De partibus prudentiae
Over de onderdeelen der verstandigheidOver de onderdelen van de verstandigheid
58Deinde considerandum est de partibus prudentiae. Et circa hoc quaeruntur quatuor: primo, quae sint partes prudentiae; secundo, de partibus quasi integralibus ejus; tertio, de partibus subjectivis ejus; quarto, de partibus potentialibus.
58Vervolgens moeten de onderdeelen der verstandigheid bestudeerd worden. (Vgl. 47e Kw. Inl.). Men kan hierover vier vragen stellen: ten eerste, welke zijn de onderdeelen der verstandigheid; ten tweede, welke zijn haar integreerende deelen; ten derde, welke zijn haar soorten; ten vierde, welke zijn de bijkomstige deelen.58Vervolgens moeten de onderdelen van de verstandigheid bestudeerd worden. (Vgl. 47. Kw. Inl.). Men kan hierover vier vragen stellen: ten eerste, welke zijn de onderdelen van de verstandigheid; ten tweede, welke zijn haar integrerende delen; ten derde, welke zijn haar soorten; ten vierde, welke zijn de bijkomstige delen.
Utrum convenienter assignentur tres partes prudentiae
Kan er bij de verstandigheid sprake zijn van drie soorten van onderdeelen?Kan er bij de verstandigheid sprake zijn van drie soorten van onderdelen?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter assignentur tres partes prudentiae. Tullius enim, in 2. Rhetor. [de Invent.], ponit 59tres partes prudentiae: scilicet « memoriam, intelligentiam, et providentiam ». Macrobius autem [lib. 1. in Somn. Scip. cap. 8.], secundum sententiam Plotini, attribuit prudentiae sex: scilicet « rationem, intellectum, circumspectionem, providentiam, docilitatem et cautionem ». Aristoteles autem, in 6. Ethic. [cap. 9. 10. et 11.] dicit, ad prudentiam pertinere eubuliam, synesim et gnomen. Facit etiam mentionem circa prudentiam de eustochia et solertia, sensu et intellectu. Quidam autem alius philosophus graecus (Andronicus) dicit, quod ad prudentiam decem pertinent: scilicet eubulia, solertia, providentia, regnativa, militaris, politica, oeconomica, dialectica, rethorica et physica. Ergo videtur quod vel una assignatio sit superflua, vel alia diminuta.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men bij de verstandigheid redelijkerwijze niet kan spreken van onderdeelen. — 1. Tullius immers geeft drie onderdeelen, nl. de ervaring, het inzicht (het 59gemak in het overzien van een toestand), en de voorzienigheid (de bedrevenheid in het treffen van voorzieningen). — Macrobius heeft er echter, in navolging van de opvatting van Plotinus, zes, en wel de redeneerkracht (het gemak in het beredeneeren van een daad), het inzicht, de omzichtigheid (in het beschouwen der omstandigheden), de vooruitziendheid, de ontvankelijkheid (voor raad en ervaring van anderen), en de behoedzaamheid (tegenover gevaren). — Aristoteles zegt op zijn beurt, dat tot de verstandigheid behooren het beleid (bedrevenheid in het beraadslagen), de synesis (het gemak van een oordeel te treffen in gewone omstandigheden), en de gnome (het gemak om in buitengewone omstandigheden een oordeel te treffen). Ook maakt hij bij de verstandigheid nog melding van de scherpzinnigheid (in het treffen van het juiste doel), de vindingrijkheid (in het treffen van het juiste middel tot het doel), het gevoelen (omtrent den stand van zaken), en het inzicht. — Een ander Grieksch wijsgeer (Andronicus) zegt, dat er tien bij de verstandigheid behooren, en wel: beleid, vindingrijkheid, vooruitziendheid, regeerkunde, krijgskunde, staatkunde, huishoudkunde, redeneerkunde, welsprekendheid en physica. Dus blijkt, dat de eene opsomming te veel, de andere te weinig geeft.Bedenkingen. — Men beweert, dat men bij de verstandigheid redelijkerwijze niet kan spreken van onderdelen. — 1. Tullius immers geeft drie onderdelen, nl. de ervaring, het inzicht (het 59gemak in het overzien van een toestand), en de voorzienigheid (de bedrevenheid in het treffen van voorzieningen). — Macrobius heeft er echter, in navolging