De legibus
Over het wezen van de wet
1Consequenter considerandum est de principiis exterioribus actuum. Principium autem exterius ad malum inclinans est diabolus, de cujus tentatione in primo dictum est [q. 114]; principium autem exterius movens ad bonum est Deus, qui et nos instruit per legem, et juvat per gratiam. Unde primo de lege, secundo de gratia dicendum est.
1We moeten nu handelen over de uitwendige beginselen van onze handelingen. Het uitwendig beginsel nu, dat aanzet tot het kwaad, is de duivel; in het Ie Deel (CXIVe Kw.) hebben we dan ook gehandeld over de bekoring. Het uitwendig beginsel echter dat aanzet tot het goed, is God, die ons onderricht door de wet, en ons helpt door de genade. Daarom moeten we eerst handelen over de wet, en daarna over de genade.1We moeten nu handelen over de uitwendige beginselen van onze handelingen. Het uitwendig beginsel nu, dat aanzet tot het kwaad, is de duivel; in het 1. Deel (114e Kw.) hebben we dan ook gehandeld over de bekoring. Het uitwendig beginsel echter dat aanzet tot het goed, is God, die ons onderricht door de wet, en ons helpt door de genade. Daarom moeten we eerst handelen over de wet, en daarna over de genade.
Circa legem autem primo oportet considerare de ipsa lege in communi; secundo de partibus ejus.
Met betrekking tot de wet moeten we ten eerste handelen over de wet in het algemeen; ten tweede, over haar verdeeling.Met betrekking tot de wet moeten we ten eerste handelen over de wet in het algemeen; ten tweede, over haar verdeling.
Circa legem autem in communi tria occurrunt consideranda : primo quidem de essentia ipsius; secundo, de differentia legum; tertio, de effectibus legis.
Met betrekking tot de wet in het algemeen moeten we drie dingen beschouwen : ten eerste, het wezen van de wet; ten tweede de verschillende soorten wetten; ten derde, de gevolgen van de wet.Met betrekking tot de wet in het algemeen moeten we drie dingen beschouwen: ten eerste, het wezen van de wet; ten tweede de verschillende soorten wetten; ten derde, de gevolgen van de wet.
2Circa primum quaeruntur quatuor : 1. Utrum lex sit aliquid rationis. — 2. De fine legis. — 3. De causa ejus. — 4. De promulgatione ipsius.
2Met betrekking tot het eerste, stellen we vier vragen : 1) Is de wet iets van het verstand? 2) Over het doel van de wet. 3) Over de oorzaak van de wet. 4) Over de afkondiging van de wet.2Met betrekking tot het eerste, stellen we vier vragen: 1. Is de wet iets van het verstand? 2. Over het doel van de wet. 3. Over de oorzaak van de wet. 4. Over de afkondiging van de wet.
Utrum lex sit aliquid rationis
Is de wet iets van het verstand?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex non sit aliquid rationis: dicit enim Apostolus ad Rom. 7 [v. 23] : « Video aliam legem in membris meis » etc. Sed nihil, quod est rationis, est in membris, quia ratio non utitur organo corporali; ergo lex non est aliquid rationis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de wet niet iets van het verstand is. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (7, 23) : « Ik zie in mijn ledematen een andere wet » enz. Welnu iets van het verstand kan niet in de ledematen zijn, daar het verstand geen stoffelijk orgaan gebruikt. Dus is de wet niet iets van het verstand.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wet niet iets van het verstand is. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (7, 23): “Ik zie in mijn ledematen een andere wet” enz. Welnu iets van het verstand kan niet in de ledematen zijn, daar het verstand geen stoffelijk orgaan gebruikt. Dus is de wet niet iets van het verstand.
2. Praeterea, in ratione non est nisi potentia, habitus, et actus; sed lex non est ipsa potentia rationis; similiter etiam non est aliquis habitus rationis, quia habitus rationis sunt virtutes intellectuales, de quibus supra dictum est 3[q. 57] ; nec etiam actus rationis est, quia, cessante rationis actu, lex cessaret, puta in dormientibus; ergo lex non est aliquid rationis.
2. In het verstand wordt slechts gevonden : vermogen, hebbelijkheid en daad. Welnu de wet is niet het verstandsvermogen 3zelf, ook is ze geen hebbelijkheid er van, daar de hebbelijkheden van het verstand de verstandelijke deugden zijn, waarover vroeger gehandeld is (LVIIe Kw.). Evenmin is zij een daad van het verstand, omdat dan de wet haar waarde zou verliezen, als de daad van het verstand zou ophouden, b. v. in den slaap. Dus is de wet niets iets van het verstand.2. In het verstand wordt slechts gevonden: vermogen, hebbelijkheid en daad. Welnu de wet is niet het verstandsvermogen 3zelf, ook is ze geen hebbelijkheid er van, daar de hebbelijkheden van het verstand de verstandelijke deugden zijn, waarover vroeger gehandeld is (57e Kw.). Evenmin is zij een daad van het verstand, omdat dan de wet haar waarde zou verliezen, als de daad van het verstand zou ophouden, bv. in de slaap. Dus is de wet niets iets van het verstand.
3. Praeterea, lex movet eos, qui subjiciuntur legi, ad recte agendum; sed movere ad agendum proprie pertinet ad voluntatem, ut patet ex praemissis [q. 9. art. 1.] ; ergo lex non pertinet ad rationem, sed magis ad voluntatem, secundum quod etiam Jurisperitus dicit [lib. 1. ff. de Constit. Princ.] : « Quod placuit principi, legis habet vigorem ».
