De vitiis prudentiae oppositis, et primo de imprudentia in sex articulos divisa
Over de onverstandigheid
137Postea considerandum est de vitiis oppositis prudentiae. Dicit enim Augustinus in 4. contra Jul. [cap. 3.], quod « omnibus virtutibus non solum sunt vitia manifesta discretione contraria, sicut prudentiae temeritas: verum etiam vicina quodammodo, nec veritate, sed quadam specie fallente similia, sicut ipsi prudentiae astutia ».
137Thans moeten de ondeugden behandeld worden, die tegengesteld zijn aan de verstandigheid. Augustinus zegt dat « alle ondeugden niet steeds op rechtstreeksche wijze tegengesteld zijn aan de deugd, zooals b.v. de vermetelheid rechtstreeks tegengesteld is aan de verstandigheid; maar dat er ook zijn, die eenigszins verwant schijnen aan de deugd, niet door een ware, maar door een bedrieglijke overeenkomst, zooals b.v. de sluwheid verwant schijnt met de verstandigheid ».137Thans moeten de ondeugden behandeld worden, die tegengesteld zijn aan de verstandigheid. Augustinus zegt dat “alle ondeugden niet steeds op rechtstreekse wijze tegengesteld zijn aan de deugd, zoals bv. de vermetelheid rechtstreeks tegengesteld is aan de verstandigheid; maar dat er ook zijn, die enigszins verwant schijnen aan de deugd, niet door een ware, maar door een bedrieglijke overeenkomst, zoals bv. de sluwheid verwant schijnt met de verstandigheid”.
Primo ergo considerandum est de vitiis quae manifeste contrarietatem habent ad prudentiam, quae scilicet vitia proveniunt ex defectu prudentiae vel eorum quae ad prudentiam requiruntur; secundo, de vitiis quae habent quamdam similitudinem falsam cum prudentia quae scilicet contingunt per abusum eorum quae ad prudentiam 138requiruntur.
Eerstens moeten dus de ondeugden behandeld worden die lijnrecht staan tegenover de verstandigheid, diegene nl. die voortkomen uit een ontbreken van de verstandigheid of uit de afwezigheid van sommige elementen die tot de verstandigheid behooren. Vervolgens zal het onderzoek moeten gaan, omtrent die ondeugden welke een valschen schijn van verstandigheid hebben aangenomen, en die voortkomen uit een misbruik van datgene wat tot de verstandigheid vereischt is.Eerstens moeten dus de ondeugden behandeld worden die lijnrecht staan tegenover de verstandigheid, diegene nl. die voortkomen uit een ontbreken van de verstandigheid of uit de afwezigheid van sommige elementen die tot de verstandigheid behoren. Vervolgens zal het onderzoek moeten gaan, omtrent die ondeugden welke een valsen schijn van verstandigheid hebben aangenomen, en die voortkomen uit een misbruik van datgene wat tot de verstandigheid vereist is.
Quia vero solicitudo ad prudentiam pertinet, circa primum consideranda sunt duo: primo quidem, de imprudentia; secundo, de negligentia, quae solicitudini opponitur.
138Wat de eerste soort ondeugden betreft, moet vooreerst gehandeld worden over de onverstandigheid, en vervolgens, — daar de zorgzaamheid tot de verstandigheid behoort — over de zorgeloosheid, die tegengesteld is aan de zorgzaamheid.
Et circa primum quaeruntur sex: 1. De imprudentia, utrum sit peccatum. — 2. Utrum sit speciale peccatum. — 3. De praecipitatione, sive temeritate. — 4. De inconsideratione. — 5. De inconstantia. — 6. De origine horum vitiorum.
Omtrent de onverstandigheid kan men de volgende zes vragen stellen: 1. Is de onverstandigheid zonde? 2. Is zij een afzonderlijke zonde? 3. Over de overhaasting. 4. Over de onnadenkendheid. 5. Over de onstandvastigheid. 6. Over den oorsprong van deze ondeugden.Omtrent de onverstandigheid kan men de volgende zes vragen stellen: 1. Is de onverstandigheid zonde? 2. Is zij een afzonderlijke zonde? 3. Over de overhaasting. 4. Over de onnadenkendheid. 5. Over de onstandvastigheid. 6. Over de oorsprong van deze ondeugden.
Utrum imprudentia sit peccatum
Is de onverstandigheid zonde?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod imprudentia non sit peccatum. Omne enim peccatum est voluntarium, ut Augustinus dicit [lib. de Vera Relig. cap. 14.]. Imprudentia autem non est aliquid voluntarium: nullus enim vult esse imprudens. Ergo imprudentia non est peccatum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de onverstandigheid geen zonde is. — 1. Zonde is iets vrijwilligs, zooals Augustinus zegt. Onverstandigheid echter is niet iets vrijwilligs, daar niemand onverstandig wil zijn. Dus is de onverstandigheid geen zonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de onverstandigheid geen zonde is. — 1. Zonde is iets vrijwilligs, zoals Augustinus zegt. Onverstandigheid echter is niet iets vrijwilligs, daar niemand onverstandig wil zijn. Dus is de onverstandigheid geen zonde.
1392. Praeterea, nullum peccatum nascitur cum homine nisi originale. Sed imprudentia nascitur cum homine: unde et juvenes imprudentes sunt. Nec est originale peccatum, quod opponitur originali justitiae. Ergo imprudentia non est peccatum,
1392. De mensch wordt met geen zonde geboren, tenzij met de erfzonde. Maar de mensch wordt geboren met de onverstandigheid: daarvandaan dat jonge menschen onverstandig zijn. En toch is de onverstandigheid niet de erfzonde, tegengesteld aan de oorspronkelijke rechtvaardigheid. Dus is de onverstandigheid geen zonde.1392. De mens wordt met geen zonde geboren, tenzij met de erfzonde. Maar de mens wordt geboren met de onverstandigheid: daarvandaan dat jonge mensen onverstandig zijn. En toch is de onverstandigheid niet de erfzonde, tegengesteld aan de oorspronkelijke rechtvaardigheid. Dus is de onverstandigheid geen zonde.
3. Praeterea, omne peccatum per poenitentiam tollitur. Sed imprudentia non tollitur per poenitentiam. Ergo imprudentia non est peccatum.
3. Iedere zonde kan weggenomen worden door de boetvaardigheid. De onverstandigheid echter niet. Dus is de onverstandigheid geen zonde.
Sed contra, spiritualis thesaurus gratiae non tollitur nisi per peccatum. Tollitur autem per imprudentiam secundum illud Prov. 21. [v. 20]: « Thesaurus desiderabilis et oleum in habitaculo justi, et homo imprudens dissipabit illud ». Ergo imprudentia est peccatum.
Daartegenover echter staat dat de geestelijke schat der genade enkel door de zonde verloren wordt. Hij wordt echter verloren door de onverstandigheid, volgens het Boek der Spreuken (21. 20) : « Een begeerenswaardige schat gelijk aan balsem, in het huis van den rechtvaardige: de onverstandige mensch verkwist hem ». Dus is de onverstandigheid zonde.Daartegenover echter staat dat de geestelijke schat van de genade enkel door de zonde verloren wordt. Hij wordt echter verloren door de onverstandigheid, volgens het Boek van de Spreuken (21, 20): “Een begerenswaardige schat gelijk aan balsem, in het huis van de rechtvaardige: de onverstandige mens verkwist hem”. Dus is de onverstandigheid zonde.
Respondeo dicendum quod imprudentia dupliciter accipi potest: uno modo, privative; alio modo, contrarie. Negative autem non proprie dicitur, ita scilicet quod proprie importet solam carentiam prudentiae: quae potest esse sine peccato. Privative quidem imprudentia dicitur inquantum aliquis 140caret prudentia quam quis natus est et debet habere. Et secundum hoc imprudentia est peccatum ratione negligentiae, qua quis non adhibet studium ad prudentiam habendam. Contrarie vero accipitur imprudentia secundum quod ratio contrario modo movetur vel agit prudentiae. Puta, si recta ratio prudentiae agit consiliando, imprudens consilium spernit: et sic de aliis quae in actu prudentiae consideranda1 sunt. Et hoc modo imprudentia est peccatum secundum rationem propriam prudentiae. Non enim potest hoc contingere quod homo contra prudentiam agat, nisi divertens a regulis quibus ratio prudentiae rectificatur. Unde si hoc contingat per aversionem a regulis divinis, est peccatum mortale: puta cum quis quasi contemnens et repudians divina documenta, praecipitanter agit. Si vero praeter eas agat absque contemptu, et absque detrimento eorum quae sunt de necessitate salutis, est peccatum veniale.
