De convenientia Incarnationis, in sex articulos divisa
Over de gepastheid der MenschwordingOver de gepastheid van de Menswording
2Circa primum tria consideranda occurrunt: primo quidem de convenientia Incarnationis Christi1: secundo de modo unionis Verbi incarnati: tertio de his quae consequuntur ad hanc unionem.
2Over het eerste onderwerp zijn er drie dingen te beschouwen: en wel ten eerste de gepastheid der Menschwording; ten tweede, de wijze der vereeniging van het Menschgeworden Woord; ten derde datgene, wat uit deze vereeniging volgt.2Over het eerste onderwerp zijn er drie dingen te beschouwen: en wel ten eerste de gepastheid van de Menswording; ten tweede, de wijze van de vereniging van het Mensgeworden Woord; ten derde datgene, wat uit deze vereniging volgt.
Circa primum quaeruntur sex: 1. Utrum conveniens fuerit Deum incarnari. — 2. Utrum fuerit necessarium ad reparationem generis humani2. — 3. Utrum si non fuisset peccatum3, Deus incarnatus fuisset. — 4. Utrum principalius sit incarnatus ad tollendum originale peccatum, quam actuale. — 5. Utrum conveniens fuerit Deum incarnari a principio mundi. — 6. Utrum ejus incarnatio differri debuerit usque in finem mundi.
Over het eerste punt worden zes vragen gesteld: 1. Was het gepast, dat God mensch werd? 2. Was dit noodzakelijk voor het herstel van het menschelijk geslacht? 3. Zou God mensch geworden zijn, indien er geen zonde was geweest? 4. Werd Hij meer bijzonder mensch om de erfzonde weg te nemen dan om de persoonlijke zonde? 5. Was het passend, dat God mensch werd bij het begin der wereld? 6. Moest Zijn Menschwording uitgesteld worden tot aan het einde der wereld?Over het eerste punt worden zes vragen gesteld: 1. Was het gepast, dat God mens werd? 2. Was dit noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht? 3. Zou God mens geworden zijn, indien er geen zonde was geweest? 4. Werd Hij meer bijzonder mens om de erfzonde weg te nemen dan om de persoonlijke zonde? 5. Was het passend, dat God mens werd bij het begin van de wereld? 6. Moest Zijn Menswording uitgesteld worden tot aan het einde van de wereld?
Utrum conveniens fuerit Deum incarnari
Was het gepast, dat God mensch werd?Was het gepast, dat God mens werd?
3Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit conveniens Deum incarnari: cum enim Deus ab aeterno sit ipsa essentia bonitatis, sic optimum est ipsum esse, sicut ab aeterno fuit: sed Deus ab aeterno fuit absque omni carne; ergo convenientissimum est, ipsum non esse carni unitum; non ergo fuit conveniens Deum incarnari.
3Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet gepast was, dat God mensch werd. — 1. Daar God immers van alle eeuwigheid het wezen zelf der goedheid is, is het allerbest, dat Hij is, zooals Hij van eeuwigheid was. Maar van eeuwigheid was Hij zonder eenig menschelijk element. Daarom is het meest gepast, dat Hij niet met het vleesch werd vereenigd. Dus was het niet gepast, dat God mensch werd.3Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet gepast was, dat God mens werd. — 1. Daar God immers van alle eeuwigheid het wezen zelf van de goedheid is, is het allerbest, dat Hij is, zoals Hij van eeuwigheid was. Maar van eeuwigheid was Hij zonder enig menselijk element. Daarom is het meest gepast, dat Hij niet met het vlees werd verenigd. Dus was het niet gepast, dat God mens werd.
2. Praeterea, quae sunt in infinitum distantia, inconvenienter junguntur, sicut inconveniens junctura esset, si quis pingeret imaginem, in qua humano capiti cervix jungeretur equina: sed Deus, et caro in infinitum 4distant; cum Deus sit simplicissimus, caro autem maxime1 composita, et praecipue humana; ergo inconveniens fuit, quod Deus carni uniretur humanae.
2. De vereeniging van dingen, die oneindig van elkander afstaan, is ongepast, zooals het een ongepaste samenvoeging zou geven, indien iemand een beeld schilderde, waarop aan een menschenhoofd een paardennek vast zat. Welnu, God en het vleesch staan oneindig ver van elkander af, omdat God zoo enkelvoudig 4mogelijk is, en het vleesch daarentegen samengesteld, vooral het menschelijke. Daarom is het ongepast, dat God met het menschelijk vleesch vereenigd werd.2. De vereniging van dingen, die oneindig van elkander afstaan, is ongepast, zoals het een ongepaste samenvoeging zou geven, indien iemand een beeld schilderde, waarop aan een mensenhoofd een paardennek vast zat. Welnu, God en het vlees staan oneindig ver van elkander af, omdat God zo enkelvoudig 4mogelijk is, en het vlees daarentegen samengesteld, vooral het menselijke. Daarom is het ongepast, dat God met het menselijk vlees verenigd werd.
3. Praeterea, sic distat corpus a summo spiritu, sicut malitia a summa bonitate: sed omnino inconveniens esset, quod Deus, qui est summa bonitas, malitiam assumeret; ergo non fuit2 conveniens, quod summus spiritus increatus corpus assumeret.
3. Het vleesch staat zoover van den hoogsten geest af, als het kwaad van de opperste goedheid. Welnu, het zou in alle opzichten ongepast zijn, als God, die de opperste goedheid is, zich met het kwaad vereenigd had. Daarom was het niet gepast, dat de hoogste ongeschapen geest een lichaam aannam.3. Het vlees staat zover van de hoogste geest af, als het kwaad van de opperste goedheid. Welnu, het zou in alle opzichten ongepast zijn, als God, die de opperste goedheid is, zich met het kwaad verenigd had. Daarom was het niet gepast, dat de hoogste ongeschapen geest een lichaam aannam.
4. Praeterea, inconveniens est, ut qui excedit magna, contineatur in minimo, et cui imminet cura magnorum, ad parva se transferat: sed Deum, qui totius mundi curam gerit, tota rerum3 universitas capere non sufficit; ergo videtur inconveniens, quod « intra corpusculum vagientis infantiae lateat, cui parum putatur universitas; et tamdiu a sedibus suis absit ille regnator, atque ad unum corpusculum totius mundi cura transferatur », ut Volusianus scribit ad August. [epist. 2. nunc 135. inter op. August.].
4. Het is ongepast, dat wie het groote te boven gaat, in het kleinste wordt bevat; en dat wie voor het groote zorgen moet, zich wendt tot kleine zaken. Welnu, het heelal kan God, die de zorg draagt voor de geheele wereld, niet omvatten. Daarom schijnt het ongepast, dat « Hij in het lichaampje van een schreiend kind verborgen gaat, die het heelal gering acht; en dat de Heerscher zoo lang van zijn troon afwezig is, en de zorg voor de geheele wereld op een lichaampje wordt overgebracht », zooals Volusianus aan Augustinus schrijft. (Brief 135, tweede alinea, onder de brieven van Augustinus.)4. Het is ongepast, dat wie het grote te boven gaat, in het kleinste wordt bevat; en dat wie voor het grote zorgen moet, zich wendt tot kleine zaken. Welnu, het heelal kan God, die de zorg draagt voor de gehele wereld, niet omvatten. Daarom schijnt het ongepast, dat “Hij in het lichaampje van een schreiend kind verborgen gaat, die het heelal gering acht; en dat de Heerser zo lang van zijn troon afwezig is, en de zorg voor de gehele wereld op een lichaampje wordt overgebracht”, zoals Volusianus aan Augustinus schrijft. (Brief 135, tweede alinea, onder de brieven van Augustinus.)
Sed contra, illud videtur esse convenientissimum, ut per visibilia 5monstrentur invisibilia Dei: ad hoc enim totus mundus est factus, ut patet per illud Apost. Rom. 1. [v. 20]: « Invisibilia Dei per ea, quae facta sunt, intellecta conspiciuntur »: sed, sicut Damascenus dicit in princ. 3. lib. [de Orth. Fid. cap. 1.]: Per incarnationis mysterium « monstratur simul bonitas, et sapientia, et justitia, et potentia Dei », vel virtus: « bonitas quidem, quoniam non despexit proprii plasmatis infirmitatem: justitia vero, quoniam homine victo, non alio quam homine fecit vinci tyrannum, neque vi eripuit ex morte hominem: sapientia vero, quoniam invenit difficillimi pretii decentissimam solutionem: potentia vero », sive virtus « infinita, quia nihil est majus, quam Deum fieri hominem »; ergo conveniens fuit Deum incarnari.
Daartegenover echter staat, dat dit toch wel allergepast schijnt, 5dat door zichtbare dingen de onzichtbare eigenschappen van God getoond worden; want daartoe is de geheele wereld gemaakt, zooals blijkt uit het woord van den Apostel (Brief aan de Romeinen, 1, 20): « De onzichtbare eigenschappen Gods, door de gemaakte dingen begrepen, worden gezien ». Welnu, zooals Damascenus bij het begin van het derde boek zegt, door het geheim van de Menschwording « worden tegelijker tijd Gods goedheid en wijsheid en rechtvaardigheid en macht of vermogen getoond; Zijn goedheid namelijk, omdat Hij de zwakheid van Zijn eigen maaksel niet veracht heeft; dan Zijn rechtvaardigheid, omdat Hij geen ander den tyran doet overwinnen en den mensch niet met geweld aan den dood ontrukt; dan Zijn wijsheid, omdat Hij de meest geschikte oplossing vond voor iets heel moeilijks; dan Zijn oneindige macht, of vermogen, omdat er niets grooters is, dan dat God mensch wordt ». Daarom was het gepast, dat God mensch werd.Daartegenover echter staat, dat dit toch wel allergepast schijnt, 5dat door zichtbare dingen de onzichtbare eigenschappen van God getoond worden; want daartoe is de gehele wereld gemaakt, zoals blijkt uit het woord van de Apostel (Brief aan de Romeinen, 1, 20): “De onzichtbare eigenschappen Gods, door de gemaakte dingen begrepen, worden gezien”. Welnu, zoals Damascenus bij het begin van het derde boek zegt, door het geheim van de Menswording “worden tegelijker tijd Gods goedheid en wijsheid en rechtvaardigheid en macht of vermogen getoond; Zijn goedheid namelijk, omdat Hij de zwakheid van Zijn eigen maaksel niet veracht heeft; dan Zijn rechtvaardigheid, omdat Hij geen ander de tiran doet overwinnen en de mens niet met geweld aan de dood ontrukt; dan Zijn wijsheid, omdat Hij de meest geschikte oplossing vond voor iets heel moeilijks; dan Zijn oneindige macht, of vermogen, omdat er niets groters is, dan dat God mens wordt”. Daarom was het gepast, dat God mens werd.
Respondeo dicendum, quod unicuique rei conveniens est illud, quod competit sibi secundum rationem propriae naturae: sicut homini conveniens est ratiocinari; quia hoc convenit sibi, inquantum est rationalis secundum naturam suam: ipsa autem natura Dei est essentia bonitatis, ut patet per 6Dionysium 1. cap. de Div. Nom. [lect. 2. et 3.]; unde quidquid pertinet ad rationem boni, conveniens est Deo.
Leerstelling. — Voor ieder ding is dàt gepast, wat er aan toekomt volgens de zijnswijze van zijn eigen natuur, zooals het den mensch past te redeneeren, omdat hem dat toekomt in zoover hij, naar zijn natuur, verstandelijk is. Nu is goedheid de natuur zelf van God, zooals blijkt uit Dionysius in het 1e hoofdstuk 6uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarom komt alles, wat tot het begrip van het goede behoort, op gepaste wijze aan God toe.Leerstelling. — Voor ieder ding is dàt gepast, wat er aan toekomt volgens de zijnswijze van zijn eigen natuur, zoals het de mens past te redeneren, omdat hem dat toekomt in zover hij, naar zijn natuur, verstandelijk is. Nu is goedheid de natuur zelf van God, zoals blijkt uit Dionysius in het 1e hoofdstuk 6uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarom komt alles, wat tot het begrip van het goede behoort, op gepaste wijze aan God toe.
Pertinet autem ad rationem boni, ut se aliis communicet, ut patet per Dionysium 4. cap. de Div. Nom. [lect. 1.]; unde ad rationem summi boni pertinet, quod summo modo se creaturae communicet. Quod quidem maxime fit per hoc, quod « naturam creatam sic sibi conjungit, ut una persona fiat ex tribus, Verbo, anima, et carne », sicut dicit Augustinus 13. de Trin. [cap. 17.]; unde manifestum est, quod conveniens fuit Deum incarnari.
Een der eigenschappen van het goede nu, is dat het zich aan anderen mededeelt, zooals blijkt uit Dionysius, in het 4e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarvandaan behoort het tot de eigenschappen van het hoogste goed, dat het zich op de hoogste wijze aan het schepsel mededeelt. Dit nu geschiedt vooral hierdoor, dat het « een geschapen natuur zóó met zich vereenigt, dat er een persoon ontstaat uit drie dingen, het Woord, de ziel en het vleesch », zooals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid. Daarom is het duidelijk, dat Gods Menschwording allergepast was.Een van de eigenschappen van het goede nu, is dat het zich aan anderen mededeelt, zoals blijkt uit Dionysius, in het 4e hoofdstuk uit het boek Over de goddelijke Namen. Daarvandaan behoort het tot de eigenschappen van het hoogste goed, dat het zich op de hoogste wijze aan het schepsel mededeelt. Dit nu geschiedt vooral hierdoor, dat het “een geschapen natuur zó met zich verenigt, dat er een persoon ontstaat uit drie dingen, het Woord, de ziel en het vlees”, zoals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid. Daarom is het duidelijk, dat Gods Menswording allergepast was.
Ad primum ergo dicendum, quod incarnationis mysterium non est impletum per hoc, quod Deus sit aliquo modo a suo statu immutatus, in quo ab aeterno4 fuit; sed per hoc, quod novo modo se creaturae univit, vel potius eam sibi. Est autem conveniens, ut creatura, quae secundum rationem sui mutabilis est, non semper eodem modo se habeat; et ideo sicut 7creatura incepit esse, cum prius non esset; ita convenienter cum prius non esset unita Deo in persona, postmodum ei fuit unita5.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geheim der Menschwording is niet hierdoor voltrokken, dat God op een of andere wijze van zijn toestand veranderd is, waarin Hij van eeuwigheid niet geweest is; maar hierdoor, dat Hij zich op een nieuwe wijze met het schepsel, of liever het schepsel met Zich, vereenigd heeft. Nu is het passend dat het schepsel, dat naar zijn aard veranderlijk is, zich niet altijd op dezelfde manier voordoet. En daarom, zooals het schepsel tot bestaan gebracht is, hoewel 7het eerst niet was, zoo is het heel gepast, al was het éérst niet met God vereenigd, later met Hem vereenigd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het geheim van de Menswording is niet hierdoor voltrokken, dat God op een of andere wijze van zijn toestand veranderd is, waarin Hij van eeuwigheid niet geweest is; maar hierdoor, dat Hij zich op een nieuwe wijze met het schepsel, of liever het schepsel met Zich, verenigd heeft. Nu is het passend dat het schepsel, dat naar zijn aard veranderlijk is, zich niet altijd op dezelfde manier voordoet. En daarom, zoals het schepsel tot bestaan gebracht is, hoewel 7het eerst niet was, zo is het heel gepast, al was het éérst niet met God verenigd, later met Hem verenigd.
