De virtutibus adjunctis prudentiae in quatuor articulos divisa
Over de potentieele of bijkomstige onderdeelen van de verstandigheidOver de potentiële of bijkomstige onderdelen van de verstandigheid
107Postea considerandum est de virtutibus adjunctis prudentiae, quae sunt quasi partes potentiales ipsius.
107Vervolgens dient het onderzoek te gaan over de deugden, die aan de verstandigheid verbonden zijn als haar potentiëele of bijkomstige onderdeelen.107Vervolgens dient het onderzoek te gaan over de deugden, die aan de verstandigheid verbonden zijn als haar potentiëele of bijkomstige onderdelen.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum eubulia sit virtus. — 2. Utrum sit specialis virtus a prudentia distincta. — 3. Utrum gnome sit specialis virtus. — 4. Utrum synesis sit specialis virtus.
Hieromtrent zijn vier vragen te stellen: 1. Is de welberadenheid een deugd? 2. Is zij een afzonderlijke deugd, onderscheiden van de verstandigheid? 3. Is de « synesis » een afzonderlijke deugd? 4. Is de « gnomè » een afzonderlijke deugd?Hieromtrent zijn vier vragen te stellen: 1. Is de welberadenheid een deugd? 2. Is zij een afzonderlijke deugd, onderscheiden van de verstandigheid? 3. Is de “synesis” een afzonderlijke deugd? 4. Is de “gnomè” een afzonderlijke deugd?
Utrum eubulia sit virtus
Is de welberadenheid een deugd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod eubulia non sit virtus. Quia 108secundum Augustinum, in lib. 2. de Lib. Arb. [cap. 18. et 19.], « virtutibus nullus male utitur ». Sed eubulia, quae est bene consiliativa, aliqui male utuntur: vel quia astuta consilia excogitant ad fines malos consequendos; aut quia etiam ad bonos fines consequendos aliqua peccata ordinant, puta qui furatur ut eleemosynam det. Ergo eubulia non est virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de welberadenheid geen 108deugd is. — 1. Augustinus zegt dat « niemand de deugd verkeerd gebruikt ». Maar de welberadenheid — de deugd die ons goed doet beraadslagen — gebruiken sommigen verkeerd, ofwel door sluwe beraadslagingen uit te denken om slechte doeleinden na te streven, ofwel door zonden te ordenen tot het bereiken van een goed doel, b.v. wanneer iemand steelt om een aalmoes te kunnen geven. Dus is de welberadenheid geen deugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat de welberadenheid geen 108deugd is. — 1. Augustinus zegt dat “niemand de deugd verkeerd gebruikt”. Maar de welberadenheid — de deugd die ons goed doet beraadslagen — gebruiken sommigen verkeerd, ofwel door sluwe beraadslagingen uit te denken om slechte doeleinden na te streven, ofwel door zonden te ordenen tot het bereiken van een goed doel, bv. wanneer iemand steelt om een aalmoes te kunnen geven. Dus is de welberadenheid geen deugd.
2. Praeterea, « virtus perfectio quaedam est », ut dicitur in 7. Physic. [tex. 18.]. Sed eubulia circa consilium consistit, quod importat dubitationem et inquisitionem, quae imperfectionis sunt. Ergo eubulia non est virtus.
2. « Deugd beteekent een zekere volmaaktheid », zooals gezegd wordt in de Physica. Maar de welberadenheid is gericht op de beraadslaging, die twijfel inhoudt en het zoeken naar een oplossing. Dus iets onvolmaakts. Dus is de welberadenheid geen deugd.2. “Deugd betekent een zekere volmaaktheid”, zoals gezegd wordt in de Fysica. Maar de welberadenheid is gericht op de beraadslaging, die twijfel inhoudt en het zoeken naar een oplossing. Dus iets onvolmaakts. Dus is de welberadenheid geen deugd.
3. Praeterea, virtutes sunt connexae ad invicem, ut supra habitum est [1-2. q. 65.]. Sed eubulia non est connexa aliis virtutibus: multi enim peccatores sunt bene consiliativi, et multi justi sunt in consiliis tardi. Ergo eubulia non est virtus.
3. De deugden zijn onderling aan elkander verwant, zooals vroeger is uiteengezet (I. II. 65e Kw.). Maar de welberadenheid heeft geen verwantschap met de andere deugden, want vele zondaren zijn zeer welberaden, terwijl vele rechtvaardigen onberaden zijn. Dus is de welberadenheid geen deugd.3. De deugden zijn onderling aan elkander verwant, zoals vroeger is uiteengezet (1-2 65e Kw.). Maar de welberadenheid heeft geen verwantschap met de andere deugden, want vele zondaren zijn zeer welberaden, terwijl vele rechtvaardigen onberaden zijn. Dus is de welberadenheid geen deugd.
Sed contra est quod « eubulia est rectitudo consilii », ut Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 9.]. Sed recta ratio perficit rationem virtutis. Ergo eubulia est virtus.
Daartegenover echter staat dat « welberadenheid beteekent: juistheid in de beraadslaging », zooals de Wijsgeer zegt. Een goed oordeelend verstand nu vervolmaakt het wezen van de deugd. Dus is de welberadenheid een deugd.Daartegenover echter staat dat “welberadenheid betekent: juistheid in de beraadslaging”, zoals de Wijsgeer zegt. Een goed oordelend verstand nu vervolmaakt het wezen van de deugd. Dus is de welberadenheid een deugd.
109Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 47. art. 4.], de ratione virtutis humanae est quod faciat actum hominis bonum. Inter caeteros autem actus hominis proprium est ei consiliari: quia hoc importat quamdam rationis inquisitionem circa agenda, in quibus consistit vita humana; nam vita speculativa est supra hominem, ut dicitur in 10. Ethic. [cap. 7.]. Eubulia autem importat bonitatem consilii: dicitur enim ab εὖ. quod est bonum, et βουλή, quod est consilium, quasi bona consiliatio, vel potius bene consiliativa. Unde manifestum est quod eubulia est virtus humana.