Leerstelling. — Onverstandigheid kan tweevoudig gezegd worden: in beroovenden en in tegengestelden zin. In ontkennenden zin, nl in zoover men het niet aanwezig zijn van de verstandigheid zonder meer wil aanduiden, kan men eigenlijk niet van onverstandigheid spreken. In beroovenden zin spreekt men van 140onverstandigheid, voor zoover iemand de verstandigheid mist, die hij kan en moet bezitten. In dit opzicht is de onverstandigheid zonde, vanwege de nalatigheid, waardoor de mensch geen moeite aanwendt om de verstandigheid te bezitten. In tegengestelden zin kan van onverstandigheid gesproken worden, voor zoover het verstand bewogen wordt of handelt tegen de verstandigheid in; aldus b.v. waar een verstand, goed geleid door de verstandigheid, eerst overleg pleegt, zal de onverstandige ieder overleg verachtelijk op zij zetten. Zoo kan men met betrekking tot alle elementen, die voor een verstandige handeling noodig zijn, tegengesteld te werk gaan. Op deze wijze zondigt men eigenlijk rechtstreeks tegen de deugd van verstandigheid. Want de mensch kan niet anders tegen de verstandigheid zondigen, dan door af te wijken van de regelen, waardoor een verstandige zich in de goede richting laat leiden. En wel: Wanneer iemand afwijkt van de goddelijke regelen, vervalt hij in doodzonde, b.v. wanneer hij Gods onderrichting veracht en van zich afwerpt, en aldus verblind handelt. Wanneer hij echter handelt buiten Gods onderrichting om, zonder verachting en zonder dat wat noodzakelijk is ter zaligheid in gevaar te brengen, maakt hij zich schuldig aan dagelijksche zonde.Leerstelling. — Onverstandigheid kan tweevoudig gezegd worden: in berovenden en in tegengestelden zin. In ontkennende zin, nl in zover men het niet aanwezig zijn van de verstandigheid zonder meer wil aanduiden, kan men eigenlijk niet van onverstandigheid spreken. In berovende zin spreekt men van 140onverstandigheid, voor zover iemand de verstandigheid mist, die hij kan en moet bezitten. In dit opzicht is de onverstandigheid zonde, vanwege de nalatigheid, waardoor de mens geen moeite aanwendt om de verstandigheid te bezitten. In tegengestelden zin kan van onverstandigheid gesproken worden, voor zover het verstand bewogen wordt of handelt tegen de verstandigheid in; aldus bv. waar een verstand, goed geleid door de verstandigheid, eerst overleg pleegt, zal de onverstandige ieder overleg verachtelijk op zij zetten. Zo kan men met betrekking tot alle elementen, die voor een verstandige handeling nodig zijn, tegengesteld te werk gaan. Op deze wijze zondigt men eigenlijk rechtstreeks tegen de deugd van verstandigheid. Want de mens kan niet anders tegen de verstandigheid zondigen, dan door af te wijken van de regelen, waardoor een verstandige zich in de goede richting laat leiden. En wel: Wanneer iemand afwijkt van de goddelijke regelen, vervalt hij in doodzonde, bv. wanneer hij Gods onderrichting veracht en van zich afwerpt, en aldus verblind handelt. Wanneer hij echter handelt buiten Gods onderrichting om, zonder verachting en zonder dat wat noodzakelijk is ter zaligheid in gevaar te brengen, maakt hij zich schuldig aan dagelijkse zonde.
Ad primum ergo dicendum quod deformitatem imprudentiae nullus vult: 141sed actum imprudentiae vult temerarius, qui vult praecipitanter agere. Unde et Philosophus dicit, in 4. Ethic. [cap. 5.], quod « ille qui circa prudentiam peccat volens, minus acceptatur ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tekort aan 141verstandigheid wil eigenlijk niemand; maar de roekelooze, die zonder overleg wil handelen, wil de onverstandige daad. Daarom zegt de Wijsgeer, dat hij die in zake verstandigheid vrijwillig verkeerd handelt, niet voor verstandig gehouden wordt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tekort aan 141verstandigheid wil eigenlijk niemand; maar de roekeloze, die zonder overleg wil handelen, wil de onverstandige daad. Daarom zegt de Wijsgeer, dat hij die in zake verstandigheid vrijwillig verkeerd handelt, niet voor verstandig gehouden wordt.
Ad secundum dicendum quod ratio illa procedit de imprudentia secundum quod sumitur negative. Sciendum tamen quod carentia prudentiae et cujuslibet virtutis includitur in carentia originalis justitiae, quae totam animam perficiebat. Et secundum hoc omnes isti defectus virtutum possunt reduci ad originale peccatum.
2. Dit bewijs wordt genomen uit den ontkennenden zin van de onverstandigheid. Men dient echter te weten, dat het ontbreken van de verstandigheid, evenals van iedere andere deugd, besloten ligt in de erfzonde, d.i. in het ontberen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die de geheele ziel vervolmaakte. En zoo kan het ontbreken van iedere deugd herleid worden tot de erfzonde.2. Dit bewijs wordt genomen uit de ontkennende zin van de onverstandigheid. Men dient echter te weten, dat het ontbreken van de verstandigheid, evenals van iedere andere deugd, besloten ligt in de erfzonde, d.i. in het ontberen van de oorspronkelijke rechtvaardigheid, die de gehele ziel vervolmaakte. En zo kan het ontbreken van iedere deugd herleid worden tot de erfzonde.
Ad tertium dicendum quod per poenitentiam restituitur prudentia infusa, et sic cessat carentia hujus prudentiae. Non tamen restituitur prudentia acquisita quantum ad habitum: sed tollitur habitus2 contrarius, in quo proprie consistit peccatum imprudentiae.
3. Door de boetvaardigheid wordt de ingestorte verstandigheid teruggewonnen, en zoo houdt het ontbreken van deze verstandigheid op. Maar zelfverworven verstandigheid wordt, als hebbelijkheid, niet teruggewonnen; wel echter wordt de tegengestelde daad, waarin de zonde van onverstandigheid bestaat, uitgewischt.3. Door de boetvaardigheid wordt de ingestorte verstandigheid teruggewonnen, en zo houdt het ontbreken van deze verstandigheid op. Maar zelfverworven verstandigheid wordt, als hebbelijkheid, niet teruggewonnen; wel echter wordt de tegengestelde daad, waarin de zonde van onverstandigheid bestaat, uitgewist.
Utrum imprudentia sit speciale peccatum
Is de onverstandigheid een afzonderlijke zonde?
142Ad secundum sic proceditur. Videtur quod imprudentia non sit speciale peccatum. Quicumque enim peccat agit contra rationem rectam, quae est prudentia. Sed imprudentia consistit in hoc quod aliquis agit contra prudentiam, ut dictum est [art. praec.]. Ergo imprudentia non est speciale peccatum.
142Bedenkingen. — Men beweert, dat de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde is. — 1. Wie zondigt, handelt tegen het juiste oordeel van het verstand, dat door de verstandigheid bewerkt wordt. Onverstandigheid nu bestaat hierin dat iemand tegen de verstandigheid handelt, zooals gezegd is (vorig Art.). Dus is de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde.142Bedenkingen. — Men beweert, dat de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde is. — 1. Wie zondigt, handelt tegen het juiste oordeel van het verstand, dat door de verstandigheid bewerkt wordt. Onverstandigheid nu bestaat hierin dat iemand tegen de verstandigheid handelt, zoals gezegd is (vorig Art.). Dus is de onverstandigheid geen afzonderlijke zonde.
2. Praeterea, prudentia magis est affinis moralibus actibus quam scientia. Sed ignorantia, quae opponitur scientiae, ponitur inter generales causas peccati. Ergo multo magis imprudentia.
2. De verstandigheid is meer verwant aan de zedelijke handelingen dan de wetenschap. Maar de onwetendheid die tegengesteld is aan de wetenschap, noemt men onder de algemeene oorzaken der zonde. Dus meer nog is de onverstandigheid een algemeene oorzaak der zonde.2. De verstandigheid is meer verwant aan de zedelijke handelingen dan de wetenschap. Maar de onwetendheid die tegengesteld is aan de wetenschap, noemt men onder de algemene oorzaken van de zonde. Dus meer nog is de onverstandigheid een algemene oorzaak van de zonde.
3. Praeterea, peccata contingunt ex hoc quod virtutum circumstantiae corrumpuntur: unde et Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom. [lect. 22.], quod « malum contingit ex singularibus defectibus ». Sed multa requiruntur ad prudentiam: sicut: ratio, intellectus, docilitas, et caetera quae supra 143posita sunt [q. 48. et 49.]. Ergo multae sunt imprudentiae species. Ergo non est speciale peccatum.
3. Zonde ontstaat door een fout in de omstandigheden, die tot de deugd vereischt zijn. Daarom zegt Dionysius dat het kwaad ontstaat door het ontbreken van de afzonderlijke omstandigheden van de daad. Voor de verstandigheid nu worden vele elementen vereischt, zooals overleg, doorzicht, volgzaamheid, en andere, die 143reeds genoemd werden (48e en 49e Kw.). Er zijn derhalve veel soorten onverstandigheid. Dus kan men niet spreken van een afzonderlijke zonde.3. Zonde ontstaat door een fout in de omstandigheden, die tot de deugd vereist zijn. Daarom zegt Dionysius dat het kwaad ontstaat door het ontbreken van de afzonderlijke omstandigheden van de daad. Voor de verstandigheid nu worden vele elementen vereist, zoals overleg, doorzicht, volgzaamheid, en andere, die 143reeds genoemd werden (48e en 49e Kw.). Er zijn derhalve veel soorten onverstandigheid. Dus kan men niet spreken van een afzonderlijke zonde.
