Theologische Summa · Prima Secundae · De Oude WetSumma · I-II · De Oude WetSumma · I-II · Kw. 100Kw. 100
Quaestio C

De praeceptis moralibus veteris legis

Kwestie 100

Over de zedelijke voorschriften van de oude wet

(Twaalf Artikelen)

232Deinde considerandum est de singulis generibus praeceptorum veteris legis, et primo de praeceptis moralibus, secundo de caeremonialibus, tertio de judicialibus. Circa primum quaeruntur duodecim. 1. Utrum omnia praecepta moralia veteris legis sint de lege naturae. — 2. Utrum praecepta moralia veteris legis sint de actibus omnium virtutum. — 3. Utrum omnia praecepta moralia veteris legis reducantur ad decem praecepta decalogi. — 4. De distinctione praeceptorum decalogi. — 5. De 233numero eorum. — 6. De ordine. — 7. De modo tradendi ipsa. — 8. Utrum sint dispensabilia. — 9. Utrum modus observandi virtutem cadat sub praecepto. — 10. Utrum modus charitatis cadat sub praecepto. — 11. De distinctione aliorum praeceptorum moralium. — 12. Utrum praecepta moralia veteris legis justificent.

232Vervolgens moet er gehandeld worden over de afzonderlijke soorten van voorschriften der Oude Wet, ten eerste, over de zedelijke voorschriften; ten tweede, over de ceremonieel-voorschriften; ten derde, over de rechtsregels. Omtrent het eerste worden twaalf vragen gesteld : 1) Vallen alle zedelijke voorschriften der Oude Wet onder de natuurwet? 2) Strekken alle zedelijke voorschriften der Oude Wet zich over alle deugddaden uit? 3) Worden alle zedelijke voorschriften der Oude Wet herleid tot de Tien Geboden? 4) Over het onderscheid der Tien Geboden. 5) Over hun aantal. 2336) Over hun orde. 7) Over de wijze waarop ze uitgedrukt zijn. 8) Kan er van ontslagen worden? 9) Valt de manier, waarop de deugd moet beoefend worden, onder het gebod van de Wet? 10) Valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt? 11) Over het onderscheid van de andere zedelijke voorschriften. 12) Konden de zedelijke voorschriften der Oude Wet rechtvaardig maken?232Vervolgens moet er gehandeld worden over de afzonderlijke soorten van voorschriften van de Oude Wet, ten eerste, over de zedelijke voorschriften; ten tweede, over de ceremonieel-voorschriften; ten derde, over de rechtsregels. Omtrent het eerste worden twaalf vragen gesteld: 1. Vallen alle zedelijke voorschriften van de Oude Wet onder de natuurwet? 2. Strekken alle zedelijke voorschriften van de Oude Wet zich over alle deugddaden uit? 3. Worden alle zedelijke voorschriften van de Oude Wet herleid tot de Tien Geboden? 4. Over het onderscheid van de Tien Geboden. 5. Over hun aantal. 2336. Over hun orde. 7. Over de wijze waarop ze uitgedrukt zijn. 8. Kan er van ontslagen worden? 9. Valt de manier, waarop de deugd moet beoefend worden, onder het gebod van de Wet? 10. Valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt? 11. Over het onderscheid van de andere zedelijke voorschriften. 12. Konden de zedelijke voorschriften van de Oude Wet rechtvaardig maken?

Articulus I

Utrum omnia praecepta moralia pertineant ad legem naturae

[Supr. q. 49. art. 3. ad 2. et art. 4. corp. et infr. q. 104. art. 1. corp. et Mar. 13. com. 2.].
Ie Artikel

Vallen alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non omnia praecepta moralia pertineant ad legem naturae : dicitur enim Eccli. 17 [v. 9] : « Addidit illis disciplinam; et legem vitae haereditavit illos. » Sed disciplina dividitur 234contra legem naturae, eo quod lex naturalis non addiscitur, sed ex naturali instinctu habetur; ergo non omnia praecepta moralia sunt de lege naturae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet vallen. — 1. In het Boek Ecclesiasticus (17, 9) immers wordt gezegd : « Daarbij gaf Hij hun leering en Hij schonk hun de wet des levens tot erfdeel ». Welnu de leering is tegengesteld aan de natuurwet, doordat de natuurwet niet wordt aangeleerd, maar door een natuurlijk instinkt wordt 234ingegeven. Bijgevolg vallen niet alle zedelijke wetten onder de natuurwet.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet vallen. — 1. In het Boek Sirach (17, 9) immers wordt gezegd: “Daarbij gaf Hij hun lering en Hij schonk hun de wet van het leven tot erfdeel”. Welnu de lering is tegengesteld aan de natuurwet, doordat de natuurwet niet wordt aangeleerd, maar door een natuurlijk instinkt wordt 234ingegeven. Bijgevolg vallen niet alle zedelijke wetten onder de natuurwet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex divina perfectior est quam lex humana; sed lex humana superaddit aliqua ad bonos mores pertinentia his, quae sunt de lege naturae, quod patet ex hoc, quod lex naturae est eadem apud omnes, hujusmodi autem morum instituta sunt diversa apud diversos; ergo multo fortius divina lex aliqua ad bonos mores pertinentia debuit addere supra legem naturae.

2. De goddelijke Wet is volmaakter dan de menschelijke. Welnu de menschelijke wet voegt enkele bepalingen, die betrekking hebben op de goede zeden, toe aan die bepalingen, welke onder de natuurwet vallen, wat hieruit blijkt, dat de natuurwet bij allen hetzelfde is, dergelijke bepalingen daarentegen verschillend voor verschillenden. Dus moet de goddelijke Wet des te eerder enkele bepalingen, die betrekking hebben op de goede zeden, aan de natuurwet toevoegen.2. De goddelijke Wet is volmaakter dan de menselijke. Welnu de menselijke wet voegt enkele bepalingen, die betrekking hebben op de goede zeden, toe aan die bepalingen, welke onder de natuurwet vallen, wat hieruit blijkt, dat de natuurwet bij allen hetzelfde is, dergelijke bepalingen daarentegen verschillend voor verschillenden. Dus moet de goddelijke Wet des te eerder enkele bepalingen, die betrekking hebben op de goede zeden, aan de natuurwet toevoegen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut ratio naturalis inducit ad aliquos bonos mores, ita et fides, ut etiam dicitur ad Gal. 5. [v. 6], quod « fides per dilectionem operatur. » Sed fides non continetur sub lege naturae, quia ea quae sunt fidei, sunt supra rationem naturalem; ergo non omnia praecepta moralia legis divinae pertinent ad legem naturae.

3. Evenals de natuurlijke rede tot enkele goede gewoonten leidt, zoo ook het geloof. Vandaar ook zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 6), dat het geloof door de liefde werkt. Welnu het geloof valt niet onder de natuurwet, daar dat, wat tot het geloof behoort, boven de natuurlijke rede uitgaat. Dus vallen niet alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet.3. Evenals de natuurlijke rede tot enkele goede gewoonten leidt, zo ook het geloof. Vandaar ook zegt de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 6), dat het geloof door de liefde werkt. Welnu het geloof valt niet onder de natuurwet, daar dat, wat tot het geloof behoort, boven de natuurlijke rede uitgaat. Dus vallen niet alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet.

Sed contra est, quod dicit Apostolus Rom. 2 [v. 14.], quod « gentes, quae legem non habent, naturaliter ea quae legis sunt faciunt », quod 235oportet intelligi de his, quae pertinent ad bonos mores; ergo omnia moralia praecepta legis sunt de lege naturae.

Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14), dat de volkeren, die de Wet niet hebben, van nature datgene doen, wat behoort tot de Wet, wat 235verstaan moet worden van die voorschriften, die betrekking hebben op de goede zeden. Dus vallen alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14), dat de volkeren, die de Wet niet hebben, van nature datgene doen, wat behoort tot de Wet, wat 235verstaan moet worden van die voorschriften, die betrekking hebben op de goede zeden. Dus vallen alle zedelijke voorschriften onder de natuurwet.

Respondeo dicendum, quod praecepta moralia a caeremonialibus et judicialibus sunt distincta : moralia enim sunt de illis, quae secundum se ad bonos mores pertinent; cum autem humani mores dicantur in ordine ad rationem, quae est proprium principium humanorum actuum, illi mores dicuntur boni, qui rationi congruunt; mali autem, qui a ratione discordant. Sicut autem omne judicium rationis speculativae procedit a naturali cognitione primorum principiorum, ita etiam omne judicium rationis praticae procedit ex quibusdam principiis naturaliter cognitis, ut supra, dictum est [q. 94. art. 2. et 4.], ex quibus diversimode procedi potest ad judicandum de diversis. Quaedam enim sunt in humanis actibus adeo explicita, quod statim cum modica consideratione possunt approbari vel reprobari per illa communia et prima principia; quaedam vero sunt, ad quorum 236judicium requiritur multa consideratio diversarum circumstantiarum, quas considerare diligenter non est cujuslibet, sed sapientium, sicut considerare particulares conclusiones scientiarum non pertinet ad omnes, sed ad solos Philosophos; quaedam vero sunt, ad quae dijudicanda indiget homo adjuvari per instructionem divinam, sicut est circa credenda.

Leerstelling. — De zedelijke voorschriften zijn onderscheiden van de ceremonieel-voorschriften en van de rechtsregels. Immers de zedelijke voorschriften gaan over die dingen, die op zichzelf betrekking hebben op de goede zeden. Daar nu de menschelijke zeden een verhouding zeggen tot de rede, die het eigen beginsel is van de menschelijke daden, worden die zeden goed genoemd, die met de rede overeenkomen; verkeerd echter, die met de rede in tegenspraak zijn. Evenals nu ieder oordeel van de beschouwende rede uitgaat van de natuurlijke kennis der eerste beginselen, zoo ook gaat ieder oordeel van de praktische rede uit van sommige van nature gekende beginselen, gelijk hierboven gezegd is (XCIVe Kw., 2e en 4e Art.), waarvan men op verschillende manieren kan uitgaan om over verschillende zaken te oordeelen. Immers sommige zaken liggen in de menschelijke daden zóó uitdrukkelijk uitgedrukt, dat ze onmiddellijk met weinig nadenken door middel van die algemeene en eerste beginselen 236kunnen worden aanvaard of verworpen. Andere zaken echter zijn er, die niet kunnen beoordeeld worden dan na lang nadenken over verschillende omstandigheden, voor welke aandachtige studie niet iedereen geschikt is, maar slechts wijze menschen; evenals ook de studie van de bijzondere gevolgtrekkingen der wetenschappen niet onder het bereik valt van eenieder, maar slechts van de wijsgeeren. Weer andere dingen zijn er, die de mensch alleen kan beoordeelen, wanneer hij geholpen wordt door goddelijke leering, zooals dit het geval is bij de geloofswaarheden.Leerstelling. — De zedelijke voorschriften zijn onderscheiden van de ceremonieel-voorschriften en van de rechtsregels. Immers de zedelijke voorschriften gaan over die dingen, die op zichzelf betrekking hebben op de goede zeden. Daar nu de menselijke zeden een verhouding zeggen tot de rede, die het eigen beginsel is van de menselijke daden, worden die zeden goed genoemd, die met de rede overeenkomen; verkeerd echter, die met de rede in tegenspraak zijn. Evenals nu ieder oordeel van de beschouwende rede uitgaat van de natuurlijke kennis van de eerste beginselen, zo ook gaat ieder oordeel van de praktische rede uit van sommige van nature gekende beginselen, gelijk hierboven gezegd is (94e Kw., 2e en 4e Art.), waarvan men op verschillende manieren kan uitgaan om over verschillende zaken te oordelen. Immers sommige zaken liggen in de menselijke daden zó uitdrukkelijk uitgedrukt, dat ze onmiddellijk met weinig nadenken door middel van die algemene en eerste beginselen 236kunnen worden aanvaard of verworpen. Andere zaken echter zijn er, die niet kunnen beoordeeld worden dan na lang nadenken over verschillende omstandigheden, voor welke aandachtige studie niet iedereen geschikt is, maar slechts wijze mensen; evenals ook de studie van de bijzondere gevolgtrekkingen van de wetenschappen niet onder het bereik valt van eenieder, maar slechts van de wijsgeren. Weer andere dingen zijn er, die de mens alleen kan beoordelen, wanneer hij geholpen wordt door goddelijke lering, zoals dit het geval is bij de geloofswaarheden.

Sic igitur patet, quod cum moralia praecepta sint de his, quae pertinent ad bonos mores, haec autem sunt quae rationi conveniunt, omne autem rationis humanae judicium aliqualiter a naturali ratione derivatur, necesse est, quod omnia praecepta moralia pertineant ad legem naturae, sed diversimode. Quaedam enim sunt, quae statim per se ratio naturalis cujuslibet hominis dijudicat esse facienda, vel non facienda; sicut : Honora patrem tuum, et matrem; et : Non occides, Non furtum facies : et hujusmodi sunt absolute de lege naturae; quaedam vero sunt, quae subtiliori consideratione rationis, a sapientibus judicantur esse observanda : et ista sic sunt de lege naturae, ut tamen indigeant disciplina, qua minores a sapientibus instruantur, sicut illud : Coram cano capite consurge, et honora personam senis, 237et alia hujusmodi; quaedam vero sunt, ad quae judicanda ratio humana indiget instructione divina, per quam erudimur de divinis, sicut est illud : Non facies tibi sculptile, neque omnem similitudinem. Non assumes nomen Dei tui in vanum.

Het blijkt dus dat, aangezien de zedelijke voorschriften over die zaken gaan, die betrekking hebben op de goede zeden, en daar de goede zeden die zijn, welke met de rede overeenkomen — ieder oordeel van de menschelijke rede toch wordt eenigszins van de natuurlijke rede afgeleid — al de zedelijke voorschriften noodzakelijk vallen onder de natuurwet, maar op verschillende wijze. Want er zijn sommige dingen, waarover de natuurlijke rede terstond oordeelt, dat ze gedaan moeten worden of niet gedaan mogen worden, zooals : « Eer uw vader en moeder », en « Gij zult niet dooden; gij zult niet stelen », en dergelijke gevallen absoluut onder de natuurwet. Andere zijn er, waarvan de wijzen door scherpzinniger 237studie oordeelen, dat ze moeten worden onderhouden. Deze vallen zóó onder de natuurwet, dat ze leering noodig hebben, die de wijzen aan de minderen moeten geven; zooals b. v. : « Voor een grijsaard moet gij het hoofd buigen, en den ouderdom zult gij eeren », en dergelijke. Weer andere zijn er, die de menschen niet kunnen beoordeelen zonder Gods leering, waardoor wij onderricht worden in de goddelijke dingen, zooals b. v. : « Gij zult u geen beeld maken, noch eenige gelijkenis », of : « Gij zult den naam van God niet ijdel gebruiken ».Het blijkt dus dat, aangezien de zedelijke voorschriften over die zaken gaan, die betrekking hebben op de goede zeden, en daar de goede zeden die zijn, welke met de rede overeenkomen — ieder oordeel van de menselijke rede toch wordt enigszins van de natuurlijke rede afgeleid — al de zedelijke voorschriften noodzakelijk vallen onder de natuurwet, maar op verschillende wijze. Want er zijn sommige dingen, waarover de natuurlijke rede terstond oordeelt, dat ze gedaan moeten worden of niet gedaan mogen worden, zoals: “Eer uw vader en moeder”, en “Gij zult niet doden; gij zult niet stelen”, en dergelijke gevallen absoluut onder de natuurwet. Andere zijn er, waarvan de wijzen door scherpzinniger 237studie oordelen, dat ze moeten worden onderhouden. Deze vallen zó onder de natuurwet, dat ze lering nodig hebben, die de wijzen aan de minderen moeten geven; zoals bv.: “Voor een grijsaard moet gij het hoofd buigen, en de ouderdom zult gij eren”, en dergelijke. Weer andere zijn er, die de mensen niet kunnen beoordelen zonder Gods lering, waardoor wij onderricht worden in de goddelijke dingen, zoals bv.: “Gij zult u geen beeld maken, noch enige gelijkenis”, of: “Gij zult de naam van God niet ijdel gebruiken”.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2 ↑ 3

Et per hoc patet responsio ad objecta.

Hieruit blijkt ook het antwoord op de Bedenkingen.

Articulus II

Utrum praecepta moralia legis sint de omnibus actibus virtutum

[Supr. q. 49. art. 3. ad 2. et art. 4. corp. et infr, q, 104, art. 1. corp. et Matth. 23. com. 2.].
IIe Artikel

Beslaan de zedelijke voorschriften der Wet alle deugddaden?Beslaan de zedelijke voorschriften van de Wet alle deugddaden?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod praecepta moralia legis non sint de omnibus actibus virtutum : observatio enim praeceptorum veteris 238legis justificatio nominatur, secundum illud Psal 118. [v. 8.] : « Justificationes tuas custodiam. » Sed justificatio est executio justitiae; ergo praecepta moralia non sunt nisi de actibus justitiae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de zedelijke voorschriften der Wet niet alle deugddaden beslaan. — 1. De onderhouding immers van de voorschriften der Oude Wet wordt 238gerechtigheid genoemd, overeenkomstig Psalm 118, 8 : « Uwe gerechtigheden zal ik onderhouden ». Welnu de gerechtigheid is de uitvoering der rechtvaardigheid. Dus gaan de zedelijke voorschriften alleen over daden van rechtvaardigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de zedelijke voorschriften van de Wet niet alle deugddaden beslaan. — 1. De onderhouding immers van de voorschriften van de Oude Wet wordt 238gerechtigheid genoemd, overeenkomstig Psalm 118a, 8: “Uw gerechtigheden zal ik onderhouden”. Welnu de gerechtigheid is de uitvoering van de rechtvaardigheid. Dus gaan de zedelijke voorschriften alleen over daden van rechtvaardigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, id quod cadit sub praecepto, habet rationem debiti : sed ratio debiti non pertinet ad alias virtutes, nisi ad solam justitiam, cujus proprius actus est reddere unicuique debitum; ergo praecepta legis moralia non sunt de actibus aliarum virtutum, sed solum de actibus justitiae.

2. Dat wat valt onder een voorschrift, is verschuldigd. Welnu het begrip verschuldigd behoort alleen tot de rechtvaardigheid, waarvan de eigen daad is ieder het zijne te geven. Dus gaan de zedelijke voorschriften niet over de daden van andere deugden dan van de rechtvaardigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, omnis lex ponitur propter bonum commune, ut dicit Isidorus [lib. 5. Etym. cap. 21.] ; sed inter virtutes sola justitia respicit bonum commune, ut Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 1.] ; ergo praecepta moralia sunt solum de actibus justitiae.

3. Iedere wet wordt gemaakt voor het algemeen welzijn, zooals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (Ve B., XXIe H.). Welnu onder de deugden heeft alleen de rechtvaardigheid betrekking op het algemeen welzijn, gelijk de Wijsgeer zegt in het Ve Boek van zijn Ethica (Ie H., Nr 17). Bijgevolg beslaan de zedelijke voorschriften alleen daden van rechtvaardigheid.3. Iedere wet wordt gemaakt voor het algemeen welzijn, zoals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (5e B., 21e H.). Welnu onder de deugden heeft alleen de rechtvaardigheid betrekking op het algemeen welzijn, gelijk de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (1e H., Nr 17). Bijgevolg beslaan de zedelijke voorschriften alleen daden van rechtvaardigheid.

Sed contra est, quod Ambrosius dicit [in lib. de Parad. cap. 8.], quod peccatum est transgressio legis divinae, et coelestium inobedientia 239mandatorum; sed peccata contrariantur omnibus actibus virtutum; ergo lex divina habet ordinare de actibus omnium virtutum.

Maar daartegenover staat het gezegde van Ambrosius in zijn Boek Over het Paradijs (VIIIe H.), dat de zonde een overtreding is van de goddelijke Wet, en een ongehoorzaamheid aan de Hemelsche voorschriften. Welnu de zonden zijn tegengesteld aan 239alle deugddaden. Dus moet de goddelijke Wet omtrent alle deugddaden verordeningen maken.Maar daartegenover staat het gezegde van Ambrosius in zijn Boek Over het Paradijs (8e H.), dat de zonde een overtreding is van de goddelijke Wet, en een ongehoorzaamheid aan de Hemelse voorschriften. Welnu de zonden zijn tegengesteld aan 239alle deugddaden. Dus moet de goddelijke Wet omtrent alle deugddaden verordeningen maken.

Respondeo dicendum, quod, cum praecepta legis ordinentur ad bonum commune, sicut supra habitum est [q. 90. art. 2.], necesse est quod praecepta legis diversificentur secundum diversos modos communitatem; unde Philosophus in sua Politica [lib. 4. cap. 1.] docet, quod alias leges oportet statuere in civitate, quae regitur rege, et alias in ea, quae regitur per populum, vel per aliquos potentes de civitate. Est autem alius modus comunitatis, ad quam ordinatur lex humana, et ad quam ordinatur lex divina : lex enim humana ordinatur ad communitatem civilem, quae est hominum ad invicem; homines autem ordinantur ad invicem per exteriores actus, quibus homines sibi invicem communicant. Hujusmodi autem communicatio pertinet ad rationem justitiae, quae est proprie directiva communitatis humanae, et ideo lex humana non proponit praecepta nisi de 240actibus justitiae; et si praecipiat actus aliarum virtutum, hoc non est, nisi inquantum assumunt rationem justitiae, ut patet per Philosophum in 5. Ethic. [cap. 1.].

Leerstelling. — Daar, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., 2e Art.), de voorschriften der wet geordend zijn tot het algemeen welzijn, moeten de voorschriften der wet verschillen naar de verschillende soorten gemeenschappen. Vandaar leert de Wijsgeer in zijn Politiek (IVe B., Ie H., Nr 5-6), dat er andere wetten gemaakt moeten worden voor een staat, die bestuurd wordt door een koning, en andere voor een staat, die bestuurd wordt door het volk of door enkele machtigen uit een staat. Welnu de gemeenschap, waarop de menschelijke wet gericht is, en die waarop de goddelijke wet gericht is, behooren niet tot dezelfde soort. De menschelijke wet immers is gericht op de burgerlijke gemeenschap, die bestaat uit menschen onderling. De menschen nu zijn tot elkaar geordend door uiterlijke daden, waardoor de menschen zich op elkander betrekken. Die betrekkingen behooren tot de rechtvaardigheid, die krachtens haar wezen de menschelijke gemeenschap leidt. En in dien zin stelt de menschelijke wet alleen voorschriften voor met betrekking tot de daden van rechtvaardigheid. En zoo ze daden 240van andere deugden beveelt, dan doet ze dit slechts voor zoover ze behooren tot de rechtvaardigheid, zooals de Wijsgeer zegt in het Ve Boek zijner Ethica (Ie H., Nr 12 v. v.).Leerstelling. — Daar, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 2e Art.), de voorschriften van de wet geordend zijn tot het algemeen welzijn, moeten de voorschriften van de wet verschillen naar de verschillende soorten gemeenschappen. Vandaar leert de Wijsgeer in zijn Politiek (4e B., 1e H., Nr 5-6), dat er andere wetten gemaakt moeten worden voor een staat, die bestuurd wordt door een koning, en andere voor een staat, die bestuurd wordt door het volk of door enkele machtigen uit een staat. Welnu de gemeenschap, waarop de menselijke wet gericht is, en die waarop de goddelijke wet gericht is, behoren niet tot dezelfde soort. De menselijke wet immers is gericht op de burgerlijke gemeenschap, die bestaat uit mensen onderling. De mensen nu zijn tot elkaar geordend door uiterlijke daden, waardoor de mensen zich op elkander betrekken. Die betrekkingen behoren tot de rechtvaardigheid, die krachtens haar wezen de menselijke gemeenschap leidt. En in die zin stelt de menselijke wet alleen voorschriften voor met betrekking tot de daden van rechtvaardigheid. En zo ze daden 240van andere deugden beveelt, dan doet ze dit slechts voor zover ze behoren tot de rechtvaardigheid, zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (1e H., Nr 12 v. v.).