Ad secundum dicendum, quod uniri Deo in unitate personae, non fuit conveniens carni humanae secundum conditionem suae naturae; quia hoc erat supra dignitatem ipsius: conveniens tamen fuit Deo secundum infinitam excellentiam bonitatis ejus, ut sibi eam uniret pro salute humana.
2. Met God in eenheid van persoon vereenigd te worden paste niet aan het menschelijk vleesch, naar den aard van zijn natuur, want dat was boven zijn waardigheid. Het paste echter aan God, volgens de oneindige uitgestrektheid van Zijn goedheid, dat Hij het met Zich vereenigde om wille van het heil der menschen.2. Met God in eenheid van persoon verenigd te worden paste niet aan het menselijk vlees, naar de aard van zijn natuur, want dat was boven zijn waardigheid. Het paste echter aan God, volgens de oneindige uitgestrektheid van Zijn goedheid, dat Hij het met Zich verenigde om wille van het heil van de mensen.
Ad tertium dicendum, quod quaelibet alia conditio, secundum quam creatura quaecumque differt a Creatore, a Dei sapientia est instituta, et ad Dei bonitatem ordinata: Deus enim propter suam bonitatem, cum sit increatus, immobilis, et6 incorporeus, produxit creaturas mobiles, et corporeas; et similiter malum poenae a Dei justitia est introductum propter gloriam Dei: malum vero culpae committitur per recessum ab arte divinae sapientiae, et ab ordine divinae bonitatis; et ideo Deo7 conveniens esse potuit assumere naturam creatam, mutabilem, corpoream, et poenalitati subjectam: non autem fuit ei conveniens assumere malum culpae.
3. Iedere andere toestand, waarin elk schepsel van den Schepper verschilt, is door Gods wijsheid te weeg gebracht, en tot Gods goedheid geordend; om wille van Zijn goedheid immers heeft God, die ongeschapen, onveranderlijk en lichaamloos is, veranderlijke en lichamelijke schepsels voortgebracht; en evenzoo is het kwaad van de straf door Gods rechtvaardigheid ingevoerd om Gods eer. Maar het kwaad van de schuld wordt bedreven door af te wijken van Gods wijze manier van doen en van de orde der goddelijke goedheid. En daarom kon Hij passend een geschapen, veranderlijke, lichamelijke en aan straffen onderworpen natuur aannemen; maar het paste Hem niet het kwaad der schuld aan te nemen.3. Iedere andere toestand, waarin elk schepsel van de Schepper verschilt, is door Gods wijsheid te weeg gebracht, en tot Gods goedheid geordend; om wille van Zijn goedheid immers heeft God, die ongeschapen, onveranderlijk en lichaamloos is, veranderlijke en lichamelijke schepsels voortgebracht; en evenzo is het kwaad van de straf door Gods rechtvaardigheid ingevoerd om Gods eer. Maar het kwaad van de schuld wordt bedreven door af te wijken van Gods wijze manier van doen en van de orde van de goddelijke goedheid. En daarom kon Hij passend een geschapen, veranderlijke, lichamelijke en aan straffen onderworpen natuur aannemen; maar het paste Hem niet het kwaad van de schuld aan te nemen.
8Ad quartum dicendum, quod, sicut Augustinus respondet in epist. [3. nunc 137] ad Volusianum, « non habet hoc christiana doctrina, quod ita sit Deus infusus carni humanae, ut curam gubernandae universitatis vel deseruerit, vel amiserit, vel ad illud corpusculum quasi contractam transtulerit: hominum est iste sensus, nihil nisi corporea8 valentium cogitare...: Deus autem non mole, sed virtute magnus est: unde magnitudo virtutis ejus nullas in angusto sentit angustias: non9 est incredibile, si10 verbum hominis transiens simul auditur a multis, et a singulis totum, quod Verbum Dei permanens simul ubique sit totum »; unde nullum inconveniens sequitur Deo incarnato.
84. Zooals Augustinus antwoordt in den Brief aan Volusianus (brief 137), « houdt de christelijke leer niet dit in, dat God zóó in het menschelijk vleesch is nedergedaald, dat Hij de zorg over het bestuur van het heelal in den steek gelaten of verloren heeft, of, haar als het ware samentrekkend, op dit lichaampje heeft overgebracht; dat is een opvatting van menschen, die aan niets dan aan een lichaam kunnen denken. God echter is niet groot in massa, maar in kracht; daarom ondervindt de grootheid van zijn kracht geen benauwdheid in een nauwe ruimte. Daarom is het niet ongelooflijk dat, zooals het door een mensch uitgesproken woord tegelijk door velen wordt gehoord en door iedereen volledig, zoo ook het blijvende Woord Gods overal tegelijk volledig aanwezig is ». Zoo volgt er niets ongepasts uit Gods Menschwording.84. Zoals Augustinus antwoordt in de Brief aan Volusianus (brief 137), “houdt de christelijke leer niet dit in, dat God zó in het menselijk vlees is nedergedaald, dat Hij de zorg over het bestuur van het heelal in de steek gelaten of verloren heeft, of, haar als het ware samentrekkend, op dit lichaampje heeft overgebracht; dat is een opvatting van mensen, die aan niets dan aan een lichaam kunnen denken. God echter is niet groot in massa, maar in kracht; daarom ondervindt de grootheid van zijn kracht geen benauwdheid in een nauwe ruimte. Daarom is het niet ongelooflijk dat, zoals het door een mens uitgesproken woord tegelijk door velen wordt gehoord en door iedereen volledig, zo ook het blijvende Woord Gods overal tegelijk volledig aanwezig is”. Zo volgt er niets ongepasts uit Gods Menswording.
Utrum necessarium fuerit ad reparationem generis humani Verbum Dei incarnari
Was het noodig voor het herstel van het menschelijk geslacht dat Gods Woord mensch werd?Was het nodig voor het herstel van het menselijk geslacht dat Gods Woord mens werd?
9Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit necessarium ad reparationem humani generis Verbum Dei incarnari. Verbum enim Dei, cum sit Deus perfectus, ut in 1. habitum est [q. 27. a. 2. ad 2.; cfr. q. 4. a. 1. et 2.], nihil virtutis per carnem assumptam accrevit; si ergo Verbum Dei incarnatum humanam1 naturam reparavit, etiam absque carnis assumptione eam potuit reparare.
9Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor het herstel van het menschelijk geslacht, dat Gods Woord mensch werd. — 1. Want omdat Gods Woord, zooals in het eerste deel uiteengezet is, de volmaakte God is, heeft Het geen kracht verkregen door het aannemen van het vleesch. Als dus het menschgeworden Woord de natuur hersteld heeft, kon Het haar ook herstellen zonder het vleesch aan te nemen.9Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodzakelijk was voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd. — 1. Want omdat Gods Woord, zoals in het eerste deel uiteengezet is, de volmaakte God is, heeft Het geen kracht verkregen door het aannemen van het vlees. Als dus het mensgeworden Woord de natuur hersteld heeft, kon Het haar ook herstellen zonder het vlees aan te nemen.
2. Praeterea, ad reparationem humanae naturae, quae per peccatum collapsa erat, nihil aliud requiri videbatur, quam quod homo satisfaceret pro peccato: sed homo, ut videtur, satisfacere potuit pro peccato2, non enim Deus ab homine plus requirere debet, quam possit; et cum pronior 10sit ad miserendum, quam ad puniendum, sicut homini imputat ad poenam actum peccati, ita imputare debet ad meritum actum contrarium3; non ergo fuit necessarium ad reparationem humanae naturae Verbum Dei incarnari.
2. Tot het herstel van de menschelijke natuur, die door de zonde ineengestort was, scheen niets anders vereischt te worden, dan dat de mensch voldoening gaf voor de zonde. Want God moet van den mensch niet meer eischen dan hij kan; en omdat Hij meer geneigd is om medelijden te hebben dan om te straffen, 10schijnt het dat Hij, zooals Hij den mensch de zondedaad heeft toegerekend, Hem zoo ook de tegenovergestelde daad moet aanrekenen tot vernietiging der zonde. Daarom was het niet noodzakelijk voor het herstel van het menschelijk geslacht, dat Gods Woord mensch werd.2. Tot het herstel van de menselijke natuur, die door de zonde ineengestort was, scheen niets anders vereist te worden, dan dat de mens voldoening gaf voor de zonde. Want God moet van de mens niet meer eisen dan hij kan; en omdat Hij meer geneigd is om medelijden te hebben dan om te straffen, 10schijnt het dat Hij, zoals Hij de mens de zondedaad heeft toegerekend, Hem zo ook de tegenovergestelde daad moet aanrekenen tot vernietiging van de zonde. Daarom was het niet noodzakelijk voor het herstel van het menselijk geslacht, dat Gods Woord mens werd.
3. Praeterea, ad salutem hominis praecipue pertinet, ut Deum revereatur; unde dicitur Malach. 1. [v. 6]: « Si ego Pater, ubi honor meus? si Dominus, ubi timor meus? » Sed ex hoc ipso homines Deum magis reverentur, quod eum considerant super omnia elevatum, et ab hominum sensibus remotum; unde in Ps. 112. [v. 4] dicitur: « Excelsus super omnes gentes Dominus, et super coelos gloria ejus »; et postea subditur: « Quis sicut Dominus Deus noster? » quod ad reverentiam pertinet; ergo videtur non convenire humanae saluti, quod Deus nobis similis fieret per carnis assumptionem.
3. Tot het heil van den mensch behoort allereerst, dat hij God eerbiedigt; vandaar, dat bij Malachias (1, 6) gezegd wordt: « Als ik de Heer ben, waar is de vrees voor mij? Als ik Vader ben, waar is mijn eer? » Maar hierom juist vereeren de menschen God meer, dat zij Hem beschouwen als boven alles verheven, en ver van de menschelijke waarneming verwijderd; vandaar dat in de Psalm (112, 4) gezegd wordt: « Verheven boven alle volkeren is de Heer en boven de hemelen is Zijn glorie », en verderop volgt: « Wie is zooals de Heer, onze God? », wat een uiting van eerbied is. Daarom schijnt het aan het menschelijk heil niet aangepast te zijn, dat God aan ons gelijk werd door het vleesch aan te nemen.3. Tot het heil van de mens behoort allereerst, dat hij God eerbiedigt; vandaar, dat bij Maleachi (1, 6) gezegd wordt: “Als ik de Heer ben, waar is de vrees voor mij? Als ik Vader ben, waar is mijn eer?” Maar hierom juist vereren de mensen God meer, dat zij Hem beschouwen als boven alles verheven, en ver van de menselijke waarneming verwijderd; vandaar dat in de Psalm (112, 4)a gezegd wordt: “Verheven boven alle volkeren is de Heer en boven de hemelen is Zijn glorie”, en verderop volgt: “Wie is zoals de Heer, onze God?”, wat een uiting van eerbied is. Daarom schijnt het aan het menselijk heil niet aangepast te zijn, dat God aan ons gelijk werd door het vlees aan te nemen.
Sed contra, illud, per quod humanum genus liberatur a perditione, 11est necessarium ad humanam salutem: sed mysterium divinae incarnationis est hujusmodi; secundum illud Joan. 3. [v. 16]: « Sic Deus dilexit mundum, ut Filium suum unigenitum daret, ut omnis qui credit in ipsum, non pereat, sed habeat vitam aeternam »; ergo necessarium fuit ad humanam salutem, Deum incarnari.
Maar daartegenover staat, dat hetgeen waardoor het menschengeslacht van het verderf bevrijd wordt, noodzakelijk is voor het 11heil van de menschen. Welnu, het geheim van de goddelijke Menschwording behoort daartoe, volgens dat woord van Johannes (3, 16): « Zoozeer heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat al wie in Hem gelooft, niet zou omkomen, maar eeuwig leven hebben ». Dus was het noodig voor het heil der menschen, dat God mensch werd.Maar daartegenover staat, dat hetgeen waardoor het mensengeslacht van het verderf bevrijd wordt, noodzakelijk is voor het 11heil van de mensen. Welnu, het geheim van de goddelijke Menswording behoort daartoe, volgens dat woord van Johannes (3, 16): “Zozeer heeft God de wereld bemind, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat al wie in Hem gelooft, niet zou omkomen, maar eeuwig leven hebben”. Dus was het nodig voor het heil van de mensen, dat God mens werd.
Respondeo dicendum, quod ad finem aliquem dicitur aliquid esse necessarium dupliciter: uno modo, sine quo aliquid esse non potest, sicut cibus est necessarius ad conservationem humanae vitae: alio modo, per quod melius, et convenientius pervenitur ad finem: sicut equus necessarius est ad iter. Primo modo Deum incarnari non fuit necessarium ad reparationem humanae naturae: Deus enim per suam omnipotentem virtutem poterat humanam naturam multis aliis modis reparare: secundo autem modo necessarium fuit, Deum incarnari ad humanae naturae reparationem; unde August. dicit lib. 13 de Trinit. [cap. 10.]: « Verum etiam ostendamus, non alium modum possibilem Deo defuisse, cujus potestati omnia aequaliter 12subjacent, sed sanandae miseriae nostrae convenientiorem alium modum non fuisse ».
Leerstelling. — Op een dubbele wijze, zegt men, is iets noodig voor een doel: ofwel, als datgene, zonder hetwelk iets niet kan zijn, zooals eten noodig is voor het behoud van het menschelijk leven; ofwel, als datgene waardoor men beter en geschikter tot het doel komt, zooals een paard noodig is voor een reis. Volgens de eerste wijze van het spreken was het niet noodzakelijk voor het herstel van de menschelijke natuur, dat God mensch werd; God immers kon door Zijn oneindige macht de menschelijke natuur op vele andere wijzen herstellen. Maar volgens de tweede manier van spreken was Gods Menschwording noodzakelijk voor het herstel van de menschelijke natuur. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: « Wij willen aantoonen, dat het God, aan wiens macht alles evenzeer onderworpen 12is, niet aan een andere mogelijke wijze ontbroken heeft, maar dat er voor het heelen van onze ellende geen andere, meer geschikte manier was ».Leerstelling. — Op een dubbele wijze, zegt men, is iets nodig voor een doel: ofwel, als datgene, zonder hetwelk iets niet kan zijn, zoals eten nodig is voor het behoud van het menselijk leven; ofwel, als datgene waardoor men beter en geschikter tot het doel komt, zoals een paard nodig is voor een reis. Volgens de eerste wijze van het spreken was het niet noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur, dat God mens werd; God immers kon door Zijn oneindige macht de menselijke natuur op vele andere wijzen herstellen. Maar volgens de tweede manier van spreken was Gods Menswording noodzakelijk voor het herstel van de menselijke natuur. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: “Wij willen aantonen, dat het God, aan wiens macht alles evenzeer onderworpen 12is, niet aan een andere mogelijke wijze ontbroken heeft, maar dat er voor het helen van onze ellende geen andere, meer geschikte manier was”.
