De lege veteri
Over de oude wet
174Consequenter considerandum est de lege veteri : et primo de ipsa lege; secundo de praeceptis ejus. Circa primum quaeruntur sex. 1. Utrum lex vetus sit bona. — 2. Utrum sit a Deo. — 3. Utrum sit a Deo mediantibus angelis. — 4. Utrum data sit omnibus. — 5. Utrum omnes obliget. — 6. Utrum congruo tempore fuerit data.
174We moeten nu handelen over de Oude Wet, en wel ten eerste, over de Wet zelf, en ten tweede, over de voorschriften er van. Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen : 1) Is de Oude Wet goed? 2) Komt de Oude Wet van God? 3) Komt ze van God, door middel van de engelen? 4) Is ze voor allen gegegeven? 5) Verplicht ze allen? 6) Is ze gegeven in den geschikten tijd?174We moeten nu handelen over de Oude Wet, en wel ten eerste, over de Wet zelf, en ten tweede, over de voorschriften er van. Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen: 1. Is de Oude Wet goed? 2. Komt de Oude Wet van God? 3. Komt ze van God, door middel van de engelen? 4. Is ze voor allen gegegeven? 5. Verplicht ze allen? 6. Is ze gegeven in de geschikte tijd?
Utrum lex vetus fuerit bona
Was de Oude Wet goed?
175Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non fuerit bona : dicitur enim Ezech. 20 [v. 25] : « Dedi eis praecepta non bona, et judicia, in quibus non vivent ». Sed lex non dicitur bona, nisi propter bonitatem praeceptorum, quae continet; ergo lex vetus non fuit bona.
175Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet goed was. — 1. Ezechiel immers zegt (20, 25) : « Ik gaf hun geboden, die niet goed waren, en oordeelen, naar welke zij niet zouden leven ». Welnu een wet wordt alleen goed genoemd, omdat de voorschriften, welke ze bevat, goed zijn. Dus was de Oude Wet niet goed.175Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet goed was. — 1. Ezechiël immers zegt (20, 25): “Ik gaf hun geboden, die niet goed waren, en oordelen, naar welke zij niet zouden leven”. Welnu een wet wordt alleen goed genoemd, omdat de voorschriften, welke ze bevat, goed zijn. Dus was de Oude Wet niet goed.
2. Praeterea, ad bonitatem legis pertinet, ut communi saluti proficiat, sicut Isidorus dicit [lib. 5. Etym., cap. 21] ; sed lex vetus non fuit salutifera, sed magis mortifera, et nociva : dicit enim Apostolus Rom. 7 [v. 8 sqq.] : « Sine lege peccatum mortuum erat; ego autem vivebam sine lege aliquando; sed cum venisset mandatum, peccatum revixit; ego autem mortuus sum », et Rom. 5 [v. 20] : « Lex subintravit, ut abundaret delictum ». Ergo lex vetus non fuit bona.
2. Opdat een wet goed zou zijn, moet ze het algemeen welzijn ten nutte strekken, zooals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (Ve B., XXIe H.). Welnu de Oude Wet bracht geen nut, maar veeleer dood en nadeel, volgens het woord van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (7, 8 vv.) : « Zonder de Wet zou de zonde dood zijn. Leven deed ik eertijds zonder de Wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op; ik echter stierf ». En (5, 20) : « De wet is nog bijgekomen, zoodat er meer overtredingen geschieden ». Dus was de Oude Wet niet goed.2. Opdat een wet goed zou zijn, moet ze het algemeen welzijn ten nutte strekken, zoals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (5e B., 21e H.). Welnu de Oude Wet bracht geen nut, maar veeleer dood en nadeel, volgens het woord van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (7, 8 vv.): “Zonder de Wet zou de zonde dood zijn. Leven deed ik eertijds zonder de Wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op; ik echter stierf”. En (5, 20): “De wet is nog bijgekomen, zodat er meer overtredingen geschieden”. Dus was de Oude Wet niet goed.
1763. Praeterea, ad bonitatem legis pertinet, quod sit possibilis ad observandum, et secundum naturam, et secundum humanam consuetudinem; sed hoc non habuit lex vetus : dicit enim Petrus Act. 15 [v. 10] : « Quid tentatis imponere jugum super cervicem discipulorum, quod neque nos, neque patres nostri portare potuimus? » Ergo videtur, quod lex vetus non fuerit bona.
1763. Tot het goed-zijn van de wet behoort, dat ze onderhouden kan worden, dat ze overeenkomstig de natuur en de omstandigheden is. Maar dit had de Oude Wet niet. Petrus immers zegt (Handelingen, 15, 10) : « Maar waarom dan zoudt ge God beproeven, door op de schouders der leerlingen een juk te leggen, dat noch onze vaderen noch wij zelven hebben kunnen dragen? ». Daaruit blijkt, dat de Oude Wet niet goed was.1763. Tot het goed-zijn van de wet behoort, dat ze onderhouden kan worden, dat ze overeenkomstig de natuur en de omstandigheden is. Maar dit had de Oude Wet niet. Petrus immers zegt (Handelingen, 15, 10): “Maar waarom dan zoudt ge God beproeven, door op de schouders van de leerlingen een juk te leggen, dat noch onze vaderen noch wij zelven hebben kunnen dragen?”. Daaruit blijkt, dat de Oude Wet niet goed was.
Sed contra est, quod Apostolus dicit Rom. 7 [v. 12] : « Itaque lex quidem sancta est, et mandatum sanctum, et justum, et bonum »,
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (7, 12) : « Zoo dan is de Wet wel heilig, en het gebod heilig en rechtvaardig en goed ».Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (7, 12): “Zo dan is de Wet wel heilig, en het gebod heilig en rechtvaardig en goed”.
Respondeo dicendum, quod absque omni dubio lex vetus bona fuit. Sicut enim doctrina ostenditur esse vera ex hoc, quod consonat rationi rectae, ita etiam lex aliqua ostenditur esse bona ex hoc, quod consonat rationi. Lex autem vetus rationi consonabat, quia concupiscentiam reprimebat, quae rationi adversatur, ut patet in illi mandato : « Non concupisces rem proximi tui », 177quod ponitur Exod. 20 [v. 17]. Ipsa etiam omnia peccata prohibebat, quae sunt contra rationem; unde manifestum est, quod bona erat. Et haec est ratio Apostoli Rom. 7 [v. 22] : « Condelector, inquit, legi Dei secundum interiorem hominem ». Et iterum [v. 16] : « Consentio legi, quoniam bona est ».
Leerstelling. — Zonder eenigen twijfel was de Oude Wet goed. Want evenals men zien kan, dat een leer waar is, wanneer ze in overeenstemming is met de rechte rede, zoo ook kan men zien, dat een wet goed is, wanneer ze volgens de rede is. Welnu de Oude Wet was volgens de rechte rede, daar zij de onredelijke begeerlijkheid onderdrukte, zooals blijkt uit het voorschrift van de Oude Wet : « Gij zult het goed van uw naasten niet begeeren » (Exodus, 20, 17). Ook verhinderde de Oude Wet alle 177zonden, die tegen de rede ingingen. Het is dus duidelijk, dat de Oude Wet goed was. Daarom dan ook zegt de Apostel in den Brief aan de Romeinen (7, 22) : « Behagen heb ik in de wet van God naar den inwendigen mensch », en (t. a. pl., 16) : « Ik erken, dat de wet goed is ».Leerstelling. — Zonder enigen twijfel was de Oude Wet goed. Want evenals men zien kan, dat een leer waar is, wanneer ze in overeenstemming is met de rechte rede, zo ook kan men zien, dat een wet goed is, wanneer ze volgens de rede is. Welnu de Oude Wet was volgens de rechte rede, daar zij de onredelijke begeerlijkheid onderdrukte, zoals blijkt uit het voorschrift van de Oude Wet: “Gij zult het goed van uw naasten niet begeren” (Exodus, 20, 17). Ook verhinderde de Oude Wet alle 177zonden, die tegen de rede ingingen. Het is dus duidelijk, dat de Oude Wet goed was. Daarom dan ook zegt de Apostel in de Brief aan de Romeinen (7, 22): “Behagen heb ik in de wet van God naar de inwendige mens”, en (t.a.p., 16): “Ik erken, dat de wet goed is”.
Sed notandum est, quod bonum diversos gradus habet, ut Dionysius dicit 4. cap. de Div. Nom. Est enim aliquod bonum perfectum, et aliquod bonum imperfectum. Perfecta quidem bonitas est in his, quae ad finem ordinantur, quando aliquid est tale, quod per se est sufficiens inducere ad finem. Imperfectum autem bonum est, quod operatur aliquid ad hoc quod perveniatur ad finem; non tamen sufficit ad hoc quod ad finem perducat. Sicut medicina perfecte bona est, quae hominem sanat, imperfecta autem est, quae hominem adjuvat, sed tamen sanare non potest. Est autem sciendum, quod est alius finis legis humanae, et alius legis divinae : legis enim humanae finis est temporalis tranquillitas civitatis, ad quem finem pervenit lex cohibendo exteriores 178actus, quantum ad illa mala, quae possunt perturbare pacificum statum civitatis. Finis autem legis divinae est perducere hominem ad finem felicitatis aeternae, qui quidem finis impeditur per quodcumque peccatum, et non solum per actus exteriores, sed etiam per interiores; et ideo illud, quod sufficit ad perfectionem legis humanae, ut scilicet peccata prohibeat et poenam apponat, non sufficit ad perfectionem legis divinae; sed oportet, quod hominem totaliter faciat idoneum ad participationem felicitatis aeternae, quod quidem fieri non potest nisi per gratiam Spiritus Sancti, per quam « diffunditur charitas in cordibus nostris, » quae legem adimplet : « Gratia enim Dei vita aeterna », ut dicitur Rom. 6 [v. 23.]. Hanc autem gratiam lex vetus conferre non potuit : reservabatur enim hoc Christo, quia ut dicitur Joan. 1 [v. 17] : « Lex per Moysen data est, gratia et veritas per Jesum Christum facta est ». Et inde est, quod lex vetus bona quidem est, sed imperfecta, secundum illud Heb. 7 [v. 19] : « Nihil ad perfectum adduxit lex ».