Sed communitas, ad quam ordinat lex divina, est hominum ad Deum, vel in praesenti, vel in futura vita; et ideo lex divina praecepta proponit de omnibus illis, per quae homines bene ordinentur ad communicationem cum Deo. Homo autem Deo conjungitur ratione, sive mente, in qua est Dei imago; et ideo lex divina praecepta proponit de omnibus illis, per quae ratio hominis bene ordinata est. Hoc autem contingit per actus omnium virtutum : nam virtutes intellectuales ordinant bene actus rationis in seipsis, virtutes autem morales ordinant bene actus rationis circa interiores passiones et exteriores operationes; et ideo manifestum est, quod lex divina convenienter proponit praecepta de actibus omnium virtutum, ita tamen quod quaedam, sine quibus ordo virtutis, qui est ordo rationis, observari non potest, 241cadunt sub obligatione praecepti, quaedam vero, quae pertinent ad bene esse virtutis perfectae, cadunt sub admonitione consilii.

De gemeenschap echter, waartoe de goddelijke Wet ordent, is van de menschen tot God, ofwel in dit leven, ofwel in het toekomstig leven. Daarom stelt de goddelijke Wet voorschriften vast omtrent alles waardoor de menschen goed gericht worden tot de gemeenschap met God. De mensch nu is met God verbonden door de rede of den geest, waarin het beeld Gods is, en daarom stelt de goddelijke Wet voorschriften vast met betrekking tot alles, waardoor de rede van den mensch goed geordend is. Welnu dit geschiedt door de daden van alle deugden : de verstandsdeugden toch richten de daden van het verstand, op zichzelf beschouwd; de zedelijke deugden echter richten de daden van het verstand met betrekking tot de innerlijke hartstochten en uiterlijke werkingen. Zoo is het duidelijk, dat het passend is, dat de goddelijke Wet voorschriften voorstelt omtrent de daden van alle deugden; echter zóó, dat sommige, zonder welke de orde van de deugd, die de orde van de rede is, niet kan onderhouden worden, vallen onder de verplichting van het gebod, andere daarentegen, 241die behooren tot het goed-zijn van de volmaakte deugd, vallen onder de raden.De gemeenschap echter, waartoe de goddelijke Wet ordent, is van de mensen tot God, ofwel in dit leven, ofwel in het toekomstig leven. Daarom stelt de goddelijke Wet voorschriften vast omtrent alles waardoor de mensen goed gericht worden tot de gemeenschap met God. De mens nu is met God verbonden door de rede of de geest, waarin het beeld Gods is, en daarom stelt de goddelijke Wet voorschriften vast met betrekking tot alles, waardoor de rede van de mens goed geordend is. Welnu dit geschiedt door de daden van alle deugden: de verstandsdeugden toch richten de daden van het verstand, op zichzelf beschouwd; de zedelijke deugden echter richten de daden van het verstand met betrekking tot de innerlijke hartstochten en uiterlijke werkingen. Zo is het duidelijk, dat het passend is, dat de goddelijke Wet voorschriften voorstelt omtrent de daden van alle deugden; echter zó, dat sommige, zonder welke de orde van de deugd, die de orde van de rede is, niet kan onderhouden worden, vallen onder de verplichting van het gebod, andere daarentegen, 241die behoren tot het goed-zijn van de volmaakte deugd, vallen onder de raden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod adimpletio mandatorum legis, etiam quae sunt de actibus aliarum virtutum, habet rationem justificationis, inquantum justum est, ut homo obediat Deo; vel etiam inquantum justum est, quod omnia, quae sunt hominis, rationi subdantur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vervulling van de voorschriften der Wet, ook welke over daden van andere deugden gaan, mogen gerechtigheid genoemd worden, voor zoover het rechtvaardig is, dat de mensch aan God gehoorzaam is, of ook voor zoover het rechtvaardig is, dat al het menschelijke onderworpen is aan de rede.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vervulling van de voorschriften van de Wet, ook welke over daden van andere deugden gaan, mogen gerechtigheid genoemd worden, voor zover het rechtvaardig is, dat de mens aan God gehoorzaam is, of ook voor zover het rechtvaardig is, dat al het menselijke onderworpen is aan de rede.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod justitia proprie dicta attendit debitum unius hominis ad alium. Sed in omnibus aliis virtutibus attenditur debitum inferiorum virium ad rationem, et secundum rationem hujus debiti Philosophus assignat in 5 Ethic. [cap. ult.] quamdam justitiam metaphoricam.

2. De rechtvaardigheid in eigenlijken zin heeft betrekking op de verplichting van een mensch tot een ander, alle andere deugden echter hebben betrekking op de verplichting van de lagere krachten tot de rede; en krachtens het wezen van die verplichting spreekt de Wijsgeer van een figuurlijke rechtvaardigheid.2. De rechtvaardigheid in eigenlijke zin heeft betrekking op de verplichting van een mens tot een ander, alle andere deugden echter hebben betrekking op de verplichting van de lagere krachten tot de rede; en krachtens het wezen van die verplichting spreekt de Wijsgeer van een figuurlijke rechtvaardigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium patet responsio per ea, quae dicta sunt de diversitate communitatis.

Het antwoord op de derde Bedenking blijkt uit wat gezegd is over het onderscheid der gemeenschappen.Het antwoord op de derde Bedenking blijkt uit wat gezegd is over het onderscheid van de gemeenschappen.

Articulus III

Utrum omnia praecepta moralia veteris legis reducantur ad decem praecepta decalogi

[Infr. art. 11 et 2-2. q. 122. art. 6. et 9. ad 2. et 3. Dist. 37. art. 2. q. 1. corp. et 4. per tot. et Mal. q. art. 2. ad 14. Quodl. 7. art. 17. ad 8.]
IIIe Artikel

Kunnen al de zedelijke voorschriften van de Oude Wet teruggebracht worden tot de Tien Geboden?

antwoord 1 ↓

242Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non omnia praecepta moralia veteris legis reducantur ad decem praecepta decalogi : prima enim et principalia legis praecepta sunt : « Diliges Dominum Deum tuum », et : « Diliges proximum tuum », ut habetur Matth. 22 [v. 37, 39] ; sed ista duo non continentur in praeceptis decalogi; ergo non omnia praecepta moralia continentur in praeceptis decalogi.

242Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle zedelijke voorschriften van de Oude Wet tot de Tien Geboden kunnen worden teruggebracht. — 1. De eerste en voornaamste voorschriften van de Wet immers zijn : « Bemin den Heer uw God », en : « Bemin uw naaste » (Mattheus, 22; 37, 39). Welnu die twee geboden zijn niet opgenomen in de Tien Geboden. Dus zijn niet al de zedelijke voorschriften in de Tien Geboden vervat.242Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle zedelijke voorschriften van de Oude Wet tot de Tien Geboden kunnen worden teruggebracht. — 1. De eerste en voornaamste voorschriften van de Wet immers zijn: “Bemin de Heer uw God”, en: “Bemin uw naaste” (Matteüs, 22; 37, 39). Welnu die twee geboden zijn niet opgenomen in de Tien Geboden. Dus zijn niet al de zedelijke voorschriften in de Tien Geboden vervat.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta moralia non reducuntur ad praecepta caeremonialia, sed potius e converso; sed inter praecepta decalogi est unum caeremoniale, scilicet : « Memento ut diem Sabbati sanctifices. » Ergo omnia praecepta moralia non reducuntur ad praecepta decalogi.

2. De zedelijke voorschriften kunnen niet worden teruggebracht tot de ceremonieel-voorschriften, maar veeleer andersom. Welnu onder de Tien Geboden is één ceremonieel-voorschrift, nl. : « Gedenk, dat gij den sabbat heiligt ». Bijgevolg worden niet al de zedelijke voorschriften teruggebracht tot de Tien Geboden.2. De zedelijke voorschriften kunnen niet worden teruggebracht tot de ceremonieel-voorschriften, maar veeleer andersom. Welnu onder de Tien Geboden is één ceremonieel-voorschrift, nl.: “Gedenk, dat gij de sabbat heiligt”. Bijgevolg worden niet al de zedelijke voorschriften teruggebracht tot de Tien Geboden.

antwoord 3 ↓

2433. Praeterea, praecepta moralia sunt de omnibus actibus virtutum; sed inter praecepta decalogi ponuntur sola praecepta pertinentia ad actus justitiae, ut patet discurrenti per singula; ergo praecepta decalogi non continent omnia praecepta moralia.

2433. De zedelijke voorschriften strekken zich uit over alle deugddaden. Welnu de voorschriften, die in de Tien Geboden vervat zijn, strekken zich alleen uit over de daden der rechtvaardigheid. Dus bevatten de Tien Geboden niet al de zedelijke voorschriften.2433. De zedelijke voorschriften strekken zich uit over alle deugddaden. Welnu de voorschriften, die in de Tien Geboden vervat zijn, strekken zich alleen uit over de daden van de rechtvaardigheid. Dus bevatten de Tien Geboden niet al de zedelijke voorschriften.

Sed contra est, quod Matth. 5 [v. 11] super illud : « Beati estis, cum maledixerint », etc. dicit Glossa [ordin.], quod Moyses decem praecepta proponens, postea per partes explicat; ergo omnia praecepta legis sunt quaedam partes praeceptorum decalogi.

Maar daartegenover staat de Glossa op die woorden van Mattheus, 5, 11 : « Zalig zijt Gij, wanneer de menschen U vervloeken », nl. dat Mozes nadat hij de Tien Geboden had voorgehouden, ze later heeft verklaard. Bijgevolg zijn al de voorschriften der Wet deelen van de Tien Geboden.Maar daartegenover staat de Glossa op die woorden van Matteüs, 5, 11: “Zalig zijt Gij, wanneer de mensen U vervloeken”, nl. dat Mozes nadat hij de Tien Geboden had voorgehouden, ze later heeft verklaard. Bijgevolg zijn al de voorschriften van de Wet delen van de Tien Geboden.

Respondeo dicendum, quod praecepta decalogi ab aliis praeceptis legis differunt in hoc, quod praecepta decalogi per seipsum Deus dicitur populo proposuisse, alia vero praecepta proposuit populo per Moysen. Illa ergo praecepta ad decalogum pertinent, quorum notitiam homo habet per seipsum a Deo; hujusmodi vero sunt illa, quae statim ex principiis communibus primis 244cognosci possunt modica consideratione, et iterum illa, quae statim ex fide divinitus infusa innotescunt. Inter praecepta ergo decalogi non computantur duo genera praeceptorum : illa scilicet, quae sunt prima et communia, quorum non oportet aliquam editionem esse, nisi quod sunt scripta in ratione naturali, quasi per se nota, sicut quod homo nulli debet malefacere, et alia hujusmodi, et iterum illa, quae per diligentem inquisitionem sapientum inveniuntur rationi convenire : haec enim proveniunt a Deo ad populum, mediante disciplina sapientum. Utraque tamen horum praeceptorum continentur in praeceptis decalogi, sed diversimode : nam illa, quae sunt prima et communia, continentur in eis, sicut principia in conclusionibus proximis; illa vero, quae per sapientes cognoscuntur, continentur in eis e converso, sicut conclusiones in principiis.

Leerstelling. — De voorschriften der Tien Geboden verschillen van de overige geboden der Wet, doordat de voorschriften der Tien Geboden door God zelf aan het volk zijn voorgehouden, terwijl de andere voorschriften door Mozes aan het volk zijn voorgehouden. Die voorschriften dus vallen onder de Tien Geboden, waarvan de mensch rechtstreeks van God de kennis ontvangt. Dergelijke voorschriften zijn die, welke onmiddellijk en met weinig nadenken uit de eerste algemeene beginselen gekend 244kunnen worden; en eveneens die, welke onmiddellijk uit het geloof door goddelijke instorting zijn gekend. Onder de voorschriften der Tien Geboden worden twee soorten van voorschriften niet gerekend, nl. die welke eerste en algemeene beginselen zijn, waarvoor het niet noodig is, dat ze uitgevaardigd worden, tenzij voor zoover ze in de natuurlijke rede ingedrukt zijn als door zichzelf gekend, zooals b. v. dat de mensch niemand kwaad mag doen, en dergelijke; en ook die welke een zorgvuldig onderzoek van wijze menschen uitwijst als overeenkomstig met de rede, want deze komen van God tot het volk, door leering der wijzen. Beide soorten van deze voorschriften nu liggen opgesloten in de Tien Geboden, maar op verschillende wijze. Want die, welke eerste en algemeene beginselen zijn, liggen in de Tien Geboden opgesloten, gelijk een beginsel in de onmiddellijke gevolgtrekkingen; terwijl die, welke door de wijzen gekend worden, er in liggen opgesloten gelijk de gevolgtrekkingen in de beginselen.Leerstelling. — De voorschriften van de Tien Geboden verschillen van de overige geboden van de Wet, doordat de voorschriften van de Tien Geboden door God zelf aan het volk zijn voorgehouden, terwijl de andere voorschriften door Mozes aan het volk zijn voorgehouden. Die voorschriften dus vallen onder de Tien Geboden, waarvan de mens rechtstreeks van God de kennis ontvangt. Dergelijke voorschriften zijn die, welke onmiddellijk en met weinig nadenken uit de eerste algemene beginselen gekend 244kunnen worden; en eveneens die, welke onmiddellijk uit het geloof door goddelijke instorting zijn gekend. Onder de voorschriften van de Tien Geboden worden twee soorten van voorschriften niet gerekend, nl. die welke eerste en algemene beginselen zijn, waarvoor het niet nodig is, dat ze uitgevaardigd worden, tenzij voor zover ze in de natuurlijke rede ingedrukt zijn als door zichzelf gekend, zoals bv. dat de mens niemand kwaad mag doen, en dergelijke; en ook die welke een zorgvuldig onderzoek van wijze mensen uitwijst als overeenkomstig met de rede, want deze komen van God tot het volk, door lering van de wijzen. Beide soorten van deze voorschriften nu liggen opgesloten in de Tien Geboden, maar op verschillende wijze. Want die, welke eerste en algemene beginselen zijn, liggen in de Tien Geboden opgesloten, gelijk een beginsel in de onmiddellijke gevolgtrekkingen; terwijl die, welke door de wijzen gekend worden, er in liggen opgesloten gelijk de gevolgtrekkingen in de beginselen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illa duo praecepta sunt prima et communia praecepta legis naturae, quae sunt per se nota rationi humanae, vel 245per naturam, vel per fidem; et ideo omnia praecepta decalogi ad illa duo referuntur, sicut conclusiones ad principia communia.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die twee voorschriften zijn eerste en algemeene geboden van de natuurwet, die uit zichzelf aan de menschelijke rede bekend zijn, hetzij van nature, 245hetzij door het geloof. Zoo dus worden al de voorschriften der Tien Geboden tot die twee teruggebracht, gelijk de gevolgtrekkingen tot de algemeene beginselen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die twee voorschriften zijn eerste en algemene geboden van de natuurwet, die uit zichzelf aan de menselijke rede bekend zijn, hetzij van nature, 245hetzij door het geloof. Zo dus worden al de voorschriften van de Tien Geboden tot die twee teruggebracht, gelijk de gevolgtrekkingen tot de algemene beginselen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod praeceptum de observatione Sabbati est secundum aliquid morale, inquantum scilicet per hoc praecipitur, quod homo aliquo tempore vacet rebus divinis, secundum illud Psal. 45 [v. 11] : « Vacate, et videte. quoniam ego sum Deus. » Et secundum hoc inter praecepta decalogi computatur; non autem quantum ad taxationem temporis, quia secundum hoc est caeremoniale.

2. Het voorschrift over de Sabbatviering is onder een bepaald opzicht zedelijk, voor zoover nl. door dit voorschrift bevolen wordt, dat de mensch eenigen tijd zich met goddelijke dingen bezig houdt, krachtens het woord van den Psalmist (Psalm 45, 11) : « Laat af, en ziet in, dat ik God ben ». Daarom wordt het onder de Tien Geboden gerekend, echter niet voor zoover het een tijdsbepaling is, daar het in dit opzicht valt onder de ceremonieel-voorschriften.2. Het voorschrift over de Sabbatviering is onder een bepaald opzicht zedelijk, voor zover nl. door dit voorschrift bevolen wordt, dat de mens enigen tijd zich met goddelijke dingen bezig houdt, krachtens het woord van de Psalmist (Psalm 45, 11)a: “Laat af, en ziet in, dat ik God ben”. Daarom wordt het onder de Tien Geboden gerekend, echter niet voor zover het een tijdsbepaling is, daar het in dit opzicht valt onder de ceremonieel-voorschriften.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio debiti in aliis virtutibus est magis latens, quam in justitia; et ideo praecepta de actibus aliarum virtutum non sunt ita nota populo, sicut praecepta de actibus justitiae. Et propter hoc actus justitiae specialiter cadunt sub praeceptis decalogi, quae sunt prima legis elementa.

3 Het begrip van verschuldigd zijn komt in de andere deugden minder naar voren dan in de rechtvaardigheid. Daarom zijn de voorschriften betreffende de daden van de andere deugden niet zoo goed aan het volk bekend als de voorschriften betreffende de daden van rechtvaardigheid. Daarom ook vallen de daden van rechtvaardigheid bijzonder onder de voorschriften der Tien Geboden, die de eerste elementen der Wet bevatten.3 Het begrip van verschuldigd zijn komt in de andere deugden minder naar voren dan in de rechtvaardigheid. Daarom zijn de voorschriften betreffende de daden van de andere deugden niet zo goed aan het volk bekend als de voorschriften betreffende de daden van rechtvaardigheid. Daarom ook vallen de daden van rechtvaardigheid bijzonder onder de voorschriften van de Tien Geboden, die de eerste elementen van de Wet bevatten.

Articulus IV

Utrum praecepta decalogi convenienter distinguantur

[Infr. art. 5. et 3. Dist, 17. in exp. litt, princ.].
IVe Artikel

Worden de voorschriften der Tien Geboden redelijk onderscheiden?Worden de voorschriften van de Tien Geboden redelijk onderscheiden?

antwoord 1 ↓

246Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter praecepta decalogi distinguantur : latria enim est alia virtus a fide; sed praecepta dantur de actibus virtutum, et hoc quod dicitur in principio decalogi : « Non habebis Deos alienos coram me » pertinet ad fidem; quod autem subditur : « Non facies sculptile » etc. pertinet ad latriam; ergo sunt duo praecepta, et non unum, sicut Augustinus dicit [q. 71. in Exod.].

246Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften der Tien Geboden niet redelijk worden onderscheiden. — 1. De vereering immers is een andere deugd dan het geloof. Welnu voorschriften worden gegeven met betrekking tot deugddaden, terwijl het gebod : « Gij zult geen vreemde goden voor mijne oogen hebben » valt onder het geloof, en het volgende gebod : « Gij zult U geen gesneden beeld maken » valt onder de vereering. Dus zijn het twee geboden, en niet één, gelijk Augustinus zegt (in zijn werk over het Boek Exodus, LXXIe H.).246Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften van de Tien Geboden niet redelijk worden onderscheiden. — 1. De verering immers is een andere deugd dan het geloof. Welnu voorschriften worden gegeven met betrekking tot deugddaden, terwijl het gebod: “Gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen hebben” valt onder het geloof, en het volgende gebod: “Gij zult U geen gesneden beeld maken” valt onder de verering. Dus zijn het twee geboden, en niet één, gelijk Augustinus zegt (in zijn werk over het Boek Exodus, 71e H.).

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta affirmativa in lege distinguuntur a negativis; sicut : Honora patrem, et matrem; et : Non occides : sed hoc quod dicitur : Ego sum Dominus Deus tuus, est affirmativum : quod autem subditur : Non 247habebis Deos alienos coram me, est negativum; ergo sunt duo praecepta, et non continentur sub uno, ut Augustinus ponit [loc. cit.].

2. De gebiedende geboden worden in de Wet onderscheiden van de verbiedende, zooals : « Eer vader en moeder », en : « Gij zult niet doodslaan ». Welnu het gebod : « Ik ben de Heer uw God » is een gebiedend gebod, terwijl hetgeen volgt : « Gij zult geen vreemde goden voor mij hebben », een verbiedend gebod is: 247Dus zijn dit twee geboden, en niet één, gelijk Augustinus zegt (t. a. pl.).2. De gebiedende geboden worden in de Wet onderscheiden van de verbiedende, zoals: “Eer vader en moeder”, en: “Gij zult niet doodslaan”. Welnu het gebod: “Ik ben de Heer uw God” is een gebiedend gebod, terwijl hetgeen volgt: “Gij zult geen vreemde goden voor mij hebben”, een verbiedend gebod is: 247Dus zijn dit twee geboden, en niet één, gelijk Augustinus zegt (t.a.p.).

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Apostolus Rom. 7 [v. 7] dicit : « Concupiscentiam nesciebam, nisi lex diceret : Non concupisces. » Et sic videtur, quod hoc praeceptum : « Non concupisces », sit unum praeceptum; non ergo debuit distingui in duo.

3. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (7, 7) : « Ik zou de begeerte niet kennen, wanneer de Wet niet gezegd had : Gij zult niet begeeren ». Het is dus duidelijk, dat dit voorschrift : « Gij zult niet begeeren » een enkel voorschrift is, en bijgevolg moet het niet onderscheiden worden in twee voorschriften.3. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (7, 7): “Ik zou de begeerte niet kennen, wanneer de Wet niet gezegd had: Gij zult niet begeren”. Het is dus duidelijk, dat dit voorschrift: “Gij zult niet begeren” een enkel voorschrift is, en bijgevolg moet het niet onderscheiden worden in twee voorschriften.