109Leerstelling. — Vroeger werd gezegd (47e Kw. 4e Art.) dat het wezen van de deugd bij den mensch hierin bestaat 's menschen handelingen goed te maken. Onder de overige handelingen van den mensch is het hem eigen te beraadslagen, omdat dit een zeker onderzoek van het verstand beteekent omtrent de te verrichten handelingen waaruit het menschelijk leven bestaat. Want het speculatieve leven ligt boven den mensch, zooals geschreven staat in de Ethica. De welberadenheid nu, zorgt voor de goedheid van de beraadslaging, want het woord « eubulia » beteekent « eu » d.i. goed, en « boulè » d.i. raad; dus een goede raadgeving, of beter een goede beraadslaging. Hieruit blijkt duidelijk dat de welberadenheid een menschelijke deugd is.109Leerstelling. — Vroeger werd gezegd (47e Kw. 4e Art.) dat het wezen van de deugd bij de mens hierin bestaat 's mensen handelingen goed te maken. Onder de overige handelingen van de mens is het hem eigen te beraadslagen, omdat dit een zeker onderzoek van het verstand betekent omtrent de te verrichten handelingen waaruit het menselijk leven bestaat. Want het speculatieve leven ligt boven de mens, zoals geschreven staat in de Ethica. De welberadenheid nu, zorgt voor de goedheid van de beraadslaging, want het woord “eubulia” betekent “eu” d.i. goed, en “boulè” d.i. raad; dus een goede raadgeving, of beter een goede beraadslaging. Hieruit blijkt duidelijk dat de welberadenheid een menselijke deugd is.
Ad primum ergo dicendum quod non est bonum consilium sive aliquis malum finem1 in consiliando praestituat, sive etiam ad bonum finem malas vias adinveniat. Sicut etiam in speculativis non est bona ratiocinatio sive aliquis falsum concludat, sive etiam concludat verum ex falsis, quia 110non utitur convenienti medio. Et ideo utrumque praedictorum est contra rationem eubuliae, ut Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 9.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan niet spreken van een goede beraadslaging, wanneer iemand zich daarbij een slecht doel voor oogen stelt, of zelfs een goed doel langs verkeerde wegen tracht te bereiken. Zoo is ook in de speculatieve orde een redeneering niet goed, wanneer iemand tot een valsche gevolgtrekking komt, of een ware gevolgtrekking uit valsche beginselen afleidt, daar hij dan niet het goede middel gebruikt om 110tot zijn gevolgtrekking te komen. Beide bovengenoemde wijzen van beraadslaging zijn tegen het wezen der welberadenheid, zooals de Wijsgeer verklaart.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan niet spreken van een goede beraadslaging, wanneer iemand zich daarbij een slecht doel voor ogen stelt, of zelfs een goed doel langs verkeerde wegen tracht te bereiken. Zo is ook in de speculatieve orde een redenering niet goed, wanneer iemand tot een valse gevolgtrekking komt, of een ware gevolgtrekking uit valse beginselen afleidt, daar hij dan niet het goede middel gebruikt om 110tot zijn gevolgtrekking te komen. Beide bovengenoemde wijzen van beraadslaging zijn tegen het wezen van de welberadenheid, zoals de Wijsgeer verklaart.
Ad secundum dicendum quod etsi virtus sit essentialiter perfectio quaedam, non tamen oportet quod omne illud quod est materia virtutis importet perfectionem. Oportet enim circa omnia humana perfici per virtutes: et non solum circa actus rationis, inter quos est consilium; sed etiam circa passiones appetitus sensitivi, quae adhuc sunt multo imperfectiores. Vel potest dici quod virtus humana est perfectio secundum modum hominis, qui non potest per certitudinem comprehendere veritatem rerum simplicium intuitu simplici; et praecipue in agibilibus, quae sunt contingentia.
2. Ofschoon de deugd in wezen een zekere volmaaktheid beteekent, behoeft toch niet alles waarover de deugd zich uitstrekt volmaakt te zijn. Want alle menschelijke handelingen eischen hun vervolmaking die de deugden haar kunnen geven, niet alleen de werkzaamheid van ons menschelijk verstand, waartoe de beraadslaging behoort, maar ook de hartstochten van ons zinnelijk streefvermogen, die nog veel onvolmaakter zijn. Men kan ook zeggen dat de menschelijke deugd slechts een menschelijke volmaaktheid voortbrengt. Als mensch nu kunnen wij niet met zekerheid door een onmiddellijke schouwing de waarheid der dingen begrijpen, zeker niet bij de handelingen, die immer wisselvalligheden zijn.2. Ofschoon de deugd in wezen een zekere volmaaktheid betekent, behoeft toch niet alles waarover de deugd zich uitstrekt volmaakt te zijn. Want alle menselijke handelingen eisen hun vervolmaking die de deugden haar kunnen geven, niet alleen de werkzaamheid van ons menselijk verstand, waartoe de beraadslaging behoort, maar ook de hartstochten van ons zinnelijk streefvermogen, die nog veel onvolmaakter zijn. Men kan ook zeggen dat de menselijke deugd slechts een menselijke volmaaktheid voortbrengt. Als mens nu kunnen wij niet met zekerheid door een onmiddellijke schouwing de waarheid van de dingen begrijpen, zeker niet bij de handelingen, die immer wisselvalligheden zijn.
Ad tertium dicendum quod in nullo peccatore, inquantum hujusmodi invenitur eubulia. Omne enim peccatum est contra bonam consiliationem. Requiritur enim ad bene consiliandum non solum adinventio vel excogitatio eorum quae sunt opportuna ad finem, sed etiam aliae circumstantiae: scilicet tempus congruum, ut nec nimis tardus nec nimis velox sit in consiliis; et modus consiliandi, ut scilicet sit firmus in suo consilio; et aliae hujusmodi 111debitae circumstantiae, quae peccatores peccando non observant. Quilibet autem virtuosus est bene consiliativus in his, quae ordinantur ad finem virtutis: licet forte in aliquibus particularibus negotiis non sit bene consiliativus, puta in mercationibus vel in rebus bellicis vel in aliquo hujusmodi.
