuur, dat warmer is dan wat dan ook, de oorzaak van alle warmte, gelijk in hetzelfde Boek gezegd wordt. Er is dus iets dat voor alle wezens de oorzaak is van het zijn, van de goedheid en van welke volmaaktheid ook, en dit wezen noemen wij God.
Quinta via sumitur ex gubernatione rerum. Videmus enim quod aliqua 55quae cognitione carent, scilicet corpora naturalia, operantur propter finem : quod apparet ex hoc quod semper aut frequentius eodem modo operantur, et consequantur id quod est optimum; unde patet quod non a casu, sed ex intentione perveniunt ad finem. Ea autem quae non habent cognitionem, non tendunt in finem nisi directa ab aliquo cognoscente et intelligente, sicut sagitta a sagittante. Ergo est aliquid intelligens, a quo omnes res naturales ordinantur ad finem : et hoc dicimus Deum.
De bewijsgrond van het vijfde bewijs is het bestuur van de 55wereld. We stellen immers vast, dat redelooze wezens, zooals de natuurlichamen, handelen om een doel te bereiken, wat hieruit blijkt, dat ze steeds of minstens gewoonlijk op dezelfde wijze te werk gaan om datgene te bereiken wat het beste is. Ze bereiken dus hun doel niet bij toeval, maar op een wijze waaruit toeleg blijkt. Dingen echter die geen kennis hebben streven alleen naar een doel in zoover ze geleid worden door een wezen met verstandelijke kennis, gelijk de pijl op het doel gericht wordt door den schutter. Er is dus een verstandelijk wezen, waardoor al de natuurdingen op hun doel gericht worden, en dit noemen wij God.De bewijsgrond van het vijfde bewijs is het bestuur van de 55wereld. We stellen immers vast, dat redeloze wezens, zoals de natuurlichamen, handelen om een doel te bereiken, wat hieruit blijkt, dat ze steeds of minstens gewoonlijk op dezelfde wijze te werk gaan om datgene te bereiken wat het beste is. Ze bereiken dus hun doel niet bij toeval, maar op een wijze waaruit toeleg blijkt. Dingen echter die geen kennis hebben streven alleen naar een doel in zover ze geleid worden door een wezen met verstandelijke kennis, gelijk de pijl op het doel gericht wordt door de schutter. Er is dus een verstandelijk wezen, waardoor al de natuurdingen op hun doel gericht worden, en dit noemen wij God.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit in Enchiridio [cap. 11] : « Deus, cum sit summe bonus, nullo modo sineret aliquid mali esse in operibus suis, nisi esset adeo omnipotens et bonus, ut bene faceret etiam de malo. » Hoc ergo ad infinitam Dei bonitatem pertinet, ut esse permittat mala, et ex eis eliciat bona.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. In zijn boek Enchiridion (XIe H.) zegt Augustinus : « Aangezien God het opperste goed is, zou Hij in zijn werk geen kwaad laten insluipen, was Hij niet dermate machtig, dat Hij het goede uit het kwaad kan trekken ». Het is dus een gevolg van Gods oneindig goed-zijn, dat Hij het kwaad toelaat om er het goede uit te trekken.Antwoord op de bedenkingen. — 1. In zijn boek Enchiridion (11e H.) zegt Augustinus: “Aangezien God het opperste goed is, zou Hij in zijn werk geen kwaad laten insluipen, was Hij niet dermate machtig, dat Hij het goede uit het kwaad kan trekken”. Het is dus een gevolg van Gods oneindig goed-zijn, dat Hij het kwaad toelaat om er het goede uit te trekken.
Ad secundum dicendum quod, cum natura propter determinatum finem operetur ex directione alicujus superioris agentis, necesse est ea quae a natura fiunt, etiam in Deum reducere, sicut in primam causam. Similiter 56etiam quae ex proposito fiunt, oportet reducere in aliquam altiorem causam, quae non sit ratio et voluntas humana : quia haec mutabilia sunt et defectibilia; oportet autem omnia mobilia, deficere possibilia, reduci in aliquod principium immobile et per se necessarium, sicut ostensum est [in corp. art.].
2. Aangezien de natuur werkt met een bepaald doel onder de leiding van een hoogere oorzaak, dienen al de natuurdingen tot God herleid als tot hun eerste oorzaak. Insgelijks dient alles 56wat met toeleg gebeurt teruggebracht tot een hoogere oorzaak dan de menschelijke rede of wil, aangezien deze veranderlijk zijn en gebrekkig. Al wat beweeglijk is en in gebreke kan blijven, dient herleid tot een eerste onbeweeglijk en uit zich zelf noodzakelijk beginsel, zooals hierboven werd uiteengezet.2. Aangezien de natuur werkt met een bepaald doel onder de leiding van een hogere oorzaak, dienen al de natuurdingen tot God herleid als tot hun eerste oorzaak. Insgelijks dient alles 56wat met toeleg gebeurt teruggebracht tot een hogere oorzaak dan de menselijke rede of wil, aangezien deze veranderlijk zijn en gebrekkig. Al wat beweeglijk is en in gebreke kan blijven, dient herleid tot een eerste onbeweeglijk en uit zichzelf noodzakelijk beginsel, zoals hierboven werd uiteengezet.