Sed contra est auctoritas Augustini in Glossa super Exod. [loc. cit.], ubi ponit tria praecepta pertinentia ad Deum, et septem proximum.

Maar daartegenover staat het gezag van Augustinus in zijn Glossa op Exodus (t. a. pl.), waar hij drie voorschriften aangeeft, die betrekking hebben op God, en zeven op den naaste.Maar daartegenover staat het gezag van Augustinus in zijn Glossa op Exodus (t.a.p.), waar hij drie voorschriften aangeeft, die betrekking hebben op God, en zeven op de naaste.

Respondeo dicendum, quod praecepta decalogi diversimode a diversis distinguuntur : Hesychius enim Levit. 26 [v. 26] super illud : « Decem mulieres in uno clibano coquunt panes » dicit, praeceptum de observatione Sabbati non esse de decem praeceptis, quia est observandum secundum literam secundum omne tempus. Distinguit tamen quatuor praecepta 248pertinentia ad Deum, ut primum sit : « Ego sum Dominus Deus tuus », secundum sit : « Non habebis Deos alienos coram me »; et sic etiam distinguit haec duo Hieronymus Oseae 10 super illud [v. 10] : « Propter duas iniquitates tuas »; tertium vero praeceptum esse dicit : « Non facies tibi sculptile »; quartum vero : « Non assumes nomen Dei tui in vanum. » Pertinentia vero ad proximum dicit esse sex, ut primum sit : « Honora patrem et matrem tuam »; secundum : « Non occides »; tertium : « Non moechaberis »; quartum : « Non furtum facies »; quintum : « Non falsum testimonium dices »; sextum : « Non concupisces. »

Leerstelling. — De Tien Geboden worden door verschillende verschillend onderscheiden. Hesychius immers zegt naar aanleiding van de volgende woorden uit het Boek Leviticus (26, 26) : « Tien vrouwen bakken brood in één oven », dat het voorschrift van de sabbatviering niet valt onder de Tien Geboden, omdat het niet in alle tijden letterlijk moet genomen worden. Hij nu onderscheidt vier geboden die betrekking hebben op God, waarvan het 248eerste is : « Ik ben de Heer uw God », het tweede : « Gij zult geen vreemde goden voor mij hebben ». Zóó onderscheidt ook Hieronymus deze twee naar aanleiding van Osee (10,10) : « Om uwe twee ongerechtigheden ». Het derde is het volgende : « Gij zult U geen gesneden beeld maken »; en het vierde : « Gij zult den naam van uwen God niet ijdel gebruiken ». Zes echter zijn er volgens hem, die betrekking hebben op den naaste, waarvan het eerste is : « Eer vader en moeder », het tweede : « Gij zult niet dooden »; het derde : « Gij zult geen overspel bedrijven »; het vierde : « Gij zult niet stelen »; het vijfde : « Gij zult geen valsche getuigenis geven »; het zesde : « Gij zult niet begeeren ».Leerstelling. — De Tien Geboden worden door verschillende verschillend onderscheiden. Hesychius immers zegt naar aanleiding van de volgende woorden uit het Boek Leviticus (26, 26): “Tien vrouwen bakken brood in één oven”, dat het voorschrift van de sabbatviering niet valt onder de Tien Geboden, omdat het niet in alle tijden letterlijk moet genomen worden. Hij nu onderscheidt vier geboden die betrekking hebben op God, waarvan het 248eerste is: “Ik ben de Heer uw God”, het tweede: “Gij zult geen vreemde goden voor mij hebben”. Zó onderscheidt ook Hieronymus deze twee naar aanleiding van Hosea (10,10): “Om uw twee ongerechtigheden”. Het derde is het volgende: “Gij zult U geen gesneden beeld maken”; en het vierde: “Gij zult de naam van uw God niet ijdel gebruiken”. Zes echter zijn er volgens hem, die betrekking hebben op de naaste, waarvan het eerste is: “Eer vader en moeder”, het tweede: “Gij zult niet doden”; het derde: “Gij zult geen overspel bedrijven”; het vierde: “Gij zult niet stelen”; het vijfde: “Gij zult geen valse getuigenis geven”; het zesde: “Gij zult niet begeren”.

Sed primo hoc videtur inconveniens, quod praeceptum de observatione Sabbati praeceptis decalogi interponatur. si nullo modo ad decalogum pertineat; secundo, quia cum scriptum sit Matth. 6 [v. 24] : « Nemo potest duobus dominis servire », ejusdem rationis esse videtur et sub eodem praecepto cadere : « Ego sum Dominus Deus tuus » et : « Non habebis Deos alienos. » Unde Origenes [hom. 8. in Exod.] distinguens etiam quatuor 249praecepta ordinantia ad Deum, ponit ista duo pro uno praecepto; secundum vero ponit : « Non facies sculptile »; tertium vero : « Non assumes nomen Dei tui in vanum »; quartum : « Memento ut diem Sabbati sanctifices »; alia vero sex ponit, sicut Hesychius. Sed quia facere sculptile vel similitudinem non est prohibitum nisi secundum hoc, ut non colantur pro diis. nam in tabernaculo Deus praecepit fieri imaginem Seraphim, ut dicitur Exod. 25. [v. 8 sqq.], convenientius Augustinus [loc. sup. cit.] ponit sub uno praecepto : « Non habebis Deos alienos » et : « Non facies sculptile. » Similiter etiam concupiscentia uxoris alienae ad commixtionem pertinet ad concupiscentiam carnis : concupiscentiae autem aliarum rerum, quae desiderantur ad possidendum, pertinent ad concupiscentiam oculorum : unde etiam Augustinus [ibid.] ponit duo praecepta de non concupiscendo rem alienam, et uxorem alienam : et sic ponit tria praecepta in ordine ad Deum, et septem in ordine ad proximum, et hoc melius est.

Maar ten eerste schijnt dit onredelijk, dat het gebod van de Sabbatviering in de Tien Geboden zou zijn tusschengeschoven, indien het in het geheel niet tot de Tien Geboden behoort. En ten tweede, dat het gebod : « Ik ben de Heer uw God », en het gebod : « Gij zult geen vreemde Goden hebben », denzelfden zin schijnen te hebben en onder hetzelfde gebod schijnen te vallen, aangezien Mattheus (6,24) zegt : « Niemand kan twee Heeren dienen ». Vandaar vat Origenes, die ook vier geboden met betrekking tot God aanneemt (VIIIe Homelie op het Boek 249Exodus) die twee als één gebod op; het tweede gebod is volgens hem : « Gij zult geen gesneden beeld maken »; het derde : « Gij zult den naam van God niet ijdel gebruiken »; en het vierde : « Gedenkt dat gij den Sabbat heiligt ». De overige zes neemt hij gelijk Hesychius. Maar daar het maken van een gesneden beeld of gelijkenis alleen verboden is, opdat zij niet als goden zouden vereerd worden (want God beval, dat men in het tabernakel een beeld moest maken van Seraphijnen, zooals in Exodus 25, 8 vv. gezegd wordt), is de opvatting van Augustinus, die het gebod : « Gij zult geen vreemde goden hebben », en het gebod : « Gij zult geen gesneden beeld maken » onder één gebod neemt, redelijker. Op gelijke wijze valt de begeerte naar de vereeniging met eens anders vrouw onder de begeerte van het vleesch; de begeerte echter van andere zaken, die men wil bezitten, valt onder de begeerte der oogen. Vandaar ook vat Augustinus de twee geboden, waarbij verboden wordt eens anders goed, of eens anders vrouw te begeeren als twee verschillende geboden op. Aldus neemt hij drie geboden aan, die betrekking hebben op God, en zeven betrekkelijk den naaste, en dit is de beste verdeeling.Maar ten eerste schijnt dit onredelijk, dat het gebod van de Sabbatviering in de Tien Geboden zou zijn tussengeschoven, indien het in het geheel niet tot de Tien Geboden behoort. En ten tweede, dat het gebod: “Ik ben de Heer uw God”, en het gebod: “Gij zult geen vreemde Goden hebben”, dezelfde zin schijnen te hebben en onder hetzelfde gebod schijnen te vallen, aangezien Matteüs (6,24) zegt: “Niemand kan twee Heren dienen”. Vandaar vat Origenes, die ook vier geboden met betrekking tot God aanneemt (8e Homelie op het Boek 249Exodus) die twee als één gebod op; het tweede gebod is volgens hem: “Gij zult geen gesneden beeld maken”; het derde: “Gij zult de naam van God niet ijdel gebruiken”; en het vierde: “Gedenkt dat gij de Sabbat heiligt”. De overige zes neemt hij gelijk Hesychius. Maar daar het maken van een gesneden beeld of gelijkenis alleen verboden is, opdat zij niet als goden zouden vereerd worden (want God beval, dat men in het tabernakel een beeld moest maken van Serafijnen, zoals in Exodus 25, 8 vv. gezegd wordt), is de opvatting van Augustinus, die het gebod: “Gij zult geen vreemde goden hebben”, en het gebod: “Gij zult geen gesneden beeld maken” onder één gebod neemt, redelijker. Op gelijke wijze valt de begeerte naar de vereniging met eens anders vrouw onder de begeerte van het vlees; de begeerte echter van andere zaken, die men wil bezitten, valt onder de begeerte van de ogen. Vandaar ook vat Augustinus de twee geboden, waarbij verboden wordt eens anders goed, of eens anders vrouw te begeren als twee verschillende geboden op. Aldus neemt hij drie geboden aan, die betrekking hebben op God, en zeven betrekkelijk de naaste, en dit is de beste verdeling.

↑ bedenking 1

250Ad primum ergo dicendum, quod latria non est nisi quaedam protestatio fidei; unde non sunt alia praecepta danda de latria, et alia de fide. Potius tamen sunt aliqua praecepta danda de latria, quam de fide. quia praeceptum fidei praesupponitur ad praecepta decalogi, sicut praeceptum dilectionis : sicut enim prima praecepta communia legis naturae sunt per se nota habenti rationem naturalem, et promulgatione non indigent, ita etiam et hoc quod est credere in Deum, est primum et per se notum ei, qui habet fidem : « Accedentem enim ad Deum oportet credere, quia est », ut dicitur ad Heb. 11. [v. 6.]; et ideo non indiget alia promulgatione, nisi infusione fidei.

250Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vereering is niets anders dan een geloofsuiting. Vandaar behoeven er geen verschillende geboden te zijn omtrent de vereering en omtrent het geloof. Het is echter beter, dat er enkele geboden gegeven worden omtrent de vereering, dan omtrent het geloof, omdat het gebod van het geloof verondersteld wordt voor de Tien Geboden, gelijk ook het gebod van de liefde. Want gelijk de eerste en algemeene voorschriften van de natuurwet uit zichzelf bekend zijn aan dengene, die met de natuurlijke rede begaafd is, en geen afkondiging behoeven, zoo ook is het geloof in God onmiddellijk en uit zichzelf gekend voor dengene, die het geloof bezit. Want « hij die opgaat naar God moet gelooven, dat Hij is », zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (11,6). Daarom behoeft het geen andere afkondiging dan de instorting van het geloof.250Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verering is niets anders dan een geloofsuiting. Vandaar behoeven er geen verschillende geboden te zijn omtrent de verering en omtrent het geloof. Het is echter beter, dat er enkele geboden gegeven worden omtrent de verering, dan omtrent het geloof, omdat het gebod van het geloof verondersteld wordt voor de Tien Geboden, gelijk ook het gebod van de liefde. Want gelijk de eerste en algemene voorschriften van de natuurwet uit zichzelf bekend zijn aan dengene, die met de natuurlijke rede begaafd is, en geen afkondiging behoeven, zo ook is het geloof in God onmiddellijk en uit zichzelf gekend voor dengene, die het geloof bezit. Want “hij die opgaat naar God moet geloven, dat Hij is”, zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (11,6). Daarom behoeft het geen andere afkondiging dan de instorting van het geloof.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod praecepta affirmativa distinguuntur a negativis, quando unum non comprehenditur in alio : sicut in honoratione parentum non includitur, quod nullus homo occidatur, nec e converso; et propter hoc dantur diversa praecepta super hoc. Sed quando affirmativum comprehenditur sub negativo, vel e converso, non dantur super hoc diversa 251praecepta, sicut non datur aliud praeceptum de hoc quod est : « Non furtum facies », et de hoc quod est conservare rem alienam, vel restituere eam; et eadem ratione non sunt diversa praecepta de credendo in Deum, et de hoc quod non credatur in alienos Deos.

2. De gebiedende geboden worden van de verbiedende onderscheiden wanneer het één niet vervat ligt in het ander, gelijk in de vereering der ouders niet ligt opgesloten, dat geen mensch mag gedood worden, noch andersom. Daarom worden daaromtrent verschillende geboden gegeven. Maar wanneer het 251gebiedende gebod het verbiedende gebod insluit, of andersom, dan worden daaromtrent geen verschillende geboden gegeven. Vandaar wordt er naast het gebod : « Gij zult niet stelen », geen ander gebod gegeven voor het behouden van eens anders goed of het vergoeden er van. Om dezelfde reden zijn er geen verschillende voorschriften over het geloof in God en het niet gelooven in vreemde goden.2. De gebiedende geboden worden van de verbiedende onderscheiden wanneer het één niet vervat ligt in het ander, gelijk in de verering van de ouders niet ligt opgesloten, dat geen mens mag gedood worden, noch andersom. Daarom worden daaromtrent verschillende geboden gegeven. Maar wanneer het 251gebiedende gebod het verbiedende gebod insluit, of andersom, dan worden daaromtrent geen verschillende geboden gegeven. Vandaar wordt er naast het gebod: “Gij zult niet stelen”, geen ander gebod gegeven voor het behouden van eens anders goed of het vergoeden er van. Om dezelfde reden zijn er geen verschillende voorschriften over het geloof in God en het niet geloven in vreemde goden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod omnis concupiscentia convenit in una communi ratione; et ideo Apostolus singulariter de mandato concupiscendi loquitur. Quia tamen in speciali diversae sunt rationes concupiscendi, ideo Augustinus [loc. sup. cit.] distinguit diversa praecepta de non concupiscendo : differunt enim specie concupiscentiae secundum diversitatem actionum vel concupiscibilium, ut Philosophus dicit in 10. Ethic. [cap. 5.].

3. Iedere begeerte berust op een algemeenen grondslag, en daarom spreekt de Apostel afzonderlijk over het gebod der begeerte. Omdat er echter in bijzondere gevallen verschillende redenen tot begeeren zijn, daarom onderscheidt Augustinus verschillende geboden omtrent het niet-begeeren. Immers de begeerten worden soortelijk onderscheiden naar de verschillende daden of begeerlijke voorwerpen, zooals de Wijsgeer zegt in het Xe Boek zijner Ethica (Ve H., Nr 6).3. Iedere begeerte berust op een algemenen grondslag, en daarom spreekt de Apostel afzonderlijk over het gebod van de begeerte. Omdat er echter in bijzondere gevallen verschillende redenen tot begeren zijn, daarom onderscheidt Augustinus verschillende geboden omtrent het niet-begeren. Immers de begeerten worden soortelijk onderscheiden naar de verschillende daden of begeerlijke voorwerpen, zoals de Wijsgeer zegt in het 10e Boek van zijn Ethica (5e H., Nr 6).

Articulus V

Utrum praecepta decalogi convenienter enumerentur

[3. Dist. 37. art. 2. q. 2. et lib. 3. Contr. g. cap. 120. fin. et 142.].
Ve Artikel

Is de opsomming van de Tien Geboden een goede?

antwoord 1 ↓

252Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter praecepta decalogi enumerentur : peccatum enim, ut Ambrosius dicit [lib. de Parad. cap. 8. ], est transgressio legis divinae, et coelestium inobedientia mandatorum; sed peccata distinguuntur per hoc, quod homo peccat vel in Deum, vel in proximum, vel in seipsum; cum igitur in praeceptis decalogi non ponantur aliqua praecepta ordinantia hominem ad seipsum, sed solum ordinantia ipsum ad Deum, et proximum, videtur quod insufficiens sit enumeratio praeceptorum decalogi.

252Bedenkingen. — Men beweert dat de opsomming der Tien Geboden geen goede is. — 1. De zonde immers is volgens Ambrosius (Over het Paradijs, VIIIe H.) een overtreding van de Wet gods en een ongehoorzaamheid aan zijn goden. Welnu de zonden worden onderscheiden voor zoover de mensch zondigt ofwel tegen God, ofwel tegen den naaste, ofwel tegen zich zelf. Daar er nu in de Tien Geboden geen geboden opgenomen zijn, die den mensch betrekken op zichzelf, maar alleen op God en den naaste, is de opsomming in de Tien Geboden onvoldoende.252Bedenkingen. — Men beweert dat de opsomming van de Tien Geboden geen goede is. — 1. De zonde immers is volgens Ambrosius (Over het Paradijs, 8e H.) een overtreding van de Wet gods en een ongehoorzaamheid aan zijn goden. Welnu de zonden worden onderscheiden voor zover de mens zondigt ofwel tegen God, ofwel tegen de naaste, ofwel tegen zichzelf. Daar er nu in de Tien Geboden geen geboden opgenomen zijn, die de mens betrekken op zichzelf, maar alleen op God en de naaste, is de opsomming in de Tien Geboden onvoldoende.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut ad cultum Dei pertinebat observatio Sabbati, ita etiam observatio aliarum solemnitatum, et immolatio sacrificiorum; sed 253inter praecepta decalogi est unum pertinens ad observantiam Sabbati; ergo etiam debent esse aliqua pertinentia ad alias solemnitates, et ad ritum sacrificiorum.

2. Evenals de onderhouding van den Sabbat valt onder den eeredienst van God, zoo ook de onderhouding van de andere plechtigheden en het brengen van offers. Welnu in de Tien Geboden is er een gebod opgenomen met betrekking tot de sabbatviering. Bijgevolg moesten er ook andere in zijn, die betrekking hadden op de overige plechtigheden en op de offers.2. Evenals de onderhouding van de Sabbat valt onder de eredienst van God, zo ook de onderhouding van de andere plechtigheden en het brengen van offers. Welnu in de Tien Geboden is er een gebod opgenomen met betrekking tot de sabbatviering. Bijgevolg moesten er ook andere in zijn, die betrekking hadden op de overige plechtigheden en op de offers.

antwoord 3 ↓

Praeterea, sicut contra Deum peccare contingit pejurando, ita etiam blasphemando vel alias contra doctrinam divinam mentiendo; sed ponitur unum praeceptum prohibens perjurium, cum dicitur : « Non assumes nomen Dei tui in vanum ». Ergo peccatum blasphemiae, et falsae doctrinae debent aliquo praecepto decalogi prohiberi.

2533. Evenals door meineed gezondigd wordt tegen God, zoo ook door godslastering of door op andere manieren de goddelijke leer te loochenen. Welnu er is een gebod, dat den meineed verbiedt, nl. het gebod: « Gij zult den naam van uwen God niet ijdel gebruiken ». Dus moesten ook de zonde van godslastering en valsche leering door een van de Tien Geboden worden verboden.2533. Evenals door meineed gezondigd wordt tegen God, zo ook door godslastering of door op andere manieren de goddelijke leer te loochenen. Welnu er is een gebod, dat de meineed verbiedt, nl. het gebod: “Gij zult de naam van uw God niet ijdel gebruiken”. Dus moesten ook de zonde van godslastering en valse lering door een van de Tien Geboden worden verboden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut homo naturalem dilectionem habet ad parentes, ita etiam ad filios; mandatum etiam charitatis ad omnes proximos extenditur; sed praecepta decalogi ordinantur ad charitatem, secundum illud 1. Timoth. 1. [v. 5.] : « Finis praecepti charitas est. » Ergo sicut ponitur quoddam praeceptum pertinens ad parentes, ita etiam debuerunt poni aliqua praecepta pertinentia ad filios et alios proximos.

4. Evenals de mensch een natuurlijke liefde heeft tot zijn ouders, zoo heeft hij dat ook tot zijn kinderen; het gebod der liefde strekt zich ook uit over alle naasten. Welnu de voorschriften der Tien Geboden zijn geordend tot de liefde, volgens den Ien Brief aan Timotheus, 1, 5 : « Het doel van de Wet is de liefde ». Gelijk er dus een gebod gegeven wordt betrekkelijk de ouders, moesten er ook sommige geboden gegeven zijn betrekkelijk de kinderen en de naasten.4. Evenals de mens een natuurlijke liefde heeft tot zijn ouders, zo heeft hij dat ook tot zijn kinderen; het gebod van de liefde strekt zich ook uit over alle naasten. Welnu de voorschriften van de Tien Geboden zijn geordend tot de liefde, volgens de 1e Brief aan Timoteüs, 1, 5: “Het doel van de Wet is de liefde”. Gelijk er dus een gebod gegeven wordt betrekkelijk de ouders, moesten er ook sommige geboden gegeven zijn betrekkelijk de kinderen en de naasten.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, in quolibet genere peccati contingit peccare corde et opere; sed in quibusdam generibus peccatorum, scilicet in furto et adulterio, 254seorsum prohibetur peccatum operis, cum dicitur : « Non moechaberis », « Non furtum facies », et seorsum peccatum cordis, cum dicitur : « Non concupisces rem proximi tui », et : « Non concupisces uxorem proximi tui ». Ergo etiam idem debuit poni in peccato homicidii, et falsi testimonii.

5. In iedere soort van zonde kan men zondigen door begeerte en door werken. Welnu met betrekking tot sommige soorten van zonden, nl. diefstal en overspel, wordt de zonde door werken uitdrukkelijk verboden, nl. door de geboden : « Gij zult geen 254overspel bedrijven », en « Gij zult niet stelen ». Ook de zonde door begeerte wordt uitdrukkelijk verboden, nl. door de geboden : « Gij zult het goed van uw naaste niet begeeren », en : « Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeeren ». Hetzelfde zou dus gedaan moeten zijn met betrekking tot de zonde van doodslag en valsche getuigenis.5. In iedere soort van zonde kan men zondigen door begeerte en door werken. Welnu met betrekking tot sommige soorten van zonden, nl. diefstal en overspel, wordt de zonde door werken uitdrukkelijk verboden, nl. door de geboden: “Gij zult geen 254overspel bedrijven”, en “Gij zult niet stelen”. Ook de zonde door begeerte wordt uitdrukkelijk verboden, nl. door de geboden: “Gij zult het goed van uw naaste niet begeren”, en: “Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren”. Hetzelfde zou dus gedaan moeten zijn met betrekking tot de zonde van doodslag en valse getuigenis.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, sicut contingit peccatum provenire ex inordinatione concupiscibilis, ita etiam ex inordinatione irascibilis; sed quibusdam praeceptis prohibetur inordinata concupiscentia, cum dicitur : « Non concupisces ». Ergo etiam aliqua praecepta in decalogo debuerunt poni, per quae prohiberetur inordinatio irascibilis; non ergo videtur, quod convenienter decem praecepta decalogi enumerentur.

