Theologische Summa · Secunda Secundae · De verstandigheidSumma · II-II · De verstandigheidSumma · II-II · Kw. 52Kw. 52
Quaestio LII

De dono consilii in quatuor articulos divisa

Kwestie 52

Over de gave van raad

(Vier Artikelen)

122Postea considerandum est de dono consilii, quod respondet prudentiae.

122Vervolgens dient de gave van raad behandeld te worden, die verband houdt met de verstandigheid.

Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum consilium debeat poni inter septem dona Spiritus Sancti. — 2. Utrum donum consilii respondeat virtuti prudentiae. — 3. Utrum donum consilii maneat in patria. — 4. Utrum quinta beatitudo quae est, Beati misericordes, respondeat dono consilii.

Omtrent dit onderwerp kan men vier vragen stellen: 1. Behoort de gave van raad tot de zeven gaven van den H. Geest? 2. Houdt de gave van raad verband met de verstandigheid? 3. Blijft zij bestaan bij de uitverkorenen in het hemelsche [Het slot van deze vraag ontbreekt in de uitgave.] 4. Duidt de vijfde der acht zaligsprekingen: « Zalig de barmhartigen », op de gave van raad?Omtrent dit onderwerp kan men vier vragen stellen: 1. Behoort de gave van raad tot de zeven gaven van de H. Geest? 2. Houdt de gave van raad verband met de verstandigheid? 3. Blijft zij bestaan bij de uitverkorenen in het hemelse [Het slot van deze vraag ontbreekt in de uitgave.] 4. Duidt de vijfde van de acht zaligsprekingen: “Zalig de barmhartigen”, op de gave van raad?

Articulus I

Utrum consilium debeat poni inter dona Spiritus Sancti

[3. Dist. 35. q. 2. art. 4. qla. 1.]
Ie Artikel

Behoort de gave van raad tot de zeven gaven van den H. Geest?Behoort de gave van raad tot de zeven gaven van de H. Geest?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod consilium non debeat poni 123inter dona Spiritus Sancti. Dona enim Spiritus Sancti in adjutorium virtutum dantur; ut patet per Gregorium, in 2. Mor. [cap. 49.]. Sed ad consiliandum homo sufficienter perficitur per virtutem prudentiae, vel etiam eubuliae, ut ex dictis patet [q. 47. art. 1.]. Ergo consilium non debet poni inter dona Spiritus Sancti.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van raad niet 123behoort tot de zeven gaven van den H. Geest. — 1. De gaven van den H. Geest worden gegeven tot hulp van de deugden, zooals Gregorius ons leert. Maar om goed te kunnen beraadslagen behoeft men slechts de deugd van verstandigheid, of nauwkeuriger gezegd, die van welberadenheid te bezitten, zooals reeds uit het behandelde gebleken is (47e Kw. 1e en 2e Art. en 51e Kw. 1e en 2e Art.). Daarom behoort de gave van raad niet onder de gaven van den H. Geest.Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van raad niet 123behoort tot de zeven gaven van de H. Geest. — 1. De gaven van de H. Geest worden gegeven tot hulp van de deugden, zoals Gregorius ons leert. Maar om goed te kunnen beraadslagen behoeft men slechts de deugd van verstandigheid, of nauwkeuriger gezegd, die van welberadenheid te bezitten, zoals reeds uit het behandelde gebleken is (47e Kw. 1e en 2e Art. en 51e Kw. 1e en 2e Art.). Daarom behoort de gave van raad niet onder de gaven van de H. Geest.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, haec videtur esse differentia inter septem dona Spiritus Sancti et gratias gratis datas, quod gratiae gratis datae non dantur omnibus, sed distribuuntur diversis; dona autem Spiritus Sancti dantur omnibus habentibus Spiritum Sanctum. Sed consilium videtur esse de his quae specialiter aliquibus a Spiritu Sancto dantur: secundum illud 1. Machab. 2. [v. 65] : « Ecce Simon frater vester: ipse vir consilii est ». Ergo consilium magis debet poni inter gratias gratis datas quam inter septem dona Spiritus Sancti.

2. Er is onderscheid tusschen de gaven van den H. Geest en de buitengewone genadegaven die om niet gegeven genadegaven genoemd worden. Deze laatste worden niet aan iedereen gegeven, terwijl de gaven van den H. Geest worden gegeven aan iedereen die de heiligmakende genade ontvangt. De gave van raad nu behoort klaarblijkelijk tot de buitengewone genadegaven, die door den H. Geest slechts aan enkele menschen gegeven worden, naar het woord van het Eerste Boek der Machabeën (2. 65) : « Zie uw broeder Simeon, is een man die goeden raad bezit ».2. Er is onderscheid tussen de gaven van de H. Geest en de buitengewone genadegaven die om niet gegeven genadegaven genoemd worden. Deze laatste worden niet aan iedereen gegeven, terwijl de gaven van de H. Geest worden gegeven aan iedereen die de heiligmakende genade ontvangt. De gave van raad nu behoort klaarblijkelijk tot de buitengewone genadegaven, die door de H. Geest slechts aan enkele mensen gegeven worden, naar het woord van het Eerste Boek van de Machabeën (2, 65): “Zie uw broeder Simeon, is een man die goeden raad bezit”.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Rom. 8. [v. 14] dicitur: « Qui spiritu Dei aguntur, hi filii Dei sunt ». Sed his qui ab alio aguntur non competit consilium. Cum ergo dona Spiritus Sancti maxime competant filiis Dei, qui « 124acceperunt spiritum adoptionis filiorum » [ibid. v. 15], videtur quod consilium inter dona Spiritus Sancti poni non debeat.

3. In den Brief aan de Romeinen wordt gezegd (8. 14) : « Die kinderen Gods zijn worden door God geleid ». Wanneer men door een ander geleid wordt, heeft de gave van raad geen beteekenis meer. Daar de gaven van den H. Geest het bijzondere bezit 124zijn der kinderen Gods, die « den geest van aanneming tot kinderen ontvangen hebben » kan de gave van raad niet gerekend worden onder de gaven van den H. Geest.3. In de Brief aan de Romeinen wordt gezegd (8, 14): “Die kinderen Gods zijn worden door God geleid”. Wanneer men door een ander geleid wordt, heeft de gave van raad geen betekenis meer. Daar de gaven van de H. Geest het bijzondere bezit 124zijn van de kinderen Gods, die “de geest van aanneming tot kinderen ontvangen hebben” kan de gave van raad niet gerekend worden onder de gaven van de H. Geest.

Sed contra est quod Isa. 11. [v. 2] dicitur: « Requiescet super eum spiritus consilii et fortitudinis ».

Daartegenover echter staat dat Isaïas zegt: (11. 2) : « De geest van raad en sterkte zal op hem rusten ».Daartegenover echter staat dat Jesaja zegt: (11, 2): “De geest van raad en sterkte zal op hem rusten”.

Respondeo dicendum quod dona Spiritus Sancti, ut supra dictum est [1-2. q. 68. art. 1.], sunt quaedam dispositiones quibus anima redditur bene mobilis a Spiritu Sancto. Deus autem movet unumquodque secundum modum ejus quod movetur: sicut « creaturam corporalem movet per tempus et locum, creaturam autem spiritualem per tempus et non per locum », ut Augustinus dicit in 8. super Gen. ad literam [cap. 20.]. Est autem proprium rationali creaturae quod per inquisitionem rationis moveatur ad aliquid agendum: quae quidem inquisitio consilium dicitur. Et ideo Spiritus Sanctus dicitur per modum consilii creaturam rationalem movere. Et propter hoc consilium ponitur inter dona Spiritus Sancti.

Leerstelling. — De gaven van den H. Geest zijn, zooals vroeger gezegd is (I. II. 68e Kw. 1e Art.) zekere gesteltenissen waardoor de ziel gevoelig gemaakt wordt voor de invloeden van den H. Geest. God beweegt ieder schepsel naar zijn eigen aard. « De lichamelijke schepselen worden bewogen naar tijd en plaats, de geestelijke schepselen wel naar tijd maar niet naar plaats », zegt Augustinus. Het is eigen aan het zedelijk schepsel dat het bewogen wordt om iets te doen, naar het inzicht van zijn verstand; het zoeken naar dit inzicht heet raad. Zoo beweegt de H. Geest het redelijk schepsel door het te helpen in het beraadslagen. En daarom wordt de gave van raad gerekend onder de gaven van den H. Geest.Leerstelling. — De gaven van de H. Geest zijn, zoals vroeger gezegd is (1-2 68e Kw. 1e Art.) zekere gesteltenissen waardoor de ziel gevoelig gemaakt wordt voor de invloeden van de H. Geest. God beweegt ieder schepsel naar zijn eigen aard. “De lichamelijke schepselen worden bewogen naar tijd en plaats, de geestelijke schepselen wel naar tijd maar niet naar plaats”, zegt Augustinus. Het is eigen aan het zedelijk schepsel dat het bewogen wordt om iets te doen, naar het inzicht van zijn verstand; het zoeken naar dit inzicht heet raad. Zo beweegt de H. Geest het redelijk schepsel door het te helpen in het beraadslagen. En daarom wordt de gave van raad gerekend onder de gaven van de H. Geest.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod prudentia vel eubulia, sive sit 125acquisita sive sit infusa, dirigit hominem in inquisitione consilii secundum ea quae ratio comprehendere potest: unde homo per prudentiam vel eubuliam fit bene consilians vel sibi vel alii. Sed quia humana ratio non potest comprehendere singularia contingentia quae occurrere possunt, fit quod « cogitationes mortalium sint timidae, et incertae providentiae nostrae », ut dicitur Sap. 9. [v. 14]. Ideo indiget homo in inquisitione consilii dirigi a Deo, qui omnia comprehendit. Quod fit per donum consilii, per quod homo dirigitur quasi consilio a Deo accepto. Sicut etiam in rebus humanis qui sibi ipsis non sufficiunt inquisitione consilii a sapientioribus consilium requirunt.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandigheid, 125of welberadenheid, hetzij als ingestorte, hetzij als verworven deugd, regelt den mensch in het beraadslagen slechts in die zaken die vallen onder het bereik van zijn verstand. En zoo bewerkt deze deugd dat hij goed overleg pleegt voor zich of voor een ander. Maar omdat het menschelijk verstand niet alle bijzondere en wisselvallige omstandigheden kan overzien, blijft immer het woord van het Boek der Wijsheid (9. 14) van kracht: « De overwegingen der menschen zijn weifelend en onzeker zijn voorzieningen ». Daarom heeft de mensch in zijn beraadslagingen de hulp van God noodig, die alles weet. Deze hulp gewordt hem door de gave van raad, waardoor God zelf hem als 't ware raad geeft, zooals men ook in menschelijke dingen raad vraagt aan meer ervaren personen, wanneer men zichzelf onzeker gevoelt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandigheid, 125of welberadenheid, hetzij als ingestorte, hetzij als verworven deugd, regelt de mens in het beraadslagen slechts in die zaken die vallen onder het bereik van zijn verstand. En zo bewerkt deze deugd dat hij goed overleg pleegt voor zich of voor een ander. Maar omdat het menselijk verstand niet alle bijzondere en wisselvallige omstandigheden kan overzien, blijft immer het woord van het Boek van de Wijsheid (9, 14) van kracht: “De overwegingen van de mensen zijn weifelend en onzeker zijn voorzieningen”. Daarom heeft de mens in zijn beraadslagingen de hulp van God nodig, die alles weet. Deze hulp gewordt hem door de gave van raad, waardoor God zelf hem als 't ware raad geeft, zoals men ook in menselijke dingen raad vraagt aan meer ervaren personen, wanneer men zichzelf onzeker gevoelt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod hoc potest pertinere ad gratiam gratis datam quod aliquis ita sit boni consilii quod aliis consilium praebeat. Sed quod aliquis a Deo consilium habeat quid fieri oporteat in his quae sunt necessaria ad salutem, hoc est commune omnium Sanctorum.

2. Wanneer iemand zoo verstandig is dat hij ook anderen goeden raad kan geven, kan dit gevolg zijn van een genadegave buiten de gewone orde. Maar dat iemand raad van God ontvangt in die zaken welke noodig zijn om het eeuwig heil te bereiken, is iets wat aan allen, die in staat van genade zijn, gemeen is.2. Wanneer iemand zo verstandig is dat hij ook anderen goeden raad kan geven, kan dit gevolg zijn van een genadegave buiten de gewone orde. Maar dat iemand raad van God ontvangt in die zaken welke nodig zijn om het eeuwig heil te bereiken, is iets wat aan allen, die in staat van genade zijn, gemeen is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod filii Dei aguntur a Spiritu Sancto secundum modum eorum, salvato scilicet libero arbitrio, quae est « facultas voluntatis 126et rationis ». Et sic inquantum ratio a Spiritu Sancto movetur, vel instruitur de agendis, competit filiis Dei donum consilii.

3. De kinderen Gods worden door den H. Geest geleid, naar hun natuur als redelijk mensch, d.w.z. zonder dat zij daardoor belemmerd worden in hun vrije zelfbeschikking, welk vermogen 126voortvloeit uit hun wil en verstand. Voor zoover nu het verstand door den H. Geest onderricht wordt over hetgeen zij doen moeten, kan men spreken van de gave van raad.3. De kinderen Gods worden door de H. Geest geleid, naar hun natuur als redelijk mens, d.w.z. zonder dat zij daardoor belemmerd worden in hun vrije zelfbeschikking, welk vermogen 126voortvloeit uit hun wil en verstand. Voor zover nu het verstand door de H. Geest onderricht wordt over hetgeen zij doen moeten, kan men spreken van de gave van raad.

Articulus II

Utrum donum consilii respondeat virtuti prudentiae

[3. Dist. 34. q. 1. art. 2. corp. et Dist. 35. q. 2. art. 4. qla. 1. et 2.]
IIe Artikel

Houdt de gave van raad verband met de verstandigheid?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod donum consilii non respondeat convenienter virtuti prudentiae. Inferius enim in suo supremo attingit id quod est superius, ut patet per Dionysium, 7. cap. de Div. Nom. [lect. 4.] : sicut homo attingit angelum secundum intellectum. Sed virtus cardinalis est inferior dono, ut supra habitum est [1-2. q. 68. art. 8.]. Cum ergo consilium sit primus et infimus actus prudentiae, supremus autem actus ejus praecipere, medius autem judicare; videtur quod donum respondens prudentiae non sit consilium, sed magis judicium vel praeceptum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van raad geen verband houdt met de verstandigheid. — 1. Het lagere raakt in zijn hoogste kwaliteiten aan het hoogere, zooals blijkt uit een gezegde van Dionysius. Zoo reikt de mensch door zijn verstand aan de engelennatuur. De kardinale deugd is echter lager dan de gave, zooals eerder bewezen werd (I. II. 68e Kw. 8e Art.). Daar nu het beraadslagen de eerste en laagste daad van de verstandigheid is, haar hoogste daad het bevelen en haar middelste daad het oordeelen, is de gave die verband houdt met de verstandigheid niet de raad, maar veeleer het bevel of het oordeel.Bedenkingen. — Men beweert, dat de gave van raad geen verband houdt met de verstandigheid. — 1. Het lagere raakt in zijn hoogste kwaliteiten aan het hogere, zoals blijkt uit een gezegde van Dionysius. Zo reikt de mens door zijn verstand aan de engelennatuur. De kardinale deugd is echter lager dan de gave, zoals eerder bewezen werd (1-2 68e Kw. 8e Art.). Daar nu het beraadslagen de eerste en laagste daad van de verstandigheid is, haar hoogste daad het bevelen en haar middelste daad het oordelen, is de gave die verband houdt met de verstandigheid niet de raad, maar veeleer het bevel of het oordeel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, uni virtuti sufficienter auxilium praebetur per unum donum: quia quanto aliquid est superius, tanto est magis unitum, ut probatur 127in lib. de Causis [prop. 4. 10. et 17.]. Sed prudentiae auxilium praebetur per donum scientiae, quae non solum est speculativa, sed etiam practica, ut supra habitum est [q. 9. art. 3.]. Ergo donum consilii non respondet virtuti prudentiae.

2. Iedere deugd afzonderlijk behoeft niet meer hulp dan van een enkele gave. Want hoe hooger iets is, des te minder is het 127samengesteld, zooals bewezen wordt in het Boek De Causis. De verstandigheid nu bezit reeds de hulp van de gave van wetenschap, die niet alleen beschouwend maar ook practisch is, zooals boven werd uiteengezet (9e Kw. 3e Art.). Dus houdt de gave van raad geen verband met de verstandigheid.2. Iedere deugd afzonderlijk behoeft niet meer hulp dan van een enkele gave. Want hoe hoger iets is, des te minder is het 127samengesteld, zoals bewezen wordt in het Boek De Causis. De verstandigheid nu bezit reeds de hulp van de gave van wetenschap, die niet alleen beschouwend maar ook praktisch is, zoals boven werd uiteengezet (9e Kw. 3e Art.). Dus houdt de gave van raad geen verband met de verstandigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad prudentiam proprie pertinet dirigere, ut supra habitum est [q. 50. art. 1.]. Sed ad donum consilii pertinet quod homo dirigatur a Deo, sicut dictum est [art. praec.]. Ergo donum consilii non pertinet ad virtutem prudentiae.

3. Het is de eigenlijke taak van de verstandigheid, den mensch een goed bestuur over zijn handelingen te verzekeren, zooals reeds werd uiteengezet (50e Kw. 1e Art.). Maar door de gave van raad wordt de mensch bestuurd door God, wat het vorig artikel aantoonde. Dus behoort de gave van raad niet tot de verstandigheid.3. Het is de eigenlijke taak van de verstandigheid, de mens een goed bestuur over zijn handelingen te verzekeren, zoals reeds werd uiteengezet (50e Kw. 1e Art.). Maar door de gave van raad wordt de mens bestuurd door God, wat het vorig artikel aantoonde. Dus behoort de gave van raad niet tot de verstandigheid.

Sed contra est quod donum consilii est circa ea quae sunt agenda propter finem. Sed circa haec est etiam prudentia. Ergo sibi invicem correspondent.

Daartegenover echter staat dat de gave van raad behoort tot de verstandigheid, want haar object is hetzelfde als dat van de verstandigheid, nl. de handelingen, te richten op het goede doel van het zedelijk leven.

Respondeo dicendum quod principium motivum inferius adjuvatur praecipue et perficitur per hoc quod movetur a superiori motivo principio: sicut corpus in hoc quod movetur a spiritu. Manifestum est autem quod rectitudo rationis humanae comparatur ad rationem divinam sicut 128principium motivum inferius quod movetur ad superius, et refertur in ipsum1 : ratio enim aeterna est suprema regula omnis humanae rectitudinis. Et ideo prudentia, quae importat rationis rectitudinem, maxime perficitur et juvatur secundum quod regulatur et movetur a Spiritu Sancto. Quod pertinet ad donum consilii, ut dictum est [art. praec.]. Unde donum consilii respondet prudentiae, sicut ipsam adjuvans et perficiens.

Leerstelling. — Een ondergeschikt beginsel van beweging of actie ontvangt een bijzondere hulp en vervolmaking wanneer het bewogen wordt door een hooger beginsel van dezelfde orde, b.v. het lichaam van den mensch voor zoover het bewogen wordt door den geest. Het menschelijk verstand nu als oorzaak van de 128juistheid der handelingen, verhoudt zich ontegenzeglijk tot het goddelijk verstand als een lager beginsel van beweging tot een hooger. Want het eeuwig verstand is de hoogste wet van de juistheid aller menschelijke handelingen. En daarom ontvangt de verstandigheid als oorzaak van de juistheid der menschelijke handelingen haar hoogste versterking en vervolmaking van den H. Geest. Dit nu geschiedt door de gave van raad, zooals in het vorig artikel werd aangetoond. Daarom behoort de gave van raad tot de verstandigheid als haar versterking en vervolmaking.Leerstelling. — Een ondergeschikt beginsel van beweging of actie ontvangt een bijzondere hulp en vervolmaking wanneer het bewogen wordt door een hoger beginsel van dezelfde orde, bv. het lichaam van de mens voor zover het bewogen wordt door de geest. Het menselijk verstand nu als oorzaak van de 128juistheid van de handelingen, verhoudt zich ontegenzeglijk tot het goddelijk verstand als een lager beginsel van beweging tot een hoger. Want het eeuwig verstand is de hoogste wet van de juistheid aller menselijke handelingen. En daarom ontvangt de verstandigheid als oorzaak van de juistheid van de menselijke handelingen haar hoogste versterking en vervolmaking van de H. Geest. Dit nu geschiedt door de gave van raad, zoals in het vorig artikel werd aangetoond. Daarom behoort de gave van raad tot de verstandigheid als haar versterking en vervolmaking.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod judicare et praecipere non est moti, sed moventis. Et quia in donis Spiritus Sancti mens humana non se habet ut movens, sed magis ut mota, ut supra dictum est [art. praec. et 1-2. q. 68. art. 1.] ; inde est quod non fuit conveniens quod donum correspondens prudentiae praeceptum diceretur vel judicium, sed consilium, per quod potest significari motio mentis consiliatae ab alio consiliante.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Oordeelen en bevelen is niet de taak van iets wat bewogen wordt maar van den beweger. Daar nu bij de gaven van den H. Geest het menschelijk verstand zich niet verhoudt als beweger maar als bewogene, zooals vroeger werd uiteengezet, (vorig art. en I. II. 68e Kw. 1e Art.) mag men de gave die verband houdt met de verstandigheid niet een gave van bevel of oordeel noemen, maar een gave van raad, waardoor tevens kan worden aangeduid de bewegende invloed die het verstand ontvangt van den raadgever.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Oordelen en bevelen is niet de taak van iets wat bewogen wordt maar van de beweger. Daar nu bij de gaven van de H. Geest het menselijk verstand zich niet verhoudt als beweger maar als bewogene, zoals vroeger werd uiteengezet, (vorig art. en 1-2 68e Kw. 1e Art.) mag men de gave die verband houdt met de verstandigheid niet een gave van bevel of oordeel noemen, maar een gave van raad, waardoor tevens kan worden aangeduid de bewegende invloed die het verstand ontvangt van de raadgever.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod scientiae donum non directe respondet prudentiae, cum sit in speculativis: sed secundum quamdam extensionem 129eam adjuvat. Donum autem consilii directe respondet prudentiae, sicut circa eadem existens.

2. De gave van wetenschap houdt geen onmiddellijk verband met de verstandigheid daar zij tot de beschouwende orde behoort 129en dus slechts in verwijderden zin de verstandigheid helpt. De gave van raad helpt onmiddellijk de verstandigheid daar beide tot de practische orde behooren.2. De gave van wetenschap houdt geen onmiddellijk verband met de verstandigheid daar zij tot de beschouwende orde behoort 129en dus slechts in verwijderden zin de verstandigheid helpt. De gave van raad helpt onmiddellijk de verstandigheid daar beide tot de praktische orde behoren.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod movens motum ex hoc quod movetur movet. Unde mens humana ex hoc ipso quod dirigitur a Spiritu Sancto, fit potens dirigere se et alios.

3. Een bewogen beweger, beweegt voor zoover hij zelf voortbewogen wordt. En daarom is het menschelijk verstand, door het feit dat het bewogen wordt door den H. Geest, bekwaam om zichzelf en anderen te besturen.3. Een bewogen beweger, beweegt voor zover hij zelf voortbewogen wordt. En daarom is het menselijk verstand, door het feit dat het bewogen wordt door de H. Geest, bekwaam om zichzelf en anderen te besturen.

Articulus III

Utrum donum consilii maneat in patria

[3. Dist. 35. q. 2. art. 4. qla. 3.]
IIIe Artikel

Blijft de gave van raad bestaan bij de uitverkorenen in het hemelsche vaderland?Blijft de gave van raad bestaan bij de uitverkorenen in het hemelse vaderland?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod donum consilii non maneat in patria. Consilium enim est eorum quae sunt agenda propter finem. Sed in patria nihil erit agendum propter finem: quia ibi homines ultimo fine potientur. Ergo in patria non est donum consilii.

Bedenkingen. — Men beweert dat de gave van raad niet blijft in den hemel. — 1. Raad heeft betrekking op handelingen die leiden naar het doel. Maar in den hemel behoeft men niets meer terwille van een doel te doen, daar het einddoel dan bereikt is. Derhalve is de gave van raad niet meer in bezit van de uitverkorenen.Bedenkingen. — Men beweert dat de gave van raad niet blijft in de hemel. — 1. Raad heeft betrekking op handelingen die leiden naar het doel. Maar in de hemel behoeft men niets meer terwille van een doel te doen, daar het einddoel dan bereikt is. Derhalve is de gave van raad niet meer in bezit van de uitverkorenen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, consilium dubitationem importat: in his enim quae manifesta sunt ridiculum est consiliari, sicut patet per Philosophum in 3. Ethic. 130[cap. 3.]. In patria autem tolletur omnis dubitatio. Ergo in patria non erit consilium.

2. Raad duidt op twijfel, want het is belachelijk zich te beraden omtrent iets wat vast staat, zooals blijkt uit de Ethica. In den hemel 130nu is alle twijfel weggenomen. Dus bestaat daar de gave van raad niet meer.2. Raad duidt op twijfel, want het is belachelijk zich te beraden omtrent iets wat vast staat, zoals blijkt uit de Ethica. In de hemel 130nu is alle twijfel weggenomen. Dus bestaat daar de gave van raad niet meer.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in patria Sancti maxime Deo conformantur: secundum illud 1. Joan. 3. [v. 2] : « Cum apparuerit, similes ei erimus ». Sed Deo non convenit consilium: secundum illud Rom. 11. [v. 34] : « Quis consiliarius ejus fuit? » Ergo etiam neque Sanctis in patria competit donum consilii.

3. In den hemel worden de zaligen zooveel mogelijk gelijkvormig aan God, zooals Joannes zegt (I. 3. 2.) : « Wanneer Hij ons zal verschijnen, zullen wij Hem gelijk zijn ». Maar God bezit de gave van raad niet, volgens het woord van den Brief aan de Romeinen (11. 34) : « Wie was ooit zijn raadgever? » Evenmin dus bezitten de uitverkorenen in den hemel de gave van raad.3. In de hemel worden de zaligen zoveel mogelijk gelijkvormig aan God, zoals Johannes zegt (1 3. 2.): “Wanneer Hij ons zal verschijnen, zullen wij Hem gelijk zijn”. Maar God bezit de gave van raad niet, volgens het woord van de Brief aan de Romeinen (11. 34): “Wie was ooit zijn raadgever?” Evenmin dus bezitten de uitverkorenen in de hemel de gave van raad.

Sed contra est quod Gregorius dicit, 17. Mor. [cap. 12.] : « Cumque uniuscujusque gentis vel culpa vel justitia ad supernae curiae consilium ducitur, ejusdem gentis praepositus vel obtinuisse in certamine vel non obtinuisse perhibetur ».

Daartegenover echter staat dat Gregorius zegt: « Telkens wanneer van welk volk ook de slechte of goede daden voor het hemelsch gerecht ter beoordeeling worden voorgedragen, houdt men een beraadslaging, waarin de bewaarengel van dat volk de goedkeuring al dan niet weet te verwerven ».Daartegenover echter staat dat Gregorius zegt: “Telkens wanneer van welk volk ook de slechte of goede daden voor het hemels gerecht ter beoordeling worden voorgedragen, houdt men een beraadslaging, waarin de bewaarengel van dat volk de goedkeuring al dan niet weet te verwerven”.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 1. et 1-2. q. 68. art. 1.], dona Spiritus Sancti ad hoc pertinent quod creatura rationalis moveatur a Deo. Circa motionem autem humanae mentis a Deo duo considerari oportet. Primo quidem, quod alia est dispositio ejus quod movetur dum movetur, et alia dum est in termino motus. Et quidem quando 131movens est solum principium movendi, cessante motu cessat actio moventis super mobile, quod jam pervenit ad terminum: sicut domus, postquam aedificata est, non aedificatur ulterius ab aedificatore. Sed quando movens non solum est causa movendi, sed etiam est causa ipsius formae ad quam est motus, tunc non cessat actio moventis etiam post adeptionem formae: sicut sol illuminat aërem etiam postquam est illuminatus. Et hoc modo Deus causat in nobis et virtutem et cognitionem non solum quando primo acquirimus, sed etiam quamdiu in eis perseveramus. Et sic cognitionem agendorum causat Deus in beatis, non quasi in ignorantibus, sed quasi continuando in eis cognitionem eorum quae agenda sunt.

Leerstelling. — God beweegt, zooals vroeger werd aangetoond, (vorig art. en I. II. 68e Kw. 1e Art.) het redelijk schepsel door de gaven van den H. Geest. Hierbij dient men twee zaken te onderscheiden. Eerstens, dat de gesteltenis van iets wat bewogen wordt geheel anders is tijdens de beweging dan wanneer het eindpunt van de beweging bereikt is. En wel: wanneer de beweger 131alleen beginsel van de beweging is, houdt de invloed van den beweger op het bewogene op, zoodra het eindpunt bereikt is en de beweging ophoudt; zooals b.v. aan een huis, nadat het opgebouwd is, niet verder gebouwd wordt door den bouwer. Maar wanneer de beweger niet alleen oorzaak van de beweging is, maar ook van den vorm waartoe de beweging gericht is, dan houdt de invloed van den beweger niet op ook al is de vorm verkregen, zooals b.v. de zon de lucht blijft verlichten ook nadat de lucht reeds lichtend geworden is. En zoo veroorzaakt God in ons èn de deugd èn de kennis niet alleen op het eerste oogenblik dat wij deze verkrijgen, maar ook zoolang wij ze blijven bezitten. Op deze wijze veroorzaakt God in de zaligen de kennis van hetgeen gedaan moet worden, niet zooals bij onwetenden, maar, om het zoo uit te drukken, door de kennis van hetgeen gedaan moest worden te doen voortduren.Leerstelling. — God beweegt, zoals vroeger werd aangetoond, (vorig art. en 1-2 68e Kw. 1e Art.) het redelijk schepsel door de gaven van de H. Geest. Hierbij dient men twee zaken te onderscheiden. Eerstens, dat de gesteltenis van iets wat bewogen wordt geheel anders is tijdens de beweging dan wanneer het eindpunt van de beweging bereikt is. En wel: wanneer de beweger 131alleen beginsel van de beweging is, houdt de invloed van de beweger op het bewogene op, zodra het eindpunt bereikt is en de beweging ophoudt; zoals bv. aan een huis, nadat het opgebouwd is, niet verder gebouwd wordt door de bouwer. Maar wanneer de beweger niet alleen oorzaak van de beweging is, maar ook van de vorm waartoe de beweging gericht is, dan houdt de invloed van de beweger niet op ook al is de vorm verkregen, zoals bv. de zon de lucht blijft verlichten ook nadat de lucht reeds lichtend geworden is. En zo veroorzaakt God in ons èn de deugd èn de kennis niet alleen op het eerste ogenblik dat wij deze verkrijgen, maar ook zolang wij ze blijven bezitten. Op deze wijze veroorzaakt God in de zaligen de kennis van hetgeen gedaan moet worden, niet zoals bij onwetenden, maar, om het zo uit te drukken, door de kennis van hetgeen gedaan moest worden te doen voortduren.

Cum quaedam sint1 quae beati vel angeli, vel homines non cognoscunt, quae non sunt de essentia beatitudinis, sed pertinent ad beatitudinem vel ad gubernationem rerum secundum divinam providentiam. Et quantum ad hoc est aliud considerandum, scilicet quod mens beatorum movetur aliter a Deo, et aliter mens viatorum. Nam mens viatorum movetur a Deo in agendis per hoc quod 132sedatur anxietas dubitationis in eis praecedens. In mente vero beatorum circa ea quae non cognoscunt est simplex nescientia, a qua etiam Angeli purgantur, secundum Dionysium cap. Eccl. Hier.: non autem praecedit in eis inquisitio dubitationis, sed simplex conversio ad Deum. Et hoc est Deum consulere: sicut Augustinus dicit 5. super Gen. ad litteram. [cap. 19.], quod Angeli « de inferioribus Deum consulunt ». Unde et instructio qua super hoc a Deo instruuntur consilium dicitur. Et secundum hoc donum consilii est in beatis, inquantum in eis a Deo continuatur cognitio eorum quae sciunt; et inquantum illuminantur de his quae nesciunt circa agenda.

Toch zijn er nog zaken die de zaligen of engelen nog niet weten, die nl. niet tot het wezen der eeuwige zaligheid behooren, maar tot het bestuur der Goddelijke Voorzienigheid. Hierbij geldt een andere beschouwing, nl. dat het verstand van een zalige anders door God beïnvloed wordt dan dat van een sterveling hierbeneden. Dit laatste beïnvloedt God door den voorafgaanden angst der 132twijfels tot rust te brengen. In het verstand der zaligen heerscht echter geen twijfel. God moet hun enkel de kennis instorten omtrent dingen die hun tevoren onbekend waren, zooals dit zelfs bij de engelen moet geschieden, volgens het gezegde van Dionysius. De uitverkorenen behoeven dus niet in angstigen twijfel te zoeken naar een oplossing, maar zich eenvoudig tot God te wenden. En dit is de beteekenis van het woord: God raadplegen, dat wij bij Augustinus vinden, nl. dat de engelen God raadplegen over het lagere. Daarom noemt men het onderricht dat God hen in dit geval geeft raad. Op deze wijze nu is de gave van raad het bezit der uitverkorenen nl. ten eerste: voor zoover God de kennis van hetgeen zij al weten doet voortbestaan; en ten tweede: voor zoover zij van God verlichtingen ontvangen omtrent hetgeen gedaan moet worden.Toch zijn er nog zaken die de zaligen of engelen nog niet weten, die nl. niet tot het wezen van de eeuwige zaligheid behoren, maar tot het bestuur van de Goddelijke Voorzienigheid. Hierbij geldt een andere beschouwing, nl. dat het verstand van een zalige anders door God beïnvloed wordt dan dat van een sterveling hierbeneden. Dit laatste beïnvloedt God door de voorafgaande angst van de 132twijfels tot rust te brengen. In het verstand van de zaligen heerst echter geen twijfel. God moet hun enkel de kennis instorten omtrent dingen die hun tevoren onbekend waren, zoals dit zelfs bij de engelen moet geschieden, volgens het gezegde van Dionysius. De uitverkorenen behoeven dus niet in angstige twijfel te zoeken naar een oplossing, maar zich eenvoudig tot God te wenden. En dit is de betekenis van het woord: God raadplegen, dat wij bij Augustinus vinden, nl. dat de engelen God raadplegen over het lagere. Daarom noemt men het onderricht dat God hen in dit geval geeft raad. Op deze wijze nu is de gave van raad het bezit van de uitverkorenen nl. ten eerste: voor zover God de kennis van hetgeen zij al weten doet voortbestaan; en ten tweede: voor zover zij van God verlichtingen ontvangen omtrent hetgeen gedaan moet worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod etiam in beatis sunt aliqui actus ordinati ad finem: vel quasi procedentes ex consecutione finis, sicut quod Deum laudant; vel quibus alios pertrahunt ad finem quem ipsi sunt consecuti, sicut sunt ministeria Angelorum et orationes Sanctorum. Et quantum ad hoc habet in eis locum donum consilii.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zelfs in de uitverkorenen zijn er nog handelingen die gericht zijn op een doel: ofwel deze handelingen vloeien voort uit het bereiken van het einddoel, zooals het loven van God, ofwel het zijn handelingen waardoor zij anderen tot hetzelfde doel trachten te brengen, zooals de hulp der engelen en de gebeden der zaligen. Voor beide is de gave van raad noodig.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zelfs in de uitverkorenen zijn er nog handelingen die gericht zijn op een doel: ofwel deze handelingen vloeien voort uit het bereiken van het einddoel, zoals het loven van God, ofwel het zijn handelingen waardoor zij anderen tot hetzelfde doel trachten te brengen, zoals de hulp van de engelen en de gebeden van de zaligen. Voor beide is de gave van raad nodig.

↑ bedenking 2

133Ad secundum dicendum quod dubitatio pertinet ad consilium secundum statum vitae praesentis: non autem pertinet secundum quod est consilium in patria. Sicut etiam virtutes cardinales non habent omnino eosdem actus in patria et in via.

1332. Dat twijfel aan den raad vooraf gaat, geschiedt alleen in dit leven, niet in het hemelsche vaderland. Ook de kardinale deugden hebben immers niet dezelfde daden hier en hiernamaals.1332. Dat twijfel aan de raad vooraf gaat, geschiedt alleen in dit leven, niet in het hemelse vaderland. Ook de kardinale deugden hebben immers niet dezelfde daden hier en hiernamaals.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod consilium non est in Deo sicut in recipiente, sed sicut in dante. Hoc autem modo conformantur Deo Sancti in patria sicut recipiens influenti.

In God is raad niet als in iemand die raad ontvangt, maar die raad geeft. Men kan in dit opzicht van de zaligen zeggen dat zij aan God gelijkvormig worden, zooals iemand die een invloed ondergaat gelijkvormig wordt aan dengene die hem beïnvloedt.In God is raad niet als in iemand die raad ontvangt, maar die raad geeft. Men kan in dit opzicht van de zaligen zeggen dat zij aan God gelijkvormig worden, zoals iemand die een invloed ondergaat gelijkvormig wordt aan dengene die hem beïnvloedt.

Articulus IV

Utrum quinta beatitudo, quae est de misericordia, correspondeat dono consilii

[1-2, q. 69. art. 3. ad 3. et 3. Dist. 34. q. 1. art. 4. et Matth. 5.]
IVe Artikel

Houdt de vijfde zaligspreking: « Zalig de barmhartigen » verband met de gave van raad?Houdt de vijfde zaligspreking: “Zalig de barmhartigen” verband met de gave van raad?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod quinta beatitudo, quae est de misericordia, non respondeat dono consilii. Omnes enim beatitudines sunt quidam actus virtutum, ut supra habitum est [1-2. q. 69. art. 1.]. Sed per consilium in omnibus virtutum actibus dirigimur. Ergo consilio non respondet magis quinta beatitudo quam alia.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de vijfde zaligspreking, over de barmhartigheid, geen verband houdt met de gave van raad. — 1. Iedere zaligspreking geldt daden van een bepaalde deugd, zooals vroeger is uiteengezet (I. II. 69e Kw. 1e Art.). Door den raad nu wordt ons heele deugdenleven bestuurd. Andere zaligsprekingen staan dus niet minder in verband met de gave van raad dan deze vijfde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de vijfde zaligspreking, over de barmhartigheid, geen verband houdt met de gave van raad. — 1. Iedere zaligspreking geldt daden van een bepaalde deugd, zoals vroeger is uiteengezet (1-2 69e Kw. 1e Art.). Door de raad nu wordt ons hele deugdenleven bestuurd. Andere zaligsprekingen staan dus niet minder in verband met de gave van raad dan deze vijfde.

antwoord 2 ↓

1342. Praeterea, praecepta dantur de his quae sunt de necessitate salutis: consilium autem datur de his quae non sunt de necessitate salutis. Misericordia autem est de necessitate salutis, secundum illud Jac. 2. [v. 13]: « Judicium sine misericordia illi qui non facit misericordiam »: paupertas autem non est de necessitate salutis, sed pertinet ad perfectionem vitae, ut patet Matth. 19. [v. 21]. Ergo dono consilii magis respondet beatitudo paupertatis quam beatitudo misericordiae.

1342. Omtrent datgene wat noodzakelijk is ter zaligheid worden geboden gegeven. Raad betreft alleen datgene wat niet noodzakelijk is ter zaligheid. Omtrent de barmhartigheid zegt de H. Jacobus (2. 13.) : « Een oordeel zonder barmhartigheid zal hij ondergaan, die geen barmhartigheid deed ». De armoede daarentegen is niet noodzakelijk ter zaligheid, zooals blijkt uit Mattheus (19. 21). Dus beantwoordt de zaligspreking der armen eerder aan de gave van raad dan die der barmhartigen.1342. Omtrent datgene wat noodzakelijk is ter zaligheid worden geboden gegeven. Raad betreft alleen datgene wat niet noodzakelijk is ter zaligheid. Omtrent de barmhartigheid zegt de H. Jacobus (2. 13.): “Een oordeel zonder barmhartigheid zal hij ondergaan, die geen barmhartigheid deed”. De armoede daarentegen is niet noodzakelijk ter zaligheid, zoals blijkt uit Matteüs (19, 21). Dus beantwoordt de zaligspreking van de armen eerder aan de gave van raad dan die van de barmhartigen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, fructus consequuntur ad beatitudines: important enim delectationem quamdam spiritualem quae consequitur perfectos actus virtutum. Sed inter fructus non ponitur aliquid respondens dono consilii, ut patet Galat. 5. [v. 22, 23]. Ergo etiam beatitudo misericordiae non respondet dono consilii.

3. De vruchten van den H. Geest begeleiden de zaligsprekingen. Zij beduiden een zekere geestelijke vreugde die volgt uit de volmaakte deugdbeoefening. Maar onder de vruchten van den H. Geest is er geen enkele die verband houdt met de gave van raad, zooals blijkt uit den Brief aan de Galaten (5. 21, 23). Dus houdt ook de zaligspreking der barmhartigen geen verband met de gave van raad.3. De vruchten van de H. Geest begeleiden de zaligsprekingen. Zij beduiden een zekere geestelijke vreugde die volgt uit de volmaakte deugdbeoefening. Maar onder de vruchten van de H. Geest is er geen enkele die verband houdt met de gave van raad, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (5, 21, 23). Dus houdt ook de zaligspreking van de barmhartigen geen verband met de gave van raad.

Sed contra est quod Augustinus dicit in lib. de Serm. Dom. in monte [cap. 4.] : « Consilium convenit misericordibus: quia unicum remedium est de tantis malis erui, dimittere aliis et dare ».

Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt: « De gave van raad behoort aan de barmhartigen, omdat er slechts één middel is om uit zooveel ongerechtigheden op te staan, nl. anderen vergeving schenken en weldaden bewijzen ».Daartegenover echter staat dat Augustinus zegt: “De gave van raad behoort aan de barmhartigen, omdat er slechts één middel is om uit zoveel ongerechtigheden op te staan, nl. anderen vergeving schenken en weldaden bewijzen”.

Respondeo dicendum quod consilium proprie est de his quae sunt 135utilia ad finem. Unde ea quae maxime sunt utilia ad finem maxime debent correspondere dono consilii. Hoc autem est misericordia: secundum illud 1. ad Tim. 4. [v. 8] : « Pietas ad omnia utilis est ». Et ideo specialiter dono consilii respondet beatitudo misericordiae, non sicut elicienti, sed sicut dirigenti.

Leerstelling. — Raad richt zich in wezen op alles wat nuttig 135is voor het doel. Daarom houdt datgene wat het meest nut heeft voor het einddoel zeker verband met de gave van raad. Dit is nu de barmhartigheid, naar het gezegde uit den Eersten Brief aan Timotheus (4. 8) : « Barmhartigheid is nuttig voor alles ». En daarom houdt de zaligspreking der barmhartigen bijzonder verband met de gave van raad, niet in dien zin dat de gave van raad de goede werken doet verrichten, doch wel, dat zij ze bestuurt en richt op het einddoel.Leerstelling. — Raad richt zich in wezen op alles wat nuttig 135is voor het doel. Daarom houdt datgene wat het meest nut heeft voor het einddoel zeker verband met de gave van raad. Dit is nu de barmhartigheid, naar het gezegde uit de Eerste Brief aan Timoteüs (4, 8): “Barmhartigheid is nuttig voor alles”. En daarom houdt de zaligspreking van de barmhartigen bijzonder verband met de gave van raad, niet in die zin dat de gave van raad de goede werken doet verrichten, doch wel, dat zij ze bestuurt en richt op het einddoel.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod etsi consilium dirigat in omnibus actibus virtutum, specialiter tamen dirigit in operibus misericordiae, ratione jam dicta [in corp.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook al geeft de gave van raad leiding bij alle deugdoefeningen, zij bestuurt toch heel bijzonder de werken van barmhartigheid om de reden die zoo even werd ontwikkeld.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook al geeft de gave van raad leiding bij alle deugdoefeningen, zij bestuurt toch heel bijzonder de werken van barmhartigheid om de reden die zo even werd ontwikkeld.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod consilium, secundum quod est donum Spiritus Sancti, dirigit nos in omnibus quae ordinantur in finem vitae aeternae, sive sint de necessitate salutis sive non. Et tamen non omne opus misericordiae est de necessitate salutis.

2. De raad als gave van den H. Geest bestuurt ons in alle handelingen welke leiden tot het einddoel dat het eeuwige leven is, of deze kan noodzakelijk zijn ter zaligheid of niet. De werken van barmhartigheid zijn daarbij niet alle noodzakelijk ter zaligheid.2. De raad als gave van de H. Geest bestuurt ons in alle handelingen welke leiden tot het einddoel dat het eeuwige leven is, of deze kan noodzakelijk zijn ter zaligheid of niet. De werken van barmhartigheid zijn daarbij niet alle noodzakelijk ter zaligheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod fructus importat quiddam ultimum. In practicis autem non est ultimum in cognitione, sed in operatione, quae est finis. Et ideo inter fructus nihil ponitur quod pertineat ad cognitionem 136practicam, sed solum ea quae pertinent ad operationes, in quibus cognitio practica dirigit. Inter quae ponitur bonitas et benignitas, quae respondent misericordiae.

3. Het woord « vrucht », beteekent iets dat aan het einde staat. Bij handelingen is het einde niet te vinden in de kennis die de handeling richt, doch in de werking waardoor het doel bereikt wordt. En daarom vindt men onder de vruchten van den H. Geest 136geen enkele, die verband houdt met de kennis die de handeling bestuurt. Wel houden ze alle verband met de handelingen zelf, die door de practische kennis bestuurd worden. Hieronder vallen de goedheid en welwillendheid, die verband houden met de barmhartigheid.3. Het woord “vrucht”, betekent iets dat aan het einde staat. Bij handelingen is het einde niet te vinden in de kennis die de handeling richt, doch in de werking waardoor het doel bereikt wordt. En daarom vindt men onder de vruchten van de H. Geest 136geen enkele, die verband houdt met de kennis die de handeling bestuurt. Wel houden ze alle verband met de handelingen zelf, die door de praktische kennis bestuurd worden. Hieronder vallen de goedheid en welwillendheid, die verband houden met de barmhartigheid.