3. De wet zet hare onderdanen aan om het goede te doen. Welnu aanzetten tot handelen behoort eigenlijk tot den wil, zooals uit het voorgaande blijkt (IXe Kw., 1e Art.). Dus is de wet eerder iets van den wil dan van het verstand. Daarom zegt de Jurisperitus (Ie Boek, f. f. De const. princ.) : « Het verlangen van den vorst heeft kracht van wet. »3. De wet zet haar onderdanen aan om het goede te doen. Welnu aanzetten tot handelen behoort eigenlijk tot de wil, zoals uit het voorgaande blijkt (9e Kw., 1e Art.). Dus is de wet eerder iets van de wil dan van het verstand. Daarom zegt de Jurisperitus (1e Boek, f. f. De const. princ.): “Het verlangen van de vorst heeft kracht van wet.”
Sed contra est, quod ad legem pertinet praecipere et prohibere; sed imperare est rationis, ut supra habitum est [q. 1.7. art. 1.] ; ergo lex est aliquid rationis.
Maar daartegenover staat, dat gebieden en verbieden behooren tot het begrip van wet. Welnu gebieden is iets van het verstand, zooals hierboven bewezen is (XVIIe Kw., 1e Art.). Dus is ook de wet iets van het verstand.Maar daartegenover staat, dat gebieden en verbieden behoren tot het begrip van wet. Welnu gebieden is iets van het verstand, zoals hierboven bewezen is (17e Kw., 1e Art.). Dus is ook de wet iets van het verstand.
Respondeo dicendum, quod lex quaedam regula est et mensura actuum, secundum quam inducitur aliquis ad agendum vel ab agendo retrahitur: dicitur enim lex a ligando, quia obligat ad agendum; regula autem, et 4mensura humanorum actuum est ratio, quae est principium primum actuum humanorum, ut ex praedictis patet [q. 66. art. 1.] : rationis enim est ordinare ad finem, qui est primum principium in agendis, secundum Philosophum [lib. 2. Phys., c. 9.]. In unoquoque autem genere id quod est principium, est mensura et regula illius generis: sicut unitas in genere numeri, et motus primus in genere motuum. Unde relinquitur. quod lex sit aliquid pertinens ad rationem.
Leerstelling. — De wet is een norm en een maatstaf van handelen waardoor iemand aangezet wordt tot handelen of er 4van wordt afgehouden. Het latijnsch woord lex immers is afgeleid van ligare, binden : de wet immers is als een band, waardoor ons een handeling wordt opgelegd. Welnu, het verstand, dat, zooals uit het voorgaande blijkt (LXVIe Kw., 1e Art.), het eerste beginsel der menschelijke handelingen is, is er ook norm en maatstaf van. Het is immers eigen aan het verstand, te ordenen tot het doel, dat, zooals de Wijsgeer zegt (IIe Boek der Physica, IXe H, Nr 3), het eerste beginsel van handelen is. In ieder soort nu is dat norm en maatstaf, wat er het eerste beginsel van is, zooals de eenheid voor de getallen en de eerste beweging voor de beweging. Vandaar volgt, dat de wet iets is, wat behoort tot het verstand.Leerstelling. — De wet is een norm en een maatstaf van handelen waardoor iemand aangezet wordt tot handelen of er 4van wordt afgehouden. Het Latijns woord lex immers is afgeleid van ligare, binden: de wet immers is als een band, waardoor ons een handeling wordt opgelegd. Welnu, het verstand, dat, zoals uit het voorgaande blijkt (66e Kw., 1e Art.), het eerste beginsel van de menselijke handelingen is, is er ook norm en maatstaf van. Het is immers eigen aan het verstand, te ordenen tot het doel, dat, zoals de Wijsgeer zegt (2e Boek van de Fysica, 9e H, Nr 3), het eerste beginsel van handelen is. In ieder soort nu is dat norm en maatstaf, wat er het eerste beginsel van is, zoals de eenheid voor de getallen en de eerste beweging voor de beweging. Vandaar volgt, dat de wet iets is, wat behoort tot het verstand.
Ad primum ergo dicendum, quod, cum lex sit regula quaedam et mensura, dicitur dupliciter esse in aliquo: uno modo sicut in mensurante et regulante; et quia hoc est proprium rationis, ideo per hunc modum lex est in ratione sola; alio modo sicut in regulato et mensurato: et sic lex in omnibus, quae inclinantur in aliquid ex aliqua lege; ita quod quaelibet inclinatio proveniens ex aliqua lege potest dici lex, non essentialiter, sed quasi participative: et hoc modo inclinatio ipsa membrorum ad concupiscendum lex membrorum vocatur.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Daar de wet een norm is en een maatstaf, kan zij op twee manieren in iets gevonden worden. Ten eerste, in iets dat zelf norm en maatstaf is. Zoo is de wet alleen in het verstand, daar norm en maatstaf aan de rede eigen is. Ten tweede, in iets dat gemeten en geregeld is. Zoo wordt de wet in alle dingen gevonden, die door een wet neiging hebben tot iets. In dien zin kan iedere door een of andere wet veroorzaakte neiging wet genoemd worden, niet wezenlijk, maar 5door deelhebbing. En zoo kan eveneens de hang van de ledematen naar het zinnelijke, de wet der ledematen genoemd worden.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Daar de wet een norm is en een maatstaf, kan zij op twee manieren in iets gevonden worden. Ten eerste, in iets dat zelf norm en maatstaf is. Zo is de wet alleen in het verstand, daar norm en maatstaf aan de rede eigen is. Ten tweede, in iets dat gemeten en geregeld is. Zo wordt de wet in alle dingen gevonden, die door een wet neiging hebben tot iets. In die zin kan iedere door een of andere wet veroorzaakte neiging wet genoemd worden, niet wezenlijk, maar 5door deelhebbing. En zo kan eveneens de hang van de ledematen naar het zinnelijke, de wet van de ledematen genoemd worden.