6. Evenals een zonde kan voortkomen uit een ongeregelde werking van het begeerend streefvermogen, zoo ook uit een ongeregelde werking van het afwerend streefvermogen. Welnu de ongeregelde werking van het begeerend streefvermogen wordt door verscheidene geboden verboden, o. m. door het gebod : « Gij zult niet begeeren ». Bijgevolg moesten er in de Tien Geboden ook enkele voorschriften zijn, waardoor de ongeregelde werking van het afwerend streefvermogen verboden werd, en zoo is het duidelijk, dat de opsomming van de Tien Geboden niet goed is.6. Evenals een zonde kan voortkomen uit een ongeregelde werking van het begerend streefvermogen, zo ook uit een ongeregelde werking van het afwerend streefvermogen. Welnu de ongeregelde werking van het begerend streefvermogen wordt door verscheidene geboden verboden, o. m. door het gebod: “Gij zult niet begeren”. Bijgevolg moesten er in de Tien Geboden ook enkele voorschriften zijn, waardoor de ongeregelde werking van het afwerend streefvermogen verboden werd, en zo is het duidelijk, dat de opsomming van de Tien Geboden niet goed is.

Sed contra est, quod dicitur Deut. 4. [v. 13.]: « Ostendit vobis pactum suum, quod praecepit ut faceretis, et decem verba, quae scripsit in duabus tabulis lapideis. »

Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium, 4, 13 : « Hij maakte u zijn verbond bekend, dat Hij U gebood na te komen, en de tien woorden, welke Hij op twee steenen tafelen schreef ».Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium, 4, 13: “Hij maakte u zijn verbond bekend, dat Hij U gebood na te komen, en de tien woorden, welke Hij op twee stenen tafelen schreef”.

255Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est, [art. 2. huj. q.], sicut praecepta legis humanae ordinant hominem ad quamdam communitatem humanam, ita praecepta legis divinae ordinant hominem ad quamdam communitatem seu rempublicam hominum sub Deo. Ad hoc autem quod aliquis in aliqua communitate bene commoretur, duo requiruntur : quorum primum est, ut bene se habeat ad eum, qui praeest communitati; aliud autem est, ut homo bene se habeat ad alios communitatis consocios et comparticipes. Oportet igitur, quod in lege divina primo ferantur quaedam praecepta ordinantia hominem ad Deum, et inde alia quaedam praecepta ordinantia. hominem ad alios proximos simul convenientes sub Deo.

255Leerstelling. — Evenals, volgens het hierboven gezegde (2e Art.), de menschelijke wetten den mensch richten tot een menschelijke gemeenschap, zoo richten de goddelijke wetten den mensch tot een gemeenschap of staat van menschen onder God. Hiertoe nu dat iemand zich in een gemeenschap goed gedraagt, worden twee zaken vereischt : ten eerste, dat hij zich goed verhoudt tot hem, die aan het hoofd van de gemeenschap staat; en ten tweede, dat hij zich goed verhoudt tot de overige medeleden van de gemeenschap. In de goddelijke wet moeten dus op de eerste plaats geboden worden opgenomen, die den mensch ordenen tot God, en dan enkele andere geboden, die den mensch ordenen tot zijn evenmenschen, die met hem samenleven onder God.255Leerstelling. — Evenals, volgens het hierboven gezegde (2e Art.), de menselijke wetten de mens richten tot een menselijke gemeenschap, zo richten de goddelijke wetten de mens tot een gemeenschap of staat van mensen onder God. Hiertoe nu dat iemand zich in een gemeenschap goed gedraagt, worden twee zaken vereist: ten eerste, dat hij zich goed verhoudt tot hem, die aan het hoofd van de gemeenschap staat; en ten tweede, dat hij zich goed verhoudt tot de overige medeleden van de gemeenschap. In de goddelijke wet moeten dus op de eerste plaats geboden worden opgenomen, die de mens ordenen tot God, en dan enkele andere geboden, die de mens ordenen tot zijn evenmensen, die met hem samenleven onder God.

Principi autem communitatis tria debet homo, primo fidelitatem, secundo reverentiam, tertio famulatum. Fidelitas quidem ad dominum in hoc consistit, ut honorem principatus ad alium non deferat; et quantum ad hoc accipitur primum praeceptum, cum dicitur : « Non habebis Deos alienos. » Reverentia autem ad dominum requiritur, ut nihil injuriosum in eum 256committatur; et quantum ad hoc accipitur secundum praeceptum, quod est : « Non assumes nomen Domini Dei tui in vanum. » Famulatus autem debetur domino in recompensationem beneficiorum, quae ab ipso percipiunt subditi; et ad hoc pertinet tertium praeceptum de sanctificatione Sabbati in memoriam creationis rerum.

Aan het hoofd van een gemeenschap is de mensch drie dingen verschuldigd : ten eerste, getrouwheid; ten tweede, eerbied; en ten derde, dienstbetoon. De getrouwheid aan den meester bestaat hierin, dat de eer van het gezagvoeren niet op een ander wordt overgedragen, en daarop heeft het eerste gebod betrekking, nl. : « Gij zult geen vreemde goden voor mijne oogen hebben ». De eerbied echter tot den meester vereischt, dat hij niet beleedigd wordt, en daarop slaat het tweede gebod, dat luidt : « Gij zult 256den naam van uwen God niet ijdel gebruiken ». Dienstbetoon is men aan den meester verschuldigd, als wedergave voor de weldaden, die de onderdanen van hem ontvangen; en hiertoe behoort het derde gebod over de heiliging van den sabbat, ter gedachtenis aan de schepping der dingen.Aan het hoofd van een gemeenschap is de mens drie dingen verschuldigd: ten eerste, getrouwheid; ten tweede, eerbied; en ten derde, dienstbetoon. De getrouwheid aan de meester bestaat hierin, dat de eer van het gezagvoeren niet op een ander wordt overgedragen, en daarop heeft het eerste gebod betrekking, nl.: “Gij zult geen vreemde goden voor mijn ogen hebben”. De eerbied echter tot de meester vereist, dat hij niet beledigd wordt, en daarop slaat het tweede gebod, dat luidt: “Gij zult 256de naam van uw God niet ijdel gebruiken”. Dienstbetoon is men aan de meester verschuldigd, als wedergave voor de weldaden, die de onderdanen van hem ontvangen; en hiertoe behoort het derde gebod over de heiliging van de sabbat, ter gedachtenis aan de schepping van de dingen.

Ad proximos autem aliquis bene se habet, et specialiter, et generaliter : specialiter quidem quantum ad illos, quorum est debitor, ut eis debitum reddat, et quantum ad hoc accipitur praeceptum de honoratione parentum; generaliter autem quantum ad omnes, ut nulli nocumentum inferatur neque opere neque ore, neque corde. Opere quidem infertur nocumentum proximo, quandoque quidem in propriam personam, quantum ad consistentiam personae; [Hier zijn in de Latijnsche tekst van de uitgave enkele woorden weggevallen.] et hoc prohibetur, cum dicitur : « Non moechaberis »; quandoque autem in rem possessam, quae ordinatur ad utrumque; et quantum ad hoc dicitur : « Non furtum facies ». Nocumentum autem oris prohibetur, cum dicitur : « Non loqueris contra proximum tuum falsum testimonium »; nocumentum autem 257cordis prohibetur, cum dicitur : « Non concupisces ». Et secundum hanc etiam differentiam possent distingui tria praecepta ordinantia in Deum : quorum primum pertinet ad opus; unde ibi dicitur : « Non facies sculptile »; secundum ad os; unde dicitur : « Non assumes nomen Dei tui in vanum »; tertium pertinet ad cor, quia in sanctificatione Sabbati, secundum quod est morale praeceptum, praecipitur quies cordis in Deum. Vel secundum Augustinum [conc. 1. in Ps. 32], per primum praeceptum reveremur unitatem primi principii; per secundum veritatem divinam; per tertium ejus bonitatem, qua sanctificamur, et in qua quiescimus sicut in fine.

Tot de naasten staat iemand goed, én in het algemeen, en in het bijzonder. In het bijzonder, nl. met betrekking tot hen, wier schuldenaar hij is, doordat hij hen het verschuldigde geeft, en daarvoor geldt het gebod over den eerbied voor de ouders. In het algemeen met betrekking tot allen, dat hij aan niemand eenig leed zou veroorzaken, noch met de daad, noch met den mond, noch met het hart. Metterdaad wordt aan den naaste nadeel toegebracht, nu eens in zijn persoon zelf met het oog op het leven, en dit wordt verboden door het gebod : « Gij zult niet doodslaan »; dan weer in den persoon van zijn nakomelingen, met het oog op het voortbestaan van zijn geslacht, en dit wordt verboden door het gebod : « Gij zult geen overspel bedrijven »; dan weer in zijn bezit, wat tot beide geordend is, en hieromtrent wordt gezegd : « Gij zult niet stelen ». Nadeel echter met den mond wordt verboden door het gebod : « Gij zult tegen uw naaste geen 257valsche getuigenis afleggen ». Nadeel met het hart, door het gebod : « Gij zult niet begeeren ». Ook kunnen volgens dit onderscheid drie geboden onderscheiden worden, die tot God richten : het eerste heeft betrekking op de daad; vándaar wordt er gezegd : « Gij zult U geen gesneden beeld maken »; het tweede op den mond : « Gij zult den naam van uw God niet ijdel gebruiken »: en het derde op het hart, omdat in de heiliging van den Sabbat, voor zoover het een zedelijk voorschrift is, de rust van het hart in God bevolen wordt. Ofwel vereeren we volgens Augustinus (Preeken over de Psalmen, 32, Ps. 1e Pr.) door het eerste gebod, de eenheid van het eerste beginsel; door het tweede, de goddelijke waarheid, en door het derde, zijn goedheid, waardoor we geheiligd worden en waarin wij als in ons einddoel rusten.Tot de naasten staat iemand goed, én in het algemeen, en in het bijzonder. In het bijzonder, nl. met betrekking tot hen, wier schuldenaar hij is, doordat hij hen het verschuldigde geeft, en daarvoor geldt het gebod over de eerbied voor de ouders. In het algemeen met betrekking tot allen, dat hij aan niemand enig leed zou veroorzaken, noch met de daad, noch met de mond, noch met het hart. Metterdaad wordt aan de naaste nadeel toegebracht, nu eens in zijn persoon zelf met het oog op het leven, en dit wordt verboden door het gebod: “Gij zult niet doodslaan”; dan weer in de persoon van zijn nakomelingen, met het oog op het voortbestaan van zijn geslacht, en dit wordt verboden door het gebod: “Gij zult geen overspel bedrijven”; dan weer in zijn bezit, wat tot beide geordend is, en hieromtrent wordt gezegd: “Gij zult niet stelen”. Nadeel echter met de mond wordt verboden door het gebod: “Gij zult tegen uw naaste geen 257valse getuigenis afleggen”. Nadeel met het hart, door het gebod: “Gij zult niet begeren”. Ook kunnen volgens dit onderscheid drie geboden onderscheiden worden, die tot God richten: het eerste heeft betrekking op de daad; vándaar wordt er gezegd: “Gij zult U geen gesneden beeld maken”; het tweede op de mond: “Gij zult de naam van uw God niet ijdel gebruiken”: en het derde op het hart, omdat in de heiliging van de Sabbat, voor zover het een zedelijk voorschrift is, de rust van het hart in God bevolen wordt. Ofwel vereren we volgens Augustinus (Preken over de Psalmen, 32, Ps. 1e Pr.) door het eerste gebod, de eenheid van het eerste beginsel; door het tweede, de goddelijke waarheid, en door het derde, zijn goedheid, waardoor we geheiligd worden en waarin wij als in ons einddoel rusten.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo potest responderi dupliciter. Primo quidem, quia praecepta decalogi referuntur ad praecepta dilectionis. Fuit autem dandum praeceptum homini de dilectione Dei et proximi, qui quantum ad hoc lex naturalis obscurata erat propter peccatum; non autem quantum ad dilectionem sui ipsius, quia quantum ad hoc lex naturalis vigebat; vel 258quia etiam dilectio sui ipsius includitur in dilectione Dei et proximi : in hoc enim homo vere se diligit, quod se ordinat in Deum. Et ideo in praeceptis decalogi ponuntur solum praecepta pertinentia ad proximum et ad Deum. Aliter potest dici, quod praecepta decalogi sunt illa, quae immediate populus recipit a Deo; unde dicitur Deut. 10. [v. 4.] : « Scripsit in tabulis juxta id, quod prius scripserat, verba decem, quae locutus est ad vos Dominus. » Unde oportet praecepta decalogi talia esse, quae statim in mentem populi cadere possunt. Praeceptum autem habet rationem debiti; quod autem homo ex necessitate debeat aliquid Deo, vel proximo, hoc de facili cadit in conceptionem hominis, et praecipue fidelis; sed quod aliquid ex necessitate sit debitum homini de his, quae pertinent ad seipsum, et non ad alium, hoc non ita in promptu apparet. Videtur enim primo aspectu, quod quilibet sit liber in his, quae ad ipsum pertinent; et ideo praecepta, quibus prohibentur inordinationes hominis ad seipsum, perveniunt ad populum mediante instructione sapientum; unde non pertinent ad decalogum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op de eerste Bedenking kan men op twee manieren antwoorden. Ten eerste, kan men er tegen aanvoeren, dat de voorschriften der Tien Geboden teruggebracht worden tot de voorschriften der liefde. Er moest echter een gebod aan den mensch gegeven worden omtrent 258de liefde tot God en den naaste, omdat hieromtrent de natuurwet door de zonde verduisterd was; echter niet omtrent de liefde tot zichzelf, omdat hieromtrent de natuurwet krachtig genoeg was, of omdat de liefde tot zichzelf besloten is in de liefde tot God en den naaste, want dán is de liefde tot zichzelf echt, indien ze zich richt tot God. Daarom zijn er in de Tien Geboden alleen voorschriften opgenomen met betrekking tot God en den naaste. Ten tweede kan men antwoorden, dat de voorschriften der Tien Geboden die zijn, welke het volk onmiddellijk van God ontvangen heeft. Vandaar wordt er in Deuteronomium (10, 4) gezegd: « Hij schreef op de tafelen, overeenkomstig hetgeen Hij vroeger geschreven had, de tien woorden, welke de Heer tot U gesproken heeft ». Vandaar moeten de voorschriften der Tien Geboden zóó zijn, dat ze onmiddellijk door het volk kunnen begrepen worden. Een voorschrift echter bevat in zich het begrip van schuld. Dat de mensch nu noodzakelijkerwijze iets aan God of den naaste schuldig is, begrijpen de menschen gemakkelijk, vooral de geloovigen. Maar dat hij ook noodzakelijkerwijze iets verschuldigd is aan zichzelf, in zaken die hem persoonlijk aangaan, en niet een ander, dit blijkt niet zoo gemakkelijk. Immers op het eerste 259gezicht schijnt het, dat iedereen vrij is met betrekking tot wat hem zelf aangaat. Daarom komen de voorschriften, waardoor de ongeregeldheden van den mensch tot zichzelf verboden worden, tot het volk door leering van wijze mannen, en behooren ze niet tot de Tien Geboden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op de eerste Bedenking kan men op twee manieren antwoorden. Ten eerste, kan men er tegen aanvoeren, dat de voorschriften van de Tien Geboden teruggebracht worden tot de voorschriften van de liefde. Er moest echter een gebod aan de mens gegeven worden omtrent 258de liefde tot God en de naaste, omdat hieromtrent de natuurwet door de zonde verduisterd was; echter niet omtrent de liefde tot zichzelf, omdat hieromtrent de natuurwet krachtig genoeg was, of omdat de liefde tot zichzelf besloten is in de liefde tot God en de naaste, want dán is de liefde tot zichzelf echt, indien ze zich richt tot God. Daarom zijn er in de Tien Geboden alleen voorschriften opgenomen met betrekking tot God en de naaste. Ten tweede kan men antwoorden, dat de voorschriften van de Tien Geboden die zijn, welke het volk onmiddellijk van God ontvangen heeft. Vandaar wordt er in Deuteronomium (10, 4) gezegd: “Hij schreef op de tafelen, overeenkomstig hetgeen Hij vroeger geschreven had, de tien woorden, welke de Heer tot U gesproken heeft”. Vandaar moeten de voorschriften van de Tien Geboden zó zijn, dat ze onmiddellijk door het volk kunnen begrepen worden. Een voorschrift echter bevat in zich het begrip van schuld. Dat de mens nu noodzakelijkerwijze iets aan God of de naaste schuldig is, begrijpen de mensen gemakkelijk, vooral de gelovigen. Maar dat hij ook noodzakelijkerwijze iets verschuldigd is aan zichzelf, in zaken die hem persoonlijk aangaan, en niet een ander, dit blijkt niet zo gemakkelijk. Immers op het eerste 259gezicht schijnt het, dat iedereen vrij is met betrekking tot wat hemzelf aangaat. Daarom komen de voorschriften, waardoor de ongeregeldheden van de mens tot zichzelf verboden worden, tot het volk door lering van wijze mannen, en behoren ze niet tot de Tien Geboden.

↑ bedenking 2

259Ad secundum dicendum, quod omnes solemnitates legis veteris sunt institutae in commemorationem alicujus divini beneficii, vel praeteriti commemorati, vel futuri praefigurati; et similiter propter hoc omnia sacrificia offerebantur. Inter omnia autem beneficia Dei commemoranda primum et praecipuum erat beneficium creationis. Quod commemoratur in sanctificatione Sabbati; unde Exod. 20 [v. 11] pro ratione hujus praecepti ponitur : « Sex enim diebus fecit Deus coelum, et terram » etc. Inter omnia autem futura beneficia, quae erant praefiguranda, praecipuum et finale erat quies mentis in Deo, vel in praesenti per gratiam, vel in futura per gloriam; quae etiam figurabatur per observantiam Sabbati. Unde dicitur Isa. 58 [v. 13] : « Si averteris a Sabbato pedem tuum, facere voluntatem tuam in die sancto meo, et vocaveris Sabbatum delicatum, et sanctum Domini gloriosum. » Haec enim beneficia primo et principaliter sunt in mente hominum, maxime fidelium. Aliae vero solemnitates celebrantur propter aliqua particularia beneficia temporaliter transeuntia, sicut celebratio Phase propter beneficium praete- [Hier zijn in de Latijnsche tekst van de uitgave enkele regels weggevallen.] 260termissis omnibus aliis solemnitatibus et sacrificiis, de solo Sabbato fiebat mentio inter praecepta decalogi.

2. Alle plechtigheden van de Oude Wet zijn ingesteld ter herinnering aan een goddelijke weldaad, ofwel om iets wat in het verleden gebeurd is te herdenken, ofwel om iets toekomstigs voor te beduiden. Ook werden alle offers om die reden opgedragen. Onder alle weldaden van God, die herdacht moesten worden, was de eerste en voornaamste weldaad de schepping. Die weldaad wordt herdacht in de heiliging van den Sabbat. Vandaar geeft het Boek Exodus (20, 11) als de reden voor dit gebod aan, dat God hemel en aarde gemaakt heeft in zes dagen. Onder alle toekomstige weldaden echter, die voorbeduid moesten worden, was de voornaamste en laatste de rust van den geest in God, ofwel in dit leven door de genade, ofwel in de toekomst door de glorie, en dit werd eveneens door de onderhouding van den Sabbat voorbeduid. Vandaar wordt er in Isaias (58, 13) gezegd : « Als gij uw voet weerhoudt van den sabbat, om uw eigen 260wil te doen op mijn heiligen dag, en den sabbat noemt een lust, een heiligen dag des Heeren eerwaardig ». Want deze weldaden zijn eerst en vooral in de gedachten der menschen en het meest der geloovigen. De andere plechtigheden echter worden gevierd om enkele bijzondere weldaden, die in den tijd voorbijgaan, zooals de viering van Paschen om de weldaad van de vroegere bevrijding uit Egypte, en om het toekomstig lijden van Christus, welke in den tijd zijn voorbijgegaan, ons voerende naar de rust van den geestelijken sabbat. Daarom is er in de Tien Geboden, met voorbijgaan van alle andere plechtigheden en offers, alleen sprake van den sabbat.2. Alle plechtigheden van de Oude Wet zijn ingesteld ter herinnering aan een goddelijke weldaad, ofwel om iets wat in het verleden gebeurd is te herdenken, ofwel om iets toekomstigs voor te beduiden. Ook werden alle offers om die reden opgedragen. Onder alle weldaden van God, die herdacht moesten worden, was de eerste en voornaamste weldaad de schepping. Die weldaad wordt herdacht in de heiliging van de Sabbat. Vandaar geeft het Boek Exodus (20, 11) als de reden voor dit gebod aan, dat God hemel en aarde gemaakt heeft in zes dagen. Onder alle toekomstige weldaden echter, die voorbeduid moesten worden, was de voornaamste en laatste de rust van de geest in God, ofwel in dit leven door de genade, ofwel in de toekomst door de glorie, en dit werd eveneens door de onderhouding van de Sabbat voorbeduid. Vandaar wordt er in Jesaja (58, 13) gezegd: “Als gij uw voet weerhoudt van de sabbat, om uw eigen 260wil te doen op mijn heiligen dag, en de sabbat noemt een lust, een heiligen dag van de Heer eerwaardig”. Want deze weldaden zijn eerst en vooral in de gedachten van de mensen en het meest van de gelovigen. De andere plechtigheden echter worden gevierd om enkele bijzondere weldaden, die in de tijd voorbijgaan, zoals de viering van Pasen om de weldaad van de vroegere bevrijding uit Egypte, en om het toekomstig lijden van Christus, welke in de tijd zijn voorbijgegaan, ons voerende naar de rust van de geestelijke sabbat. Daarom is er in de Tien Geboden, met voorbijgaan van alle andere plechtigheden en offers, alleen sprake van de sabbat.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Apostolus dicit ad Hebr. 6 [v. 16], « homines per majorem sui jurant, et omnis controversiae eorum finis ad confirmationem est juramentum. » Et ideo, quia juramentum est omnibus commune, propter hoc prohibitio inordinationis circa juramentum specialiter praecepto decalogi prohibetur. Peccatum vero falsae doctrinae non pertinet nisi ad paucos; unde non oportebat ut de hoc fieret mentio inter praecepta decalogi, quamvis etiam quantum ad aliquem intellectum in hoc quod dicitur : « Non assumes nomen Dei tui in vanum » prohiberetur falsitas doctrinae : una enim Glossa [sc. interl.] exponit : « Non dices Christum esse creaturam. »

3. Gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (6. 16), zweren de menschen bij iets grooters dan zij en onder hen wordt elke betwisting door den eed als waarborg uitgemaakt. Omdat nu de eed aan allen gemeen is, daarom wordt ongeregeldheid omtrent den eed door een bijzonder verbod in de Tien Geboden verboden. De zonde echter van valsche leering komt slechts bij weinigen voor; vandaar moest daaromtrent in de Tien Geboden geen vermelding gemaakt worden, ofschoon wel volgens een of andere opvatting in het gebod : « Gij zult den naam van uwen 261God niet ijdel gebruiken » de valschheid van leering verboden werd; één Glossa toch verklaart dit als volgt : « Gij zult niet zeggen, dat Christus een schepsel is ».3. Gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (6, 16), zweren de mensen bij iets groters dan zij en onder hen wordt elke betwisting door de eed als waarborg uitgemaakt. Omdat nu de eed aan allen gemeen is, daarom wordt ongeregeldheid omtrent de eed door een bijzonder verbod in de Tien Geboden verboden. De zonde echter van valse lering komt slechts bij weinigen voor; vandaar moest daaromtrent in de Tien Geboden geen vermelding gemaakt worden, ofschoon wel volgens een of andere opvatting in het gebod: “Gij zult de naam van uw 261God niet ijdel gebruiken” de valsheid van lering verboden werd; één Glossa toch verklaart dit als volgt: “Gij zult niet zeggen, dat Christus een schepsel is”.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod statim ratio naturalis homini dictat, quod nulli injuriam faciat; et ideo praecepta decalogi prohibentia nocumentum extendunt se ad omnes. Sed ratio naturalis non statim dictat, quod aliquid sit 261pro alio faciendum, nisi cui homo aliquid debet; debitum autem filii ad patrem adeo est manifestum, quod nulla tergiversatione potest negari, eo quod pater est principium generationis et esse, et insuper educationis et doctrinae. Et ideo non ponitur sub praecepto decalogi, ut aliquod beneficium vel obsequium alicui impendatur, nisi parentibus. Parentes autem non videntur esse debitores filiis propter aliqua beneficia suscepta, sed potius e converso. Filius etiam est aliquid patris, et patres amant filios ut aliquid ipsorum, sicut dicit Philosophus in 18. Ethic. [cap. 12.] ; unde eisdem rationibus non ponuntur aliqua praecepta decalogi pertinentia ad amorem filiorum, sicut neque etiam aliqua ordinantia hominem ad seipsum.