3. Welberadenheid vindt men nooit in den zondaar als zoodanig. Want iedere zonde is het gevolg van een verkeerde beraadslaging. Voor een goede beraadslaging wordt niet alleen vereischt het vinden of uitdenken van de handelingen die nuttig zijn voor het doel, maar ook van alle andere omstandigheden, nl. de geschikte tijd, en ook dat men niet te langzaam noch te snel is in de beraadslaging, en de wijze van beraadslaging, nl. dat men standvastig is in de 111beraadslaging, en dergelijke andere verplichte omstandigheden meer, die een zondaar bij het bedrijven der zonde niet in acht neemt. Iedere deugdzame mensch is echter welberaden in de handelingen die voeren tot het doel van de deugd, ofschoon hij in sommige andere zaken misschien niet welberaden kan zijn, b.v. in den handel of in het oorlogvoeren, en dergelijke.3. Welberadenheid vindt men nooit in de zondaar als zodanig. Want iedere zonde is het gevolg van een verkeerde beraadslaging. Voor een goede beraadslaging wordt niet alleen vereist het vinden of uitdenken van de handelingen die nuttig zijn voor het doel, maar ook van alle andere omstandigheden, nl. de geschikte tijd, en ook dat men niet te langzaam noch te snel is in de beraadslaging, en de wijze van beraadslaging, nl. dat men standvastig is in de 111beraadslaging, en dergelijke andere verplichte omstandigheden meer, die een zondaar bij het bedrijven van de zonde niet in acht neemt. Iedere deugdzame mens is echter welberaden in de handelingen die voeren tot het doel van de deugd, ofschoon hij in sommige andere zaken misschien niet welberaden kan zijn, bv. in de handel of in het oorlogvoeren, en dergelijke.
Utrum eubulia sit virtus distincta a prudentia
Is de welberadenheid een afzonderlijke deugd, onderscheiden van de verstandigheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod eubulia non sit virtus distincta a prudentia. Quia ut Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 5.], « videtur prudentis esse bene consiliari ». Sed hoc pertinet ad eubuliam, ut dictum est [art. praec.]. Ergo eubulia non distinguitur a prudentia.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de welberadenheid als deugd niet onderscheiden is van de verstandigheid. — 1. De Wijsgeer zegt dat « het een eigenschap schijnt te zijn van den verstandige, goed te beraadslagen ». Dit behoort echter tot de welberadenheid, zooals in het vorig artikel gezegd werd. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de welberadenheid als deugd niet onderscheiden is van de verstandigheid. — 1. De Wijsgeer zegt dat “het een eigenschap schijnt te zijn van de verstandige, goed te beraadslagen”. Dit behoort echter tot de welberadenheid, zoals in het vorig artikel gezegd werd. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.
2. Praeterea, humani actus, ad quos ordinantur humanae virtutes, praecipue specificantur ex fine, ut supra dictum est [1-2. q. 18. art. 6.]. 112Sed ad eumdem finem ordinantur eubulia et prudentia, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 9.] : non autem ad quemdam particularem finem, sed ad communem finem totius vitae. Ergo eubulia non est virtus distincta a prudentia.
2. De menschelijke handelingen waarop de menschelijke deugden gericht zijn, worden onderscheiden naar hun doeleinden, zooals boven is uiteengezet (I. II. 1e Kw. 3e Art. en 18e Kw. 1126e Art.). De welberadenheid en de verstandigheid nu zijn gericht op eenzelfde doel, zooals gezegd wordt in de Ethica, nl. niet op een bijzonder doel, maar op, het algemeen einddoel van heel het menschelijk leven. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.2. De menselijke handelingen waarop de menselijke deugden gericht zijn, worden onderscheiden naar hun doeleinden, zoals boven is uiteengezet (1-2 1e Kw. 3e Art. en 18e Kw. 1126e Art.). De welberadenheid en de verstandigheid nu zijn gericht op eenzelfde doel, zoals gezegd wordt in de Ethica, nl. niet op een bijzonder doel, maar op, het algemeen einddoel van heel het menselijk leven. Dus is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.
3. Praeterea, in scientiis speculativis ad eamdem scientiam pertinet inquirere et determinare. Ergo pari ratione in operativis hoc pertinet ad eamdem virtutem. Sed inquirere pertinet ad eubuliam, determinare autem ad prudentiam. Ergo eubulia non est alia virtus a prudentia.
3. In de speculatieve wetenschappen behooren het onderzoeken en bepalen tot dezelfde wetenschap. In de practische orde geldt hetzelfde en behooren dus beide tot eenzelfde deugd. Het onderzoeken hoort hier bij de welberadenheid, het vaststellen van de handeling bij de verstandigheid. Derhalve is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.3. In de speculatieve wetenschappen behoren het onderzoeken en bepalen tot dezelfde wetenschap. In de praktische orde geldt hetzelfde en behoren dus beide tot eenzelfde deugd. Het onderzoeken hoort hier bij de welberadenheid, het vaststellen van de handeling bij de verstandigheid. Derhalve is de welberadenheid als deugd niet onderscheiden van de verstandigheid.
Sed contra est quod « prudentia est praeceptiva », ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 10.]. Hoc autem non convenit eubuliae. Ergo eubulia est alia virtus a prudentia.
Daartegenover echter staat dat in de Ethica gezegd wordt dat « de verstandigheid het bevel geeft tot de handeling ». Dit behoort echter niet tot de taak van de welberadenheid. Dus is de welberadenheid een andere deugd als de verstandigheid.Daartegenover echter staat dat in de Ethica gezegd wordt dat “de verstandigheid het bevel geeft tot de handeling”. Dit behoort echter niet tot de taak van de welberadenheid. Dus is de welberadenheid een andere deugd als de verstandigheid.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est supra [q. 47. a. 4.], virtus proprie ordinatur ad actum, quem reddit bonum. Et ideo oportet secundum differentiam actuum esse diversas virtutes: et maxime quando 113non est eadem ratio bonitatis in actibus. Si enim esset eadem ratio bonitatis in eis, tunc ad eamdem virtutem pertinerent diversi actus: sicut ex eodem dependet bonitas amoris, desiderii et gaudii, et ideo omnia ista pertinent ad eamdem virtutem charitatis. Actus autem rationis ordinati ad opus sunt diversi, nec habent eamdem rationem bonitatis: ex alio enim efficitur homo bene consiliativus, et bene judicativus, et bene praeceptivus; quod patet ex hoc quod ista aliquando ab invicem separantur. Et ideo oportet aliam esse virtutem eubuliam per quam homo est bene consiliativus; et aliam prudentiam, per quam homo est bene praeceptivus. Et sicut consiliari ordinatur ad praecipere tamquam ad principalius, ita etiam eubulia ordinatur ad prudentiam tamquam ad principaliorem virtutem; sine qua nec virtus esset, sicut nec morales virtutes sine prudentia, nec caeterae virtutes sine charitate.
