Theologische Summa · Secunda Secundae · De verstandigheidSumma · II-II · De verstandigheidSumma · II-II · Kw. 50Kw. 50
Quaestio L

De partibus subjectivis prudentiae in quatuor articulos divisa

Kwestie 50

Over de subjectieve deelen, of soorten van de verstandigheidOver de subjectieve delen, of soorten van de verstandigheid

(Vier Artikelen)

94Postea considerandum est de partibus subjectivis prudentiae.

94Thans moet er gesproken worden over de subjectieve deelen of de soorten van de verstandigheid.94Thans moet er gesproken worden over de subjectieve delen of de soorten van de verstandigheid.

Et quia de prudentia per quam aliquis regit seipsum jam dictum est [q. 47. art. 10. et 11.], restat nunc dicendum de speciebus prudentiae quibus multitudo gubernatur.

Over die soort verstandigheid, waarmee ieder zichzelf behoort te regeeren, is reeds gesproken (47e Kw. 10e en 11e Art.). Er blijft dus over te handelen over die soort verstandigheid waarmee een groep van menschen bestuurd wordt.Over die soort verstandigheid, waarmee ieder zichzelf behoort te regeren, is reeds gesproken (47e Kw. tiende en 11. Art.). Er blijft dus over te handelen over die soort verstandigheid waarmee een groep van mensen bestuurd wordt.

Circa quas quaeruntur quatuor: 1. Utrum lex positiva1 debeat poni species prudentiae. — 2. Utrum politica. — 3. Utrum oeconomica. — 4. Utrum militaris.

Hieromtrent kan men vier vragen stellen: 1. Kan men spreken van een verstandigheid van den staatsman of regeerder? 2. Kan men spreken van een verstandigheid van den staatsburger? 3. Kan men spreken van een verstandigheid in familiezaken? 4. Kan men spreken van een verstandigheid in krijgszaken?Hieromtrent kan men vier vragen stellen: 1. Kan men spreken van een verstandigheid van de staatsman of regeerder? 2. Kan men spreken van een verstandigheid van de staatsburger? 3. Kan men spreken van een verstandigheid in familiezaken? 4. Kan men spreken van een verstandigheid in krijgszaken?

Articulus I

Utrum regnativa debeat poni species prudentiae

[Supr. q. 48. art. unico. et 3. Dist. 33. q. 3. art. 1. qla. 4.]
Ie Artikel

Kan men spreken van een verstandigheid van den staatsman of regeerder?Kan men spreken van een verstandigheid van de staatsman of regeerder?

antwoord 1 ↓

95Ad primum sic proceditur. Videtur quod regnativa non debet poni species prudentiae. Regnativa enim ordinatur ad justitiam conservandam: dicitur enim in 5. Ethic. [cap. 6.] quod « princeps est custos justitiae ». Ergo regnativa magis pertinet ad justitiam quam ad prudentiam.

95Bedenkingen. — Men beweert, dat men de verstandigheid van den staatsman niet mag rekenen onder de soorten van de verstandigheid. — 1. De verstandigheid van den staatsman heeft tot taak de gerechtigheid te bewaren. In de Ethica wordt gezegd dat « een regeerder de bewaker is van het recht ». Dus behoort de verstandigheid van den staatsman eerder tot de rechtvaardigheid.95Bedenkingen. — Men beweert, dat men de verstandigheid van de staatsman niet mag rekenen onder de soorten van de verstandigheid. — 1. De verstandigheid van de staatsman heeft tot taak de gerechtigheid te bewaren. In de Ethica wordt gezegd dat “een regeerder de bewaker is van het recht”. Dus behoort de verstandigheid van de staatsman eerder tot de rechtvaardigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, secundum Philosophum in 3. Politic. [cap. 5.], regnum est una sex specierum politicarum1. Sed nulla species prudentiae sumitur secundum alias quinque politias, quae sunt aristocratia, timocratia2, tyrannis, olicratia3, democratia. Ergo nec secundum regnum debet sumi regnativa.

2. Volgens den Wijsgeer is het « rijk » één van de zes regeeringsvormen. Maar geen soort verstandigheid wordt genoemd naar de andere vijf regeeringsvormen, die zijn: de aristocratie, de timocratie, de tyrannie, de oligarchie, en de democratie. Dus moet ook naar het rijk, geen soort verstandigheid genoemd worden.2. Volgens de Wijsgeer is het “rijk” één van de zes regeringsvormen. Maar geen soort verstandigheid wordt genoemd naar de andere vijf regeringsvormen, die zijn: de aristocratie, de timocratie, de tirannie, de oligarchie, en de democratie. Dus moet ook naar het rijk, geen soort verstandigheid genoemd worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, leges ponere4 non solum pertinet ad reges, sed etiam 96ad quosdam alios principatus, et etiam ad populum; ut patet per Isidorum, in lib. 2. Etym. [cap. 10.]. Sed Philosophus in 6. Ethic. [cap. 8.], ponit legispositivam partem prudentiae. Inconvenienter ergo loco ejus ponitur regnativa.