4. Onmiddellijk zegt de natuurlijke rede aan den mensch, dat hij aan niemand onrecht doen mag, en daarom strekken de voorschriften van de Tien Geboden, die verbieden, schade toe te brengen, zich uit tot allen. Maar de natuurlijke rede zegt niet onmiddellijk, dat iets voor een ander gedaan moet worden, tenzij aan wien wij iets verplicht zijn. De verplichting van den zoon tot den vader is echter zóó duidelijk, dat ze door geen enkele tegenspraak kan worden ontkend, omdat de vader beginsel is van de voortbrenging en van het zijn, en bovendien van de opvoeding en het onderricht. Daarom wordt het niet onder de Tien Geboden opgenomen, dat een weldaad of dienst aan iemand moet bewezen worden, tenzij aan de ouders. De ouders echter zijn geen schuldenaren van de kinderen om enkele ontvangen weldaden, maar veeleer andersom. Daarenboven is het kind iets van den vader, en de vader bemint zijn kinderen als iets van hem zelf, gelijk de Wijsgeer zegt in zijn Ethica (XVIIIe B., XIIe H., Nr 2). Vandaar werden om dezelfde redenen geen voorschriften opgenomen 262in de Tien Geboden met betrekking tot de liefde voor de kinderen, gelijk ook niet voor den mensch tot zich zelf.4. Onmiddellijk zegt de natuurlijke rede aan de mens, dat hij aan niemand onrecht doen mag, en daarom strekken de voorschriften van de Tien Geboden, die verbieden, schade toe te brengen, zich uit tot allen. Maar de natuurlijke rede zegt niet onmiddellijk, dat iets voor een ander gedaan moet worden, tenzij aan wie wij iets verplicht zijn. De verplichting van de zoon tot de vader is echter zó duidelijk, dat ze door geen enkele tegenspraak kan worden ontkend, omdat de vader beginsel is van de voortbrenging en van het zijn, en bovendien van de opvoeding en het onderricht. Daarom wordt het niet onder de Tien Geboden opgenomen, dat een weldaad of dienst aan iemand moet bewezen worden, tenzij aan de ouders. De ouders echter zijn geen schuldenaren van de kinderen om enkele ontvangen weldaden, maar veeleer andersom. Daarenboven is het kind iets van de vader, en de vader bemint zijn kinderen als iets van hemzelf, gelijk de Wijsgeer zegt in zijn Ethica (18e B., 12e H., Nr 2). Vandaar werden om dezelfde redenen geen voorschriften opgenomen 262in de Tien Geboden met betrekking tot de liefde voor de kinderen, gelijk ook niet voor de mens tot zichzelf.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod delectatio adulterii et utilitas divitiarum sunt propter seipsa appetibilia, inquantum habent rationem boni delectabilis vel utilis; et propter hoc oportuit in eis prohiberi non solum opus, sed etiam concupiscentiam. Sed homicidium et falsitas sunt secundum seipsa horribilia, quia proximus et veritas naturaliter amantur, et non desiderantur nisi propter 262aliud. Et ideo non oportuit circa peccatum homicidii et falsi testimonii prohibere peccatum cordis, sed solum operis.

5. Het genot van het overspel en het nut van den rijkdom zijn begeerlijk om zichzelf, voor zoover ze genot-goed en nut-goed zijn. Daarom moest omtrent hen niet alleen de daad verboden worden, maar ook de begeerte. Maar doodslag en valschheid zijn krachtens zichzelf afschuwelijk, omdat de naaste en de waarheid van nature bemind worden, en doodslag en valschheid niet worden begeerd, tenzij om iets anders. Daarom moest met betrekking tot de zonden van doodslag en valsche getuigenis niet de zonde door begeerte verboden worden, maar alleen de zonde door werken.5. Het genot van het overspel en het nut van de rijkdom zijn begeerlijk om zichzelf, voor zover ze genot-goed en nut-goed zijn. Daarom moest omtrent hen niet alleen de daad verboden worden, maar ook de begeerte. Maar doodslag en valsheid zijn krachtens zichzelf afschuwelijk, omdat de naaste en de waarheid van nature bemind worden, en doodslag en valsheid niet worden begeerd, tenzij om iets anders. Daarom moest met betrekking tot de zonden van doodslag en valse getuigenis niet de zonde door begeerte verboden worden, maar alleen de zonde door werken.

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 25. art. 1], omnes passiones irascibilis derivantur a passionibus concupiscibilis; et ideo in praeceptis decalogi, quae sunt quasi prima elementa legis, non erat mentio facienda de passionibus irascibilis, sed solum de passionibus concupiscibilis.

6. Gelijk hierboven gezegd is (XXVe Kw., 1e Art.), worden alle hartstochten van het begeerend streefvermogen afgeleid van de hartstochten van het afwerend streefvermogen. Daarom is er in de Tien Geboden, die als het ware de eerste elementen der Wet zijn, geen melding gemaakt van de hartstochten van het afwerend streefvermogen, maar alleen van die van het begeerend streefvermogen.6. Gelijk hierboven gezegd is (25e Kw., 1e Art.), worden alle hartstochten van het begerend streefvermogen afgeleid van de hartstochten van het afwerend streefvermogen. Daarom is er in de Tien Geboden, die als het ware de eerste elementen van de Wet zijn, geen melding gemaakt van de hartstochten van het afwerend streefvermogen, maar alleen van die van het begerend streefvermogen.

Articulus VI

Utrum convenienter ordinentur decem praecepta decalogi

[3. Dist. 37. q. 3. art. 2.].
VIe Artikel

Zijn de voorschriften der Tien Geboden goed geordend?Zijn de voorschriften van de Tien Geboden goed geordend?

antwoord 1 ↓

263Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter ordinentur decem praecepta decalogi : dilectio enim proximi videtur esse praevia ad dilectionem Dei, quia proximus est nobis magis notus quam Deus, secundum illud 1. Joan. [v. 20]: « Qui fratrem suum, quem videt, non diligit, Deum, quem non videt, quomodo potest diligere? » Sed tria prima praecepta pertinent ad dilectionem Dei, septem vero alia ad dilectionem proximi; ergo inconvenienter praecepta decalogi ordinantur:

263Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften der Tien Geboden niet goed geordend zijn. — 1. De liefde tot den naaste immers schijnt aan de liefde tot God vooraf te moeten gaan, daar de naaste ons meer bekend is dan God, overeenkomstig het woord uit den Ien Brief van Johannes (4, 20) : « Wie zijn broeder, dien hij ziet, niet liefheeft, hoe zal hij God, dien hij niet ziet, kunnen liefhebben? » Welnu de eerste drie voorschriften hebben betrekking op de liefde tot God, terwijl de zeven andere betrekking hebben op de liefde tot den naaste. Dus zijn de voorschriften der Tien Geboden niet goed geordend.263Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften van de Tien Geboden niet goed geordend zijn. — 1. De liefde tot de naaste immers schijnt aan de liefde tot God vooraf te moeten gaan, daar de naaste ons meer bekend is dan God, overeenkomstig het woord uit de 1e Brief van Johannes (4, 20): “Wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe zal hij God, die hij niet ziet, kunnen liefhebben?” Welnu de eerste drie voorschriften hebben betrekking op de liefde tot God, terwijl de zeven andere betrekking hebben op de liefde tot de naaste. Dus zijn de voorschriften van de Tien Geboden niet goed geordend.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, per praecepta affirmativa imperantur actus virtutum, per praecepta vero negativa prohibentur actus vitiorum; sed secundum Boetium 264in comment. Praedicamentorum prius sunt extirpanda vitia quam inserantur virtutes; ergo inter praecepta pertinentia ad proximum primo ponenda fuerunt praecepta negativa quam affirmativa.

2. Door de gebiedende voorschriften worden deugddaden bevolen, terwijl door de verbiedende voorschriften zondedaden worden verboden. Welnu volgens Boëtius (Commentaar op de Praedicamenten) moeten de ondeugden worden uitgeroeid, voordat de deugden worden aangekweekt. Dus moesten onder de 264voorschriften omtrent den naaste eerst de verbiedende, en dan de gebiedende worden geplaatst.2. Door de gebiedende voorschriften worden deugddaden bevolen, terwijl door de verbiedende voorschriften zondedaden worden verboden. Welnu volgens Boëtius (Commentaar op de Predicamenten) moeten de ondeugden worden uitgeroeid, voordat de deugden worden aangekweekt. Dus moesten onder de 264voorschriften omtrent de naaste eerst de verbiedende, en dan de gebiedende worden geplaatst.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, praecepta legis dantur de actibus hominum; sed prior est actus cordis, quam oris vel exterioris operis; ergo inconvenienti ordine praecepta de non concupiscendo, quae pertinent ad cor, ultimo ponuntur.

3. De voorschriften der Wet worden gegeven aangaande de daden der menschen. Welnu de begeerte gaat de woorden en de werken vooraf. Dus is de orde, waarin de voorschriften omtrent het niet mogen begeeren de laatste geplaatst zijn, niet goed.3. De voorschriften van de Wet worden gegeven aangaande de daden van de mensen. Welnu de begeerte gaat de woorden en de werken vooraf. Dus is de orde, waarin de voorschriften omtrent het niet mogen begeren de laatste geplaatst zijn, niet goed.

Sed contra est, quod Apostolus dicit Rom. 13 [v. 1] : « Quae a Deo sunt, ordinata sunt »; sed praecepta decalogi sunt immediate data a Deo, ut dictum est [art. 3. huj. q.] ; ergo convenientem ordinem habent.

Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Al wat van God is, is geordend ». Welnu zooals hierboven gezegd is (3e Art.), zijn de voorschriften der Tien Geboden onmiddellijk door God gegeven. Dus staan zij in een goede orde.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1): “Al wat van God is, is geordend”. Welnu zoals hierboven gezegd is (3e Art.), zijn de voorschriften van de Tien Geboden onmiddellijk door God gegeven. Dus staan zij in een goede orde.

Respondeo dicendum, quod sicut dictum est [ibid. et art. 5. ad 1.], praecepta decalogi dantur de his, quae statim in promptu mens hominis suscipit. Manifestum est autem, quod tanto aliquid magis a ratione suscipitur, quanto contrarium est gravius, et magis repugnans rationi. Manifestum est 265autem, quod cum rationis ordo a fine incipiat. maxime est contra rationem, ut homo inordinate habeat se circa finem. Finis autem humanae vitae et societatis est Deus. Et ideo primo oportuit per praecepta decalogi hominem ordinare ad Deum, cum ejus contrarium sit gravissimum; sicut etiam in exercitu qui ordinatur ad ducem, sicut ad finem, primum est, quod miles subdatur duci; et hujus contrarium est gravissimum. Secundum vero, ut aliis coordinetur.

Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (t. a. pl., en 5e Art., antw. op de 1e Bed.), worden de voorschriften der Tien Geboden gegeven met betrekking tot die dingen, die de geest van den mensch onmiddellijk duidelijk inziet. Nu is het duidelijk, dat iets in die mate door de rede wordt ingezien, als het tegengestelde gewichtiger en meer met de rede in strijd is. Omdat nu de redelijke orde bij het doel begint, is het duidelijk dat het 265allermeest tegen de rede is, dat de mensch zich ongeregeld verhoudt met betrekking tot het doel. Het doel nu van het menschelijk leven en van de maatschappij is God. Daarom moest de mensch door de voorschriften van de Tien Geboden op de eerste plaats gericht worden op God, daar het tegengestelde daarvan het meest verkeerde is; evenals ook in een leger, dat op den veldheer gericht is als op zijn doel, de eerste vereischte is, dat de soldaat aan den veldheer onderworpen is; terwijl het tegendeel daarvan het meest verkeerde is. Het tweede echter is, dat hij met de overigen in goede orde is.Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (t.a.p., en 5e Art., antw. op de 1e Bed.), worden de voorschriften van de Tien Geboden gegeven met betrekking tot die dingen, die de geest van de mens onmiddellijk duidelijk inziet. Nu is het duidelijk, dat iets in die mate door de rede wordt ingezien, als het tegengestelde gewichtiger en meer met de rede in strijd is. Omdat nu de redelijke orde bij het doel begint, is het duidelijk dat het 265allermeest tegen de rede is, dat de mens zich ongeregeld verhoudt met betrekking tot het doel. Het doel nu van het menselijk leven en van de maatschappij is God. Daarom moest de mens door de voorschriften van de Tien Geboden op de eerste plaats gericht worden op God, daar het tegengestelde daarvan het meest verkeerde is; evenals ook in een leger, dat op de veldheer gericht is als op zijn doel, de eerste vereiste is, dat de soldaat aan de veldheer onderworpen is; terwijl het tegendeel daarvan het meest verkeerde is. Het tweede echter is, dat hij met de overigen in goede orde is.

Inter ipsa autem. per quae ordinamur in Deum, primum occurrit, quod homo fideliter ei subdatur, nullam participationem cum inimicis habens; secundum autem est, quod ei reverentiam exhibeat; tertium autem est, quod etiam famulatum impendat; majusque peccatum est in exercitu, si miles infideliter agens cum hoste pactum habeat, quam si aliquam irreverentiam faciat duci, et hoc est etiam gravius, quam si in aliquo obsequio ducis deficiens inveniatur.

Onder die voorschriften echter, waardoor wij op God gericht worden, komt op de eerste plaats, dat de mensch Hem getrouw onderworpen is en geen deel heeft met zijn vijanden; op de tweede plaats, dat hij Hem eerbied bewijst; op de derde plaats, dat hij Hem ook dienstbaarheid betoont. Zoo is het ook in een leger een erger kwaad, wanneer een soldaat ontrouw bedrijft en een verbond sluit met den vijand, dan wanneer hij een oneerbiedigheid begaat tegenover den veldheer; en dit is weer erger dan wanneer hij te kort gekomen is in een dienst aan den veldheer.Onder die voorschriften echter, waardoor wij op God gericht worden, komt op de eerste plaats, dat de mens Hem getrouw onderworpen is en geen deel heeft met zijn vijanden; op de tweede plaats, dat hij Hem eerbied bewijst; op de derde plaats, dat hij Hem ook dienstbaarheid betoont. Zo is het ook in een leger een erger kwaad, wanneer een soldaat ontrouw bedrijft en een verbond sluit met de vijand, dan wanneer hij een oneerbiedigheid begaat tegenover de veldheer; en dit is weer erger dan wanneer hij te kort gekomen is in een dienst aan de veldheer.

In praeceptis autem ordinantibus ad proximum manifestum est, quod 266magis repugnat rationi et gravius peccatum est, si homo non servet ordinem debitum ad personas, quibus est magis debitor; et ideo inter praecepta ordinantia ad proximum primo ponitur praeceptum pertinens ad parentes.

Met betrekking nu tot de voorschriften, die den mensch tot 266den naaste regelen, is het duidelijk dat het meer met de rede in strijd is en dus een grooter kwaad is, wanneer de mensch de verplichte orde niet onderhoudt tot personen, waaraan hij meer verschuldigd is. Daarom neemt het voorschrift omtrent de ouders de eerste plaats in onder de voorschriften, die betrekking hebben op den naaste.Met betrekking nu tot de voorschriften, die de mens tot 266de naaste regelen, is het duidelijk dat het meer met de rede in strijd is en dus een groter kwaad is, wanneer de mens de verplichte orde niet onderhoudt tot personen, waaraan hij meer verschuldigd is. Daarom neemt het voorschrift omtrent de ouders de eerste plaats in onder de voorschriften, die betrekking hebben op de naaste.

Inter alia vero praecepta etiam apparet ordo secundum ordinem gravitatis peccatorum : gravius est enim et magis rationi repugnans peccare opere, quam ore, et ore, quam corde; et inter peccata operis gravius est homicidium, per quod tollitur vita hominis jam existentis, quam adulterium, per quod impeditur certitudo prolis nasciturae; et adulterium gravius est, quam furtum, quod pertinet ad bona exteriora.

Onder de overige voorschriften echter komt de orde uit naar de zwaarste der zonde; want het is zwaarder en meer in strijd met de rede, te zondigen door werken dan door woorden, en door woorden dan door begeerte. En onder de zonden door werken is de doodslag, waardoor iemand, die reeds geboren is, van het leven beroofd wordt, zwaarder dan overspel, waardoor de geboorte van het kind in gevaar gebracht wordt, terwijl overspel zwaarder is dan diefstal, wat betrekking heeft op de uiterlijke goederen.Onder de overige voorschriften echter komt de orde uit naar de zwaarste van de zonde; want het is zwaarder en meer in strijd met de rede, te zondigen door werken dan door woorden, en door woorden dan door begeerte. En onder de zonden door werken is de doodslag, waardoor iemand, die reeds geboren is, van het leven beroofd wordt, zwaarder dan overspel, waardoor de geboorte van het kind in gevaar gebracht wordt, terwijl overspel zwaarder is dan diefstal, wat betrekking heeft op de uiterlijke goederen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quamvis secundum viam sensus proximus sit magis notus quam Deus, tamen dilectio Dei est ratio dilectionis proximi, ut infra patebit [2-2. q. 25. art. 1. et q. 26. art. 2.]; et ideo praecepta ordinantia ad Deum fuerunt praeordinanda.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de naaste ons met het oog op de zintuigelijke kennis meer bekend is dan God, is toch de liefde tot God de grond van de liefde tot den naaste, gelijk verderop zal bewezen worden (II-II, XXVe Kw., 2671e Art.; XXVIe Kw., 2e Art.). Daarom moesten de voorschriften met betrekking tot God vooropgezet worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de naaste ons met het oog op de zintuigelijke kennis meer bekend is dan God, is toch de liefde tot God de grond van de liefde tot de naaste, gelijk verderop zal bewezen worden (2-2, 25e Kw., 2671e Art.; 26e Kw., 2e Art.). Daarom moesten de voorschriften met betrekking tot God vooropgezet worden.

↑ bedenking 2

267Ad secundum dicendum, quod sicut Deus est universalis causa et principium essendi omnibus, ita et pater est principium quoddam essendi filio; et ideo convenienter post praecepta pertinentia ad Deum ponitur praeceptum pertinens ad parentes. Ratio autem procedit, quando affirmativa et negativa pertinent ad idem genus operis, quamvis etiam et in hoc non habeat omnimodam efficaciam : etsi enim in executione operis prius extirpanda sint vitia, quam inserendae virtutes, secundum illud Ps. 33 [v. 15] : « Declina a malo, et fac bonum », et Isa. 1. [v. 16] : « Quiescite agere perverse, discite bene facere », tamen in cognitione prior est virtus, quam peccatum, quia per rectum cognoscitur obliquum, ut dicitur in 1. de Anima [cap. 20] : et secundum hoc praeceptum affirmativum debuisset primo poni. Sed non est ista ratio ordinis, sed quae supra posita est [in corp. art.], quia in praeceptis pertinentibus ad Deum, quae sunt primae tabulae, ultimo ponitur praeceptum affirmativum, quia ejus transgressio minorem reatum inducit.

2. Gelijk God de algemeene oorzaak is en het zijnsbeginsel voor alles, zoo is ook de vader een zijnsbeginsel voor het kind. Daarom was het redelijk, het voorschrift met betrekking tot de ouders na dat met betrekking tot God te plaatsen. De aangevoerde reden echter gaat op, wanneer het gebiedende en het verbiedende gebod gegeven zijn met betrekking tot de zelfde soort daad, ofschoon ze ook in dit geval geen afdoende bewijskracht heeft, want ofschoon met het oog op de uiterlijke werken de ondeugden moeten worden uitgeroeid, voordat de deugden worden aangekweekt, volgens het woord uit Psalm 33, 15 : « Keer U af van het kwaad en doe het goede »; en van Isaias (1,16) : « Houdt op het kwade te doen, en leert goed doen », toch is met het oog op de kennis de deugd eerder dan de zonde, omdat men, naar we lezen in het Ie Boek Over de Ziel (Ve H., Nr 16) door het goede het verkeerde kent. En zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (3, 20) heeft men door de wet de kennis van het kwade. Hierom dus moest men eerst het gebiedend gebod geven. Toch is dit niet de reden van de orde, maar die welke hierboven (in de Leerstelling) is aangegeven, want onder de 268geboden die betrekking hebben op God en die op de eerste tafel staan, staat het gebiedend gebod op de laatste plaats, daar de overtreding er van de minste schuld veroorzaakt.2. Gelijk God de algemene oorzaak is en het zijnsbeginsel voor alles, zo is ook de vader een zijnsbeginsel voor het kind. Daarom was het redelijk, het voorschrift met betrekking tot de ouders na dat met betrekking tot God te plaatsen. De aangevoerde reden echter gaat op, wanneer het gebiedende en het verbiedende gebod gegeven zijn met betrekking tot de zelfde soort daad, ofschoon ze ook in dit geval geen afdoende bewijskracht heeft, want ofschoon met het oog op de uiterlijke werken de ondeugden moeten worden uitgeroeid, voordat de deugden worden aangekweekt, volgens het woord uit Psalm 33, 15a: “Keer U af van het kwaad en doe het goede”; en van Jesaja (1,16): “Houdt op het kwade te doen, en leert goed doen”, toch is met het oog op de kennis de deugd eerder dan de zonde, omdat men, naar we lezen in het 1e Boek Over de Ziel (5e H., Nr 16) door het goede het verkeerde kent. En zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (3, 20) heeft men door de wet de kennis van het kwade. Hierom dus moest men eerst het gebiedend gebod geven. Toch is dit niet de reden van de orde, maar die welke hierboven (in de Leerstelling) is aangegeven, want onder de 268geboden die betrekking hebben op God en die op de eerste tafel staan, staat het gebiedend gebod op de laatste plaats, daar de overtreding er van de minste schuld veroorzaakt.