Evenwel moeten we aanmerken, dat er volgens Dionysius (Over de Goddelijke Namen, IVe H.) verschillende graden zijn van goedzijn. Er is immers een volmaakt goed en een onvolmaakt. Met betrekking tot die dingen, die geordend zijn tot een doel, is datgene volmaakt goed, wat op zichzelf voldoende is om tot dat doel te leiden. Onvolmaakt goed is datgene, wat medewerkt met iets om tot het doel te komen, maar op zichzelf niet voldoende is om tot het doel te leiden. Zoo b. v. is een geneesmiddel volmaakt goed, wanneer het den mensch geneest; onvolmaakt, wanneer het den mensch helpt, terwijl het hem niet gezond kan maken. Nu moet men weten, dat het doel van de menschelijke wet anders is dan het doel van de goddelijke wet. Het doel van de menschelijke wet immers is de tijdelijke rust van den Staat. Dit doel bereikt de wet door de uiterlijke handelingen te verhinderen, die betrekking 178hebben op die verkeerde daden, welke de vrede in den Staat kunnen verstoren. Het doel echter van de goddelijke wet is den mensch te leiden tot de eeuwige gelukzaligheid. Dit doel wordt verhinderd door iedere zonde, niet alleen door uiterlijke daden, maar ook door innerlijke. Wat dus voldoende is voor de volmaaktheid van de menschelijke wet, zooals het verhinderen van zonden en het opleggen van straf, is niet voldoende voor de volmaaktheid van de goddelijke wet. Deze toch moet den mensch geheel en al geschikt maken voor de deelhebbing aan het eeuwig geluk. Dit kan niet geschieden, tenzij door de genade van den H. Geest, « waardoor de Liefde in onze harten wordt gestort », die de wet vervolmaakt : « De genade van God immers is het eeuwige leven », zooals we lezen in den Brief aan de Romeinen (6, 23). Deze genade kon de Oude Wet niet geven, daar dit weggelegd was voor Christus, volgens het woord van Johannes (1, 17) : « De Wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid kwam door Jesus Christus ». Hoewel dus de Oude Wet goed was, was zij toch onvolmaakt, overeenkomstig het woord van den Apostel in den Brief aan de Hebreeërs (7, 19) : « De Wet leidde tot niets volmaakts ».Evenwel moeten we aanmerken, dat er volgens Dionysius (Over de Goddelijke Namen, 4e H.) verschillende graden zijn van goedzijn. Er is immers een volmaakt goed en een onvolmaakt. Met betrekking tot die dingen, die geordend zijn tot een doel, is datgene volmaakt goed, wat op zichzelf voldoende is om tot dat doel te leiden. Onvolmaakt goed is datgene, wat medewerkt met iets om tot het doel te komen, maar op zichzelf niet voldoende is om tot het doel te leiden. Zo bv. is een geneesmiddel volmaakt goed, wanneer het de mens geneest; onvolmaakt, wanneer het de mens helpt, terwijl het hem niet gezond kan maken. Nu moet men weten, dat het doel van de menselijke wet anders is dan het doel van de goddelijke wet. Het doel van de menselijke wet immers is de tijdelijke rust van de Staat. Dit doel bereikt de wet door de uiterlijke handelingen te verhinderen, die betrekking 178hebben op die verkeerde daden, welke de vrede in de Staat kunnen verstoren. Het doel echter van de goddelijke wet is de mens te leiden tot de eeuwige gelukzaligheid. Dit doel wordt verhinderd door iedere zonde, niet alleen door uiterlijke daden, maar ook door innerlijke. Wat dus voldoende is voor de volmaaktheid van de menselijke wet, zoals het verhinderen van zonden en het opleggen van straf, is niet voldoende voor de volmaaktheid van de goddelijke wet. Deze toch moet de mens geheel en al geschikt maken voor de deelhebbing aan het eeuwig geluk. Dit kan niet geschieden, tenzij door de genade van de H. Geest, “waardoor de Liefde in onze harten wordt gestort”, die de wet vervolmaakt: “De genade van God immers is het eeuwige leven”, zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (6, 23). Deze genade kon de Oude Wet niet geven, daar dit weggelegd was voor Christus, volgens het woord van Johannes (1, 17): “De Wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid kwam door Jesus Christus”. Hoewel dus de Oude Wet goed was, was zij toch onvolmaakt, overeenkomstig het woord van de Apostel in de Brief aan de Hebreeërs (7, 19): “De Wet leidde tot niets volmaakts”.
179Ad primum ergo dicendum, quod Dominus loquitur ibi de praeceptis caeremonialibus; quae quidem dicuntur non bona, quia gratiam non conferebant, per quam homines a peccato mundarentur, cum tamen per hujusmodi se peccatores ostenderent; unde signanter dicitur : « Et judicia, in quibus non vivent », idest per quae vitam gratiae obtinere non possunt, et postea subditur : « Et pollui eos in muneribus suis », idest pollutos ostendi, « cum, offerent omne, quod aperit vulvam, propter delicta sua ».
179Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt op de aangehaalde plaats over de voorschriften die betrekking hebben op den eeredienst. Deze nu worden niet goed genoemd, daar ze de genade niet geven, waardoor de menschen van de zonde gezuiverd worden, hoewel daaruit wel bleek, dat de menschen zondaren waren. Vandaar wordt er met nadruk gezegd : « En oordeelen, volgens welke zij niet zullen leven », d. i. waardoor zij het leven door de genade niet kunnen verkrijgen. En verder volgde er : « En om hun zonden heb ik hun offers verontreinigd (d. i. aangetoond dat ze onrein waren) als zij offerden al wat den moederschoot opent ».179Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer spreekt op de aangehaalde plaats over de voorschriften die betrekking hebben op de eredienst. Deze nu worden niet goed genoemd, daar ze de genade niet geven, waardoor de mensen van de zonde gezuiverd worden, hoewel daaruit wel bleek, dat de mensen zondaren waren. Vandaar wordt er met nadruk gezegd: “En oordelen, volgens welke zij niet zullen leven”, d.i. waardoor zij het leven door de genade niet kunnen verkrijgen. En verder volgde er: “En om hun zonden heb ik hun offers verontreinigd (d.i. aangetoond dat ze onrein waren) als zij offerden al wat de moederschoot opent”.
Ad secundum dicendum, quod lex dicitur occidisse, non quidem effective, sed occasionaliter ex sua imperfectione, inquantum scilicet gratiam non conferebat, per quam homines implere possent quod mandabat, vel vitare quod vetabat : et sic occasio ista non erat data, sed sumpta ab hominibus; unde et Apostolus ibidem dicit : « Occasione accepta peccatum per mandatum seduxit me, et per illud occidit. » Ex hac etiam ratione dicitur, quod « lex subintravit, ut abundaret delictum, » ut ly « ut » teneatur consecutive, non causaliter; inquantum scilicet homines accipientes occasionem a lege 180abundantius peccaverunt, tum quia gravius fuit peccatum post legis prohibitionem, tum etiam quia concupiscentia crevit : magis enim concupiscimus, quod nobis prohibetur.
2. Men zegt, dat de wet dood maakt, niet als een bewerkende oorzaak, maar als een aanleiding, nl. krachtens haar onvolmaaktheid, in zoover zij de genade niet mededeelde, waardoor de menschen konden doen wat geboden, en laten wat verboden was. Zoo was er eigenlijk geen aanleiding gegeven, maar kwam ze van de menschen voort. Vandaar zegt de Apostel t. a. pl. : « Naar aanleiding van het gebod heeft de zonde mij verleid en mij door het gebod gedood ». Om dezelfde reden zegt hij ook : « De Wet is nog bijgekomen, zoodat er meer overtredingen geschieden ». Hier moet het woord zoodat gevolgen-aangevend 180genomen worden, en niet oorzakelijk, in zoover nl. de menschen in de Wet een aanleiding gevonden hebben om nog meer te zondigen, én omdat de zonde zwaarder was na het verbod van de Wet, én omdat de begeerte aangroeide; immers wat ons verboden wordt, begeeren we juist te meer.2. Men zegt, dat de wet dood maakt, niet als een bewerkende oorzaak, maar als een aanleiding, nl. krachtens haar onvolmaaktheid, in zover zij de genade niet mededeelde, waardoor de mensen konden doen wat geboden, en laten wat verboden was. Zo was er eigenlijk geen aanleiding gegeven, maar kwam ze van de mensen voort. Vandaar zegt de Apostel t.a.p.: “Naar aanleiding van het gebod heeft de zonde mij verleid en mij door het gebod gedood”. Om dezelfde reden zegt hij ook: “De Wet is nog bijgekomen, zodat er meer overtredingen geschieden”. Hier moet het woord zodat gevolgen-aangevend 180genomen worden, en niet oorzakelijk, in zover nl. de mensen in de Wet een aanleiding gevonden hebben om nog meer te zondigen, én omdat de zonde zwaarder was na het verbod van de Wet, én omdat de begeerte aangroeide; immers wat ons verboden wordt, begeren we juist te meer.
Ad tertium dicendum, quod jugum legis servari non poterat sine gratia adjuvante, quam lex non dabat : dicitur enim Rom. 9 [v. 16] : « Non est volentis, neque currentis », scilicet velle et currere in praeceptis Dei, « sed miserentis Dei ». Unde in Ps. 118 [v. 32] dicitur : « Viam mandatorum tuorum cucurri, cum dilatasti cor meum », scilicet per donum gratiae, et charitatis.
3. Het juk van de Wet kon niet onderhouden worden zonder de hulp van de genade, die de Wet echter niet gaf. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (9, 16) : « Willen of loopen baten niet », nl. willen en loopen volgens de voorschriften van God, « maar wel de barmhartigheid van God ». Vandaar lezen we in Psalm 118 (32) : « Den weg van uw geboden heb ik geloopen, daar gij mijn hart verruimd hebt », nl. door de genade en de liefde.3. Het juk van de Wet kon niet onderhouden worden zonder de hulp van de genade, die de Wet echter niet gaf. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (9, 16): “Willen of lopen baten niet”, nl. willen en lopen volgens de voorschriften van God, “maar wel de barmhartigheid van God”. Vandaar lezen we in Psalm 118a (32): “De weg van uw geboden heb ik gelopen, daar gij mijn hart verruimd hebt”, nl. door de genade en de liefde.
Utrum lex vetus fuerit a Deo
Kwam de Oude Wet van God?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non fuerit a Deo : dicitur enim Deuter. 32 [v. 4] : « Dei perfecta sunt opera ». 181Sed lex vetus fuit imperfecta, ut supra dictum est [art. praec.] ; ergo lex vetus non fuit a Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet van God kwam. — 1. We lezen immers in Deuteronomium (32, 4) : 181« Van God komen volmaakte werken. » Maar zooals (in het vorig Artikel) gezegd is, was de Oude Wet niet volmaakt. Dus kwam ze niet van God.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet van God kwam. — 1. We lezen immers in Deuteronomium (32, 4): 181“Van God komen volmaakte werken.” Maar zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, was de Oude Wet niet volmaakt. Dus kwam ze niet van God.
2. Praeterea, Eccle. 3 [v. 14] dicitur : « Didici, quod omnia opera quae fecit Deus, perseverent in aeternum ». Sed lex vetus non perseverat in aeternum : dicit enim Apostolus ad Heb. 7 [v. 18] : « Reprobatio fit quidem praecedentis mandati propter infirmitatem ejus et inutilitatem ». Ergo lex vetus non fuit a Deo.
2. In het Boek Ecclesiastes (3, 14) wordt gezegd : « Ik heb geleerd, dat alle werken die God gemaakt heeft voortduren in eeuwigheid ». Welnu de Oude Wet duurt niet in eeuwigheid voort, volgens het woord van den Apostel in den Brief aan de Hebreërs : (7, 18) : « Want afgeschaft wordt dan het voorgaande gebod om zijn zwakheid en nutteloosheid ». Dus kwam de Oude Wet niet van God.2. In het Boek Prediker (3, 14) wordt gezegd: “Ik heb geleerd, dat alle werken die God gemaakt heeft voortduren in eeuwigheid”. Welnu de Oude Wet duurt niet in eeuwigheid voort, volgens het woord van de Apostel in de Brief aan de Hebreërs: (7, 18): “Want afgeschaft wordt dan het voorgaande gebod om zijn zwakheid en nutteloosheid”. Dus kwam de Oude Wet niet van God.
3. Praeterea, ad sapientem legislatorem pertinet non solum mala auferre, sed etiam occasiones malorum; sed vetus lex fuit occasio peccati, ut supra dictum est [art. praec.] ; ergo ad Deum, « cui nullus est similis in legislatoribus », ut dicitur Job 36 [v. 22], non pertinebat legem talem dare.
3. Een wijs wetgever heft niet alleen het kwaad op, maar ook de gelegenheden tot kwaad. Welnu de Oude Wet was een gelegenheid tot kwaad, nl. zooals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus paste het niet dat God, « die zijn gelijke niet heeft onder de wetgevers » (Job, 36, 22) zulk een wet maakte.3. Een wijs wetgever heft niet alleen het kwaad op, maar ook de gelegenheden tot kwaad. Welnu de Oude Wet was een gelegenheid tot kwaad, nl. zoals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus paste het niet dat God, “die zijn gelijke niet heeft onder de wetgevers” (Job, 36, 22) zulk een wet maakte.
4. Praeterea, 1 ad Tim. 2. [v. 4] dicitur, quod « Deus vult omnes homines salvos fieri ». Sed lex vetus non sufficiebat ad salutem hominum, ut supra dictum est [art. praec.] ; ergo ad Deum non pertinebat talem legem dare; lex ergo vetus non est a Deo.
4. In den In Brief aan Timotheus (2, 4) staat, dat God wil, dat alle menschen zalig worden. Welnu zooals (in het vorig Artikel) gezegd is, was de Oude Wet niet voldoende ter zaligheid. Dus paste het God niet, dergelijke wet te geven.4. In de 1e Brief aan Timoteüs (2, 4) staat, dat God wil, dat alle mensen zalig worden. Welnu zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, was de Oude Wet niet voldoende ter zaligheid. Dus paste het God niet, dergelijke wet te geven.
182Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. 15 [v. 6], loquens Judaeis, quibus erat lex vetus data : « Irritum fecistis mandatum Dei propter traditiones vestras », et paulo ante praemittitur : « Honora patrem tuum, et matrem tuam », quod manifeste in lege veteri continetur; ergo lex vetus est a Deo.
182Maar daartegenover staat het gezegde van den Heer tot de Joden, aan wie de Oude Wet gegeven was (Mattheus, 15, 6) : « Om uw overlevering hebt gij Gods gebod te niet gedaan », waaraan Hij laat voorafgaan : « Eer uw vader en moeder », wat blijkbaar in de Oude Wet vervat was. Dus komt de Oude Wet van God.182Maar daartegenover staat het gezegde van de Heer tot de Joden, aan wie de Oude Wet gegeven was (Matteüs, 15, 6): “Om uw overlevering hebt gij Gods gebod te niet gedaan”, waaraan Hij laat voorafgaan: “Eer uw vader en moeder”, wat blijkbaar in de Oude Wet vervat was. Dus komt de Oude Wet van God.
Respondeo dicendum, quod lex vetus a bono Deo data est, qui est pater Domini nostri Jesu Christi; lex enim vetus homines ordinabat ad Christum dupliciter. Uno quidem modo testimonium Christo perhibendo; unde ipse dicit Luc. ult. [v. 44] : « Oportet impleri omnia, quae scripta sunt in lege, et in Psalmis, et in Prophetis de me », et Joan. 5 [v. 46] : « Si crederetis Moysi, crederetis forsitan et mihi : de me enim ille scripsit ». Alio modo per modum cujusdam dispositionis, dum retrahens homines a cultu idololatriae, concludebat eos sub cultu unius Dei, a quo salvandum erat humanum genus per Christum; unde Apostolus dicit ad Gal. 3 [v. 23] : « Priusquam 183veniret fides, sub lege custodiebamur conclusi in eam fidem, quae revelanda erat ». Manifestum est autem, quod ejusdem est disponere ad finem, et ad finem perducere; et dico ejusdem per se, vel per suos subditos; non enim diabolus legem tulisset, per quam homines adducerentur ad Christum, per quem erat ejiciendus, secundum illud Matth. 12. [v. 26] : « Si Satanas Satanam ejicit, divisum est regnum ejus ». Et ideo ab eodem Deo, a quo facta est salus hominum per gratiam Christi, lex vetus data est.
Leerstelling. — De Oude Wet is door den goeden God, die de Vader is van Onzen Heer Jesus Christus, gegeven. Immers de Oude Wet ordende de menschen op twee manieren tot Christus. Ten eerste, door een getuigenis van Christus te geven; vandaar zegt Christus (Lucas, 24, 44) : « Alles behoort vervuld te worden, wat in de Wet en in de Profeten en de Psalmen van Mij geschreven staat », en bij Joannes (5, 46) : « Indien gij in Mozes gelooft, gelooft dan ook in mij; over mij immers heeft hij geschreven ». Ten tweede, door een bepaalde gesteltenis, in zoover zij de menschen, terwijl zij hen van afgoderij afhield, getrouw deed blijven aan den dienst van den waren God, waardoor het menschelijk geslacht door Christus verlost moet worden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 23) : 183« Eer het geloof kwam, waren wij door de Wet bewaakt, opgesloten, met het uitzicht op het geloof, dat moest geopenbaard worden ». Nu is het duidelijk, dat het dezelfde is, die de gesteltenis geeft tot het doel en die tot het doel leidt; ik zeg dezelfde, maar die kan het doen, ofwel persoonlijk, ofwel door zijn onderdanen; want niet de duivel zou de Wet gemaakt hebben, die voerde tot Christus, door Wien hij zelf zou uitgedreven worden, volgens het woord van Mattheus (12, 26) : « Indien Satan den Satan uitdrijft, is zijn rijk verdeeld ». Bijgevolg is de Oude Wet gegeven door denzelfden God, door Wien ook het heil van de menschen door de genade van Christus gegeven is.Leerstelling. — De Oude Wet is door de goede God, die de Vader is van Onze Heer Jesus Christus, gegeven. Immers de Oude Wet ordende de mensen op twee manieren tot Christus. Ten eerste, door een getuigenis van Christus te geven; vandaar zegt Christus (Lukas, 24, 44): “Alles behoort vervuld te worden, wat in de Wet en in de Profeten en de Psalmen van Mij geschreven staat”, en bij Johannes (5, 46): “Indien gij in Mozes gelooft, gelooft dan ook in mij; over mij immers heeft hij geschreven”. Ten tweede, door een bepaalde gesteltenis, in zover zij de mensen, terwijl zij hen van afgoderij afhield, getrouw deed blijven aan de dienst van de ware God, waardoor het menselijk geslacht door Christus verlost moet worden. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 23): 183“Eer het geloof kwam, waren wij door de Wet bewaakt, opgesloten, met het uitzicht op het geloof, dat moest geopenbaard worden”. Nu is het duidelijk, dat het dezelfde is, die de gesteltenis geeft tot het doel en die tot het doel leidt; ik zeg dezelfde, maar die kan het doen, ofwel persoonlijk, ofwel door zijn onderdanen; want niet de duivel zou de Wet gemaakt hebben, die voerde tot Christus, door Wie hij zelf zou uitgedreven worden, volgens het woord van Matteüs (12, 26): “Indien Satan de Satan uitdrijft, is zijn rijk verdeeld”. Bijgevolg is de Oude Wet gegeven door dezelfde God, door Wie ook het heil van de mensen door de genade van Christus gegeven is.
Ad primum ergo dicendum, quod nihil prohibet aliquid non esse perfectum simpliciter, quod tamen est perfectum, secundum tempus, sicut dicitur aliquis puer perfectus, non simpliciter, sed secundum temporis conditionem. Ita etiam praecepta, quae pueris dantur, sunt quidem perfecta secundum conditionem eorum, quibus dantur, etsi non sint perfecta simpliciter, et talia fuerunt praecepta legis. Unde Apostolus dicit ad Gal. 3 [v. 24] : « Lex paedagogus noster fuit in Christo ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets niet volmaakt is onder ieder opzicht, wat echter wel volmaakt is, overeenkomstig zijn tijd, zooals een jongeling niet onder alle opzichten volmaakt is, maar wel overeenkomstig de voorwaarden van zijn leeftijd. Zoo ook zijn de voorschriften, aan jongelieden gegeven, volmaakt in verhouding tot degenen, voor wie ze gegeven zijn, hoewel zij niet onder ieder opzicht volmaakt zijn. Hetzelfde geldt ook voor de voorschriften der Wet. 184Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 24) : « De Wet was onze paedagoog tot Christus. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets niet volmaakt is onder ieder opzicht, wat echter wel volmaakt is, overeenkomstig zijn tijd, zoals een jongeling niet onder alle opzichten volmaakt is, maar wel overeenkomstig de voorwaarden van zijn leeftijd. Zo ook zijn de voorschriften, aan jongelieden gegeven, volmaakt in verhouding tot degenen, voor wie ze gegeven zijn, hoewel zij niet onder ieder opzicht volmaakt zijn. Hetzelfde geldt ook voor de voorschriften van de Wet. 184Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 24): “De Wet was onze pedagoog tot Christus.”
184Ad secundum dicendum, quod opera Dei perseverant in aeternum, quae sic Deus fecit, ut in aeternum perseverent, et haec sunt ea, quae sunt perfecta. Lex autem vetus reprobatur tempore perfectionis gratiae, non tamquam mala, sed tamquam infirma et inutilis pro isto tempore, quia, ut subdit, « nihil ad perfectum adduxit lex »; unde ad Galat. 3 [v. 25] dicit Apostolus: « Ubi venit fides jam non sumus sub paedagogo ».
2. De werken van God duren in eeuwigheid voort, wanneer God ze zóó maakt, dat ze in eeuwigheid voortduren; en dat zijn die werken die volmaakt zijn. De Oude Wet nu werd afgeschaft ten tijde van de volmaaktheid der genade, niet alsof ze slecht was, maar als voor dien tijd zwak en nutteloos, daar zij volgens den Apostel tot niets volmaakts leidde. Vandaar zegt de Apostel dan ook (Brief aan de Galaten, 3, 25) : « Daar het Geloof nu gekomen is, staan wij niet meer onder den paedagoog ».2. De werken van God duren in eeuwigheid voort, wanneer God ze zó maakt, dat ze in eeuwigheid voortduren; en dat zijn die werken die volmaakt zijn. De Oude Wet nu werd afgeschaft ten tijde van de volmaaktheid van de genade, niet alsof ze slecht was, maar als voor die tijd zwak en nutteloos, daar zij volgens de Apostel tot niets volmaakts leidde. Vandaar zegt de Apostel dan ook (Brief aan de Galaten, 3, 25): “Daar het Geloof nu gekomen is, staan wij niet meer onder de pedagoog”.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 79. art. 4.], Deus aliquando permittit aliquos cadere in peccatum, ut exinde humilientur. Ita etiam voluit talem legem dare, quam suis viribus homines implere non possent, ut sic, dum homines praesumentes de se peccatores se invenirent, humiliati recurrerent ad auxilium gratiae.
3. Zooals vroeger gezegd is (LXXIXe Kw., 4e Art.), laat God soms toe, dat eenigen in de zonde vallen, opdat ze zich zouden vernederen. Zoo ook heeft Hij zulk een wet willen geven, die de menschen uit eigen kracht niet zouden kunnen volbrengen, opdat de menschen, terwijl ze, te veel op zichzelf vertrouwend, ondervinden dat zij zondaren zijn, hulp zouden zoeken in de genade, na zich vernederd te hebben.3. Zoals vroeger gezegd is (79e Kw., 4e Art.), laat God soms toe, dat enigen in de zonde vallen, opdat ze zich zouden vernederen. Zo ook heeft Hij zulk een wet willen geven, die de mensen uit eigen kracht niet zouden kunnen volbrengen, opdat de mensen, terwijl ze, te veel op zichzelf vertrouwend, ondervinden dat zij zondaren zijn, hulp zouden zoeken in de genade, na zich vernederd te hebben.
Ad quartum dicendum, quod quamvis lex vetus non sufficeret ad salvandum homines, tamen aderat aliud auxilium a Deo hominibus simul cum lege, per quod salvari poterant, scilicet fides Mediatoris, per quam justificati sunt antiqui patres, sicut etiam nos justificamur. Et sic Deus non deficiebat hominibus, quin daret eis salutis auxilia.
4. Ofschoon de Oude Wet niet voldoende was om de menschen zalig te maken, was er toch tegelijk met de Wet, een andere hulp van God voor de menschen, waardoor zij zalig 185konden worden, nl. het geloof aan den Middelaar, waardoor de oude vaders rechtvaardig gemaakt werden, gelijk ook wij rechtvaardig gemaakt worden. Zoodus was God niet te kort geschoten bij de menschen, in het hulp geven voor de zaligheid.4. Ofschoon de Oude Wet niet voldoende was om de mensen zalig te maken, was er toch tegelijk met de Wet, een andere hulp van God voor de mensen, waardoor zij zalig 185konden worden, nl. het geloof aan de Middelaar, waardoor de oude vaders rechtvaardig gemaakt werden, gelijk ook wij rechtvaardig gemaakt worden. Zoodus was God niet te kort geschoten bij de mensen, in het hulp geven voor de zaligheid.
Utrum lex vetus data fuerit per angelos
Kwam de Oude Wet van God door middel van de engelen?
185Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non fuerit data per angelos, sed immediate a Deo : angelus enim nuntius dicitur, et sic nomen angeli ministerium importat, non dominium, secundum illud Psal. 102 [v. 20 sq.] : « Benedicite Domino, omnes Angeli ejus... ministri ejus ». Sed vetus lex a Domino tradita esse perhibetur : dicitur enim Exod. 20 [v. 1] : « Locutusque est Dominus sermones hos », et postea subditur : « Ego enim sum Dominus Deus tuus ». Et idem modus loquendi frequenter reperitur in Exodo, et in libris consequentibus legis; ergo lex est immediate data a Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet gegeven is door middel van de engelen, maar onmiddellijk door God. — 1. De Engelen immers worden gezanten genoemd. Daarom behoort het tot hun ambt te dienen en niet te gebieden, volgens het woord van den Psalm (102, 20) : « Zegent den Heer, al zijn engelen, zijn dienaren ». Welnu de Oude Wet is door God gegeven volgens Exodus (20, 1) : « Deze dingen heeft de Heer gesproken », en verder : « Ik ben de Heer uw God ». Dergelijke gezegden vinden we dikwijls in het Boek Exodus, en in de overige Boeken van de Wet. Dus is de Wet onmiddellijk door God gegeven.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet gegeven is door middel van de engelen, maar onmiddellijk door God. — 1. De Engelen immers worden gezanten genoemd. Daarom behoort het tot hun ambt te dienen en niet te gebieden, volgens het woord van de Psalm (102, 20)a: “Zegent de Heer, al zijn engelen, zijn dienaren”. Welnu de Oude Wet is door God gegeven volgens Exodus (20, 1): “Deze dingen heeft de Heer gesproken”, en verder: “Ik ben de Heer uw God”. Dergelijke gezegden vinden we dikwijls in het Boek Exodus, en in de overige Boeken van de Wet. Dus is de Wet onmiddellijk door God gegeven.
1862. Praeterea, sicut dicitur Joan. 1 [v. 17] : « Lex per Moysen data est ». Sed Moyses immediate accepit a Deo, dicitur enim Exod. 33 [v. 11] : « Loquebatur Dominus ad Moysen facie ad faciem, sicut loqui solet amicus ad amicum suum ». Ergo lex vetus immediate data est a Deo.
1862. Volgens Johannes (1, 17) is de Wet door Mozes gegeven. Welnu Mozes heeft haar onmiddellijk van God ontvangen, volgens het Boek Exodus (33, 11) : « De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zooals een vriend pleegt te spreken tot zijn vriend ». Dus is de Wet onmiddellijk door God gegeven.1862. Volgens Johannes (1, 17) is de Wet door Mozes gegeven. Welnu Mozes heeft haar onmiddellijk van God ontvangen, volgens het Boek Exodus (33, 11): “De Heer sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een vriend pleegt te spreken tot zijn vriend”. Dus is de Wet onmiddellijk door God gegeven.
3. Praeterea, ad solum principem pertinet legem ferre, ut supra dictum est [q. 90. art. 3] : sed solus Deus est princeps salutis animarum, angeli vero sunt « administratorii spiritus », ut dicitur ad Hebr. 1 [v. 14] ; ergo lex vetus per angelos dari non debuit, cum ordinaretur ad animarum salutem.
3. Gelijk vroeger gezegd is (XCe Kw., 3e Art.), mag slechts de vorst wetten geven. Welnu alleen God is de vorst van de zaligheid der zielen, terwijl de Engelen de dienaren zijn van den geest, zooals de Brief aan de Hebreërs zegt (1, 14). Dus kon de Oude Wet niet door de engelen gegeven worden, daar zij geordend was tot de zaligheid der zielen.3. Gelijk vroeger gezegd is (90e Kw., 3e Art.), mag slechts de vorst wetten geven. Welnu alleen God is de vorst van de zaligheid van de zielen, terwijl de Engelen de dienaren zijn van de geest, zoals de Brief aan de Hebreërs zegt (1, 14). Dus kon de Oude Wet niet door de engelen gegeven worden, daar zij geordend was tot de zaligheid van de zielen.
Sed contra est, quod dicit Apostolus ad Galat. 3 [v. 19] : « Lex data est per angelos in manu mediatoris », et Act. 7 [v. 53] dicit Stephanus : « Accepistis legem in dispositione angelorum ».
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 19) : « De Wet werd door de Engelen besteld in de hand van een middelaar ». En Stephanus zegt (Handelingen, 7, 53) : « De Wet hebt gij ontvangen door beschikking van de engelen ».Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 19): “De Wet werd door de Engelen besteld in de hand van een middelaar”. En Stephanus zegt (Handelingen, 7, 53): “De Wet hebt gij ontvangen door beschikking van de engelen”.
Respondeo dicendum, quod lex data est a Deo per angelos : et praeter rationem generalem, quam Dionysius assignat in 4. cap. Coel. Hierar., quod 187« divina debent deferri ad homines mediantibus angelis », specialis ratio est, quare legem veterem per angelos dari oportuit. Dictum est enim [art. 1 huj. q. ], quod lex vetus imperfecta erat, sed disponebat ad salutem perfectam generis humani, quae futura erat per Christum. Sic autem videtur in omnibus potestatibus et artibus ordinatis, quod ille qui est superior, principalem et perfectum actum operatur per seipsum; ea vero quae disponunt ad perfectionem ultimam, operatur per suos ministros : sicut navifactor compaginat navem per seipsum, sed praeparat materiam per artifices subministrantes.
Leerstelling. — God heeft de wet gegeven door middel van de engelen. Buiten de algemeene reden, die Dionysius 187aangeeft (Over de hemelsche Koren, IVe H.), dat nl. de goddelijke dingen afdalen tot de menschen door middel van de engelen, is er nog een speciale reden, waarom de Oude Wet door middel van de engelen gegeven moest worden. We hebben immers (in het eerste Artikel) gezegd, dat de Oude Wet onvolmaakt was, maar dat zij een voorbereiding was tot het volmaakte heil der menschen, dat door Christus komen zou. Aldus nu gaat het in alle geordende machten en kunstvaardigheden, dat hij, die de hoogste oorzaak is, de volmaakte en voornaamste werking zelf verricht, terwijl hij die werkingen, die bijdragen tot de laatste volmaaktheid, laat doen door zijn dienaren, gelijk een scheepsbouwer zelf het schip samenstelt, maar de onderdeelen door ondergeschikte vaklieden laat voorbereiden.Leerstelling. — God heeft de wet gegeven door middel van de engelen. Buiten de algemene reden, die Dionysius 187aangeeft (Over de hemelse Koren, 4e H.), dat nl. de goddelijke dingen afdalen tot de mensen door middel van de engelen, is er nog een speciale reden, waarom de Oude Wet door middel van de engelen gegeven moest worden. We hebben immers (in het eerste Artikel) gezegd, dat de Oude Wet onvolmaakt was, maar dat zij een voorbereiding was tot het volmaakte heil van de mensen, dat door Christus komen zou. Aldus nu gaat het in alle geordende machten en kunstvaardigheden, dat hij, die de hoogste oorzaak is, de volmaakte en voornaamste werking zelf verricht, terwijl hij die werkingen, die bijdragen tot de laatste volmaaktheid, laat doen door zijn dienaren, gelijk een scheepsbouwer zelf het schip samenstelt, maar de onderdelen door ondergeschikte vaklieden laat voorbereiden.
Et ideo conveniens fuit, ut lex perfecta novi testamenti daretur immediate per ipsum Deum hominem factum, lex autem vetus per ministros Dei, scilicet per angelos, daretur hominibus. Et per hunc modum Apostolus ad Hebr. probat eminentiam novae legis ad veterem, quia in novo testamento « locutus est nobis Deus in Filio suo, » [1, v. 2], in veteri autem testamento « est sermo factus per angelos » [2, v. 2].
Zoodus was het goed, dat de volmaakte wet van het Nieuwe Testament onmiddellijk door den menschgeworden God gegeven werd; de Oude Wet echter door de dienaren van God, nl. de engelen. Op die manier bewijst de Apostel in den Brief aan de Hebreërs ook de verhevenheid der Nieuwe Wet boven de Oude, omdat in het Nieuwe Testament « God tot ons gesproken heeft in Zijn Zoon » (1, 2), terwijl Hij in het Oude Testament « gesproken heeft door de Engelen. » (2, 2).Zoodus was het goed, dat de volmaakte wet van het Nieuwe Testament onmiddellijk door de mensgeworden God gegeven werd; de Oude Wet echter door de dienaren van God, nl. de engelen. Op die manier bewijst de Apostel in de Brief aan de Hebreërs ook de verhevenheid van de Nieuwe Wet boven de Oude, omdat in het Nieuwe Testament “God tot ons gesproken heeft in Zijn Zoon” (1, 2), terwijl Hij in het Oude Testament “gesproken heeft door de Engelen.” (2, 2).
188Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Gregorius dicit in principio Moralium [in Praefat. cap. 1.] : « Angelus, qui Moysi apparuisse describitur, modo Angelus, modo Dominus memoratur : Angelus videlicet propter hoc quod exterius loquendo serviebat; Dominus autem dicitur, quia interius praesidens loquendi efficaciam ministrabat ». Et inde est etiam, quod quasi ex persona Domini angelus loquebatur.
188Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius zegt in het begin van zijn Zedekundige Verhandelingen (Voorwoord, Ie H.) ; « De engel, die, naar geschreven is, aan Mozes verschenen is, wordt nu een engel, dan weer Heer genoemd; engel, daar hij diende door uiterlijk te spreken; Heer, daar hij, innerlijk aanwezig, kracht gaf aan zijn woorden. » Vandaar ook sprak de engel als was hij de Heer zelf geweest.188Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gregorius zegt in het begin van zijn Zedekundige Verhandelingen (Voorwoord, 1e H.); “De engel, die, naar geschreven is, aan Mozes verschenen is, wordt nu een engel, dan weer Heer genoemd; engel, daar hij diende door uiterlijk te spreken; Heer, daar hij, innerlijk aanwezig, kracht gaf aan zijn woorden.” Vandaar ook sprak de engel als was hij de Heer zelf geweest.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit 12. super Gen. ad literam [cap. 27], in Exod. [33, v. 11] dicitur : Locutus est Dominus Moysi facie ad faciem, et paulo post subditur : Ostende mihi gloriam tuam : « Sentiebat ergo quod videbat, et quod non videbat desiderabat ». Non ergo videbat ipsam Dei essentiam, et ita non immediate ab eo instruebatur. Quod ergo dicitur, quod loquebatur ei facie ad faciem, secundum opinionem populi loquitur Scriptura, qui putabat Moysen ore ad os loqui cum Deo, cum per subjectam creaturam, idest per angelum et nubem, ei loqueretur et appareret; vel per visionem faciei intelligitur quaedam eminens contemplatio et familiaris, infra essentiae divinae visionem.
2. Op het gezegde in Exodus (31, 2) : « De Heer sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht », en een weinig verder : « Toon mij uw glorie », teekent Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der Schepping aan (XIIe B., XXVIIe H.) : « Hij gevoelde dus, wat hij zag, en wat hij niet zag, verlangde hij ». Dus zag hij Gods wezen zelf niet, en werd dus niet onmiddellijk door God zelf onderricht. Waar er echter gezegd wordt : hij sprak met hem van aangezicht tot aangezicht, daar spreekt de Schrift overeenkomstig de meening van het volk, dat meende, dat Mozes van mond tot mond met God sprak, terwijl God in werkelijkheid met hem sprak en aan hem verscheen, verscholen achter een schepsel, nl. een engel in een wolk. Het zien van aangezicht tot aangezicht kan ook verstaan worden van 189een hoogere en intieme beschouwing, waardoor echter Mozes Gods wezen niet aanschouwde.2. Op het gezegde in Exodus (31, 2): “De Heer sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht”, en een weinig verder: “Toon mij uw glorie”, tekent Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de Schepping aan (12e B., 27e H.): “Hij gevoelde dus, wat hij zag, en wat hij niet zag, verlangde hij”. Dus zag hij Gods wezen zelf niet, en werd dus niet onmiddellijk door God zelf onderricht. Waar er echter gezegd wordt: hij sprak met hem van aangezicht tot aangezicht, daar spreekt de Schrift overeenkomstig de mening van het volk, dat meende, dat Mozes van mond tot mond met God sprak, terwijl God in werkelijkheid met hem sprak en aan hem verscheen, verscholen achter een schepsel, nl. een engel in een wolk. Het zien van aangezicht tot aangezicht kan ook verstaan worden van 189een hogere en intieme beschouwing, waardoor echter Mozes Gods wezen niet aanschouwde.
