De negligentia in tres articulos divisa
Over de nalatigheid
159Postea considerandum est de negligentia.
159Dit onderzoek loopt over de nalatigheid, waaromtrent drie vragen gesteld worden:
Et circa hoc quaeruntur tria: 1. Utrum negligentia sit peccatum speciale. — 2. Cui virtuti opponatur. — 3. Utrum negligentia sit peccatum mortale.
1. Is de nalatigheid een afzonderlijke zonde? 2. Tegenover welke deugd staat zij? 3. Is nalatigheid doodzonde?
Utrum negligentia sit peccatum speciale
Is de nalatigheid een afzonderlijke zonde?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod negligentia non sit peccatum speciale. Negligentia enim diligentiae opponitur. Sed diligentia requiritur in qualibet virtute1. Ergo negligentia non est peccatum speciale.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid geen afzonderlijke zonde is. — 1. Nalatigheid staat tegenover oplettendheid. Oplettendheid nu wordt vereischt bij elke deugd. Dus is nalatigheid geen afzonderlijke zonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid geen afzonderlijke zonde is. — 1. Nalatigheid staat tegenover oplettendheid. Oplettendheid nu wordt vereist bij elke deugd. Dus is nalatigheid geen afzonderlijke zonde.
1602. Praeterea, illud quod invenitur in quolibet peccato non est speciale peccatum. Sed negligentia invenitur in quolibet peccato: quia omnis qui peccat negligit ea per quae a peccato retrahitur; et qui in peccato perseverat negligit conteri de peccato. Ergo negligentia non est speciale peccatum.
1602. Wat men terugvindt bij iedere zonde, is geen afzonderlijke zonde. Nalatigheid nu vindt men terug in iedere zonde, omdat iedere zondaar datgene nalaat wat hem van de zonde afhoudt; en wie in de zonde volhardt laat na berouw te hebben over de zonde. Dus is nalatigheid geen afzonderlijke zonde.
3. Praeterea, omne speciale peccatum habet materiam determinatam. Sed negligentia non videtur habere determinatam materiam: neque enim est circa mala aut differentia, quia ea praetermittere nulli ad negligentiam deputatur; similiter etiam non est circa bona, quia si negligenter aguntur, jam non sunt bona. Ergo videtur quod negligentia non sit vitium speciale.
3. Iedere afzonderlijke zonde heeft een vastomlijnde stof. De nalatigheid echter schijnt geen afgebakend terrein te hebben: Het slechte of onverschillige valt niet onder haar gebied, want wie dit nalaat wordt niet van nalatigheid beschuldigd; ook het goede niet, want wanneer het goede nalatig verricht wordt, is het geen goed meer. Dus is de nalatigheid geen afzonderlijke ondeugd.
Sed contra est quod peccata quae committuntur ex negligentia distinguuntur contra peccata quae committuntur ex contemptu.
Daartegenover echter staat dat men onderscheid maakt tusschen zonden die bedreven worden uit nalatigheid, en zonden die bedreven worden uit wetsverachting.Daartegenover echter staat dat men onderscheid maakt tussen zonden die bedreven worden uit nalatigheid, en zonden die bedreven worden uit wetsverachting.
Respondeo dicendum quod negligentia importat defectum debitae solicitudinis. Omnis autem defectus debiti actus habet rationem peccati. Unde manifestum est quod negligentia habet rationem peccati: et eo modo quo solicitudo est specialis virtutis actus, necesse quod negligentia sit speciale 161peccatum. Sunt enim aliqua peccata specialia quia sunt circa aliquam materiam specialem, sicut luxuria est circa venerea: quaedam autem sunt vitia specialia propter specialitatem actus se extendentis ad omnem materiam. Et hujusmodi sunt omnia vitia quae sunt circa actum rationis: nam quilibet actus rationis se extendit ad quamlibet materiam moralem. Et ideo, cum solicitudo sit quidam specialis actus rationis, ut supra habitum est [q. 47, art. 9.], consequens est, quod negligentia, quae importat solicitudinis defectum sit speciale peccatum.