3. De wetgevende macht komt niet alleen toe aan koningen, 96maar ook aan andere staatshoofden en zelfs aan het volk, zooals blijkt uit het gezegde van Isidorus. Maar de Wijsgeer zegt dat de wetgeving een onderdeel van de verstandigheid is. Men kan dus de verstandigheid van den staatsman niet in haar plaats stellen.3. De wetgevende macht komt niet alleen toe aan koningen, 96maar ook aan andere staatshoofden en zelfs aan het volk, zoals blijkt uit het gezegde van Isidorus. Maar de Wijsgeer zegt dat de wetgeving een onderdeel van de verstandigheid is. Men kan dus de verstandigheid van de staatsman niet in haar plaats stellen.

Sed contra est quod Philosophus dicit in 3. Politic. [cap. 2.], quod « prudentia est propria virtus principis ». Ergo specialis prudentia debet esse regnativa.

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt dat « de verstandigheid de eigenlijke deugd is van den regeerder ». Daarom is een bijzonder soort verstandigheid, de verstandigheid van den staatsman.Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt dat “de verstandigheid de eigenlijke deugd is van de regeerder”. Daarom is een bijzonder soort verstandigheid, de verstandigheid van de staatsman.

Respondeo dicendum quod sicut ex supra dictis patet [q. 47. art. 8. et 12.], ad prudentiam pertinet regere et praecipere. Et ideo ubi invenitur specialis ratio regiminis et praecepti in humanis actibus, ibi etiam invenitur specialis ratio prudentiae. Manifestum est autem quod in eo qui non solum seipsum habet regere, sed etiam communitatem perfectam civitatis vel regni, invenitur specialis et perfecta ratio regiminis: tanto enim regimen perfectius est quanto universalius est, ad plura se extendens et ulteriorem finem attingens. Et ideo regi, ad quem pertinet regere civitatem vel regnum, 97prudentia competit secundum specialem et perfectissimam sui rationem. Et propter hoc regnativa ponitur species prudentiae.

Leerstelling. — Boven (47e Kw. 8e en 12e Art.) bleek, dat het de taak de verstandigheid is, te regeeren en te bevelen. Waar dus een bijzonder soort van regeeren en bevelen aanwezig is, daar moet ook een bijzonder soort verstandigheid zijn. Het is duidelijk dat aan iemand, die niet alleen zichzelf maar tevens een volmaakte gemeenschap, b.v. een staat of een stad te besturen heeft, het regeeren in een onderscheiden en hoogeren zin toekomt. Want de zin van regeeren is hooger naarmate het omvattender is, d.w.z. een hooger doel nastreeft. Daarom moet de staatsman, die een stad of een staat moet regeeren de verstandigheid in een bijzonderen 97zin en wel in haar hoogsten vorm bezitten. Daarom ook moet de verstandigheid van den staatsman of het regeeringsbeleid, beschouwd worden als een soort van de verstandigheid.Leerstelling. — Boven (47e Kw. 8e en 12e Art.) bleek, dat het de taak de verstandigheid is, te regeren en te bevelen. Waar dus een bijzonder soort van regeren en bevelen aanwezig is, daar moet ook een bijzonder soort verstandigheid zijn. Het is duidelijk dat aan iemand, die niet alleen zichzelf maar tevens een volmaakte gemeenschap, bv. een staat of een stad te besturen heeft, het regeren in een onderscheiden en hogeren zin toekomt. Want de zin van regeren is hoger naarmate het omvattender is, d.w.z. een hoger doel nastreeft. Daarom moet de staatsman, die een stad of een staat moet regeren de verstandigheid in een bijzonderen 97zin en wel in haar hoogsten vorm bezitten. Daarom ook moet de verstandigheid van de staatsman of het regeringsbeleid, beschouwd worden als een soort van de verstandigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod omnia quae sunt virtutum moralium pertinent ad prudentiam sicut ad dirigentem: unde et ratio recta prudentiae ponitur in difinitione virtutis moralis, ut supra dictum est [q. 47. art. 5. ad 1. et 1-2. q. 58. art. 2. ad 4.]. Et ideo etiam executio justitiae, prout ordinatur ad bonum commune quod pertinet ad officium regis, indiget directione prudentiae. Unde istae duae virtutes sunt maxime propriae regi, scilicet prudentia et justitia, secundum illud Jerem. 23. [v. 5] : « Regnabit rex et sapiens erit et faciet judicium et justitiam in terra ». Quia tamen dirigere magis pertinet ad regem, exequi autem ad subditos, ideo regnativa magis ponitur species prudentiae, quae est directiva, quam justitiae, quae est executiva.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle zedelijke deugden behooren eenigszins tot de verstandigheid, daar deze aan alle leiding geeft. Daarom behoort het juiste oordeel der verstandigheid tot het wezen van iedere deugd, zooals boven werd aangetoond (47e Kw. 5e Art. 1e Antw.; I. II. 58e Kw. 2e Art. 4e Antw.). Zoo eischt ook de uitvoering der rechtvaardigheid, voor zoover gericht op het algemeen welzijn — wat behoort tot de taak van den koning — de leiding der verstandigheid. Daarom zijn deze twee — de rechtvaardigheid en de verstandigheid — echte koningsdeugden, naar het woord van Jeremias (23. 5) : « Als koning zal hij heerschen en de wijsheid bezitten, en beleid en rechtvaardigheid zal hij doen heerschen op aarde ». Het regeeringsbeleid is echter meer een oordeel van de verstandigheid dan van de rechtvaardigheid, omdat het bevelen den koning behoort, het uitvoeren van de taak der onderdanen is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle zedelijke deugden behoren enigszins tot de verstandigheid, daar deze aan alle leiding geeft. Daarom behoort het juiste oordeel van de verstandigheid tot het wezen van iedere deugd, zoals boven werd aangetoond (47e Kw. 5e Art. 1e Antw.; 1-2 58e Kw. 2e Art. 4e Antw.). Zo eist ook de uitvoering van de rechtvaardigheid, voor zover gericht op het algemeen welzijn — wat behoort tot de taak van de koning — de leiding van de verstandigheid. Daarom zijn deze twee — de rechtvaardigheid en de verstandigheid — echte koningsdeugden, naar het woord van Jeremia (23, 5): “Als koning zal hij heersen en de wijsheid bezitten, en beleid en rechtvaardigheid zal hij doen heersen op aarde”. Het regeringsbeleid is echter meer een oordeel van de verstandigheid dan van de rechtvaardigheid, omdat het bevelen de koning behoort, het uitvoeren van de taak van de onderdanen is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod regnum inter alias politias est optimum regimen, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 10.]. Et ideo species prudentiae 98magis debuit denominari a regno. Ita tamen quod sub regnativa comprehendantur omnia alia regimina recta: non autem perversa, quae virtuti opponuntur, unde non pertinent ad prudentiam.