5Ad secundum dicendum, quod, sicut in actibus exterioribus est considerare operationem et operatum, puta aedificationem et aedificatum, ita in operibus rationis est considerare ipsum actum rationis, qui est intelligere et ratiocinari, et aliquid per hujusmodi actum constitutum. Quod quidem in speculativa ratione primo quidem est definitio; secundo enuntiatio; tertio vero syllogismus vel argumentatio; et quia ratio etiam practica utitur quodam syllogismo in operabilibus, ut supra habitum est [q. 13. art. 3. et 77. art. 2. ad 4.], secundum quod Philosophus docet in 7. Ethic. [cap. 3.], ideo est invenire aliquid in ratione practica, quod ita se habeat ad operationes, sicut se habet propositio in ratione speculativa ad conclusiones. Et hujusmodi propositiones universales rationis practicae ordinatae ad actiones habent rationem legis; quae quidem propositiones aliquando actualiter considerantur, aliquando vero habitualiter a ratione tenentur.
2. Evenals men in de uiterlijke handelingen én de werking én het uitgewerkte, b. v. den bouw en het gebouw, kan beschouwen, zoo ook kan men in de verstandsdaden afzonderlijk beschouwen én de verstandsdaad zelf, nl. het begrijpen, het redeneeren, én iets wat door die daad wordt gevormd. Dit is in het beschouwend verstand ten eerste, de definitie, ten tweede, het oordeel, en ten derde, de redeneering of bewijsvoering. Daar nu het practisch verstand bij zijn handelingen ook een soort redeneering gebruikt, zooals vroeger bewezen is (XIIIe Kw., 3e Art.; LXXVIIe Kw., 2e Art., antwoord op de 4e Bed.), en zooals de Wijsgeer zegt in het VIIe Boek der Ethica (IIIe H., Nr 9, 10), kan men in het practisch verstand iets vinden, wat zich op gelijke wijze verhoudt tot de handelingen, als het voorafgaande oordeel in het beschouwend verstand tot de gevolgtrekking. Die algemeene voorafgaande oordeelen nu van het practisch verstand zijn een wet, terwijl ze dan eens feitelijk overdacht worden, dan weer als een hebbelijkheid door het verstand gehouden worden.2. Evenals men in de uiterlijke handelingen én de werking én het uitgewerkte, bv. de bouw en het gebouw, kan beschouwen, zo ook kan men in de verstandsdaden afzonderlijk beschouwen én de verstandsdaad zelf, nl. het begrijpen, het redeneren, én iets wat door die daad wordt gevormd. Dit is in het beschouwend verstand ten eerste, de definitie, ten tweede, het oordeel, en ten derde, de redenering of bewijsvoering. Daar nu het praktisch verstand bij zijn handelingen ook een soort redenering gebruikt, zoals vroeger bewezen is (13e Kw., 3e Art.; 77e Kw., 2e Art., antwoord op de 4e Bed.), en zoals de Wijsgeer zegt in het 7e Boek van de Ethica (3e H., Nr 9, 10), kan men in het praktisch verstand iets vinden, wat zich op gelijke wijze verhoudt tot de handelingen, als het voorafgaande oordeel in het beschouwend verstand tot de gevolgtrekking. Die algemene voorafgaande oordelen nu van het praktisch verstand zijn een wet, terwijl ze dan eens feitelijk overdacht worden, dan weer als een hebbelijkheid door het verstand gehouden worden.
Ad tertium dicendum, quod ratio habet vim movendi a voluntate, ut supra dictum est [q. 17. art. 1.] : ex hoc enim quod aliquis vult finem, ratio 6imperat de his quae sunt ad finem; sed voluntas de his quae imperantur, ad hoc quod legis rationem habeat, oportet quod sit aliqua ratione regulata. Et hoc modo intelligitur, quod voluntas principis habet vigorem legis; alioquin voluntas principis magis esset iniquitas quam lex.
3. Het verstand heeft zijn aanzettingskracht door den wil, zooals hierboven bewezen is (XVIIe Kw., 1e Art.). Juist omdat de 6wil het doel wil, geeft het verstand zijn bevelen omtrent de middelen. Maar om een wet te zijn, moet de wil met betrekking tot de middelen door het verstand geregeld worden. In dien zin moet men verstaan, dat het verlangen van den vorst kracht van wet heeft; anders zou dit verlangen van den vorst eerder een ongerechtigheid zijn dan een wet.3. Het verstand heeft zijn aanzettingskracht door de wil, zoals hierboven bewezen is (17e Kw., 1e Art.). Juist omdat de 6wil het doel wil, geeft het verstand zijn bevelen omtrent de middelen. Maar om een wet te zijn, moet de wil met betrekking tot de middelen door het verstand geregeld worden. In die zin moet men verstaan, dat het verlangen van de vorst kracht van wet heeft; anders zou dit verlangen van de vorst eerder een ongerechtigheid zijn dan een wet.
Utrum lex ordinetur semper ad bonum commune
Is de wet altijd gericht op het algemeen welzijn?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex non ordinetur semper ad bonum commune, sicut ad finem : ad legem enim pertinet praecipere, et prohibere; sed praecepta ordinantur ad quaedam singularia bona; non ergo semper finis legis est bonum commune.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de wet niet altijd gericht is op het algemeen welzijn als op haar doel. — 1. Tot het begrip van wet immers behoort het gebieden en verbieden. Welnu soms zijn bevelen gericht op een of ander particulier goed. Dus is het doel van de wet niet altijd het algemeen welzijn.