Leerstelling. — De deugd is volgens haar wezen gericht op de daad, om ze goed te maken, zooals vroeger werd aangetoond. (47e Kw. 2e Art. en I. II. 55e Kw. 2e en 3e Art.). Daarom moet er bij verschil van daden ook onderscheid van deugden zijn, vooral 113wanneer de goedheid in de daden van verschillenden aard is. Wanneer bij verschillende daden eenzelfde soort goedheid aanwezig is, zouden zij tot dezelfde deugd behooren, zooals b.v. de goedheid van het welbehagen, het verlangen en de vreugde voortkomt uit eenzelfde bron, en dus in alle drie gevallen behoort tot dezelfde deugd van liefde. De daden nu van het verstand, die gericht zijn op de handeling, zijn van verschillenden aard en bezitten ieder een goedheid van onderscheiden soort, want de goedheid van het beraad, van het oordeel en van het bevel zijn verschillend, wat blijkt wanneer ze van elkander gescheiden worden. En daarom is de deugd van welberadenheid, waardoor men goed beraadslaagt, een andere dan de verstandigheid waardoor men goed bevel geeft. Daar nu de beraadslaging gericht is op het bevel als op iets voornamers, is ook de welberadenheid gericht op de verstandigheid als voornamere deugd. Zonder de verstandigheid zou de welberadenheid geen deugd zijn, evenals de zedelijke deugden geen deugden zouden zijn zonder de verstandigheid, noch de overige deugden zonder de liefde.Leerstelling. — De deugd is volgens haar wezen gericht op de daad, om ze goed te maken, zoals vroeger werd aangetoond. (47e Kw. 4e Art. en 1-2 55e Kw. 2e en 3e Art.). Daarom moet er bij verschil van daden ook onderscheid van deugden zijn, vooral 113wanneer de goedheid in de daden van verschillenden aard is. Wanneer bij verschillende daden eenzelfde soort goedheid aanwezig is, zouden zij tot dezelfde deugd behoren, zoals bv. de goedheid van het welbehagen, het verlangen en de vreugde voortkomt uit eenzelfde bron, en dus in alle drie gevallen behoort tot dezelfde deugd van liefde. De daden nu van het verstand, die gericht zijn op de handeling, zijn van verschillenden aard en bezitten ieder een goedheid van onderscheiden soort, want de goedheid van het beraad, van het oordeel en van het bevel zijn verschillend, wat blijkt wanneer ze van elkander gescheiden worden. En daarom is de deugd van welberadenheid, waardoor men goed beraadslaagt, een andere dan de verstandigheid waardoor men goed bevel geeft. Daar nu de beraadslaging gericht is op het bevel als op iets voornamers, is ook de welberadenheid gericht op de verstandigheid als voornamere deugd. Zonder de verstandigheid zou de welberadenheid geen deugd zijn, evenals de zedelijke deugden geen deugden zouden zijn zonder de verstandigheid, noch de overige deugden zonder de liefde.
Ad primum ergo dicendum quod ad prudentiam pertinet bene consiliari imperative: ad eubuliam autem elicitive.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandigheid geeft het bevel tot een goede beraadslaging; de welberadenheid kiest haar als haar eigen daad.
114Ad secundum dicendum quod ad unum finem ultimum, quod est « bene vivere totum », ordinantur diversi actus secundum quemdam gradum: nam praecedit consilium, sequitur judicium, et ultimum est praeceptum, quod immediate se habet ad finem ultimum, alii autem duo actus remote se habent. Qui tamen habent quosdam proximos fines: consilium quidem inventionem eorum quae sunt agenda; judicium autem certitudinem. Unde ex hoc non sequitur quod eubulia et prudentia non sint diversae virtutes: sed quod eubulia ordinetur ad prudentiam sicut virtus secundaria ad principalem.
1142. Alle handelingen worden graadsgewijze geordend tot eenzelfde einddoel, nl. het geheele leven goed te maken. Want het beraad gaat vooraf, dan volgt het oordeel en ten slotte het bevel, dat onmiddellijk gericht is op het laatste doel, de twee andere echter ondergeschikt en verwijderd. Toch hebben deze twee ieder hun eigen onmiddellijke doeleinden, nl. de beraadslaging: het onderzoek naar wat gedaan moet worden; het oordeel: de zekerheid hiervan. Hieruit volgt niet dat welberadenheid en verstandigheid geen onderscheiden deugden zijn, wel dat de welberadenheid gericht is op de verstandigheid als een ondergeschikte deugd op de voornamere.1142. Alle handelingen worden graadsgewijze geordend tot eenzelfde einddoel, nl. het gehele leven goed te maken. Want het beraad gaat vooraf, dan volgt het oordeel en ten slotte het bevel, dat onmiddellijk gericht is op het laatste doel, de twee andere echter ondergeschikt en verwijderd. Toch hebben deze twee ieder hun eigen onmiddellijke doeleinden, nl. de beraadslaging: het onderzoek naar wat gedaan moet worden; het oordeel: de zekerheid hiervan. Hieruit volgt niet dat welberadenheid en verstandigheid geen onderscheiden deugden zijn, wel dat de welberadenheid gericht is op de verstandigheid als een ondergeschikte deugd op de voornamere.
Ad tertium dicendum quod etiam in speculativis alia rationalis scientia est dialectica quae ordinatur ad inquisitionem inventivam; et alia scientia demonstrativa, quae est veritas determinativa.
3. Ook in de speculatieve orde maakt men onderscheid tusschen de onderzoekende wetenschap, die de waarheid tracht te vinden, en de bewijzende wetenschap, die de waarheid vaststelt.3. Ook in de speculatieve orde maakt men onderscheid tussen de onderzoekende wetenschap, die de waarheid tracht te vinden, en de bewijzende wetenschap, die de waarheid vaststelt.
Utrum synesis sit virtus
Is de « synesis » een deugd?Is de “synesis” een deugd?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod synesis non sit virtus. Virtutes 115enim « non insunt nobis a natura », ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 1.]. Sed synesis inest aliquibus a natura, ut dicit Philosophus in 6. Ethic. [cap. 11.]. Ergo synesis non est virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de synesis geen deugd is. 1151. De deugden « bezitten wij niet van nature », zooals gezegd wordt in de Ethica. Maar sommigen bezitten van nature een gezond oordeel of synesis, zooals de Wijsgeer zegt. Dus is de synesis geen deugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat de synesis geen deugd is. 1151. De deugden “bezitten wij niet van nature”, zoals gezegd wordt in de Ethica. Maar sommigen bezitten van nature een gezond oordeel of synesis, zoals de Wijsgeer zegt. Dus is de synesis geen deugd.