Et hoc quidem considerari potest quantum ad promotionem hominis in bonum: primo quidem quantum ad fidem, quae magis certificatur ex hoc, quod ipsi Deo loquenti credit; unde August. dicit 11. de Civ. Dei [cap. 2.]: « Ut homo fidentius ambularet ad veritatem, ipsa veritas Dei Filius, homine assumpto constituit, atque fundavit fidem »: secundo quantum ad spem, quae per hoc maxime erigitur: unde August. dicit lib. 13. de Trinit. [loc. cit.]: « Nihil tam necessarium fuit ad erigendam spem nostram, quam ut demonstraretur nobis, quantum diligeret nos Deus. Quid vero hujus rei isto indicio manifestius, quam quod Dei Filius naturae nostrae dignatus est inire consortium »: tertio quantum ad charitatem, quae maxime per hoc excitatur; unde August. dicit in lib. de Catechizandis Rudibus [cap. 4.]: « Quae major est causa adventus Domini, nisi ut ostenderet Deus dilectionem suam in nobis? »; et postea subdit: « Si amare pigebat, 13saltem redamare non pigeat »: quarto quantum ad rectam operationem, in qua nobis exemplum se praebuit, unde August. dicit in quodam sermone de Nativ. Dom. [22. de Temp.]: « Homo sequendus non erat, qui videri poterat: Deus sequendus erat, qui videri non poterat; ut ergo exhiberetur homini, et qui videretur ab homine, et quem homo sequeretur, Deus factus est homo »: quinto4 ad plenam participationem divinitatis, quae vere est hominis beatitudo, et finis humanae vitae; et hoc collatum est nobis per Christi humanitatem; dicit enim Augustinus in quodam sermone de Nativit. Dom. [13. de Temp.]: « Factus est Deus homo, ut homo fieret Deus ».
Dit nu kan beschouwd worden met betrekking tot het vooruit helpen van den mensch in het goede. Op de eerste plaats met betrekking tot het geloof, dat een grootere zekerheid krijgt uit het feit, dat het gelooft in God, die zelf spreekt. Vandaar dat Augustinus zegt in het 11e boek Over de Stad Gods: « Opdat de mensch met meer vertrouwen den weg naar de waarheid zou bewandelen, heeft de Waarheid zelf, Gods Zoon, na het aannemen van de menschelijke natuur het geloof bevestigd en gegrondvest ». Op de tweede plaats, wat betreft de hoop, die hierdoor zoo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: « Niets was zóó noodig om onze hoop op te voeren, dat dat ons getoond werd, hoezeer God ons beminde. Maar welk kenteeken hiervan is duidelijker, dan dat Gods Zoon zich gewaardigd heeft onze deelgenoot te worden in de menschelijke natuur? » Ten derde met betrekking tot de liefde, die hierdoor zoo sterk mogelijk ontvlamd wordt. Daarom zegt Augustinus in het boek Over het Geloofsonderricht voor niet-ontwikkelden: « Wat is er meer oorzaak van de komst des Heeren, dan dat God zijn liefde voor ons wil toonen? » En verder voegt hij er aan toe: « Als het ons te veel is te beminnen, laat het ten 13minste niet te veel zijn liefde te beantwoorden ». Ten vierde wat betreft het goed handelen, waarin Hij zich ons tot voorbeeld heeft gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt in een preek Over de Geboorte des Heeren: « De mensch, die men zien kon, moest men niet navolgen; God, die niet gezien kon worden, moest men navolgen. Opdat dus iemand aan de menschen zou getoond worden, die èn door den mensch gezien, èn nagevolgd moest worden, is God mensch geworden ». Ten vijfde met betrekking tot het volledig deelhebben aan de godheid, waarin waarlijk het geluk van den mensch en het doel van het menschelijk leven ligt. En dit is ons gebracht door de menschheid van Christus, want Augustinus zegt in een preek Over de geboorte des Heeren: « God is mensch geworden, opdat de mensch God worden zou ».Dit nu kan beschouwd worden met betrekking tot het vooruit helpen van de mens in het goede. Op de eerste plaats met betrekking tot het geloof, dat een grotere zekerheid krijgt uit het feit, dat het gelooft in God, die zelf spreekt. Vandaar dat Augustinus zegt in het 11e boek Over de Stad Gods: “Opdat de mens met meer vertrouwen de weg naar de waarheid zou bewandelen, heeft de Waarheid zelf, Gods Zoon, na het aannemen van de menselijke natuur het geloof bevestigd en gegrondvest”. Op de tweede plaats, wat betreft de hoop, die hierdoor zo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: “Niets was zó nodig om onze hoop op te voeren, dat dat ons getoond werd, hoezeer God ons beminde. Maar welk kenteken hiervan is duidelijker, dan dat Gods Zoon zich gewaardigd heeft onze deelgenoot te worden in de menselijke natuur?” Ten derde met betrekking tot de liefde, die hierdoor zo sterk mogelijk ontvlamd wordt. Daarom zegt Augustinus in het boek Over het Geloofsonderricht voor niet-ontwikkelden: “Wat is er meer oorzaak van de komst van de Heer, dan dat God zijn liefde voor ons wil tonen?” En verder voegt hij er aan toe: “Als het ons te veel is te beminnen, laat het ten 13minste niet te veel zijn liefde te beantwoorden”. Ten vierde wat betreft het goed handelen, waarin Hij zich ons tot voorbeeld heeft gegeven. Vandaar dat Augustinus zegt in een preek Over de Geboorte van de Heer: “De mens, die men zien kon, moest men niet navolgen; God, die niet gezien kon worden, moest men navolgen. Opdat dus iemand aan de mensen zou getoond worden, die èn door de mens gezien, èn nagevolgd moest worden, is God mens geworden”. Ten vijfde met betrekking tot het volledig deelhebben aan de godheid, waarin waarlijk het geluk van de mens en het doel van het menselijk leven ligt. En dit is ons gebracht door de mensheid van Christus, want Augustinus zegt in een preek Over de geboorte van de Heer: “God is mens geworden, opdat de mens God worden zou”.
Similiter et hoc utile fuit ad remotionem mali: primo enim per hoc homo instruitur, ne sibi diabolum praeferat, et eum veneretur, qui est auctor peccati; unde Augustinus dicit 13. de Trinit. [cap. 17.]: « Quando sic Deo conjungi potuit humana natura, ut fieret una persona, superbi illi maligni spiritus non ideo se audeant homini praeponere, quia non habent 14carnem »: secundo5 per hoc instruimur, quanta sit dignitas humanae naturae, ne eam inquinemus peccando; unde August. dicit in lib. de Ver. Relig. [cap. 16.]: « Demonstravit nobis Deus, quam excelsum locum inter creaturas habeat humana natura, in hoc quod hominibus in vero homine apparuit »; et Leo Papa dicit in serm. de Nativit. [1.]: « Agnosce, o Christiane, dignitatem tuam: et divinae consors factus naturae, noli in veterem vilitatem degeneri conversatione redire »: tertio, quia ad praesumptionem hominis tollendam « gratia Dei, nullis meritis praecedentibus, in homine Christo commendatur », ut dicit August. de Trinitate [cap. 17]: quarto, quia « superbia hominis, quae maxime impedimento est ne inhaereat Deo, per tantam Dei humilitatem redargui potest, atque sanari », ut dicit August. ibidem: quinto ad liberandum hominem a servitute peccati6: quod quidem, ut August. dicit 13. de Trinit. [cap. 13.], « fieri debuit sic, ut diabolus justitia hominis Jesu Christi superaretur », 15quod factum est Christo satisfaciente pro nobis: homo autem purus satisfacere non poterat pro toto humano genere: Deus autem satisfacere non debebat; unde oportebat, Deum et hominem esse Jesum Christum; unde et Leo Papa dicit in serm. de Nativit. [loc. cit.]: « Suscipitur a virtute infirmitas, a majestate humilitas, ut quod nostris remediis congruebat, unus atque idem Dei, et hominum mediator, et mori ex uno, et resurgere posset ex altero. Nisi enim esset verus Deus, non afferret remedium: nisi esset verus homo, non praeberet exemplum ».
En dit is evenzeer nuttig voor het verwijderen van het kwaad. Want op de eerste plaats wordt de mensch hierdoor onderricht, dat hij den duivel niet boven zichzelf moet stellen en hem vereeren, die de bewerker der zonde is. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: « Als God zoo met de menschelijke natuur kon vereenigd worden, dat het een persoon werd, mogen die trotsche kwaadwillende geesten het niet wagen zich boven den mensch te stellen, omdat zij geen lichaam 14hebben ». Ten tweede, omdat wij daardoor onderricht worden, hoe groot de waardigheid van de menschelijke natuur is, opdat wij haar niet door zonde bezoedelen. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de Ware Godsdienst: « God heeft ons aangetoond, welk een verheven plaats de menschelijke natuur onder de schepselen inneemt, hierdoor, dat Hij aan de menschen in (het lichaam van) een waren mensch verschenen is ». En Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte: « Erken, o Christen, Uw waardigheid, en nu gij deelachtig zijt geworden aan de goddelijke natuur, wilt niet meer door een ontaard leven tot uw oude laagheid terugkeeren ». Ten derde, omdat tot het wegnemen van de ingebeeldheid des menschen, « zonder dat er eenige verdienste aan vooraf ging, ons de genade Gods in den mensch Christus wordt gegeven », zooals gezegd wordt in het dertiende boek Over de Drieëenheid. Ten vierde, omdat « de hoogmoed van den mensch, die de grootste hinderpaal is om zich aan God te hechten, door zulk een nederigheid van God zou kunnen beschaamd worden en geheeld », zooals Augustinus op dezelfde plaats zegt. Ten vijfde om den mensch te verlossen van de slavernij. Dit namelijk, zooals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid, « moest zoo geschieden, dat de duivel door de rechtvaardigheid 15van den mensch Jezus Christus zou overwonnen worden »; wat geschied is, doordat Christus voor ons voldoening gaf. Een mensch echter zonder meer kon geen voldoening geven voor geheel het menschelijk geslacht; God daarentegen moest geen voldoening geven; daarom moest Jezus Christus God en mensch zijn. Daarom zegt ook Paus Leo in de preek Over de Geboorte: « De zwakheid wordt door de kracht opgebeurd, de nederigheid door de verhevenheid; zoodat, passend voor onze genezing, de eene en zelfde middelaar tusschen God en de menschen om reden van het eene kon sterven, en om reden van het andere verrijzen. Want als Hij niet waarlijk God was, zou Hij geen geneesmiddel brengen; als Hij niet waarlijk mensch was, zou Hij geen voorbeeld geven ».En dit is evenzeer nuttig voor het verwijderen van het kwaad. Want op de eerste plaats wordt de mens hierdoor onderricht, dat hij de duivel niet boven zichzelf moet stellen en hem vereren, die de bewerker van de zonde is. Daarom zegt Augustinus in het 13e boek Over de Drievuldigheid: “Als God zo met de menselijke natuur kon verenigd worden, dat het een persoon werd, mogen die trotse kwaadwillende geesten het niet wagen zich boven de mens te stellen, omdat zij geen lichaam 14hebben”. Ten tweede, omdat wij daardoor onderricht worden, hoe groot de waardigheid van de menselijke natuur is, opdat wij haar niet door zonde bezoedelen. Daarom zegt Augustinus in het boek Over de Ware Godsdienst: “God heeft ons aangetoond, welk een verheven plaats de menselijke natuur onder de schepselen inneemt, hierdoor, dat Hij aan de mensen in (het lichaam van) een waren mens verschenen is”. En Paus Leo zegt in een preek Over de Geboorte: “Erken, o Christen, Uw waardigheid, en nu gij deelachtig zijt geworden aan de goddelijke natuur, wilt niet meer door een ontaard leven tot uw oude laagheid terugkeren”. Ten derde, omdat tot het wegnemen van de ingebeeldheid van de mens, “zonder dat er enige verdienste aan vooraf ging, ons de genade Gods in de mens Christus wordt gegeven”, zoals gezegd wordt in het dertiende boek Over de Drieëenheid. Ten vierde, omdat “de hoogmoed van de mens, die de grootste hinderpaal is om zich aan God te hechten, door zulk een nederigheid van God zou kunnen beschaamd worden en geheeld”, zoals Augustinus op dezelfde plaats zegt. Ten vijfde om de mens te verlossen van de slavernij. Dit namelijk, zoals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid, “moest zo geschieden, dat de duivel door de rechtvaardigheid 15van de mens Jezus Christus zou overwonnen worden”; wat geschied is, doordat Christus voor ons voldoening gaf. Een mens echter zonder meer kon geen voldoening geven voor geheel het menselijk geslacht; God daarentegen moest geen voldoening geven; daarom moest Jezus Christus God en mens zijn. Daarom zegt ook Paus Leo in de preek Over de Geboorte: “De zwakheid wordt door de kracht opgebeurd, de nederigheid door de verhevenheid; zodat, passend voor onze genezing, de ene en zelfde middelaar tussen God en de mensen om reden van het ene kon sterven, en om reden van het andere verrijzen. Want als Hij niet waarlijk God was, zou Hij geen geneesmiddel brengen; als Hij niet waarlijk mens was, zou Hij geen voorbeeld geven”.
Sunt autem et aliae plurimae utilitates, quae consecutae sunt supra apprehensionem sensus humani.
Bovendien zijn er nog veel andere voordeelen, die er uit volgen kunnen, boven het bevattingsvermogen van het menschelijk inzicht.Bovendien zijn er nog veel andere voordelen, die er uit volgen kunnen, boven het bevattingsvermogen van het menselijk inzicht.
Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa procedit secundum primum modum necessarii, sine quo ad finem perveniri non potest.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redeneering gaat uit van iets noodzakelijks in de eerste beteekenis, namelijk datgene, zonder wat men het doel niet bereiken kan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze redenering gaat uit van iets noodzakelijks in de eerste betekenis, namelijk datgene, zonder wat men het doel niet bereiken kan.
Ad secundum dicendum, quod aliqua satisfactio potest dici dupliciter sufficiens: uno modo perfecte, quia est condigna, per quamdam adaequationem ad recompensationem culpae commissae; et sic hominis puri 16satisfactio sufficiens esse non potuit pro peccato7: tum8 quia tota humana natura erat per peccatum corrupta; nec bonum alicujus personae, vel etiam plurium poterat per aequiparantiam totius naturae detrimentum recompensare. Tum etiam peccatum contra Deum commissum quamdam infinitatem habet ex infinitate divinae majestatis: tanto enim offensa est gravior, quanto major est ille, in quem delinquitur; unde oportuit ad condignam satisfactionem, ut actus9 satisfacientis haberet efficaciam infinitam, ut puta Dei, et hominis existens.
2. Een voldoening kan toereikend genoemd worden op twee manieren. Op de eerste manier, volmaakt: omdat zij volwaardig is door een soort gelijkheid, waardoor zij opweegt tegen de begane schuld. En zoo kon de voldoening van een mensch-zonder-meer 16niet toereikend zijn, want de geheele menschelijke natuur was door de zonde bedorven, en het goede van een persoon, of zelfs van meerderen kon niet door gelijkwaardigheid de schade aan de geheele natuur vergoeden. Ook hierom, omdat de zonde tegen God bedreven een soort van oneindigheid bezit, wegens de oneindigheid van de goddelijke verhevenheid: want een schuld is zooveel te zwaarder, naarmate hij grooter is, tegen wien men misdoet. Daarom was het noodig voor een volwaardige voldoening, dat de daad van hem, die voldoening gaf, een oneindige kracht van uitwerken had, als b. v. van iemand, die God en mensch is.2. Een voldoening kan toereikend genoemd worden op twee manieren. Op de eerste manier, volmaakt: omdat zij volwaardig is door een soort gelijkheid, waardoor zij opweegt tegen de begane schuld. En zo kon de voldoening van een mens-zonder-meer 16niet toereikend zijn, want de gehele menselijke natuur was door de zonde bedorven, en het goede van een persoon, of zelfs van meerderen kon niet door gelijkwaardigheid de schade aan de gehele natuur vergoeden. Ook hierom, omdat de zonde tegen God bedreven een soort van oneindigheid bezit, wegens de oneindigheid van de goddelijke verhevenheid: want een schuld is zoveel te zwaarder, naarmate hij groter is, tegen wie men misdoet. Daarom was het nodig voor een volwaardige voldoening, dat de daad van hem, die voldoening gaf, een oneindige kracht van uitwerken had, als bv. van iemand, die God en mens is.