72. Praeterea, lex dirigit hominem ad agendum; sed actus humani sunt in particularibus; ergo et lex ad aliquod particulare bonum ordinatur.
2. De wet drijft den mensch tot handelen. Welnu de menschelijke handelingen hebben betrekking op het bijzondere. Dus is ook de wet gericht op het bijzondere.2. De wet drijft de mens tot handelen. Welnu de menselijke handelingen hebben betrekking op het bijzondere. Dus is ook de wet gericht op het bijzondere.
3. Praeterea, Isidorus dicit in lib. 5. Etymologiarum [cap. 3.] : Si ratione lex constat, lex erit omne quod ratione constiterit; sed ratione consistit non solum quod ordinatur ad bonum commune, sed etiam quod ordinatur ad privatum bonum unius: Ergo 1.
73. Isidorus zegt in zijn Etymologieën (Ve B., IIIe H.) : « Indien de wet vast staat door het verstand, moet alles, wat door het verstand vast staat, wet zijn. » Welnu, door het verstand staat niet alleen vast, wat gericht is op het algemeen welzijn, maar ook wat gericht is op het particulier welzijn van een enkeling. Dus is de wet niet alleen gericht op het algemeen welzijn, maar ook op het particulier welzijn van een enkeling.73. Isidorus zegt in zijn Etymologieën (5e B., 3e H.): “Indien de wet vast staat door het verstand, moet alles, wat door het verstand vast staat, wet zijn.” Welnu, door het verstand staat niet alleen vast, wat gericht is op het algemeen welzijn, maar ook wat gericht is op het particulier welzijn van een enkeling. Dus is de wet niet alleen gericht op het algemeen welzijn, maar ook op het particulier welzijn van een enkeling.
Sed contra est, quod Isidorus dicit in 5. Etymolog. [cap. 21], quod lex est nullo privato commodo, sed pro communi utilitate civium conscripta.
Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus (t. a. pl., Ve B., XXIe H.) dat de wet geen voorschrift is voor particulier belang, maar voor het algemeen belang der burgers.Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus (t.a.p., 5e B., 21e H.) dat de wet geen voorschrift is voor particulier belang, maar voor het algemeen belang van de burgers.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], lex pertinet ad id, quod est principium humanorum actuum, ex eo quod est regula et 8mensura; sicut autem ratio est principium humanorum actuum, ita etiam in ipsa ratione est aliquid, quod est principium respectu omnium aliorum; unde ad hoc oportet quod principaliter et maxime pertineat lex.
Leerstelling. — Gelijk in het vorig Artikel gezegd is, heeft de wet betrekking op het beginsel der menschelijke handelingen, omdat ze norm en maatstaf is. Evenals nu het verstand het beginsel is der menschelijke handelingen, zoo ook wordt in het verstand iets gevonden wat beginsel is met betrekking tot al het andere. Daarom moet de wet vooral en hoofdzakelijk betrekking hebben op dat beginsel.Leerstelling. — Gelijk in het vorig Artikel gezegd is, heeft de wet betrekking op het beginsel van de menselijke handelingen, omdat ze norm en maatstaf is. Evenals nu het verstand het beginsel is van de menselijke handelingen, zo ook wordt in het verstand iets gevonden wat beginsel is met betrekking tot al het andere. Daarom moet de wet vooral en hoofdzakelijk betrekking hebben op dat beginsel.
Primum autem principium in operativis, quorum est ratio practica, est finis ultimus; est autem ultimus finis humanae vitae felicitas, vel beatitudo, ut supra habitum est [q. 2. art. 7. et q. 3 art. 1.] ; unde oportet, quod lex maxime respiciat ordinem, qui est in beatitudine 2. Rursus cum omnis pars ordinetur ad totum, sicut imperfectum ad perfectum, unus autem homo est pars communitatis perfectae, necesse est, quod lex proprie respiciat ordinem ad felicitatem communem; unde et Philosophus in praemissa definitione legalium mentionem facit et de felicitate et communione politica : dicit enim in 5. Ethic. [cap. 1.], quod legalia justa dicimus factiva et conservativa felicitatis et particularium ipsius politica communicatione : perfecta enim communitas civitas est, ut dicitur in 1. Polit. [cap. 1.].