van de opvatting van Plotinus, zes, en wel de redeneerkracht (het gemak in het beredeneren van een daad), het inzicht, de omzichtigheid (in het beschouwen van de omstandigheden), de vooruitziendheid, de ontvankelijkheid (voor raad en ervaring van anderen), en de behoedzaamheid (tegenover gevaren). — Aristoteles zegt op zijn beurt, dat tot de verstandigheid behoren het beleid (bedrevenheid in het beraadslagen), de synesis (het gemak van een oordeel te treffen in gewone omstandigheden), en de gnome (het gemak om in buitengewone omstandigheden een oordeel te treffen). Ook maakt hij bij de verstandigheid nog melding van de scherpzinnigheid (in het treffen van het juiste doel), de vindingrijkheid (in het treffen van het juiste middel tot het doel), het gevoelen (omtrent de stand van zaken), en het inzicht. — Een ander Grieks wijsgeer (Andronicus) zegt, dat er tien bij de verstandigheid behoren, en wel: beleid, vindingrijkheid, vooruitziendheid, regeerkunde, krijgskunde, staatkunde, huishoudkunde, redeneerkunde, welsprekendheid en fysica. Dus blijkt, dat de ene opsomming te veel, de andere te weinig geeft.
2. Praeterea, prudentia dividitur contra scientiam. Sed politica, oeconomica, dialectica, rethorica, physica sunt quaedam scientiae. Non ergo sunt partes prudentiae.
2. Maakt men onderscheid, dan staat de verstandigheid tegenover de wetenschap. Maar de staatkunde, huishoudkunde, redeneerkunde, welsprekendheid en physica zijn wetenschappen. Dus behooren ze niet als onderdeelen bij de verstandigheid.2. Maakt men onderscheid, dan staat de verstandigheid tegenover de wetenschap. Maar de staatkunde, huishoudkunde, redeneerkunde, welsprekendheid en fysica zijn wetenschappen. Dus behoren ze niet als onderdelen bij de verstandigheid.
603. Praeterea, partes non excedunt totum. Sed memoria intellectiva, vel intelligentia, ratio, sensus et docilitas non solum pertinent ad prudentiam, sed etiam ad omnes habitus cognoscitivos. Ergo non debent poni partes prudentiae.
603. Een deel strekt zich nooit verder uit dan zijn geheel. Nu behooren de ervaring (die steunt op het geheugen), of het inzicht, de redeneerkracht, het vermoeden, en de ontvankelijkheid niet alleen tot de verstandigheid, maar tot alle ken-vaardigheden. Daarom moet men ze niet uitsluitend maken tot onderdeelen van de verstandigheid.603. Een deel strekt zich nooit verder uit dan zijn geheel. Nu behoren de ervaring (die steunt op het geheugen), of het inzicht, de redeneerkracht, het vermoeden, en de ontvankelijkheid niet alleen tot de verstandigheid, maar tot alle ken-vaardigheden. Daarom moet men ze niet uitsluitend maken tot onderdelen van de verstandigheid.
4. Praeterea, sicut consiliari et judicare et praecipere sunt actus rationis practicae, ita etiam uti, sicut supra habitum est [1-2. q. 16. art. 1.]. Sicut ergo eubulia adjungitur prudentiae, quae pertinet ad consilium, et synesis et gnome, quae pertinent ad judicium; ita etiam debuit poni aliquid pertinens ad usum.
4. Tot de verschillende handelingen van het practisch verstand behooren niet alleen: beraadslagen en oordeelen en bevelen, maar ook het aanwenden van de lagere vermogens op de daad, zooals werd uiteengezet in I. II. 16e Kw. 1e Art. Evenals dus het beleid gerekend wordt onder de verstandigheid als behoorende bij het beraadslagen, en de synesis en de gnome als behoorende tot het oordeelen, zoo moet men ook iets aanwijzen, wat behoort bij het aanwenden der lagere vermogens.4. Tot de verschillende handelingen van het praktisch verstand behoren niet alleen: beraadslagen en oordelen en bevelen, maar ook het aanwenden van de lagere vermogens op de daad, zoals werd uiteengezet in 1-2 16e Kw. 1e Art. Evenals dus het beleid gerekend wordt onder de verstandigheid als behorende bij het beraadslagen, en de synesis en de gnome als behorende tot het oordelen, zo moet men ook iets aanwijzen, wat behoort bij het aanwenden van de lagere vermogens.