Alio modo potest dici satisfactio hominis esse10 sufficiens imperfecte: scilicet secundum acceptationem ejus, qui est ea contentus, quamvis non sit condigna: et hoc modo satisfactio puri hominis est sufficiens: et quia omne imperfectum praesupponit aliquid perfectum, a quo sustentetur, inde est quod omnis puri hominis satisfactio efficaciam habet a satisfactione Christi.
Op een andere manier kan een voldoening toereikend genoemd worden, nl. onvolmaakt; en wel in zoover hij, die er mee tevreden is, haar aanneemt, ook al is zij niet gelijkwaardig. En zoo is de voldoening van een mensch-zonder-meer voldoende. En omdat alles wat onvolmaakt is, iets volmaakts veronderstelt, waardoor het geschraagd kan worden, daarom heeft elke voldoening van een mensch-zonder-meer haar uitwerkende kracht door de voldoening van Christus.Op een andere manier kan een voldoening toereikend genoemd worden, nl. onvolmaakt; en wel in zover hij, die er mee tevreden is, haar aanneemt, ook al is zij niet gelijkwaardig. En zo is de voldoening van een mens-zonder-meer voldoende. En omdat alles wat onvolmaakt is, iets volmaakts veronderstelt, waardoor het geschraagd kan worden, daarom heeft elke voldoening van een mens-zonder-meer haar uitwerkende kracht door de voldoening van Christus.
Ad tertium dicendum, quod Deus assumendo carnem, suam majestatem non minuit; et per consequens non minuitur ratio reverentiae ad ipsum, quae augetur per augmentum cognitionis ipsius: ex hoc autem quod nobis appropinquare voluit per carnis assumptionem, magis nos ad se cognoscendum attraxit.
3. Door het vleesch aan te nemen, heeft God zijn verhevenheid 17niet verminderd, en dientengevolge wordt de reden om Hem te vereeren niet geringer. Zij wordt sterker doordat onze kennis van Hem toeneemt. Maar doordat Hij ons nader wilde komen, door het vleesch aan te nemen, heeft Hij ons tot zich getrokken, om Hem meer te kennen.3. Door het vlees aan te nemen, heeft God zijn verhevenheid 17niet verminderd, en dientengevolge wordt de reden om Hem te vereren niet geringer. Zij wordt sterker doordat onze kennis van Hem toeneemt. Maar doordat Hij ons nader wilde komen, door het vlees aan te nemen, heeft Hij ons tot zich getrokken, om Hem meer te kennen.
Utrum si homo non peccasset, Deus incarnatus fuisset
Zou God, indien de mensch niet gezondigd zou hebben, niettemin mensch geworden zijn?Zou God, indien de mens niet gezondigd zou hebben, niettemin mens geworden zijn?
17Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod si homo non peccasset, nihilominus Deus incarnatus fuisset: manente enim causa, manet effectus: sed, sicut Augustinus dicit 13. de Trin. [cap. 17.], « alia multa sunt cogitanda in Christi incarnatione, praeter absolutionem a peccato », de quibus dictum est [art. praec.]; ergo etiamsi homo non peccasset, Deus incarnatus fuisset.
17Bedenkingen. — Men beweert, dat indien de mensch niet gezondigd zou hebben, God niettemin mensch zou geworden zijn. — 1. Want als de oorzaak blijft, blijft het gevolg. Welnu, zooals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid, « zijn er veel andere zaken te bedenken bij Christus' Menschwording » dan de vrijspraak van de zonden, waarover gehandeld is. Daarom zou God, ook als de mensch niet gezondigd had, mensch geworden zijn.17Bedenkingen. — Men beweert, dat indien de mens niet gezondigd zou hebben, God niettemin mens zou geworden zijn. — 1. Want als de oorzaak blijft, blijft het gevolg. Welnu, zoals Augustinus zegt in het 13e boek Over de Drievuldigheid, “zijn er veel andere zaken te bedenken bij Christus' Menswording” dan de vrijspraak van de zonden, waarover gehandeld is. Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
2. Praeterea, ad omnipotentiam divinae virtutis pertinet, ut opera sua perficiat, et se manifestet per aliquem infinitum effectum: sed nulla 18pura creatura potest dici infinitus effectus, cum sit finita per suam essentiam: in solo autem opere incarnationis videtur praecipue manifestari infinitus effectus divinae potentiae1, per quam in infinitum distantia conjunguntur; inquantum factum est, quod homo esset Deus: in quo etiam opere maxime videtur perfici universum, per hoc quod ultima creatura, scilicet homo, primo principio conjungitur, scilicet Deo; ergo etiamsi homo non peccasset, Deus incarnatus fuisset.
2. Het is een eigenschap van de almacht der goddelijke kracht, dat zij haar werken tot volmaaktheid brengt en zich openbaart door 18iets oneindigs voort te brengen. Maar geen schepsel-zonder-meer kan een oneindig gevolg genoemd worden, daar het in zijn wezen eindig is. Welnu, alleen in het werk der Menschwording schijnt een oneindig gevolg der goddelijke macht zich te openbaren, en wel hierdoor, dat dingen, die oneindig van elkaar verwijderd zijn, vereenigd worden, in zoover het gebeurde, dat een mensch God zou zijn. Ook schijnt het heelal vooral in dit werk tot volmaaktheid te komen, doordat het laatste schepsel, namelijk de mensch, met het eerste beginsel, namelijk God, vereenigd wordt. Daarom, ook al had de mensch niet gezondigd, zou God mensch geworden zijn.2. Het is een eigenschap van de almacht van de goddelijke kracht, dat zij haar werken tot volmaaktheid brengt en zich openbaart door 18iets oneindigs voort te brengen. Maar geen schepsel-zonder-meer kan een oneindig gevolg genoemd worden, daar het in zijn wezen eindig is. Welnu, alleen in het werk van de Menswording schijnt een oneindig gevolg van de goddelijke macht zich te openbaren, en wel hierdoor, dat dingen, die oneindig van elkaar verwijderd zijn, verenigd worden, in zover het gebeurde, dat een mens God zou zijn. Ook schijnt het heelal vooral in dit werk tot volmaaktheid te komen, doordat het laatste schepsel, namelijk de mens, met het eerste beginsel, namelijk God, verenigd wordt. Daarom, ook al had de mens niet gezondigd, zou God mens geworden zijn.
3. Praeterea, humana natura per peccatum non est facta capacior gratiae: sed post peccatum capax est gratiae unionis, quae est maxima gratia; ergo si homo non peccasset, humana natura hujus gratiae capax fuisset; nec Deus subtraxisset humanae naturae bonum, cujus capax erat; ergo si homo non peccasset, Deus incarnatus fuisset.
3. De menschelijke natuur is door de zonde niet ontvankelijker voor de genade gemaakt. Maar na de zonde is zij ontvankelijk voor de genade der vereeniging, die de grootste genade is. Daarom zou de menschelijke natuur, als de mensch niet gezondigd had, voor deze genade ontvankelijk zijn geweest. En God zou aan den mensch geen goed onthouden hebben, waarvoor hij ontvankelijk was. Daarom zou God, als de mensch niet gezondigd had, mensch geworden zijn.3. De menselijke natuur is door de zonde niet ontvankelijker voor de genade gemaakt. Maar na de zonde is zij ontvankelijk voor de genade van de vereniging, die de grootste genade is. Daarom zou de menselijke natuur, als de mens niet gezondigd had, voor deze genade ontvankelijk zijn geweest. En God zou aan de mens geen goed onthouden hebben, waarvoor hij ontvankelijk was. Daarom zou God, als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
4. Praeterea, praedestinatio Dei est aeterna: sed dicitur Rom. 1. [v. 4] de Christo2: « Qui praedestinatus est Filius Dei in virtute »; 19ergo etiam ante peccatum necessarium erat Filium Dei incarnari, ad hoc quod Dei praedestinatio impleretur.
4. De voorbestemming Gods is eeuwig. Maar Christus is, zooals in de Brief aan de Romeinen (1, 4) van Hem gezegd wordt, « voorbestemd in kracht om Gods Zoon te zijn ». Daarom was 19het ook vóór de zonde noodzakelijk, dat Gods Zoon mensch werd, opdat Gods voorbestemming zou vervuld worden.4. De voorbestemming Gods is eeuwig. Maar Christus is, zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 4) van Hem gezegd wordt, “voorbestemd in kracht om Gods Zoon te zijn”. Daarom was 19het ook vóór de zonde noodzakelijk, dat Gods Zoon mens werd, opdat Gods voorbestemming zou vervuld worden.
5. Praeterea, incarnationis mysterium est primo homini revelatum, ut patet per hoc quod dixit [Gen. 2., v. 23]: « Hoc nunc os ex ossibus meis », etc., quod Apost. dicit esse « magnum Sacramentum in Christo, et in Ecclesia », ut patet Ephes. 5. [v. 32]: sed homo non potuit esse praescius sui casus eadem ratione, qua nec Angelus, ut Augustinus probat 11. super Gen. ad lit. [cap. 18.]; ergo etiamsi homo non peccasset, Deus incarnatus fuisset.
5. Het geheim van de Menschwording is aan den eersten mensch geopenbaard, zooals blijkt uit het feit, dat hij zei: « dit is nu been uit mijn beenderen », wat zooals de apostel zegt « een groot geheim is in Christus en de Kerk », zooals blijkt uit den Brief aan de Ephesiërs (5, 32). Maar de mensch kon zijn val niet van te voren weten, om dezelfde reden als de engel, zooals Augustinus bewijst in zijn Letterlijke verklaring van het boek der Schepping (11e B., 18e H.). Daarom zou God, ook als de mensch niet gezondigd had, mensch geworden zijn.5. Het geheim van de Menswording is aan de eerste mens geopenbaard, zoals blijkt uit het feit, dat hij zei: “dit is nu been uit mijn beenderen”, wat zoals de apostel zegt “een groot geheim is in Christus en de Kerk”, zoals blijkt uit de Brief aan de Efesiërs (5, 32). Maar de mens kon zijn val niet van te voren weten, om dezelfde reden als de engel, zoals Augustinus bewijst in zijn Letterlijke verklaring van het boek van de Schepping (11e B., 18e H.). Daarom zou God, ook als de mens niet gezondigd had, mens geworden zijn.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Verb. Domini, exponens illud quod habetur Luc. 19. [v. 10]: « Venit filius hominis quaerere, et salvum facere quod perierat » [serm. 174 et de Verb. Apost. serm. 8. cap. 2.]: « Ergo si homo non peccasset, filius hominis non venisset »; et 1. ad Timotheum 1. sup. illud: « Christus venit in hunc mundum, ut peccatores salvos faceret » [v. 15] dicit Gloss. [ord. Aug. lib. de Verb. Apost. serm. 9.]: « Nulla causa veniendi fuit Christo 20Domino, nisi peccatores salvos facere: tolle morbos, tolle vulnera, et nulla est medicinae causa ».
Daartegenover echter staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Woorden des Heeren, als hij uitlegt wat wij bij Lucas (19, 10) lezen: « De Menschenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was »: « Als de mensch niet had gezondigd, zou de Menschenzoon niet gekomen zijn ». En bij den Eersten Brief aan Timotheus (1, 15), tot uitleg van dit woord: « Christus is in deze wereld gekomen om zondaren zalig te maken », zegt de Glossa: « Geen reden tot komen was er voor Christus den Heer, tenzij het zalig maken van de zondaars. Neem 20de ziekten, neem de wonden weg, en er is geen reden meer voor geneesmiddelen ».Daartegenover echter staat, dat Augustinus zegt in het boek Over de Woorden van de Heer, als hij uitlegt wat wij bij Lukas (19, 10) lezen: “De Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was”: “Als de mens niet had gezondigd, zou de Mensenzoon niet gekomen zijn”. En bij de Eerste Brief aan Timoteüs (1, 15), tot uitleg van dit woord: “Christus is in deze wereld gekomen om zondaren zalig te maken”, zegt de Glossa: “Geen reden tot komen was er voor Christus de Heer, tenzij het zalig maken van de zondaars. Neem 20de ziekten, neem de wonden weg, en er is geen reden meer voor geneesmiddelen”.
Respondeo dicendum, quod aliqui circa hoc diversimode opinantur: quidam enim dicunt, quod etiamsi homo non peccasset, Dei Filius incarnatus fuisset: alii vero contrarium asserunt, quorum assertioni magis assentiendum videtur; ea enim quae ex sola Dei voluntate proveniunt supra omne debitum creaturae, nobis innotescere non possunt, nisi quatenus in Sacra Scriptura traduntur, per quam divina voluntas3 nobis innotescit; unde cum in Sacra Scriptura ubique incarnationis ratio ex peccato primi hominis assignetur, convenientius dicitur, incarnationis opus ordinatum esse a Deo in remedium contra peccatum4, ita quod, peccato non existente, incarnatio non fuisset: quamvis potentia Dei ad hoc non limitetur: potuisset enim etiam peccato non existente, Deus incarnari.
Leerstelling. — Over dit punt zijn sommigen van verschillende meening. Want de eenen zeggen, dat ook als de mensch niet gezondigd had, Gods Zoon mensch geworden zou zijn. Anderen echter beweren het tegendeel. En het lijkt beter zich bij hun bewering aan te sluiten. Want de dingen, die alleen uit Gods wil voortspruiten boven alles waarop het schepsel recht heeft, kunnen ons niet bekend worden dan voor zoover zij in de H. Schrift worden medegedeeld. En omdat in de H. Schrift overal de reden der Menschwording in de zonde van den eersten mensch aangewezen wordt, is het meer gepast te zeggen, dat het werk der Menschwording door God bestemd werd als geneesmiddel voor de zonden, zoodat, indien de zonde niet bestaan had, er geen menschwording zou zijn geweest. Evenwel wordt Gods macht hier niet door begrensd; want God had mensch kunnen worden, ook als de zonde niet bestaan had.Leerstelling. — Over dit punt zijn sommigen van verschillende mening. Want de ene zeggen, dat ook als de mens niet gezondigd had, Gods Zoon mens geworden zou zijn. Anderen echter beweren het tegendeel. En het lijkt beter zich bij hun bewering aan te sluiten. Want de dingen, die alleen uit Gods wil voortspruiten boven alles waarop het schepsel recht heeft, kunnen ons niet bekend worden dan voor zover zij in de H. Schrift worden medegedeeld. En omdat in de H. Schrift overal de reden van de Menswording in de zonde van de eerste mens aangewezen wordt, is het meer gepast te zeggen, dat het werk van de Menswording door God bestemd werd als geneesmiddel voor de zonden, zodat, indien de zonde niet bestaan had, er geen menswording zou zijn geweest. Evenwel wordt Gods macht hier niet door begrensd; want God had mens kunnen worden, ook als de zonde niet bestaan had.