Het eerste beginsel nu van de werkingen, die het voorwerp zijn van het practisch verstand, is het laatste doel. Het laatste 8doel van het menschelijk leven is het geluk of de zaligheid, zooals vroeger bewezen is (IIe Kw., 7e Art., III, 1). Hieruit volgt, dat de wet zich vooral betrekt op den weg, die tot de zaligheid leidt. Aangezien daarenboven ieder deel op zijn beurt geordend is tot het geheel, zooals het onvolmaakte tot het volmaakte (één mensch is toch een deel van een volmaakte gemeenschap), moet de wet eigenlijk betrekking hebben op de orde van het algemeen welzijn. Vandaar spreekt de Wijsgeer, in zijn bepaling van de wettelijke regelingen, van het welzijn der burgelijke gemeenschap. Hij zegt nl. in het Ve Boek der Ethica (Ie H., Nr 13) : « Wij noemen wettelijke regelingen rechtvaardig wanneer ze het welzijn en dat er toe behoort, in de burgelijke gemeenschap bewerken en het onderhouden. » Immers de staat is een volmaakte gemeenschap, zooals we lezen in het Ie Boek der Politiek (1e H., Nr 1).Het eerste beginsel nu van de werkingen, die het voorwerp zijn van het praktisch verstand, is het laatste doel. Het laatste 8doel van het menselijk leven is het geluk of de zaligheid, zoals vroeger bewezen is (2e Kw., 7e Art., III, 1). Hieruit volgt, dat de wet zich vooral betrekt op de weg, die tot de zaligheid leidt. Aangezien daarenboven ieder deel op zijn beurt geordend is tot het geheel, zoals het onvolmaakte tot het volmaakte (één mens is toch een deel van een volmaakte gemeenschap), moet de wet eigenlijk betrekking hebben op de orde van het algemeen welzijn. Vandaar spreekt de Wijsgeer, in zijn bepaling van de wettelijke regelingen, van het welzijn van de burgelijke gemeenschap. Hij zegt nl. in het 5e Boek van de Ethica (1e H., Nr 13): “Wij noemen wettelijke regelingen rechtvaardig wanneer ze het welzijn en dat er toe behoort, in de burgelijke gemeenschap bewerken en het onderhouden.” Immers de staat is een volmaakte gemeenschap, zoals we lezen in het 1e Boek van de Politiek (1e H., Nr 1).
In quolibet autem genere id quod maxime dicitur est principium aliorum, et alia dicuntur secundum ordinem ad seipsum: sicut ignis, qui est maxime calidus, est causa caliditatis in corporibus mixtis, quae intantum dicuntur calida, inquantum participant de igne. Unde oportet, quod cum lex maxime dicatur secundum ordinem ad bonum commune, quodcumque aliud praeceptum de particulari opere non habeat rationem legis, nisi secundum ordinem ad bonum commune; et ideo omnis lex ad bonum commune ordinatur.
Welnu in iedere soort is datgene, wat het voornaamste is, het beginsel van het andere, dat slechts benoemd wordt in orde tot dat beginsel. Zoo is b. v. het vuur, waarin de hoogste graad der warmte is, de oorzaak der warmte in de samengestelde lichamen, die slechts warm genoemd worden voor zoover ze deelen in de warmte van het vuur. Omdat nu de wet voornamelijk genoemd 9wordt met betrekking tot het algemeen welzijn, valt ieder ander voorschrift, dat betrekking heeft op een particulier goed, slechts in zoover onder het begrip van wet, als het een zekere orde zegt tot het algemeen welzijn. Zoo dan is iedere wet geordend tot het algemeen welzijn.Welnu in iedere soort is datgene, wat het voornaamste is, het beginsel van het andere, dat slechts benoemd wordt in orde tot dat beginsel. Zo is bv. het vuur, waarin de hoogste graad van de warmte is, de oorzaak van de warmte in de samengestelde lichamen, die slechts warm genoemd worden voor zover ze delen in de warmte van het vuur. Omdat nu de wet voornamelijk genoemd 9wordt met betrekking tot het algemeen welzijn, valt ieder ander voorschrift, dat betrekking heeft op een particulier goed, slechts in zover onder het begrip van wet, als het een zekere orde zegt tot het algemeen welzijn. Zo dan is iedere wet geordend tot het algemeen welzijn.
9Ad primum ergo dicendum, quod praeceptum importat applicationem legis ad ea, quae ex lege regulantur; ordo autem ad bonum commune, qui pertinet ad legem, est applicabilis ad singulares fines, et secundum hoc etiam de particularibus quibusdam praecepta dantur.
Antwoord en bedenkingen. — 1. Een voorschrift brengt de toepassing van de wet op die dingen met zich mede, die door de wet worden geregeld. De orde nu tot het algemeen welzijn, waarop de wet betrekking heeft, kan toegepast worden op particuliere doeleinden. In dien zin worden dan ook sommige voorschriften gegeven met betrekking tot particuliere doeleinden.Antwoord en bedenkingen. — 1. Een voorschrift brengt de toepassing van de wet op die dingen met zich mede, die door de wet worden geregeld. De orde nu tot het algemeen welzijn, waarop de wet betrekking heeft, kan toegepast worden op particuliere doeleinden. In die zin worden dan ook sommige voorschriften gegeven met betrekking tot particuliere doeleinden.
Ad secundum dicendum, quod operationes quidem sunt in particularibus; sed illa particularia referri possunt ad bonum commune, non quidem communitate generis vel speciei, sed communitate causae finalis, secundum quod bonum commune dicitur finis communis.
2. De werkingen hebben heel zeker betrekking op het bijzondere. Maar dat bijzondere zelf kan gericht worden op het algemeen welzijn, niet als op zijn geslacht of op zijn soort, maar als op zijn doeloorzaak. Het algemeen welzijn immers wordt het algemeen doel genoemd.
10Ad tertium dicendum, quod sicut nihil constat firmiter secundum rationem speculativam, nisi per resolutionem ad prima principia indemonstrabilia, ita firmiter nihil constat per rationem practicam, nisi per ordinationem ad ultimum finem, qui est bonum commune; quod autem hoc modo ratione constat, legis rationem habet.
3. Evenals door het beschouwend verstand niets vaststaat, tenzij door herleiding tot de eerste onbewijsbare beginselen, zoo ook staat niets vast door het practisch verstand, tenzij in orde tot het 10laatste doel, nl. het algemeen welzijn. Wat op die manier vaststaat, heeft kracht van wet.3. Evenals door het beschouwend verstand niets vaststaat, tenzij door herleiding tot de eerste onbewijsbare beginselen, zo ook staat niets vast door het praktisch verstand, tenzij in orde tot het 10laatste doel, nl. het algemeen welzijn. Wat op die manier vaststaat, heeft kracht van wet.