2. Praeterea, synesis, ut in eodem lib. dicitur [cap. 10.], « est solum judicativa ». Sed judicium solum, sine praecepto, potest esse etiam in malis. Cum ergo virtus sit solum in bonis, videtur quod synesis non sit virtus.
2. De Wijsgeer zegt dat de synesis « alleen gericht is op het oordeel ». Maar een slecht mensch kan een goed oordeel vellen. Daar nu de deugd alleen het bezit der goeden is, kan de synesis geen deugd zijn.2. De Wijsgeer zegt dat de synesis “alleen gericht is op het oordeel”. Maar een slecht mens kan een goed oordeel vellen. Daar nu de deugd alleen het bezit van de goeden is, kan de synesis geen deugd zijn.
3. Praeterea, numquam est defectus in praecipiendo nisi sit aliquis defectus in judicando, saltem in particulari operabili, in quo omnis malus errat. Si ergo synesis ponitur virtus ad bene judicandum, videtur quod non sit necessaria alia virtus ad bene praecipiendum. Et ideo prudentia erit superflua: quod est inconveniens. Non ergo synesis est virtus.
3. Er is nooit een tekortkoming in het bevel wanneer er niet eerst een tekortkoming is in het oordeel, zeker in de practische orde waarin iedere handeling iets afzonderlijks is en waarin iedere booze dwaalt. De synesis nu wordt voorgesteld als de deugd die ons goed doet oordeelen. Maar dan is er geen andere deugd noodig die goed doet bevelen. In dat geval zou de verstandigheid overbodig zijn, wat moeilijk aangenomen kan worden. Dus is de synesis geen deugd.3. Er is nooit een tekortkoming in het bevel wanneer er niet eerst een tekortkoming is in het oordeel, zeker in de praktische orde waarin iedere handeling iets afzonderlijks is en waarin iedere boze dwaalt. De synesis nu wordt voorgesteld als de deugd die ons goed doet oordelen. Maar dan is er geen andere deugd nodig die goed doet bevelen. In dat geval zou de verstandigheid overbodig zijn, wat moeilijk aangenomen kan worden. Dus is de synesis geen deugd.
Sed contra, judicium est perfectius quam consilium. Sed eubulia, quae est bene consiliativa, est virtus. Ergo multo magis synesis, quae est bene judicativa, est virtus.
Daartegenover echter staat dat het oordeel iets volmaakters is dan de beraadslaging. De welberadenheid nu, die ons goed doet beraadslagen, is een deugd. Des te meer dus de synesis, die ons goed doet oordeelen.Daartegenover echter staat dat het oordeel iets volmaakters is dan de beraadslaging. De welberadenheid nu, die ons goed doet beraadslagen, is een deugd. Des te meer dus de synesis, die ons goed doet oordelen.
116Respondeo dicendum quod synesis importat judicium rectum non quidem circa speculabilia, sed circa particularia operabilia, circa quae etiam est prudentia. Unde secundum synesim dicuntur aliqui in graeco σύνετι, idest sensati, vel ευσύνετι idest homines boni sensus: sicut e contrario qui carent hac virtute, dicuntur ασύνετι, idest insensati. Oportet autem quod differentia1 actuum qui non reducuntur in eamdem causam sit etiam diversitas virtutum. Manifestum est autem quod bonitas consilii et bonitas judicii non reducuntur in eamdem causam: multi enim sunt bene consiliativi qui tamen non sunt bene sensati, quasi recte judicantes. Sicut etiam in speculativis aliqui sunt bene inquirentes, propter hoc quod ratio eorum prompta est ad discurrendum per diversa, quod videtur provenire ex dispositione imaginativae virtutis, quae de facili potest formare diversa phantasmata: et tamen hujusmodi quandoque non sunt boni judicii, quod est 117propter defectum intellectus, qui maxime contingit ex mala dispositione communis sensus non bene judicantis. Et ideo oportet praeter eubuliam esse aliam virtutem quae est bene judicativa. Et haec dicitur synesis.
116Leerstelling. — De synesis of het gezond oordeel is niet gericht op een juist oordeelvellen in de speculatieve orde, maar op een oordeelvellen omtrent de handeling die men in elk afzonderlijk geval moet verrichten. Hierop is ook de verstandigheid gericht. Naar de synesis worden sommigen in het Grieksch « σύνετοι » d.i. bezonnen of « εὐσύνετοι » d.i. welbezonnen menschen, menschen met gezond oordeel, genoemd; terwijl integendeel menschen die deze deugd missen, « ἀσύνετοι » d.i. onbezonnen genoemd worden. Het onderscheid nu in verschillende deugden wordt gemaakt naar het onderscheid van die daden, welke men niet tot eenzelfde oorzaak terug kan brengen. Wel is echter duidelijk dat de goedheid van de beraadslaging en de juistheid van het oordeel niet te herleiden zijn tot dezelfde oorzaak, want vele menschen kunnen goed beraadslagen zonder nochtans een gezond oordeel te bezitten. Eveneens kan men in de speculatieve orde menschen aantreffen, die zeer bekwaam zijn in het onderzoek, doordat hun geest met groot gemak de meest uiteenloopende mogelijkheden weet te bedenken. Deze gesteltenis schijnt voort te komen uit een zekere aanleg van hun verbeeldingskracht, waardoor deze zich gemakkelijk uiteenloopende voorstellingen kan vormen. En toch ontbreekt bij zulke menschen dikwijls het juist oordeel wegens het ontbreken van een scherp inzicht, wat gemakkelijk kan voortkomen uit een minder gunstigen aanleg van het 117algemeen zintuig dat in onvoldoende mate de verschillende voorstellingen beheerscht. Naast de welberadenheid, de deugd die ons goed doet beraadslagen, dient men nog een tweede aan te nemen, de synesis, die goed doet oordeelen.116Leerstelling. — De synesis of het gezond oordeel is niet gericht op een juist oordeelvellen in de speculatieve orde, maar op een oordeelvellen omtrent de handeling die men in elk afzonderlijk geval moet verrichten. Hierop is ook de verstandigheid gericht. Naar de synesis worden sommigen in het Grieks “σύνετοι” d.i. bezonnen of “εὐσύνετοι” d.i. welbezonnen mensen, mensen met gezond oordeel, genoemd; terwijl integendeel mensen die deze deugd missen, “ἀσύνετοι” d.i. onbezonnen genoemd worden. Het onderscheid nu in verschillende deugden wordt gemaakt naar het onderscheid van die daden, welke men niet tot eenzelfde oorzaak terug kan brengen. Wel is echter duidelijk dat de goedheid van de beraadslaging en de juistheid van het oordeel niet te herleiden zijn tot dezelfde oorzaak, want vele mensen kunnen goed beraadslagen zonder nochtans een gezond oordeel te bezitten. Eveneens kan men in de speculatieve orde mensen aantreffen, die zeer bekwaam zijn in het onderzoek, doordat hun geest met groot gemak de meest uiteenlopende mogelijkheden weet te bedenken. Deze gesteltenis schijnt voort te komen uit een zekere aanleg van hun verbeeldingskracht, waardoor deze zich gemakkelijk uiteenlopende voorstellingen kan vormen. En toch ontbreekt bij zulke mensen dikwijls het juist oordeel wegens het ontbreken van een scherp inzicht, wat gemakkelijk kan voortkomen uit een minder gunstigen aanleg van het 117algemeen zintuig dat in onvoldoende mate de verschillende voorstellingen beheerst. Naast de welberadenheid, de deugd die ons goed doet beraadslagen, dient men nog een tweede aan te nemen, de synesis, die goed doet oordelen.