Ad primum ergo dicendum, quod omnes aliae causae, quae sunt 21assignatae [art. praec.], pertinent ad remedium peccati: si enim homo non peccasset, perfusus fuisset lumine divinae sapientiae, et justitiae rectitudine perfectus a Deo ad omnia necessaria cognoscenda, et agenda5. Sed quia homo, deserto Deo, collapsus erat ad corporalia, conveniens fuit, ut Deus, carne assumpta, etiam per corporalia ei salutis remedium exhiberet; unde dicit Augustinus [super Joan. 1. [v. 14]: « Verbum caro factum est »; tract. 2.]: « Caro te obcaecaverat, caro te sanat: quoniam sic venit Christus, ut de carne carnis vitia extingueret ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle andere 21aangegeven redenen slaan op de genezing der zonden. Want als de mensch niet gezondigd had, zou hij overstroomd zijn geweest door het licht van Gods wijsheid en door God volmaakt met de rechtschapenheid der rechtvaardigheid om al het noodige te weten. Maar omdat de mensch nadat hij God verlaten had, op het stoffelijke was neergestort, was het gepast, dat God door het vleesch aan te nemen hem ook door stoffelijke dingen een geneesmiddel tot heil gaf. Daarom zegt Augustinus, tot uitleg van dat woord van Johannes (1, 14): « Het Woord is vleesch geworden »: « Het vleesch heeft U verblind, het vleesch geneest U; want zóó is Christus gekomen, dat Hij door het vleesch de feilen van het vleesch verdelgde ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle andere 21aangegeven redenen slaan op de genezing van de zonden. Want als de mens niet gezondigd had, zou hij overstroomd zijn geweest door het licht van Gods wijsheid en door God volmaakt met de rechtschapenheid van de rechtvaardigheid om al het nodige te weten. Maar omdat de mens nadat hij God verlaten had, op het stoffelijke was neergestort, was het gepast, dat God door het vlees aan te nemen hem ook door stoffelijke dingen een geneesmiddel tot heil gaf. Daarom zegt Augustinus, tot uitleg van dat woord van Johannes (1, 14): “Het Woord is vlees geworden”: “Het vlees heeft U verblind, het vlees geneest U; want zó is Christus gekomen, dat Hij door het vlees de feilen van het vlees verdelgde”.
Ad secundum dicendum, quod in ipso modo productionis rerum ex nihilo divina virtus infinita ostenditur. Ad perfectionem etiam universi sufficit, quod naturali modo creatura ordinetur6 in Deum sicut in finem: hoc autem excedit limites perfectionis naturae, ut creatura uniatur Deo in persona.
2. Door de manier zelf waarop de dingen worden voortgebracht, n.l. uit het niet, wordt de oneindigheid der goddelijke kracht getoond. — Ook is het voldoende voor de volmaaktheid van het heelal, dat het schepsel op natuurlijke wijze zoo tot God wordt geordend als tot zijn doel. Maar dat het schepsel met God in persoon zou vereenigd worden, gaat de grenzen der volmaaktheid van de natuur te buiten.2. Door de manier zelf waarop de dingen worden voortgebracht, n.l. uit het niet, wordt de oneindigheid van de goddelijke kracht getoond. — Ook is het voldoende voor de volmaaktheid van het heelal, dat het schepsel op natuurlijke wijze zo tot God wordt geordend als tot zijn doel. Maar dat het schepsel met God in persoon zou verenigd worden, gaat de grenzen van de volmaaktheid van de natuur te buiten.
Ad tertium dicendum, quod duplex capacitas attendi potest in humana natura: una quidem secundum ordinem potentiae naturalis, quae a Deo 22semper impletur, qui dat unicuique rei secundum suam capacitatem naturalem: alia vero secundum ordinem divinae potentiae, cui omnis creatura obedit ad nutum; et ad hoc pertinet ista capacitas; non autem Deus omnem talem capacitatem naturae implet7: alioquin Deus non posset facere in creatura, nisi quod facit, quod falsum est, ut in 1. habitum est [q. 105. art. 6.].
3. Een dubbele ontvankelijkheid kan men in de menschelijke natuur waarnemen. De eene in de orde van het natuurlijke 22vermogen. Deze wordt altijd bevredigd door God, die aan ieder ding schenkt volgens zijn natuurlijke ontvankelijkheid. — De andere echter in de orde der goddelijke macht, waaraan ieder schepsel op haar wenken gehoorzaamt. En hierbij behoort de bedoelde ontvankelijkheid. Maar God vervult zulk een ontvankelijkheid niet geheel; anders zou God in het schepsel niets kunnen uitwerken tenzij wat Hij doet, en dit is onjuist, zooals in het eerste deel behandeld is.3. Een dubbele ontvankelijkheid kan men in de menselijke natuur waarnemen. De ene in de orde van het natuurlijke 22vermogen. Deze wordt altijd bevredigd door God, die aan ieder ding schenkt volgens zijn natuurlijke ontvankelijkheid. — De andere echter in de orde van de goddelijke macht, waaraan ieder schepsel op haar wenken gehoorzaamt. En hierbij behoort de bedoelde ontvankelijkheid. Maar God vervult zulk een ontvankelijkheid niet geheel; anders zou God in het schepsel niets kunnen uitwerken tenzij wat Hij doet, en dit is onjuist, zoals in het eerste deel behandeld is.
Nihil autem prohibet, ad aliquid majus humanam naturam perductam esse post peccatum: Deus enim permittit mala fieri, ut inde aliquid melius eliciat; unde dicitur, Rom. 5. [v. 20]: « Ubi abundavit delictum, superabundavit et gratia »; unde et in benedictione cerei paschalis dicitur: « O felix culpa, quae talem, ac tantum meruit habere Redemptorem ».
Niets echter belet, dat de menschelijke natuur tot iets hoogers bevorderd is na de zonde; want God laat het kwade toe, om daaruit iets beters te doen voortkomen. Daarom wordt gezegd in den Brief aan de Romeinen (5, 20): « Waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen », en bij de zegening van de Paaschkaars zegt men: « O gelukkige schuld, die een zoodanigen en zoo grooten Verlosser verdiende te hebben ».Niets echter belet, dat de menselijke natuur tot iets hogers bevorderd is na de zonde; want God laat het kwade toe, om daaruit iets beters te doen voortkomen. Daarom wordt gezegd in de Brief aan de Romeinen (5, 20): “Waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen”, en bij de zegening van de Paaskaars zegt men: “O gelukkige schuld, die een zodanigen en zo groten Verlosser verdiende te hebben”.
Ad quartum dicendum, quod praedestinatio praesupponit praescientiam futurorum; et ideo sicut Deus praedestinat salutem alicujus hominis per orationes8 aliorum implendam: ita etiam praedestinavit opus incarnationis in remedium humani peccati.
4. De voorbestemming veronderstelt het vooraf kennen der toekomstige dingen. En daarom heeft God, zooals Hij heeft voorbestemd, dat iemand zijn zaligheid door het gebed van anderen zal bereiken, ook het werk der Menschwording vooraf bestemd tot geneesmiddel voor de zonden der menschen.4. De voorbestemming veronderstelt het vooraf kennen van de toekomstige dingen. En daarom heeft God, zoals Hij heeft voorbestemd, dat iemand zijn zaligheid door het gebed van anderen zal bereiken, ook het werk van de Menswording vooraf bestemd tot geneesmiddel voor de zonden van de mensen.
Ad quintum dicendum, quod nihil prohibet alicui revelari effectum9, cui non revelatur causa; potuit igitur10 primo homini revelari incarnationis mysterium, sine hoc quod esset praescius sui casus: non enim quicumque cognoscit effectum, cognoscit et causam.
235. Niets belet, dat aan iemand, wien de oorzaak niet geopenbaard wordt, het gevolg wordt geopenbaard. Daarom kon aan den eersten mensch het geheim der Menschwording geopenbaard worden, zonder dat hij zijn val vooraf kende; want niet iedereen, die het gevolg kent, kent ook de oorzaak.235. Niets belet, dat aan iemand, wie de oorzaak niet geopenbaard wordt, het gevolg wordt geopenbaard. Daarom kon aan de eerste mens het geheim van de Menswording geopenbaard worden, zonder dat hij zijn val vooraf kende; want niet iedereen, die het gevolg kent, kent ook de oorzaak.
Utrum principalius Christi incarnatio facta fuerit ad tollendum peccatum originale, quam actuale1
Is God meer in het bijzonder mensch geworden als een redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde?Is God meer in het bijzonder mens geworden als een redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde?
23Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod Deus principalius incarnatus fuerit in remedium actualium peccatorum, quam in remedium originalis peccati: quanto enim peccatum est gravius, tanto magis humanae saluti adversatur, propter quam Deus est incarnatus: sed peccatum actuale est gravius, quam originale peccatum: « minima enim poena debetur originali 24peccato », ut August. dicit « contra Julian. » [lib. 5. cap. 11.]; ergo principalius incarnatio Christi ordinatur ad deletionem actualium peccatorum2, quam ad deletionem originalis peccati.
23Bedenkingen. — Men beweert, dat God meer in het bijzonder is mensch geworden als redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde. — 1. Want naarmate een zonde zwaarder is, vormt zij een grooter beletsel voor de menschelijke zaligheid, waarvoor God mensch is geworden. Maar de persoonlijke zonde is zwaarder dan de erfzonde; want de kleinste straf 24staat op de erfzonde, zooals Augustinus zegt in het boek Tegen Julianus. Daarom is de Menschwording van Christus meer in het bijzonder gericht op de uitdelging der persoonlijke zonden.23Bedenkingen. — Men beweert, dat God meer in het bijzonder is mens geworden als redmiddel tegen de persoonlijke zonden dan als redmiddel tegen de erfzonde. — 1. Want naarmate een zonde zwaarder is, vormt zij een groter beletsel voor de menselijke zaligheid, waarvoor God mens is geworden. Maar de persoonlijke zonde is zwaarder dan de erfzonde; want de kleinste straf 24staat op de erfzonde, zoals Augustinus zegt in het boek Tegen Julianus. Daarom is de Menswording van Christus meer in het bijzonder gericht op de uitdelging van de persoonlijke zonden.
2. Praeterea, peccato originali non debetur poena sensus, sed solum poena damni, ut in 2. habitum est [2. Dist. 33. q. 2. art. 1.]: sed Christus venit pro satisfactione peccatorum poenam sensus pati in cruce, non autem poenam damni; quia nullum defectum habuit divinae visionis, aut fruitionis; ergo principalius venit ad deletionem peccati actualis, quam originalis.
2. Op de erfzonde staat niet de straf der zinnen, maar de straf van het gemis, zooals in het tweede deel uiteengezet is. Welnu, Christus kwam tot voldoening voor de zonde de straf der zinnen verduren op het kruis, maar niet de straf van het gemis, want Hij verloor niets van het schouwen en genieten van God. Daarom kwam Hij meer in het bijzonder om de persoonlijke zonden uit te wisschen dan om de erfzonde.2. Op de erfzonde staat niet de straf van de zinnen, maar de straf van het gemis, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Welnu, Christus kwam tot voldoening voor de zonde de straf van de zinnen verduren op het kruis, maar niet de straf van het gemis, want Hij verloor niets van het schouwen en genieten van God. Daarom kwam Hij meer in het bijzonder om de persoonlijke zonden uit te wissen dan om de erfzonde.
3. Praeterea, sicut Chrysostomus dicit in 2 lib. « de Compunctione cordis », « hic est affectus servi fidelis, ut beneficia Domini sui, quae communiter omnibus data sunt, quasi sibi soli praestita reputet: quasi enim de se solo loquens Paulus ita scribit ad Gal. 2. [v. 20]: « Dilexit me, et tradidit semetipsum pro me » »: sed propria peccata nostra sunt actualia: originale enim est « commune peccatum »; ergo hunc affectum debemus 25habere, ut existimemus3 eum principaliter propter actualia peccata venisse.
3. Zooals Chrysostomus zegt in het 2e boek Over de Vermorzeldheid des Harten: « Dit zijn de gevoelens van een getrouwen dienstknecht, dat hij de weldaden van zijn heer, die aan allen gezamenlijk gegeven zijn, als aan hem alleen bewezen beschouwt; want alsof hij alleen over zichzelf sprak, schrijft Paulus aan de Galaten (2, 20): « Hij heeft mij bemind en zichzelf voor mij overgeleverd » ». Maar onze eigen zonden zijn persoonlijke zonden; de erfzonde is een « gezamenlijke zonde ». Daarom moeten wij 25zoo gestemd zijn, dat wij Hem in het bijzonder om de persoonlijke zonden gekomen achten.3. Zoals Chrysostomus zegt in het 2e boek Over de Vermorzeldheid van het Hart: “Dit zijn de gevoelens van een getrouwen dienstknecht, dat hij de weldaden van zijn heer, die aan allen gezamenlijk gegeven zijn, als aan hem alleen bewezen beschouwt; want alsof hij alleen over zichzelf sprak, schrijft Paulus aan de Galaten (2, 20): ‘Hij heeft mij bemind en zichzelf voor mij overgeleverd’”. Maar onze eigen zonden zijn persoonlijke zonden; de erfzonde is een “gezamenlijke zonde”. Daarom moeten wij 25zo gestemd zijn, dat wij Hem in het bijzonder om de persoonlijke zonden gekomen achten.
Sed contra est, quod Joan. 1. [v. 29] dicitur: « Ecce agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi »4; quod exponens Beda dicit: « Peccatum mundi dicitur originale peccatum, quod est commune totius mundi ».
Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 29) gezegd wordt: « Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden der wereld wegneemt ».Maar daartegenover staat, dat bij Johannes (1, 29) gezegd wordt: “Ziet het Lam Gods, ziet Hem, die de zonden van de wereld wegneemt”.
Respondeo dicendum, quod certum est, Christum venisse in hunc mundum non solum ad delendum illud peccatum, quod traductum est originaliter in posteros, sed etiam ad deletionem omnium peccatorum, quae postmodum super addita sunt: non quod omnia deleantur, (quod est propter defectum hominum, qui Christo non inhaerent, secundum illud Joan. 3. [v. 19]: « Venit lux in mundum, et dilexerunt homines magis tenebras, quam lucem »): sed quia ipse exhibuit, quod sufficiens fuit ad omnium peccatorum5 deletionem; unde dicitur Rom. 5. [v. 15 et 16]: « Non 26sicut delictum, ita et donum...: nam judicium ex uno in condemnationem, gratia autem ex multis delictis in justificationem ».
Leerstelling. — Het is zeker, dat Christus niet alleen in de wereld gekomen is om die zonde uit te delgen, die vanaf den oorsprong op de nakomelingen is overgebracht, maar ook ter vernietiging van alle zonden, die er naderhand aan toegevoegd zijn; niet dat allen verdelgd worden (dit komt door het falen van die menschen, die zich niet aan Christus hechten, volgens het woord van Johannes (3, 19): « Het licht is in de wereld gekomen en de menschen zagen de duisternis liever dan het licht »), maar dat Hij iets volbracht heeft, dat voldoende was voor een volledige uitdelging. Daarom wordt in den Brief aan de Romeinen gezegd (5, 15 en 16): « De genadegift is niet zooals het misdrijf; want over een 26was de uitspraak tot veroordeeling, maar de genade is een rechtvaardiging na vele misdrijven ».Leerstelling. — Het is zeker, dat Christus niet alleen in de wereld gekomen is om die zonde uit te delgen, die vanaf de oorsprong op de nakomelingen is overgebracht, maar ook ter vernietiging van alle zonden, die er naderhand aan toegevoegd zijn; niet dat allen verdelgd worden (dit komt door het falen van die mensen, die zich niet aan Christus hechten, volgens het woord van Johannes (3, 19): “Het licht is in de wereld gekomen en de mensen zagen de duisternis liever dan het licht”), maar dat Hij iets volbracht heeft, dat voldoende was voor een volledige uitdelging. Daarom wordt in de Brief aan de Romeinen gezegd (5, 15 en 16): “De genadegift is niet zoals het misdrijf; want over een 26was de uitspraak tot veroordeling, maar de genade is een rechtvaardiging na vele misdrijven”.