Utrum ratio cujuslibet sit factiva legis
Kan ieder mensch wetten maken?Kan ieder mens wetten maken?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod cujuslibet ratio sit factiva legis: dicit enim Apostolus ad Rom. 2. [v. 14.] quod « cum gentes, quae legem non habent, naturaliter ea quae legis sunt, faciunt, ipsi sibi sunt lex »; hoc autem communiter de omnibus dicit; ergo quilibet potest facere sibi legem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat ieder mensch wetten kan maken. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14) dat, wanneer de heidenen, die geen wet hebben, natuurlijkerwijze doen wat in de wet staat, zij zelf hun eigen wet zijn. Welnu dit zegt hij in het algemeen van allen. Dus kan iedereen zich een wet maken.Bedenkingen. — Men beweert, dat ieder mens wetten kan maken. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14) dat, wanneer de heidenen, die geen wet hebben, natuurlijkerwijze doen wat in de wet staat, zij zelf hun eigen wet zijn. Welnu dit zegt hij in het algemeen van allen. Dus kan iedereen zich een wet maken.
112. Praeterea, sicut Philosophus dicit in lib. 2. Ethicorum [cap. 1], intentio legislatoris est, ut inducat hominem ad virtutem; sed quilibet homo potest alium inducere ad virtutem; ergo cujuslibet hominis ratio est factiva legis.
2. Gelijk de Wijsgeer zegt in het IIe Boek der Ethica (1e H., Nr 5), is het de bedoeling van den wetgever den mensch te voeren tot de deugd. Welnu ieder mensch kan een ander voeren tot de deugd. Dus kan iedereen wetten maken.2. Gelijk de Wijsgeer zegt in het 2e Boek van de Ethica (1e H., Nr 5), is het de bedoeling van de wetgever de mens te voeren tot de deugd. Welnu ieder mens kan een ander voeren tot de deugd. Dus kan iedereen wetten maken.
3. Praeterea, sicut princeps civitatis est civitatis gubernator, ita quilibet paterfamilias est gubernator domus; sed princeps civitatis potest in civitate legem facere; ergo quilibet paterfamilias potest in sua domo facere legem.
113. Evenals de vorst van een staat de bestuurder er van is, zoo ook is ieder huisvader de bestuurder van zijn huis. Welnu de vorst van een staat kan wetten maken in zijn staat. Dus kan ook ieder huisvader wetten maken in zijn huis.113. Evenals de vorst van een staat de bestuurder er van is, zo ook is ieder huisvader de bestuurder van zijn huis. Welnu de vorst van een staat kan wetten maken in zijn staat. Dus kan ook ieder huisvader wetten maken in zijn huis.
Sed contra est, quod Isidorus dicit in lib. 5. Etymol. [cap. 10.], et habetur in Decretis [dist. 2.] : « Lex est constitutio populi, secundum quam majores natu simul cum plebibus aliquid sanxerunt »; non est ergo cujuslibet facere legem.
Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in zijn Etymologieën (Ve B., Xe H.), dat overgenomen is door de Decreten, 2e Deel : « De wet wordt samengesteld door het volk, in zoover de ouden te zamen met het volk iets bekrachtigen. » Dus kan niet eenieder wetten maken.Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in zijn Etymologieën (5e B., 10e H.), dat overgenomen is door de Decreten, 2e Deel: “De wet wordt samengesteld door het volk, in zover de ouden te zamen met het volk iets bekrachtigen.” Dus kan niet eenieder wetten maken.
Respondeo dicendum, quod lex proprie primo et principaliter respicit ordinem ad bonum commune; ordinare autem aliquid in bonum commune, 12est vel totius multitudinis, vel alicujus gerentis vicem totius multitudinis; et ideo condere legem vel pertinet ad totam multitudinem, vel pertinet ad personam publicam, quae totius multitudinis curam habet : quia et in omnibus aliis ordinare in finem est ejus, cujus est proprius ille finis.
Leerstelling. — Het eigen voorwerp van de wet, waarop ze betrekking heeft, is het algemeen welzijn. Iets ordenen echter met betrekking tot het algemeen welzijn komt, ofwel aan de geheele gemeenschap, ofwel aan iemand, wien de zorg voor de gemeenschap is opgedragen, toe. Bijgevolg kan ofwel de geheele gemeenschap, ofwel iemand, aan wien de zorg voor de gemeenschap is toevertrouwd, wetten maken. Zoo ook kan met betrekking tot ieder ding alleen hij ordenen tot het doel, die daarover de beschikking heeft.Leerstelling. — Het eigen voorwerp van de wet, waarop ze betrekking heeft, is het algemeen welzijn. Iets ordenen echter met betrekking tot het algemeen welzijn komt, ofwel aan de gehele gemeenschap, ofwel aan iemand, wie de zorg voor de gemeenschap is opgedragen, toe. Bijgevolg kan ofwel de gehele gemeenschap, ofwel iemand, aan wie de zorg voor de gemeenschap is toevertrouwd, wetten maken. Zo ook kan met betrekking tot ieder ding alleen hij ordenen tot het doel, die daarover de beschikking heeft.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 1. huj. q. ad 1.] lex est in aliquo, non solum sicut in regulante, sed etiam participative sicut in regulato; et hoc modo unusquisque sibi est lex, inquantum participat ordinem alicujus regulantis. Unde et ibidem subditur : « Qui ostendunt opus legis scriptum in cordibus suis ».
12Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zooals hierboven gezegd is (1e Art., antwoord op de 1e Bed.), kan de wet niet alleen in iets zijn dat norm en maatstaf is, maar ook in iets dat gemeten en geregeld is. In zooverre nu is iemand zijn eigen wet, als hij deel heeft aan de orde van iets regelends. Vandaar laat de Apostel op de aangehaalde woorden volgen : « Die laten zien, dat het werk der wet in hun hart geschreven staat. »12Antwoord op de bedenkingen. — 1. Zoals hierboven gezegd is (1e Art., antwoord op de 1e Bed.), kan de wet niet alleen in iets zijn dat norm en maatstaf is, maar ook in iets dat gemeten en geregeld is. In zoverre nu is iemand zijn eigen wet, als hij deel heeft aan de orde van iets regelends. Vandaar laat de Apostel op de aangehaalde woorden volgen: “Die laten zien, dat het werk van de wet in hun hart geschreven staat.”
Ad secundum dicendum, quod persona privata non potest inducere efficaciter ad virtutem; potest enim solum movere 1, sed si sua motio 2 non recipiatur, non habet vim coactivam, quam debet habere lex ad hoc quod 13efficaciter inducat ad virtutem, ut Philosophus dicit in 10. Ethicor. [cap. 9.]. Hanc autem virtutem coactivam habet multitudo, vel persona publica, ad quam pertinet poenas infligere, ut infra dicetur [q. 92., art. 2., ad 3m, 2-2. q. 64. art. 3.] ; et ideo solius ejus est leges facere.
2. Een privaat persoon kan iemand niet dwingen tot het onderhouden van de deugd; hij kan er immers alleen toe aanmanen, en indien zijn raad niet wordt opgevolgd, bezit hij geen bindende kracht. Dit komt echter wel toe aan de wet, nl. iemand dwingen tot de deugd, gelijk de Wijsgeer zegt in het Xe Boek der Ethica (IXe H., Nr 12). Die dwingende kracht berust ofwel bij de gemeenschap, ofwel bij een publiek persoon, die straffen kan opleggen, zooals we verder zullen zien (XCIIe Kw., 2e Art., Antw. op de 3e Bed.; II. II., LXIVe Kw., 3e Art.). Aan hen komt het dus toe, wetten te maken.2. Een privaat persoon kan iemand niet dwingen tot het onderhouden van de deugd; hij kan er immers alleen toe aanmanen, en indien zijn raad niet wordt opgevolgd, bezit hij geen bindende kracht. Dit komt echter wel toe aan de wet, nl. iemand dwingen tot de deugd, gelijk de Wijsgeer zegt in het 10e Boek van de Ethica (9e H., Nr 12). Die dwingende kracht berust ofwel bij de gemeenschap, ofwel bij een publiek persoon, die straffen kan opleggen, zoals we verder zullen zien (92e Kw., 2e Art., Antw. op de 3e Bed.; 2-2, 64e Kw., 3e Art.). Aan hen komt het dus toe, wetten te maken.
Ad tertium dicendum, quod sicut homo est pars domus, ita domus est pars civitatis; civitas autem est communitas perfecta, ut dicitur in 1. Politicorum [cap. 1.] ; et ideo sicut bonum unius hominis non est ultimus finis, sed ad commune bonum ordinatur, ita etiam et bonum unius domus ordinatur ad bonum unius civitatis quae est communitas perfecta. Unde ille, qui gubernat aliquam familiam, potest quidem facere aliqua praecepta vel statuta, non tamen quae proprie habeant rationem legis.
3. Evenals de mensch een deel is van het huisgezin, zoo ook is het huisgezin een deel van den staat. De staat nu is een volmaakte gemeenschap, zooals gezegd wordt in het Ie Boek der Politiek (Ie 13H., Nr 1). En evenzoo, gelijk het welzijn van een enkel mensch niet het laatste doel is, maar geordend tot het algemeen welzijn, zoo ook is het welzijn van een enkel huisgezin geordend tot het welzijn van den staat, welke een volmaakte gemeenschap is. Vandaar kan iemand, die een familie bestuurt, wel enkele voorschriften of regels maken, maar geen voorschriften, die kracht van wet hebben.3. Evenals de mens een deel is van het huisgezin, zo ook is het huisgezin een deel van de staat. De staat nu is een volmaakte gemeenschap, zoals gezegd wordt in het 1e Boek van de Politiek (1e 13H., Nr 1). En evenzo, gelijk het welzijn van een enkel mens niet het laatste doel is, maar geordend tot het algemeen welzijn, zo ook is het welzijn van een enkel huisgezin geordend tot het welzijn van de staat, welke een volmaakte gemeenschap is. Vandaar kan iemand, die een familie bestuurt, wel enkele voorschriften of regels maken, maar geen voorschriften, die kracht van wet hebben.
Utrum promulgatio sit de ratione legis
Behoort de afkondiging tot het wezen van de wet?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod promulgatio non sit de ratione legis; lex enim naturalis maxime habet rationem legis; sed lex naturalis non indiget promulgatione; ergo non est de ratione legis, quod promulgetur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de afkondiging niet behoort tot het wezen van de wet. — 1. De natuurwet immers is wet bij uitstek. Welnu de natuurwet heeft geen afkondiging noodig. Dus behoort de afkondiging niet tot het wezen van de wet.Bedenkingen. — Men beweert, dat de afkondiging niet behoort tot het wezen van de wet. — 1. De natuurwet immers is wet bij uitstek. Welnu de natuurwet heeft geen afkondiging nodig. Dus behoort de afkondiging niet tot het wezen van de wet.