Ad primum ergo dicendum quod rectum judicium in hoc consistit quod vis cognoscitiva apprehendat rem aliquam secundum quod in se est. Quod quidem provenit ex recta dispositione virtutis apprehensivae: sicut in speculo, si fuerit bene dispositum, imprimuntur formae corporum secundum quod sunt; si vero fuerit speculum male dispositum, apparent ibi imagines distortae et prave se habentes. Quod autem virtus cognoscitiva sit bene disposita ad recipiendum res secundum quod sunt, contingit quidem radicaliter ex natura, consummative autem ex exercitio vel ex munere gratiae. Et hoc dupliciter. Uno modo, directe ex parte ipsius cognoscitivae virtutis, puta quia non est imbuta pravis conceptionibus, sed veris et rectis: et hoc pertinet ad synesim secundum quod est specialis virtus. Alio modo, indirecte, ex bona 118dispositione appetitivae virtutis, ex qua sequitur quod homo bene judicet de appetibilibus. Et sic bonum virtutis judicium consequitur habitus virtutum moralium, sed circa fines: synesis autem est magis circa ea quae sunt ad finem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een juist oordeel bestaat hierin, dat het kenvermogen de zaak zoo begrijpt als ze in werkelijkheid is. Dit is alleen mogelijk als het kenvermogen in een goede gesteltenis verkeert. Wanneer b.v. een spiegel goed gemaakt is, zal hij de voorwerpen goed weerspiegelen. Zijn er fouten in den spiegel, dan ziet men een slechte en misvormde weergave van de weerspiegelde figuren. Deze goede gesteltenis nl. om de zaken zoo te begrijpen als ze in werkelijkheid zijn, bezit het kenvermogen wel van nature, maar slechts in beginsel: het dient vervolmaakt te worden of door oefening, of door de genade. Deze vervolmaking kan op tweevoudige wijze plaats hebben. Eerstens, kan deze een rechtstreeksche zijn, nl. van de zijde van het kenvermogen zelf, b.v. dat het niet besmet wordt met verkeerde opvattingen, maar zich langzamerhand goede en juiste zedelijke begrippen verwerft. En dit behoort tot het gebied van de synesis, voor zoover zij een afzonderlijke deugd is. Die vervolmaking kan ook een onrechtstreeksche zijn, nl. van de zijde van het begeervermogen: wanneer 118het begeervermogen gezond is, zal men zich een juist oordeel vormen omtrent de voorwerpen die men begeert. En in dien zin volgt een goed oordeel over de deugdhandeling uit het bezit der zedelijke deugden, doch dit oordeel geldt alleen de doeleinden. De synesis echter oordeelt met betrekking tot de middelen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een juist oordeel bestaat hierin, dat het kenvermogen de zaak zo begrijpt als ze in werkelijkheid is. Dit is alleen mogelijk als het kenvermogen in een goede gesteltenis verkeert. Wanneer bv. een spiegel goed gemaakt is, zal hij de voorwerpen goed weerspiegelen. Zijn er fouten in de spiegel, dan ziet men een slechte en misvormde weergave van de weerspiegelde figuren. Deze goede gesteltenis nl. om de zaken zo te begrijpen als ze in werkelijkheid zijn, bezit het kenvermogen wel van nature, maar slechts in beginsel: het dient vervolmaakt te worden of door oefening, of door de genade. Deze vervolmaking kan op tweevoudige wijze plaats hebben. Eerstens, kan deze een rechtstreekse zijn, nl. van de zijde van het kenvermogen zelf, bv. dat het niet besmet wordt met verkeerde opvattingen, maar zich langzamerhand goede en juiste zedelijke begrippen verwerft. En dit behoort tot het gebied van de synesis, voor zover zij een afzonderlijke deugd is. Die vervolmaking kan ook een onrechtstreekse zijn, nl. van de zijde van het begeervermogen: wanneer 118het begeervermogen gezond is, zal men zich een juist oordeel vormen omtrent de voorwerpen die men begeert. En in die zin volgt een goed oordeel over de deugdhandeling uit het bezit van de zedelijke deugden, doch dit oordeel geldt alleen de doeleinden. De synesis echter oordeelt met betrekking tot de middelen.
Ad secundum dicendum quod in malis potest quidem judicium rectum esse in universali: sed in particulari agibili semper eorum judicium corrumpitur, ut supra habitum est [1. q. 63. art. 1. ad 4.].
2. Slechte menschen kunnen een juist oordeel vellen, maar dan alleen in het algemeen. Staan ze voor de afzonderlijke handeling zelf, dan zal hun oordeel falen, zooals vroeger werd aangetoond (I. 63e Kw. 1e Art. 4e Antw.).2. Slechte mensen kunnen een juist oordeel vellen, maar dan alleen in het algemeen. Staan ze voor de afzonderlijke handeling zelf, dan zal hun oordeel falen, zoals vroeger werd aangetoond (1 63e Kw. 1e Art. 4e Antw.).
Ad tertium dicendum quod contingit quandoque id quod bene judicatum est differri, vel negligenter agi aut inordinate. Et ideo post virtutem quae est bene judicativa necessaria est finalis virtus principalis quae est bene praeceptiva, scilicet prudentia.
3. Het gebeurt somtijds dat iets wat als goed om te doen beoordeeld werd, wordt uitgesteld, of nalatig en niet goed wordt uitgevoerd. En daarom is er na de deugd, die ons een goed oordeel doet vellen, nog een andere deugd noodig die voor het goede bevel zorgt. Deze deugd, de hoofddeugd, omdat zij voor de goede voltooiïng zorgt, is de verstandigheid.3. Het gebeurt somtijds dat iets wat als goed om te doen beoordeeld werd, wordt uitgesteld, of nalatig en niet goed wordt uitgevoerd. En daarom is er na de deugd, die ons een goed oordeel doet vellen, nog een andere deugd nodig die voor het goede bevel zorgt. Deze deugd, de hoofddeugd, omdat zij voor de goede voltooiing zorgt, is de verstandigheid.
Utrum gnome sit specialis virtus
Is de « gnomè » een afzonderlijke deugd?Is de “gnomè” een afzonderlijke deugd?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod gnome non sit specialis virtus 119a synesi distincta. Quia secundum synesim dicitur aliquis bene judicativus. Sed nullus potest dici bene judicativus nisi in omnibus bene judicet. Ergo synesis se extendit ad omnia dijudicanda. Non est ergo aliqua alia virtus bene judicativa quae gnome dicatur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de « gnomè » geen 119afzonderlijke deugd is, onderscheiden van de synesis. — 1. De synesis doet iemand goed oordeelen. Maar men zegt niet van iemand dat hij goed oordeelt, wanneer hij niet in alle gevallen goed oordeelt. Dus is er naast de synesis geen andere deugd noodig om iemand goed te doen oordeelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de “gnomè” geen 119afzonderlijke deugd is, onderscheiden van de synesis. — 1. De synesis doet iemand goed oordelen. Maar men zegt niet van iemand dat hij goed oordeelt, wanneer hij niet in alle gevallen goed oordeelt. Dus is er naast de synesis geen andere deugd nodig om iemand goed te doen oordelen.
2. Praeterea, judicium medium est inter consilium et praeceptum. Sed una tantum virtus est bene consiliativa, scilicet eubulia; et una tantum virtus est bene praeceptiva, scilicet prudentia. Ergo etiam una tantum est virtus bene judicativa, scilicet synesis.
2. Het oordeel staat midden tusschen het beraad en het bevel. Maar om goed te overleggen en goed te bevelen is telkens maar één deugd noodig, nl. de welberadenheid eenerzijds, en de verstandigheid anderzijds. Dus is er ook maar één deugd noodig om goed te doen oordeelen, nl. de synesis.2. Het oordeel staat midden tussen het beraad en het bevel. Maar om goed te overleggen en goed te bevelen is telkens maar één deugd nodig, nl. de welberadenheid enerzijds, en de verstandigheid anderzijds. Dus is er ook maar één deugd nodig om goed te doen oordelen, nl. de synesis.
3. Praeterea, ea quae raro accidunt, in quibus oportet aliquando a communibus legibus discedere, videntur praecipue casualia esse, quorum non est ratio, ut dicitur in 1. Physic. [c. 5.]. Omnes autem virtutes intellectuales pertinent ad rationem rectam. Ergo circa praedicta non est aliqua virtus intellectualis.
3. Wat zelden voorkomt, en waarbij men van de gewone wetten moet afwijken, is iets toevalligs. Het toevallige valt niet onder het bereik van het verstand, zooals gezegd wordt in de Physica. Alle verstandelijke deugden nu behooren tot het oordeelend verstand. Dus kan er omtrent het zeldzaam voorkomende en dus toevallige geen verstandelijke deugd zijn.3. Wat zelden voorkomt, en waarbij men van de gewone wetten moet afwijken, is iets toevalligs. Het toevallige valt niet onder het bereik van het verstand, zoals gezegd wordt in de Fysica. Alle verstandelijke deugden nu behoren tot het oordelend verstand. Dus kan er omtrent het zeldzaam voorkomende en dus toevallige geen verstandelijke deugd zijn.
Sed contra est quod Philosophus determinat, in 6. Ethic. [cap. 11.], gnomen esse specialem virtutem.
Daartegenover echter staat dat de Wijsgeer vaststelt dat de « gnomè » een afzonderlijke deugd is.Daartegenover echter staat dat de Wijsgeer vaststelt dat de “gnomè” een afzonderlijke deugd is.
Respondeo dicendum quod habitus cognoscitivi distinguuntur secundum 120altiora vel inferiora principia: sicut sapientia in speculativis altiora principia considerat quam scientia, et ideo ab ea distinguitur. Et ita etiam oportet esse in activis. Manifestum est autem quod illa quae sunt praeter ordinem inferioris principii sive causae reducuntur quandoque in ordinem altioris principii: sicut monstruosi partus animalium sunt praeter ordinem virtutis activae in semine, tamen cadunt sub ordine altioris principii, scilicet coelestis corporis, vel ulterius providentiae divinae. Unde ille qui considerat virtutem activam in semine non posset certum judicium ferre de hujusmodi monstris: de quibus tamen potest judicari secundum considerationem divinae providentiae.
Leerstelling. — De verschillende kennisvaardigheden 120worden onderscheiden naar de hoogere of lagere beginselen waarvan ze uitgaan. In de speculatieve orde gaat de wijsheid bij haar beschouwing uit van hoogere beginselen dan de wetenschap, en is daarom van deze onderscheiden. Zoo moet het ook zijn in de practische orde. Het is nu duidelijk dat sommige gevallen, die buiten het bereik van een lager beginsel of oorzaak liggen, teruggebracht moeten worden tot een hooger beginsel, zooals b.v. de geboorte van een monsterachtig dier niet toegeschreven kan worden aan de kracht van de bevruchting maar zijn oorzaak vindt in een hooger beginsel, b.v. de invloed van een hemellichaam of de nog hoogere kracht van Gods Voorzienigheid. Iemand nu, die niet verder ziet dan de kracht van de bevruchting, zou geen zeker oordeel weten te vormen omtrent zulk monster. Ziet men verder en betrekt men Gods Voorzienigheid in zijn beschouwing, dan eerst kan men een juist oordeel vellen.Leerstelling. — De verschillende kennisvaardigheden 120worden onderscheiden naar de hogere of lagere beginselen waarvan ze uitgaan. In de speculatieve orde gaat de wijsheid bij haar beschouwing uit van hogere beginselen dan de wetenschap, en is daarom van deze onderscheiden. Zo moet het ook zijn in de praktische orde. Het is nu duidelijk dat sommige gevallen, die buiten het bereik van een lager beginsel of oorzaak liggen, teruggebracht moeten worden tot een hoger beginsel, zoals bv. de geboorte van een monsterachtig dier niet toegeschreven kan worden aan de kracht van de bevruchting maar zijn oorzaak vindt in een hoger beginsel, bv. de invloed van een hemellichaam of de nog hogere kracht van Gods Voorzienigheid. Iemand nu, die niet verder ziet dan de kracht van de bevruchting, zou geen zeker oordeel weten te vormen omtrent zulk monster. Ziet men verder en betrekt men Gods Voorzienigheid in zijn beschouwing, dan eerst kan men een juist oordeel vellen.
Contingit autem quandoque aliquid esse faciendum praeter communes regulas agendorum: puta cum impugnatori patriae non est depositum reddendum, vel aliquid aliud hujusmodi. Et ideo oportet de hujusmodi judicare secundum aliqua altiora principia quam sint regulae communes, secundum quas judicat synesis. Et secundum illa altiora principia exigitur altior virtus judicativa, quae vocatur gnome, quae importat quamdam perspicacitatem judicii.
Zoo kan het ook voorkomen dat men soms iets doen moet buiten de gewone wetten der handelingen om, b.v. wanneer men geen belasting wil betalen aan een overweldiger van zijn vaderland, of iets dergelijks. In zulke gevallen zal men moeten oordeelen volgens een of ander beginsel van hoogere orde dan de gewone wetten, volgens welke de synesis oordeelt. Deze hoogere beginselen eischen een hoogere vaardigheid tot oordeelen, en deze deugd noemt men « gnomè ». Zij geeft een zekere scherpte van oordeel.Zo kan het ook voorkomen dat men soms iets doen moet buiten de gewone wetten van de handelingen om, bv. wanneer men geen belasting wil betalen aan een overweldiger van zijn vaderland, of iets dergelijks. In zulke gevallen zal men moeten oordelen volgens een of ander beginsel van hogere orde dan de gewone wetten, volgens welke de synesis oordeelt. Deze hogere beginselen eisen een hogere vaardigheid tot oordelen, en deze deugd noemt men “gnomè”. Zij geeft een zekere scherpte van oordeel.
121Ad primum ergo dicendum quod synesis est vere judicativa de omnibus quae secundum communes regulas fiunt. Sed praeter communes regulas sunt quaedam alia dijudicanda, ut jam dictum est [in corp. art.].
121Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De synesis verstrekt een juist oordeel in gewone gevallen. Maar buiten die gewone gevallen kunnen ook nog andere voorkomen, zooals in de Leerstelling gezegd is.121Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De synesis verstrekt een juist oordeel in gewone gevallen. Maar buiten die gewone gevallen kunnen ook nog andere voorkomen, zoals in de Leerstelling gezegd is.
Ad secundum dicendum quod judicium debet sumi ex principiis propriis rei: inquisitio autem fit etiam per communia. Unde etiam in speculativis dialectica, quae est inquisitiva, procedit ex communibus: demonstrativa autem, quae est judicativa, procedit ex propriis. Et ideo eubulia, ad quam pertinet inquisitio consilii, est una de omnibus: non autem synesis, quae est judicativa. Praeceptum autem respicit in omnibus unam rationem boni. Et ideo etiam prudentia non est nisi una.
2. Een oordeel moet gevormd worden volgens het eigene van de zaak; het onderzoek echter gaat ook uit van dingen die gemeen zijn aan verscheidene dingen. Vandaar dat ook in de speculatieve orde, de dialectiek, die een onderzoekende wetenschap is, uitgaat van gemeenschappelijke dingen; de bewijzende wetenschap echter, die oordeelend is, gaat uit van het eigene. Daarom is de welberadenheid, waaraan het onderzoek toevertrouwd wordt, één en dezelfde voor alle gevallen, maar de « synesis », waaraan het oordeel toekomt, niet. Het bevel van zijn kant, is altijd gericht op één ding, nl. op het goede; en daarom is ook de verstandigheid één en dezelfde.2. Een oordeel moet gevormd worden volgens het eigene van de zaak; het onderzoek echter gaat ook uit van dingen die gemeen zijn aan verscheidene dingen. Vandaar dat ook in de speculatieve orde, de dialectiek, die een onderzoekende wetenschap is, uitgaat van gemeenschappelijke dingen; de bewijzende wetenschap echter, die oordelend is, gaat uit van het eigene. Daarom is de welberadenheid, waaraan het onderzoek toevertrouwd wordt, één en dezelfde voor alle gevallen, maar de “synesis”, waaraan het oordeel toekomt, niet. Het bevel van zijn kant, is altijd gericht op één ding, nl. op het goede; en daarom is ook de verstandigheid één en dezelfde.
Ad tertium dicendum quod omnia illa quae praeter communem cursum contingere possunt considerare pertinet ad solam providentiam divinam: sed inter homines ille qui est magis perspicax potest plura horum sua ratione dijudicare. Et ad hoc pertinet gnome, quae importat quamdam perspicacitatem judicii.
3. De beschouwing van al datgene wat van de gewone wetten afwijkt, komt uitsluitend toe aan de Goddelijke Voorzienigheid. Onder de menschen echter kan de meer helderziende over veel van die dingen door zijn natuurlijke rede oordeelen. En daarop slaat de « gnomè », die een zekere scherpte van oordeel inhoudt.3. De beschouwing van al datgene wat van de gewone wetten afwijkt, komt uitsluitend toe aan de Goddelijke Voorzienigheid. Onder de mensen echter kan de meer helderziende over veel van die dingen door zijn natuurlijke rede oordelen. En daarop slaat de “gnomè”, die een zekere scherpte van oordeel inhoudt.