2. De éénhoofdige regeering (rijk) is de beste regeeringsvorm, zooals de Wijsgeer zegt. Maar onder éénhoofdige regeeringsvorm kan men ook alle goede regeeringsvormen verstaan (en zóó kan men 98spreken van de verstandigheid van den staatsman) maar niet de slechte regeeringsvormen, die met de deugd in strijd zijn, en welke dus met de ware verstandigheid niets te maken hebben.2. De éénhoofdige regering (rijk) is de beste regeringsvorm, zoals de Wijsgeer zegt. Maar onder éénhoofdige regeringsvorm kan men ook alle goede regeringsvormen verstaan (en zó kan men 98spreken van de verstandigheid van de staatsman) maar niet de slechte regeringsvormen, die met de deugd in strijd zijn, en welke dus met de ware verstandigheid niets te maken hebben.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Philosophus denominat regnativam a principali actu regiminis5, qui est leges ponere. Quod etsi conveniat aliis, non convenit eis nisi secundum quod participant aliquid de regimine regis.

3. De Wijsgeer noemt de verstandigheid van den staatsman ook de verstandigheid van den wetgever, omdat de wetgeving de voornaamste taak van de verstandigheid van het staatshoofd is. Deze taak komt echter ook anderen toe, doch slechts in zooverre zij eenigszins deelnemen aan de macht van het staatshoofd.3. De Wijsgeer noemt de verstandigheid van de staatsman ook de verstandigheid van de wetgever, omdat de wetgeving de voornaamste taak van de verstandigheid van het staatshoofd is. Deze taak komt echter ook anderen toe, doch slechts in zoverre zij enigszins deelnemen aan de macht van het staatshoofd.

Articulus II

Utrum politica convenienter ponatur pars prudentiae

[Locis sup. art. 1. notatis.]
IIe Artikel

Is de verstandigheid van den staatsburger een afzonderlijke soort van de verstandigheid?Is de verstandigheid van de staatsburger een afzonderlijke soort van de verstandigheid?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod politica non convenienter ponatur pars prudentiae. Regnativa enim est pars politicae prudentiae, ut dictum est [q. 48.]. Sed pars non debet dividi contra totum. Ergo politica non debet poni alia species prudentiae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet kan spreken van de verstandigheid van den staatsburger als van een afzonderlijke soort verstandigheid. — 1. Het regeeringsbeleid was al een soort burgerlijke verstandigheid (48e Kw.). Iets kan niet tegelijk een deel en het geheel zijn. Dus kan men de verstandigheid van den onderdaan niet laten gelden als onderdeel van de verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet kan spreken van de verstandigheid van de staatsburger als van een afzonderlijke soort verstandigheid. — 1. Het regeringsbeleid was al een soort burgerlijke verstandigheid (48e Kw.). Iets kan niet tegelijk een deel en het geheel zijn. Dus kan men de verstandigheid van de onderdaan niet laten gelden als onderdeel van de verstandigheid.

antwoord 2 ↓

992. Praeterea, species habituum distinguuntur secundum diversa objecta. Sed eadem sunt quae oportet regnantem praecipere et subditum exequi. Ergo politica, secundum quod pertinet ad subditos, non debet poni species prudentiae distincta a regnativa.