189Ad tertium dicendum, quod solius principis est sua auctoritate legem instituere; sed quandoque legem institutam per alios promulgat, et ita Deus sua auctoritate instituit legem, sed per angelos promulgavit.
3. Het komt alleen aan een vorst toe uit eigen macht wetten te maken. Soms echter wordt een eenmaal gemaakte wet door anderen bekend gemaakt. Zoo heeft God krachtens zijn gezag Zelf de Wet gemaakt, maar door engelen laten afkondigen.3. Het komt alleen aan een vorst toe uit eigen macht wetten te maken. Soms echter wordt een eenmaal gemaakte wet door anderen bekend gemaakt. Zo heeft God krachtens zijn gezag Zelf de Wet gemaakt, maar door engelen laten afkondigen.
Utrum lex vetus dari debuerit soli populo judaeorum
Moest de Oude Wet alleen voor het Joodsche Volk gegeven worden?Moest de Oude Wet alleen voor het Joodse Volk gegeven worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non debuit dari soli populo Judaeorum : lex enim vetus disponebat ad salutem, quae futura erat per Christum, ut dictum est [art. praec.] ; sed salus illa non erat futura solum in Judaeis, sed in omnibus gentibus, secundum illud Isa. 49 [v. 6] : « Parum est, ut sis mihi servus ad suscitandas tribus Jacob, et faeces Israël 190convertendas, dedi te in lucem gentium, ut sis salus mea usque ad extremum terrae ». Ergo lex vetus dari debuit omnibus gentibus, et non uni populo tantum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet alleen voor het Joodsche volk moest gegeven worden. — 1. De Oude Wet immers voerde tot het heil, dat komen zou door Christus, zooals (in het vorig Artikel) gezegd is. Welnu dit heil zou niet alleen komen voor de Joden, maar voor alle volkeren, overeenkomstig het woord van Isaïas (49, 6) : « Te gering is het, dat gij mij een dienstknecht zoudt zijn om de stammen van 190Jacob op te richten en de heffe van Israël terug te voeren; zie, Ik heb u gesteld ten licht voor de heidenen, opdat Gij mijn heil zijt tot aan het uiteinde der aarde. » Dus moest de Oude Wet aan alle volkeren gegeven worden en niet slechts aan één enkel.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet alleen voor het Joodse volk moest gegeven worden. — 1. De Oude Wet immers voerde tot het heil, dat komen zou door Christus, zoals (in het vorig Artikel) gezegd is. Welnu dit heil zou niet alleen komen voor de Joden, maar voor alle volkeren, overeenkomstig het woord van Jesaja (49, 6): “Te gering is het, dat gij mij een dienstknecht zoudt zijn om de stammen van 190Jacob op te richten en de heffe van Israël terug te voeren; zie, Ik heb u gesteld ten licht voor de heidenen, opdat Gij mijn heil zijt tot aan het uiteinde van de aarde.” Dus moest de Oude Wet aan alle volkeren gegeven worden en niet slechts aan één enkel.
2. Praeterea, sicut dicitur Act. 10 [v. 34 sqq.] : « Non est personarum acceptor Deus, sed in omni gente qui timet Deum et facit justitiam, acceptus est illi ». Non ergo magis uni populo, quam aliis viam salutis debuit aperire.
2. In de Handelingen der Apostelen (10, 34 v. v.) wordt gezegd : « God kent geen aanzien des persoons; maar onder ieder volk is wie Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig. » Dus moest Hij den weg der zaligheid niet méér openen voor een bepaald volk dan voor de andere.2. In de Handelingen van de Apostelen (10, 34 v. v.) wordt gezegd: “God kent geen aanzien des persoons; maar onder ieder volk is wie Hem vreest en gerechtigheid doet, Hem welgevallig.” Dus moest Hij de weg van de zaligheid niet méér openen voor een bepaald volk dan voor de andere.
3. Praeterea, lex data est per angelos, sicut jam dictum est [art. praec.] ; sed ministeria angelorum Deus non solum Judaeis, sed omnibus gentibus semper exhibuit, dicitur enim. Eccli. 17 [v. 14] : « In unamquamque gentem praeposuit rectorem »; omnibus etiam gentibus temporalia bona largitur, quae minus sunt curae Deo, quam spiritualia bona; ergo etiam legem omnibus populis debuit dare.
3. De Wet is gegeven door de engelen, zooals (in het vorig Artikel) bewezen is. Welnu, God heeft de hulp der engelen niet slechts voor de Joden, maar voor alle volkeren aangewend. In het Boek Ecclesiasticus (17, 14) immers wordt gezegd: « Onder ieder volk heeft Hij een leider aangesteld ». Ook heeft Hij aan alle volkeren tijdelijke goederen geschonken, die minder onder Gods zorg vallen dan de geestelijke goederen. Dus moest Hij ook de Wet aan alle volkeren geven.3. De Wet is gegeven door de engelen, zoals (in het vorig Artikel) bewezen is. Welnu, God heeft de hulp van de engelen niet slechts voor de Joden, maar voor alle volkeren aangewend. In het Boek Sirach (17, 14) immers wordt gezegd: “Onder ieder volk heeft Hij een leider aangesteld”. Ook heeft Hij aan alle volkeren tijdelijke goederen geschonken, die minder onder Gods zorg vallen dan de geestelijke goederen. Dus moest Hij ook de Wet aan alle volkeren geven.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 3 [v. 1 sq.] : « Quid ergo amplius Judaeo est? Multum quidem per omnem modum : primum quidem, quia 191credita sunt illis eloquia Dei ». Et in Ps. 147 [v. ult.] dicitur : « Non fecit taliter omni nationi, et judicia sua non manifestavit eis ».
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in den Brief aan de Romeinen (3, 1, v.) : « Wat is dan het voordeel van 191Jood te zijn?... Groot is dit alleszins. En ten eerste, de uitspraken van God worden hun toevertrouwd. » En in den Psalm (147, 20), wordt gezegd : « Zoo heeft Hij niet gedaan voor ieder volk, en zijn oordeelen heeft Hij hun niet geopenbaard. »Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in de Brief aan de Romeinen (3, 1, v.): “Wat is dan het voordeel van 191Jood te zijn?... Groot is dit alleszins. En ten eerste, de uitspraken van God worden hun toevertrouwd.” En in de Psalm (147, 20)a, wordt gezegd: “Zo heeft Hij niet gedaan voor ieder volk, en zijn oordelen heeft Hij hun niet geopenbaard.”
Respondeo dicendum, quod posset una ratio assignari, quare potius populo Judaeorum data sit lex, quam aliis populis : quia, aliis populis ad idololatriam declinantibus, solus populus Judaeorum in cultu unius Dei remansit. Et ideo alii populi indigni erant legem recipere, ne sanctum canibus daretur.
Leerstelling. — Men zou als reden kunnen aangeven, waarom de Wet eerder gegeven is aan het Joodsche volk dan aan de andere volkeren, dat nl., terwijl de andere volkeren in afgoderij vervallen waren, alleen het Joodsche volk in den dienst van den eenen God volhardde. De overige volkeren waren dus niet waardig de Wet te ontvangen, opdat het heilige niet aan de honden zou gegeven worden.Leerstelling. — Men zou als reden kunnen aangeven, waarom de Wet eerder gegeven is aan het Joodse volk dan aan de andere volkeren, dat nl., terwijl de andere volkeren in afgoderij vervallen waren, alleen het Joodse volk in de dienst van de ene God volhardde. De overige volkeren waren dus niet waardig de Wet te ontvangen, opdat het heilige niet aan de honden zou gegeven worden.
Sed ista ratio conveniens non videtur : quia populus ille etiam post legem latam ad idololatriam declinavit, quod gravius fuit, ut patet Exod. 32 et Amos 5 [v. 25 sqq.] : « Numquid hostias et sacrificium obtulistis mihi in deserto quadraginta annis domus Israël, et portastis tabernaculum Moloch Deo vestro, et imaginem idolorum vestrorum, sidus Dei vestri, quae fecistis vobis? » Expresse etiam dicitur Deut. 9 [v. 6] : « Scito, quod non propter justitias tuas Dominus Deus tuus dedit tibi terram hanc in possessionem, cum 192durissimae cervicis sis populis ». Sed ratio ibi praemittitur : « Ut compleret verbum suum Dominus, quod sub juramento pollicitus est Patribus tuis Abraham, Isaac, et Jacob. » [v. 5]. Quae autem promissio eis sit facta ostendit Apostolus ad Galat. 3 [v. 16] dicens: « Abrahae dictae sunt promissiones, et semini ejus. Non dicit: seminibus, quasi in multis, sed quasi in uno, et semini tuo qui est Christus ». Deus igitur et legem, et alia beneficia specialia illi populo exhibuit propter promissionem eorum Patribus factam, ut ex eis Christus nasceretur. Decebat enim ut ille populus, ex quo Christus nasciturus erat, quadam speciali sanctificatione polleret, secundum illud quod dicitur Levit. 19 [v. 2] : « Sancti eritis, quia ego sanctus sum ». Nec etiam fuit propter meritum ipsius Abrahae, ut talis promissio ei fieret, ut scilicet Christus ex ejus semine nasceretur, sed ex gratuita Dei electione et vocatione; unde dicitur Isa. 41 [v. 2] : « Qui suscitavit ab Oriente justum, vocavit eum ut sequeretur se? »
Maar dit gaat niet op, daar dit volk zelfs na het ontvangen van de Wet in afgoderij gevallen is, wat erger was, zooals blijkt uit Exodus (32) en Amos (5, 25 v. v.) : « Hebt gij mij wel slachtoffers en spijsoffers gebracht in de woestijn veertig jaren, huis van Israël! En ge droegt de tent voor Moloch, uw god, en het afbeeldsel uwer afgoden, het gesternte van uwen god, welke gij gemaakt hebt ». Uitdrukkelijk wordt ook in Deuteronomium (9, 6) gezegd : « Weet gij dan niet dat de Heer, uw God, u dit 192allerbeste land om uw gerechtigheid ten bezit geeft, daar gij een allerhardnekkigst volk zijt? ». De reden er van laat hij voorafgaan (5), nl. « opdat de Heer zijn woord vervulle, dat Hij onder eede aan uw vaders, Abraham, Isaac en Jacob beloofd heeft.» Wat hun echter beloofd was, verklaart de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16) : « Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad. Er is niet gezegd : En aan de zaden, alsof er verscheidene waren, doch over één, en aan uw zaad, dat Christus is ». God heeft dus én de Wet én andere bijzondere weldaden geschonken aan dit volk, om de belofte aan hun vaderen gedaan, dat uit hen Christus zou geboren worden. Het paste immers, dat het volk, waaruit Christus zou geboren worden, een bijzondere heiligmaking zou verkrijgen, volgens het woord uit het Boek Leviticus (19, 2) : « Weest heilig, omdat ik heilig ben ». Dat die belofte van Christus' geboorte uit Abraham's zaad aan Abraham gedaan werd, was niet om de verdienste van Abraham, maar krachtens Gods vrije uitverkiezing en roeping. Vandaar zegt Isaias (41, 2) : « Wie heeft uit het Oosten den gerechte gewekt, wie heeft hem geroepen om Hem te volgen? ».Maar dit gaat niet op, daar dit volk zelfs na het ontvangen van de Wet in afgoderij gevallen is, wat erger was, zoals blijkt uit Exodus (32) en Amos (5, 25 v. v.): “Hebt gij mij wel slachtoffers en spijsoffers gebracht in de woestijn veertig jaren, huis van Israël! En ge droegt de tent voor Moloch, uw god, en het afbeeldsel van uw afgoden, het gesternte van uw god, welke gij gemaakt hebt”. Uitdrukkelijk wordt ook in Deuteronomium (9, 6) gezegd: “Weet gij dan niet dat de Heer, uw God, u dit 192allerbeste land om uw gerechtigheid ten bezit geeft, daar gij een allerhardnekkigst volk zijt?”. De reden er van laat hij voorafgaan (5), nl. “opdat de Heer zijn woord vervulle, dat Hij onder ede aan uw vaders, Abraham, Isaac en Jacob beloofd heeft.” Wat hun echter beloofd was, verklaart de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 16): “Aan Abraham nu werden de beloften gedaan en aan zijn zaad. Er is niet gezegd: En aan de zaden, alsof er verscheidene waren, doch over één, en aan uw zaad, dat Christus is”. God heeft dus én de Wet én andere bijzondere weldaden geschonken aan dit volk, om de belofte aan hun vaderen gedaan, dat uit hen Christus zou geboren worden. Het paste immers, dat het volk, waaruit Christus zou geboren worden, een bijzondere heiligmaking zou verkrijgen, volgens het woord uit het Boek Leviticus (19, 2): “Weest heilig, omdat ik heilig ben”. Dat die belofte van Christus' geboorte uit Abraham's zaad aan Abraham gedaan werd, was niet om de verdienste van Abraham, maar krachtens Gods vrije uitverkiezing en roeping. Vandaar zegt Jesaja (41, 2): “Wie heeft uit het Oosten de gerechte gewekt, wie heeft hem geroepen om Hem te volgen?”.
Sic ergo patet, quod ex sola gratuita electione Patres promissionem 193acceperunt, et populus ex eis progenitus legem accepit, secundum illud Deuter. 4 [v. 36 sq.] : « Audisti verba illius de medio ignis, quia dilexit Patres et elegit semen eorum post illis ».
Hieruit blijkt dus, dat de vaders alleen krachtens Gods vrije 193uitverkiezing de belofte gekregen hebben, en het volk, uit hen voortgekomen, de Wet ontvangen heeft, overeenkomstig het gezegde uit het Boek Deuteronomium (2, 31, v.) : « Gij hebt zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord, omdat Hij uw vaderen heeft lief gehad, en hun zaad na hen heeft uitverkoren ».Hieruit blijkt dus, dat de vaders alleen krachtens Gods vrije 193uitverkiezing de belofte gekregen hebben, en het volk, uit hen voortgekomen, de Wet ontvangen heeft, overeenkomstig het gezegde uit het Boek Deuteronomium (2, 31, v.): “Gij hebt zijn woorden uit het midden van het vuur gehoord, omdat Hij uw vaderen heeft lief gehad, en hun zaad na hen heeft uitverkoren”.
Si autem rursus quaeratur, quare hunc populum elegit, ut ex eo Christus nasceretur, et non alium, conveniet responsio Augustini, quam dicit super Joan. [tract. 26] : « Quare hunc trahat, et illum non trahat, noli velle dijudicare si non vis errare ».
Indien men nu verder vraagt waarom Hij dit volk uitverkoren heeft, om uit hen Christus te doen geboren worden en niet een ander, dan moet men met Augustinus antwoorden (Verklaring van Johannes, XXVIe Verhand.) : « Waarom Hij dit tot zich genomen heeft, en niet dat, daarover moet men niet willen oordeelen, indien men zich niet wil vergissen. »Indien men nu verder vraagt waarom Hij dit volk uitverkoren heeft, om uit hen Christus te doen geboren worden en niet een ander, dan moet men met Augustinus antwoorden (Verklaring van Johannes, 26e Verhand.): “Waarom Hij dit tot zich genomen heeft, en niet dat, daarover moet men niet willen oordelen, indien men zich niet wil vergissen.”
Ad primum ergo dicendum, quod quamvis salus futura per Christum esset omnibus gentibus praeparata, tamen oportebat ex uno populo Christum nasci, qui propter hoc prae aliis praerogativas habuit, secundum illud Rom. 9 [v. 4 sq.] : « Quorum (scilicet Judaeorum) est adoptio filiorum, et testamentum, et legislatio, quorum patres, et ex quibus Christus est secundum carnem ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon het toekomstig heil door Christus voor alle volkeren bereid was, moest Christus toch uit één volk geboren worden, dat daarom verschillende voorrechten had boven de andere volkeren. Dit blijkt uit het woord van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 4) : « Aan wie (nl. de Joden) het zoonschap, en de Verbonden, en de wetgeving toebehooren; van wie de voorvaderen zijn; uit wie Christus voortgekomen is naar het vleesch ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ofschoon het toekomstig heil door Christus voor alle volkeren bereid was, moest Christus toch uit één volk geboren worden, dat daarom verschillende voorrechten had boven de andere volkeren. Dit blijkt uit het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (9, 4): “Aan wie (nl. de Joden) het zoonschap, en de Verbonden, en de wetgeving toebehoren; van wie de voorvaderen zijn; uit wie Christus voortgekomen is naar het vlees”.
194Ad secundum dicendum, quod acceptio personarum locum habet in his, quae ex debito dantur; in his vero, quae ex gratuita voluntate conferuntur, acceptio personarum locum non habet : non enim est personarum acceptor, qui ex liberalitate de suo dat uni, et non alteri; sed si esset dispensator bonorum communium, et non distribueret aequaliter secundum merita personarum, esset personarum acceptor. Salutaria autem beneficia Deus humano generi confert ex sua gratia; unde non est personarum acceptor, si quibusdam prae aliis conferat; unde Augustinus dicit in lib. de Praedest. Sanctorum [cap. 8] : « Omnes, quos Deus docet, misericordia docet; quos autem non docet, judicio non docet ». Hoc enim venit ex damnatione humani generis pro peccato primi parentis.
1942. Het aanzien des persoons heeft plaats met betrekking tot die dingen, die gegeven worden krachtens verplichting. Met betrekking tot die dingen echter, die uit welwillendheid gegeven worden, is er geen aanzien des persoons. Hij is geen aanziener des persoons, die uit vrijgevigheid van het zijne den één geeft, en den andere niet; maar wanneer hij een uitdeeler is van gemeenschappelijk goed, en niet gelijkelijk uitdeelt overeenkomstig de verdiensten der personen, dan zou hij een aanziener des persoons zijn. Welnu de gaven met betrekking tot de zaligheid geeft God aan het menschelijk geslacht uit vrije beweging; vandaar is Hij geen aanziener des persoons, indien Hij aan sommigen iets geeft boven de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen (VIIIe H.) : « Allen die God onderricht, onderricht Hij uit barmhartigheid; die Hij echter niet onderricht, onderricht Hij niet, krachtens zijn rechtvaardigheid. » Dit is immers een gevolg van de straf van het menschelijk geslacht, om de zonde van den eersten mensch.1942. Het aanzien des persoons heeft plaats met betrekking tot die dingen, die gegeven worden krachtens verplichting. Met betrekking tot die dingen echter, die uit welwillendheid gegeven worden, is er geen aanzien des persoons. Hij is geen aanziener des persoons, die uit vrijgevigheid van het zijne de één geeft, en de andere niet; maar wanneer hij een uitdeler is van gemeenschappelijk goed, en niet gelijkelijk uitdeelt overeenkomstig de verdiensten van de personen, dan zou hij een aanziener des persoons zijn. Welnu de gaven met betrekking tot de zaligheid geeft God aan het menselijk geslacht uit vrije beweging; vandaar is Hij geen aanziener des persoons, indien Hij aan sommigen iets geeft boven de anderen. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (8e H.): “Allen die God onderricht, onderricht Hij uit barmhartigheid; die Hij echter niet onderricht, onderricht Hij niet, krachtens zijn rechtvaardigheid.” Dit is immers een gevolg van de straf van het menselijk geslacht, om de zonde van de eerste mens.
Ad tertium dicendum, quod beneficia gratiae subtrahuntur homini propter culpam, sed beneficia naturalia non subtrahuntur; inter quae sunt ministeria angelorum, quae ipse naturarum ordo requirit, ut scilicet per media gubernentur infima; et etiam corporalia subsidia, quae non solum hominibus, 195sed etiam jumentis Deus administrat, secundum illud Psalm. 35 [v. 7] : « Homines et jumenta salvabis Domine. »
3. De gaven der genade worden aan den mensch onttrokken om zijn schuld; maar de gaven der natuur worden hem niet onttrokken, en hieronder valt de bediening door de Engelen, alsook 195datgene wat de orde der natuur vereischt, dat nl. het lagere door midden-naturen wordt bestuurd; ook valt hieronder de stoffelijke hulp, die God niet alleen aan de menschen, maar ook aan de dieren toebedeelt, volgens Psalm 35, 7: « Mensch en dier hebt gij behouden, Heer ».3. De gaven van de genade worden aan de mens onttrokken om zijn schuld; maar de gaven van de natuur worden hem niet onttrokken, en hieronder valt de bediening door de Engelen, alsook 195datgene wat de orde van de natuur vereist, dat nl. het lagere door midden-naturen wordt bestuurd; ook valt hieronder de stoffelijke hulp, die God niet alleen aan de mensen, maar ook aan de dieren toebedeelt, volgens Psalm 35, 7: “Mens en dier hebt gij behouden, Heer”.
Utrum omnes homines obligantur servare legem veterem
Waren alle menschen verplicht de Oude Wet te onderhouden?Waren alle mensen verplicht de Oude Wet te onderhouden?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod omnes homines obligabantur ad observandam veterem legem : quicumque enim subditur regi, oportet quod subdatur legi ipsius; sed vetus lex est data a Deo, qui est rex omnis terrae, ut in Ps. 46 [v. 8] dicitur; ergo omnes habitantes terram tenebantur ad observantiam legis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat alle menschen verplicht waren de Oude Wet te onderhouden. — 1. Iedereen immers die aan een koning onderworpen is, moet ook onderworpen zijn aan zijn wet. Welnu de Oude Wet is door God gegeven, die de koning is van heel de aarde, zooals Psalm 46, 8, zegt. Alle bewoners van de aarde waren dus verplicht de Oude Wet te onderhouden.Bedenkingen. — Men beweert, dat alle mensen verplicht waren de Oude Wet te onderhouden. — 1. Iedereen immers die aan een koning onderworpen is, moet ook onderworpen zijn aan zijn wet. Welnu de Oude Wet is door God gegeven, die de koning is van heel de aarde, zoals Psalm 46, 8a, zegt. Alle bewoners van de aarde waren dus verplicht de Oude Wet te onderhouden.
1962. Praeterea, Judaei salvari non poterant, nisi legem veterem observarent : dicitur enim Deuteron. 27 [v. 26] : « Maledictus, qui non permanet in sermonibus legis hujus, nec eos opere perficit ». Si igitur alii homines sine observantia legis veteris potuissent salvari, pejor fuisset conditio Judaeorum quam aliorum hominum.
2. De Joden konden niet zalig worden zonder de Oude Wet te onderhouden. Dit blijkt uit de woorden van Deuteronomium 196(27, 26) : « Vervloekt wie niet volhardt in de woorden dezer Wet, en ze niet metterdaad volbrengt ». Indien dus de overige menschen zonder de Oude Wet te onderhouden zalig konden worden, dan zouden de Joden in slechtere omstandigheden geweest zijn dan de overige volkeren.2. De Joden konden niet zalig worden zonder de Oude Wet te onderhouden. Dit blijkt uit de woorden van Deuteronomium 196(27, 26): “Vervloekt wie niet volhardt in de woorden van deze Wet, en ze niet metterdaad volbrengt”. Indien dus de overige mensen zonder de Oude Wet te onderhouden zalig konden worden, dan zouden de Joden in slechtere omstandigheden geweest zijn dan de overige volkeren.
3. Praeterea, Gentiles ad ritum Judaicum et ad observantias legis admittebantur : dicitur enim Ex. 12 [v. 48] : « Si quis peregrinorum in vestram voluerit transire coloniam, et facere Phase Domini, circumcidetur prius omne masculinum genus, et tunc rite celebrabit, eritque sicut indigena terrae ». Frustra autem ad observantias legales fuissent extranei admissi ex ordinatione divina, si absque legalibus observantiis salvari potuissent; ergo nullus salvari poterat, nisi legem observaret.