Leerstelling. — Nalatigheid beduidt een gemis aan vereischte zorgvuldigheid. Ieder ontbreken nu van een vereischte daad, is zonde. Daarom draagt de nalatigheid het kenmerk van de zonde. En daar de zorgvuldigheid een afzonderlijke deugdhandeling is, moet nalatigheid een afzonderlijke zonde zijn. 161Sommige zonden hebben een afzonderlijk karakter omdat zij in betrekking staan tot een afzonderlijk gebied, zooals de onkuischheid betrekking heeft op het geslachtsleven; andere hebben een afzonderlijk karakter wegens den bijzonderen aard van een handeling, die zich uitstrekt over alle gebieden van zonde. Tot deze laatste behooren alle ondeugden die betrekking hebben op de daden van het verstand, want iedere verstandsdaad strekt zich uit over alle gebieden van zonde. Daar nu de zorgvuldigheid een afzonderlijke verstandsdaad is (47e Kw. 9e Art.) moet de nalatigheid, als tekort aan zorgvuldigheid, een afzonderlijke zonde zijn.Leerstelling. — Nalatigheid beduidt een gemis aan vereiste zorgvuldigheid. Ieder ontbreken nu van een vereiste daad, is zonde. Daarom draagt de nalatigheid het kenmerk van de zonde. En daar de zorgvuldigheid een afzonderlijke deugdhandeling is, moet nalatigheid een afzonderlijke zonde zijn. 161Sommige zonden hebben een afzonderlijk karakter omdat zij in betrekking staan tot een afzonderlijk gebied, zoals de onkuisheid betrekking heeft op het geslachtsleven; andere hebben een afzonderlijk karakter wegens de bijzondere aard van een handeling, die zich uitstrekt over alle gebieden van zonde. Tot deze laatste behoren alle ondeugden die betrekking hebben op de daden van het verstand, want iedere verstandsdaad strekt zich uit over alle gebieden van zonde. Daar nu de zorgvuldigheid een afzonderlijke verstandsdaad is (47e Kw. 9e Art.) moet de nalatigheid, als tekort aan zorgvuldigheid, een afzonderlijke zonde zijn.
Ad primum ergo dicendum quod diligentia videtur esse idem solicitudini: quia in his quae diligimus, majorem solicitudinem adhibemus. Unde diligentia, sicut solicitudo, requiruntur ad quamlibet virtutem, inquantum in qualibet virtute requiruntur debiti actus rationis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Oplettendheid is eigenlijk hetzelfde als zorgvuldigheid. Want zaken die we beminnen en waaraan we dus onze oplettendheid besteden, behandelen wij met groote zorgvuldigheid. Daarom wordt oplettendheid evenals zorgvuldigheid vereischt voor iedere deugd, voor zoover bij iedere deugd de vereischte verstandsdaden aanwezig moeten zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Oplettendheid is eigenlijk hetzelfde als zorgvuldigheid. Want zaken die we beminnen en waaraan we dus onze oplettendheid besteden, behandelen wij met grote zorgvuldigheid. Daarom wordt oplettendheid evenals zorgvuldigheid vereist voor iedere deugd, voor zover bij iedere deugd de vereiste verstandsdaden aanwezig moeten zijn.
Ad secundum dicendum quod in quolibet peccato necesse est esse defectum circa aliquem actum rationis: puta defectum consilii et aliorum hujusmodi. Unde sicut praecipitatio est speciale peccatum propter specialem 162actum rationis qui praetermittitur, scilicet consilium, quamvis possit inveniri in quolibet genere peccatorum; ita negligentia est speciale peccatum propter defectum specialis actus rationis qui est solicitudo, quamvis inveniatur aliqualiter in omnibus peccatis.