992. De soorten van deugden worden onderscheiden naar de objecten. Maar het bevel van den regeerder en het uitvoeren van dit bevel door den onderdaan gelden hetzelfde object. Dus kan de verstandigheid van den onderdaan niet als afzonderlijke soort naast de verstandigheid van den staatsman staan.992. De soorten van deugden worden onderscheiden naar de objecten. Maar het bevel van de regeerder en het uitvoeren van dit bevel door de onderdaan gelden hetzelfde object. Dus kan de verstandigheid van de onderdaan niet als afzonderlijke soort naast de verstandigheid van de staatsman staan.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, unusquisque subditorum est singularis persona. Sed quaelibet singularis persona seipsam sufficienter dirigere potest per prudentiam communiter dictam. Ergo non oportet poni aliam speciem prudentiae quae dicatur politica.

3. Ieder onderdaan is een afzonderlijk persoon en kan zich derhalve voldoende besturen door de gewone verstandigheid. Er behoeft dus geen burgerlijke verstandigheid als afzonderlijke verstandigheid van den onderdaan te zijn.3. Ieder onderdaan is een afzonderlijk persoon en kan zich derhalve voldoende besturen door de gewone verstandigheid. Er behoeft dus geen burgerlijke verstandigheid als afzonderlijke verstandigheid van de onderdaan te zijn.

Sed contra est quod Philosophus dicit in 6. Ethic. [cap. 8.] : « Ejus autem quae circa civitatem haec quidem ut architectonica prudentia legispositiva; haec autem commune nomen habet politica, circa singularia existens ».

Daartegenover echter staat dat de Wijsgeer zegt: « In de sociale orde komt den bestuurder het regeeringsbeleid toe als een hoogergeschikte verstandigheid, den onderdaan een burgerlijke verstandigheid, die de afzonderlijke wetten uitvoert ».Daartegenover echter staat dat de Wijsgeer zegt: “In de sociale orde komt de bestuurder het regeringsbeleid toe als een hoogergeschikte verstandigheid, de onderdaan een burgerlijke verstandigheid, die de afzonderlijke wetten uitvoert”.

Respondeo dicendum quod servus per imperium movetur a domino et subditur a principante, aliter tamen quam irrationabilia et inanimata moveantur a suis motoribus. Nam inanimata et irrationabilia aguntur solum ab alio, non autem ipsa agunt seipsa: quia non habent dominium sui actus 100per liberum arbitrium. Et ideo rectitudo regiminis ipsorum non est in ipsis, sed solum in motoribus. Sed homines servi, vel quicumque subditi, ita aguntur ab aliis per praeceptum quod tamen agunt seipsos per liberum arbitrium. Et ideo requiritur in eis quaedam rectitudo regiminis per quam seipsos dirigant in obediendo principatibus. Et ad hoc pertinet species prudentiae, quae politica vocatur.

Leerstelling. — Een dienaar is ondergeschikt aan zijn meester en wordt tot handelen bewogen door diens bevel, anders echter dan de niet-redelijke en niet-bezielde wezens bewogen worden door bewegende krachten. Want onbezielde en niet-redelijke wezens handelen zelf niet, doch worden voortgestuwd 100door de handeling van een ander, omdat zij geen meester zijn over hun daden door den vrijen wil. De juistheid bij hun bestuur komt niet van henzelf doch alleen van de bewegende krachten buiten hen. Maar menschen, als dienaren en onderworpenen, worden zoodanig door het bevel van anderen bewogen, dat zij toch zelf handelen door hun vrijen wil. En daarom is er bij hen een zekere juistheid van bestuur noodig, waardoor zij zichzelf richten in gehoorzaamheid aan hun bevelers. En hierop is de verstandigheid van den onderdaan als afzonderlijke burgerlijke verstandigheid gericht.Leerstelling. — Een dienaar is ondergeschikt aan zijn meester en wordt tot handelen bewogen door diens bevel, anders echter dan de niet-redelijke en niet-bezielde wezens bewogen worden door bewegende krachten. Want onbezielde en niet-redelijke wezens handelen zelf niet, doch worden voortgestuwd 100door de handeling van een ander, omdat zij geen meester zijn over hun daden door de vrije wil. De juistheid bij hun bestuur komt niet van henzelf doch alleen van de bewegende krachten buiten hen. Maar mensen, als dienaren en onderworpenen, worden zodanig door het bevel van anderen bewogen, dat zij toch zelf handelen door hun vrijen wil. En daarom is er bij hen een zekere juistheid van bestuur nodig, waardoor zij zichzelf richten in gehoorzaamheid aan hun bevelers. En hierop is de verstandigheid van de onderdaan als afzonderlijke burgerlijke verstandigheid gericht.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sicut dictum est [in corp. art. et art. praec.], regnativa est perfectissima species prudentiae. Et ideo prudentia subditorum, quae deficit a prudentia regnativa, retinet sibi nomen commune, ut prudentia1 dicatur; sicut in logicis convertibile quod non significat essentiam retinet sibi commune nomen proprii.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandigheid van den staatsman, zoo bleek uit de leerstelling en uit het vorig artikel, is de volmaaktste soort van verstandigheid. De verstandigheid van den onderdaan is van een lagere orde. En daarom kan men deze den algemeenen naam van staatsburgerlijke verstandigheid geven. Ook in de logica wordt immers het praedicaat dat met het subject omkeerbaar is, doch niet tot het wezen behoort, met den algemeenen naam van « proprium » d.i. het eigene aangeduid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandigheid van de staatsman, zo bleek uit de leerstelling en uit het vorig artikel, is de volmaaktste soort van verstandigheid. De verstandigheid van de onderdaan is van een lagere orde. En daarom kan men deze de algemene naam van staatsburgerlijke verstandigheid geven. Ook in de logica wordt immers het predicaat dat met het subject omkeerbaar is, doch niet tot het wezen behoort, met de algemene naam van “proprium” d.i. het eigene aangeduid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod diversa ratio objecti diversificat habitum secundum speciem, ut ex supra dictis patet [q. 47. art. 5.]. Eadem autem 101agenda considerantur quidem a rege secundum universaliorem rationem, quam considerentur a subdito, qui obedit: uni enim regi in diversis officiis multi obediunt. Et ideo regnativa comparatur ad hanc politicam de qua loquimur sicut ars architectonica ad eam quae manu operatur.

2. De onderscheiden wezensaard van het object geeft wezensonderscheid in de deugden, zooals boven bleek (47e Kw. 5e Art.). 101Dezelfde handelingen nu worden door den regeerder naar een algemeener wezensaard beschouwd dan door den onderdaan, die gehoorzaamt. Velen toch gehoorzamen aan één regeerder in onderscheiden taken. Daarom wordt het regeeringsbeleid als verstandigheid tegenover de burgerlijke, beschouwd als de kunst van den architect tegenover het handwerk van den arbeider (47e Kw. 12e Art.).2. De onderscheiden wezensaard van het object geeft wezensonderscheid in de deugden, zoals boven bleek (47e Kw. 5e Art.). 101Dezelfde handelingen nu worden door de regeerder naar een algemener wezensaard beschouwd dan door de onderdaan, die gehoorzaamt. Velen toch gehoorzamen aan één regeerder in onderscheiden taken. Daarom wordt het regeringsbeleid als verstandigheid tegenover de burgerlijke, beschouwd als de kunst van de architect tegenover het handwerk van de arbeider (47e Kw. 12e Art.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod per prudentiam communiter dictam regit homo seipsum in ordine ad proprium bonum: per politicam autem de qua loquimur, in ordine ad bonum commune.

3. Door de gewone verstandigheid bestuurt iemand zichzelf ten opzichte van zijn eigen welzijn; door de sociale verstandigheid, waarvan hier spraak is, ten opzichte van het algemeen welzijn.

Articulus III

Utrum oeconomica debeat poni species prudentiae

[Supr. q. 47. art. 11. et q. 48. art. un. et 3. Dist. 33. q. 3. art. 1. qla. 4.]
IIIe Artikel

Is er ook een afzonderlijke verstandigheid in familiezaken?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod oeconomica non debeat poni species prudentiae. Quia ut Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 5.], « prudentia ordinatur ad bene vivere totum ». Sed oeconomica ordinatur 102ad aliquem particularem finem, scilicet ad divitias, ut dicitur 1. Ethic. [cap. 1.]. Ergo oeconomica non est species prudentiae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet kan spreken van een afzonderlijke verstandigheid in familiezaken. — 1. De Wijsgeer zegt dat de verstandigheid gericht is op goed te leven in alle opzichten. De verstandigheid in familiezaken is gericht op een 102afzonderlijk doel nl. den rijkdom. Dus kan men niet spreken van een afzonderlijke verstandigheid in familiezaken.Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet kan spreken van een afzonderlijke verstandigheid in familiezaken. — 1. De Wijsgeer zegt dat de verstandigheid gericht is op goed te leven in alle opzichten. De verstandigheid in familiezaken is gericht op een 102afzonderlijk doel nl. de rijkdom. Dus kan men niet spreken van een afzonderlijke verstandigheid in familiezaken.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut supra habitum est [q. 47. art. 13.], prudentia non est nisi bonorum. Sed oeconomica potest etiam esse malorum: multi enim peccatores providi sunt in gubernatione familiae. Ergo oeconomica non debet poni species prudentiae.

2. De verstandigheid is alleen gericht op het goede, zooals werd aangetoond (47e Kw. 13e Art.). Maar de verstandigheid in familiezaken kan ook gericht zijn op het kwade, want vele zondige menschen besturen hun familie uitstekend. Dus is er geen afzonderlijke verstandigheid in familiezaken.2. De verstandigheid is alleen gericht op het goede, zoals werd aangetoond (47e Kw. 13e Art.). Maar de verstandigheid in familiezaken kan ook gericht zijn op het kwade, want vele zondige mensen besturen hun familie uitstekend. Dus is er geen afzonderlijke verstandigheid in familiezaken.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut in regno invenitur principans et subditus1, ita etiam in domo. Si ergo oeconomica est species prudentiae sicut et politica, deberet etiam paterna prudentia poni, sicut et regnativa. Non autem ponitur. Ergo nec oeconomica debet poni species prudentiae.