142. Praeterea, ad legem pertinet proprie obligare ad aliquid faciendum vel non faciendum; sed non solum obligantur ad implendam legem illi, coram quibus promulgatur lex, sed etiam alii; ergo promulgatio non est de ratione legis.
142. Tot het wezen van de wet behoort het verplichten om iets te doen of niet te doen. Welnu niet alleen zij, voor wie de wet wordt afgekondigd, worden verplicht tot het onderhouden van de wet, maar ook anderen. Bijgevolg behoort de afkondiging niet tot het wezen van de wet.
3. Praeterea, obligatio legis extenditur etiam in futurum, quia leges futuris negotiis necessitatem imponunt, ut Jura dicunt; sed promulgatio fit ad praesentes; ergo promulgatio non est de necessitate legis.
3. De verplichting van de wet strekt zich ook uit over de toekomst, daar volgens de juristen de wetten bindend zijn voor toekomstige zaken. Dus behoort de afkondiging niet noodzakelijk tot de wet.
Sed contra est, quod dicitur in Decretis 4. distinctione [in append. Gratiani ad cap.: In istis], quod leges instituuntur, cum promulgantur.
Maar daar tegenover wordt in de Decreten (4e Deel) gezegd, dat de wetten gemaakt zijn, zoodra ze afgekondigd zijn.Maar daar tegenover wordt in de Decreten (4e Deel) gezegd, dat de wetten gemaakt zijn, zodra ze afgekondigd zijn.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1. huj. q.], lex imponitur aliis per modum regulae et mensurae; regula autem et mensura imponitur per hoc, quod applicatur his quae regulantur et mensurantur; unde ad hoc quod lex virtutem obligandi obtineat, quod est proprium legis, oportet quod applicetur hominibus, qui secundum eam regulari debent. Talis autem 15applicatio fit per hoc, quod in notitiam eorum deducitur ex ipsa promulgatione; unde promulgatio ipsa necessaria est ad hoc, quod lex habeat suam virtutem.
Leerstelling. — Zooals hierboven gezegd is (1e Art.), wordt de wet aan anderen opgelegd bij wijze van norm en maatstaf. Norm en maatstaf echter worden opgelegd, doordat ze worden toegepast op datgene, wat geregeld en gemeten wordt. Vandaar moet de wet toegepast worden op de menschen, die volgens de wet moeten geregeld worden, om bindingskracht te verkrijgen, wat een eigenschap is van de wet, en die toepassing geschiedt 15doordat de wet door de afkondiging bekend gemaakt wordt. Vandaar is de afkondiging voor de kracht van de wet noodzakelijk.Leerstelling. — Zoals hierboven gezegd is (1e Art.), wordt de wet aan anderen opgelegd bij wijze van norm en maatstaf. Norm en maatstaf echter worden opgelegd, doordat ze worden toegepast op datgene, wat geregeld en gemeten wordt. Vandaar moet de wet toegepast worden op de mensen, die volgens de wet moeten geregeld worden, om bindingskracht te verkrijgen, wat een eigenschap is van de wet, en die toepassing geschiedt 15doordat de wet door de afkondiging bekend gemaakt wordt. Vandaar is de afkondiging voor de kracht van de wet noodzakelijk.
Et sic ex quatuor praedictis potest colligi definitio legis, quae nihil est aliud, quam quaedam rationis ordinatio ad bonum commune, ab eo qui curam communitatis habet promulgata.
Uit de voorgaande artikels kunnen we nu de definitie van de wet opzetten, die niets anders is dan een ordening van het verstand met betrekking tot het algemeen welzijn, afgekondigd door dengene die de zorg voor de gemeenschap heeft.
Ad primum ergo dicendum, quod promulgatio legis naturae est ex hoc ipso, quod Deus eam mentibus hominum inseruit naturaliter cognoscendam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De afkondiging van de natuurwet geschiedt, doordat God haar in de harten van de menschen heeft gelegd, zoo dat zij ze van nature kennen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De afkondiging van de natuurwet geschiedt, doordat God haar in de harten van de mensen heeft gelegd, zo dat zij ze van nature kennen.
Ad secundum dicendum, quod illi, coram quibus lex non promulgatur, obligantur ad legem observandam, inquantum in eorum notitiam devenit per alios, vel devenire potest promulgatione facta.
2. Zij, voor wie de wet niet is afgekondigd, worden verplicht tot onderhouding van de wet, voor zoover zij ze leeren kennen door anderen, of voor zoover zij ze kunnen kennen door de gedane afkondiging.2. Zij, voor wie de wet niet is afgekondigd, worden verplicht tot onderhouding van de wet, voor zover zij ze leren kennen door anderen, of voor zover zij ze kunnen kennen door de gedane afkondiging.
Ad tertium dicendum, quod promulgatio praesens in futurum extenditur per firmitatem scripturae, quae quodammodo semper eam promulgat; unde Isidorus dicit in 2. Etymologiarum [cap. 10.], quod lex a legendo vocata est, quia scripta est.
3. De afkondiging strekt zich over de toekomst uit, krachtens den duur van het schrift, dat de wet altijd op eenige wijze bekend maakt. Vandaar dat Isidorus in zijn Etymologieën (IIe B., Xe H.) zegt : « Voorschrift komt van schrijven, omdat het geschreven is ».3. De afkondiging strekt zich over de toekomst uit, krachtens de duur van het schrift, dat de wet altijd op enige wijze bekend maakt. Vandaar dat Isidorus in zijn Etymologieën (2e B., 10e H.) zegt: “Voorschrift komt van schrijven, omdat het geschreven is”.