5. Praeterea, solicitudo ad prudentiam pertinet, sicut supra dictum est [q. praec. art. 9.]. Ergo etiam inter partes prudentiae solicitudo poni debuit.
5. De zorgzaamheid behoort tot de verstandigheid, zooals vroeger gezegd is (in de vorige Kw. 9e Art.). Dus moet men ook de zorgzaamheid opnemen onder de onderdeelen der verstandigheid.5. De zorgzaamheid behoort tot de verstandigheid, zoals vroeger gezegd is (in de vorige Kw. 9e Art.). Dus moet men ook de zorgzaamheid opnemen onder de onderdelen van de verstandigheid.
Respondeo dicendum quod triplex est pars: scilicet integralis, ut paries, tectum et fundamentum sunt partes domus; subjectiva, sicut bos et leo 61sunt partes animalis; et potentialis, sicut nutritivum et sensitivum sunt partes animae.
Leerstelling. — Het woord onderdeel kan in een drievoudigen zin worden opgevat. Men kan spreken van onontbeerlijke (integreerende) onderdeelen, zooals de muren, het dak en het 61fundament onderdeelen zijn van een huis. Men kan ook spreken van ondergeschikte (subjectieve) onderdeelen, zooals het rund en de leeuw ondergeschikte soorten zijn van het dierenrijk. Tenslotte kan men ook spreken van bijkomstige onderdeelen, zooals het plantaardige en dierlijke onderdeelen zijn van de ziel.Leerstelling. — Het woord onderdeel kan in een drievoudigen zin worden opgevat. Men kan spreken van onontbeerlijke (integrerende) onderdelen, zoals de muren, het dak en het 61fundament onderdelen zijn van een huis. Men kan ook spreken van ondergeschikte (subjectieve) onderdelen, zoals het rund en de leeuw ondergeschikte soorten zijn van het dierenrijk. Tenslotte kan men ook spreken van bijkomstige onderdelen, zoals het plantaardige en dierlijke onderdelen zijn van de ziel.
Tribus ergo modis possunt assignari partes alicui virtuti. Uno modo, ad similitudinem partium integralium: ut scilicet illa dicantur esse partes virtutis alicujus quae necesse est concurrere ad perfectum actum virtutis illius. Et sic ex omnibus enumeratis possunt accipi octo partes prudentiae: scilicet sex quas enumerat Macrobius; quibus addenda est septima, scilicet memoria, quam ponit Tullius; et eustochia sive solertia, quam ponit Aristoteles (nam sensus prudentiae etiam intellectus dicitur) : unde Philosophus dicit in 6. Ethic. [cap. 11.] : « Horum ergo oportet habere sensum: hic autem est intellectus ». Quorum octo quinque pertinent ad prudentiam secundum id quod est cognoscitiva, scilicet memoria, ratio, intellectus, docilitas et solertia: tria vero alia pertinent ad eam secundum quod est praeceptiva, applicando cognitionem ad opus, scilicet providentia, circumspectio et cautio. Quorum diversitatis ratio patet ex hoc quod circa 62cognitionem tria sunt consideranda. Primo, quidem ipsa cognitio. Quae si sit praeteritorum, est memoria: si autem praesentium, sive contingentium sive necessariorum, vocatur intellectus sive intelligentia. Secundo, ipsa cognitionis acquisitio. Quae fit vel per disciplinam, et ad hoc pertinet docilitas: vel per inventionem, et ad hoc pertinet eustochia, quae est bona conjecturatio. Hujus autem pars, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 9.], est solertia, quae est « velox conjecturatio medii », ut dicitur in 1. Poster. [cap. 34.]. Tertio considerandus est usus cognitionis: secundum scilicet quod ex cognitis aliquibus procedit ad alia cognoscenda vel judicanda. Et hoc pertinet ad rationem. Ratio autem, ad hoc quod recte praecipiat, tria debet habere. Primo quidem, ut ordinet aliquod accommodum ad finem: et hoc pertinet ad providentiam. Secundo, ut attendat circumstantias negotii: quod pertinet ad circumspectionem. Tertio, ut vitet impedimenta: quod pertinet ad cautionem.
Men kan derhalve drie soorten van onderdeelen aanwijzen bij een deugd. Eerstens: in den zin van onontbeerlijke (integreerende) onderdeelen, en dat zijn die vaardigheden, waarvan de medewerking noodzakelijk vereischt wordt om een daad volgens die deugd volmaakt te doen zijn. In deze beteekenis kunnen acht van boven genoemde vaardigheden als onderdeelen der verstandigheid beschouwd worden, nl. de zes van Macrobius met als zevende de ervaring, die Tullius vermeldt, en tenslotte de scherpzinnigheid of vindingrijkheid, die Aristoteles opnoemt in het citaat van de eerste bedenking. Want het gevoelen kan bij de verstandigheid ook inzicht genoemd worden, daar de Wijsgeer zegt: « Omtrent deze dingen moet men een juist gevoelen hebben, wat gelijk staat met inzicht ». — Van deze acht behooren er vijf tot de verstandigheid inzoover zij in het kenvermogen zetelt, nl. ervaring, redeneerkracht, inzicht, ontvankelijkheid en vindingrijkheid; de drie anderen behooren tot de verstandigheid, voorzoover zij bevelen geeft en aldus de kennis toepast op de handeling, nl. vooruitziendheid, omzichtigheid en behoedzaamheid. De reden van dit onderscheid wordt 62duidelijk uit de drievoudige wijze, waarop men de kennis moet beschouwen. En wel vooreerst de kennis zelf; betreft deze voorbije dingen, dan spreekt men van ervaring; is zij van het tegenwoordige, hetzij van het wisselvallige, hetzij van het noodzakelijke, dan wordt ze inzicht of verstandigheid genoemd. Vervolgens kan men zien naar de wijze, waarop de kennis verkregen wordt, wat kan gebeuren door onderricht, en hiertoe behoort ontvankelijkheid, of door eigen vinding, en hiertoe behoort de vindingrijkheid, die hetzelfde is als scherpzinnigheid in het vormen van 'n gissing; een onderdeel hiervan is weer de vernuftigheid in het snelle gissen van het juiste middel tot het doel. Tenslotte moet men zien naar het gebruik van de verkregen kennis, nl. in zoover men uit de verkregen kennis voortredeneert om andere dingen te kennen of te beoordeelen, en hiertoe behoort de redeneerkracht. Om echter een goed bevel te kunnen geven, moet de rede over drie dingen beschikken: ten eerste, dat ze een middel vindt, dat goed is aangepast aan een bepaald doel, en dit behoort tot de vooruitziendheid; ten tweede, dat ze de omstandigheden van een zaak in oogen houdt, en dat behoort bij de omzichtigheid; ten derde, dat ze de hindernissen vermijdt, en dit behoort bij de behoedzaamheid.Men kan derhalve drie soorten van onderdelen aanwijzen bij een deugd. Eerstens: in de zin van onontbeerlijke (integrerende) onderdelen, en dat zijn die vaardigheden, waarvan de medewerking noodzakelijk vereist wordt om een daad volgens die deugd volmaakt te doen zijn. In deze betekenis kunnen acht van boven genoemde vaardigheden als onderdelen van de verstandigheid beschouwd worden, nl. de zes van Macrobius met als zevende de ervaring, die Tullius vermeldt, en tenslotte de scherpzinnigheid of vindingrijkheid, die Aristoteles opnoemt in het citaat van de eerste bedenking. Want het gevoelen kan bij de verstandigheid ook inzicht genoemd worden, daar de Wijsgeer zegt: “Omtrent deze dingen moet men een juist gevoelen hebben, wat gelijk staat met inzicht”. — Van deze acht behoren er vijf tot de verstandigheid inzover zij in het kenvermogen zetelt, nl. ervaring, redeneerkracht, inzicht, ontvankelijkheid en vindingrijkheid; de drie anderen behoren tot de verstandigheid, voorzover zij bevelen geeft en aldus de kennis toepast op de handeling, nl. vooruitziendheid, omzichtigheid en behoedzaamheid. De reden van dit onderscheid wordt 62duidelijk uit de drievoudige wijze, waarop men de kennis moet beschouwen. En wel vooreerst de kennis zelf; betreft deze voorbije dingen, dan spreekt men van ervaring; is zij van het tegenwoordige, hetzij van het wisselvallige, hetzij van het noodzakelijke, dan wordt ze inzicht of verstandigheid genoemd. Vervolgens kan men zien naar de wijze, waarop de kennis verkregen wordt, wat kan gebeuren door onderricht, en hiertoe behoort ontvankelijkheid, of door eigen vinding, en hiertoe behoort de vindingrijkheid, die hetzelfde is als scherpzinnigheid in het vormen van 'n gissing; een onderdeel hiervan is weer de vernuftigheid in het snelle gissen van het juiste middel tot het doel. Tenslotte moet men zien naar het gebruik van de verkregen kennis, nl. in zover men uit de verkregen kennis voortredeneert om andere dingen te kennen of te beoordelen, en hiertoe behoort de redeneerkracht. Om echter een goed bevel te kunnen geven, moet de rede over drie dingen beschikken: ten eerste, dat ze een middel vindt, dat goed is aangepast aan een bepaald doel, en dit behoort tot de vooruitziendheid; ten tweede, dat ze de omstandigheden van een zaak in ogen houdt, en dat behoort bij de omzichtigheid; ten derde, dat ze de hindernissen vermijdt, en dit behoort bij de behoedzaamheid.
Partes autem subjectivae virtutis dicuntur species ejus diversae. Et hoc modo partes prudentiae, secundum quod proprie sumitur, sunt prudentia 63per quam aliquis regit seipsum, et prudentia per quam aliquis regit multitudinem quae differunt specie, ut dictum est [q. 47. art. 11.] : et iterum prudentia quae est multitudinis regitiva dividitur in diversas species secundum diversas species multitudinis. Est enim quaedam multitudo adunata ad aliquod speciale negotium, sicut exercitus congregatur ad pugnandum: cujus regitiva1 est prudentia militaris. Quaedam vero multitudo est adunata ad totam vitam: sicut multitudo unius domus vel familiae, cujus regitiva2 est prudentia oeconomica; et etiam multitudo unius civitatis vel regni, cujus quidem regula3 directiva est in principe regnativa, in subditis autem politica simpliciter dicta. Si vero prudentia sumatur large, secundum quod includit etiam scientiam speculativam, ut supra dictum est [q. praec. art. 2. ad 2.] ; tunc etiam partes ejus ponuntur Dialectica, Rhetorica et Physica, secundum tres modos procedendi in scientiis. Quorum unus est per demonstrationem ad scientiam causandam: quod pertinet ad 64Physicam; ut sub Physica intelligantur omnes scientiae demonstrativae. Alius modus est ex probabilibus ad opinionem faciendam: quod pertinet ad Dialecticam. Tertius modus est ex quibusdam conjecturis ad suspicionem inducendam, vel ad aliqualiter persuadendum: quod pertinet ad Rhetoricam. Potest tamen dici quod haec tria pertinent ad prudentiam etiam proprie dictam, quae ratiocinatur interdum quidem ex necessariis, interdum ex probabilibus, interdum autem ex quibusdam conjecturis.
Ten tweede: kan men spreken van de ondergeschikte deelen van een deugd, en zoo heeten haar verschillende soorten. En in 63dezen zin zijn de onderdeelen van de verstandigheid, voor zoover men haar neemt in den strikten zin: de persoonlijke verstandigheid, waarmee iemand zichzelf regeert, en de verstandigheid, waarmee iemand een groep regeert. Deze verschillen naar soort, zooals gezegd werd in de 47e Kw. het 11e Art. De verstandigheid, waarmee een groep geregeerd wordt, kan men op haar beurt weer verdeelen in verschillende soorten naar de onderscheiden groepen, die geregeerd moeten worden. Zoo wordt er een groep bijeen gebracht voor een speciale onderneming, b.v. een leger om te strijden: deze wordt geregeerd met de militaire verstandigheid. Een andere groep wordt vereenigd ter verzorging van alle levensbehoeften, zooals de groep, die bijeen is in een familie of een huis, en deze wordt bestuurd met de huishoudelijke verstandigheid. Zoo gaat het ook met de menschenmassa van een stad of een rijk: hierbij spreekt men, voor zoover het den bestuurder betreft, van regeeringsbeleid; bij de onderdanen spreekt men zonder meer van politieke verstandigheid. — Wil men echter de verstandigheid opvatten in breederen zin, als ook insluitende de beschouwende wetenschap, zooals reeds eerder gezegd werd (vorige Kw. 2e Art. 2e Antw.), dan kan men ook de redeneerkunde, de welsprekendheid en de physica als haar onderdeelen beschouwen, en wel naar de drie werkmethoden bij de wetenschap. De eerste hiervan is: 64wetenschap veroorzaken door bewijsvoering, en dit behoort tot de physica, wanneer men daaronder alle bewijsvoerende wetenschappen verstaat. Een andere werkmethode is: uit waarschijnlijkheden een meening afleiden, en dit behoort tot de redeneerkunde. De derde methode is: uit eenige veronderstellingen een vermoeden vestigen of minstens eenigszins aannemelijk maken, en dit behoort tot de welsprekendheid. Men kan deze drie ook eenigszins onder de verstandigheid in strikten zin rangschikken, daar deze soms van noodzakelijke dingen uit redeneert, soms van waarschijnlijke, soms van veronderstellingen.Ten tweede: kan men spreken van de ondergeschikte delen van een deugd, en zo heten haar verschillende soorten. En in 63deze zin zijn de onderdelen van de verstandigheid, voor zover men haar neemt in de strikte zin: de persoonlijke verstandigheid, waarmee iemand zichzelf regeert, en de verstandigheid, waarmee iemand een groep regeert. Deze verschillen naar soort, zoals gezegd werd in de 47e Kw. het 11e Art. De verstandigheid, waarmee een groep geregeerd wordt, kan men op haar beurt weer verdelen in verschillende soorten naar de onderscheiden groepen, die geregeerd moeten worden. Zo wordt er een groep bijeen gebracht voor een speciale onderneming, bv. een leger om te strijden: deze wordt geregeerd met de militaire verstandigheid. Een andere groep wordt verenigd ter verzorging van alle levensbehoeften, zoals de groep, die bijeen is in een familie of een huis, en deze wordt bestuurd met de huishoudelijke verstandigheid. Zo gaat het ook met de mensenmassa van een stad of een rijk: hierbij spreekt men, voor zover het de bestuurder betreft, van regeringsbeleid; bij de onderdanen spreekt men zonder meer van politieke verstandigheid. — Wil men echter de verstandigheid opvatten in bredere zin, als ook insluitende de beschouwende wetenschap, zoals reeds eerder gezegd werd (vorige Kw. 2e Art. 2e Antw.), dan kan men ook de redeneerkunde, de welsprekendheid en de fysica als haar onderdelen beschouwen, en wel naar de drie werkmethoden bij de wetenschap. De eerste hiervan is: 64wetenschap veroorzaken door bewijsvoering, en dit behoort tot de fysica, wanneer men daaronder alle bewijsvoerende wetenschappen verstaat. Een andere werkmethode is: uit waarschijnlijkheden een mening afleiden, en dit behoort tot de redeneerkunde. De derde methode is: uit enige veronderstellingen een vermoeden vestigen of minstens enigszins aannemelijk maken, en dit behoort tot de welsprekendheid. Men kan deze drie ook enigszins onder de verstandigheid in strikten zin rangschikken, daar deze soms van noodzakelijke dingen uit redeneert, soms van waarschijnlijke, soms van veronderstellingen.
Partes autem potentiales alicujus virtutis dicuntur virtutes adjunctae quae ordinantur ad aliquos secundarios actus vel materias, quasi non habentes totam potentiam principalis virtutis. Et secundum hoc ponuntur partes prudentiae, eubulia, quae est circa consilium; et synesis, quae est circa judicium eorum quae secundum regulas communes fiunt: et gnome, quae est circa judicium eorum, in quibus oportet quandoque a communi lege recedere4. Prudentia vero est circa principalem actum, qui est praecipere.
Ten derde: kan men spreken van de bijkomstige (potentiëele) onderdeelen van een deugd, waaronder men die bijhoorende deugden verstaat, die gericht zijn op secundaire daden, en welke niet de waarde van de hoofddeugd bezitten. En in deze beteekenis kan men als onderdeelen van de verstandigheid opnoemen: het beleid, dat gaat over het beraadslagen; de synesis, die zich richt op het oordeel volgens de gewone regelen; en de gnome, die zich richt op het oordeel in buitengewone gevallen, wanneer men van de algemeene wet moet afwijken. De verstandigheid echter regelt de voornaamste daad, die is: bevelen.Ten derde: kan men spreken van de bijkomstige (potentiëele) onderdelen van een deugd, waaronder men die bijhorende deugden verstaat, die gericht zijn op secundaire daden, en welke niet de waarde van de hoofddeugd bezitten. En in deze betekenis kan men als onderdelen van de verstandigheid opnoemen: het beleid, dat gaat over het beraadslagen; de synesis, die zich richt op het oordeel volgens de gewone regelen; en de gnome, die zich richt op het oordeel in buitengewone gevallen, wanneer men van de algemene wet moet afwijken. De verstandigheid echter regelt de voornaamste daad, die is: bevelen.
65Ad primum ergo dicendum quod diversae assignationes differunt, secundum quod diversa genera partium ponuntur; vel secundum quod sub una parte unius assignationis includuntur multae partes alterius assignationis. Sicut Tullius sub providentia includit cautionem et circumspectionem; sub intelligentia autem, rationem, docilitatem et solertiam.
65Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze opsommingen verschillen slechts in zooverre zij verschillende soorten van onderdeelen opnoemen, of in zooverre in de onderdeelen van de eene opsomming meerdere van een andere opsomming besloten zijn. Zoo bedoelt Tullius met de vooruitziendheid ook de behoedzaamheid en omzichtigheid, en met het inzicht ook de redeneerkracht, de ontvankelijkheid en de vindingrijkheid.65Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze opsommingen verschillen slechts in zoverre zij verschillende soorten van onderdelen opnoemen, of in zoverre in de onderdelen van de ene opsomming meerdere van een andere opsomming besloten zijn. Zo bedoelt Tullius met de vooruitziendheid ook de behoedzaamheid en omzichtigheid, en met het inzicht ook de redeneerkracht, de ontvankelijkheid en de vindingrijkheid.
Ad secundum dicendum quod oeconomica et politica non accipiuntur hic secundum quod sunt scientiae; sed secundum quod sunt prudentiae quaedam. De aliis autem tribus patet responsio ex dictis [in corp. art.].
2. Huishoudkunde en staatkunde worden hier niet genomen in de beteekenis van wetenschappen, maar als soorten van de verstandigheid. Het antwoord betreffende de drie andere is duidelijk uit de Leerstelling.2. Huishoudkunde en staatkunde worden hier niet genomen in de betekenis van wetenschappen, maar als soorten van de verstandigheid. Het antwoord betreffende de drie andere is duidelijk uit de Leerstelling.
Ad tertium dicendum quod omnia illa ponuntur partes prudentiae non secundum suam communitatem; sed secundum quod se habent ad ea quae pertinent ad prudentiam.
3. Al de vaardigheden worden beschouwd als onderdeelen van de verstandigheid, niet als behoorend tot haar wezen, maar omdat ze zich uitstrekken tot iets, dat bij de verstandigheid behoort.3. Al de vaardigheden worden beschouwd als onderdelen van de verstandigheid, niet als behorend tot haar wezen, maar omdat ze zich uitstrekken tot iets, dat bij de verstandigheid behoort.
Ad quartum dicendum quod recte praecipere et ratione5 uti semper se comitantur: quia ad praeceptum rationis sequitur obedientia inferiorum virium, quae pertinent ad usum.
4. Een goed bevel en een goed gebruik der lagere vermogens staan altijd met elkaar in verband, want de gehoorzaamheid der lagere krachten volgt op het bevel van de rede, en dit is eigenlijk de aanwending der lagere vermogens.4. Een goed bevel en een goed gebruik van de lagere vermogens staan altijd met elkaar in verband, want de gehoorzaamheid van de lagere krachten volgt op het bevel van de rede, en dit is eigenlijk de aanwending van de lagere vermogens.
Ad quintum dicendum quod solicitudo includitur in ratione providentiae.
5. Zorgzaamheid behoort tot het wezen der vooruitziendheid.5. Zorgzaamheid behoort tot het wezen van de vooruitziendheid.