2. In iedere zonde is noodzakelijk een tekortkoming ten opzichte van een of andere verstandsdaad, b.v. een tekort aan overleg of iets dergelijks. Evenals nu overhaasting een afzonderlijke zonde is wegens het ontbreken van een afzonderlijke verstandsdaad, nl. 162het overleg, dat men achterwege liet — ofschoon deze nalatigheid bij iedere zondesoort kan aangetroffen worden —, evenzoo is de nalatigheid een afzonderlijke zonde wegens het ontbreken van een afzonderlijke verstandsdaad, nl. de zorgvuldigheid, ofschoon dit gebrek eenigszins in iedere zonde aan te stippen valt.2. In iedere zonde is noodzakelijk een tekortkoming ten opzichte van een of andere verstandsdaad, bv. een tekort aan overleg of iets dergelijks. Evenals nu overhaasting een afzonderlijke zonde is wegens het ontbreken van een afzonderlijke verstandsdaad, nl. 162het overleg, dat men achterwege liet — ofschoon deze nalatigheid bij iedere zondesoort kan aangetroffen worden —, evenzo is de nalatigheid een afzonderlijke zonde wegens het ontbreken van een afzonderlijke verstandsdaad, nl. de zorgvuldigheid, ofschoon dit gebrek enigszins in iedere zonde aan te stippen valt.
Ad tertium dicendum quod materia negligentiae proprie sunt bona quae quis agere debet: non quod ipsa sint bona cum negligenter aguntur; sed quia per negligentiam accidit defectus bonitatis in eis sive praetermittatur totaliter actus debitus propter defectum solicitudinis, sive etiam aliqua debita circumstantia actus.
3. Het gebied van de nalatigheid omvat het goede dat iemand verplicht was te doen, niet in dien zin dat het goede goed blijft als het nalatig wordt gedaan, maar omdat er door de nalatigheid iets aan het goede ontbreekt, hetzij omdat uit gebrek aan zorgvuldigheid geheel de goede daad, waartoe men verplicht was, wordt nagelaten, hetzij omdat men een of andere noodzakelijke omstandigheid van de goede daad verwaarsloost.3. Het gebied van de nalatigheid omvat het goede dat iemand verplicht was te doen, niet in die zin dat het goede goed blijft als het nalatig wordt gedaan, maar omdat er door de nalatigheid iets aan het goede ontbreekt, hetzij omdat uit gebrek aan zorgvuldigheid geheel de goede daad, waartoe men verplicht was, wordt nagelaten, hetzij omdat men een of andere noodzakelijke omstandigheid van de goede daad verwaarsloost.
Utrum negligentia opponatur prudentiae
Is de nalatigheid tegengesteld aan de verstandigheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod negligentia non opponatur prudentiae. Negligentia enim videtur esse idem quod pigritia vel torpor, qui pertinet ad acediam, ut patet per Gregorium, 31. Mor. [cap. 45.]. 163Acedia autem non opponitur prudentiae, sed magis charitati, ut supra dictum est [q. 35. art. 3.]. Ergo negligentia non opponitur prudentiae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid niet tegengesteld is aan de verstandigheid. — 1. Nalatigheid is hetzelfde als lusteloosheid of loomheid, wat onder de traagheid valt, zooals blijkt uit Gregorius. De traagheid nu staat niet tegenover de 163verstandigheid maar tegenover de liefde, zooals vroeger gezegd is (35e Kw. 3e Art.). Dus staat de nalatigheid niet tegenover de verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid niet tegengesteld is aan de verstandigheid. — 1. Nalatigheid is hetzelfde als lusteloosheid of loomheid, wat onder de traagheid valt, zoals blijkt uit Gregorius. De traagheid nu staat niet tegenover de 163verstandigheid maar tegenover de liefde, zoals vroeger gezegd is (35e Kw. 3e Art.). Dus staat de nalatigheid niet tegenover de verstandigheid.
2. Praeterea, ad negligentiam videtur pertinere omne peccatum omissionis. Sed peccatum omissionis non opponitur prudentiae, sed magis virtutibus moralibus executivis. Ergo negligentia non opponitur prudentiae.
2. Tot de nalatigheid behooren alle zonden van verzuim. Maar de zonde van verzuim staat niet tegenover de verstandigheid maar veeleer tegenover de zedelijke deugden, die betrekking hebben op de uitvoering der handelingen. Dus staat de nalatigheid niet tegenover de verstandigheid.2. Tot de nalatigheid behoren alle zonden van verzuim. Maar de zonde van verzuim staat niet tegenover de verstandigheid maar veeleer tegenover de zedelijke deugden, die betrekking hebben op de uitvoering van de handelingen. Dus staat de nalatigheid niet tegenover de verstandigheid.
3. Praeterea, imprudentia est circa aliquem actum rationis. Sed negligentia non importat defectum neque circa consilium, in quo deficit praecipitatio, neque circa judicium, in quo deficit inconsideratio; neque circa praeceptum, in quo deficit inconstantia. Ergo negligentia non pertinet ad imprudentiam.
3. De onverstandigheid staat in betrekking met een of andere handeling van het verstand. Maar nalatigheid houdt geen tekortkoming in tegen het beraad, want dit tekort hoort bij de overhaasting; noch tegen het oordeel, want dan is er sprake van onnadenkendheid; noch tegen het bevel, want dan zondigt men door onstandvastigheid. Dus valt de nalatigheid niet onder de onverstandigheid.
4. Praeterea, Eccle. 7. [v. 19] dicitur: « Qui timet Deum, nihil negligit ». Sed unumquodque peccatum praecipue excluditur per virtutem oppositam. Ergo negligentia magis opponitur timori quam prudentiae.
4. De Prediker (7. 19) zegt: « Wie God vreest, verwaarloost niets ». Iedere zonde nu wordt voornamelijk uitgesloten door de tegengestelde deugd. Dus is nalatigheid eerder tegengesteld aan de vreeze des Heeren dan aan de verstandigheid.4. De Prediker (7. 19) zegt: “Wie God vreest, verwaarloost niets”. Iedere zonde nu wordt voornamelijk uitgesloten door de tegengestelde deugd. Dus is nalatigheid eerder tegengesteld aan de vreze van de Heer dan aan de verstandigheid.
Sed contra est quod dicitur Eccli. 20. [v. 7] : « Lascivus et 164imprudens non observant tempus ». Sed hoc pertinet ad negligentiam. Ergo negligentia opponitur prudentiae.
Daartegenover echter staat dat de Prediker (20. 7) zegt: « De 164trage en de onverstandige benutten het goede oogenblik niet ». Maar dit behoort tot de nalatigheid. Dus staat de nalatigheid tegenover de verstandigheid.Daartegenover echter staat dat de Prediker (20, 7) zegt: “De 164trage en de onverstandige benutten het goede ogenblik niet”. Maar dit behoort tot de nalatigheid. Dus staat de nalatigheid tegenover de verstandigheid.
Respondeo dicendum quod negligentia directe opponitur solicitudini. Solicitudo autem pertinet ad rationem, et rectitudo solicitudinis ad prudentiam. Unde, per oppositum, negligentia ad imprudentiam pertinet. Et hoc etiam ex ipso nomine apparet. Quia sicut Isidorus dicit in lib. 10. Etym. [ad lit. N], « negligens dicitur quasi nec eligens ». Electio autem recta eorum quae sunt ad finem ad prudentiam pertinet. Unde negligentia pertinet ad imprudentiam.