3. De heidenen werden toegelaten tot den Joodschen eeredienst en de wettelijke onderhouding. Dit blijkt uit Exodus (12, 48) : « Indien een vreemdeling tot uwe gemeenschap overgaan en het Paschen des Heeren houden wil, worde eerst alles besneden wat mannelijk is van de zijnen, en dan zal hij het wettig vieren; en hij zal zijn als de inboorling des lands ». Nu zou het geen zin hebben, de vreemdelingen, krachtens goddelijk bevel, tot de wettelijke onderhouding toe te laten, indien ze zonder die onderhouding zalig konden worden. Bijgevolg kon niemand zalig worden, tenzij hij de Wet onderhield.3. De heidenen werden toegelaten tot de Joodse eredienst en de wettelijke onderhouding. Dit blijkt uit Exodus (12, 48): “Indien een vreemdeling tot uw gemeenschap overgaan en het Pasen van de Heer houden wil, worde eerst alles besneden wat mannelijk is van de zijnen, en dan zal hij het wettig vieren; en hij zal zijn als de inboorling van het land”. Nu zou het geen zin hebben, de vreemdelingen, krachtens goddelijk bevel, tot de wettelijke onderhouding toe te laten, indien ze zonder die onderhouding zalig konden worden. Bijgevolg kon niemand zalig worden, tenzij hij de Wet onderhield.
Sed contra est, quod Dionysius dicit cap. 9. Coel. Hierarch. quod « multi Gentilium per Angelos sunt reducti in Deum ». Sed constat, quod 197Gentiles legem non observabant; ergo absque observantia legis potuerunt aliqui salvari.
Maar daartegenover staat het gezegde van Dionysius in zijn Boek Over de Hemelsche Koren (IXe H.) : « Vele heidenen zijn door engelen tot God teruggevoerd ». Welnu, het staat vast, dat de heidenen de wet niet onderhielden. Dus konden sommigen ook zonder onderhouding van de Wet zalig worden.Maar daartegenover staat het gezegde van Dionysius in zijn Boek Over de Hemelse Koren (9e H.): “Vele heidenen zijn door engelen tot God teruggevoerd”. Welnu, het staat vast, dat de heidenen de wet niet onderhielden. Dus konden sommigen ook zonder onderhouding van de Wet zalig worden.
Respondeo dicendum, quod lex vetus manifestabat praecepta legis naturae, et superaddebat quaedam propria praecepta. Quantum igitur ad illa, quae lex vetus continebat de lege naturae, omnes tenebantur ad observantiam veteris legis, non quia erant de veteri lege, sed quia erant de lege naturae. Sed quantum ad illa, quae lex vetus superaddebat, non tenebantur aliqui ad observantiam veteris legis, nisi solus populus Judaeorum.
197Leerstelling. — De Oude Wet maakte de voorschriften van de natuurwet bekend, en voegde er bovendien nog enkele eigen voorschriften aan toe. Met betrekking nu tot die voorschriften uit de natuurwet, die deel uitmaakten van de Oude Wet, waren allen tot onderhouding van de Oude Wet verplicht, niet omdat ze in de Oude Wet stonden, maar omdat ze tot de natuurwet behoorden. Maar met betrekking tot die voorschriften, die de Oude Wet er bovendien nog aan toevoegde, was niemand verplicht tot het onderhouden van de Oude Wet, tenzij het Joodsche volk.197Leerstelling. — De Oude Wet maakte de voorschriften van de natuurwet bekend, en voegde er bovendien nog enkele eigen voorschriften aan toe. Met betrekking nu tot die voorschriften uit de natuurwet, die deel uitmaakten van de Oude Wet, waren allen tot onderhouding van de Oude Wet verplicht, niet omdat ze in de Oude Wet stonden, maar omdat ze tot de natuurwet behoorden. Maar met betrekking tot die voorschriften, die de Oude Wet er bovendien nog aan toevoegde, was niemand verplicht tot het onderhouden van de Oude Wet, tenzij het Joodse volk.
Cujus ratio est, quia lex vetus, sicut dictum est, data est populo Judaeorum, ut quamdam praerogativam sanctitatis obtineret propter reverentiam Christi, qui ex illo populo nasciturus erat. Quaecumque autem statuuntur ad specialem aliquorum sanctificationem, non obligant nisi illos, sicut ad quaedam obligantur clerici, qui mancipantur divino ministerio, ad quae laici non obligantur; similiter et religiosi ad quaedam perfectionis opera 198obligantur ex sua professione, ad quae seculares non obligantur. Et similiter ad quaedam specialia obligabatur populus ille, ad quae alii populi non obligabantur; unde dicitur Deuter. 18 [v. 13] : « Perfectus eris, et absque macula coram Domino Deo tuo. » Et propter hoc etiam quadam professione utebantur, ut patet Deuter. 26 [v. 3] : « Profiteor hodie coram Domino Deo tuo » etc.
De reden daarvan is, dat de Oude Wet aan het Joodsche volk gegeven was, opdat het een kenteeken van heiligheid zou hebben, uit eerbied voor Christus, die uit dit volk zou geboren worden. Die dingen nu die vastgesteld zijn voor een bijzondere heiligmaking van enkelen, verplichten alleen die enkele personen, zooals b. v. de geestelijken, die verbonden zijn aan den dienst van God, verplicht worden tot sommige voorschriften, waartoe de leeken niet verplicht zijn; en zooals ook de religieuzen tot sommige werken van volmaaktheid verplicht zijn krachtens hun professie, waartoe de seculieren niet verplicht zijn. Zoo ook was dit 198volk tot sommige speciale voorschriften verplicht, waartoe de andere volkeren niet verplicht waren. Vandaar wordt in Deuteronomium (18, 13) gezegd : « Volmaakt zult gij zijn en onberispelijk voor den Heer, uw God ». Daarom ook hadden zij een soort professie, wat blijkt uit Deuteronomium (26, 3) : « Ik betuig heden voor den Heer uwen God », enz.De reden daarvan is, dat de Oude Wet aan het Joodse volk gegeven was, opdat het een kenteken van heiligheid zou hebben, uit eerbied voor Christus, die uit dit volk zou geboren worden. Die dingen nu die vastgesteld zijn voor een bijzondere heiligmaking van enkelen, verplichten alleen die enkele personen, zoals bv. de geestelijken, die verbonden zijn aan de dienst van God, verplicht worden tot sommige voorschriften, waartoe de leken niet verplicht zijn; en zoals ook de religieuzen tot sommige werken van volmaaktheid verplicht zijn krachtens hun professie, waartoe de seculieren niet verplicht zijn. Zo ook was dit 198volk tot sommige speciale voorschriften verplicht, waartoe de andere volkeren niet verplicht waren. Vandaar wordt in Deuteronomium (18, 13) gezegd: “Volmaakt zult gij zijn en onberispelijk voor de Heer, uw God”. Daarom ook hadden zij een soort professie, wat blijkt uit Deuteronomium (26, 3): “Ik betuig heden voor de Heer uw God”, enz.
Ad primum ergo dicendum, quod quicumque subduntur regi, obligantur ad legem ejus observandum, quam omnibus communiter proponit; sed si instituat aliqua observanda a suis familiaribus ministris, ad haec caeteri non obligantur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Degene die aan een koning onderworpen is, is verplicht die wetten te onderhouden, die hij in het algemeen voor allen gesteld heeft; maar indien hij sommige voorschriften heeft opgelegd aan zijn huisdienaren, zijn de overigen er niet toe gehouden.
Ad secundum dicendum, quod homo quanto Deo magis conjungitur, tanto efficitur melioris conditionis; et ideo quanto populus Judaeorum erat adstrictus magis ad divinum cultum, dignior aliis populis erat. Unde dicitur Deuter. 4 [v. 8] : « Quae est alia gens sic inclyta, ut habeat caeremonias, 199justaque judicia, et universam legem? » Et similiter etiam quantum ad hoc sunt melioris conditionis clerici, quam laici; et religiosi, quam saeculares.
2. Hoe inniger een mensch met God vereenigd wordt, in des te betere omstandigheden komt hij. Hoe inniger dus het Joodsche volk tot den eeredienst van God gehouden was, des te meer was het boven de andere volkeren verheven. Vandaar lezen we in Deuteronomium (4, 8) : « Welk ander volk toch is zoo roemruchtig, dat het plichtgebruiken en rechtvaardige oordeelen heeft en heel de Wet? » Daarom ook zijn de geestelijken in betere omstandigheden dan de leeken, en de religieuzen dan de seculieren.2. Hoe inniger een mens met God verenigd wordt, in des te betere omstandigheden komt hij. Hoe inniger dus het Joodse volk tot de eredienst van God gehouden was, des te meer was het boven de andere volkeren verheven. Vandaar lezen we in Deuteronomium (4, 8): “Welk ander volk toch is zo roemruchtig, dat het plichtgebruiken en rechtvaardige oordelen heeft en heel de Wet?” Daarom ook zijn de geestelijken in betere omstandigheden dan de leken, en de religieuzen dan de seculieren.
Ad tertium dicendum, quod Gentiles perfectius et securius salutem consequebantur sub observantiis legis, quam sub sola lege naturali; et ideo ad eas admittebantur, sicut etiam nunc laici transeunt ad clericatum, et saeculares ad religionem, quamvis absque hoc possint salvari.
1993. De heidenen streefden volmaakter en zekerder hun heil na, door de Wet de onderhouden, dan alleen door de natuurwet na te leven. Daarom werden ze tot die onderhouding toegelaten; gelijk tegenwoordig de leeken overgaan tot den geestelijken staat, en de seculieren tot den religieuzen staat, ofschoon ze ook zonder dat zalig zouden kunnen worden.1993. De heidenen streefden volmaakter en zekerder hun heil na, door de Wet de onderhouden, dan alleen door de natuurwet na te leven. Daarom werden ze tot die onderhouding toegelaten; gelijk tegenwoordig de leken overgaan tot de geestelijke staat, en de seculieren tot de religieuze staat, ofschoon ze ook zonder dat zalig zouden kunnen worden.
Utrum lex vetus convenienter data fuerit tempore Moysi
Was de tijd van Mozes een geschikte tijd om de Oude Wet te geven?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non convenienter fuerit data tempore Moysi : lex enim vetus disponebat ad salutem, quae erat futura per Christum, sicut dictum est [art. 2. huj. q.] ; sed statim homo post 200peccatum indiguit hujusmodi salutis remedio; ergo statim post peccatum lex vetus debuit dari.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de tijd van Mozes geen geschikte tijd was om de Wet te geven. — 1. De Oude Wet immers bereidde den mensch voor tot het heil, dat komen zou door Christus, zooals hierboven gezegd is (2e Art.). Welnu, onmiddellijk na de zonde had de mensch zoo'n middel tot de zaligheid noodig. Dus had de Wet onmiddellijk na de zonden moeten gegeven worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de tijd van Mozes geen geschikte tijd was om de Wet te geven. — 1. De Oude Wet immers bereidde de mens voor tot het heil, dat komen zou door Christus, zoals hierboven gezegd is (2e Art.). Welnu, onmiddellijk na de zonde had de mens zo'n middel tot de zaligheid nodig. Dus had de Wet onmiddellijk na de zonden moeten gegeven worden.
2. Praeterea, lex vetus data est propter sanctificationem eorum, ex quibus Christus nasciturus erat; sed Abrahae incepit fieri promissio de semine, quod est Christus, ut habetur Genes. 12 [v. 7] ; ergo statim tempore Abrahae debuit lex dari.
2002. De Oude Wet is gegeven voor de heiligmaking van diegenen, uit wie Christus zou geboren worden. Welnu het zaad, dat Christus is, is reeds aan Abraham beloofd, zooals blijkt uit het Boek Genesis (12, 7). Dus had de Wet ten tijde van Abraham gegeven moeten worden.2002. De Oude Wet is gegeven voor de heiligmaking van diegenen, uit wie Christus zou geboren worden. Welnu het zaad, dat Christus is, is reeds aan Abraham beloofd, zoals blijkt uit het Boek Genesis (12, 7). Dus had de Wet ten tijde van Abraham gegeven moeten worden.
3. Praeterea, sicut Christus non est natus ex aliis descendentibus ex Noe, nisi ex Abraham, cui facta est promissio, ita etiam non est natus ex aliis filiis Abrahae, nisi ex David, cui est promissio renovata, secundum illud 2. Reg. 23 [v. 1] : « Dixit vir, cui constitutum est de Christo Dei Jacob. » Ergo lex vetus debuit dari post David, sicut data est post Abraham.
