Theologische SummaSumma · II-IISumma · II-IIII-II

Secunda Secundae

Proloog

  1. Wat alle staten aangaat: de deugden (Kw. 1–170)
    1. De goddelijke deugden (Kw. 1–46)
      1. Het geloof (Kw. 1–16)
        1. Kw. 1 Over het geloof
        2. Kw. 2 Over de inwendige geloofsdaad
        3. Kw. 3 Over de uitwendige geloofsdaad
        4. Kw. 4 Over de deugd van geloof
        5. Kw. 5 Over degenen, die het geloof bezitten
        6. Kw. 6 Over de oorzaak van het geloof
        7. Kw. 7 Over de uitwerkselen van het geloof
        8. Kw. 8 Over de gave van verstand
        9. Kw. 9 Over de gave van wetenschap
        10. Kw. 10 Over het ongeloof in het algemeen
        11. Kw. 11 Over de ketterij
        12. Kw. 12 Over de geloofsverzaking
        13. Kw. 13 Over de zonde van godslastering in het algemeen
        14. Kw. 14 Over de godslastering tegen den Heiligen GeestOver de godslastering tegen de Heilige Geest
        15. Kw. 15 Over de ondeugden, die tegengesteld zijn aan de gaven van wetenschap en verstand
        16. Kw. 16 Over de geboden, die betrekking hebben op het geloof, de wetenschap en het verstand
      2. De hoop (Kw. 17–22)
        1. Kw. 17 Over de deugd van hoop op zichzelf beschouwd
        2. Kw. 18 Over den zetel der hoopOver de zetel van de hoop
        3. Kw. 19 Over de gave van vrees
        4. Kw. 20 Over de wanhoop
        5. Kw. 21 Over het vermetel vertrouwen
        6. Kw. 22 Over de geboden, betreffende de hoop en de vrees
      3. De liefde (Kw. 23–46)
        1. Kw. 23 Over de liefde op zichzelf beschouwd
        2. Kw. 24 Over den zetel der liefdeOver de zetel van de liefde
        3. Kw. 25 Over het voorwerp van de liefde
        4. Kw. 26 Over de rangorde der liefdeOver de rangorde van de liefde
        5. Kw. 27 Over de voornaamste daad der liefde, nl. het beminnenOver de voornaamste daad van de liefde, nl. het beminnen
    2. De kardinale deugden (Kw. 47–170)
      1. De verstandigheid (Kw. 47–56)
        1. Kw. 47 Over de deugd van verstandigheid op zichzelf beschouwd
        2. Kw. 48 Over de onderdeelen der verstandigheidOver de onderdelen van de verstandigheid
        3. Kw. 49 Over de integreerende of onontbeerlijke deelen der verstandigheid afzonderlijkOver de integrerende of onontbeerlijke delen van de verstandigheid afzonderlijk
        4. Kw. 50 Over de subjectieve deelen, of soorten van de verstandigheidOver de subjectieve delen, of soorten van de verstandigheid
        5. Kw. 51 Over de potentieele of bijkomstige onderdeelen van de verstandigheidOver de potentiële of bijkomstige onderdelen van de verstandigheid
        6. Kw. 52 Over de gave van raad
        7. Kw. 53 Over de onverstandigheid
        8. Kw. 54 Over de nalatigheid
        9. Kw. 55 Over de ondeugden tegen de verstandigheid, die een zekere gelijkenis met haar vertoonenOver de ondeugden tegen de verstandigheid, die een zekere gelijkenis met haar vertonen
        10. Kw. 56 Over de geboden, betreffende de verstandigheid
      2. De rechtvaardigheid (Kw. 57–122)
        1. De rechtvaardigheid zelf (Kw. 57–79)
          1. Kw. 57 Over het recht
          2. Kw. 58 Over de rechtvaardigheid
          3. Kw. 59 Over de onrechtvaardigheid
          4. Kw. 60 Over het oordeel
          5. Kw. 61 Over de deelen van de rechtvaardigheidOver de delen van de rechtvaardigheid
          6. Kw. 62 Over de teruggave
          7. Kw. 63 Over het aanzien van personen
          8. Kw. 64 Over den doodslagOver de doodslag
          9. Kw. 65 Over de andere onrechtvaardigheden die tegen den persoon worden bedrevenOver de andere onrechtvaardigheden die tegen de persoon worden bedreven
          10. Kw. 66 Over diefstal en roof
        2. De met de rechtvaardigheid verwante deugden (Kw. 80–122)
          1. Kw. 80 Over wat deel heeft aan de kracht van de rechtvaardigheid
          2. Kw. 81 Over de godsdienstigheid
          3. Kw. 82 Over de toewijding
          4. Kw. 83 Over het gebed
          5. Kw. 84 Over de aanbidding
          6. Kw. 85 Over de offers
          7. Kw. 86 Over de wijgeschenken en eerstelingenoffers
          8. Kw. 87 Over de tienden
          9. Kw. 88 Over de gelofte
          10. Kw. 89 Over den eedOver de eed
          11. Kw. 90 Over het gebruiken van Gods naam bij een bezwering
          12. Kw. 91 Over het gebruik van Gods naam om Hem lovend aan te roepen
          13. Kw. 92 Over de bijgeloovigheidOver de bijgelovigheid
          14. Kw. 93 Over het bijgeloof in het op een verkeerde manier dienen van den waren GodOver het bijgeloof in het op een verkeerde manier dienen van de ware God
          15. Kw. 94 Over de afgoderij
          16. Kw. 95 Over het bijgeloof in de waarzeggerij
          17. Kw. 96 Over de bijgeloovige gebruikenOver de bijgelovige gebruiken
          18. Kw. 97 Over het op de proef stellen van God
          19. Kw. 98 Over den meineedOver de meineed
          20. Kw. 99 Over de heiligschennis
          21. Kw. 100 Over de simonie
      3. De sterkte (Kw. 123–140)
      4. De matigheid (Kw. 141–170)
  2. Wat bepaalde menschen aangaatWat bepaalde mensen aangaat (Kw. 171–189)
    1. De genadegaven (Kw. 171–178)
    2. Het werkdadig en het beschouwend leven (Kw. 179–182)
    3. De ambten en staten (Kw. 183–189)