Leerstelling. — Nalatigheid staat rechtstreeks tegenover zorgvuldigheid. Zorgvuldigheid nu zetelt in het verstand, en de rechtgeordendheid van de zorgvuldigheid behoort tot de verstandigheid. Dit blijkt ook uit de beteekenis van het woord « negligentia ». Want Isidorus zegt: « Negligens dicitur quasi nec eligens ». « Nalatig is ieder die niet kiest ». Het kiezen nu van de juiste middelen tot een doel, behoort tot de verstandigheid. Het nalaten hiervan behoort dus tot de onverstandigheid.Leerstelling. — Nalatigheid staat rechtstreeks tegenover zorgvuldigheid. Zorgvuldigheid nu zetelt in het verstand, en de rechtgeordendheid van de zorgvuldigheid behoort tot de verstandigheid. Dit blijkt ook uit de betekenis van het woord “negligentia”. Want Isidorus zegt: “Negligens dicitur quasi nec eligens”. “Nalatig is ieder die niet kiest”. Het kiezen nu van de juiste middelen tot een doel, behoort tot de verstandigheid. Het nalaten hiervan behoort dus tot de onverstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod negligentia consistit in defectu interioris actus, ad quem pertinet etiam electio. Pigritia autem et torpor magis pertinent ad executionem: ita tamen quod pigritia importat tarditatem ad exequendum; torpor remissionem quamdam importat in ipsa executione. Et ideo convenienter torpor ex acedia nascitur: quia acedia est « tristitia aggravans », idest impediens animum ab operando.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nalatigheid bestaat in het ontbreken van de inwendige daad, waartoe ook het kiezen behoort. Lusteloosheid echter en loomheid houden veeleer verband met de uiterlijke handelingen, waarbij dan lusteloosheid de langzaamheid beteekent waarmee tot de uitvoering van de voorgenomen daad wordt overgegaan, en loomheid een zekere vertraging bij het uitvoeren zelf. Daarom ontstaat loomheid uit traagheid, want traagheid is een zeker onbehaaglijkheid die de ziel bezwaart, d.i. belemmert bij het uitvoeren der handeling.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nalatigheid bestaat in het ontbreken van de inwendige daad, waartoe ook het kiezen behoort. Lusteloosheid echter en loomheid houden veeleer verband met de uiterlijke handelingen, waarbij dan lusteloosheid de langzaamheid betekent waarmee tot de uitvoering van de voorgenomen daad wordt overgegaan, en loomheid een zekere vertraging bij het uitvoeren zelf. Daarom ontstaat loomheid uit traagheid, want traagheid is een zeker onbehaaglijkheid die de ziel bezwaart, d.i. belemmert bij het uitvoeren van de handeling.
165Ad secundum dicendum quod omissio pertinet ad exteriorem actum: est enim omissio quando praetermittitur aliquis actus debitus. Et ideo opponitur justitiae. Et est effectus negligentiae: sicut etiam executio justi operis est effectus rationis rectae.
1652. Verzuim slaat op de uiterlijke handeling, want verzuim beteekent dat een verplichte daad achterwege wordt gelaten. En daarom is het tegengesteld aan de rechtvaardigheid. Verzuim is een gevolg van de nalatigheid, omdat ook de uitvoering van het verplichte werk een gevolg is van het juist-oordeelend verstand.1652. Verzuim slaat op de uiterlijke handeling, want verzuim betekent dat een verplichte daad achterwege wordt gelaten. En daarom is het tegengesteld aan de rechtvaardigheid. Verzuim is een gevolg van de nalatigheid, omdat ook de uitvoering van het verplichte werk een gevolg is van het juist-oordelend verstand.
Ad tertium dicendum quod negligentia est circa actum praecipiendi, ad quem etiam pertinet solicitudo. Aliter tamen circa actum hunc deficit negligens, et aliter inconstans. Inconstans enim deficit in praecipiendo quasi ab aliquo impeditus: negligens autem per defectum promptae voluntatis.
3. De nalatigheid staat in verband met de daad van bevelen, omdat daarop ook de zorgvuldigheid gericht is. De nalatige en de onstandvastige zondigen echter ieder op eigen manier door tekortkoming in deze daad. Want de onstandvastige schiet te kort in het bevelen, als werd hij door iemand daarin belemmerd; de nalatige echter door gemis aan een daadvaardige wil.
Ad quartum dicendum quod timor Dei operatur ad vitationem cujuslibet peccati: quia ut dicitur Prov. 15. [v. 27], « per timorem Domini declinat omnis a malo ». Et ideo timor facit negligentiam vitare. Non tamen ita quod directe negligentia timori opponatur: sed inquantum timor excitat hominem ad actus rationis. Unde etiam supra habitum est [1-2. q. 44. art. 2.], cum de passionibus ageretur, quod timor facit consiliativos.