3. Evenals Christus niet geboren is uit andere afstammelingen van Noë, tenzij uit Abraham, aan wien de belofte gedaan is, zoo ook is Hij niet geboren uit andere zonen van Abraham, dan uit David, aan wien de belofte vernieuwd is, overeenkomstig het IIe Boek Koningen (23, 1) : « Zoo sprak de man, wien openbaring gedaan werd over den gezalfde van den God van Jacob. » Dus moest de Oude Wet gegeven worden na David, gelijk ze gegeven is na Abraham.3. Evenals Christus niet geboren is uit andere afstammelingen van Noë, tenzij uit Abraham, aan wie de belofte gedaan is, zo ook is Hij niet geboren uit andere zonen van Abraham, dan uit David, aan wie de belofte vernieuwd is, overeenkomstig het 2e Boek Koningen (23, 1)a: “Zo sprak de man, wie openbaring gedaan werd over de gezalfde van de God van Jacob.” Dus moest de Oude Wet gegeven worden na David, gelijk ze gegeven is na Abraham.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Gal. 3. [v. 19.] quod lex propter transgressionem posita est, donec veniret semen cui promiserat, ordinata per angelos in manu Mediatoris, idest : ordinabiliter data, ut 201Glossa [ordin.] dicit; ergo congruum fuit, ut lex vetus illo temporis ordine traderetur.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 19) : « Om wille der overtredingen is de Wet gegeven, totdat het zaad zou komen aan Wien de belofte gedaan werd. De Wet werd door Engelen besteld in de hand van een middelaar », d. i. met inachtneming van een bepaalde orde zooals de (gewone) Glossa zegt. Dus was het goed, dat de Oude Wet in die tijdsorde gegeven werd.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (3, 19): “Om wille van de overtredingen is de Wet gegeven, totdat het zaad zou komen aan Wie de belofte gedaan werd. De Wet werd door Engelen besteld in de hand van een middelaar”, d.i. met inachtneming van een bepaalde orde zoals de (gewone) Glossa zegt. Dus was het goed, dat de Oude Wet in die tijdsorde gegeven werd.
Respondeo dicendum, quod convenientissime lex vetus data fuit tempore Moysi. Cujus ratio potest accipi ex duobus, secundum quod quaelibet lex duobus generibus hominum imponitur : imponitur enim quibusdam duris et superbis, qui per legem compescuntur et domantur; imponitur etiam bonis, qui per legem instructi adjuvantur ad implendum quod intendunt.
201Leerstelling. — De tijd van Mozes was de meest geschikte tijd om de Wet te geven. We kunnen daar een tweevoudige reden voor aangeven, in zoover iedere wet opgelegd wordt, aan twee soorten menschen, nl. aan harde en trotsche menschen, die door de wet ingetoomd en bedwongen worden, en aan goede menschen, die door de wet voorgelicht en geholpen worden om te doen wat overeenkomstig hun wil is.201Leerstelling. — De tijd van Mozes was de meest geschikte tijd om de Wet te geven. We kunnen daar een tweevoudige reden voor aangeven, in zover iedere wet opgelegd wordt, aan twee soorten mensen, nl. aan harde en trotse mensen, die door de wet ingetoomd en bedwongen worden, en aan goede mensen, die door de wet voorgelicht en geholpen worden om te doen wat overeenkomstig hun wil is.
Conveniens igitur fuit tali tempore legem veterem dari ad superbiam hominum convincendam. De duobus enim homo superbiebat, scilicet de scientia et de potentia : de scientia quidem, quasi ratio naturalis ei possit sufficere ad salutem; et ideo, ut de hoc ejus superbia convinceretur, permissus est homo regimini suae rationis absque adminiculo legis scriptae; et experimento homo discere potuit, quod patiebatur rationis defectum, per hoc quod homines usque ad idololatriam et turpissima vitia circa tempora Abrahae sunt prolapsi; et ideo post haec tempora fuit necessarium, legem scriptam 202dari in remedium humanae ignorantiae : quia « per legem est cognitio peccati » ut dicitur Rom. 7. [v. 20]. Sed postquam homo est instructus per legem, convicta est ejus superbia de infirmitate, dum implere non poterat quod cognoscebat; et ideo sicut Apostolus concludit ad Rom. 8 [v. 3 sq.], « quod impossibile erat legi, in qua infirmabatur per carnem, misit Deus Filium suum, ut justificatio legis impleretur in nobis ».
De tijd van Mozes was dus de geschikte tijd om de Oude Wet te geven, om den trots van de menschen te overwinnen. Want op twee dingen was de mensch trotsch, nl. op zijn kennis en op zijn macht. Op zijn kennis, alsof zijn natuurlijk verstand hem voldoende zou kunnen zijn ter zaligheid, en om zijn trots te overwinnen, werd de mensch overgelaten aan de leiding van zijn verstand zonder de hulp van de geschreven wet. Hierdoor konden de menschen leeren, dat hun verstand te kort schiet, daar zij ten tijde van Abraham tot afgoderij en tot de schandelijkste ondeugden vervallen waren. Daarom moest er na dien tijd aan de menschen een geschreven wet gegeven worden, om hen in hun onwetendheid te hulp te komen. Door de wet immers leert de mensch de zonde kennen, zooals we lezen in den Brief aan de Romeinen 202(7, 20). Maar toen de mensch door de wet onderricht was, bleek het, hoe zwak hij was, niettegenstaande al zijn trots, daar hij niet kon volbrengen wat hij wist. Daarom besluit de Apostel (t. a. pl., 8, 3 v.v.) : « Omdat de wet het niet vermocht, dewijl zij onmachtig was door het vleesch, heeft God zijn Zoon gezonden, opdat de gerechtigheid, die de Wet vereischt, tot stand zou komen in ons ».De tijd van Mozes was dus de geschikte tijd om de Oude Wet te geven, om de trots van de mensen te overwinnen. Want op twee dingen was de mens trots, nl. op zijn kennis en op zijn macht. Op zijn kennis, alsof zijn natuurlijk verstand hem voldoende zou kunnen zijn ter zaligheid, en om zijn trots te overwinnen, werd de mens overgelaten aan de leiding van zijn verstand zonder de hulp van de geschreven wet. Hierdoor konden de mensen leren, dat hun verstand te kort schiet, daar zij ten tijde van Abraham tot afgoderij en tot de schandelijkste ondeugden vervallen waren. Daarom moest er na die tijd aan de mensen een geschreven wet gegeven worden, om hen in hun onwetendheid te hulp te komen. Door de wet immers leert de mens de zonde kennen, zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen 202(7, 20). Maar toen de mens door de wet onderricht was, bleek het, hoe zwak hij was, niettegenstaande al zijn trots, daar hij niet kon volbrengen wat hij wist. Daarom besluit de Apostel (t.a.p., 8, 3 v.v.): “Omdat de wet het niet vermocht, dewijl zij onmachtig was door het vlees, heeft God zijn Zoon gezonden, opdat de gerechtigheid, die de Wet vereist, tot stand zou komen in ons”.
Ex parte vero bonorum lex data est in auxilium; quod quidem tunc maxime populo necessarium fuit, quando lex naturalis obscurari incipiebat propter exuberantiam peccatorum. Oportebat enim hujusmodi auxilium quodam ordine dari, ut per imperfecta ad perfectionem manuducerentur; et ideo inter legem naturae et legem gratiae oportuit legem veterem dari.
Van den kant der goeden is de Wet gegeven tot hulp, wat ook toen het meeste noodig was voor het volk, toen de natuurwet om de menigte van zonden begon te vervagen. Die hulp moest volgens een bepaalde orde gegeven worden, opdat zij langzamerhand van het onvolmaakte tot het volmaakte zou leiden. En daarom moest tusschen de natuurwet en de wet der genade de Oude Wet gegeven worden.Van de kant van de goeden is de Wet gegeven tot hulp, wat ook toen het meeste nodig was voor het volk, toen de natuurwet om de menigte van zonden begon te vervagen. Die hulp moest volgens een bepaalde orde gegeven worden, opdat zij langzamerhand van het onvolmaakte tot het volmaakte zou leiden. En daarom moest tussen de natuurwet en de wet van de genade de Oude Wet gegeven worden.
Ad primum ergo dicendum, quod statim post peccatum primi hominis non competebat legem veterem dari, tum quia nondum homo recognoscebat 203se ea indigere, de sua ratione confisus, tum quia adhuc dictamen legis naturae nondum erat obtenebratum per consuetudinem peccandi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het was niet goed, de Oude Wet te geven terstond na de zonde van den eersten mensch, én omdat de mensch toen nog niet erkende, dat hij ze noodig had, daar hij nog op zijn verstand vertrouwde, én omdat de uitspraken der natuurwet nog niet vervaagd waren door de gewoonte om te zondigen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het was niet goed, de Oude Wet te geven terstond na de zonde van de eerste mens, én omdat de mens toen nog niet erkende, dat hij ze nodig had, daar hij nog op zijn verstand vertrouwde, én omdat de uitspraken van de natuurwet nog niet vervaagd waren door de gewoonte om te zondigen.
Ad secundum dicendum, quod lex non debet dari nisi populo : est enim praeceptum commune, ut dictum est [q. 96. art. 1.] ; et ideo tempore Abrahae data sunt quaedam familiaria praecepta et quasi domestica Dei ad homines. Sed postmodum, multiplicatis ejus posteris, intantum quod populus esset, et libertatis eis a servitute, lex convenienter potuit dari, nam « servi non sunt pars populi vel civitatis, cui legem dari competit », ut Philosophus dicit in 3. Polit. [cap. 2.].
2032. De wet moet niet gegeven worden, tenzij aan het volk : het is immers een algemeen voorschrift, gelijk vroeger uiteengezet is (XCVIe Kw., 1e Art.). Daarom werden ten tijde van Abraham slechts enkele familie-voorschriften, als het ware huiselijke voorschriften gegeven, om de verhouding van God tot de menschen te regelen. Later echter, toen hun nakomelingschap zich vermenigvuldigd had tot een volk, en bevrijd was van de slavernij, kon de Wet goed gegeven worden, want volgens den Wijsgeer (IIIe Boek der Politiek, IIe H., Nr 9) maken de slaven geen deel uit van een volk of staat, waaraan het toekomt een wet te ontvangen.2032. De wet moet niet gegeven worden, tenzij aan het volk: het is immers een algemeen voorschrift, gelijk vroeger uiteengezet is (96e Kw., 1e Art.). Daarom werden ten tijde van Abraham slechts enkele familie-voorschriften, als het ware huiselijke voorschriften gegeven, om de verhouding van God tot de mensen te regelen. Later echter, toen hun nakomelingschap zich vermenigvuldigd had tot een volk, en bevrijd was van de slavernij, kon de Wet goed gegeven worden, want volgens de Wijsgeer (3e Boek van de Politiek, 2e H., Nr 9) maken de slaven geen deel uit van een volk of staat, waaraan het toekomt een wet te ontvangen.
Ad tertium dicendum, quod quia legem oportebat alicui populo dari, non solum illi, ex quibus est Christus natus, legem acceperunt, sed totus populus consignatus signaculo circumcisionis, quae fuit signum promissionis Abrahae factae et ab eo creditae, ut dicit Apostolus Rom. 4. [v. 11.] ; et ideo etiam ante David oportuit legem dari populo jam collecto.
3. Omdat de wet moest gegeven worden aan een volk, hebben niet alleen zij, waaruit Christus geboren is, de wet ontvangen, maar heel het volk, dat geteekend was met het teeken der besnijdenis, wat een teeken was van de belofte aan Abraham gedaan, en door hem geloofd, gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11). Daarom ook moest de wet vóór David gegeven worden aan het volk dat reeds ontstaan was.3. Omdat de wet moest gegeven worden aan een volk, hebben niet alleen zij, waaruit Christus geboren is, de wet ontvangen, maar heel het volk, dat getekend was met het teken van de besnijdenis, wat een teken was van de belofte aan Abraham gedaan, en door hem geloofd, gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (4, 11). Daarom ook moest de wet vóór David gegeven worden aan het volk dat reeds ontstaan was.