↑ bedenking 3

268Ad tertium dicendum quod etsi peccatum cordis sit prius in executione, tamen ejus prohibitio posterius cadit in ratione.

3. Ofschoon de zonde van het hart eerder is in de uitvoering, toch is het verbod er van later in de gedachte.

Articulus VII

Utrum praecepta decalogi convenienter tradantur

VIIe Artikel

Zijn de voorschriften der Tien Geboden goed uitgedrukt?Zijn de voorschriften van de Tien Geboden goed uitgedrukt?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod praecepta decalogi inconvenienter tradantur : praecepta enim affirmativa ordinant ad actus virtutum; praecepta autem negativa abstrahunt ab actibus vitiorum; sed circa quamlibet materiam opponuntur sibi virtutes et vitia; ergo in qualibet materia, de qua ordinat praeceptum decalogi, debuit poni praeceptum affirmativum et negativum; inconvenienter igitur ponuntur quaedam affirmativa et quaedam negativa.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften der Tien Geboden niet goed uitgedrukt zijn. — 1. De gebiedende geboden toch zijn gericht op de deugddaden; de verbiedende daarentegen houden van de daden der ondeugden af. Welnu met betrekking tot iedere stof staan ondeugden tegenover deugden. Bijgevolg moest er met betrekking tot iedere stof, waarover een voorschrift der Tien Geboden gaat, een gebiedend en verbiedend gebod geplaatst worden. [De vertaling van «inconvenienter igitur ponuntur quaedam affirmativa et quaedam negativa» ontbreekt in de uitgave.]Bedenkingen. — Men beweert, dat de voorschriften van de Tien Geboden niet goed uitgedrukt zijn. — 1. De gebiedende geboden toch zijn gericht op de deugddaden; de verbiedende daarentegen houden van de daden van de ondeugden af. Welnu met betrekking tot iedere stof staan ondeugden tegenover deugden. Bijgevolg moest er met betrekking tot iedere stof, waarover een voorschrift van de Tien Geboden gaat, een gebiedend en verbiedend gebod geplaatst worden. [De vertaling van “inconvenienter igitur ponuntur quaedam affirmativa et quaedam negativa” ontbreekt in de uitgave.]

antwoord 2 ↓

2692. Praeterea, Isidorus dicit [lib. 2. Etymol. cap. 10.]. quod omnis lex ratione constat; sed omnia praecepta decalogi pertinent ad legem divinam; ergo in omnibus debuit ratio assignari, et non solum in primo et tertio praecepto.

2692. Isidorus zegt (IIe Boek van zijn Etymologieën, Xe H.), dat iedere wet door een reden bevestigd wordt. Welnu alle voorschriften der Tien Geboden vallen onder de goddelijke wet. Dus moest er bij alle voorschriften een reden worden aangegeven, en niet alleen bij het eerste en het derde.2692. Isidorus zegt (2e Boek van zijn Etymologieën, 10e H.), dat iedere wet door een reden bevestigd wordt. Welnu alle voorschriften van de Tien Geboden vallen onder de goddelijke wet. Dus moest er bij alle voorschriften een reden worden aangegeven, en niet alleen bij het eerste en het derde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, per observantiam praeceptorum meretur aliquis praemia a Deo; sed divinae promissiones sunt de praemiis praeceptorum; ergo promissio debuit poni in omnibus praeceptis, et non solum in primo et quarto.

3. Door het onderhouden der voorschriften verdient men een belooning van God. Welnu de goddelijke beloften strekken zich uit over de belooning van alle voorschriften. Bijgevolg moest er bij alle voorschriften een belofte gevoegd worden, en niet alleen bij het eerste en het vierde.3. Door het onderhouden van de voorschriften verdient men een beloning van God. Welnu de goddelijke beloften strekken zich uit over de beloning van alle voorschriften. Bijgevolg moest er bij alle voorschriften een belofte gevoegd worden, en niet alleen bij het eerste en het vierde.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, lex vetus dicitur lex timoris, inquantum per comminationes poenarum inducebat ad observationes praeceptorum; sed omnia praecepta decalogi pertinent ad legem veterem; ergo in omnibus debuit poni comminatio poenae, et non solum in primo et secundo.

4. De Oude Wet wordt genoemd de wet van vrees, voor zoover zij door strafbedreiging dwingt tot onderhouding van haar voorschriften. Welnu alle voorschriften der Tien Geboden vallen onder de Oude Wet. Dus moest bij alle een strafbedreiging gevoegd zijn, en niet alleen bij het eerste en het tweede.4. De Oude Wet wordt genoemd de wet van vrees, voor zover zij door strafbedreiging dwingt tot onderhouding van haar voorschriften. Welnu alle voorschriften van de Tien Geboden vallen onder de Oude Wet. Dus moest bij alle een strafbedreiging gevoegd zijn, en niet alleen bij het eerste en het tweede.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, omnia praecepta Dei sunt in memoria retinenda : dicitur enim Prov. 3 [v. 3] : « Describe ea in tabulis cordis tui »; inconvenienter ergo in solo tertio praecepto fit mentio de memoria, et ita videntur praecepta decalogi inconvenienter tradita esse.

5. Alle voorschriften van God moeten in het geheugen geprent worden, want in het Boek der Spreuken (3, 3) wordt gezegd : « Schrijf dit op de tafelen van uw hart ». Het is dus bevreemdend, dat er alleen in het derde gebod gesproken wordt van het geheugen, en bijgevolg zijn de voorschriften der Tien Geboden niet goed uitgedrukt.5. Alle voorschriften van God moeten in het geheugen geprent worden, want in het Boek van de Spreuken (3, 3) wordt gezegd: “Schrijf dit op de tafelen van uw hart”. Het is dus bevreemdend, dat er alleen in het derde gebod gesproken wordt van het geheugen, en bijgevolg zijn de voorschriften van de Tien Geboden niet goed uitgedrukt.

270Sed contra est, quod dicitur Sap. 11 [v. 21], quod Deus omnia fecit in numero, pondere, et mensura; multa magis ergo in praeceptis suae legis congruum modum tradendi servavit.

270Maar daartegenover staat hetgeen gezegd wordt in het Boek der Wijsheid (11, 21), dat nl. God alles bij maat, getal en gewicht gemaakt heeft. Veel meer dus heeft hij gezorgd voor een goede uitdrukking van de voorschriften van zijn Wet.270Maar daartegenover staat hetgeen gezegd wordt in het Boek van de Wijsheid (11, 21), dat nl. God alles bij maat, getal en gewicht gemaakt heeft. Veel meer dus heeft hij gezorgd voor een goede uitdrukking van de voorschriften van zijn Wet.

Respondeo dicendum, quod in praeceptis divinae legis maxima sapientia continetur; unde dicitur Deut. 4 [v. 6] : « Haec est vestra sapientia et intellectus coram populis. » Sapientis autem est omnia debito modo et ordine disponere; et ideo manifestum esse debet, quod praecepta legis convenienti modo sunt tradita.

Leerstelling. — In de voorschriften der goddelijke Wet komt de hoogste wijsheid uit. Vandaar wordt er in Deuteronomium (4, 6) gezegd : « Dit is uwe wijsheid en verstand voor de volkeren ». Welnu, aan een wijze man is het eigen, alles op de verschuldigde wijze en in goede orde te regelen. Dus is het duidelijk, dat de voorschriften der Wet goed zijn uitgedrukt.Leerstelling. — In de voorschriften van de goddelijke Wet komt de hoogste wijsheid uit. Vandaar wordt er in Deuteronomium (4, 6) gezegd: “Dit is uw wijsheid en verstand voor de volkeren”. Welnu, aan een wijze man is het eigen, alles op de verschuldigde wijze en in goede orde te regelen. Dus is het duidelijk, dat de voorschriften van de Wet goed zijn uitgedrukt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod semper affirmationem sequitur negatio oppositi, non autem semper ad negationem unius oppositi sequitur affirmatio alterius. Sequitur enim : Si est album, non est nigrum; non tamen sequitur : Si non est nigrum, ergo est album, quia ad plura sese extendit negatio, quam affirmatio. Et inde est etiam, quod non esse faciendam injuriam, quod 271pertinet ad praecepta negativa, ad plures personas se extendit secundum primum dictamen rationis, quam esse debitum ut alteri obsequium vel beneficium impendatur. Inest autem primo dictamen rationis, quod homo debitor est beneficii vel obsequii exhibendi illis, a quibus beneficia accepit, si nondum recompensavit. Duo sunt autem, quorum beneficiis sufficienter nullus recompensare potest, scilicet Deus, et pater, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 14], et ideo sola duo praecepta affirmativa ponuntur, unum de honoratione parentum, aliud de celebratione Sabbati in commemorationem divini beneficii.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Altijd volgt op de bevestiging de ontkenning van het tegenovergestelde; echter volgt op de ontkenning van één deel der tegenstelling niet altijd de bevestiging van het ander. Het gaat immers wel op dat indien iemand wit is, hij niet zwart is; maar het gaat niet op, dat indien hij niet zwart is, hij wit is, daar de ontkenning zich verder uitstrekt dan de bevestiging. Vandaar is het ook waar, dat het gebod, dat geen onrecht mag worden gedaan, wat valt onder de verbiedende 271geboden, zich volgens de eerste uitspraak van de rede over meer personen uitstrekt, dan het gebod, dat men een ander een weldaad of een dienst moet bewijzen. Het behoort echter tot de eerste uitspraken van de rede, dat de mensch verplicht is een weldaad of dienst te bewijzen aan hem, van wien hij een weldaad ontvangen heeft, wanneer hij die nog niet heeft vergoed. Nu zijn er twee personen, wiens weldaden niemand kan vergoeden, nl. God en de vader, zooals in het VIIIe Boek der Ethica gezegd wordt (XIVe H., Nr 4). Daarom worden er slechts twee gebiedende geboden gegeven, één over de vereering van de ouders, en één over de sabbatviering, ter herinnering aan de weldaden van God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Altijd volgt op de bevestiging de ontkenning van het tegenovergestelde; echter volgt op de ontkenning van één deel van de tegenstelling niet altijd de bevestiging van het ander. Het gaat immers wel op dat indien iemand wit is, hij niet zwart is; maar het gaat niet op, dat indien hij niet zwart is, hij wit is, daar de ontkenning zich verder uitstrekt dan de bevestiging. Vandaar is het ook waar, dat het gebod, dat geen onrecht mag worden gedaan, wat valt onder de verbiedende 271geboden, zich volgens de eerste uitspraak van de rede over meer personen uitstrekt, dan het gebod, dat men een ander een weldaad of een dienst moet bewijzen. Het behoort echter tot de eerste uitspraken van de rede, dat de mens verplicht is een weldaad of dienst te bewijzen aan hem, van wie hij een weldaad ontvangen heeft, wanneer hij die nog niet heeft vergoed. Nu zijn er twee personen, wiens weldaden niemand kan vergoeden, nl. God en de vader, zoals in het 8e Boek van de Ethica gezegd wordt (14e H., Nr 4). Daarom worden er slechts twee gebiedende geboden gegeven, één over de verering van de ouders, en één over de sabbatviering, ter herinnering aan de weldaden van God.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod illa praecepta quae sunt pure moralia, habent manifestam rationem; unde non oportuit, quod in eis aliqua ratio adderetur. Sed quibusdam praeceptis additur caeremoniale determinativum praecepti moralis communis, sicut in primo praecepto : Non facies sculptile, et in tertio praecepto determinatur dies Sabbati; et ideo utrobique oportuit rationem assignari.

2. Van de voorschriften die zuiver zedelijk zijn, is de reden duidelijk. Vandaar behoeft daarbij de reden niet worden aangegeven. Maar bij verschillende voorschriften wordt een ceremonieel-voorschrift gevoegd, dat het algemeen zedelijk voorschrift nader bepaalt, zooals in het eerste gebod gezegd wordt : « Gij zult geen gesneden beeld maken », en zooals in het derde de dag van den sabbat vastgesteld wordt. Daarom moet bij beide de reden worden aangegeven.2. Van de voorschriften die zuiver zedelijk zijn, is de reden duidelijk. Vandaar behoeft daarbij de reden niet worden aangegeven. Maar bij verschillende voorschriften wordt een ceremonieel-voorschrift gevoegd, dat het algemeen zedelijk voorschrift nader bepaalt, zoals in het eerste gebod gezegd wordt: “Gij zult geen gesneden beeld maken”, en zoals in het derde de dag van de sabbat vastgesteld wordt. Daarom moet bij beide de reden worden aangegeven.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod homines ut plurimum actus suos ad aliquam 272utilitatem ordinant; et ideo in illis praeceptis necesse fuit promissionem praemii apponere, ex quibus videbatur nulla utilitas sequi, vel aliqua utilitas impediri. Quia vero parentes sunt jam in recedendo, ab eis non expectatur utilitas, et ideo praecepto de honore parentum additur promissio. Similiter etiam in praecepto de prohibitione idololatriae, quia per hoc videbatur impediri apparens utilitas, quam homines credunt se posse consequi per pactum cum daemonibus initum.

3. In de meeste gevallen richten de menschen hun daden op 272iets nuttigs, en daarom is het noodig, dat bij die geboden de belofte van een belooning wordt gevoegd, waaruit schijnbaar geen enkel nut volgt, of waardoor een bepaald nut wordt verhinderd. Daar nu de ouders reeds aan het verouderen zijn, wordt van hen geen nut verwacht, en daarom wordt bij het gebod over de eer van de ouders een belofte gevoegd. Evenzoo bij het gebod over de afgoderij, omdat daardoor een schijngoed verhinderd wordt, dat de menschen denken te krijgen door een verbond te sluiten met de duivels.3. In de meeste gevallen richten de mensen hun daden op 272iets nuttigs, en daarom is het nodig, dat bij die geboden de belofte van een beloning wordt gevoegd, waaruit schijnbaar geen enkel nut volgt, of waardoor een bepaald nut wordt verhinderd. Daar nu de ouders reeds aan het verouderen zijn, wordt van hen geen nut verwacht, en daarom wordt bij het gebod over de eer van de ouders een belofte gevoegd. Evenzo bij het gebod over de afgoderij, omdat daardoor een schijngoed verhinderd wordt, dat de mensen denken te krijgen door een verbond te sluiten met de duivels.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod poenae praecipue necessariae sunt contra illos, qui sunt proni ad malum, ut dicitur in 10. Ethicor. [cap. 9.] ; et ideo illis solis praeceptis legis additur comminatio poenarum, in quibus erat pronitas ad malum. Erant autem homines proni ad idololatriam propter generalem consuetudinem gentium. Et similiter sunt etiam homines proni ad perjurium propter frequentiam juramenti; et ideo primis duobus praeceptis adjungitur comminatio.

4. Straffen zijn vooral noodzakelijk voor hen, die geneigd zijn tot het kwaad, zooals we lezen in het Xe Boek der Ethica (IXe H., Nr 9). Daarom wordt er alleen bij die geboden der Wet een strafbedreiging gevoegd, waarin geneigdheid tot het kwaad was. De menschen nu waren geneigd tot de afgoderij door de algemeene gewoonte der heidenen, en eveneens zijn ze ook geneigd tot meineed wegens de veelvuldigheid van den eed. Daarom werd bij de eerste twee geboden een strafbedreiging gevoegd.4. Straffen zijn vooral noodzakelijk voor hen, die geneigd zijn tot het kwaad, zoals we lezen in het 10e Boek van de Ethica (9e H., Nr 9). Daarom wordt er alleen bij die geboden van de Wet een strafbedreiging gevoegd, waarin geneigdheid tot het kwaad was. De mensen nu waren geneigd tot de afgoderij door de algemene gewoonte van de heidenen, en eveneens zijn ze ook geneigd tot meineed wegens de veelvuldigheid van de eed. Daarom werd bij de eerste twee geboden een strafbedreiging gevoegd.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod praeceptum de Sabbato ponitur ut commemorativum beneficii praeteriti; et ideo specialiter in eo fit mentio de 273memoria; vel quia praeceptum de Sabbato habet determinationem adjunctam, quae non est de lege naturae; et ideo hoc praeceptum speciali admonitione indiguit.

5. Het gebod van den sabbat is gegeven als herinnering aan vroegere weldaden, en daarom wordt er bijzonder op gedrukt, 273het te gedenken. Men kan ook antwoorden, dat het gebod over den sabbat een nadere bepaling insluit, die niet onder de natuurwet valt, en dit gebod daarom een bijzondere vermaning noodig had.5. Het gebod van de sabbat is gegeven als herinnering aan vroegere weldaden, en daarom wordt er bijzonder op gedrukt, 273het te gedenken. Men kan ook antwoorden, dat het gebod over de sabbat een nadere bepaling insluit, die niet onder de natuurwet valt, en dit gebod daarom een bijzondere vermaning nodig had.

Articulus VIII

Utrum praecepta decalogi sint dispensabilia

[Supr. q. 99. art. 5. corp. et 2-2. q. 104. art. 4. ad 2. et 1. Dist. 47. art. 4. corp. et 3. Dist. 37. art. 4 et 4. Dist. 17. q. 3. art. 1 et Mal. q. 3. art. 1. ad 7. et q. 15. art. 1. ad 8.].
VIIIe Artikel

Kan van de voorschriften der Tien Geboden ontslagen worden?Kan van de voorschriften van de Tien Geboden ontslagen worden?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod praecepta decalogi sint dispensabilia : praecepta enim decalogi sunt de jure naturali; sed jus naturale in aliquibus deficit et mutabile est, sicut et natura humana, ut Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 7.] ; defectus autem legis in aliquibus particularibus casibus est ratio dispensandi, ut supra dictum est [q. 96. art. 6. et q. 97. art. 4.] ; ergo in praeceptis decalogi potest fieri dispensatio.

Bedenkingen. — Men beweert, dat van de voorschriften der Tien Geboden kan ontslagen worden. — 1. De voorschriften immers der Tien Geboden vallen onder het natuurrecht. Maar zooals de Wijsgeer zegt in het Ve Boek zijner Ethica (VIIe H., Nr 2 v. v.), is het natuurrecht soms onvolmaakt en veranderlijk, gelijk ook de menschelijke natuur; welnu een tekort van de wet voor sommige bijzondere gevallen is een reden van ontslaan, gelijk vroeger gezegd is (XCVIe Kw., 6e Art.; XCVIIe Kw., 4e Art.). Bijgevolg kan van de voorschriften der Tien Geboden ontslagen worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat van de voorschriften van de Tien Geboden kan ontslagen worden. — 1. De voorschriften immers van de Tien Geboden vallen onder het natuurrecht. Maar zoals de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (7e H., Nr 2 v. v.), is het natuurrecht soms onvolmaakt en veranderlijk, gelijk ook de menselijke natuur; welnu een tekort van de wet voor sommige bijzondere gevallen is een reden van ontslaan, gelijk vroeger gezegd is (96e Kw., 6e Art.; 97e Kw., 4e Art.). Bijgevolg kan van de voorschriften van de Tien Geboden ontslagen worden.

antwoord 2 ↓

2742. Praeterea, sicut se habet homo ad legem humanam. ita se habet Deus ad legem datam divinitus; sed homo potest dispensare in praeceptis legis, quae homo statuit; ergo cum praecepta decalogi sint instituta a Deo, videtur quod Deus in eis possit dispensare. Sed Praelati vice Dei funguntur in terris, dicit enim Apostolus 2. ad Cor. 2. [v. 10] : « Nam et ego si quid donavi propter vos donavi in persona Christi. » Ergo etiam Praelati possunt in praeceptis decalogi dispensare.

2742. Gelijk de mensch zich verhoudt tot de menschelijke wet, zoo verhoudt God zich tot de goddelijke Wet. Welnu de mensch kan ontslaan van de voorschriften der wet, die hij gemaakt heeft. Daar dus de voorschriften der Tien Geboden door God zijn ingesteld, blijkt het, dat God er van kan ontslaan. Welnu de prelaten bekleeden Gods plaats op aarde, want de Apostel zegt in zijn IIen Brief aan de Corinthiërs (2, 10) : « Want indien ik iets gegeven heb, heb ik dit om u gedaan in den persoon van Christus ». Dus kunnen ook de prelaten van de voorschriften der Tien Geboden ontslaan.2742. Gelijk de mens zich verhoudt tot de menselijke wet, zo verhoudt God zich tot de goddelijke Wet. Welnu de mens kan ontslaan van de voorschriften van de wet, die hij gemaakt heeft. Daar dus de voorschriften van de Tien Geboden door God zijn ingesteld, blijkt het, dat God er van kan ontslaan. Welnu de prelaten bekleden Gods plaats op aarde, want de Apostel zegt in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (2, 10): “Want indien ik iets gegeven heb, heb ik dit om u gedaan in de persoon van Christus”. Dus kunnen ook de prelaten van de voorschriften van de Tien Geboden ontslaan.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, inter praecepta decalogi continetur prohibitio homicidii; sed in isto praecepto videtur dispensari per homines, puta cum secundum praeceptum legis humanae homines licite occiduntur, puta malefactores vel hostes; ergo praecepta decalogi sunt dispensabilia.