3. Zijn er in den staat regeerder en onderdanen, zoo ook in den familiekring. Staat dus de verstandigheid in familiezaken op een lijn met de verstandigheid in staatszaken, dan moet men ook kunnen spreken van een vaderlijke verstandigheid op één lijn met de verstandigheid van den staatsman. Daar dit niet het geval is, kan men ook niet spreken van een verstandigheid in familiezaken.3. Zijn er in de staat regeerder en onderdanen, zo ook in de familiekring. Staat dus de verstandigheid in familiezaken op een lijn met de verstandigheid in staatszaken, dan moet men ook kunnen spreken van een vaderlijke verstandigheid op één lijn met de verstandigheid van de staatsman. Daar dit niet het geval is, kan men ook niet spreken van een verstandigheid in familiezaken.

Sed contra est, quod Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 8.], quod illarum, scilicet prudentiarum quae se habent ad regimen multitudinis, « haec quidem oeconomica, haec autem legispositiva, haec autem politica ».

Daartegenover echter staat de uitspraak van den Wijsgeer, nl. dat onder deze, d.w.z. onder de soorten verstandigheid die gericht zijn op het regeeren van een menigte, ééne huishoudelijk is, een andere wetgevend, en een derde staatkundig.Daartegenover echter staat de uitspraak van de Wijsgeer, nl. dat onder deze, d.w.z. onder de soorten verstandigheid die gericht zijn op het regeren van een menigte, één huishoudelijk is, een andere wetgevend, en een derde staatkundig.

Respondeo dicendum quod ratio objecti diversificata secundum 103universale et particulare, vel secundum totum et partem, diversificat artes et virtutes: secundum quam diversitatem una est principalis respectu alterius. Manifestum est autem quod domus medio modo se habet inter unam singularem personam et civitatem vel regnum: nam sicut una singularis persona est pars domus, ita una domus est pars civitatis vel regni. Et ideo sicut prudentia communiter dicta, quae est regnativa2 unius, distinguitur a politica prudentia, ita oportet quod oeconomica distinguatur ab utraque.

Leerstelling. — Wanneer bij een object (b.v. van de deugd) 103onderscheid gemaakt wordt tusschen het algemeene en het afzonderlijke, of het geheel en een deel, beantwoordt hieraan ook een onderscheid tusschen afzonderlijke kunstvaardigheden en deugden, waarvan dan de eene hoogergeschikt is ten opzichte van de andere. Een huisgezin nu is klaarblijkelijk een middenvorm tusschen den enkeling en een geheele stad of staat; want is een enkeling onderdeel van een huisgezin, dit laatste is weer onderdeel van een stad of staat. Wordt de gewone verstandigheid waardoor iemand zichzelf bestuurt onderscheiden van de verstandigheid van den onderdaan of staatsburgerlijke verstandigheid, dan moet er ook nog een derde soort bijkomen, nl. de verstandigheid in familiezaken.Leerstelling. — Wanneer bij een object (bv. van de deugd) 103onderscheid gemaakt wordt tussen het algemene en het afzonderlijke, of het geheel en een deel, beantwoordt hieraan ook een onderscheid tussen afzonderlijke kunstvaardigheden en deugden, waarvan dan de ene hoogergeschikt is ten opzichte van de andere. Een huisgezin nu is klaarblijkelijk een middenvorm tussen de enkeling en een gehele stad of staat; want is een enkeling onderdeel van een huisgezin, dit laatste is weer onderdeel van een stad of staat. Wordt de gewone verstandigheid waardoor iemand zichzelf bestuurt onderscheiden van de verstandigheid van de onderdaan of staatsburgerlijke verstandigheid, dan moet er ook nog een derde soort bijkomen, nl. de verstandigheid in familiezaken.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod divitiae comparantur ad oeconomicam non sicut finis ultimus, sed sicut instrumenta quaedam, ut dicitur in 1. Politic. [cap. 3.]. Finis autem ultimus oeconomicae est totum bene vivere secundum domesticam conversationem. Philosophus autem in 1. Ethic. ponit exemplificando divitias finem oeconomicae secundum studium plurimorum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uiterlijke goederen verhouden zich tot de verstandigheid in familiezaken niet als laatste doel maar als middelen of werktuigen, zooals de Wijsgeer zegt. Het laatste doel van de verstandigheid in familiezaken is : het goede leven in zijn geheel genomen binnen de grenzen van het huisgezin. De Wijsgeer geeft slechts een voorbeeld, hoe door vele menschen het streven naar rijkdom beschouwd wordt als het doel van de verstandigheid in het familiebestuur.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Uiterlijke goederen verhouden zich tot de verstandigheid in familiezaken niet als laatste doel maar als middelen of werktuigen, zoals de Wijsgeer zegt. Het laatste doel van de verstandigheid in familiezaken is: het goede leven in zijn geheel genomen binnen de grenzen van het huisgezin. De Wijsgeer geeft slechts een voorbeeld, hoe door vele mensen het streven naar rijkdom beschouwd wordt als het doel van de verstandigheid in het familiebestuur.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ad aliqua particularia quae sunt in 104domo disponenda possunt aliqui peccatores provide se habere: sed non ad ipsum totum bene vivere domesticae conversationis, ad quod praecipue requiritur vita virtuosa.