4. De vreeze des Heeren bewerkt het vermijden van alle zonden zooals het Boek der Spreuken (15. 27) zegt: « Door de vreeze des Heeren ziet iedereen af van het kwade ». En daarom helpt de vreeze des Heeren ook in het vermijden der nalatigheid. Men moet dit echter niet zoo verstaan, alsof de nalatigheid rechtstreeks tegengesteld was aan de vreeze des Heeren, doch in dien zin dat de vreeze des Heeren den mensch aanspoort om de vereischte verstandsdaden te stellen. Daarom ook werd vroeger, bij de behandeling der hartstochten (I. II. 44e Kw. 2e Art.) uiteengezet dat de vreeze des Heeren bedachtzame menschen kweekt.4. De vreze van de Heer bewerkt het vermijden van alle zonden zoals het Boek van de Spreuken (15, 27) zegt: “Door de vreze van de Heer ziet iedereen af van het kwade”. En daarom helpt de vreze van de Heer ook in het vermijden van de nalatigheid. Men moet dit echter niet zo verstaan, alsof de nalatigheid rechtstreeks tegengesteld was aan de vreze van de Heer, doch in die zin dat de vreze van de Heer de mens aanspoort om de vereiste verstandsdaden te stellen. Daarom ook werd vroeger, bij de behandeling van de hartstochten (1-2 44e Kw. 2e Art.) uiteengezet dat de vreze van de Heer bedachtzame mensen kweekt.
Utrum negligentia possit esse peccatum mortale
Kan de nalatigheid doodzonde zijn?
166Ad tertium sic proceditur. Videtur quod negligentia non possit esse peccatum mortale. Quia super illud Job 9. [v. 28] : « Verebar omnia opera mea », etc., dicit Glos. Gregorii [ordin. lib. 9. Mor. cap. 34] quod « illam », scilicet negligentiam, « minor amor Dei exaggerat ». Sed ubicumque est peccatum mortale, totaliter tollitur amor Dei. Ergo negligentia non est peccatum mortale.
166Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid geen doodzonde kan zijn. — 1. Een Glossa in Gregorius noteert bij het woord van het Boek Job (9. 28) : « Ik ben in vrees over al mijn daden », dat een « verminderde liefde tot God de nalatigheid doet toenemen ». Maar door iedere doodzonde wordt de liefde tot God geheel weggenomen. Daarom is de nalatigheid geen doodzonde.166Bedenkingen. — Men beweert, dat de nalatigheid geen doodzonde kan zijn. — 1. Een Glossa in Gregorius noteert bij het woord van het Boek Job (9, 28): “Ik ben in vrees over al mijn daden”, dat een “verminderde liefde tot God de nalatigheid doet toenemen”. Maar door iedere doodzonde wordt de liefde tot God geheel weggenomen. Daarom is de nalatigheid geen doodzonde.
2. Praeterea, super illud Eccli. 7. [v. 34], « de negligentia tua purga te cum paucis », dicitur Glos. [ord.] : « Quamvis oblatio parva sit, multorum delictorum purgat negligentias ». Sed hoc non esset si negligentia esset peccatum mortale. Ergo negligentia non est peccatum mortale.
2. Een andere Glossa op den tekst van den Prediker (7. 34) : « Zuiver u met kleine offers van de nalatigheid », zegt: « Ofschoon het offer klein is wischt het de nalatigheden van vele misdaden uit ». Dit zou echter niet het geval zijn als de nalatigheid doodzonde was. Dus is de nalatigheid geen doodzonde.2. Een andere Glossa op de tekst van de Prediker (7, 34): “Zuiver u met kleine offers van de nalatigheid”, zegt: “Ofschoon het offer klein is wist het de nalatigheden van vele misdaden uit”. Dit zou echter niet het geval zijn als de nalatigheid doodzonde was. Dus is de nalatigheid geen doodzonde.