3. Het verbod van doodslag valt onder de Tien Geboden. Welnu van dit verbod schijnen de menschen te kunnen ontslaan, b. v. wanneer menschen volgens een gebod der menschelijke wet op geoorloofde wijze worden gedood, zooals misdadigers of vijanden. Dus kan men van de voorschriften der Tien Geboden ontslagen worden.3. Het verbod van doodslag valt onder de Tien Geboden. Welnu van dit verbod schijnen de mensen te kunnen ontslaan, bv. wanneer mensen volgens een gebod van de menselijke wet op geoorloofde wijze worden gedood, zoals misdadigers of vijanden. Dus kan men van de voorschriften van de Tien Geboden ontslagen worden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, observatio Sabbati continetur inter praecepta decalogi; sed in hoc praecepto fuit dispensatum : dicitur enim 1. Machab. 2. [v. 41] : « Et cogitaverunt in die illa dicentes : Omnis homo, quicumque venerit ad nos in bello die Sabbatorum, pugnemus adversus eum. » Ergo praecepta decalogi sunt dispensabilia.

4. De onderhouding van den Sabbat valt onder de voorschriften der Tien Geboden. Welnu van dit gebod werd ontslagen, want er wordt gezegd in het Ie Boek der Machabeërs (2, 41) : « En ze namen op dien dag een besluit zeggende : Iedereen, wie 275het ook zij, die ten strijde tegen ons oprukt op den Sabbatdag, tegen dien zullen wij strijden ». Dus kan er van de voorschriften der Tien Geboden ontslagen worden.4. De onderhouding van de Sabbat valt onder de voorschriften van de Tien Geboden. Welnu van dit gebod werd ontslagen, want er wordt gezegd in het 1e Boek van de Machabeërs (2, 41): “En ze namen op die dag een besluit zeggende: Iedereen, wie 275het ook zij, die ten strijde tegen ons oprukt op de Sabbatdag, tegen die zullen wij strijden”. Dus kan er van de voorschriften van de Tien Geboden ontslagen worden.

275Sed contra est, quod Isa. 24. [v. 5] quidam reprehenduntur de hoc quod « mutaverunt jus, dissipaverunt foedus sempiternum », quod maxime videtur intelligendum de praeceptis decalogi; ergo praecepta decalogi mutari per dispensationem non possunt.

Maar daartegenover staat, dat in Isaias (24, 5) sommigen hierover berispt worden, dat zij het recht veranderd hebben en het eeuwig verbond vernietigd, wat vooral verstaan moet worden van de voorschriften der Tien Geboden. Bijgevolg kunnen de voorschriften der Tien Geboden niet door ontslag er van veranderd worden.Maar daartegenover staat, dat in Jesaja (24, 5) sommigen hierover berispt worden, dat zij het recht veranderd hebben en het eeuwig verbond vernietigd, wat vooral verstaan moet worden van de voorschriften van de Tien Geboden. Bijgevolg kunnen de voorschriften van de Tien Geboden niet door ontslag er van veranderd worden.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [l. in arg. 1 cit.], tunc in praeceptis debet fieri dispensatio, quando occurrit aliquis particularis casus, in quo si verbum legis observaretur, contrariaretur intentioni legislatoris. Intentio autem legislatoris cujuslibet ordinatur primo quidem et principaliter ad bonum commune; secundo autem ad ordinem justitiae et virtutis, secundum quem bonum commune conservatur et ad ipsum pervenitur. Si qua ergo praecepta dentur, quae contineant ipsam conservationem boni communis, vel ipsum ordinem justitiae et virtutis, hujusmodi praecepta continent intentionem legislatoris; ideo indispensabilia sunt : puta si poneretur hoc praeceptum in aliqua communitate, quod nullus destrueret 276rempublicam, neque proderet civitatem hostibus, sive quod nullus faceret aliquid injuste vel male, hujusmodi praecepta essent indispensabilia; sed si aliqua alia praecepta traderentur ordinata ad ista praecepta, quibus determinantur aliqui speciales modi, in talibus praeceptis dispensatio posset fieri, inquantum per omissionem hujusmodi praeceptorum in aliquibus casibus non fieret praejudicium primis praeceptis, quae continent intentionem legislatoris : puta si ad conservationem reipublicae statueretur in aliqua civitate, quod de singulis vicis aliqui vigilarent ad custodiam civitatis obsessae, posset cum aliquibus dispensari propter aliquam majorem utilitatem.

Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (zie 1e Bed.), wordt er dan alleen van de voorschriften ontslagen, wanneer een bijzonder geval zich voordoet, waarin men door de letter van de wet te onderhouden tegen de bedoeling van den wetgever zou handelen. De bedoeling nu van ieder wetgever is eerst en vooral gericht op het algemeen welzijn; op de tweede plaats echter op de orde der gerechtigheid en der deugd, waardoor het algemeen welzijn in stand gehouden wordt, en men er toe geraakt. Indien er dus geboden gegeven worden, die de instandhouding zelf van 276het algemeen welzijn bevatten, ofwel de orde van de gerechtigheid en de deugd, dan sluiten deze de bedoeling van den wetgever in zich, en van die geboden kan men niet ontslagen worden. Wanneer b. v. dit gebod in een maatschappij zou gegeven worden, dat niemand den staat mag omverwerpen, noch den staat mag overleveren aan de vijanden, of niemand een ander onrecht of kwaad mag aandoen, dan zou daarvan niet ontslagen kunnen worden. Maar indien er andere geboden zouden gesteld worden, die op die voorschriften gericht zijn, en waardoor een bepaalde wijze nader zou worden omschreven, dan zou van die geboden ontslagen kunnen worden, in zoover het niet onderhouden van die geboden in bepaalde gevallen geen afbreuk doet aan de eerste geboden, die de bedoeling van den wetgever insluiten, b. v. wanneer voor het behoud van den staat in een gemeenschap bepaald werd, dat de burgers uit de verschillende stadswijken zouden waken om de stad bij een gebeurlijke belegering te beschutten, dan zou men sommige burgers daarvan mogen ontslaan, tot grooter heil van den staat.Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (zie 1e Bed.), wordt er dan alleen van de voorschriften ontslagen, wanneer een bijzonder geval zich voordoet, waarin men door de letter van de wet te onderhouden tegen de bedoeling van de wetgever zou handelen. De bedoeling nu van ieder wetgever is eerst en vooral gericht op het algemeen welzijn; op de tweede plaats echter op de orde van de gerechtigheid en van de deugd, waardoor het algemeen welzijn in stand gehouden wordt, en men er toe geraakt. Indien er dus geboden gegeven worden, die de instandhouding zelf van 276het algemeen welzijn bevatten, ofwel de orde van de gerechtigheid en de deugd, dan sluiten deze de bedoeling van de wetgever in zich, en van die geboden kan men niet ontslagen worden. Wanneer bv. dit gebod in een maatschappij zou gegeven worden, dat niemand de staat mag omverwerpen, noch de staat mag overleveren aan de vijanden, of niemand een ander onrecht of kwaad mag aandoen, dan zou daarvan niet ontslagen kunnen worden. Maar indien er andere geboden zouden gesteld worden, die op die voorschriften gericht zijn, en waardoor een bepaalde wijze nader zou worden omschreven, dan zou van die geboden ontslagen kunnen worden, in zover het niet onderhouden van die geboden in bepaalde gevallen geen afbreuk doet aan de eerste geboden, die de bedoeling van de wetgever insluiten, bv. wanneer voor het behoud van de staat in een gemeenschap bepaald werd, dat de burgers uit de verschillende stadswijken zouden waken om de stad bij een gebeurlijke belegering te beschutten, dan zou men sommige burgers daarvan mogen ontslaan, tot groter heil van de staat.

Praecepta autem decalogi continent ipsam intentionem legislatoris, scilicet Dei, nam praecepta primae tabulae, quae ordinant ad Deum, continent ipsum ordinem ad bonum commune et finale quod Deus est; praecepta autem secundae tabulae continent ordinem justitiae inter homines observandae, ut scilicet nulli fiat indebitum, et cuilibet reddatur debitum. Secundum hanc enim rationem sunt intelligenda praecepta decalogi, et ideo praecepta decalogi sunt omnino indispensabilia.

Welnu de voorschriften der Tien Geboden bevatten de bedoeling van den wetgever, nl. van God. Want de geboden van 277den eersten steen, die op God richten, sluiten de orde tot het algemeen en hoogste goed — God — in zich. De voorschriften echter van den tweeden steen sluiten de orde in van de gerechtigheid, die onder de menschen moet onderhouden worden, b. v. dat niemand onrecht mag geschieden en men aan ieder, het hem verschuldigde moet geven. Aldus moeten de voorschriften der Tien Geboden worden beschouwd. En daarom kan er nooit van die geboden ontslagen worden.Welnu de voorschriften van de Tien Geboden bevatten de bedoeling van de wetgever, nl. van God. Want de geboden van 277de eerste steen, die op God richten, sluiten de orde tot het algemeen en hoogste goed — God — in zich. De voorschriften echter van de tweede stee sluiten de orde in van de gerechtigheid, die onder de mensen moet onderhouden worden, bv. dat niemand onrecht mag geschieden en men aan ieder, het hem verschuldigde moet geven. Aldus moeten de voorschriften van de Tien Geboden worden beschouwd. En daarom kan er nooit van die geboden ontslagen worden.

↑ bedenking 1

277Ad primum ergo dicendum, quod Philosophus non loquitur de justo naturali, quod continet ipsum ordinem justitiae; hoc enim numquam deficit, scilicet justitiam esse servandam; sed loquitur quantum ad determinatos modos observationis justitiae, qui in aliquibus fallunt.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Wijsgeer spreekt niet van dat natuurrecht, dat de gerechtigheidsorde zelf bevat, want dat de gerechtigheid moet onderhouden worden, kan nooit falen. Maar hij spreekt van bepaalde manieren, waarop de gerechtigheid moet onderhouden worden, en die kunnen soms falen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Apostolus dicit 2. ad Timoth. 2 [v. 13], « Deus fidelis permanet, negare seipsum non potest »; negaret autem seipsum, si ordinem suae justitiae auferret, cum ipse sit sua justitia; et ideo in hoc Deus dispensare non potest, ut homini liceat non ordinate se habere ad Deum, vel non subdi ordini justitiae ejus, etiam in his, secundum quae homines ad invicem ordinantur.

2. « God blijft », gelijk de Apostel zegt in zijn IIen Brief aan Timotheus (2,13), « getrouw, en kan zichzelf niet verloochenen ». Hij zou zichzelf echter verloochenen, indien Hij zijn gerechtigheidsorde zou opheffen, daar Hij zelf zijn gerechtigheid is. En daarom kan God hierin niet ontslaan, zoodat de mensch in een 278ongeregelde verhouding tot God zou mogen staan, of niet onderworpen zijn aan zijn rechtvaardigheidsorde, zelfs in die dingen, volgens welke de menschen onderling geordend zijn.2. “God blijft”, gelijk de Apostel zegt in zijn 2e Brief aan Timoteüs (2,13), “getrouw, en kan zichzelf niet verloochenen”. Hij zou zichzelf echter verloochenen, indien Hij zijn gerechtigheidsorde zou opheffen, daar Hij zelf zijn gerechtigheid is. En daarom kan God hierin niet ontslaan, zodat de mens in een 278ongeregelde verhouding tot God zou mogen staan, of niet onderworpen zijn aan zijn rechtvaardigheidsorde, zelfs in die dingen, volgens welke de mensen onderling geordend zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod occisio hominis prohibetur in decalogo, secundum quod habet rationem indebiti : sic enim praeceptum continet ipsam rationem justitiae. Lex autem humana hoc concedere non potest, quod licite homo indebite occidatur, sed malefactores occidi vel hostes reipublicae, hoc non est indebitum. Unde hoc non contrariatur praecepto decalogi, nec talis 278occisio est homicidium, quod praecepto decalogi prohibetur. ut Augustinus dicit in 1. de Lib. Arb. [cap. 4.] ; et similiter si alicui auferatur quod suum erat, si debitum est quod ipsum amittat, hoc non est furtum vel rapina. quae praecepto decalogi prohibentur. Et ideo quando filii Israël praecepto Dei tulerunt Aegyptiorum spolia, non fuit furtum, quia hoc eis debebatur ex sententia Dei. Similiter et Abraham cum consensit occidere filium, non consensit in homicidium, quia debitum erat eum occidi per mandatum Dei, qui est dominus vitae et mortis : ipse enim est, qui poenam mortis infligit omnibus hominibus justis et injustis pro peccato primi parentis. Cujus sententiae si homo sit executor auctoritate divina, non erit homicida, sicut nec Deus. Et similiter etiam Osea accedens ad uxorem fornicariam vel mulierem adulteram, non est moechatus nec fornicatus, quia accessit ad eam, quae sua erat secundum mandatum divinum, qui est auctor institutionis matrimonii.

3. Het dooden van een mensch wordt door de Tien Geboden verboden, voor zoover het een onrecht is. In dien zin immers valt het begrip der rechtvaardigheid onder het voorschrift. De menschelijke wet nu kan niet toestaan, dat het geoorloofd is een mensch zonder reden te dooden, maar dat misdadigers gedood worden of staatsvijanden, dat is niet ongeoorloofd, en daarom is het niet strijdig met het voorschrift der Tien Geboden. Dergelijke doodslag is ook geen manslag, wat door het voorschrift der Tien Geboden verboden wordt, zooals Augustinus zegt in zijn werk Over den Vrijen Wil (Ie B., IVe H.). En op gelijke wijze, indien van iemand wordt ontnomen, wat wel het zijne was, maar hem met reden ontnomen wordt, dan is dit geen diefstal of roof, wat door de voorschriften der Tien Geboden verboden wordt. Dit geldt b. v. voor het feit, toen de Joden op bevel van God de buit van de Egyptenaren namen, daar hun dit volgens Gods uitspraak toekwam. Dat was dan ook geen diefstal. Zoo ook stemde Abraham niet in doodslag toe, wanneer hij toestemde zijn zoon te dooden, daar hij hem moest dooden op bevel van God, die meester is 279over leven en dood. Hij immers is het, die de doodstraf aan alle menschen, rechtvaardige zoowel als onrechtvaardige, heeft opgelegd om de zonde van het eerste ouderpaar. En wanneer iemand dit vonnis uitvoert op Gods gezag, dan is hij geen moordenaar, zooals ook God geen moordenaar is. Altijd om dezelfde reden was ook Osee, die tot een overspelige vrouw ging, geen overspeler of echtbreker, daar hij tot een vrouw ging, die de zijne was volgens het bevel van God, die de insteller is van het huwelijk.3. Het doden van een mens wordt door de Tien Geboden verboden, voor zover het een onrecht is. In die zin immers valt het begrip van de rechtvaardigheid onder het voorschrift. De menselijke wet nu kan niet toestaan, dat het geoorloofd is een mens zonder reden te doden, maar dat misdadigers gedood worden of staatsvijanden, dat is niet ongeoorloofd, en daarom is het niet strijdig met het voorschrift van de Tien Geboden. Dergelijke doodslag is ook geen manslag, wat door het voorschrift van de Tien Geboden verboden wordt, zoals Augustinus zegt in zijn werk Over de Vrije Wil (1e B., 4e H.). En op gelijke wijze, indien van iemand wordt ontnomen, wat wel het zijne was, maar hem met reden ontnomen wordt, dan is dit geen diefstal of roof, wat door de voorschriften van de Tien Geboden verboden wordt. Dit geldt bv. voor het feit, toen de Joden op bevel van God de buit van de Egyptenaren namen, daar hun dit volgens Gods uitspraak toekwam. Dat was dan ook geen diefstal. Zo ook stemde Abraham niet in doodslag toe, wanneer hij toestemde zijn zoon te doden, daar hij hem moest doden op bevel van God, die meester is 279over leven en dood. Hij immers is het, die de doodstraf aan alle mensen, rechtvaardige zowel als onrechtvaardige, heeft opgelegd om de zonde van het eerste ouderpaar. En wanneer iemand dit vonnis uitvoert op Gods gezag, dan is hij geen moordenaar, zoals ook God geen moordenaar is. Altijd om dezelfde reden was ook Hosea, die tot een overspelige vrouw ging, geen overspeler of echtbreker, daar hij tot een vrouw ging, die de zijne was volgens het bevel van God, die de insteller is van het huwelijk.

279Sic igitur praecepta ipsa decalogi quantum ad rationem justitiae, quam continent, immutabilia sunt; sed quantum ad aliquam determinationem per applicationem ad singulares actus, ut scilicet hoc vel illud sit homicidium, furtum, vel adulterium, aut non, hoc quidem est mutabile; quandoque sola auctoritate divina, in his scilicet, quae a solo Deo sunt instituta, sicut in matrimonio, et in aliis hujusmodi; quandoque etiam actoritate humana, sicut in his, quae sunt commissa hominum jurisdictioni : quantum enim ad hoc homines gerunt vicem Dei, non autem quantum ad omnia.

Zoo zijn dus de voorschriften der Tien Geboden onveranderlijk, met betrekking tot het wezen der rechtvaardigheid, dat ze in zich besluiten; maar met betrekking tot een nadere bepaling voor de toepassing op bijzondere gevallen (of nl. dit of dat doodslag is, diefstal, of overspel, of niet), zijn ze veranderlijk, soms alleen op Gods gezag, nl. in die dingen waarvan alleen God de insteller is, zooals het huwelijk en dergelijke, soms ook op menschelijk gezag zooals in die dingen, die aan menschelijke uitspraak zijn overgelaten. Met betrekking tot die dingen immers bekleeden de menschen Gods plaats, echter niet met betrekking tot alles.Zo zijn dus de voorschriften van de Tien Geboden onveranderlijk, met betrekking tot het wezen van de rechtvaardigheid, dat ze in zich besluiten; maar met betrekking tot een nadere bepaling voor de toepassing op bijzondere gevallen (of nl. dit of dat doodslag is, diefstal, of overspel, of niet), zijn ze veranderlijk, soms alleen op Gods gezag, nl. in die dingen waarvan alleen God de insteller is, zoals het huwelijk en dergelijke, soms ook op menselijk gezag zoals in die dingen, die aan menselijke uitspraak zijn overgelaten. Met betrekking tot die dingen immers bekleden de mensen Gods plaats, echter niet met betrekking tot alles.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod illa excogitatio magis fuit interpretatio praecepti, quam dispensatio : non enim intelligitur violare Sabbatum, qui facit opus, quod est necessarium ad salutem humanam, sicut Dominus probat Matth. 12 [v. 3 sqq.].

4. Die overweging was meer een verklaren dan een ontslaan van de Wet. Want gelijk de Heer zegt (Mattheus, 12, 3 vv.), overtreedt hij niet den sabbat, die iets doet, wat noodzakelijk is voor het heil der menschen.4. Die overweging was meer een verklaren dan een ontslaan van de Wet. Want gelijk de Heer zegt (Matteüs, 12, 3 vv.), overtreedt hij niet de sabbat, die iets doet, wat noodzakelijk is voor het heil van de mensen.

Articulus IX

Utrum modus virtutis cadat sub praecepto legis

[Sup. q. 96. art. 3. ad 2. et 2-2. q. 44. art. 4. ad 1. et art. 8. corp. et 2. Dist. 28. art. 3. corp. et 4. Dist. 15. q. 3. art. 4. et Mal. q. 2. art. 4. ad 7.].
IXe Artikel

Valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder het gebod van de wet?

antwoord 1 ↓

280Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod modus virtutis cadat sub praecepto legis : est enim modus virtutis, ut aliquis juste operetur justa, et fortiter fortia, et similiter de aliis virtutibus; sed Deuteronomii 16 [v. 20] : « Juste quod justum est exequeris. » Ergo modus virtutis cadit sub praecepto.

280Bedenkingen. — Men beweert, dat de manier waarop de deugd moet beoefend worden, valt onder het gebod van de wet. — 1. De manier waarop de deugd moet beoefend worden immers is, dat iemand rechtvaardig werken van rechtvaardigheid doet, en sterk de werken van sterkte, en zoo ook voor de andere deugden. Welnu, in Deuteronomium (16, 20) wordt bevolen : « Rechtvaardig zult gij, wat rechtvaardig is, nastreven ». Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder het gebod van de wet.280Bedenkingen. — Men beweert, dat de manier waarop de deugd moet beoefend worden, valt onder het gebod van de wet. — 1. De manier waarop de deugd moet beoefend worden immers is, dat iemand rechtvaardig werken van rechtvaardigheid doet, en sterk de werken van sterkte, en zo ook voor de andere deugden. Welnu, in Deuteronomium (16, 20) wordt bevolen: “Rechtvaardig zult gij, wat rechtvaardig is, nastreven”. Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder het gebod van de wet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illud maxime cadit sub praecepto, quod est de intentione legislatoris; sed intentio legislatoris ad hoc fertur principaliter, ut homines 281faciat virtuosos, sicut dicitur in 2. Ethic. [cap. 1] ; virtuosi autem est virtuose agere: ergo modus virtutis cadit sub praecepto.

2. Datgene valt het meest onder het voorschrift, wat onder de bedoeling van den wetgever valt. Welnu, gelijk in het IIe Boek der Ethica (Ie H., Nr 5) gezegd wordt, slaat de bedoeling van den wetgever voornamelijk hierop, dat hij de menschen deugdzaam wil maken. Het is echter eigen aan de deugdzamen 281deugdzaam te handelen. Bijgevolg valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder het gebod.2. Datgene valt het meest onder het voorschrift, wat onder de bedoeling van de wetgever valt. Welnu, gelijk in het 2e Boek van de Ethica (1e H., Nr 5) gezegd wordt, slaat de bedoeling van de wetgever voornamelijk hierop, dat hij de mensen deugdzaam wil maken. Het is echter eigen aan de deugdzamen 281deugdzaam te handelen. Bijgevolg valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder het gebod.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, modus virtutis proprie esse videtur, ut aliquis voluntarie et delectabiliter operetur; sed hoc cadit sub praecepto legis divinae : dicitur enim in Ps. 99 [v. 2] : « Servite Domino in laetitia. » Et. 2. ad Cor. 9 [v. 7] : « Non ex tristitia aut ex necessitate; hilarem enim datorem diligit Deus », ubi Glossa [ordinar. Augustini in Psal. 91.] dicit : « Quidquid boni facis, cum hilaritate fac, et tunc bene facis; si autem cum tristitia facis, fit de te, non tu facis. » Ergo modus virtutis cadit sub praecepto legis.