Tanto autem principalius ad alicujus peccati deletionem Christus venit, quanto illud peccatum majus est: dicitur autem aliquid majus dupliciter: uno modo intensive: sicut est major albedo, quae est intensior; et per hunc modum majus est peccatum actuale, quam originale: quia plus habet de ratione voluntarii, ut in 2. habitum est [1-2. q. 81. art. 1.]: alio modo dicitur aliquid majus extensive: sicut dicitur major albedo, quae est in majori superficie; et hoc modo peccatum originale, per quod totum genus humanum inficitur, est majus6 peccato actuali, quod est proprium singularis personae: et quantum ad hoc Christus principalius venit ad tollendum originale peccatum; inquantum « bonum gentis divinius, et eminentius est, quam bonum unius », ut dicitur « 1. Ethic. » [cap. 2.].
Christus echter kwam meer in het bijzonder om een zonde te verdelgen, naarmate die zonde grooter is. Nu wordt iets grooter genoemd op tweeërlei wijzen: ten eerste, naar zijn sterkte, zooals een witheid, die sterker is, grooter is. En zoo is de persoonlijke zonde grooter dan de erfzonde, omdat zij meer het karakter van gewild-zijn vertoont, zooals in het tweede deel uiteengezet is. Ten tweede wordt iets grooter genoemd naar zijn uitgebreidheid; zooals die witheid grooter genoemd wordt, die een grootere oppervlakte beslaat. En zóó is de erfzonde, waardoor het geheele menschelijke geslacht is aangetast, grooter dan welke persoonlijke zonde ook, die eigen is aan een bijzonder persoon. En zóó beschouwd, is Christus meer in het bijzonder gekomen om de erfzonde weg te nemen, in zoover « het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van een eenling », zooals in het 1e boek Over de Ethica gezegd wordt.Christus echter kwam meer in het bijzonder om een zonde te verdelgen, naarmate die zonde groter is. Nu wordt iets groter genoemd op tweeërlei wijzen: ten eerste, naar zijn sterkte, zoals een witheid, die sterker is, groter is. En zo is de persoonlijke zonde groter dan de erfzonde, omdat zij meer het karakter van gewild-zijn vertoont, zoals in het tweede deel uiteengezet is. Ten tweede wordt iets groter genoemd naar zijn uitgebreidheid; zoals die witheid groter genoemd wordt, die een grotere oppervlakte beslaat. En zó is de erfzonde, waardoor het gehele menselijke geslacht is aangetast, groter dan welke persoonlijke zonde ook, die eigen is aan een bijzonder persoon. En zó beschouwd, is Christus meer in het bijzonder gekomen om de erfzonde weg te nemen, in zover “het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van een eenling”, zoals in het 1e boek Over de Ethica gezegd wordt.
Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa procedit de intensiva magnitudine peccati.
Antwoord op de Bedenkingen. — De eerste moeilijkheid ging uit van de grootheid in sterkte der zonde.Antwoord op de Bedenkingen. — De eerste moeilijkheid ging uit van de grootheid in sterkte van de zonde.
27Ad secundum dicendum, quod peccato originali in futura retributione non debetur poena sensus: poenalitates tamen, quas sensibiliter in hac vita patimur, sicut famem, sitim, mortem, et alia hujusmodi, ex peccato originali procedunt; et ideo Christus, ut plene pro peccato originali satisfaceret, sensibilem dolorem pati voluit, ut mortem, et alia hujusmodi in seipso consumeret.
272. Op de erfzonde staat geen straf der zinnen bij de toekomstige vergelding, maar de straffen, die wij naar onze zintuigen in dit leven ondergaan, als honger, dorst, de dood en meer van die, vinden hun oorzaak in de erfzonde. En daarom wilde Christus om volledig voor de erfzonde te voldoen in zijn zinnen smart lijden, om in zijn eigen lichaam dood en andere dergelijke dingen volledig te verduren.272. Op de erfzonde staat geen straf van de zinnen bij de toekomstige vergelding, maar de straffen, die wij naar onze zintuigen in dit leven ondergaan, als honger, dorst, de dood en meer van die, vinden hun oorzaak in de erfzonde. En daarom wilde Christus om volledig voor de erfzonde te voldoen in zijn zinnen smart lijden, om in zijn eigen lichaam dood en andere dergelijke dingen volledig te verduren.
Ad tertium dicendum, quod, sicut Chrysostomus ibid. dicit7, verba illa dicebat Apostolus, « non quasi diminuere volens amplissima, et per orbem terrarum diffusa Christi munera; sed ut pro omnibus se solum indicaret obnoxium. Quid enim interest, si et aliis praestitit, cum quae tibi sunt praestita, ita integra sunt, et ita perfecta, quasi nulli alii ex his aliquid fuerit praestitum? »; ex hoc ergo quod aliquis debet reputare sibi beneficia Christi praestita esse, non debet existimare quod non sint aliis praestita; et ideo non excluditur, quin principalius venerit abolere peccatum totius naturae, quam peccatum unius personae; sed illud peccatum naturae8 ita perfecte curatum est in unoquoque, ac si in uno9 solo esset curatum; et ideo10 propter unionem charitatis totum quod omnibus est impensum, unusquisque debet sibi adscribere.
3. Zooals Chrysostomus op dezelfde plaats er bij voegt, sprak de Apostel die woorden, « niet alsof hij de gaven van Christus, die allerbreedst en over de geheele wereld verspreid zijn, wilde verkleinen; maar om aan te geven, dat hij alleen voor allen schuldig was. Wat immers komt het er op aan, dat Hij ook aan anderen iets gegeven heeft, als wat U gegeven is, zoo ongedeerd en zoo volledig is, alsof aan niemand anders iets ervan geschonken was? » Omdat dus iemand de weldaden van Christus als aan zich gegeven moet beschouwen, moet hij niet meenen, dat zij aan anderen niet gegeven zijn. En daarom wordt het niet uitgesloten, dat Hij meer in het bijzonder kwam om de zonde der geheele natuur weg te nemen dan de zonden van een persoon. Maar die gezamenlijke zonde is in iedereen zoo volkomen genezen, alsof zij in hem alleen 28genezen was. — En bovendien moet iedereen om wille van den band der liefde alles wat voor een ander is besteed, aan zichzelf toerekenen.3. Zoals Chrysostomus op dezelfde plaats er bij voegt, sprak de Apostel die woorden, “niet alsof hij de gaven van Christus, die allerbreedst en over de gehele wereld verspreid zijn, wilde verkleinen; maar om aan te geven, dat hij alleen voor allen schuldig was. Wat immers komt het er op aan, dat Hij ook aan anderen iets gegeven heeft, als wat U gegeven is, zo ongedeerd en zo volledig is, alsof aan niemand anders iets ervan geschonken was?” Omdat dus iemand de weldaden van Christus als aan zich gegeven moet beschouwen, moet hij niet menen, dat zij aan anderen niet gegeven zijn. En daarom wordt het niet uitgesloten, dat Hij meer in het bijzonder kwam om de zonde van de gehele natuur weg te nemen dan de zonden van een persoon. Maar die gezamenlijke zonde is in iedereen zo volkomen genezen, alsof zij in hem alleen 28genezen was. — En bovendien moet iedereen om wille van de band van de liefde alles wat voor een ander is besteed, aan zichzelf toerekenen.
Utrum conveniens fuerit Deum incarnari ab initio mundi1
Was het gepast, dat God mensch werd vanaf het begin van het menschelijk geslacht?Was het gepast, dat God mens werd vanaf het begin van het menselijk geslacht?
28Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod conveniens fuisset Deum incarnari a principio humani generis: incarnationis enim opus ex immensitate divinae charitatis processit, secundum illud Ephes. 2. [v. 4-5]: « Deus, qui dives est in misericordia, propter nimiam charitatem suam, qua dilexit nos, cum essemus mortui peccatis, convivificavit nos in Christo »: sed charitas non tardat subvenire amico necessitatem patienti, secundum 29illud Prov. 3. [v. 28]: « Ne dicas amico tuo: Vade, et revertere, cras dabo tibi, cum statim possis dare »; ergo Deus incarnationis opus differre non debuit, sed statim a principio per suam incarnationem humano generi subvenire.
28Bedenkingen. — Men beweert, dat het gepast was, dat God mensch werd vanaf het begin van het menschelijk geslacht. — 1. Het werk van de Menschwording immers komt voort uit de matelooze liefde Gods, volgens dat woord uit de Brief aan de Ephesiërs (2, 4 en 5): « God, die rijk is in barmhartigheid, heeft ons om Zijn overgroote liefde, waarmee Hij ons beminde, hoewel wij door de zonden dood waren, met Christus levend gemaakt ». Maar de liefde talmt niet een vriend, die nood lijdt, ter hulp te komen, volgens het woord in het Boek der Spreuken (3, 28): 29« Zegt niet tegen Uw vriend, ga en kom morgen terug, morgen zal ik U helpen, wanneer gij aanstonds geven kunt ». Daarom moest God het werk der Menschwording niet uitstellen, maar aanstonds vanaf het begin door Zijn Menschwording het menschengeslacht ter hulp komen.28Bedenkingen. — Men beweert, dat het gepast was, dat God mens werd vanaf het begin van het menselijk geslacht. — 1. Het werk van de Menswording immers komt voort uit de mateloze liefde Gods, volgens dat woord uit de Brief aan de Efesiërs (2, 4 en 5): “God, die rijk is in barmhartigheid, heeft ons om Zijn overgrote liefde, waarmee Hij ons beminde, hoewel wij door de zonden dood waren, met Christus levend gemaakt”. Maar de liefde talmt niet een vriend, die nood lijdt, ter hulp te komen, volgens het woord in het Boek van de Spreuken (3, 28): 29“Zegt niet tegen Uw vriend, ga en kom morgen terug, morgen zal ik U helpen, wanneer gij aanstonds geven kunt”. Daarom moest God het werk van de Menswording niet uitstellen, maar aanstonds vanaf het begin door Zijn Menswording het mensengeslacht ter hulp komen.
2. Praeterea, 1. Tim. 1. [v. 15]: « Christus venit in hunc mundum peccatores salvos facere »: sed plures salvati fuissent, si a principio humani generis Deus incarnatus fuisset: plurimi enim ignorantes Deum in suo peccato perierunt in diversis saeculis; ergo convenientius fuisset, quod a principio humani generis Deus incarnatus fuisset.
2. In den Eersten Brief aan Timotheus wordt gezegd (1, 15): « Christus kwam in deze wereld om de zondaars zalig te maken ». Maar meer zouden er zalig gemaakt zijn, als God vanaf het begin van het menschelijk geslacht was mensch geworden; velen immers, die God niet kenden, zijn in verschillende eeuwen in hun zonden verloren gegaan. Daarom was het passender geweest, dat God vanaf het begin van het menschelijk geslacht was mensch geworden.2. In de Eerste Brief aan Timoteüs wordt gezegd (1, 15): “Christus kwam in deze wereld om de zondaars zalig te maken”. Maar meer zouden er zalig gemaakt zijn, als God vanaf het begin van het menselijk geslacht was mens geworden; velen immers, die God niet kenden, zijn in verschillende eeuwen in hun zonden verloren gegaan. Daarom was het passender geweest, dat God vanaf het begin van het menselijk geslacht was mens geworden.
3. Praeterea, opus gratiae non est minus ordinatum, quam opus naturae: sed « natura initium sumit a perfectis », ut dicit Boetius in lib. 3. de Consolat. [prosa 10]; ergo opus gratiae a principio debuit esse perfectum: sed in opere incarnationis consideratur perfectio gratiae, secundum illud [Joan. 1. v. 14]: « Verbum caro factum est », et postea subditur: « Plenum gratiae, et veritatis »; ergo Christus a principio humani generis debuit incarnari.
3. Het werk der genade is niet minder ordelijk dan het werk der natuur. Welnu, de natuur begint met de volmaakte dingen, zooals Boëtius zegt in het boek Over de Vertroosting. Daarom moest het werk der genade vanaf het begin volmaakt zijn. Maar in het werk der Menschwording wordt de volmaaktheid der genade gevonden; volgens dit woord: « Het Woord is vleesch geworden », en verderop wordt er aan toegevoegd: « vol genade en waarheid ». Dus moest Christus mensch worden vanaf den aanvang van het menschelijk geslacht.3. Het werk van de genade is niet minder ordelijk dan het werk van de natuur. Welnu, de natuur begint met de volmaakte dingen, zoals Boëtius zegt in het boek Over de Vertroosting. Daarom moest het werk van de genade vanaf het begin volmaakt zijn. Maar in het werk van de Menswording wordt de volmaaktheid van de genade gevonden; volgens dit woord: “Het Woord is vlees geworden”, en verderop wordt er aan toegevoegd: “vol genade en waarheid”. Dus moest Christus mens worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
30Sed contra est, quod dicitur Gal. 4. [v. 4]: « At ubi venit plenitudo temporis, misit Deus Filium suum factum ex muliere, factum sub lege »: ubi dicit Gloss. [Lomb. ex Ambrosio], quod « plenitudo temporis est, quod praefinitum fuit a Deo Patre, quando mitteret filium suum »: sed Deus sua sapientia omnia definivit; ergo convenientissimo tempore Deus est incarnatus; et sic conveniens non fuit, quod a principio humani generis Deus incarnaretur.
30Maar daartegenover staat, dat in den Brief aan de Galaten (4, 4) gezegd wordt: « Maar toen de tijd vervuld was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw », waarbij de Glossa zegt, dat « de volheid van den tijd dat oogenblik is, waarop God de Vader van te voren bepaald had, dat Hij Zijn Zoon zou zenden ». Maar God heeft in Zijn wijsheid alles bepaald. Daarom is God op den meest geschikten tijd mensch geworden. En zoo was het niet gepast, dat God mensch zou worden vanaf den aanvang van het menschelijk geslacht.30Maar daartegenover staat, dat in de Brief aan de Galaten (4, 4) gezegd wordt: “Maar toen de tijd vervuld was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw”, waarbij de Glossa zegt, dat “de volheid van de tijd dat ogenblik is, waarop God de Vader van te voren bepaald had, dat Hij Zijn Zoon zou zenden”. Maar God heeft in Zijn wijsheid alles bepaald. Daarom is God op de meest geschikten tijd mens geworden. En zo was het niet gepast, dat God mens zou worden vanaf de aanvang van het menselijk geslacht.
Respondeo dicendum, quod, cum opus incarnationis principaliter ordinetur ad reparationem humanae naturae per peccati abolitionem, manifestum est, quod non fuit conveniens, a principio humani generis ante peccatum Deum incarnatum fuisse: non enim datur medicina, nisi jam infirmis; unde ipse Dominus, Matth. 9. [v. 12-13], dicit: « Non est opus valentibus medico, sed male habentibus: non enim veni vocare justos, sed peccatores ».
Leerstelling. — Omdat het werk der Menschwording in hoofdzaak gericht is op het herstel van het menschelijk geslacht door het wegnemen der zonde, is het duidelijk, dat Gods Menschwording vanaf den aanvang van het menschelijk geslacht, vóór de zonde, niet gepast was; want een geneesmiddel wordt niet gegeven tenzij aan hen, die reeds ziek zijn. Daarom zegt de Heer zelf, bij Mattheus (9, 12 en 13): « Niet de gezonden hebben den geneesheer noodig, maar de zieken; want niet de rechtvaardigen ben ik komen roepen, maar de zondaars ».Leerstelling. — Omdat het werk van de Menswording in hoofdzaak gericht is op het herstel van het menselijk geslacht door het wegnemen van de zonde, is het duidelijk, dat Gods Menswording vanaf de aanvang van het menselijk geslacht, vóór de zonde, niet gepast was; want een geneesmiddel wordt niet gegeven tenzij aan hen, die reeds ziek zijn. Daarom zegt de Heer zelf, bij Matteüs (9, 12 en 13): “Niet de gezonden hebben de geneesheer nodig, maar de zieken; want niet de rechtvaardigen ben ik komen roepen, maar de zondaars”.
Sed nec2 etiam statim post peccatum conveniens fuit Deum incarnari. 31Primo quidem propter conditionem humani peccati, quod ex superbia provenerat; unde eo modo erat homo liberandus, ut humiliatus, recognosceret se liberatore indigere; unde super illud Galat. 3. [v. 19]: « Ordinata per angelos in manu mediatoris », dicit Gloss. [ordin.]: « Magno Dei3 consilio factum est, ut post hominis casum non illico Dei Filius mitteretur: reliquit enim Deus prius hominem in libertate arbitrii in lege naturali, ut sic vires naturae suae cognosceret: ubi cum deficeret, legem accepit; qua data invaluit morbus, non legis, sed naturae vitio; ut ita cognita sua infirmitate, clamaret ad medicum, et gratiae quaereret auxilium ».
Toch paste het niet, dat God onmiddellijk na de zonde mensch 31werd. En wel ten eerste, om de aard der zonde van den mensch, die uit hoogmoed voortkwam; daarom moest de mensch zóó bevrijd worden, dat hij vernederd erkende een bevrijder noodig te hebben. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit de Brief aan de Galaten (3, 19): « uitgevaardigd door de Engelen in de hand van den middelaar »: « Met diep overleg is het gebeurd, dat na den val van den mensch Gods Zoon niet aanstonds gezonden werd. God heeft eerst den mensch gelaten in zijn wilsvrijheid en in de natuurwet, opdat hij zoo de krachten van zijn natuur zou leeren kennen. Toen hij in dien toestand te kort schoot, kreeg hij de Wet. Toen deze gegeven was, werd de kwaal erger, niet door een gebrek van de Wet, maar van de natuur, opdat hij zoo zijn zwakheid kennend den geneesheer zou roepen en de hulp der genade zoeken ».Toch paste het niet, dat God onmiddellijk na de zonde mens 31werd. En wel ten eerste, om de aard van de zonde van de mens, die uit hoogmoed voortkwam; daarom moest de mens zó bevrijd worden, dat hij vernederd erkende een bevrijder nodig te hebben. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit de Brief aan de Galaten (3, 19): “uitgevaardigd door de Engelen in de hand van de middelaar”: “Met diep overleg is het gebeurd, dat na de val van de mens Gods Zoon niet aanstonds gezonden werd. God heeft eerst de mens gelaten in zijn wilsvrijheid en in de natuurwet, opdat hij zo de krachten van zijn natuur zou leren kennen. Toen hij in die toestand te kort schoot, kreeg hij de Wet. Toen deze gegeven was, werd de kwaal erger, niet door een gebrek van de Wet, maar van de natuur, opdat hij zo zijn zwakheid kennend de geneesheer zou roepen en de hulp van de genade zoeken”.
Secundo propter ordinem promotionis in bonum, secundum quem ab imperfecto ad perfectum proceditur; unde Apost. dicit 1. ad Cor. 15. [v. 46-47]: « Non prius quod spirituale est, sed quod animale, deinde quod spirituale. Primus homo de terra terrenus: secundus homo de coelo coelestis ».
Ten tweede, om de orde in de bevordering in het goede, waarin men van het onvolmaakte naar het volmaakte overgaat. Daarom zegt de Apostel in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (15, 46 en 47): « Het eerst komt niet wat geestelijk, maar wat dierlijk is, en dan het geestelijke. De eerste mensch was van de aarde, en aardsch, de tweede mensch is van den hemel en hemelsch ».Ten tweede, om de orde in de bevordering in het goede, waarin men van het onvolmaakte naar het volmaakte overgaat. Daarom zegt de Apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (15, 46 en 47): “Het eerst komt niet wat geestelijk, maar wat dierlijk is, en dan het geestelijke. De eerste mens was van de aarde, en aards, de tweede mens is van de hemel en hemels”.
Tertio propter dignitatem4 Verbi incarnati: quia super illud Gal. 4. 32[v. 4]: « At ubi venit plenitudo temporis », dicit Gloss. [ord. Augustinus]: « Quanto major judex veniebat, tanto praeconum series longior praecedere debebat ».
Ten derde, om de waardigheid van het menschgeworden Woord 32zelf. Want bij het woord uit den Galatenbrief (4, 4): « Toen de volheid der tijden ... », zegt de Glossa: « Zooveel te grooter de rechter was, die kwam, zooveel te grooter moest de voorafgaande reeks herauten zijn ».Ten derde, om de waardigheid van het mensgeworden Woord 32zelf. Want bij het woord uit de Galatenbrief (4, 4): “Toen de volheid van de tijden ...”, zegt de Glossa: “Zoveel te groter de rechter was, die kwam, zoveel te groter moest de voorafgaande reeks herauten zijn”.
Quarto, ne fervor fidei temporis prolixitate tepesceret: quia circa finem mundi « frigescet5 charitas multorum » Mt. XXIV. [v. 12], unde6 Luc. 18. [v. 8] dicitur: « Cum filius hominis veniet, putas inveniet fidem in terra? »7.
Ten vierde, opdat de vurigheid van het geloof niet verslappen zou door den langen tijdsduur. Want omstreeks het einde der wereld « zal de liefde van velen verkillen », en bij Lucas (18, 8) wordt gezegd: « Meent gij, dat, als de Menschenzoon komen zal, Hij het geloof op aarde zal vinden? »Ten vierde, opdat de vurigheid van het geloof niet verslappen zou door de lange tijdsduur. Want omstreeks het einde van de wereld “zal de liefde van velen verkillen”, en bij Lukas (18, 8) wordt gezegd: “Meent gij, dat, als de Mensenzoon komen zal, Hij het geloof op aarde zal vinden?”
Ad primum ergo dicendum, quod charitas non differt amico subvenire, salva tamen negotiorum opportunitate, et personarum conditione: si enim medicus statim a principio aegritudinis medicinam daret infirmo, minus proficeret, vel magis laederet, quam juvaret; et ideo etiam Dominus non statim a principio8 incarnationis remedium humano generi exhibuit, ne illud contemneret ex superbia, si prius suam infirmitatem non cognosceret.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde stelt niet uit den vriend te helpen, maar houdt rekening met een geschikte behandeling der zaken en persoonlijke toestanden. Want als de dokter aanstonds bij het begin der ziekte het geneesmiddel aan den zieke geven zou, zou dit een minder goede uitwerking hebben, of meer schaden dan helpen. En daarom heeft de Heer het geneesmiddel der menschwording niet aanstonds aan het menschelijk geslacht gegeven, opdat het dit niet uit hoogmoed verachten zou, als het eerst zijn zwakheid niet kende.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde stelt niet uit de vriend te helpen, maar houdt rekening met een geschikte behandeling van de zaken en persoonlijke toestanden. Want als de dokter aanstonds bij het begin van de ziekte het geneesmiddel aan de zieke geven zou, zou dit een minder goede uitwerking hebben, of meer schaden dan helpen. En daarom heeft de Heer het geneesmiddel van de menswording niet aanstonds aan het menselijk geslacht gegeven, opdat het dit niet uit hoogmoed verachten zou, als het eerst zijn zwakheid niet kende.
33Ad secundum dicendum, quod Augustinus ad hoc respondet in lib. de sex QQ. Paganorum [epist. 102. alm. 49. quaest. 2.], dicens9, quod « tunc voluit Christus hominibus apparere, et apud eos praedicari suam doctrinam, quando et ubi sciebat esse, qui in eum fuerant credituri: his enim temporibus, et his in locis, tales in ejus praedicatione futuros esse praesciebat10, quales non quidem omnes, sed tamen multi in ejus corporali praesentia fuerunt; qui nec in eum, suscitatis ab eo11 mortuis, credere voluerunt ».
332. Augustinus antwoordt hierop in het 2e boek Over de Zes Vragen der Heidenen: « Dan wilde Christus onder de menschen verschijnen, en bij hen zijn leer prediken, wanneer en waar Hij hen te wonen wist, die in Hem zouden gelooven. Want Hij wist, dat er in deze tijden en op deze plaatsen van hetzelfde soort menschen bij zijn prediking zouden zijn, zooals waar Hij lichamelijk tegenwoordig was, die, wel niet allen, maar toch velen, zelfs na het opwekken van dooden niet in Hem wilden gelooven ».332. Augustinus antwoordt hierop in het 2e boek Over de Zes Vragen van de Heidenen: “Dan wilde Christus onder de mensen verschijnen, en bij hen zijn leer prediken, wanneer en waar Hij hen te wonen wist, die in Hem zouden geloven. Want Hij wist, dat er in deze tijden en op deze plaatsen van hetzelfde soort mensen bij zijn prediking zouden zijn, zoals waar Hij lichamelijk tegenwoordig was, die, wel niet allen, maar toch velen, zelfs na het opwekken van doden niet in Hem wilden geloven”.
Sed hanc responsionem reprobans idem Augustinus in lib. de Persever. [cap. 9.] dicit: « Numquid possumus dicere Tyrios, et Sidonios talibus apud se virtutibus factis credere noluisse, aut credituros non fuisse, si fierent, cum ipse Dominus attestetur eis, quod acturi essent magnae humilitatis poenitentiam, si in eis facta essent divinarum illa signa virtutum? »
Maar dezelfde Augustinus verwerpt dit antwoord, in het boek Over de Volharding: « Kunnen wij dan zeggen, dat de Tyriërs en Sidoniërs, als dergelijke wonderen bij hen waren verricht, niet hebben willen gelooven, of niet zouden gelooven, als zij verricht waren; daar de Heer zelf van hen getuigt, dat zij met een groote nederigheid boetvaardigheid gedaan zouden hebben, als onder hen die teekenen van goddelijke macht gegeven waren? »Maar dezelfde Augustinus verwerpt dit antwoord, in het boek Over de Volharding: “Kunnen wij dan zeggen, dat de Tyriërs en Sidoniërs, als dergelijke wonderen bij hen waren verricht, niet hebben willen geloven, of niet zouden geloven, als zij verricht waren; daar de Heer zelf van hen getuigt, dat zij met een grote nederigheid boetvaardigheid gedaan zouden hebben, als onder hen die tekenen van goddelijke macht gegeven waren?”
Proinde, ut ipse solvens subdit cap. 11., « sicut Apostolus ait, non est volentis, neque currentis, sed miserentis Dei; qui his, quos praevidit, si apud eos facta essent, suis miraculis credituros, quibus voluit, subvenit: aliis autem non subvenit, de quibus in sua praedestinatione occulte quidem, sed juste aliud judicavit: ita misericordiam ejus in his qui liberantur, et veritatem in his qui puniuntur, sine dubitatione credamus ».
« Daarom », zooals hij er zelf ter oplossing bijvoegt, « ligt het, zooals de Apostel zegt, niet aan hem, die wil, en niet aan hem, die loopt, maar aan God, die zich ontfermt, die aan wie Hij wil, en waarvan Hij vooruitziet, dat zij aan Zijn wonderen zullen gelooven, 34als zij onder hen verricht zouden zijn, Zijn hulp geeft, maar anderen niet helpt, waarover Hij in zijn voorbestemming, wel verborgen maar rechtvaardig anders geoordeeld heeft. Daarom gelooven wij zonder aarzeling aan Zijn barmhartigheid in hen, die bevrijd worden, en aan Zijn rechtvaardigheid in hen, die gestraft worden ».“Daarom”, zoals hij er zelf ter oplossing bijvoegt, “ligt het, zoals de Apostel zegt, niet aan hem, die wil, en niet aan hem, die loopt, maar aan God, die zich ontfermt, die aan wie Hij wil, en waarvan Hij vooruitziet, dat zij aan Zijn wonderen zullen geloven, 34als zij onder hen verricht zouden zijn, Zijn hulp geeft, maar anderen niet helpt, waarover Hij in zijn voorbestemming, wel verborgen maar rechtvaardig anders geoordeeld heeft. Daarom geloven wij zonder aarzeling aan Zijn barmhartigheid in hen, die bevrijd worden, en aan Zijn rechtvaardigheid in hen, die gestraft worden”.
Ad tertium dicendum, quod perfectum quidem12 est prius imperfecto, in diversis quidem tempore, et natura: oportet enim, quod perfectum sit, quod alia ad perfectionem adducit: sed in uno et eodem imperfectum est prius tempore, etsi sit posterius natura; sic ergo imperfectionem naturae humanae duratione praecedit aeterna Dei perfectio: sed sequitur ipsam consummata perfectio ejus13 in unione ad Deum.
3. Het volmaakte is vóór het onvolmaakte, maar in verschillende dingen, in tijd en in natuur; want het volmaakte moet anderen tot volmaaktheid brengen; maar in een en hetzelfde ding is het onvolmaakte eerder in den tijd, hoewel later naar de natuur. Aldus ging in tijdsduur aan de onvolmaaktheid der menschelijke natuur Gods volmaaktheid vooraf; maar de voltooide volmaaktheid volgt haar in de vereeniging met God.3. Het volmaakte is vóór het onvolmaakte, maar in verschillende dingen, in tijd en in natuur; want het volmaakte moet anderen tot volmaaktheid brengen; maar in een en hetzelfde ding is het onvolmaakte eerder in de tijd, hoewel later naar de natuur. Aldus ging in tijdsduur aan de onvolmaaktheid van de menselijke natuur Gods volmaaktheid vooraf; maar de voltooide volmaaktheid volgt haar in de vereniging met God.
Moest het werk der Menschwording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld?Moest het werk van de Menswording worden uitgesteld tot aan het einde van de wereld?
34Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod incarnationis opus differri 35debuerit usque in finem mundi: dicitur enim in Psal. 91. [v. 11]: « Senectus mea in misericordia uberi », idest « in novissimo », ut Gloss. [interl. et Lomb.] dicit: sed tempus incarnationis est maxime tempus misericordiae, secundum illud Ps. 101. [v. 14]: « Quoniam venit tempus miserendi ejus »; ergo incarnatio differri debuit usque in finem mundi.
34Bedenkingen. — Men beweert, dat het werk der 35menschwording moest uitgesteld worden tot aan het einde der wereld. — 1. In den Psalm (91, 11) wordt immers gezegd: « Mijn ouderdom is in rijke barmhartigheid », dat beteekent, zooals de Glossa zegt, « op het laatst ». Maar de tijd der menschwording is vooral de tijd van barmhartigheid, volgens het woord van den Psalm (101, 14): « Want de tijd van Zijn ontfermen is gekomen ». Dus moest de menschwording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.34Bedenkingen. — Men beweert, dat het werk van de 35menswording moest uitgesteld worden tot aan het einde van de wereld. — 1. In de Psalm (91, 11)a wordt immers gezegd: “Mijn ouderdom is in rijke barmhartigheid”, dat betekent, zoals de Glossa zegt, “op het laatst”. Maar de tijd van de menswording is vooral de tijd van barmhartigheid, volgens het woord van de Psalm (101, 14): “Want de tijd van Zijn ontfermen is gekomen”. Dus moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde van de wereld.
2. Praeterea, sicut dictum est [art. praec. ad 3.], perfectum in eodem tempore est posterius imperfecto; ergo illud quod est maxime perfectum, debet esse omnino ultimum2 in tempore: sed summa perfectio humanae naturae est in unione ad verbum: quia « in Christo complacuit omnem plenitudinem divinitatis inhabitare », ut Apostol. dicit Colos. 1. [v. 19]; ergo incarnatio differri debuit usque in finem mundi.
2. Zooals gezegd is, is het volmaakte, in hetzelfde ding, in tijd na het onvolmaakte. Daarom moet wat het meest volmaakt is, in tijd het laatst zijn. Maar de hoogste volmaaktheid der menschelijke natuur ligt in de vereeniging met God, omdat « in Christus de gansche volheid van God heeft willen wonen », zooals de Apostel zegt in den Colossensenbrief (1, 19). Daarom moest de menschwording worden uitgesteld tot aan het einde der wereld.2. Zoals gezegd is, is het volmaakte, in hetzelfde ding, in tijd na het onvolmaakte. Daarom moet wat het meest volmaakt is, in tijd het laatst zijn. Maar de hoogste volmaaktheid van de menselijke natuur ligt in de vereniging met God, omdat “in Christus de ganse volheid van God heeft willen wonen”, zoals de Apostel zegt in de Kolossenzenbrief (1, 19). Daarom moest de menswording worden uitgesteld tot aan het einde van de wereld.
3. Praeterea, non est conveniens fieri per duo, quod per unum fieri potest: sed unus Christi adventus sufficere poterat ad salutem humanae naturae, qui erit in fine mundi; ergo non oportuit, quod antea veniret per incarnationem; et ita incarnatio differri debuit usque in finem mundi.
[De vertaling van deze derde bedenking ontbreekt in de uitgave.]
Sed contra est, quod dicitur Habac. 3. [v. 2]: « In medio annorum 36notum facies »; non ergo debuit incarnationis mysterium, per quod mundo innotuit, usque in finem mundi differri.
Maar daartegenover staat, dat er bij Habacuc (3, 2) gezegd wordt: « In het midden der jaren zult Gij bekend maken ». Daarom moest het geheim der Menschwording, waardoor Hij aan 36de wereld bekend werd, niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld.Maar daartegenover staat, dat er bij Habakuk (3, 2) gezegd wordt: “In het midden van de jaren zult Gij bekend maken”. Daarom moest het geheim van de Menswording, waardoor Hij aan 36de wereld bekend werd, niet uitgesteld worden tot aan het eind van de wereld.
Respondeo dicendum, quod sicut non fuit conveniens Deum incarnari a principio mundi: ita non fuit conveniens, quod incarnatio differretur usque in finem mundi; quod quidem apparet primo ex unione divinae, et humanae naturae: sicut enim dictum est [art. praec. ad 3.], perfectum uno modo tempore praecedit imperfectum, alio modo e converso imperfectum tempore praecedit perfectum3: in eo enim quod de imperfecto fit perfectum, imperfectum tempore praecedit perfectum: in eo vero, quod est causa perfectionis efficiens, perfectum tempore praecedit imperfectum: in opere autem incarnationis utrumque concurrit: quia natura humana in ipsa incarnatione est perducta ad summam perfectionem, et ideo non decuit, quod a principio humani generis incarnatio facta fuisset: sed ipsum Verbum incarnatum est perfectionis humanae naturae4 causa efficiens, 37secundum illud Joan. 1. [v. 16]: « De plenitudine ejus nos omnes accepimus »; et ideo non debuit incarnationis opus usque in finem mundi differri: sed perfectio gloriae, ad quam perducenda est ultimo natura humana per Verbum incarnatum, erit in fine mundi.
Leerstelling. — Zooals het niet gepast was, dat God mensch werd vanaf het begin der wereld, zoo paste het niet, dat de Menschwording werd uitgesteld tot aan het eind der wereld. Dit nu blijkt ten eerste uit de vereeniging van de goddelijke en menschelijke natuur. Want zooals gezegd is, gaat het volmaakte op één wijze in tijd aan het onvolmaakte vooraf; hierin immers, dat uit het onvolmaakte het volmaakte wordt, gaat het onvolmaakte in tijd het volmaakte vooraf; maar hierin, dat het de uitwerkende oorzaak der vervolmaking is, gaat het volmaakte in tijd aan het onvolmaakte vooraf. Nu komen in het werk der Menschwording beiden samen. Want de menschelijke natuur is in de Menschwording zelf tot de hoogste volmaaktheid gebracht; en daarom paste het niet, dat de Menschwording vanaf het begin van het menschelijk geslacht tot stand gebracht was. Maar het menschgeworden Woord zelf is de uitwerkende oorzaak der vervolmaking van den mensch; volgens dit woord van Johannes (1, 16): « Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen », en 37daarom moest het werk der Menschwording niet uitgesteld worden tot aan het eind der wereld. Maar de volmaakte heerlijkheid, waartoe de menschelijke natuur ten slotte door het menschgeworden Woord gebracht moet worden, zal zijn aan het eind der wereld.Leerstelling. — Zoals het niet gepast was, dat God mens werd vanaf het begin van de wereld, zo paste het niet, dat de Menswording werd uitgesteld tot aan het eind van de wereld. Dit nu blijkt ten eerste uit de vereniging van de goddelijke en menselijke natuur. Want zoals gezegd is, gaat het volmaakte op één wijze in tijd aan het onvolmaakte vooraf; hierin immers, dat uit het onvolmaakte het volmaakte wordt, gaat het onvolmaakte in tijd het volmaakte vooraf; maar hierin, dat het de uitwerkende oorzaak van de vervolmaking is, gaat het volmaakte in tijd aan het onvolmaakte vooraf. Nu komen in het werk van de Menswording beiden samen. Want de menselijke natuur is in de Menswording zelf tot de hoogste volmaaktheid gebracht; en daarom paste het niet, dat de Menswording vanaf het begin van het menselijk geslacht tot stand gebracht was. Maar het mensgeworden Woord zelf is de uitwerkende oorzaak van de vervolmaking van de mens; volgens dit woord van Johannes (1, 16): “Van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen”, en 37daarom moest het werk van de Menswording niet uitgesteld worden tot aan het eind van de wereld. Maar de volmaakte heerlijkheid, waartoe de menselijke natuur ten slotte door het mensgeworden Woord gebracht moet worden, zal zijn aan het eind van de wereld.
Secundo ex effectu humanae salutis; ut enim dicitur in lib. de QQ. Vet. et Nov. Testam. [q. 83. inter op. August.], « in potestate dantis est, quando, vel quantum velit misereri; venit ergo, quando et subveniri debere scivit, et gratum futurum beneficium: cum enim languore quodam humani generis obsolescere coepisset cognitio Dei inter homines, et mores immutarentur, eligere dignatus est Abraham, in quo forma esset renovatae notitiae Dei, et morum: et cum adhuc reverentia segnior esset, postea per Moysem legem litteris dedit: et quia eam gentes spreverunt, non se subjicientes ei, neque hi qui acceperunt, eam servaverunt, motus misericordia Dominus misit Filium suum, qui data omnibus remissione peccatorum Deo Patri illos justificatos offerret »: si autem hoc remedium differretur usque 38in finem mundi, totaliter Dei notitia, et reverentia, et morum honestas abolita fuisset in terris.
Ten tweede uit het gevolg, het heil der menschen. Want zooals gezegd wordt in het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Testament, « ligt het in de macht van den gever, zich te ontfermen wanneer en in zoover als hij wil. Hij kwam dus, toen Hij wist, dat er hulp gebracht moest worden, en dat de toekomstige weldaad aangenaam zou zijn. Want toen door een soort matheid van het menschengeslacht de kennis van God onder de menschen begon te vervagen, en de zeden veranderden, gewaardigde Hij zich Abraham uit te kiezen, opdat er in hem een voorbeeld zou zijn van de hernieuwde kennis van God en van zeden. En toen de eerbied nog te traag was, gaf Hij vervolgens door Moses de geschreven Wet. En toen de volken haar verachtten en zich niet aan haar onderwierpen, en zij, die haar ontvangen hadden, haar niet onderhielden, zond de Heer, door medelijden bewogen, Zijn Zoon, opdat Hij na aan allen vergiffenis van zonden geschonken te hebben, hen gerechtvaardigd aan God den Vader zou aanbieden ». Maar als dit geneesmiddel werd uitgesteld tot aan het eind der 38wereld, zouden de kennis van God en de eerbied en de goede zeden geheel van de wereld verdwenen zijn.Ten tweede uit het gevolg, het heil van de mensen. Want zoals gezegd wordt in het boek Over de Vragen van het Oude en Nieuwe Testament, “ligt het in de macht van de gever, zich te ontfermen wanneer en in zover als hij wil. Hij kwam dus, toen Hij wist, dat er hulp gebracht moest worden, en dat de toekomstige weldaad aangenaam zou zijn. Want toen door een soort matheid van het mensengeslacht de kennis van God onder de mensen begon te vervagen, en de zeden veranderden, gewaardigde Hij zich Abraham uit te kiezen, opdat er in hem een voorbeeld zou zijn van de hernieuwde kennis van God en van zeden. En toen de eerbied nog te traag was, gaf Hij vervolgens door Moses de geschreven Wet. En toen de volken haar verachtten en zich niet aan haar onderwierpen, en zij, die haar ontvangen hadden, haar niet onderhielden, zond de Heer, door medelijden bewogen, Zijn Zoon, opdat Hij na aan allen vergiffenis van zonden geschonken te hebben, hen gerechtvaardigd aan God de Vader zou aanbieden”. Maar als dit geneesmiddel werd uitgesteld tot aan het eind van de 38wereld, zouden de kennis van God en de eerbied en de goede zeden geheel van de wereld verdwenen zijn.
Tertio apparet hoc fuisse5 conveniens ad manifestationem divinae virtutis, quae pluribus modis homines salvavit, non solum per fidem futuri, sed etiam per fidem praesentis et praeteriti.
Ten derde blijkt het, dat dit niet voor de openbaring van de goddelijke macht gepast was geweest; deze immers heeft op meerdere wijzen de menschen gered, niet alleen door geloof in wat komt, maar ook door geloof in wat is en geweest is.Ten derde blijkt het, dat dit niet voor de openbaring van de goddelijke macht gepast was geweest; deze immers heeft op meerdere wijzen de mensen gered, niet alleen door geloof in wat komt, maar ook door geloof in wat is en geweest is.
Ad primum ergo dicendum, quod Gloss. illa exponit de misericordia perducente ad gloriam: si tamen referatur ad misericordiam exhibitam humano generi per incarnationem Christi, sciendum est, quod, sicut Augustinus dicit in lib. 1. Retract. [cap. 26.], tempus incarnationis potest comparari juventuti humani generis « propter vigorem, fervoremque fidei, quae per dilectionem operatur »: senectuti autem, quae est sexta aetas, « propter numerum temporum; quia Christus venit in sexta aetate; et quamvis in corpore non possit simul esse juventus, et senectus; potest tamen simul esse in anima, illa propter alacritatem, ista propter gravitatem »; et ideo alicubi in lib. 83. QQ. [q. 44.] dicit Augustinus, quod « non 39oportuit divinitus venire magistrum, cujus imitatione humanum genus in mores optimos formaretur, nisi tempore juventutis »: alibi autem [lib. 1. de Gen. cont. Manich. cap. 23.] dicit, Christum in sexta aetate humani generis, tamquam in senectute venisse.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze Glossa legt het uit van de barmhartigheid, die tot heerlijkheid voert. Maar als men het betrekt op de barmhartigheid, die aan het menschengeslacht bewezen werd door Christus' Menschwording, dan dient men te weten, dat zooals Augustinus zegt in het boek der Retractaties, de tijd der Menschwording vergeleken kan worden met de jeugd van het menschengeslacht « wegens de kracht en de gloed van het geloof, dat door de liefde werkt », maar ook met de ouderdom, die het zesde tijdperk is, « wegens het getal der tijden, omdat Christus kwam in het zesde tijdperk. En al kan in het lichaam geen jeugd en ouderdom tegelijk zijn, kunnen dezen in de ziel tezamen zijn; de eene om de vurigheid, de andere om de ernst ». En daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken, 39dat « het niet paste, dat de Leeraar van godswege, door Wiens navolging het menschengeslacht tot de beste zeden gevormd moest worden, kwam tenzij in den tijd der jeugd »; maar op andere plaatsen zegt hij, dat Christus kwam in het zesde tijdperk van het menschengeslacht, als in de ouderdom.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze Glossa legt het uit van de barmhartigheid, die tot heerlijkheid voert. Maar als men het betrekt op de barmhartigheid, die aan het mensengeslacht bewezen werd door Christus' Menswording, dan dient men te weten, dat zoals Augustinus zegt in het boek van de Retractaties, de tijd van de Menswording vergeleken kan worden met de jeugd van het mensengeslacht “wegens de kracht en de gloed van het geloof, dat door de liefde werkt”, maar ook met de ouderdom, die het zesde tijdperk is, “wegens het getal van de tijden, omdat Christus kwam in het zesde tijdperk. En al kan in het lichaam geen jeugd en ouderdom tegelijk zijn, kunnen deze in de ziel tezamen zijn; de ene om de vurigheid, de andere om de ernst”. En daarom zegt Augustinus in het boek Over de 83 Vraagstukken, 39dat “het niet paste, dat de Leraar van godswege, door Wiens navolging het mensengeslacht tot de beste zeden gevormd moest worden, kwam tenzij in de tijd van de jeugd”; maar op andere plaatsen zegt hij, dat Christus kwam in het zesde tijdperk van het mensengeslacht, als in de ouderdom.
Ad secundum dicendum, quod opus incarnationis non solum est considerandum, ut terminus motus de imperfecto ad perfectum, sed etiam ut principium perfectionis in humana natura, ut dictum est [in corp. art.].
2. Het werk der Menschwording moet niet alleen beschouwd worden als de grens der beweging van het onvolmaakte naar het volmaakte; maar als het beginsel der volmaaktheid in de menschelijke natuur, zooals gezegd is.2. Het werk van de Menswording moet niet alleen beschouwd worden als de grens van de beweging van het onvolmaakte naar het volmaakte; maar als het beginsel van de volmaaktheid in de menselijke natuur, zoals gezegd is.
Ad tertium dicendum, quod, sicut dicit Chrysostomus super illud Joan. 3. [v. 17]: « Non misit Deus Filium suum in mundum, ut judicet mundum » [hom. 28.], « duo sunt Christi adventus: primus quidem, ut remittat peccata: secundus, ut judicet mundum: si enim hoc non fecisset, universi simul perditi essent: omnes enim peccaverunt, et egent gloria Dei [Rom. 3.] »; unde patet, quod non debuit adventum misericordiae differre usque in finem mundi.
3. Zooals Chrysostomus zegt bij dat woord van Johannes (3, 17): « God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld om de wereld te oordeelen »: « Zijn er twee komsten van Christus; en wel de eerste om de zonden te vergeven; de tweede om te oordeelen. Want als Hij het eerste niet gedaan had, zouden allen te zamen verworpen zijn; allen immers hebben gezondigd en missen Gods heerlijkheid ». Daaruit blijkt het, dat de komst in barmhartigheid niet uitgesteld moest worden tot aan het einde der wereld.3. Zoals Chrysostomus zegt bij dat woord van Johannes (3, 17): “God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld om de wereld te oordelen”: “Zijn er twee komsten van Christus; en wel de eerste om de zonden te vergeven; de tweede om te oordelen. Want als Hij het eerste niet gedaan had, zouden allen te zamen verworpen zijn; allen immers hebben gezondigd en missen Gods heerlijkheid”. Daaruit blijkt het, dat de komst in barmhartigheid niet uitgesteld moest worden tot aan het einde van de wereld.