3. Praeterea, in lege fuerunt statuta sacrificia pro peccatis mortalibus, sicut patet in Levit. [cap. 4. sqq.]. Sed nullum fuit statutum sacrificium pro negligentia. Ergo negligentia non est peccatum mortale.
3. In de Wet waren offers vastgesteld voor de doodzonden, zooals blijkt uit het Boek Leviticus. Daar vindt men echter geen offer vermeld tot uitboeting van de nalatigheid. Dus is de nalatigheid geen doodzonde.3. In de Wet waren offers vastgesteld voor de doodzonden, zoals blijkt uit het Boek Leviticus. Daar vindt men echter geen offer vermeld tot uitboeting van de nalatigheid. Dus is de nalatigheid geen doodzonde.
167Sed contra est quod habetur Prov. 19. [v. 16] : « Qui negligit viam suam, mortificabitur ».
167Daartegenover echter staat dat het Boek der Spreuken (19. 16) zegt: « Wie zijn leven verwaarloost, zal den geestelijken dood sterven ».167Daartegenover echter staat dat het Boek van de Spreuken (19, 16) zegt: “Wie zijn leven verwaarloost, zal de geestelijke dood sterven”.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec. ad 3.], negligentia provenit ex quadam remissione voluntatis, per quam contingit quod ratio non solicitatur ut praecipiat ea quae debet, vel eo modo quo debet. Potest ergo dupliciter contingere quod negligentia sit peccatum mortale. Uno modo, ex parte ejus quod praetermittitur per negligentiam. Quod quidem sit de necessitate salutis, sive sit actus sive circumstantia, erit peccatum mortale. Alio modo, ex parte causae. Si enim voluntas intantum sit remissa circa ea quae sunt Dei ut totaliter a Dei charitate deficiat, talis negligentia est peccatum mortale. Et hoc praecipue contingit quando negligentia sequitur ex contemptu. Alioquin, si negligentia consistat in praetermissione alicujus actus vel circumstantiae quae non sit de necessitate salutis; nec hoc fiat ex contemptu, sed ex aliquo defectu fervoris, qui impeditur 168interdum per aliquod veniale peccatum: tunc negligentia non est mortale peccatum, sed veniale.
Leerstelling. — In het derde antwoord van het vorig artikel werd gezegd, dat de nalatigheid voortkomt uit een zekere verslapping van den wil, die tot gevolg heeft dat het verstand niet voldoende zorg besteedt om te bevelen wat noodzakelijk is, of op de wijze waartoe het verplicht is. Op twee wijzen nu is het mogelijk dat nalatigheid doodzonde wordt. Eerstens van den kant van hetgeen door de nalatigheid achterwege wordt gelaten. Is dit iets noodzakelijks ter zaligheid, hetzij als handeling, hetzij als omstandigheid van een handeling, dan is die nalatigheid doodzonde. Vervolgens van den kant der oorzaak, waaruit de nalatigheid voortkomt. Is de wil zoo verslapt ten opzichte van God dat hij geheel in gebreke blijft wat de liefde tot God betreft, dan is zulk een nalatigheid doodzonde. Dit heeft voornamelijk plaats wanneer de nalatigheid stamt uit verachting. Indien, voor de rest, de nalatigheid bestaat in het achterwege laten van een daad of omstandigheid, die niet noodzakelijk zijn ter zaligheid, en dit niet geschiedt uit verachting maar uit een tekort 168aan ijver, veroorzaakt door een of andere dagelijksche zonde, dan is de nalatigheid geen doodzonde maar dagelijksche zonde.Leerstelling. — In het derde antwoord van het vorig artikel werd gezegd, dat de nalatigheid voortkomt uit een zekere verslapping van de wil, die tot gevolg heeft dat het verstand niet voldoende zorg besteedt om te bevelen wat noodzakelijk is, of op de wijze waartoe het verplicht is. Op twee wijzen nu is het mogelijk dat nalatigheid doodzonde wordt. Eerstens van de kant van hetgeen door de nalatigheid achterwege wordt gelaten. Is dit iets noodzakelijks ter zaligheid, hetzij als handeling, hetzij als omstandigheid van een handeling, dan is die nalatigheid doodzonde. Vervolgens van de kant van de oorzaak, waaruit de nalatigheid voortkomt. Is de wil zo verslapt ten opzichte van God dat hij geheel in gebreke blijft wat de liefde tot God betreft, dan is zulk een nalatigheid doodzonde. Dit heeft voornamelijk plaats wanneer de nalatigheid stamt uit verachting. Indien, voor de rest, de nalatigheid bestaat in het achterwege laten van een daad of omstandigheid, die niet noodzakelijk zijn ter zaligheid, en dit niet geschiedt uit verachting maar uit een tekort 168aan ijver, veroorzaakt door een of andere dagelijkse zonde, dan is de nalatigheid geen doodzonde maar dagelijkse zonde.
Ad primum ergo dicendum quod minor amor Dei potest intelligi dupliciter. Uno modo, per defectum fervoris charitatis: et sic causatur negligentia quae est peccatum veniale. Alio modo, per defectum ipsius charitatis: sicut dicitur minor amor Dei quando aliquis diligit Deum solum amore naturali. Et tunc causatur negligentia quae est peccatum mortale.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een verminderde liefde tot God kan op twee wijzen verstaan worden. Eerstens door een tekort aan ijver in de liefde, en aldus wordt de nalatigheid veroorzaakt die enkel dagelijksche zonde is. Vervolgens door een ontbreken der liefde zelf, wanneer iemand nog slechts bemint met een natuurlijke liefde. En dan wordt de nalatigheid veroorzaakt die doodzonde is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een verminderde liefde tot God kan op twee wijzen verstaan worden. Eerstens door een tekort aan ijver in de liefde, en aldus wordt de nalatigheid veroorzaakt die enkel dagelijkse zonde is. Vervolgens door een ontbreken van de liefde zelf, wanneer iemand nog slechts bemint met een natuurlijke liefde. En dan wordt de nalatigheid veroorzaakt die doodzonde is.
Ad secundum dicendum quod « parva oblatio cum humili mente et pura dilectione facta », ut ibidem dicitur, non solum purgat peccata venialia, sed etiam mortalia.
2. « Een kleine offerande met nederig gemoed en zuivere liefde opgedragen », zooals in dezelfde tekst gezegd wordt, zuivert niet alleen van de dagelijksche, maar ook van de doodzonde.2. “Een kleine offerande met nederig gemoed en zuivere liefde opgedragen”, zoals in dezelfde tekst gezegd wordt, zuivert niet alleen van de dagelijkse, maar ook van de doodzonde.
Ad tertium dicendum quod quando negligentia consistit in praetermissione eorum quae sunt de necessitate salutis tunc trahitur ad aliud genus peccati magis manifestum. Peccata enim quae consistunt in interioribus actibus sunt magis occulta. Et ideo pro eis certa sacrificia non injungebantur in lege: quia sacrificiorum oblatio erat quaedam publica protestatio peccati, quae non est facienda de peccato occulto.
3. Wanneer de nalatigheid bestaat in het achterwege laten van het noodzakelijke ter zaligheid, treedt de verschillende soort van zonde duidelijker aan het licht, dan bij de zonden die bestaan in inwendige daden, welke meer verborgen blijven. Daarom werden voor deze laatste geen bepaalde offers in de wet voorgeschreven. Want het opdragen van offers beteekende een zekere openbare bekentenis der zonden, die niet behoefde te geschieden voor verborgen misslagen.3. Wanneer de nalatigheid bestaat in het achterwege laten van het noodzakelijke ter zaligheid, treedt de verschillende soort van zonde duidelijker aan het licht, dan bij de zonden die bestaan in inwendige daden, welke meer verborgen blijven. Daarom werden voor deze laatste geen bepaalde offers in de wet voorgeschreven. Want het opdragen van offers betekende een zekere openbare bekentenis van de zonden, die niet behoefde te geschieden voor verborgen misslagen.