Sed contra, imprudentia contraria est prudentiae, ut dictum est [art. praec.]. Sed prudentia est una virtus specialis. Ergo et imprudentia est unum vitium speciale.
Daartegen echter kan men inbrengen dat onverstandigheid staat tegenover verstandigheid, zooals bleek in het vorig artikel. De verstandigheid echter is een afzonderlijke deugd. Dus is de onverstandigheid een afzonderlijke ondeugd.Daartegen echter kan men inbrengen dat onverstandigheid staat tegenover verstandigheid, zoals bleek in het vorig artikel. De verstandigheid echter is een afzonderlijke deugd. Dus is de onverstandigheid een afzonderlijke ondeugd.
Respondeo dicendum quod aliquod vitium vel peccatum potest dici generale dupliciter: uno modo, absolute, quia scilicet est generale respectu omnium peccatorum; alio modo, quia est generale respectu quorumdam vitiorum quae sunt species ejus. Primo autem modo potest dici aliquod vitium generale dupliciter. Uno modo, per essentiam: quia scilicet praedicatur de omnibus peccatis. Et hoc modo imprudentia non est generale peccatum, sicut nec prudentia generalis virtus: cum sit circa actus speciales, scilicet circa ipsos actus rationis. Alio modo, per participationem. Et hoc modo imprudentia est generale peccatum. Sicut enim prudentia participatur quodammodo in omnibus virtutibus, inquantum est directiva earum, ita 144et imprudentia in omnibus vitiis et peccatis: nullum enim peccatum potest accidere nisi sit defectus in aliquo actu rationis dirigentis, quod pertinet ad imprudentiam. Si vero dicatur peccatum generale non simpliciter, sed secundum aliquod genus, quia scilicet continet sub se multas species, sic imprudentia est generale peccatum. Continet enim sub se diversas species tripliciter. Uno quidem modo, per oppositum ad diversas partes subjectivas prudentiae. Sicut enim distinguitur prudentia in monasticam, quae est regitiva unius, et in alias species prudentiae quae sunt multitudinis regitivae, ut supra habitum est [q. 48.] ; ita etiam imprudentia. Alio modo, secundum partes quasi potentiales prudentiae, quae sunt virtutes adjunctae, et accipiuntur secundum diversos actus rationis. Et hoc modo, quantum ad defectum consilii, circa quod est eubulia, est praecipitatio, sive temeritas, imprudentiae species. Quantum vero ad defectum judicii, circa quod sunt 145synesis et gnome, est inconsideratio. Quantum vero ad ipsum praeceptum, quod est proprius actus prudentiae, est inconstantia et negligentia. Tertio modo potest sumi per oppositum ad ea quae requiruntur ad prudentiam, quae sunt quasi partes integrales prudentiae. Sed quia omnia illa ordinantur ad dirigendum praedictos tres rationis actus, inde est quod omnes defectus oppositi reducuntur ad quatuor praedictas partes. Sicut incautela et incircumspectio includuntur sub inconsideratione. Quod autem aliquis deficiat a docilitate vel memoria vel ratione, pertinet ad praecipitationem. Improvidentia vero et defectus intelligentiae et solertiae pertinet ad negligentiam et inconstantiam.
Leerstelling. — Men kan iets een algemeene ondeugd of zonde noemen op twee wijzen. Eerstens: absoluut, wanneer zij algemeen is ten opzichte van alle zonden; vervolgens, wanneer zij algemeen is ten opzichte van de zonden van een zelfde soort. Bij de eerste wijze van spreken is opnieuw een dubbel onderscheid te maken: Men kan een zonde algemeen noemen uit haar wezen zelf, omdat zij van alle zonden kan gezegd worden. En op deze wijze is de onverstandigheid geen algemeenen zonde, evenals de verstandigheid geen algemeene deugd is, daar beide gericht zijn op bijzondere handelingen, nl. die van het verstand. Een zonde kan echter ook algemeen zijn door deelhebbing. En aldus is de 144onverstandigheid een algemeene zonde, want evenals alle deugden eenigermate deelen in de verstandigheid voor zoover deze aan alle leiding geeft, aldus is er ook onverstandigheid in alle ondeugden en zonden. Want er kan geen zonde geschieden, zonder een tekort in de handeling van het leidend verstand, welk tekort toegeschreven moet worden aan de onverstandigheid. Wanneer men echter een zonde algemeen noemt, niet zonder meer maar in een bepaald opzicht, nl. voor zoover zij vele soorten van zonden onder zich bevat, dan kan men, in dien zin, de onverstandigheid een algemeene zonde noemen. Zij bevat immers een drievoudige reeks van zondesoorten onder zich. — Eerstens in tegenstelling tot de subjectieve onderdeelen of soorten van de verstandigheid. Hetzelfde onderscheid dat gemaakt werd tusschen de persoonlijke verstandigheid, die gericht is op de leiding van den enkeling afzonderlijk, en de soorten van verstandigheid die gericht zijn op de leiding van een groep, vindt men ook bij de onverstandigheid. — Vervolgens kan men onderscheid maken naar de tekortkomingen tegen de potentiëele of bijkomstige onderdeelen der verstandigheid, nl. die bijkomstige deugden welke de verschillende handelingen van het verstand vervolmaken. En op die wijze onderscheidt men naar het gemis aan beraadslaging, waarop de deugd van beleid gericht is, de ondeugd van overhaasting of roekeloosheid; naar het gemis aan een juist oordeel, waarop de « synesis » en de « gnomè » gericht zijn, onderscheidt men de onnadenkendheid; met betrekking 145tot het bevel zelf, waarin de eigen daad van de verstandigheid bestaat, onderscheidt men de onstandvastigheid en de nalatigheid. — Nog op een derde wijze kan men de ondeugden tegen de verstandigheid onderscheiden, nl. in tegenstelling tot de integreerende deelen van de verstandigheid. Maar daar deze onderdeelen alle vereischt worden om bovenvermelde drie daden van het verstand in juiste banen te leiden, kunnen ook alle tekortkomingen hiertegen ondergebracht worden bij de bovengenoemde vier ondeugden. Onbehoedzaam en onomzichtigheid zijn vervat in de onberadenheid; wanneer iemand te kort schiet in volgzaamheid of ervaring, zondigt hij door overhaasting; onvoorzienigheid en tekortkomingen tegen het doorzicht en de vindingrijkheid behooren tot de ondeugden van nalatigheid en onstandvastigheid.Leerstelling. — Men kan iets een algemene ondeugd of zonde noemen op twee wijzen. Eerstens: absoluut, wanneer zij algemeen is ten opzichte van alle zonden; vervolgens, wanneer zij algemeen is ten opzichte van de zonden van een zelfde soort. Bij de eerste wijze van spreken is opnieuw een dubbel onderscheid te maken: Men kan een zonde algemeen noemen uit haar wezen zelf, omdat zij van alle zonden kan gezegd worden. En op deze wijze is de onverstandigheid geen algemenen zonde, evenals de verstandigheid geen algemene deugd is, daar beide gericht zijn op bijzondere handelingen, nl. die van het verstand. Een zonde kan echter ook algemeen zijn door deelhebbing. En aldus is de 144onverstandigheid een algemene zonde, want evenals alle deugden enigermate delen in de verstandigheid voor zover deze aan alle leiding geeft, aldus is er ook onverstandigheid in alle ondeugden en zonden. Want er kan geen zonde geschieden, zonder een tekort in de handeling van het leidend verstand, welk tekort toegeschreven moet worden aan de onverstandigheid. Wanneer men echter een zonde algemeen noemt, niet zonder meer maar in een bepaald opzicht, nl. voor zover zij vele soorten van zonden onder zich bevat, dan kan men, in die zin, de onverstandigheid een algemene zonde noemen. Zij bevat immers een drievoudige reeks van zondesoorten onder zich. — Eerstens in tegenstelling tot de subjectieve onderdelen of soorten van de verstandigheid. Hetzelfde onderscheid dat gemaakt werd tussen de persoonlijke verstandigheid, die gericht is op de leiding van de enkeling afzonderlijk, en de soorten van verstandigheid die gericht zijn op de leiding van een groep, vindt men ook bij de onverstandigheid. — Vervolgens kan men onderscheid maken naar de tekortkomingen tegen de potentiëele of bijkomstige onderdelen van de verstandigheid, nl. die bijkomstige deugden welke de verschillende handelingen van het verstand vervolmaken. En op die wijze onderscheidt men naar het gemis aan beraadslaging, waarop de deugd van beleid gericht is, de ondeugd van overhaasting of roekeloosheid; naar het gemis aan een juist oordeel, waarop de “synesis” en de “gnomè” gericht zijn, onderscheidt men de onnadenkendheid; met betrekking 145tot het bevel zelf, waarin de eigen daad van de verstandigheid bestaat, onderscheidt men de onstandvastigheid en de nalatigheid. — Nog op een derde wijze kan men de ondeugden tegen de verstandigheid onderscheiden, nl. in tegenstelling tot de integrerende delen van de verstandigheid. Maar daar deze onderdelen alle vereist worden om bovenvermelde drie daden van het verstand in juiste banen te leiden, kunnen ook alle tekortkomingen hiertegen ondergebracht worden bij de bovengenoemde vier ondeugden. Onbehoedzaam en onomzichtigheid zijn vervat in de onberadenheid; wanneer iemand te kort schiet in volgzaamheid of ervaring, zondigt hij door overhaasting; onvoorzienigheid en tekortkomingen tegen het doorzicht en de vindingrijkheid behoren tot de ondeugden van nalatigheid en onstandvastigheid.