3. De manier waarop de deugd moet beoefend worden schijnt eigenlijk te zijn, dat iemand uit vrijen wil en met voldoening handelt. Welnu dit valt onder het gebod van de wet Gods. Psalm 99, 2 wordt immers gezegd : « Dient den Heer in blijdschap », en in den IIen Brief aan de Corinthiërs (9, 7) : « Niet hem die met droefheid of uit dwang geeft, bemint God, maar die geeft met blij gemoed, » waarop de Glossa (getrokken uit de Verhandelingen van Augustinus over Ps. 91) aanmerkt: « Welk goed gij ook doet, doe het met blijdschap, en dan doet gij het goed; indien gij het echter met droefheid doet, dan wordt het voor u gedaan, en doet gij het niet ». Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder gebod van de wet.3. De manier waarop de deugd moet beoefend worden schijnt eigenlijk te zijn, dat iemand uit vrijen wil en met voldoening handelt. Welnu dit valt onder het gebod van de wet Gods. Psalm 99, 2a wordt immers gezegd: “Dient de Heer in blijdschap”, en in de 2e Brief aan de Korintiërs (9, 7): “Niet hem die met droefheid of uit dwang geeft, bemint God, maar die geeft met blij gemoed,” waarop de Glossa (getrokken uit de Verhandelingen van Augustinus over Ps. 91)b aanmerkt: “Welk goed gij ook doet, doe het met blijdschap, en dan doet gij het goed; indien gij het echter met droefheid doet, dan wordt het voor u gedaan, en doet gij het niet”. Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden onder gebod van de wet.

Sed contra, nullus potest operari eo modo, quo operatur virtuosus, nisi habeat habitum virtutis, ut patet per Philosophum in 2. Ethicor. [cap. 4.] ; quicumque autem transgreditur praeceptum legis meretur poenam. Sequeretur ergo, quod ille qui non habet habitum virtutis, quidquid faceret, mereretur poenam : hoc autem est contra intentionem legis, quae intendit hominem, 282assuefaciendo ad bona opera, inducere ad virtutem; non ergo modus virtutis cadit sub praecepto.

Maar daartegenover staat, dat niemand op die wijze kan werken, waarop de deugdzame werkt, tenzij hij de hebbelijkheid der deugd heeft, gelijk blijkt uit de leer van den Wijsgeer in het IIe Boek der Ethica (IVe H.) ; alwie echter een gebod van de wet overtreedt, verdient straf. Daaruit zou dus volgen, dat al wat 282diegene doet, die de hebbelijkheid der deugd niet heeft, straf zou verdienen, wat tegen de bedoeling van de wet is, die den mensch door hem aan goede werken te gewennen, wil leiden tot de deugd. Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden niet onder het gebod.Maar daartegenover staat, dat niemand op die wijze kan werken, waarop de deugdzame werkt, tenzij hij de hebbelijkheid van de deugd heeft, gelijk blijkt uit de leer van de Wijsgeer in het 2e Boek van de Ethica (4e H.); alwie echter een gebod van de wet overtreedt, verdient straf. Daaruit zou dus volgen, dat al wat 282diegene doet, die de hebbelijkheid van de deugd niet heeft, straf zou verdienen, wat tegen de bedoeling van de wet is, die de mens door hem aan goede werken te gewennen, wil leiden tot de deugd. Dus valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden niet onder het gebod.

282Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 90. art. 3. ad 2.], praeceptum legis habet vim coactivam; illud ergo directe cadit sub praecepto legis, ad quod lex cogit. Coactio autem legis est per metum poenae, ut dicitur in 10. Eth. [cap. 9.] : nam illud proprie cadit sub praecepto legis, pro quo poena legis infligitur. Ad instituendam autem poenam aliter se habet lex divina, et aliter lex humana : non enim poena legis infligitur, nisi pro illis, de quibus legislator habet judicare, quia ex judicio lex punit; homo autem, qui est legis lator humanae, non habet judicare nisi de exterioribus actibus, quia homines vident ea, quae parent, ut dicitur 1. Regum 16 [v. 7] ; sed solius Dei, qui est lator legis divinae, est judicare de interioribus motibus voluntatum, secundum illud Ps. 7 [v. 10] : « Scrutans corda et renes Deus. »

Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (XCe Kw., 3e Art., 2e Antw.), heeft de wet dwingende kracht. Datgene valt dus direct onder het gebod van de wet, waartoe de wet dwingt. Gelijk nu gezegd wordt in het Xe Boek der Ethica (IXe H.), wordt de dwingende kracht van de wet uitgeoefend door strafbedreiging. Want datgene valt eigenlijk alleen onder het gebod van de wet, waarvoor een wettelijke straf wordt opgelegd. Tot het bepalen nu van een straf verhoudt de goddelijke wet zich anders dan de menschelijke. Want een wettelijke straf wordt niet opgelegd, tenzij voor datgene, waarover de wetgever kan oordeelen, omdat de wet, overeenkomstig de uitspraak, straft. De mensch nu, die de menschelijke wetten stelt, kan slechts over de uiterlijke daden oordeelen, omdat de menschen die dingen zien, die openlijk zijn, gelijk gezegd wordt in het Ie Boek Koningen (16, 7). 283Alleen God, die de goddelijke wet stelt, kan oordeelen over de innerlijke bewegingen van den wil, volgens Psalm 7, 10 : « God onderzoekt hart en nieren ».Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (90e Kw., 3e Art., 2e Antw.), heeft de wet dwingende kracht. Datgene valt dus direct onder het gebod van de wet, waartoe de wet dwingt. Gelijk nu gezegd wordt in het 10e Boek van de Ethica (9e H.), wordt de dwingende kracht van de wet uitgeoefend door strafbedreiging. Want datgene valt eigenlijk alleen onder het gebod van de wet, waarvoor een wettelijke straf wordt opgelegd. Tot het bepalen nu van een straf verhoudt de goddelijke wet zich anders dan de menselijke. Want een wettelijke straf wordt niet opgelegd, tenzij voor datgene, waarover de wetgever kan oordelen, omdat de wet, overeenkomstig de uitspraak, straft. De mens nu, die de menselijke wetten stelt, kan slechts over de uiterlijke daden oordelen, omdat de mensen die dingen zien, die openlijk zijn, gelijk gezegd wordt in het 1e Boek Koningen (16, 7)c. 283Alleen God, die de goddelijke wet stelt, kan oordelen over de innerlijke bewegingen van de wil, volgens Psalm 7, 10: “God onderzoekt hart en nieren”.

283Secundum hoc igitur dicendum est, quod modus virtutis quantum ad aliquid respicitur a lege humana et divina; quantum ad aliquid autem a lege divina, sed non a lege humana; quantum ad aliquid vero nec a lege humana, nec a lege divina. Modus autem virtutis in tribus consistit, secundum Philosophum in 2. Ethic. [cap. 4.], quorum primum est, si aliquis operetur sciens : hoc autem dijudicatur, et a lege divina, et a lege humana; quod enim aliquis facit ignorans, per accidens facit; unde secundum ignorantiam aliqua dijudicantur ad poenam, vel ad veniam, tam secundum legem humanam, quam secundum legem divinam. Secundum autem est, ut aliquis operetur volens, vel eligens, et propter hoc eligens : in quo importatur duplex motus interior, scilicet voluntatis, et intentionis, de quibus supra dictum est [q. 8. et 12.] ; et ista duo non dijudicat lex humana, sed solum divina : lex enim humana non punit eum, qui vult occidere, et non occidit; punit autem eum lex divina, secundum illud Matth. 5 [v. 22] : « Qui irascitur fratri suo, reus erit judicio. » Tertium autem, ut firmiter et immobiliter habeat 284et operetur : et ista firmitas proprie pertinet ad habitum, ut scilicet aliquis. ex habitu radicato operetur; et quantum ad hoc modus virtutis non cadit sub praecepto neque legis divinae, neque legis humanae : neque enim ab homine, neque a Deo punitur tamquam praecepti trangressor, qui debitum parentibus honorem impendit, quamvis non habeat habitum pietatis.

Volgens bovenstaande moet men dus zeggen, dat de manier waarop de deugd moet beoefend worden gedeeltelijk, én door de menschelijke wet, én door de goddelijke wet in aanmerking genomen wordt; gedeeltelijk echter door de goddelijke wet, en niet door de menschelijke wet; en gedeeltelijk noch door de goddelijke, noch door de menschelijke wet. Volgens den Wijsgeer toch (IIe Boek der Ethica, IVe H.) bestaat de manier waarop de deugd moet beoefend worden in drie dingen, waarvan het eerste is, dat de mensch wetend handelt, en dit wordt én door de goddelijke wet, én door de menschelijke wet beoordeeld; want wat iemand onwetend doet, is iets geheel bijkomstig. Vandaar houdt men rekening met de onwetendheid om ofwel straf op te leggen, ofwel vrij te spreken, zoowel volgens de menschelijke wet als volgens de goddelijke wet. Het tweede echter is, dat iemand willens handelt, uit eigen keus, en om dat bepaald doel. Daarin wordt een dubbele innerlijke daad gevonden, nl. het willen en de bedoeling, waarover hierboven 284gesproken is (VIIIe en XIIe Kw.). Deze beide beoordeelt de menschelijke wet niet, maar alleen de goddelijke wet. De menschelijke wet immers straft hem niet, die wil dooden en niet doodt; hem echter straft de goddelijke Wet, volgens het woord van Mattheus (5, 22) : « Wie vertoornd is op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gericht ». Het derde nu is, dat iemand vast en onveranderlijk is en werkt, en die standvastigheid is aan de hebbelijkheid eigen, en wordt bereikt wanneer iemand krachtens een ingewortelde hebbelijkheid werkt. Met betrekking hiertoe valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden niet onder het voorschrift, noch van de goddelijke, noch van de menschelijke wet. Immers noch door menschen noch door God wordt hij als een overtreder van een voorschrift gestraft, die aan zijn ouders de verschuldigde eer geeft, al heeft hij ook niet de hebbelijkheid van ouderliefde.Volgens bovenstaande moet men dus zeggen, dat de manier waarop de deugd moet beoefend worden gedeeltelijk, én door de menselijke wet, én door de goddelijke wet in aanmerking genomen wordt; gedeeltelijk echter door de goddelijke wet, en niet door de menselijke wet; en gedeeltelijk noch door de goddelijke, noch door de menselijke wet. Volgens de Wijsgeer toch (2e Boek van de Ethica, 4e H.) bestaat de manier waarop de deugd moet beoefend worden in drie dingen, waarvan het eerste is, dat de mens wetend handelt, en dit wordt én door de goddelijke wet, én door de menselijke wet beoordeeld; want wat iemand onwetend doet, is iets geheel bijkomstig. Vandaar houdt men rekening met de onwetendheid om ofwel straf op te leggen, ofwel vrij te spreken, zowel volgens de menselijke wet als volgens de goddelijke wet. Het tweede echter is, dat iemand willens handelt, uit eigen keus, en om dat bepaald doel. Daarin wordt een dubbele innerlijke daad gevonden, nl. het willen en de bedoeling, waarover hierboven 284gesproken is (8e en twaalfde Kw.). Deze beide beoordeelt de menselijke wet niet, maar alleen de goddelijke wet. De menselijke wet immers straft hem niet, die wil doden en niet doodt; hem echter straft de goddelijke Wet, volgens het woord van Matteüs (5, 22): “Wie vertoornd is op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gericht”. Het derde nu is, dat iemand vast en onveranderlijk is en werkt, en die standvastigheid is aan de hebbelijkheid eigen, en wordt bereikt wanneer iemand krachtens een ingewortelde hebbelijkheid werkt. Met betrekking hiertoe valt de manier waarop de deugd moet beoefend worden niet onder het voorschrift, noch van de goddelijke, noch van de menselijke wet. Immers noch door mensen noch door God wordt hij als een overtreder van een voorschrift gestraft, die aan zijn ouders de verschuldigde eer geeft, al heeft hij ook niet de hebbelijkheid van ouderliefde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod modus faciendi actum justitiae, qui cadit sub praecepto, est, ut fiat aliquid secundum ordinem juris, non autem quod fiat ex habitu justitiae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De manier waarop een rechtvaardigheidsdaad moet gesteld worden, die onder het gebod valt, is, dat het volgens de rechtsorde geschiedt, echter niet, dat het krachtens de hebbelijkheid van rechtvaardigheid geschiedt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod intentio legislatoris est de duobus : de uno quidem, ad quod intendit per praecepta legis inducere, et hoc est virtus; aliud autem est, de quo intendit praeceptum ferre, et hoc est, quod ducit vel disponit ad virtutem, scilicet actus virtutis : non enim idem est finis praecepti, et id de quo praeceptum datur; sicut neque in aliis idem est finis, et quod est ad finem.

2852. De bedoeling van den wetgever strekt zich uit over twee dingen : over een nl., waartoe hij door de voorschriften van de wet wil leiden, en dit is de deugd; en het andere is dat waarover hij een gebod wil uitvaardigen, en dat leidt en geschikt maakt tot de deugd, en dit is de deugddaad. Immers het doel van de wet is niet gelijk aan datgene, waarvoor het gebod gegeven wordt, gelijk ook bij de overige dingen het doel niet gelijk is aan de middelen.2852. De bedoeling van de wetgever strekt zich uit over twee dingen: over een nl., waartoe hij door de voorschriften van de wet wil leiden, en dit is de deugd; en het andere is dat waarover hij een gebod wil uitvaardigen, en dat leidt en geschikt maakt tot de deugd, en dit is de deugddaad. Immers het doel van de wet is niet gelijk aan datgene, waarvoor het gebod gegeven wordt, gelijk ook bij de overige dingen het doel niet gelijk is aan de middelen.

↑ bedenking 3

285Ad tertium dicendum, quod operari sine tristitia opus virtutis cadit sub praecepto legis divinae, quia quicumque cum tristitia operatur, non volens operatur; sed delectabiliter operari, sive cum laetitia vel hilaritate, quodammodo cadit sub praecepto; scilicet secundum quod sequitur delectatio ex dilectione Dei et proximi, quae cadit sub praecepto, cum amor sit causa delectationis; et quodammodo non, secundum quod delectatio consequitur habitum. Delectatio enim operis est signum habitus generati, ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 3.] : potest enim aliquis actus esse delectabilis vel propter finem, vel propter convenientiam habitus.

3. Zonder droefheid een deugdwerk doen valt onder het gebod van de goddelijke wet, omdat alwie met droefheid werkt, niet willens werkt. Maar met voldoening werken, of met vreugde, of blijdschap, valt in een zeker opzicht onder het voorschrift, nl. voor zoover het genot voortkomt uit de liefde tot God en den naaste, wat valt onder het voorschrift, daar de liefde oorzaak is van genot; en in een ander opzicht niet, voor zoover het genot voortkomt uit een hebbelijkheid. De voldoening immers van een werk is een teeken van de hebbelijkheid, gelijk gezegd wordt in het IIe Boek der Ethica (IIIe H., Nr 1), want een daad kan genotvol zijn, ofwel om het doel, ofwel om de overeenkomst met de hebbelijkheid.3. Zonder droefheid een deugdwerk doen valt onder het gebod van de goddelijke wet, omdat alwie met droefheid werkt, niet willens werkt. Maar met voldoening werken, of met vreugde, of blijdschap, valt in een zeker opzicht onder het voorschrift, nl. voor zover het genot voortkomt uit de liefde tot God en de naaste, wat valt onder het voorschrift, daar de liefde oorzaak is van genot; en in een ander opzicht niet, voor zover het genot voortkomt uit een hebbelijkheid. De voldoening immers van een werk is een teken van de hebbelijkheid, gelijk gezegd wordt in het 2e Boek van de Ethica (3e H., Nr 1), want een daad kan genotvol zijn, ofwel om het doel, ofwel om de overeenkomst met de hebbelijkheid.

Articulus X

Utrum modus charitatis cadat sub praecepto divinae legis

[2-2. q. 44. art. 1. ad 1. et 3. Dist. 27. q. 3. art. 4. et Dist. 37. art. 6. et Veri. q. 25. art. 7. ad 8 et q. 24. art. 12. ad 16. et Mal. q. 2. art. 5. ad 7. et opusc. 17. cap. 6.].
Xe Artikel

Valt het onder het gebod van de goddelijke wet, dat men uit liefde handelt?

antwoord 1 ↓

286Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod modus charitatis cadat sub praecepto divinae legis. Dicitur enim Matth. 19 [v. 17] : « Si vis ad vitam ingredi, serva mandata », ex quo videtur, quod observatio mandatorum sufficiat ad introducendum ad vitam; sed opera bona non sufficiunt ad introducendum in vitam, nisi ex charitate fiant : dicitur enim 1. ad Cor. 13 [v. 3] : « Si distribuero in cibos pauperum omnes facultates meas, et si tradidero corpus meum, ita ut ardeam, charitatem autem non habuero, nihil mihi prodest. » Ergo modus charitatis est in praecepto.

286Bedenkingen. — Men beweert, dat het onder het gebod van de goddelijke wet valt, dat men uit liefde handelt. — 1. We lezen immers bij Mattheus (19,17) : « Indien gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden ». Daaruit blijkt, dat het onderhouden van de geboden voldoende is om ingeleid te worden tot het leven. Welnu de goede werken zijn niet voldoende om ingeleid te worden tot het leven, want in den Ien Brief aan de Corinthiërs (13, 3) wordt gezegd : « Zoo ik al mijn goederen tot spijs uitdeel, en zoo ik mijn lichaam overgeef om mij te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets ». Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.286Bedenkingen. — Men beweert, dat het onder het gebod van de goddelijke wet valt, dat men uit liefde handelt. — 1. We lezen immers bij Matteüs (19,17): “Indien gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden”. Daaruit blijkt, dat het onderhouden van de geboden voldoende is om ingeleid te worden tot het leven. Welnu de goede werken zijn niet voldoende om ingeleid te worden tot het leven, want in de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 3) wordt gezegd: “Zo ik al mijn goederen tot spijs uitdeel, en zo ik mijn lichaam overgeef om mij te laten verbranden, maar geen liefde heb, dan baat het mij niets”. Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.

antwoord 2 ↓

2872. Praeterea, ad modum charitatis proprie pertinet, ut omnia fiant propter Deum; sed istud cadit sub praecepto : dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 10. [v. 30] : « Omnia in gloriam Dei facite. » Ergo modus charitatis cadit sub praecepto.

2. Tot het handelen uit liefde behoort wezenlijk, dat we alles doen om God. Welnu dit valt onder het gebod, want de Apostel zegt in zijn Ien Brief aan de Corinthiërs (10, 30) : « Doet alles 287ter eere Gods ». Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.2. Tot het handelen uit liefde behoort wezenlijk, dat we alles doen om God. Welnu dit valt onder het gebod, want de Apostel zegt in zijn 1e Brief aan de Korintiërs (10, 30): “Doet alles 287ter ere Gods”. Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si modus charitatis non cadat sub praecepto, ergo aliquis potest implere praecepta legis non habens charitatem; sed quod potest fieri sine charitate, potest fieri sine gratia, quae semper adjuncta est charitati; ergo aliquis potest implere praecepta legis sine gratia; hoc est autem Pelagiani erroris, ut patet per Augustinum in lib. de Haeresibus [haereti 88.] ; ergo modus charitatis est in praecepto.

3. Indien het niet onder het gebod valt, dat men uit liefde handelt, dan kan iemand de geboden der wet onderhouden, zonder de liefde te hebben. Maar wat zonder de liefde kan gebeuren, kan ook gebeuren zonder de genade, die altijd met de liefde verbonden is. Dus kan niemand de geboden der wet onderhouden zonder de genade. Dit is echter de dwaling der Pelagianen, zooals blijkt uit het Boek van Augustinus Over de Ketterijen (88e Deel). Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.3. Indien het niet onder het gebod valt, dat men uit liefde handelt, dan kan iemand de geboden van de wet onderhouden, zonder de liefde te hebben. Maar wat zonder de liefde kan gebeuren, kan ook gebeuren zonder de genade, die altijd met de liefde verbonden is. Dus kan niemand de geboden van de wet onderhouden zonder de genade. Dit is echter de dwaling van de Pelagianen, zoals blijkt uit het Boek van Augustinus Over de Ketterijen (88e Deel). Dus valt het onder het gebod, dat men uit liefde handelt.

Sed contra est, quia quicumque non servat praeceptum, peccat mortaliter; si igitur modus charitatis cadat sub praecepto, sequitur, quod quicumque operatur aliquid, et non ex charitate, peccet mortaliter. Sed quicumque non habet charitatem, operatur non ex charitate; ergo sequitur, quod quicumque non habet charitatem, peccet mortaliter in omni opere, quod facit, quantumcumque sit de genere bonorum, quod est inconveniens.

Maar daartegenover staat, dat eenieder, die een gebod niet onderhoudt, een doodzonde doet. Indien het dus onder het gebod zou vallen, dat men uit liefde handelt, dan zou volgen, dat eenieder die iets doet, en dit niet uit liefde doet, een doodzonde doet. Welnu, alwie de liefde niet heeft, handelt niet uit liefde, en daaruit volgt, dat alwie de liefde niet heeft, een doodzonde doet bij al wat hij doet, hoe goed die daad op zichzelf ook is, wat echter niet aan te nemen is.

288Respondeo dicendum, quod circa hoc fuerunt contrariae opiniones. Quidam enim dixerunt absolute modum charitatis esse sub praecepto, nec est impossibile observare hoc praeceptum charitatem non habenti, quia potest se disponere ad hoc quod charitas ei infundatur a Deo. Nec quandocumque aliquis non habens charitatem facit aliquid de genere bonorum, peccat mortaliter, quia hoc est praeceptum affirmativum, ut ex charitate operetur, et non obligat ad semper, sed pro tempore illo, quo aliquis habet charitatem. Alii vero dixerunt, quod omnino modus charitatis non cadit sub praecepto.

288Leerstelling. — Hieromtrent echter liepen de meeningen uiteen. Sommigen immers hebben zonder meer gezegd, dat het onder het gebod valt, dat men uit liefde handelt, en dat het niet mogelijk is voor iemand zonder de liefde dit gebod te onderhouden, daar hij zich er toe kan voorbereiden, dat de liefde hem door God wordt ingestort. Ook doet iemand niet telkens een doodzonde, wanneer hij zonder liefde iets doet wat op zichzelf goed is, daar het gebod, dat men uit liefde moet handelen, een gebiedend gebod is, wat niet altijd verplicht, maar alleen dan, wanneer iemand de liefde heeft. Anderen echter hebben gezegd, dat het in het geheel niet onder de wet valt, dat men uit liefde moet handelen.288Leerstelling. — Hieromtrent echter liepen de meningen uiteen. Sommigen immers hebben zonder meer gezegd, dat het onder het gebod valt, dat men uit liefde handelt, en dat het niet mogelijk is voor iemand zonder de liefde dit gebod te onderhouden, daar hij zich er toe kan voorbereiden, dat de liefde hem door God wordt ingestort. Ook doet iemand niet telkens een doodzonde, wanneer hij zonder liefde iets doet wat op zichzelf goed is, daar het gebod, dat men uit liefde moet handelen, een gebiedend gebod is, wat niet altijd verplicht, maar alleen dan, wanneer iemand de liefde heeft. Anderen echter hebben gezegd, dat het in het geheel niet onder de wet valt, dat men uit liefde moet handelen.

Utrique autem quantum ad aliquid verum dixerunt : actus enim charitatis dupliciter considerari potest. