De singulis prudentiae partibus quasi integralibus in octo articulos divisa
Over de integreerende of onontbeerlijke deelen der verstandigheid afzonderlijkOver de integrerende of onontbeerlijke delen van de verstandigheid afzonderlijk
66Deinde considerandum est de singulis prudentiae partibus quasi integralibus.
66Nu zullen de integreerende deelen der verstandigheid afzonderlijk bestudeerd worden (Vgl. 48e Kw. Inl.).66Nu zullen de integrerende delen van de verstandigheid afzonderlijk bestudeerd worden (Vgl. 48. Kw. Inl.).
Et circa hoc quaeruntur octo: 1. De memoria. — 2. De intellectu vel intelligentia. — 3. De docilitate. — 4. De solertia. — 5. De ratione. — 6. De providentia. — 7. De circumspectione. — 8. De cautione.
Hieromtrent worden acht vragen gesteld: 1. Over de ervaring. 2. Over het inzicht. 3. Over de ontvankelijkheid. 4. Over de vindingrijkheid. 5. Over de redeneerkracht. 6. Over de vooruitziendheid. 7. Over de omzichtigheid. 8. Over de behoedzaamheid.
Utrum memoria sit pars prudentiae
Is de ervaring een onderdeel der verstandigheid?Is de ervaring een onderdeel van de verstandigheid?
67Ad primum sic proceditur. Videtur quod memoria non sit pars prudentiae. Memoria enim, ut dicit1 Philosophus est in parte animae sensitiva. Prudentia autem est in ratiocinativa; ut patet in 6. Ethic. [cap. 5.]. Ergo memoria non est pars prudentiae.
67Bedenkingen. — Men beweert, dat de ervaring geen deel is der verstandigheid. — 1. De ervaring zetelt, zooals de Wijsgeer aantoont, in het zinnelijke deel van de ziel. De verstandigheid is echter een verstands-deugd, zooals blijkt uit de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.67Bedenkingen. — Men beweert, dat de ervaring geen deel is van de verstandigheid. — 1. De ervaring zetelt, zoals de Wijsgeer aantoont, in het zinnelijke deel van de ziel. De verstandigheid is echter een verstands-deugd, zoals blijkt uit de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.
2. Praeterea, prudentia per exercitium acquiritur et perficitur2. Sed memoria inest nobis a natura. Ergo memoria non est pars prudentiae.
2. Verstandigheid wordt door oefening verkregen en versterkt. Maar herinnering is een natuurlijke eigenschap van den mensch. Dus is de ervaring geen onderdeel der verstandigheid.2. Verstandigheid wordt door oefening verkregen en versterkt. Maar herinnering is een natuurlijke eigenschap van de mens. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.
3. Praeterea, memoria est praeteritorum. Prudentia autem est futurorum operabilium, de quibus est consilium, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 2.]. Ergo memoria non est pars prudentiae.
3. Ervaring gaat over het verledene. Verstandigheid daarentegen gaat over toekomstige handelingen, waarover men bij zichzelf te rade gaat, zooals gezegd wordt in de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel der verstandigheid.3. Ervaring gaat over het verledene. Verstandigheid daarentegen gaat over toekomstige handelingen, waarover men bij zichzelf te rade gaat, zoals gezegd wordt in de Ethica. Dus is de ervaring geen onderdeel van de verstandigheid.
Sed contra est quod Tullius, in 2. Rhetor. [de Invent., c. 53.], ponit memoriam inter partes prudentiae.
Daartegenover staat echter, dat Tullius de ervaring onder de onderdeelen van de verstandigheid noemt.Daartegenover staat echter, dat Tullius de ervaring onder de onderdelen van de verstandigheid noemt.
68Respondeo dicendum quod prudentia est circa contingentia operabilia, sicut dictum est [q. 47. art. 5.]. In his autem non potest homo dirigi per ea quae sunt simpliciter et ex necessitate vera, sed ex his quae ut in pluribus accidunt: oportet enim principia conclusionibus esse proportionata, et ex talibus talia concludere, ut dicitur in 6. Ethic. Quid autem in pluribus sit verum oportet per experimentum considerare: unde et in 2. Ethic. [c. 1.] Philosophus dicit quod « virtus intellectualis habet generationem, et augmentum ex experimento et tempore ». Experimentum autem est ex pluribus memoriis; ut patet in 1. Metaphys. [cap. 1.]. Unde consequens est quod ad prudentiam requiritur plurium memoriam habere. Unde convenienter memoria ponitur pars prudentiae.
68Leerstelling. — De verstandigheid strekt zich uit over de wisselvallige handelingen, zooals vroeger werd uiteengezet (47e Kw. 5e Art.). Daarin kan de mensch niet geleid worden door hetgeen zonder meer en noodzakelijk waar is, maar wel door hetgeen in de meeste gevallen zoo geschiedt. Want de conclusies moeten evenredig zijn aan de beginselen en « naar den aard der beginselen moet men gelijksoortige conclusies afleiden », naar het gezegde in de Ethica. Wat nu in de meeste gevallen zoo geschiedt, kan men slechts door ervaring achterhalen: daarom zegt de Wijsgeer, dat « de scherpte van het verstand ontstaat en groeit door ervaring en tijd ». Ervaring nu ontstaat door de veelheid van herinneringen, zooals blijkt uit de Metaphysica. Vandaar de gevolgtrekking, dat voor de verstandigheid de ervaring uit een veelheid van afzonderlijke gevallen noodzakelijk is. En daarom moet men de ervaring rekenen onder de onderdeelen der verstandigheid.68Leerstelling. — De verstandigheid strekt zich uit over de wisselvallige handelingen, zoals vroeger werd uiteengezet (47e Kw. 5e Art.). Daarin kan de mens niet geleid worden door hetgeen zonder meer en noodzakelijk waar is, maar wel door hetgeen in de meeste gevallen zo geschiedt. Want de conclusies moeten evenredig zijn aan de beginselen en “naar de aard van de beginselen moet men gelijksoortige conclusies afleiden”, naar het gezegde in de Ethica. Wat nu in de meeste gevallen zo geschiedt, kan men slechts door ervaring achterhalen: daarom zegt de Wijsgeer, dat “de scherpte van het verstand ontstaat en groeit door ervaring en tijd”. Ervaring nu ontstaat door de veelheid van herinneringen, zoals blijkt uit de Metafysica. Vandaar de gevolgtrekking, dat voor de verstandigheid de ervaring uit een veelheid van afzonderlijke gevallen noodzakelijk is. En daarom moet men de ervaring rekenen onder de onderdelen van de verstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod3, sicut dictum est [q. 47. art. 3.], prudentia applicat universalem cognitionem ad particularia, quorum est sensus, unde multa quae pertinent ad partem sensitivam requiruntur ad prudentiam. Inter quae est memoria.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Veel dingen, die vallen onder de zintuigelijke kennis van den mensch, zijn noodig voor de verstandigheid, omdat, naar het gezegde uit de 47e Kw. het 3e Art., de verstandigheid een algemeene kennis moet toepassen op afzonderlijke gevallen, die immers het terrein der zintuigen uitmaken. Daaronder behoort ook de ervaring.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Veel dingen, die vallen onder de zintuigelijke kennis van de mens, zijn nodig voor de verstandigheid, omdat, naar het gezegde uit de 47e Kw. het 3e Art., de verstandigheid een algemene kennis moet toepassen op afzonderlijke gevallen, die immers het terrein van de zintuigen uitmaken. Daaronder behoort ook de ervaring.
69Ad secundum dicendum quod sicut prudentia aptitudinem quidem habet ex natura. sed ejus complementum ex exercitio vel gratia; ita etiam ut Tullius dicit, in sua Rhetor. [lib. 3. c. 16. et 24.], memoria non solum a natura perficitur4, sed etiam habet plurimum artis et industriae. Et sunt quatuor per quae homo proficit in bene memorando. Quorum primum est ut eorum quae vult memorari quasdam similitudines assumat convenientes, nec tamen omnino consuetas: quia ea quae sunt inconsueta magis miramur, et sic in eis animus magis et vehementius detinetur; ex quo fit quod eorum quae in pueritia vidimus magis memoremur. Ideo autem necessaria est hujusmodi similitudinum vel imaginum adinventio, quia intentiones simplices et spirituales facilius ex animo elabuntur nisi quibusdam similitudinibus corporalibus quasi alligentur: quia humana cognitio potentior est circa sensibilia. Unde et memorativa ponitur in parte sensitiva. Secundo, oportet ut homo ea quae memoriter vult tenere sua consideratione ordinate disponat, ut ex uno memorato facile ad aliud procedatur. Unde Philosophus 70dicit, in lib. de Mem. [cap. 2.] : « A locis videmur5 reminisci aliquando: causa autem est quia velociter ab alio in aliud veniunt ». Tertio oportet ut homo solicitudinem apponat et affectum adhibeat ad ea quae vult memorari: quia quanto aliquid magis fuerit impressum animo, tanto minus elabitur. Unde et Tullius dicit, in sua Rhetor. [lib. 3. c. 19.] quod « solicitudo conservat integras simulacrorum figuras ». Quarto, oportet quod ea frequenter meditemur quae volumus memorari. Unde Philosophus dicit, in lib. de Mem. [cap. 1.], quod « meditationes memoriam salvant » : quia, ut in eodem lib. [ibid.] dicitur, « consuetudo est quasi natura » ; unde quae multoties intelligimus cito reminiscimur, quasi naturali quodam ordine ab uno ad aliud procedentes.
692. De menschelijke natuur heeft wel eenigen aanleg tot verstandigheid, maar de voltooiing van deze deugd ontstaat door oefening en genade. Eveneens bezitten wij naar het woord van Tullius de herinnering wel van nature, maar zij moet door oefening en ijver vervolmaakt worden; en er zijn vier hulpmiddelen, waardoor de mensch het gemak verkrijgt van zich iets goed te kunnen herinneren. Het eerste is, dat hij zich van de dingen, die hij moet onthouden, 'n gelijkenis vormt. Maar geen afgesleten gelijkenis, daar wij ons meer verwonderen over het ongewone, en de ziel er dus meer en sterker door geboeid blijft. Hier is ook de reden, waarom we de voorvallen uit onze jeugd beter vasthouden. Die gelijkenissen of beelden worden vooral daarom vereischt, omdat de eerste en geestelijke indrukken zeer gemakkelijk uit de ziel verdwijnen, wanneer zij niet als 't ware vastgebonden worden door lichamelijke beelden. Want 's menschen herinnering is krachtiger bij de zinnelijk-waarneembare dingen. Daarom behoort de herinnering tot het zinnelijk deel der menschelijke natuur. Het tweede middel is dit: wanneer men iets wil onthouden, dan moet men het bij de beschouwing zoo ordelijk rangschikken, dat uit de herinnering van het eene gemakkelijk het andere voorkomt. Daarom ook zegt de Wijsgeer: « Dikwijls herinnert men zich iets naar de plaatselijke 70rangschikking. De reden hiervan is, dat men dan gemakkelijker van het eene tot het andere komt ». Het derde middel is: belangstelling te hebben voor de zaken, die men wil onthouden, want hoe meer iets indruk gemaakt heeft op de ziel, des te moeilijker zal het uitgewischt worden. Daarom zegt Tullius: « De zorg bewaart de beelden der gelijkenissen ongerept ». Het vierde middel is de herhaaldelijke overdenking van hetgeen men wil onthouden. Daarom zegt de Wijsgeer, dat « de herhaaldelijke overweging de herinnering levendig houdt », omdat, naar hij zegt in hetzelfde werk, « de gewoonte een tweede natuur is ». Daarom herinneren we ons spoedig die zaken, waar we dikwijls over denken, doordat we dan door een haast ingeboren orde van het eene op het andere komen.692. De menselijke natuur heeft wel enigen aanleg tot verstandigheid, maar de voltooiing van deze deugd ontstaat door oefening en genade. Eveneens bezitten wij naar het woord van Tullius de herinnering wel van nature, maar zij moet door oefening en ijver vervolmaakt worden; en er zijn vier hulpmiddelen, waardoor de mens het gemak verkrijgt van zich iets goed te kunnen herinneren. Het eerste is, dat hij zich van de dingen, die hij moet onthouden, 'n gelijkenis vormt. Maar geen afgesleten gelijkenis, daar wij ons meer verwonderen over het ongewone, en de ziel er dus meer en sterker door geboeid blijft. Hier is ook de reden, waarom we de voorvallen uit onze jeugd beter vasthouden. Die gelijkenissen of beelden worden vooral daarom vereist, omdat de eerste en geestelijke indrukken zeer gemakkelijk uit de ziel verdwijnen, wanneer zij niet als 't ware vastgebonden worden door lichamelijke beelden. Want 's mensen herinnering is krachtiger bij de zinnelijk-waarneembare dingen. Daarom behoort de herinnering tot het zinnelijk deel van de menselijke natuur. Het tweede middel is dit: wanneer men iets wil onthouden, dan moet men het bij de beschouwing zo ordelijk rangschikken, dat uit de herinnering van het ene gemakkelijk het andere voorkomt. Daarom ook zegt de Wijsgeer: “Dikwijls herinnert men zich iets naar de plaatselijke 70rangschikking. De reden hiervan is, dat men dan gemakkelijker van het ene tot het andere komt”. Het derde middel is: belangstelling te hebben voor de zaken, die men wil onthouden, want hoe meer iets indruk gemaakt heeft op de ziel, des te moeilijker zal het uitgewist worden. Daarom zegt Tullius: “De zorg bewaart de beelden van de gelijkenissen ongerept”. Het vierde middel is de herhaaldelijke overdenking van hetgeen men wil onthouden. Daarom zegt de Wijsgeer, dat “de herhaaldelijke overweging de herinnering levendig houdt”, omdat, naar hij zegt in hetzelfde werk, “de gewoonte een tweede natuur is”. Daarom herinneren we ons spoedig die zaken, waar we dikwijls over denken, doordat we dan door een haast ingeboren orde van het ene op het andere komen.
Ad tertium dicendum quod ex praeteritis oportet nos quasi argumentum sumere de futuris. Et ideo memoria praeteritorum necessaria est ad bene consiliandum de futuris.
3. Uit het verleden moeten we als 't ware een bewijs halen voor de toekomst. Daarom is de ervaring, uit voorbije gebeurtenissen opgedaan, noodzakelijk voor een goede beraadslaging over de toekomst.
Utrum intellectus sit pars prudentiae
Is het inzicht een deel der verstandigheid?Is het inzicht een deel van de verstandigheid?
71Ad secundum sic proceditur. Videtur quod intellectus non sit pars prudentiae. Eorum enim quae ex opposito dividuntur unum non est pars alterius. Sed intellectus ponitur virtus intellectualis condivisa prudentiae; ut patet in 6. Ethic. [cap. 3.]. Ergo intellectus non debet poni pars prudentiae.
71Bedenkingen. — Men beweert, dat het inzicht geen onderdeel is van de verstandigheid. — 1. Twee dingen, die in een verdeeling als tegengestelden tegenover elkaar staan, kunnen geen deelen van elkaar zijn. Maar het inzicht wordt als verstandelijke kracht in dezelfde verdeeling tegenover de verstandigheid gesteld, zooals blijkt uit de Ethica. Dus kan men het inzicht niet beschouwen als een onderdeel van de verstandigheid.71Bedenkingen. — Men beweert, dat het inzicht geen onderdeel is van de verstandigheid. — 1. Twee dingen, die in een verdeling als tegengestelden tegenover elkaar staan, kunnen geen delen van elkaar zijn. Maar het inzicht wordt als verstandelijke kracht in dezelfde verdeling tegenover de verstandigheid gesteld, zoals blijkt uit de Ethica. Dus kan men het inzicht niet beschouwen als een onderdeel van de verstandigheid.
2. Praeterea, intellectus ponitur inter dona Spiritus Sancti, et correspondet fidei, ut supra habitum est [q. 8. art. 1. et 8.]. Sed prudentia est alia virtus a fide, ut per supra dicta patet [q. 4. art. 8. et 1-2. q. 62. art. 2.]. Ergo intellectus non pertinet ad prudentiam.
2. Inzicht of verstand wordt genoemd onder de gaven van den H. Geest, en het staat dan in verband met het geloof, zooals vroeger werd uiteengezet (8e Kw. 1e en 8e Art.). Maar de verstandigheid is een heel andere deugd, dan het geloof, zooals uit het boven gezegde blijkt (4e Kw. 5e Art. en I. II. 62e Kw. 2e Art.). Dus behoort het inzicht niet tot de verstandigheid.2. Inzicht of verstand wordt genoemd onder de gaven van de H. Geest, en het staat dan in verband met het geloof, zoals vroeger werd uiteengezet (8e Kw. 1e en 8e Art.). Maar de verstandigheid is een heel andere deugd, dan het geloof, zoals uit het boven gezegde blijkt (4e Kw. 8e Art. en 1-2 62e Kw. 2e Art.). Dus behoort het inzicht niet tot de verstandigheid.
3. Praeterea, prudentia est singularium operabilium, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 7.]. Sed intellectus est universalium cognoscitivus et 72immaterialium; ut patet in 3. de Anima [c. 4.]. Ergo intellectus non est pars prudentiae.
3. De verstandigheid moet zich bezig houden met iedere handeling afzonderlijk, zooals gezegd wordt in de Ethica. Maar het inzicht beteekent kennis van het algemeene en onstoffelijke, zooals 72blijkt uit De Anima. Dus is het inzicht geen onderdeel van de verstandigheid.3. De verstandigheid moet zich bezig houden met iedere handeling afzonderlijk, zoals gezegd wordt in de Ethica. Maar het inzicht betekent kennis van het algemene en onstoffelijke, zoals 72blijkt uit De Anima. Dus is het inzicht geen onderdeel van de verstandigheid.
Sed contra est quod Tullius ponit intelligentiam partem prudentiae, et Macrobius intellectum, quod in idem redit.
Daartegenover staat echter, dat Tullius zegt, dat het inzicht een deel van de verstandigheid is. Eveneens Macrobius.
Respondeo dicendum quod intellectus non sumitur hic pro potentia intellectiva, sed prout importat quamdam rectam aestimationem alicujus extremi principii quod accipitur ut per se notum: sicut et prima demonstrationum principia intelligere dicimur. Omnis autem deductio rationis ab aliquibus procedit quae accipiuntur ut prima. Unde oportet, quod omnis processus rationis ab aliquo intellectu procedat. Quia ergo prudentia est recta ratio agibilium, ideo necesse est quod totus processus prudentiae ab intellectu derivetur. Et propter hoc intellectus ponitur pars prudentiae.
Leerstelling. — Het woord « intellectus » moet in deze materie niet verstaan worden als « verstand » of « denkvermogen », maar als het goed begrip van 'n eerste beginsel, dat bij de eerste kennismaking noodzakelijk begrepen en uit zichzelf gekend wordt. Eveneens zeggen we, dat we de eerste beginselen van een bewijsvoering vanzelf inzien. Nu gaat echter iedere deductie of afleiding van het verstand uit van eenige waarheden, die worden aangenomen als de eerste uitgangspunten. Omdat nu de verstandigheid is : het juiste begrip van wat gedaan moet worden, zal het heele denkproces bij de verstandigheid moeten uitgaan van een « inzicht ». En daarom moet ieder denkproces uitgaan van een « inzicht ». En daarom is het inzicht een onderdeel van de verstandigheid.Leerstelling. — Het woord “intellectus” moet in deze materie niet verstaan worden als “verstand” of “denkvermogen”, maar als het goed begrip van 'n eerste beginsel, dat bij de eerste kennismaking noodzakelijk begrepen en uit zichzelf gekend wordt. Eveneens zeggen we, dat we de eerste beginselen van een bewijsvoering vanzelf inzien. Nu gaat echter iedere deductie of afleiding van het verstand uit van enige waarheden, die worden aangenomen als de eerste uitgangspunten. Omdat nu de verstandigheid is: het juiste begrip van wat gedaan moet worden, zal het hele denkproces bij de verstandigheid moeten uitgaan van een “inzicht”. En daarom moet ieder denkproces uitgaan van een “inzicht”. En daarom is het inzicht een onderdeel van de verstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod ratio prudentiae terminatur, sicut ad conclusionem quamdam, ad particulare operabile, ad quod applicat 73universalem cognitionem, ut ex dictis patet [q. 47. art. 3. et 6.]. Conclusio autem singularis syllogizatur ex universali et singulari propositione. Unde oportet quod ratio prudentiae ex duplici intellectu procedat. Quorum unus est qui est cognoscitivus universalium. Quod pertinet ad intellectum qui ponitur virtus intellectualis: quia naturaliter nobis cognita sunt non solum universalia principia speculativa, sed etiam practica, sicut « nulli esse malefaciendum », ut ex dictis patet [q. 47. art. 6.]. Alius autem intellectus est qui, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 11.], est cognoscitivus « extremi », idest alicujus primi singularis seu principii contingens1 operabilis, propositionis scilicet minoris, quam oportet esse singularem in syllogismo prudentiae, ut dictum est [q. 47. art. 3. et 6.]. Hoc autem principium2 singulare est aliquis singularis finis, ut dicitur ibidem. Unde intellectus qui ponitur pars prudentiae est quaedam recta aestimatio de aliquo particulari fine.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De redeneering van de verstandigheid vindt haar eindpunt in de particuliere handeling als 'n soort gevolgtrekking; hierop past zij de algemeene kennis toe, 73zooals blijkt uit het gezegde in de 47e Kw. het 3e en 6e Art. Een particuliere conclusie wordt echter door een syllogisme afgeleid uit een algemeene en uit een partikuliere stelling. Dus moet ook de redeneering der verstandigheid uitgaan van een tweevoudig inzicht. Het eerste van deze twee is het inzicht, dat kennis geeft van het algemeene, en dit behoort tot het inzicht als denkvermogen, hetwelk ons niet alleen het natuurlijke inzicht verschaft van de algemeene princiepen in de speculatieve orde, maar ook in de practische orde, als b.v. het beginsel, dat niemand kwaad mag worden aangedaan, zooals duidelijk is uit het gezegde in de 47e Kw. het 6e Art. Het tweede inzicht verschaft ons, gelijk gezegd wordt in de Ethica, de kennis van een beginsel van beperkter omvatting, nl. van iets, dat het eerste is in de orde van het particuliere, óf een stelling, die het beginsel inhoudt van een wisselvallige handeling. Deze stelling noemt men « minor », en zij moet in het syllogisme van de verstandigheid iets particuliers zijn, zooals gezegd werd in de 47e Kw. het 3e en 6e Art. Dit beperkte beginsel is een of ander particulier doel, zooals t.a.p. werd uiteengezet. Daarom is het inzicht, dat genoemd wordt als onderdeel van de verstandigheid, 'n juist begrip van een of ander particulier doel.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De redenering van de verstandigheid vindt haar eindpunt in de particuliere handeling als 'n soort gevolgtrekking; hierop past zij de algemene kennis toe, 73zoals blijkt uit het gezegde in de 47e Kw. het 3e en 6e Art. Een particuliere conclusie wordt echter door een syllogisme afgeleid uit een algemene en uit een particuliere stelling. Dus moet ook de redenering van de verstandigheid uitgaan van een tweevoudig inzicht. Het eerste van deze twee is het inzicht, dat kennis geeft van het algemene, en dit behoort tot het inzicht als denkvermogen, hetwelk ons niet alleen het natuurlijke inzicht verschaft van de algemene princiepen in de speculatieve orde, maar ook in de praktische orde, als bv. het beginsel, dat niemand kwaad mag worden aangedaan, zoals duidelijk is uit het gezegde in de 47e Kw. het 6e Art. Het tweede inzicht verschaft ons, gelijk gezegd wordt in de Ethica, de kennis van een beginsel van beperkter omvatting, nl. van iets, dat het eerste is in de orde van het particuliere, óf een stelling, die het beginsel inhoudt van een wisselvallige handeling. Deze stelling noemt men “minor”, en zij moet in het syllogisme van de verstandigheid iets particuliers zijn, zoals gezegd werd in de 47e Kw. het 3e en 6e Art. Dit beperkte beginsel is een of ander particulier doel, zoals t.a.p. werd uiteengezet. Daarom is het inzicht, dat genoemd wordt als onderdeel van de verstandigheid, 'n juist begrip van een of ander particulier doel.
74Ad secundum dicendum quod intellectus qui ponitur donum Spiritus Sancti est quaedam acuta perspectio divinorum, ut ex supra dictis patet [q. 8. art. 1.]. Aliter autem ponitur intellectus pars prudentiae, ut dictum est [in corp. art.].
742. De gave van verstand (of inzicht), die behoort onder de gaven van den H. Geest, is 'n zeker scherp inzicht in de goddelijke dingen, zooals vroeger gebleken is (8e Kw. 1e en 2e Art.). Maar onder het inzicht bij de verstandigheid verstaat men iets anders, zooals bleek uit de Leerstelling.742. De gave van verstand (of inzicht), die behoort onder de gaven van de H. Geest, is 'n zeker scherp inzicht in de goddelijke dingen, zoals vroeger gebleken is (8e Kw. 1e en 2e Art.). Maar onder het inzicht bij de verstandigheid verstaat men iets anders, zoals bleek uit de Leerstelling.
Ad tertium dicendum quod ipsa recta aestimatio de fine particulari et intellectus dicitur, inquantum est alicujus principii; et sensus, inquantum est particularis. Et hoc est quod Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 11.] : « Horum, scilicet singularium, oportet habere sensum: hic autem est intellectus ». Non autem hoc est intelligendum de sensu particulari quo cognoscimus propria sensibilia: sed de sensu interiori quo de particulari iudicamus.
3. Het juiste begrip van een particulier doel wordt zoowel « inzicht » « doorzicht » genoemd, in zooverre het gaat over een beperkt beginsel, als « gevoelen », in zooverre het iets particuliers is. Dit bedoelt de Wijsgeer, wanneer hij zegt: « Hiervan », nl. van het particuliere, « moet men een juist gevoelen hebben, wat gelijk staat met inzicht ». Men mag dit echter niet verstaan in de beteekenis van « zintuig » of « gevoel », waarmee wij de zintuigelijk-kenbare dingen kennen, maar van het inwendig gevoelen, waarmee wij oordeelen over het particuliere.3. Het juiste begrip van een particulier doel wordt zowel “inzicht” “doorzicht” genoemd, in zoverre het gaat over een beperkt beginsel, als “gevoelen”, in zoverre het iets particuliers is. Dit bedoelt de Wijsgeer, wanneer hij zegt: “Hiervan”, nl. van het particuliere, “moet men een juist gevoelen hebben, wat gelijk staat met inzicht”. Men mag dit echter niet verstaan in de betekenis van “zintuig” of “gevoel”, waarmee wij de zintuigelijk-kenbare dingen kennen, maar van het inwendig gevoelen, waarmee wij oordelen over het particuliere.
Utrum docilitas debeat poni pars prudentiae
Mag men de ontvankelijkheid rekenen als onderdeel der verstandigheid?Mag men de ontvankelijkheid rekenen als onderdeel van de verstandigheid?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod docilitas non debeat poni 75pars prudentiae. Illud enim quod requiritur ad omnem virtutem intellectualem non debet appropriari alicui earum. Sed docilitas necessaria est ad quamlibet virtutem intellectualem. Ergo non debet poni pars prudentiae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de ontvankelijkheid geen 75deel kan zijn van de verstandigheid. — 1. Wat vereischt wordt voor iedere verstandelijke vaardigheid mag men niet als afzonderlijke eigenschap aan een van hen toeschrijven. Ontvankelijkheid is noodig voor iedere verstandelijke vaardigheid. Dus is zij geen onderdeel van de verstandigheid afzonderlijk.Bedenkingen. — Men beweert, dat de ontvankelijkheid geen 75deel kan zijn van de verstandigheid. — 1. Wat vereist wordt voor iedere verstandelijke vaardigheid mag men niet als afzonderlijke eigenschap aan een van hen toeschrijven. Ontvankelijkheid is nodig voor iedere verstandelijke vaardigheid. Dus is zij geen onderdeel van de verstandigheid afzonderlijk.
2. Praeterea, ea, quae ad virtutes humanas pertinent sunt in nobis: quae secundum ea quae in nobis sunt laudamur vel vituperamur. Sed non est in potestate nostra ut dociles simus, sed hoc ex naturali dispositione quibusdam convenit1. Ergo non est pars prudentiae.
2. Alle onderdeelen van menschelijke deugd moeten binnen het bereik onzer krachten liggen, want we worden alleen geprezen of gelaakt om hetgeen we door eigen kracht bezitten. Ontvankelijkheid kunnen we niet door eigen kracht veroveren: slechts enkelen bezitten die door een natuurlijken aanleg. Dus is de ontvankelijkheid geen onderdeel der verstandigheid.2. Alle onderdelen van menselijke deugd moeten binnen het bereik van onze krachten liggen, want we worden alleen geprezen of gelaakt om hetgeen we door eigen kracht bezitten. Ontvankelijkheid kunnen we niet door eigen kracht veroveren: slechts enkelen bezitten die door een natuurlijken aanleg. Dus is de ontvankelijkheid geen onderdeel van de verstandigheid.
3. Praeterea, docilitas ad discipulum pertinet. Sed prudentia, cum sit praeceptiva, videtur magis ad magistros pertinere, qui etiam praeceptores dicuntur. Ergo docilitas non est pars prudentiae.
3. Ontvankelijkheid is een eigenschap van leerlingen. Maar verstandigheid moet eerder een eigenschap van leermeesters zijn, omdat zij voorschriften geeft, wat eerder de taak is van een leermeester, omdat die te bevelen heeft. Daarom kan de ontvankelijkheid geen onderdeel der verstandigheid zijn.3. Ontvankelijkheid is een eigenschap van leerlingen. Maar verstandigheid moet eerder een eigenschap van leermeesters zijn, omdat zij voorschriften geeft, wat eerder de taak is van een leermeester, omdat die te bevelen heeft. Daarom kan de ontvankelijkheid geen onderdeel van de verstandigheid zijn.
Sed contra est quod Macrobius, secundum sententiam Plotini, ponit docilitatem inter partes prudentiae.
Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de meening van Plotinus volgt, de leerzaamheid rekent onder de deelen der verstandigheid.Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de mening van Plotinus volgt, de leerzaamheid rekent onder de delen van de verstandigheid.
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. praec. ad 761.], prudentia consistit circa particularia operabilia. In quibus cum sint quasi infinitae diversitates, non possunt ab uno homine sufficienter omnia considerari, nec per modicum tempus, sed per temporis diuturnitatem. Unde in his quae ad prudentiam pertinent, maxime indiget homo ab alio erudiri: et praecipue ex senibus, qui sanum intellectum adepti sunt circa fines operabilium. Unde Philosophus dicit, in 6. Ethic. [cap. 11.] : « Oportet attendere expertorum et seniorum et prudentium indemonstrabilibus enuntiationibus et opinionibus non minus quam demonstrationibus: propter experientiam enim vident principia ». Unde et Prov. 3. [v. 5] dicitur: « Ne innitaris prudentiae tuae »; et Eccli. 6. [v. 35] dicitur: « In multitudine presbyterorum », idest seniorum « prudentium sta, et sapientiae illorum ex corde conjungere ». Hoc autem pertinet ad docilitatem, ut aliquis sit bene disciplinae susceptivus. Et ideo convenienter docilitas ponitur pars prudentiae.
Leerstelling. — Boven (vorig Art. 1e Antw. 47e Kw. 3e 76en 6e Art.) werd aangetoond, dat de verstandigheid zich uitstrekt tot de afzonderlijke handelingen. Daar er hierin een bijna oneindige verscheidenheid heerscht, is het voor één mensch ondoenlijk, alle mogelijkheden te beschouwen; dit gaat niet in een enkel oogenblik, doch eischt 'n langdurig tijdsverloop. Daarom is de mensch op het gebied der verstandigheid aangewezen op de onderrichting van anderen, die zich reeds een juist inzicht omtrent de doeleinden van bepaalde handelingen hebben verworven. Vandaar het woord van den Wijsgeer: « Men moet evenzeer letten op de onbewezen uitspraken en meeningen van oude en ondervindingrijke menschen als op bewijsvoeringen, want zij kennen de beginselen uit ervaring ». En in het Boek der Spreuken (3. 5) wordt gezegd: « Steun niet op uw eigen inzicht ». En in het Boek Ecclesiasticus (6. 35) : « Verblijf in de vergadering der wijze presbyters », d.i. der ouderen, « en vereenig u van harte met hun wijsheid ». Tot de ontvankelijkheid nu behoort, dat iemand gemakkelijk openstaat voor onderricht, en daarom wordt zij terecht onder de onderdeelen der verstandigheid gerekend.Leerstelling. — Boven (vorig Art. 1e Antw. 47e Kw. 3e 76en 6e Art.) werd aangetoond, dat de verstandigheid zich uitstrekt tot de afzonderlijke handelingen. Daar er hierin een bijna oneindige verscheidenheid heerst, is het voor één mens ondoenlijk, alle mogelijkheden te beschouwen; dit gaat niet in een enkel ogenblik, doch eist 'n langdurig tijdsverloop. Daarom is de mens op het gebied van de verstandigheid aangewezen op de onderrichting van anderen, die zich reeds een juist inzicht omtrent de doeleinden van bepaalde handelingen hebben verworven. Vandaar het woord van de Wijsgeer: “Men moet evenzeer letten op de onbewezen uitspraken en meningen van oude en ondervindingrijke mensen als op bewijsvoeringen, want zij kennen de beginselen uit ervaring”. En in het Boek van de Spreuken (3, 5) wordt gezegd: “Steun niet op uw eigen inzicht”. En in het Boek Sirach (6, 35): “Verblijf in de vergadering van de wijze presbyters”, d.i. van de ouderen, “en verenig u van harte met hun wijsheid”. Tot de ontvankelijkheid nu behoort, dat iemand gemakkelijk openstaat voor onderricht, en daarom wordt zij terecht onder de onderdelen van de verstandigheid gerekend.
Ad primum ergo dicendum quod etsi docilitas utilis sit ad quamlibet 77virtutem intellectualem, praecipue tamen ad prudentiam pertinet, ratione jam dicta [in corp.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon 77ontvankelijkheid nuttig is voor iedere deugd, dan toch wel bijzonder voor de verstandigheid en wel om de reden, vermeld in de Leerstelling.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon 77ontvankelijkheid nuttig is voor iedere deugd, dan toch wel bijzonder voor de verstandigheid en wel om de reden, vermeld in de Leerstelling.
Ad secundum dicendum quod docilitas, sicut et alia quae ad prudentiam pertinent, secundum aptitudinem quidem est a natura: sed ad ejus consummationem plurimum valet humanum studium, dum scilicet homo solicite, frequenter et reverenter applicat animum suum documentis majorum, non negligens ea propter ignaviam, nec contemnens propter superbiam.
2. De ontvankelijkheid is als aanleg van nature den mensch eigen doch dit is met alles, wat tot de verstandigheid behoort. Maar haar volmaaktheid wordt toch hoofdzakelijk verkregen door oefening, doordat nl. de mensch zorgvuldig en dikwijls en vol toewijding zijn aandacht schenkt aan de ondervindingen van oudere menschen, en ze niet uit traagheid verwaarloost, noch uit trots veracht.2. De ontvankelijkheid is als aanleg van nature de mens eigen doch dit is met alles, wat tot de verstandigheid behoort. Maar haar volmaaktheid wordt toch hoofdzakelijk verkregen door oefening, doordat nl. de mens zorgvuldig en dikwijls en vol toewijding zijn aandacht schenkt aan de ondervindingen van oudere mensen, en ze niet uit traagheid verwaarloost, noch uit trots veracht.
Ad tertium dicendum quod per prudentiam aliquis praecipit non solum aliis, sed etiam sibi ipsi, ut dictum est [q. 47. art. 12. ad 3.]. Unde etiam in subditis locum habet, ut supra dictum est [ibid.] : ad quorum prudentiam pertinet docilitas. Quamvis etiam ipsos majores oporteat dociles quantum ad aliqua esse: quia nullus in his quae subsunt prudentiae sibi quantum ad omnia sufficit, ut dictum est [in corp. art.].
3. Door de verstandigheid geeft iemand niet alleen voorschriften aan anderen, maar ook aan zichzelf, zooals gezegd werd (47e Kw. 12e Art. 3e Antw.). Daarom kan ze ook in onderdanen voorkomen, zooals bleek in het zelfde artikel, en tot hun verstandigheid behoort voornamelijk de ontvankelijkheid. Maar ook ouderen moeten in verschillende dingen ontvankelijk zijn, omdat niemand in alles, wat tot het terrein der verstandigheid behoort, zichzelf in alle opzichten voldoende kan zijn, wat bleek in de Leerstelling van dit Artikel.3. Door de verstandigheid geeft iemand niet alleen voorschriften aan anderen, maar ook aan zichzelf, zoals gezegd werd (47e Kw. 12e Art. 3e Antw.). Daarom kan ze ook in onderdanen voorkomen, zoals bleek in het zelfde artikel, en tot hun verstandigheid behoort voornamelijk de ontvankelijkheid. Maar ook ouderen moeten in verschillende dingen ontvankelijk zijn, omdat niemand in alles, wat tot het terrein van de verstandigheid behoort, zichzelf in alle opzichten voldoende kan zijn, wat bleek in de Leerstelling van dit Artikel.
Utrum solertia sit pars prudentiae
Is de vindingrijkheid een onderdeel van de verstandigheid?
78Ad quartum sic proceditur. Videtur quod solertia non sit pars prudentiae. Solertia enim se habet ad facile invenienda media in demonstrationibus; ut patet in 1. Poster. [cap. 34.]. Sed ratio prudentiae non est demonstrativa: cum sit contingentium. Ergo ad prudentiam non pertinet solertia.
78Bedenkingen. — Men beweert, dat de vindingrijkheid geen onderdeel is van de verstandigheid. — 1. Vindingrijkheid is immers het gemak, om snel het bewijzend element te vinden in een bewijsvoering, zooals gezegd wordt in de Posteriora Analytica Maar de verstandigheid houdt zich niet bezig met bewijsvoeringen, daar zij gericht is op de wisselvallige handelingen. Dus behoort de vindingrijkheid niet tot de verstandigheid.78Bedenkingen. — Men beweert, dat de vindingrijkheid geen onderdeel is van de verstandigheid. — 1. Vindingrijkheid is immers het gemak, om snel het bewijzend element te vinden in een bewijsvoering, zoals gezegd wordt in de Posteriora Analytica Maar de verstandigheid houdt zich niet bezig met bewijsvoeringen, daar zij gericht is op de wisselvallige handelingen. Dus behoort de vindingrijkheid niet tot de verstandigheid.
2. Praeterea, ad prudentiam pertinet bene consiliari, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 5.]. Sed in bene consiliando non habet locum solertia, quae est εὐστοχία quaedam, idest bona conjecturatio, quae est sine ratione et velox; oportet autem consiliari tarde; ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 9.]. Ergo solertia non debet poni pars prudentiae.
2. Tot de verstandigheid behoort, dat men goed weet te beraadslagen, zooals blijkt uit de Ethica. Bij goed beraadslagen kan er echter geen sprake zijn van vindingrijkheid, omdat deze een vaardigheid is in het treffen, d.i. een vermoeden van de juiste handelwijze, wat snel en onberedeneerd geschiedt, terwijl « beraadslagen langzaam moet geschieden », zooals gezegd wordt in de Ethica. Dus moet men de vindingrijkheid niet rekenen onder de onderdeelen van de verstandigheid.2. Tot de verstandigheid behoort, dat men goed weet te beraadslagen, zoals blijkt uit de Ethica. Bij goed beraadslagen kan er echter geen sprake zijn van vindingrijkheid, omdat deze een vaardigheid is in het treffen, d.i. een vermoeden van de juiste handelwijze, wat snel en onberedeneerd geschiedt, terwijl “beraadslagen langzaam moet geschieden”, zoals gezegd wordt in de Ethica. Dus moet men de vindingrijkheid niet rekenen onder de onderdelen van de verstandigheid.
3. Praeterea, solertia, ut dictum est [q. praec.], est « quaedam bona 79conjecturatio ». Sed conjecturatione1 uti est proprium rhetoricis2. Ergo solertia magis pertinet ad rhetoricam quam ad prudentiam.
3. Vindingrijkheid is, naar gezegd werd in de vorige Bedenking, de vaardigheid der goede gissing. Maar met gissingen werken is 79eigen aan redenaars. Daarom kan men de vindingrijkheid beter rangschikken onder de welsprekendheid, dan onder de verstandigheid.3. Vindingrijkheid is, naar gezegd werd in de vorige Bedenking, de vaardigheid van de goede gissing. Maar met gissingen werken is 79eigen aan redenaars. Daarom kan men de vindingrijkheid beter rangschikken onder de welsprekendheid, dan onder de verstandigheid.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in lib. 10. Etym. [ad lit. S] : « Solicitus dicitur quasi solers et citus ». Sed solicitudo ad prudentiam pertinet, sicut supra dictum est [q. 47. art. 9.]. Ergo et solertia.
Daartegenover staat echter, dat « Het woord sollicitus (zorgzaam) is samengesteld uit sollers (schrander) en citus (vlug) ». De zorgzaamheid nu behoort tot de verstandigheid, zooals vroeger bleek (47e Kw. 9e Art.). Dus ook de sollertia of vindingrijkheid.Daartegenover staat echter, dat “Het woord sollicitus (zorgzaam) is samengesteld uit sollers (schrander) en citus (vlug)”. De zorgzaamheid nu behoort tot de verstandigheid, zoals vroeger bleek (47e Kw. 9e Art.). Dus ook de sollertia of vindingrijkheid.
Respondeo dicendum quod prudentis est rectam aestimationem habere de operandis. Recta autem aestimatio sive opinio acquiritur in operativis, sicut in speculativis, dupliciter: uno quidem modo, per se inveniendo; alio modo, ab alio addiscendo. Sicut autem docilitas ad hoc pertinet ut homo bene se habeat in acquirendo rectam opinionem ab alio; ita solertia ad hoc pertinet ut homo bene se habeat in acquirendo rectam aestimationem per seipsum. Ita tamen ut solertia accipiatur pro eustochia, cujus est pars. Nam eustochia est bene conjecturativa de quibuscumque: solertia 80autem est facilis et prompta conjecturatio circa inventionem medii, ut dicitur in 1. Poster. [c. 34]. Tamen ille philosophus qui ponit solertiam partem prudentiae, accipit eam communiter pro omni eustochia: unde dicit quod « solertia est habitus qui provenit ex repentino, inveniens quod congruit ».
Leerstelling. — Het is den verstandigen mensch eigen, een juisten kijk te hebben op de handelingen. Een goede kijk of meening wordt bij handelingen, evenals in het speculatieve, verkregen op tweevoudige wijze: eerstens door eigen vinding, vervolgens door van anderen te leeren. De ontvankelijkheid nu maakt, dat iemand zóó gesteld is, dat hij gemakkelijk de meening van een ander aanneemt; de vindingrijkheid daarentegen maakt, dat iemand zichzelf een goed oordeel verschaft. Men moet dit zoo verstaan, dat de vindingrijkheid een onderdeel is van de « eustochia » d.i. een zekere scherpzinnigheid in het gissen van het goede doel, terwijl de vindingrijkheid zelve is: de vaardigheid 80in het gissen van het juiste middel, zooals in de Posteriora Analytica gezegd wordt. Toch gebruikt ook die wijsgeer (nl. Andronicus) welke de vindingrijkheid opnoemt als onderdeel der verstandigheid, hetzelfde woord ook voor iedere « eustochia ». Zoo zegt hij. « De vindingrijkheid is de vaardigheid om plotseling den passenden weg te vinden ».Leerstelling. — Het is de verstandige mens eigen, een juisten kijk te hebben op de handelingen. Een goede kijk of mening wordt bij handelingen, evenals in het speculatieve, verkregen op tweevoudige wijze: eerstens door eigen vinding, vervolgens door van anderen te leren. De ontvankelijkheid nu maakt, dat iemand zó gesteld is, dat hij gemakkelijk de mening van een ander aanneemt; de vindingrijkheid daarentegen maakt, dat iemand zichzelf een goed oordeel verschaft. Men moet dit zo verstaan, dat de vindingrijkheid een onderdeel is van de “eustochia” d.i. een zekere scherpzinnigheid in het gissen van het goede doel, terwijl de vindingrijkheid zelve is: de vaardigheid 80in het gissen van het juiste middel, zoals in de Posteriora Analytica gezegd wordt. Toch gebruikt ook die wijsgeer (nl. Andronicus) welke de vindingrijkheid opnoemt als onderdeel van de verstandigheid, hetzelfde woord ook voor iedere “eustochia”. Zo zegt hij. “De vindingrijkheid is de vaardigheid om plotseling de passende weg te vinden”.
Ad primum ergo dicendum quod solertia non solum se habet circa inventionem medii in demonstrativis, sed etiam in operativis: puta cum aliquis videns aliquos alicui amicos factos, conjecturando putat eos3 fuisse inimicos ejusdem, ut ibidem Philosophus dicit. Et hoc modo solertia pertinet ad prudentiam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vindingrijkheid heeft niet alleen tot taak bij een speculatieve bewijsvoering den middenterm te vinden, zij moet dit ook doen in de practische orde; zoo b.v. wanneer men bemerkt, dat eenige personen bevriend met iemand zijn geworden, en men daaruit bij gissing besluit, dat die personen zijn vijanden waren, zooals de Wijsgeer op dezelfde plaats zegt. Op deze wijze behoort de vindingrijkheid tot de verstandigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vindingrijkheid heeft niet alleen tot taak bij een speculatieve bewijsvoering de middenterm te vinden, zij moet dit ook doen in de praktische orde; zo bv. wanneer men bemerkt, dat enige personen bevriend met iemand zijn geworden, en men daaruit bij gissing besluit, dat die personen zijn vijanden waren, zoals de Wijsgeer op dezelfde plaats zegt. Op deze wijze behoort de vindingrijkheid tot de verstandigheid.
Ad secundum dicendum quod Philosophus unam4 rationem inducit in 6. Ethic. [cap. 9.] ad ostendendum quod eubulia, quae est bene consiliativa, non est eustochia, cujus laus est in veloci consideratione ejus quod oportet: potest autem aliquis esse bene consiliativus etsi diutius consilietur 81vel tardius. Nec tamen propter hoc excluditur quin bona conjecturatio ad bene consiliandum valeat. Et quandoque necessaria sit: quando scilicet ex improviso occurrit aliquid agendum. Et ideo solertia convenienter pars prudentiae ponitur.
2. De Wijsgeer geeft de ware reden aan waarom de wel-beradenheid, die zorgt voor het goede overleg, niet hetzelfde is als de « eustochia », die bestaat in het snelle inzicht in de handeling, die gedaan moet worden. Immers iemand kan wel-beradend zijn of hij nu al snel of langzaam overleg pleegt. Hierdoor 81wordt echter niet uitgesloten, dat een goede gissing veel bijdraagt tot een goed overleg, en somtijds is dit noodig, wanneer er nl. iets onvoorziens gedaan moet worden. En daarom wordt de vindingrijkheid terecht genoemd als een onderdeel van de verstandigheid.2. De Wijsgeer geeft de ware reden aan waarom de wel-beradenheid, die zorgt voor het goede overleg, niet hetzelfde is als de “eustochia”, die bestaat in het snelle inzicht in de handeling, die gedaan moet worden. Immers iemand kan wel-beradend zijn of hij nu al snel of langzaam overleg pleegt. Hierdoor 81wordt echter niet uitgesloten, dat een goede gissing veel bijdraagt tot een goed overleg, en somtijds is dit nodig, wanneer er nl. iets onvoorziens gedaan moet worden. En daarom wordt de vindingrijkheid terecht genoemd als een onderdeel van de verstandigheid.
Ad tertium dicendum quod rhetorica etiam ratiocinatur circa operabilia. Unde nihil prohibet idem ad rhetoricam et prudentiam pertinere. Et tamen conjecturatio hic non sumitur solum secundum quod pertinet ad conjecturas quibus utuntur rhetores: sed secundum quod in quibuscumque conjicere dicitur homo veritatem.
3. De welsprekendheid redeneert ook over handelingen. Vandaar is er niets tegen, dat eenzelfde vaardigheid én tot de welsprekendheid én tot de verstandigheid behoort. Bovendien wordt de gissing hier niet genomen in de beteekenis van de gissing, die de redenaars gebruiken, maar in alle beteekenissen, waarin, zooals men zegt, iemand de waarheid tracht te gissen.3. De welsprekendheid redeneert ook over handelingen. Vandaar is er niets tegen, dat eenzelfde vaardigheid én tot de welsprekendheid én tot de verstandigheid behoort. Bovendien wordt de gissing hier niet genomen in de betekenis van de gissing, die de redenaars gebruiken, maar in alle betekenissen, waarin, zoals men zegt, iemand de waarheid tracht te gissen.
Utrum ratio debeat poni pars prudentiae
Is de redeneerkracht een deel der verstandigheid?Is de redeneerkracht een deel van de verstandigheid?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod ratio non debeat poni pars prudentiae. Subjectum enim accidentis non est pars ejus. Sed prudentia 82est in ratione sicut in subjecto, ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 5.]. Ergo ratio non debet poni pars prudentiae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de redeneerkracht geen onderdeel is der verstandigheid. — 1. Het subject immers van een bijkomstigheid, kan niet een onderdeel van die bijkomstigheid zijn. 82De verstandigheid zetelt echter in de redeneerkracht van het verstand zooals staat in de Ethica. Dus kan men de redeneerkracht niet rekenen onder de onderdeelen der verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de redeneerkracht geen onderdeel is van de verstandigheid. — 1. Het subject immers van een bijkomstigheid, kan niet een onderdeel van die bijkomstigheid zijn. 82De verstandigheid zetelt echter in de redeneerkracht van het verstand zoals staat in de Ethica. Dus kan men de redeneerkracht niet rekenen onder de onderdelen van de verstandigheid.
2. Praeterea, illud quod est multis commune, non debet alicujus eorum poni pars: vel, si ponatur, debet poni pars ejus cui potissime convenit. Ratio autem necessaria est in omnibus virtutibus intellectualibus: et praecipue in sapientia et scientia, quae utuntur ratione demonstrativa. Ergo ratio non debet poni pars prudentiae.
2. Wat gemeenschappelijk is aan vele dingen, kan geen onderdeel van die dingen zijn; geschiedt dit toch, dan moet het gerekend worden als onderdeel van die zaak, aan wie het 't meest toekomt. Redeneerkracht nu is noodig bij alle verstandelijke vaardigheden, voornamelijk in de wetenschap en de wijsheid, die de verstandelijke bewijsvoering benutten. Dus is de redeneerkracht geen onderdeel van de verstandigheid.2. Wat gemeenschappelijk is aan vele dingen, kan geen onderdeel van die dingen zijn; geschiedt dit toch, dan moet het gerekend worden als onderdeel van die zaak, aan wie het 't meest toekomt. Redeneerkracht nu is nodig bij alle verstandelijke vaardigheden, voornamelijk in de wetenschap en de wijsheid, die de verstandelijke bewijsvoering benutten. Dus is de redeneerkracht geen onderdeel van de verstandigheid.
3. Praeterea, ratio non differt per essentiam potentiae ab intellectu, ut prius habitum est [part. 1. q. 79. art. 8.]. Si igitur intellectus ponitur pars prudentiae, superfluum fuit addere rationem.
3. De redeneerkracht verschilt, wat het vermogen betreft, niet wezenlijk van het inzicht, zooals vroeger werd uiteengezet (I. 79e Kw. 8e Art.). Wanneer men nu het inzicht rekent als onderdeel van de verstandigheid, is het niet noodig ook nog de redeneerkracht als onderdeel te noemen.3. De redeneerkracht verschilt, wat het vermogen betreft, niet wezenlijk van het inzicht, zoals vroeger werd uiteengezet (1 79e Kw. 8e Art.). Wanneer men nu het inzicht rekent als onderdeel van de verstandigheid, is het niet nodig ook nog de redeneerkracht als onderdeel te noemen.
Sed contra est quod Macrobius, secundum sententiam Plotini, rationem numerat inter partes prudentiae.
Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de meening van Plotinus volgt, de redeneerkracht onder de deelen der verstandigheid noemt.Daartegenover staat echter, dat Macrobius, die hierin de mening van Plotinus volgt, de redeneerkracht onder de delen van de verstandigheid noemt.
Respondeo dicendum quod « opus prudentis est esse bene consiliativum », ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 7.]. Consilium autem est inquisitio 83quaedam ex quibusdam ad alia procedens. Hoc autem est opus rationis. Unde ad prudentiam necessarium est quod homo sit bene ratiocinativus. Et quia ea quae exiguntur ad perfectionem prudentiae, dicuntur1 quasi integrales partes prudentiae, inde est quod ratio inter partes prudentiae connumerari debet.
Leerstelling. — Het is de taak der verstandigheid, goed te beraadslagen, zooals gezegd wordt in de Ethica. De beraadslaging 83nu is een soort onderzoek, dat van het bekende naar het onbekende voortgaat. Dit is echter de taak van het redeneerend verstand. Daarom moet de mensch goed kunnen redeneeren, wil hij verstandig zijn. En omdat alles, wat vereischt wordt voor de volkomenheid der verstandigheid, tot de onontbeerlijke of integreerende onderdeelen gerekend wordt, volgt, dat de redeneerkracht onder de onderdeelen van de verstandigheid gerangschikt hoort te worden.Leerstelling. — Het is de taak van de verstandigheid, goed te beraadslagen, zoals gezegd wordt in de Ethica. De beraadslaging 83nu is een soort onderzoek, dat van het bekende naar het onbekende voortgaat. Dit is echter de taak van het redenerend verstand. Daarom moet de mens goed kunnen redeneren, wil hij verstandig zijn. En omdat alles, wat vereist wordt voor de volkomenheid van de verstandigheid, tot de onontbeerlijke of integrerende onderdelen gerekend wordt, volgt, dat de redeneerkracht onder de onderdelen van de verstandigheid gerangschikt hoort te worden.
Ad primum ergo dicendum quod ratio non sumitur hic pro ipsa potentia rationis, sed pro ejus bono usu.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord redeneerkracht wordt hier niet gebruikt om het redeneervermogen zelf erdoor aan te duiden, maar alleen het goede gebruik ervan.
Ad secundum dicendum quod certitudo rationis est ex intellectu, sed necessitas rationis est ex defectu intellectus: illa enim in quibus vis intellectiva plenarie viget ratione non indigent, sed suo simplici intuitu veritatem comprehendunt, sicut Deus et Angeli. Particularia autem operabilia, in quibus prudentia dirigit, recedunt praecipue a conditione intelligibilium: et tanto magis quanto sunt minus certa seu determinata. Ea enim quae sunt artis, licet sint singularia, tamen sunt magis determinata et certa: unde 84in pluribus eorum non est consilium, propter certitudinem, ut dicitur in 3. Ethic. [cap. 3.]. Et ideo quamvis in quibusdam aliis virtutibus intellectualibus sit certior ratio quam prudentia, tamen ad prudentiam maxime requiritur quod sit homo bene ratiocinativus, ut possit bene applicare universalia principia ad particularia, quae sunt varia et incerta.
2. De zekerheid der rede komt van het inzicht, maar de onontbeerlijkheid der rede komt van de ontoereikendheid van het inzicht. Want de wezens, welke de volle kracht van het inzicht bezitten, behoeven geen rede, maar begrijpen in hun enkelvoudigen verstandsblik de waarheid, zooals dit het geval is bij God en de Engelen. Maar de handelingen van den mensch, die altijd gericht zijn op het afzonderlijke, en welke de verstandigheid regelt, staan zeer ver af van het onmiddellijk begrijpbare, en wel des te meer, naar mate zij minder zeker of bepaald zijn. In de kunst is er meer bepaaldheid en zekerheid, en daarom is op dit terrein dikwijls geen 84overleg noodig wegens de zekerheid, zooals in de Ethica gezegd wordt. Ofschoon derhalve bij vele andere verstandelijke vaardigheden de rede zekerder is, dan bij de verstandigheid, blijft het toch voor de verstandigheid een allereerste vereischte, dat de mensch goed redeneeren kan, opdat hij de algemeene beginselen goed weet toe te passen op de afzonderlijke gevallen, die wisselend en onzeker zijn.2. De zekerheid van de rede komt van het inzicht, maar de onontbeerlijkheid van de rede komt van de ontoereikendheid van het inzicht. Want de wezens, welke de volle kracht van het inzicht bezitten, behoeven geen rede, maar begrijpen in hun enkelvoudigen verstandsblik de waarheid, zoals dit het geval is bij God en de Engelen. Maar de handelingen van de mens, die altijd gericht zijn op het afzonderlijke, en welke de verstandigheid regelt, staan zeer ver af van het onmiddellijk begrijpbare, en wel des te meer, naar mate zij minder zeker of bepaald zijn. In de kunst is er meer bepaaldheid en zekerheid, en daarom is op dit terrein dikwijls geen 84overleg nodig wegens de zekerheid, zoals in de Ethica gezegd wordt. Ofschoon derhalve bij vele andere verstandelijke vaardigheden de rede zekerder is, dan bij de verstandigheid, blijft het toch voor de verstandigheid een allereerste vereiste, dat de mens goed redeneren kan, opdat hij de algemene beginselen goed weet toe te passen op de afzonderlijke gevallen, die wisselend en onzeker zijn.
Ad tertium dicendum quod etsi intellectus et ratio non sint diversae potentiae, tamen denominantur ex diversis actibus: intellectus enim nomen sumitur ab intima penetratione veritatis; nomen autem rationis ab inquisitione et discursu. Et ideo utrumque ponitur pars prudentiae, ut ex dictis patet [art. 2. huj. q.].
3. Ofschoon inzicht en rede niet tot een verschillend vermogen behooren, ontvangen zij hun benaming toch van de verschillende functie, die zij aanduiden. De naam inzicht beteekent immers het diepe indringen van het verstand in de waarheid; de naam rede daarentegen komt van het onderzoek en het redeneeren, zooals vroeger reeds bleek (dit en het 2e Art.).3. Ofschoon inzicht en rede niet tot een verschillend vermogen behoren, ontvangen zij hun benaming toch van de verschillende functie, die zij aanduiden. De naam inzicht betekent immers het diepe indringen van het verstand in de waarheid; de naam rede daarentegen komt van het onderzoek en het redeneren, zoals vroeger reeds bleek (dit en het 2e Art.).
Utrum providentia debeat poni pars prudentiae
Is de vooruitziendheid een onderdeel van de verstandigheid?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod providentia non debeat poni pars prudentiae. Nihil enim est pars sui ipsius. Sed providentia videtur idem 85esse quod prudentia: quia ut Isidorus dicit in lib. 10. Etym. [ad lit. P] : « prudens dicitur quasi porro videns », et ex hoc etiam nomen providentiae sumitur, ut Boetius dicit in lib. 5. de Cons. [pros. 6.]. Ergo providentia non est pars prudentiae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men de vooruitziendheid niet rekenen kan bij de onderdeelen der verstandigheid. — 1. Niets 85immers is deel van zichzelf. De vooruitziendheid schijnt echter hetzelfde te zijn, als de verstandigheid, omdat Isidorus zegt: « Verstandig (voorzichtig) heet hij, die ver vooruitziet ». Hiervan wordt ook de naam « vooruitziendheid » afgeleid, zooals Boëtius zegt. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel der verstandigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat men de vooruitziendheid niet rekenen kan bij de onderdelen van de verstandigheid. — 1. Niets 85immers is deel van zichzelf. De vooruitziendheid schijnt echter hetzelfde te zijn, als de verstandigheid, omdat Isidorus zegt: “Verstandig (voorzichtig) heet hij, die ver vooruitziet”. Hiervan wordt ook de naam “vooruitziendheid” afgeleid, zoals Boëtius zegt. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel van de verstandigheid.
2. Praeterea, prudentia est solum practica. Sed providentia potest etiam esse speculativa: quia visio, ex qua sumitur nomen providentiae, magis pertinet ad speculativam quam ad operativam. Ergo providentia non est pars prudentiae.
2. De verstandigheid is alleen in de practische orde. Maar de vooruitziendheid kan ook in de speculatieve orde zijn, omdat het uitzien, waarvan de naam vooruitziendheid is afgeleid, eerder tot de speculatieve dan tot de practische orde behoort. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel van de verstandigheid.2. De verstandigheid is alleen in de praktische orde. Maar de vooruitziendheid kan ook in de speculatieve orde zijn, omdat het uitzien, waarvan de naam vooruitziendheid is afgeleid, eerder tot de speculatieve dan tot de praktische orde behoort. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel van de verstandigheid.
3. Praeterea, principalis actus prudentiae est praecipere, secundarius autem est judicare et consiliari. Sed nihil horum videtur importari proprie per nomen providentiae. Ergo providentia non est pars prudentiae.
3. De voornaamste daad der verstandigheid is bevelen, de daarop volgende in rang: oordeelen en redeneeren. Maar strikt genomen schijnt geen van deze drie vervat te zijn in het begrip vooruitziendheid. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel der verstandigheid.3. De voornaamste daad van de verstandigheid is bevelen, de daarop volgende in rang: oordelen en redeneren. Maar strikt genomen schijnt geen van deze drie vervat te zijn in het begrip vooruitziendheid. Dus is de vooruitziendheid geen onderdeel van de verstandigheid.
Sed contra est auctoritas Tullii et Macrobii, qui ponunt providentiam partem prudentiae, ut ex supradictis patet [q. 48.].
Daartegenover staat echter het gezag van Tullius en Macrobius, die de vooruitziendheid noemen bij de onderdeelen der verstandigheid, zooals boven gezegd is (48e Kw.).Daartegenover staat echter het gezag van Tullius en Macrobius, die de vooruitziendheid noemen bij de onderdelen van de verstandigheid, zoals boven gezegd is (48e Kw.).
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 47. art. 1. ad 2.], prudentia proprie est circa ea quae sunt ad finem; et hoc ad ejus 86officium proprie pertinet, ut ad finem debite ordinentur. Et quamvis aliqua necessaria sint propter finem quae subjiciuntur divinae providentiae, humanae tamen providentiae non subjiciuntur nisi contingentia operabilia quae per hominem possunt fieri propter finem. Praeterita autem in necessitatem quamdam transeunt: quia impossibile est non esse quod factum est. Similiter etiam praesentia, inquantum hujusmodi, necessitatem quamdam habent: necesse est enim Socratem sedere dum sedet. Unde consequens est quod contingentia futura, secundum quod sunt per hominem in finem humanae vitae ordinabilia, pertineant ad prudentiam. Utrumque autem horum importatur in nomine providentiae: importat enim providentia respectum quemdam alicujus distantis, ad1 ea quae in praesenti occurrunt, et ordinanda sunt. Unde providentia est pars prudentiae.
Leerstelling. — Vroeger werd aangetoond (47e Kw. 1e Art. 2e Antw.), dat de verstandigheid krachtens haar wezen gericht is 86op middelen tot het doel, en het is haar eigenlijke taak, de middelen goed te ordenen naar het doel. Sommige middelen zijn noodzakelijk tot het doel en onderworpen aan Gods Voorzienigheid. Aan de menschelijke voorzienigheid zijn slechts die wisselvallige handelingen overgelaten, die de mensch al dan niet kan doen om zijn doel te bereiken. Voorbije handelingen zijn in zekeren zin noodzakelijk geworden, omdat het eenmaal gebeurde onmogelijk niet kan gebeurd zijn. Evenzoo is het tegenwoordige iets noodzakelijks geworden, want het is noodzakelijk dat Socrates zit, terwijl hij zit. Hieruit volgt, dat alleen de wisselvallige toekomstige handelingen, voor zoover zij door den mensch kunnen gericht worden op het einddoel van zijn leven, behooren tot de verstandigheid. Maar beide functies, nl. het vooruitzien in de toekomst en het ordenen naar het doel, liggen besloten in den naam vooruitziendheid, want vooruitziendheid duidt aan een zekere betrekking op iets, wat op een afstand is, waarheen de tegenwoordige gebeurtenissen moeten geordend worden. Daarom is de vooruitziendheid een onderdeel der verstandigheid.Leerstelling. — Vroeger werd aangetoond (47e Kw. 1e Art. 2e Antw.), dat de verstandigheid krachtens haar wezen gericht is 86op middelen tot het doel, en het is haar eigenlijke taak, de middelen goed te ordenen naar het doel. Sommige middelen zijn noodzakelijk tot het doel en onderworpen aan Gods Voorzienigheid. Aan de menselijke voorzienigheid zijn slechts die wisselvallige handelingen overgelaten, die de mens al dan niet kan doen om zijn doel te bereiken. Voorbije handelingen zijn in zekeren zin noodzakelijk geworden, omdat het eenmaal gebeurde onmogelijk niet kan gebeurd zijn. Evenzo is het tegenwoordige iets noodzakelijks geworden, want het is noodzakelijk dat Socrates zit, terwijl hij zit. Hieruit volgt, dat alleen de wisselvallige toekomstige handelingen, voor zover zij door de mens kunnen gericht worden op het einddoel van zijn leven, behoren tot de verstandigheid. Maar beide functies, nl. het vooruitzien in de toekomst en het ordenen naar het doel, liggen besloten in de naam vooruitziendheid, want vooruitziendheid duidt aan een zekere betrekking op iets, wat op een afstand is, waarheen de tegenwoordige gebeurtenissen moeten geordend worden. Daarom is de vooruitziendheid een onderdeel van de verstandigheid.
Ad primum ergo dicendum quod quandoque multa requiruntur ad unum, necesse est unum eorum esse principale, ad quod omnia alia 87ordinantur. Unde in quolibet toto necesse est esse unam formalem partem et praedominantem, a qua totum unitatem habet. Et secundum hoc providentia est principalior inter omnes partes prudentiae: quia omnia alia quae requiruntur ad prudentiam ad hoc necessaria sunt ut aliquid recte ordinetur ad finem. Et ideo nomen ipsius prudentiae sumitur a providentia, sicut a principaliori sua parte.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer meerdere zaken noodig zijn voor eene, dan moet noodzakelijk die eene zaak 87de voornaamste zijn, waartoe de anderen geordend zijn. Daarom moet er in ieder geheel noodzakelijk een onderdeel zijn, dat de vorm geeft en boven de anderen staat, waaruit de anderen hun eenheid verkrijgen. Uitgaande van dit beginsel is de vooruitziendheid het voornaamste onderdeel der verstandigheid, omdat al het andere, wat vereischt wordt voor de verstandigheid, noodzakelijk is opdat een handeling juist gericht worde op het doel. Daarom wordt dat andere woord voor verstandigheid, nl. voorzichtigheid, afgeleid van vooruitziendheid, omdat deze haar voornaamste deel is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer meerdere zaken nodig zijn voor een, dan moet noodzakelijk die ene zaak 87de voornaamste zijn, waartoe de anderen geordend zijn. Daarom moet er in ieder geheel noodzakelijk een onderdeel zijn, dat de vorm geeft en boven de anderen staat, waaruit de anderen hun eenheid verkrijgen. Uitgaande van dit beginsel is de vooruitziendheid het voornaamste onderdeel van de verstandigheid, omdat al het andere, wat vereist wordt voor de verstandigheid, noodzakelijk is opdat een handeling juist gericht worde op het doel. Daarom wordt dat andere woord voor verstandigheid, nl. voorzichtigheid, afgeleid van vooruitziendheid, omdat deze haar voornaamste deel is.
Ad secundum dicendum quod speculatio est circa universalia et circa necessaria, quae secundum se non sunt procul, cum sint ubique et semper: etsi sint procul quoad nos, inquantum ab eorum cognitione deficimus. Unde providentia non proprie dicitur in speculativis, sed solum in practicis.
2. De speculatieve orde heeft betrekking op de algemeene en noodzakelijke dingen, die op zich genomen niet op een afstand staan, omdat zij overal en altijd aanwezig zijn. Wel kunnen zij voor ons verwijderd zijn, in zoover wij in de kennis ervan tekort schieten. Vandaar kan men in de speculatieve orde eigenlijk niet spreken van vooruitziendheid, wel in de practische.2. De speculatieve orde heeft betrekking op de algemene en noodzakelijke dingen, die op zich genomen niet op een afstand staan, omdat zij overal en altijd aanwezig zijn. Wel kunnen zij voor ons verwijderd zijn, in zover wij in de kennis ervan tekort schieten. Vandaar kan men in de speculatieve orde eigenlijk niet spreken van vooruitziendheid, wel in de praktische.
Ad tertium dicendum quod in recta ordinatione ad finem, qui includitur in ratione providentiae, importatur rectitudo consilii et judicii et praecepti, sine quibus recta ordinatio ad finem esse non potest.
3. De juiste ordening der handelingen op het doel, die besloten is in het wezen der verstandigheid, houdt in een goed overleg, een juist oordeel en een goed bevel. Zonder deze kan geen goede ordening tot het doel plaats vinden.3. De juiste ordening van de handelingen op het doel, die besloten is in het wezen van de verstandigheid, houdt in een goed overleg, een juist oordeel en een goed bevel. Zonder deze kan geen goede ordening tot het doel plaats vinden.
Utrum circumspectio possit esse pars prudentiae
Is de omzichtigheid een onderdeel der verstandigheid?Is de omzichtigheid een onderdeel van de verstandigheid?
88Ad septimum sic proceditur. Videtur quod circumspectio non possit esse pars prudentiae. Circumspectio enim videtur esse consideratio quaedam eorum quae circumstant. Hujusmodi autem sunt infinita, quae non possunt comprehendi ratione, in qua est prudentia. Ergo circumspectio non debet poni pars prudentiae.
88Bedenkingen. — Men beweert, dat de omzichtigheid geen onderdeel der verstandigheid kan zijn. — 1. De omzichtigheid is immers een soort uitzien naar de omstandigheden. Deze zijn oneindig in aantal en kunnen daarom niet bevat worden door het verstand, dat de zetel is der verstandigheid. Dus kan men de omzichtigheid niet rekenen als onderdeel der verstandigheid.88Bedenkingen. — Men beweert, dat de omzichtigheid geen onderdeel van de verstandigheid kan zijn. — 1. De omzichtigheid is immers een soort uitzien naar de omstandigheden. Deze zijn oneindig in aantal en kunnen daarom niet bevat worden door het verstand, dat de zetel is van de verstandigheid. Dus kan men de omzichtigheid niet rekenen als onderdeel van de verstandigheid.
2. Praeterea, circumstantiae magis videntur pertinere ad virtutes morales quam ad prudentiam. Sed circumspectio nihil aliud esse videtur quam respectus circumstantiarum. Ergo circumspectio magis videtur ad morales pertinere virtutes quam ad prudentiam.
2. De omstandigheden vallen eerder onder de zedelijke deugden dan onder de verstandigheid. De omzichtigheid nu is in wezen niets anders dan een beschouwing der omstandigheden. Dus behoort de omzichtigheid veeleer tot de zedelijke deugden dan tot de verstandigheid.2. De omstandigheden vallen eerder onder de zedelijke deugden dan onder de verstandigheid. De omzichtigheid nu is in wezen niets anders dan een beschouwing van de omstandigheden. Dus behoort de omzichtigheid veeleer tot de zedelijke deugden dan tot de verstandigheid.
3. Praeterea, qui potest videre quae procul sunt multo magis potest videre quae circumstant1. Sed per providentiam homo est potens prospicere quae procul sunt. Ergo ipsa sufficit ad considerandum ea quae 89circumstant. Non ergo oportuit, praeter providentiam, ponere circumspectionem partem prudentiae.
3. Wie het verre kan zien, is zeker in staat te zien, wat rondom hem is. De vooruitziendheid stelt den mensch in staat, ver vooruit te zien. Daarom is het niet noodig naast de vooruitziendheid ook 89nog de omzichtigheid te onderscheiden als onderdeel van de verstandigheid.3. Wie het verre kan zien, is zeker in staat te zien, wat rondom hem is. De vooruitziendheid stelt de mens in staat, ver vooruit te zien. Daarom is het niet nodig naast de vooruitziendheid ook 89nog de omzichtigheid te onderscheiden als onderdeel van de verstandigheid.
Sed contra est auctoritas Macrobii, ut supra dictum est [q. praec.].
Daartegenover staat echter het gezag van Macrobius, dat in de voorafgaande kwestie werd aangehaald.
Respondeo dicendum quod ad prudentiam, sicut dictum est [art. praec.], praecipue pertinet recte ordinare aliquid in finem. Quod quidem recte non fit, nisi et finis bonus sit, et id quod ordinatur in finem sit etiam bonum et conveniens fini. Sed quia prudentia, sicut dictum est [art. 3.], est circa singularia operabilia, in quibus multa concurrunt, contingit aliquid secundum se consideratum esse bonum et conveniens fini, quod tamen ex aliquibus concurrentibus redditur vel malum, vel non opportunum ad finem. Sicut ostendere signa amoris alicui, secundum se consideratum, videtur esse conveniens ad alliciendum ejus animum ad amorem: sed si contingat in animo illius superbia vel suspicio adulationis, non erit hoc conveniens ad finem. Et ideo necessaria est circumspectio ad prudentiam: 90ut scilicet homo id quod ordinatur in finem comparet etiam cum his quae circumstant.
Leerstelling. — In het voorgaande artikel werd uiteengezet, dat de taak der verstandigheid is, een handeling goed te ordenen naar het doel. Dit is onmogelijk tenzij èn het doel goed is èn de handeling, die naar het doel gericht wordt, juist en in overeenstemming met dat doel. De verstandigheid nu strekt zich uit tot de afzonderlijke handelingen, zooals reeds werd aangetoond (3e Art.), waarbij zich vele en wisselende gevallen voordoen. Daarom kan het gebeuren, dat iets, wat op zichzelf goed is en overeenkomstig het doel, door sommige zich voordoende omstandigheden slecht wordt of ongeschikt voor dat doel. Zoo is het op zichzelf beschouwd goed, iemand door teekenen zijn liefde te toonen om zijn ziel ook tot liefde op te wekken; maar wanneer in zijn ziel hoogmoed of verdenking van vleierij gewekt worden, is het geven van zulke liefdebewijzen niet geschikt voor het doel. Daarom is de omzichtigheid noodig voor de verstandigheid, opdat de mensch de 90handelingen, die hij richt op een doel, ook in overeenstemming weet te brengen met de omstandigheden.Leerstelling. — In het voorgaande artikel werd uiteengezet, dat de taak van de verstandigheid is, een handeling goed te ordenen naar het doel. Dit is onmogelijk tenzij èn het doel goed is èn de handeling, die naar het doel gericht wordt, juist en in overeenstemming met dat doel. De verstandigheid nu strekt zich uit tot de afzonderlijke handelingen, zoals reeds werd aangetoond (3e Art.), waarbij zich vele en wisselende gevallen voordoen. Daarom kan het gebeuren, dat iets, wat op zichzelf goed is en overeenkomstig het doel, door sommige zich voordoende omstandigheden slecht wordt of ongeschikt voor dat doel. Zo is het op zichzelf beschouwd goed, iemand door tekenen zijn liefde te tonen om zijn ziel ook tot liefde op te wekken; maar wanneer in zijn ziel hoogmoed of verdenking van vleierij gewekt worden, is het geven van zulke liefdebewijzen niet geschikt voor het doel. Daarom is de omzichtigheid nodig voor de verstandigheid, opdat de mens de 90handelingen, die hij richt op een doel, ook in overeenstemming weet te brengen met de omstandigheden.
Ad primum ergo dicendum quod licet ea quae possunt circumstare sint infinita, tamen ea quae circumstant in actu non sunt infinita: sed pauca quaedam sunt quae immutant judicium rationis in agendis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De omstandigheden die zich kunnen voordoen, zijn zeker oneindig in aantal, maar de omstandigheden die zich inderdaad voordoen en het oordeel van het verstand kunnen wijzigen, zijn gewoonlijk slechts klein in getal.
Ad secundum dicendum quod circumstantiae pertinent ad prudentiam quidem sicut ad determinandum eas: ad virtutes autem morales inquantum per circumstantiarum determinationem perficiuntur.
2. De omstandigheden vallen wel onder de verstandigheid en zijn van invloed op haar beslissing, maar zij behooren evenzeer tot de zedelijke deugden, die haar bepaling van de omstandigheden ontvangen.2. De omstandigheden vallen wel onder de verstandigheid en zijn van invloed op haar beslissing, maar zij behoren evenzeer tot de zedelijke deugden, die haar bepaling van de omstandigheden ontvangen.
Ad tertium dicendum quod sicut ad providentiam pertinet prospicere id quod est per se conveniens fini, ita ad circumspectionem pertinet considerare an sit conveniens fini secundum ea quae circumstant. Utrumque autem horum habet specialem difficultatem. Et ideo utrumque eorum seorsum ponitur pars prudentiae.
3. Is het de taak der vooruitziendheid, uit te zien naar wat op zichzelf genomen nuttig is voor een doel, het is taak der omzichtigheid er op te letten of iets in zijn omstandigheden beschouwd voor een doel geschikt is. Beide functies nu hebben haar eigen moeilijkheden, en daarom worden beiden als aparte onderdeelen der verstandigheid beschouwd.3. Is het de taak van de vooruitziendheid, uit te zien naar wat op zichzelf genomen nuttig is voor een doel, het is taak van de omzichtigheid er op te letten of iets in zijn omstandigheden beschouwd voor een doel geschikt is. Beide functies nu hebben haar eigen moeilijkheden, en daarom worden beiden als aparte onderdelen van de verstandigheid beschouwd.
Utrum cautio debeat poni pars prudentiae
Is de behoedzaamheid een onderdeel der verstandigheid?Is de behoedzaamheid een onderdeel van de verstandigheid?
91Ad octavum sic proceditur. Videtur quod cautio non debeat poni pars prudentiae. In eis enim in quibus malum non potest esse non est necessaria cautio. Sed « virtutibus nemo male utitur », ut dicit Augustinus, in lib. 2. de Lib. Arb. [cap. 19.]. Ergo cautio non pertinet ad prudentiam, quae est directiva virtutum.
91Bedenkingen. — Men beweert, dat de behoedzaamheid niet gerekend kan worden als onderdeel van de verstandigheid. — 1. Behoedzaamheid is overbodig, wanneer geen kwaad te vreezen is. De deugd nu « wordt door niemand verkeerd gebruikt », zegt Augustinus. Dus behoort de behoedzaamheid zeker niet bij de verstandigheid, die de leidsvrouwe is van alle andere deugden.91Bedenkingen. — Men beweert, dat de behoedzaamheid niet gerekend kan worden als onderdeel van de verstandigheid. — 1. Behoedzaamheid is overbodig, wanneer geen kwaad te vrezen is. De deugd nu “wordt door niemand verkeerd gebruikt”, zegt Augustinus. Dus behoort de behoedzaamheid zeker niet bij de verstandigheid, die de leidsvrouwe is van alle andere deugden.
2. Praeterea, ejusdem est providere bona et cavere mala: sicut ejusdem artis est facere sanitatem et curare aegritudinem. Sed providere bona pertinet ad prudentiam1. Ergo etiam cavere mala. Non ergo cautio debet poni pars alia prudentiae a providentia.
2. Wie zorgt voor het goede, heeft tevens tot taak, te waken tegen het kwaad. Zoo behoort de zorg voor de gezondheid en het genezen der ziekte tot eenzelfde kunst. De taak der verstandigheid is, te voorzien in het goede, dus tevens ook te waken tegen het kwade. Derhalve kan de behoedzaamheid niet gerekend worden onder de onderdeelen der verstandigheid.2. Wie zorgt voor het goede, heeft tevens tot taak, te waken tegen het kwaad. Zo behoort de zorg voor de gezondheid en het genezen van de ziekte tot eenzelfde kunst. De taak van de verstandigheid is, te voorzien in het goede, dus tevens ook te waken tegen het kwade. Derhalve kan de behoedzaamheid niet gerekend worden onder de onderdelen van de verstandigheid.
3. Praeterea, nullus prudens conatur ad impossibile. Sed nullus potest 92praecavere omnia mala quae possunt contingere. Ergo cautio non pertinet ad prudentiam.
3. Een verstandig mensch is nooit gedwongen tot het onmogelijke. Maar niemand kan alle kwaad voorkomen, dat zich kan 92voordoen. Dus behoort de behoedzaamheid niet tot de verstandigheid.3. Een verstandig mens is nooit gedwongen tot het onmogelijke. Maar niemand kan alle kwaad voorkomen, dat zich kan 92voordoen. Dus behoort de behoedzaamheid niet tot de verstandigheid.
Sed contra est quod Apostolus dicit, ad Eph. 5. [v. 15] : « Videte quomodo caute ambuletis ».
Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in den Brief aan de Ephesiërs (5. 15) : « Ziet toe dat gij behoedzaam wandelt ».Daartegenover staat echter, dat de Apostel zegt in de Brief aan de Efesiërs (5, 15): “Ziet toe dat gij behoedzaam wandelt”.
Respondeo dicendum quod ea circa quae est prudentia sunt contingentia operabilia, in quibus, sicut verum potest admisceri falso, ita et malum bono, propter multiformitatem hujusmodi operabilium, in quibus bona plerumque impediuntur a malis, et mala habent speciem boni. Et ideo necessaria est cautio ad prudentiam, ut sic accipiantur bona quod vitentur mala.
Leerstelling. — Het voorwerp van de verstandigheid zijn de handelingen, die altijd aan wisselvalligheden onderhevig zijn. En evenals het ware zich vermengen kan met het valsche, zoo ook het goede met het kwade, omdat wegens de velerlei vormen van die handelingen dikwijls het goede door het kwade wordt belemmerd en het kwade den schijn van het goede aanneemt. Daarom behoort de behoedzaamheid noodzakelijk tot de verstandigheid, opdat het goede zoo geschiede, dat het kwade vermeden wordt.Leerstelling. — Het voorwerp van de verstandigheid zijn de handelingen, die altijd aan wisselvalligheden onderhevig zijn. En evenals het ware zich vermengen kan met het valse, zo ook het goede met het kwade, omdat wegens de velerlei vormen van die handelingen dikwijls het goede door het kwade wordt belemmerd en het kwade de schijn van het goede aanneemt. Daarom behoort de behoedzaamheid noodzakelijk tot de verstandigheid, opdat het goede zo geschiede, dat het kwade vermeden wordt.
Ad primum ergo dicendum quod cautio non est necessaria in moralibus actibus ut aliquis sibi caveat ab actibus virtutum: sed ut sibi caveat ab eis per quae actus virtutum impediri possunt.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij zedelijk-goede handelingen is geen behoedzaamheid noodig: men behoeft zich immers niet te behoeden tegen een deugddaad. Wel is behoedzaamheid noodig tegen verkeerde daden, waardoor de deugd belemmerd kan worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij zedelijk-goede handelingen is geen behoedzaamheid nodig: men behoeft zich immers niet te behoeden tegen een deugddaad. Wel is behoedzaamheid nodig tegen verkeerde daden, waardoor de deugd belemmerd kan worden.
93Ad secundum dicendum quod opposita mala cavere ejusdem rationis est et prosequi bona. Sed vitare aliqua impedimenta extrinseca, hoc pertinet ad aliam rationem. Et ideo cautio distinguitur a providentia, quamvis utrumque pertineat ad unam virtutem prudentiae.
932. Het nastreven van een bepaald goed behoort tot dezelfde orde als het zich behoeden tegen het tegenovergestelde kwaad. Maar het vermijden van andere hindernissen, die tot een andere orde behooren, vereischt een afzonderlijke deugd. En daarom wordt de behoedzaamheid gerekend als een afzonderlijk onderdeel van de verstandigheid naast de vooruitziendheid.932. Het nastreven van een bepaald goed behoort tot dezelfde orde als het zich behoeden tegen het tegenovergestelde kwaad. Maar het vermijden van andere hindernissen, die tot een andere orde behoren, vereist een afzonderlijke deugd. En daarom wordt de behoedzaamheid gerekend als een afzonderlijk onderdeel van de verstandigheid naast de vooruitziendheid.
Ad tertium dicendum quod malorum quae homini vitanda occurrunt quaedam sunt quae ut in pluribus accidere solent. Et talia comprehendi ratione possunt. Et contra haec ordinatur cautio, ut totaliter vitentur, vel ut minus noceant. Quaedam vero sunt quae ut in paucioribus et causaliter accidunt. Et haec, cum sint infinita, ratione comprehendi non possunt, nec homo sufficit ea praecavere: quamvis per officium prudentiae homo contra omnes fortunae insultus se disponere possit ut minus laedatur.
3. Van het kwaad, dat de mensch te vermijden heeft, kan een gedeelte teruggebracht worden tot enkele meest-voorkomende gevallen, die het verstand dus kan overzien. Het is nu de taak der behoedzaamheid, dit kwaad ofwel geheel te vermijden, of te zorgen, dat het zoo min mogelijk schade berokkent. Dan is er nog kwaad, dat slechts zelden en als bij toeval voorkomt. Hierin heerscht een oneindige verscheidenheid, zoodat het verstand hiervan geen overzicht kan hebben en de mensch er zich niet voldoende tegen kan beveiligen. Toch kan de mensch zich met behulp van de verstandigheid zoo wapenen tegen al de sprongen van het noodlot, dat hij er minder door benadeeld wordt.3. Van het kwaad, dat de mens te vermijden heeft, kan een gedeelte teruggebracht worden tot enkele meest-voorkomende gevallen, die het verstand dus kan overzien. Het is nu de taak van de behoedzaamheid, dit kwaad ofwel geheel te vermijden, of te zorgen, dat het zo min mogelijk schade berokkent. Dan is er nog kwaad, dat slechts zelden en als bij toeval voorkomt. Hierin heerst een oneindige verscheidenheid, zodat het verstand hiervan geen overzicht kan hebben en de mens er zich niet voldoende tegen kan beveiligen. Toch kan de mens zich met behulp van de verstandigheid zo wapenen tegen al de sprongen van het noodlot, dat hij er minder door benadeeld wordt.