Ad primum ergo dicendum quod ratio illa procedit de generalitate quae est secundum participationem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit bewijs gaat uit van de beteekenis van algemeen bij deelname.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit bewijs gaat uit van de betekenis van algemeen bij deelname.
Ad secundum dicendum quod quia scientia est magis remota a moralibus quam prudentia secundum propriam rationem utriusque, inde est quod ignorantia non habet de se rationem peccati mortalis1, sed solum ratione 146negligentiae praecedentis vel effectus sequentis. Et propter hoc ponitur inter generales causas peccati. Sed imprudentia secundum propriam rationem importat vitium mortale2. Et ideo magis potest dici speciale peccatum.
2. De wetenschap heeft minder te maken met zedelijkheid dan de verstandigheid, wanneer wij den eigen aard van beiden beschouwen. Van daar dat onwetendheid in zich zelf geen zedelijk 146laakbare daad is, doch slechts om reden van een voorafgaande nalatigheid, of omwille van een of ander uitwerksel. En daarom wordt zij onder de algemeene oorzaken van de zonde gerekend. Maar de onverstandigheid is naar haar eigen aard zedelijk laakbaar, en daarom kan zij eerder een afzonderlijke zonde genoemd worden.2. De wetenschap heeft minder te maken met zedelijkheid dan de verstandigheid, wanneer wij de eigen aard van beiden beschouwen. Van daar dat onwetendheid in zichzelf geen zedelijk 146laakbare daad is, doch slechts om reden van een voorafgaande nalatigheid, of omwille van een of ander uitwerksel. En daarom wordt zij onder de algemene oorzaken van de zonde gerekend. Maar de onverstandigheid is naar haar eigen aard zedelijk laakbaar, en daarom kan zij eerder een afzonderlijke zonde genoemd worden.
Ad tertium dicendum quod quando corruptio diversarum circumstantiarum habet idem motivum, non diversificatur peccati species: sicut ejusdem speciei est peccatum ut aliquis accipiat non sua et ubi non debet, et quando non debet. Sed si sint diversa motiva, tunc essent diversae species: puta si unus acciperet ubi non deberet ut faceret injuriam loco sacro, quod faceret speciem sacrilegii; alius quando non debet propter solum superfluum appetitum habendi, quod esset simplex avaritia.
3. Wanneer het te niet doen van de omstandigheden van de deugd voortkomt uit eenzelfde oorzaak, is er geen soortelijk verschil van zonde; b.v. wanneer men zich andermans bezit toeëigent op een ongeoorloofde plaats of op een tijdstip waarop men er geen recht op heeft. Maar indien er in zoo 'n geval verschillende soorten beweegredenen aanwezig waren, zouden er wel verschillende soorten van zonden ontstaan; b.v. wanneer iemand zich iets toeëigent op een gewijde plaats met de bedoeling de gewijde plaats te schenden, in welk geval hij heiligschennis pleegt, of op een tijdstip wanneer hij er geen recht op heeft, enkel uit de begeerte steeds meer te bezitten, in welk geval hij zich schuldig maakt aan gierigheid.3. Wanneer het te niet doen van de omstandigheden van de deugd voortkomt uit eenzelfde oorzaak, is er geen soortelijk verschil van zonde; bv. wanneer men zich andermans bezit toeëigent op een ongeoorloofde plaats of op een tijdstip waarop men er geen recht op heeft. Maar indien er in zo 'n geval verschillende soorten beweegredenen aanwezig waren, zouden er wel verschillende soorten van zonden ontstaan; bv. wanneer iemand zich iets toeëigent op een gewijde plaats met de bedoeling de gewijde plaats te schenden, in welk geval hij heiligschennis pleegt, of op een tijdstip wanneer hij er geen recht op heeft, enkel uit de begeerte steeds meer te bezitten, in welk geval hij zich schuldig maakt aan gierigheid.
Et ideo defectus eorum quae requiruntur ad prudentiam non diversificant species nisi quatenus ordinantur ad3 actus rationis, ut dictum est [in corp.].
Op dezelfde wijze maakt het ontbreken van de omstandigheden die vereischt worden voor de verstandigheid geen soortverschil in de zonde, tenzij voor zoover zij bedoeld zijn tegen de verschillende daden van het verstand, zooals in de Leerstelling werd aangetoond.Op dezelfde wijze maakt het ontbreken van de omstandigheden die vereist worden voor de verstandigheid geen soortverschil in de zonde, tenzij voor zover zij bedoeld zijn tegen de verschillende daden van het verstand, zoals in de Leerstelling werd aangetoond.
Utrum praecipitatio sit peccatum sub imprudentia contentum
Is de overhaasting een zonde, behoorende onder de onverstandigheid?Is de overhaasting een zonde, behorende onder de onverstandigheid?
147Ad tertium sic proceditur. Videtur quod praecipitatio non sit peccatum sub imprudentia contentum. Imprudentia enim opponitur virtuti prudentiae. Sed praecipitatio opponitur dono consilii: dicit enim Gregorius, in 2. Mor. [cap. 49.], quod donum consilii datur contra praecipitationem. Ergo praecipitatio non est peccatum sub imprudentia contentum.
147Bedenkingen. — Men beweert, dat de overhaasting geen ondergeschikte ondeugd is van de onverstandigheid. — 1. De onverstandigheid is tegengesteld aan de verstandigheid. De overhaasting echter staat tegenover de gave van raad, want Gregorius zegt dat de gave van raad gegeven wordt als geneesmiddel tegen de overhaasting. Dus is de overhaasting geen ondeugd die onder de onverstandigheid behoort.
2. Praeterea, praecipitatio videtur ad temeritatem pertinere. Temeritas autem praesumptionem importat, quae pertinet ad superbiam. Ergo praecipitatio non est vitium sub imprudentia contentum.
2. De overhaasting behoort tot de roekeloosheid. Deze nu heeft iets in zich van de eigendunkelijkheid, die behoort onder den hoogmoed. Dus behoort de overhaasting als ondeugd niet onder de onverstandigheid.2. De overhaasting behoort tot de roekeloosheid. Deze nu heeft iets in zich van de eigendunkelijkheid, die behoort onder de hoogmoed. Dus behoort de overhaasting als ondeugd niet onder de onverstandigheid.
3. Praeterea, praecipitatio videtur importare quamdam inordinatam festinationem. Sed in consiliando non solum contingit esse peccatum per hoc quod aliquis est festinus, sed etiam si sit nimis tardus, ita quod praetereat opportunitas operis; et etiam secundum inordinationes aliarum 148circumstantiarum, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 9.]. Ergo non magis praecipitatio debet poni peccatum sub imprudentia contentum quam tarditas, aut aliqua alia hujusmodi ad inordinationem consilii pertinentia.
3. Overhaasting beduidt een zekere ongeregelde haast. Maar bij het beraadslagen kan iemand niet alleen zondigen door haast maar ook door te veel te talmen, zoodat het geschikte oogenblik voor de handeling voorbijgaat; en ook door ongeregeldheden tegen 148andere omstandigheden, zooals gezegd wordt in de Ethica. Daarom kan men met evenveel recht niet alleen de overhaasting maar ook de traagheid en dergelijke ondeugden die de beraadslaging hinderen, onder de onverstandigheid opnemen.3. Overhaasting beduidt een zekere ongeregelde haast. Maar bij het beraadslagen kan iemand niet alleen zondigen door haast maar ook door te veel te talmen, zodat het geschikte ogenblik voor de handeling voorbijgaat; en ook door ongeregeldheden tegen 148andere omstandigheden, zoals gezegd wordt in de Ethica. Daarom kan men met evenveel recht niet alleen de overhaasting maar ook de traagheid en dergelijke ondeugden die de beraadslaging hinderen, onder de onverstandigheid opnemen.
Sed contra est quod dicitur Prov. 4. [v. 19] : « Via impiorum tenebrosa: nesciunt ubi corruant ». Tenebrosae autem viae impietatis pertinent ad imprudentiam. Ergo corruere, sive praecipitari, ad imprudentiam pertinet.
Daartegenover echter kan men aanvoeren dat in het Boek der Spreuken (4. 19) staat: « De wegen der goddeloozen zijn duister: zij weten niet waarheen zij voortijlen ». De duisternissen van den weg der zonde behooren echter onder de onverstandigheid. Derhalve ook het voortijlen op deze wegen, d. i. de overhaasting.Daartegenover echter kan men aanvoeren dat in het Boek van de Spreuken (4, 19) staat: “De wegen van de goddelozen zijn duister: zij weten niet waarheen zij voortijlen”. De duisternissen van de weg van de zonde behoren echter onder de onverstandigheid. Derhalve ook het voortijlen op deze wegen, d.i. de overhaasting.
Respondeo dicendum quod praecipitatio in actibus animae metaphorice dicitur secundum similitudinem a corporali motu acceptam. Dicitur autem praecipitari secundum corporalem motum quod a superiori in ima pervenit secundum impetum quemdam proprii motus vel alicujus impellentis, non ordinate descendendo1 per gradus. Summum autem animae est ipsa ratio. Imum autem est operatio per corpus exercita. Gradus autem medii, per quos oportet ordinate descendere, sunt memoria praeteritorum, intelligentia 149praesentium, solertia in considerandis futuris eventibus, ratiocinatio conferens unum alteri, docilitas, per quam aliquis acquiescit sententiis majorum: per quos quidem gradus aliquis ordinate descendit recte consiliando. Si quis autem feratur ad agendum per impetum voluntatis vel passionis, pertransitis hujusmodi gradibus, erit praecipitatio. Cum ergo inordinatio consilii ad imprudentiam pertineat, manifestum est quod vitium praecipitationis sub imprudentia continetur.
Leerstelling. — Overhaasting zegt men van de handelingen der ziel op metaphorische wijze, in vergelijking met de lichamelijke beweging. Men spreekt bij lichamelijke beweging van overhaasting, wanneer iets van boven naar beneden komt uit eigen beweging, of door den stoot van een ander, met een zeker geweld, onregelmatig en zonder trapsgewijze afdaling. Het hoogste van de ziel is het verstand, het laagste de handeling door lichaamsbeweging uitgevoerd; de trappen ertusschen waarlangs de regelmatige afdaling plaats heeft zijn: de ervaring uit vorige gevallen, het doorzicht van 149den oogenblikkelijken toestand, de vindingrijkheid omtrent de gebeurtenissen die nog komen kunnen, het overleg waardoor het een met het ander in overeenstemming gebracht wordt, de ontvankelijkheid waardoor iemand zich openstelt voor de meening van anderen. En langs deze trappen daalt iemand af door goed te beraadslagen. Wanneer men zich echter door het geweld van den wil of van den hartstocht laat voortstooten tot de handeling, zonder deze trappen te doorloopen, kan men spreken van overhaasting. Daar nu de tekortkomingen in het beraadslagen tot de onverstandigheid behooren, moet men de overhaasting klaarblijkelijk rangschikken onder de onverstandigheid.Leerstelling. — Overhaasting zegt men van de handelingen van de ziel op metaforische wijze, in vergelijking met de lichamelijke beweging. Men spreekt bij lichamelijke beweging van overhaasting, wanneer iets van boven naar beneden komt uit eigen beweging, of door de stoot van een ander, met een zeker geweld, onregelmatig en zonder trapsgewijze afdaling. Het hoogste van de ziel is het verstand, het laagste de handeling door lichaamsbeweging uitgevoerd; de trappen ertussen waarlangs de regelmatige afdaling plaats heeft zijn: de ervaring uit vorige gevallen, het doorzicht van 149de ogenblikkelijke toestand, de vindingrijkheid omtrent de gebeurtenissen die nog komen kunnen, het overleg waardoor het een met het ander in overeenstemming gebracht wordt, de ontvankelijkheid waardoor iemand zich openstelt voor de mening van anderen. En langs deze trappen daalt iemand af door goed te beraadslagen. Wanneer men zich echter door het geweld van de wil of van de hartstocht laat voortstoten tot de handeling, zonder deze trappen te doorlopen, kan men spreken van overhaasting. Daar nu de tekortkomingen in het beraadslagen tot de onverstandigheid behoren, moet men de overhaasting klaarblijkelijk rangschikken onder de onverstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod consilii rectitudo pertinet ad donum consilii et ad virtutem prudentiae, licet diversimode, ut supra dictum est [q. praec. art. 2.]. Et ideo praecipitatio utrique contrariatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De juistheid der beraadslaging behoort én onder de gave van raad, én onder de verstandigheid, ofschoon op verschillende wijze, zooals boven gezegd is (vorige Kw. 2e Art.). En daarom is de overhaasting tegengesteld aan beide.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De juistheid van de beraadslaging behoort én onder de gave van raad, én onder de verstandigheid, ofschoon op verschillende wijze, zoals boven gezegd is (vorige Kw. 2e Art.). En daarom is de overhaasting tegengesteld aan beide.
Ad secundum dicendum quod illa dicuntur fieri temere quae ratione non reguntur. Quod quidem potest contingere dupliciter. Uno modo, ex impetu voluntatis vel passionis. Alio modo, ex contemptu regulae dirigentis: et hoc proprie importat temeritas. Unde videtur ex ea radice superbiae 150provenire, quae refugit subesse regulae alienae. Praecipitatio autem se habet ad utrumque. Unde temeritas sub praecipitatione continetur: quamvis praecipitatio magis respiciat primum.
2. Vermetel handelen beteekent: handelen buiten de leiding van het verstand, wat op twee wijzen kan geschieden. Eerstens, door zich mee te laten sleepen door het geweld van den wil of de hartstochten. Vervolgens uit verachting voor de voorschriften van hem die leiding geeft. Vermetelheid nu vindt haar oorzaak in den 150hoogmoed, daar men weigert te staan onder leiding van een ander. Maar overhaasting houdt verband met beide gevallen. Daarom staat de vermetelheid onder de overhaasting, ofschoon de overhaasting meer slaat op het eerste geval.2. Vermetel handelen betekent: handelen buiten de leiding van het verstand, wat op twee wijzen kan geschieden. Eerstens, door zich mee te laten slepen door het geweld van de wil of de hartstochten. Vervolgens uit verachting voor de voorschriften van hem die leiding geeft. Vermetelheid nu vindt haar oorzaak in de 150hoogmoed, daar men weigert te staan onder leiding van een ander. Maar overhaasting houdt verband met beide gevallen. Daarom staat de vermetelheid onder de overhaasting, ofschoon de overhaasting meer slaat op het eerste geval.
Ad tertium dicendum quod in inquisitione consilii multa particularia sunt consideranda: et ideo Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 9.]: « Oportet consiliari tarde ». Unde praecipitatio directius opponitur rectitudini consilii quam tarditas superflua, quae habet quamdam similitudinem recti consilii.
3. Bij het inwinnen van raad moeten vele afzonderlijke zaken in acht genomen worden. En daarom zegt de Wijsgeer: « Men moet langzaam overleg plegen ». Daarom staat de overhaasting meer rechtstreeks in tegenstelling met de juiste beraadslaging dan een te groote langzaamheid, die eerder eenige gelijkenis vertoont met een goed overleg.3. Bij het inwinnen van raad moeten vele afzonderlijke zaken in acht genomen worden. En daarom zegt de Wijsgeer: “Men moet langzaam overleg plegen”. Daarom staat de overhaasting meer rechtstreeks in tegenstelling met de juiste beraadslaging dan een te grote langzaamheid, die eerder enige gelijkenis vertoont met een goed overleg.
Utrum inconsideratio sit speciale peccatum sub imprudentia contentum
Is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behoorende onder de onverstandigheid?Is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod inconsideratio non sit peccatum speciale sub imprudentia contentum. Lex enim divina ad nullum peccatum nos inducit: secundum illud Ps. 18. [v. 8]: « Lex Domini 151immaculata ». Inducit autem ad non considerandum: secundum illud Matth. 10. [v. 19]: « Nolite cogitare quomodo aut quid loquamini ». Ergo inconsideratio non est peccatum,
Bedenkingen. — Men beweert, dat de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde is, behoorende onder de onverstandigheid. — 1. De goddelijke wet kan ons nooit tot zonde brengen, naar het woord van het Boek der Psalmen (18. 8) : « Gods wet is 151onbevlekt ». Zij voert ons echter tot onnadenkendheid, naar het woord van Mattheus (10. 19) : « Wilt niet nadenken hoe of wat gij zult spreken ». Dus is de onnadenkendheid geen zonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde is, behorende onder de onverstandigheid. — 1. De goddelijke wet kan ons nooit tot zonde brengen, naar het woord van het Boek van de Psalmen (18. 8): “Gods wet is 151onbevlekt”. Zij voert ons echter tot onnadenkendheid, naar het woord van Matteüs (10, 19): “Wilt niet nadenken hoe of wat gij zult spreken”. Dus is de onnadenkendheid geen zonde.