2. Ten opzichte van sommige zaken die in een huisgezin 104geregeld moeten worden, kunnen zondige menschen zeer verstandig optreden, maar niet bij de regeling van het huiselijk leven in zijn geheel genomen, waartoe als eerste vereischte de beoefening der deugd moet gelden.2. Ten opzichte van sommige zaken die in een huisgezin 104geregeld moeten worden, kunnen zondige mensen zeer verstandig optreden, maar niet bij de regeling van het huiselijk leven in zijn geheel genomen, waartoe als eerste vereiste de beoefening van de deugd moet gelden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod pater in domo habet quamdam similitudinem regii principatus, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 10.] : non tamen habet perfectam potestatem regiminis sicut rex. Et ideo non ponitur separatim potestas paterna species prudentiae sicut regnativa.

3. De vader heeft in het huisgezin wel eenige gelijkenis met den bestuurder van den staat, zooals gezegd wordt in de Ethica. Maar hij bezit niet de volledige bestuursmacht zooals dit bij een staatshoofd wel het geval is. Daarom kan men niet spreken van een afzonderlijke vaderlijke verstandigheid, zooals men wel spreekt van een afzonderlijke verstandigheid van den staatsman.3. De vader heeft in het huisgezin wel enige gelijkenis met de bestuurder van de staat, zoals gezegd wordt in de Ethica. Maar hij bezit niet de volledige bestuursmacht zoals dit bij een staatshoofd wel het geval is. Daarom kan men niet spreken van een afzonderlijke vaderlijke verstandigheid, zoals men wel spreekt van een afzonderlijke verstandigheid van de staatsman.

Articulus IV

Utrum militaris debeat poni species prudentiae

[Locis sup. notatis]
IVe Artikel

Is het krijgsbeleid een soort van de verstandigheid?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod militaris non debeat poni species prudentiae. Prudentia enim contra artem dividitur, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 3. et 5.]. Sed militaris videtur esse quaedam ars in rebus bellicis; sicut patet per Philosophum in 3. Ethic. Ergo militaris non debet poni species prudentiae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het krijgsbeleid geen soort is van de verstandigheid. — 1. Verstandigheid staat tegenover kunstvaardigheid, naar het woord van den Wijsgeer. Het krijgsbeleid nu is een zekere kunstvaardigheid in het oorlogvoeren, zooals blijkt uit een ander gezegde van den Wijsgeer. Dus is het krijgsbeleid geen soort van de verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat het krijgsbeleid geen soort is van de verstandigheid. — 1. Verstandigheid staat tegenover kunstvaardigheid, naar het woord van de Wijsgeer. Het krijgsbeleid nu is een zekere kunstvaardigheid in het oorlogvoeren, zoals blijkt uit een ander gezegde van de Wijsgeer. Dus is het krijgsbeleid geen soort van de verstandigheid.

antwoord 2 ↓

1052. Praeterea, sicut militare negotium continetur sub politico, ita etiam et plura alia negotia, sicut mercatorum, artificum et aliorum hujusmodi. Sed secundum alia negotia quae sunt in civitate non accipiuntur aliquae species prudentiae. Ergo etiam neque secundum militare negotium.

1052. Krijgszaken staan onder regeeringsbeleid evenals vele andere zaken, zooals koophandel, kunstbeoefening enz. Naar al deze andere zaken wordt geen onderscheid in afzonderlijke soorten verstandigheid gemaakt. Dus ook niet naar de krijgszaken.1052. Krijgszaken staan onder regeringsbeleid evenals vele andere zaken, zoals koophandel, kunstbeoefening enz. Naar al deze andere zaken wordt geen onderscheid in afzonderlijke soorten verstandigheid gemaakt. Dus ook niet naar de krijgszaken.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in rebus bellicis plurimum valet militum fortitudo. Ergo militaris magis pertinet ad fortitudinem quam ad prudentiam.

3. In het oorlogvoeren staat de kracht der soldaten voorop. Daarom behoort het krijgsbeleid eerder tot de deugd van sterkte dan tot de verstandigheid.3. In het oorlogvoeren staat de kracht van de soldaten voorop. Daarom behoort het krijgsbeleid eerder tot de deugd van sterkte dan tot de verstandigheid.

Sed contra est quod dicitur Prov. 24. [v. 6] : « Cum dispositione initur bellum, erit salus ubi sunt multa consilia ». Sed consiliari pertinet ad prudentiam. Ergo in rebus bellicis maxime necessaria est aliqua species prudentiae quae militaris dicitur.

Daartegenover staat de uitspraak van het Boek der Spreuken (24. 6) : « Met overleg wordt de oorlog gewonnen, en hij zal gunstig verloopen indien goed wordt beraadslaagd ». Beraadslagen nu behoort tot de verstandigheid. Daarom is in krijgszaken vooral een bijzondere verstandigheid noodig, die wij krijgsbeleid noemen.Daartegenover staat de uitspraak van het Boek van de Spreuken (24, 6): “Met overleg wordt de oorlog gewonnen, en hij zal gunstig verlopen indien goed wordt beraadslaagd”. Beraadslagen nu behoort tot de verstandigheid. Daarom is in krijgszaken vooral een bijzondere verstandigheid nodig, die wij krijgsbeleid noemen.

Respondeo dicendum quod ea quae secundum artem et rationem aguntur conformia esse oportet his quae sunt secundum naturam, quae a ratione divina sunt instituta. Natura autem ad duo tendit: primo quidem, ad regendam unamquamque rem in seipsa; secundo vero, ad resistendum extrinsecis impugnantibus et corruptivis. Et propter hoc non dedit solum animalibus vim concupiscibilem, per quam moveantur ad ea quae sunt saluti eorum accommoda; sed etiam vim irascibilem, per quam animal 106resistit impugnantibus.

Leerstelling. — Wat met kunstvaardigheid bij verstandelijk overleg moet gebeuren, behoort gelijkvormig te zijn aan wat van nature volgens de instelling van de Goddelijke Rede geschiedt. De natuur nu streeft naar twee dingen : eerstens om ieder ding op zichzelf te besturen, ten tweede om weerstand te bieden aan alle tegenstrijdige of vernietigende invloeden van buiten. En daarom 106schonk zij aan het dierlijke leven niet alleen het begeervermogen, waardoor het heengedreven wordt naar alles wat voor het welzijn geschikt is, maar ook het strijdvermogen, waardoor het dierlijke leven zich verzet tegen schadelijke invloeden.Leerstelling. — Wat met kunstvaardigheid bij verstandelijk overleg moet gebeuren, behoort gelijkvormig te zijn aan wat van nature volgens de instelling van de Goddelijke Rede geschiedt. De natuur nu streeft naar twee dingen: eerstens om ieder ding op zichzelf te besturen, ten tweede om weerstand te bieden aan alle tegenstrijdige of vernietigende invloeden van buiten. En daarom 106schonk zij aan het dierlijke leven niet alleen het begeervermogen, waardoor het heengedreven wordt naar alles wat voor het welzijn geschikt is, maar ook het strijdvermogen, waardoor het dierlijke leven zich verzet tegen schadelijke invloeden.

Unde et in his quae sunt secundum rationem non solum oportet esse prudentiam politicam, per quam disponantur convenienter ea quae pertinent ad bonum commune; sed etiam militarem, per quam hostium insultus repellantur.

Evenzoo is het bij de dingen die onder leiding van het verstand geschieden: daar behoort niet alleen een sociale verstandigheid te zijn, die voor de geschikte middelen zorgt waardoor het algemeen welzijn bevorderd wordt, maar ook het krijgsbeleid, waardoor de hinderlagen van den vijand worden afgeweerd.Evenzo is het bij de dingen die onder leiding van het verstand geschieden: daar behoort niet alleen een sociale verstandigheid te zijn, die voor de geschikte middelen zorgt waardoor het algemeen welzijn bevorderd wordt, maar ook het krijgsbeleid, waardoor de hinderlagen van de vijand worden afgeweerd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod militaris potest esse ars secundum quod habet quasdam regulas recte utendi quibusdam exterioribus rebus, puta armis et equis: sed secundum quod ordinatur ad bonum commune, habet magis rationem prudentiae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het krijgsbeleid is een kunst voor zoover het naar bepaalde regelen, het juiste gebruik van sommige uiterlijke middelen, b.v. wapens en paarden, regelt. Maar voor zoover het gericht is op het algemeen welzijn draagt het veel meer het karakter van de verstandigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het krijgsbeleid is een kunst voor zover het naar bepaalde regelen, het juiste gebruik van sommige uiterlijke middelen, bv. wapens en paarden, regelt. Maar voor zover het gericht is op het algemeen welzijn draagt het veel meer het karakter van de verstandigheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod alia negotia quae sunt in civitate ordinantur ad aliquas particulares utilitates: sed militare negotium ordinatur ad tuitionem totius boni communis.

2. Andere zaken in het staatsleven zijn meer gericht op het voordeel van ieder afzonderlijk. Het krijgsbeleid is veeleer gericht op de bescherming van het algemeen welzijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod executio militiae pertinet ad fortitudinem: sed directio ad prudentiam, et praecipue secundum quod est in duce exercitus.

3. De uitvoering der handelingen bij het krijgsbeleid behoort tot de sterkte, maar de leiding behoort tot de verstandigheid, vooral wat betreft den aanvoerder van het leger.3. De uitvoering van de handelingen bij het krijgsbeleid behoort tot de sterkte, maar de leiding behoort tot de verstandigheid, vooral wat betreft de aanvoerder van het leger.