2. Praeterea, quicumque consiliatur oportet quod multa consideret. Sed per defectum consilii est praecipitatio, et per consequens ex defectu considerationis. Ergo praecipitatio sub inconsideratione continetur. Non ergo inconsideratio est speciale peccatum.
2. Wie overleg pleegt, moet over veel nadenken. Maar overhaasting ontstaat uit een tekort aan overleg en bijgevolg aan nadenken. Dus is de overhaasting in de onnadenkendheid vervat. Dus is de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde.
3. Praeterea, prudentia consistit in actibus rationis practicae, qui sunt consiliari, judicare de consiliatis, et praecipere. Sed considerare praecedit omnes istos actus: quia pertinet etiam ad intellectum speculativum. Ergo inconsideratio non est speciale peccatum sub imprudentia contentum.
3. De verstandigheid bestaat in de daden van het practisch verstand zooals overleggen, oordeelen over de zaken die men in beraad hield, en bevelen. Maar het nadenken staat hooger dan al deze daden, daar het ook bij het beschouwende verstand behoort. Derhalve is de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde, behoorende onder de onverstandigheid.3. De verstandigheid bestaat in de daden van het praktisch verstand zoals overleggen, oordelen over de zaken die men in beraad hield, en bevelen. Maar het nadenken staat hoger dan al deze daden, daar het ook bij het beschouwende verstand behoort. Derhalve is de onnadenkendheid geen afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid.
Sed contra est quod dicitur Prov. 4. [v. 25] : « Oculi tui videant recta, et palpebrae tuae praecedant gressus tuos », quod pertinet ad prudentiam. Sed contrarium hujus agitur per inconsiderationem. Ergo inconsideratio est speciale peccatum sub imprudentia contentum.
Daartegenover kan men echter stellen dat in het Boek der Spreuken (4. 25) geschreven staat: « Dat uw oogen het rechte zien, en uwe blikken uwe schreden vooruitgaan ». Dit behoort tot de verstandigheid. Tegengesteld hieraan handelt men door onnadenkendheid. Daarom is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behoorende onder de onverstandigheid.Daartegenover kan men echter stellen dat in het Boek van de Spreuken (4, 25) geschreven staat: “Dat uw ogen het rechte zien, en uw blikken uw schreden vooruitgaan”. Dit behoort tot de verstandigheid. Tegengesteld hieraan handelt men door onnadenkendheid. Daarom is de onnadenkendheid een afzonderlijke zonde, behorende onder de onverstandigheid.
Respondeo dicendum quod consideratio importat actum intellectus 152veritatem rei intuentis. Sicut autem inquisitio pertinet ad rationem, ita judicium pertinet ad intellectum: unde et in speculativis demonstrativa scientia dicitur judicativa, inquantum per resolutionem in prima principia intelligibilia de veritate inquisitorum dijudicatur. Et ideo consideratio maxime pertinet ad judicium. Unde et defectus recti judicii ad vitium inconsiderationis pertinet: prout scilicet aliquis in recte judicando deficit ex hoc quod contemnit vel negligit attendere ea ex quibus rectum judicium procedit. Unde manifestum est, quod inconsideratio est peccatum.
Leerstelling. — Nadenken is een daad van het verstand dat 152de waarheid van een zaak onderzoekt. Evenals het onderzoek de taak is van het redeneervermogen, zoo behoort het oordeel tot het verstandelijk inzicht. Daarom zegt men in de speculatieve orde van een bewijsvoerende wetenschap dat zij oordeelt, voor zoover zij haar oordeel over de waarheid van de onderzochte stof fundeert door terugvoering op de eerste beginselen die in zichzelf ingezien worden. Daarom is voor een goed oordeel nadenken een allereerste vereischte. En daarom ook behoort een tekort in het juiste oordeel tot de ondeugd van onnadenkendheid, voorzoover men nl. tekortschiet in het juiste oordeel, doordat men veracht of verwaarloost datgene te bezien waaruit een juist oordeel voortkomt. Hieruit blijkt dat onnadenkendheid een zonde is.Leerstelling. — Nadenken is een daad van het verstand dat 152de waarheid van een zaak onderzoekt. Evenals het onderzoek de taak is van het redeneervermogen, zo behoort het oordeel tot het verstandelijk inzicht. Daarom zegt men in de speculatieve orde van een bewijsvoerende wetenschap dat zij oordeelt, voor zover zij haar oordeel over de waarheid van de onderzochte stof fundeert door terugvoering op de eerste beginselen die in zichzelf ingezien worden. Daarom is voor een goed oordeel nadenken een allereerste vereiste. En daarom ook behoort een tekort in het juiste oordeel tot de ondeugd van onnadenkendheid, voorzover men nl. tekortschiet in het juiste oordeel, doordat men veracht of verwaarloost datgene te bezien waaruit een juist oordeel voortkomt. Hieruit blijkt dat onnadenkendheid een zonde is.
Ad primum ergo dicendum quod Dominus non prohibet considerare ea quae sunt agenda vel dicenda, quando homo habet opportunitatem. Sed dat fiduciam discipulis in verbis inductis ut, deficiente sibi opportunitate vel propter imperitiam vel quia subito praeoccupantur, in solo divino confidant consilio: quia « cum ignoramus quid agere debeamus, hoc solum habemus residui, ut oculos nostros dirigamus ad Deum », sicut dicitur 1532. Paral. 20. [v. 12]. Alioquin, si homo praetermittat facere quod potest, solum divinum auxilium expectans, videtur tentare Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer verbiedt ons niet na te denken over wat wij doen of zeggen moeten, wanneer daartoe gelegenheid is. Maar in de aangehaalde woorden geeft hij den leerlingen het vertrouwen, dat zij, in geval die gelegenheid ontbreekt, of onkunde hen belemmert, of een plotselinge moeilijkheid hen overvalt, steunen mogen op Gods raadgevingen. Want in het Tweede Boek Paralipomenon (20. 12) wordt gezegd: « Daar wij niet weten wat wij moeten doen, blijft ons slechts deze toevlucht dat wij onze oogen wenden tot God ». Maar van den anderen kant, wanneer de mensch nalaat te doen 153wat hij kan, en alles alleen laat aankomen op Gods hulp, schijnt hij God op de proef te willen stellen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer verbiedt ons niet na te denken over wat wij doen of zeggen moeten, wanneer daartoe gelegenheid is. Maar in de aangehaalde woorden geeft hij de leerlingen het vertrouwen, dat zij, in geval die gelegenheid ontbreekt, of onkunde hen belemmert, of een plotselinge moeilijkheid hen overvalt, steunen mogen op Gods raadgevingen. Want in het Tweede Boek Kronieken (20, 12) wordt gezegd: “Daar wij niet weten wat wij moeten doen, blijft ons slechts deze toevlucht dat wij onze ogen wenden tot God”. Maar van de andere kant, wanneer de mens nalaat te doen 153wat hij kan, en alles alleen laat aankomen op Gods hulp, schijnt hij God op de proef te willen stellen.
Ad secundum dicendum quod consideratio eorum quae in consilio attenduntur ordinatur ad recte judicandum: et ideo consideratio in judicio perficitur. Unde etiam inconsideratio maxime opponitur rectitudini judicii.
2. Heel het nadenken over datgene wat men in de beraadslaging betrekt is gericht op het vormen van een goed oordeel. En daarom bereikt het nadenken zijn voltooiïng in het oordeel. Daarom ook staat de onnadenkendheid het meest in tegenstelling tot de juistheid van het oordeel.2. Heel het nadenken over datgene wat men in de beraadslaging betrekt is gericht op het vormen van een goed oordeel. En daarom bereikt het nadenken zijn voltooiing in het oordeel. Daarom ook staat de onnadenkendheid het meest in tegenstelling tot de juistheid van het oordeel.
Ad tertium dicendum quod inconsideratio hic accipitur secundum determinatam materiam, idest secundum agibilia humana: in quibus plura sunt attendenda ad recte judicandum quam etiam in speculativis; quia operationes sunt in singularibus.
3. Onnadenkendheid wordt hier genomen in een beperkte beteekenis, d. i. met betrekking tot de menschelijke handelingen. In dit opzicht is nadenken een nog grootere vereischte dan in de speculatieve orde, omdat bij de menschelijke handelingen zich een groote verscheidenheid van afzonderlijke gevallen voordoet.3. Onnadenkendheid wordt hier genomen in een beperkte betekenis, d.i. met betrekking tot de menselijke handelingen. In dit opzicht is nadenken een nog grotere vereiste dan in de speculatieve orde, omdat bij de menselijke handelingen zich een grote verscheidenheid van afzonderlijke gevallen voordoet.
Utrum inconstantia sit vitium sub imprudentia contentum
Is de onstandvastigheid een ondeugd behoorende onder de onverstandigheid.Is de onstandvastigheid een ondeugd behorende onder de onverstandigheid.
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod inconstantia non sit vitium sub imprudentia contentum. Inconstantia enim videtur in hoc consistere 154quod homo non persistat in aliquo difficili. Sed persistere in difficilibus pertinet ad fortitudinem. Ergo inconstantia magis opponitur fortitudini quam prudentiae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de onstandvastigheid geen ondeugd is behoorende onder de onverstandigheid. — 1. Onverstandigheid immers beteekent, dat de mensch geen stand houdt in 154moeilijke gevallen. Maar stand houden in moeilijke gevallen behoort tot de sterkte. Dus is de onstandvastigheid eerder het tegenovergestelde van de sterkte dan van de verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de onstandvastigheid geen ondeugd is behorende onder de onverstandigheid. — 1. Onverstandigheid immers betekent, dat de mens geen stand houdt in 154moeilijke gevallen. Maar stand houden in moeilijke gevallen behoort tot de sterkte. Dus is de onstandvastigheid eerder het tegenovergestelde van de sterkte dan van de verstandigheid.
2. Praeterea, Jac. 3. [v. 16] dicitur: « Ubi zelus et contentio, ibi inconstantia et omne opus pravum ». Sed zelus ad invidiam pertinet. Ergo inconstantia non pertinet ad imprudentiam, sed magis ad invidiam.
2. In den Brief van Jacobus (3. 16) staat: « Waar naijver en twist heerschen, daar zijn onstandvastigheid en alle booze werken ». Maar naijver behoort tot den nijd. Dus behoort ook de onstandvastigheid niet tot de onverstandigheid, maar tot den nijd.2. In de Brief van Jacobus (3, 16) staat: “Waar naijver en twist heersen, daar zijn onstandvastigheid en alle boze werken”. Maar naijver behoort tot de nijd. Dus behoort ook de onstandvastigheid niet tot de onverstandigheid, maar tot de nijd.
3. Praeterea, ille videtur esse inconstans qui non perseverat in eo quod proposuerat. Quod quidem pertinet in delectationibus ad incontinentem, in tristitiis autem ad mollem sive delicatum, ut dicitur in 7. Ethic. [cap. 7.]. Ergo inconstantia non pertinet ad imprudentiam.
3. Onstandvastig is iemand die niet volhardt in zijn voornemen. Waar het gaat om het aangename, valt dit onder de onmatigheid, bij het onaangename onder de weekelijkheid, zooals wij vinden in de Ethica. Dus behoort de onstandvastigheid niet tot de onverstandigheid.3. Onstandvastig is iemand die niet volhardt in zijn voornemen. Waar het gaat om het aangename, valt dit onder de onmatigheid, bij het onaangename onder de wekelijkheid, zoals wij vinden in de Ethica. Dus behoort de onstandvastigheid niet tot de onverstandigheid.
Sed contra est quod ad prudentiam pertinet praeferre majus bonum minus bono. Ergo desistere a meliori pertinet ad imprudentiam. Sed hoc est inconstantia. Ergo inconstantia pertinet ad imprudentiam.
Daartegenover echter staat dat het der verstandigheid is aan het hoogere goed den voorrang te geven boven het lagere. Afwijken van het betere valt dus onder de onverstandigheid. Dus valt de onstandvastigheid onder de onverstandigheid.Daartegenover echter staat dat het van de verstandigheid is aan het hogere goed de voorrang te geven boven het lagere. Afwijken van het betere valt dus onder de onverstandigheid. Dus valt de onstandvastigheid onder de onverstandigheid.
Respondeo dicendum quod inconstantia importat recessum quemdam a bono proposito definito. Hujusmodi recessus principium quidem habet a vi 155appetitiva: non enim aliquis recedit a priori bono proposito nisi propter aliquid quod sibi inordinate placet. Sed iste recessus non consummatur nisi per defectum rationis, quae fallitur in hoc quod repudiat id quod recte acceptaverat: et quia, cum possit resistere impulsui passionis, si non resistat, hoc est ex debilitate ipsius, quae non tenet se firmiter in bono proposito concepto. Ideo inconstantia, quantum ad sui consummationem, pertinet ad defectum rationis. Sicut autem omnis rectitudo rationis practicae pertinet aliqualiter ad prudentiam, ita omnis defectus ejusdem pertinet ad imprudentiam. Et ideo inconstantia, secundum sui consummationem, ad imprudentiam pertinet. Et sicut praecipitatio est ex defectu circa actum consilii, et inconsideratio circa actum judicii, ita inconstantia circa actum praecepti: ex hoc enim dicitur aliquis esse inconstans quod ratio deficit in praecipiendo ea quae sunt consiliata et judicata.
Leerstelling. — Onstandvastigheid sluit een terugkomen in, op een eerst genomen goed besluit. Dit terugkomen vindt wel zijn oorsprong in het begeervermogen, omdat niemand terugkomt op 155zijn vorig goed besluit, tenzij hem iets op ongeregelde wijze mishaagt. Maar het wordt voltooid door een tekortkoming van het verstand, dat faalt door af te zien van iets wat het eerst als goed had aanvaard, en omdat het geen weerstand biedt aan den drang der hartstochten ofschoon het daartoe in staat is. Dit geschiedt uit oorzake van een zekere wankelbaarheid, waardoor het zich niet staande weet te houden in een goed voornemen. En daarom is de onstandvastigheid in haar voltooiïng een tekortkoming van het verstand. Daar nu alle juistheid van het practisch verstand eenigszins behoort tot de verstandigheid, behooren ook al de gebreken er van tot de onverstandigheid. En daarom valt ook de onstandvastigheid in haar voltooiïng onder de onverstandigheid. Zooals de overhaasting voortkomt uit een gebrek in het overleg, en de onnadenkendheid uit een gebrek in het oordeel, aldus komt de onstandvastigheid voort uit een gebrek in het bevel. Want daarom juist is men onstandvastig, omdat het verstand te kort schiet in het bevelen van wat beraamd en goed geoordeeld werd.Leerstelling. — Onstandvastigheid sluit een terugkomen in, op een eerst genomen goed besluit. Dit terugkomen vindt wel zijn oorsprong in het begeervermogen, omdat niemand terugkomt op 155zijn vorig goed besluit, tenzij hem iets op ongeregelde wijze mishaagt. Maar het wordt voltooid door een tekortkoming van het verstand, dat faalt door af te zien van iets wat het eerst als goed had aanvaard, en omdat het geen weerstand biedt aan de drang van de hartstochten ofschoon het daartoe in staat is. Dit geschiedt uit oorzake van een zekere wankelbaarheid, waardoor het zich niet staande weet te houden in een goed voornemen. En daarom is de onstandvastigheid in haar voltooiing een tekortkoming van het verstand. Daar nu alle juistheid van het praktisch verstand enigszins behoort tot de verstandigheid, behoren ook al de gebreken er van tot de onverstandigheid. En daarom valt ook de onstandvastigheid in haar voltooiing onder de onverstandigheid. Zoals de overhaasting voortkomt uit een gebrek in het overleg, en de onnadenkendheid uit een gebrek in het oordeel, aldus komt de onstandvastigheid voort uit een gebrek in het bevel. Want daarom juist is men onstandvastig, omdat het verstand te kort schiet in het bevelen van wat beraamd en goed geoordeeld werd.
Ad primum ergo dicendum quod bonum prudentiae participatur in omnibus virtutibus moralibus: et secundum hoc persistere in bono pertinet ad 156omnes virtutes morales. Praecipue tamen ad fortitudinem, quae patitur majorem impulsum ad contrarium.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De invloed van de verstandigheid vindt men terug in alle zedelijke deugden. Daarom behoort de volharding in het goede tot alle zedelijke deugden, 156maar voornamelijk toch tot de sterkte, die aan een grootere drang in verkeerde richting, weet te weerstaan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De invloed van de verstandigheid vindt men terug in alle zedelijke deugden. Daarom behoort de volharding in het goede tot alle zedelijke deugden, 156maar voornamelijk toch tot de sterkte, die aan een grotere drang in verkeerde richting, weet te weerstaan.
Ad secundum dicendum quod invidia et ira, quae est contentionis principium, faciunt inconstantiam ex parte appetitivae virtutis, ex qua est principium inconstantiae, ut dictum est [in corp. art.].
2. Nijd en toorn als beginsel van twist veroorzaken onstandvastigheid van de zijde van het begeervermogen, waarin de onstandvastigheid haar oorsprong vindt, zooals in de leerstelling werd uiteengezet.2. Nijd en toorn als beginsel van twist veroorzaken onstandvastigheid van de zijde van het begeervermogen, waarin de onstandvastigheid haar oorsprong vindt, zoals in de leerstelling werd uiteengezet.
Ad tertium dicendum quod continentia et perseverantia non videntur esse in vi appetitiva, sed solum in ratione. Continens enim patitur quidem perversas concupiscentias, et perseverans graves tristitias, quod designat defectum appetitivae virtutis: sed ratio firmiter persistit, continentis quidem contra concupiscentias, perseverantis autem contra tristitias. Unde continentia, et perseverantia videntur esse species constantiae ad rationem pertinentis, ad quam etiam pertinet inconstantia.
3. Zelfbeheersching en volharding zetelen niet in het begeervermogen, doch alleen in het verstand. Immers, hij die zichzelf beheerscht lijdt nog onder verkeerde lust-passies, en iemand die volhardt heeft nog last van onlust-passies, wat op een gebrek in het begeervermogen wijst. Maar het verstand laat er zich niet door beheerschen of meesleepen, zoodat de zelfbeheersching en volharding beide een soort verstandigheid zijn.3. Zelfbeheersing en volharding zetelen niet in het begeervermogen, doch alleen in het verstand. Immers, hij die zichzelf beheerst lijdt nog onder verkeerde lust-passies, en iemand die volhardt heeft nog last van onlust-passies, wat op een gebrek in het begeervermogen wijst. Maar het verstand laat er zich niet door beheersen of meeslepen, zodat de zelfbeheersing en volharding beide een soort verstandigheid zijn.
Utrum praedicta vitia oriantur ex luxuria
Ontstaan voornoemde ondeugden uit de onkuischheid?Ontstaan voornoemde ondeugden uit de onkuisheid?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod praedicta vitia non oriantur 157ex luxuria. Inconstantia enim oritur ex invidia, ut dictum est [art. praec., ad 2.]. Sed invidia est vitium distinctum a luxuria. Ergo praedicta vitia non oriuntur ex luxuria.
Bedenkingen. — Men beweert, dat deze ondeugden niet 157ontstaan uit de onkuischheid. — 1. Zooals gezegd is vindt de onstandvastigheid haar oorzaak in den nijd (vorig Art. 2e Antw.). Maar nijd is als ondeugd onderscheiden van de onkuischheid. Dus ontstaan voornoemde ondeugden niet uit de onkuischheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat deze ondeugden niet 157ontstaan uit de onkuisheid. — 1. Zoals gezegd is vindt de onstandvastigheid haar oorzaak in de nijd (vorig Art. 2e Antw.). Maar nijd is als ondeugd onderscheiden van de onkuisheid. Dus ontstaan voornoemde ondeugden niet uit de onkuisheid.
2. Praeterea, Jac. 1. [v. 8] dicitur: « Vir duplex animo inconstans est in omnibus viis suis ». Sed duplicitas non videtur ad luxuriam pertinere, sed magis ad dolositatem, quae est filia avaritiae, secundum Gregorium 31. Mor. [cap. 45.]. Ergo praedicta vitia non oriuntur ex luxuria.
2. In den Brief van Jacobus (1. 8) staat geschreven: « Een dubbelhartig mensch is ongestadig in zijn gedrag ». Dubbelhartigheid echter valt niet onder de onkuischheid, maar veeleer onder de bedrieglijkheid, die een dochter is van de gierigheid, naar het woord van Gregorius. Dus ontstaan voornoemde ondeugden niet uit de onkuischheid.2. In de Brief van Jacobus (1, 8) staat geschreven: “Een dubbelhartig mens is ongestadig in zijn gedrag”. Dubbelhartigheid echter valt niet onder de onkuisheid, maar veeleer onder de bedrieglijkheid, die een dochter is van de gierigheid, naar het woord van Gregorius. Dus ontstaan voornoemde ondeugden niet uit de onkuisheid.
3. Praeterea, praedicta vitia pertinent ad defectum rationis. Sed vitia spiritualia propinquiora sunt rationi quam vitia carnalia. Ergo praedicta vitia magis oriuntur ex vitiis spiritualibus quam ex vitiis carnalibus.
3. Voornoemde ondeugden ontstaan uit een tekortkoming van het verstand. Maar de geestelijke ondeugden staan nader bij het verstand dan de vleeschelijke. Dus vinden voornoemde ondeugden veeleer hun oorsprong in geestelijke ondeugden dan in vleeschelijke.3. Voornoemde ondeugden ontstaan uit een tekortkoming van het verstand. Maar de geestelijke ondeugden staan nader bij het verstand dan de vleselijke. Dus vinden voornoemde ondeugden veeleer hun oorsprong in geestelijke ondeugden dan in vleselijke.
Sed contra est quod Gregorius, 31. Mor. [loc. cit.] ponit praedicta vitia ex luxuria oriri.
Daartegenover echter staat de bewering van Gregorius dat voornoemde ondeugden ontstaan uit de onkuischheid.Daartegenover echter staat de bewering van Gregorius dat voornoemde ondeugden ontstaan uit de onkuisheid.
Respondeo dicendum quod, sicut Philosophus dicit in 6. Ethic. [cap. 5.], delectatio maxime corrumpit aestimationem prudentiae: et praecipue delectatio quae est in venereis, quae totam animam absorbet et trahit ad 158sensibilem delectationem; perfectio autem prudentiae, et cujuslibet intellectualis virtutis, consistit in abstractione a sensibilibus. Unde cum praedicta vitia pertineant ad defectum prudentiae et rationis practicae, sicut habitum est [art. 2. et 5. huj. q.], sequitur quod ex luxuria maxime oriantur.
Leerstelling. — De Wijsgeer zegt dat de zinnelijke lust ten zeerste schaadt aan het verstandig oordeel. Dit geldt vooral van de geslachtelijke wellust, die de geheele ziel in beslag neemt en ze bindt aan de zinnelijke genietingen. De volmaaktheid nu van de 158verstandigheid en van iedere verstandelijke deugd bestaat in het los-zijn van het zinnelijke. Daar nu voornoemde ondeugden een tekortkoming beteekenen van de verstandigheid en het practische verstand, zooals werd vastgesteld (2e en 5e Art.), volgt dat zij allereerst in de onkuischheid hun oorsprong hebben.Leerstelling. — De Wijsgeer zegt dat de zinnelijke lust ten zeerste schaadt aan het verstandig oordeel. Dit geldt vooral van de geslachtelijke wellust, die de gehele ziel in beslag neemt en ze bindt aan de zinnelijke genietingen. De volmaaktheid nu van de 158verstandigheid en van iedere verstandelijke deugd bestaat in het los-zijn van het zinnelijke. Daar nu voornoemde ondeugden een tekortkoming betekenen van de verstandigheid en het praktische verstand, zoals werd vastgesteld (2e en 5e Art.), volgt dat zij allereerst in de onkuisheid hun oorsprong hebben.
Ad primum ergo dicendum quod invidia et ira causant inconstantiam pertrahendo rationem ad aliud: sed luxuria causat inconstantiam totaliter extinguendo judicium rationis. Unde Philosophus dicit, in 7. Ethic. [cap. 6.], quod « incontinens irae audit quidem rationem, sed non perfecte: incontinens autem concupiscentiae totaliter eam non audit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nijd en toorn veroorzaken onstandvastigheid door het verstand naar andere dingen af te leiden. Maar de onkuischheid veroorzaakt onstandvastigheid door het oordeel van het verstand geheel te vernietigen. Vandaar zegt de Wijsgeer dat « iemand die de perken te buiten gaat door toorn, nog wel naar het verstand luistert, doch slechts ten halve; wie zich echter niet weet te beheerschen op het gebied der zinnelijke lusten, luistert in het geheel niet meer naar het verstand ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Nijd en toorn veroorzaken onstandvastigheid door het verstand naar andere dingen af te leiden. Maar de onkuisheid veroorzaakt onstandvastigheid door het oordeel van het verstand geheel te vernietigen. Vandaar zegt de Wijsgeer dat “iemand die de perken te buiten gaat door toorn, nog wel naar het verstand luistert, doch slechts ten halve; wie zich echter niet weet te beheersen op het gebied van de zinnelijke lusten, luistert in het geheel niet meer naar het verstand”.
Ad secundum dicendum quod etiam duplicitas animi est quoddam consequens ad luxuriam, sicut et inconstantia, prout duplicitas animi importat vertibilitatem animi ad diversa. Unde et Terentius in Eunucho [act. 1. scena 1.] dicit, quod « in amore est bellum, et rursus pax induciae ».
2. Ook dubbelhartigheid is eenigszins het gevolg van onkuischheid evenals onstandvastigheid, voor zoover nl. dubbelhartigheid een wankelbaarheid van ziel naar verschillende uitersten, inhoudt. Vandaar zegt Terentius dat « in de liefde oorlog heerscht, en dan weer vrede en hinderlagen ».2. Ook dubbelhartigheid is enigszins het gevolg van onkuisheid evenals onstandvastigheid, voor zover nl. dubbelhartigheid een wankelbaarheid van ziel naar verschillende uitersten, inhoudt. Vandaar zegt Terentius dat “in de liefde oorlog heerst, en dan weer vrede en hinderlagen”.
Ad tertium dicendum quod vitia carnalia intantum magis extinguunt judicium rationis inquantum longius abducunt a ratione.
3. De vleeschelijke ondeugden vernietigen des te meer het oordeel van het verstand, naarmate zij iemand verder wegvoeren van het verstand.3. De vleselijke ondeugden vernietigen des te meer het oordeel van het verstand, naarmate zij iemand verder wegvoeren van het verstand.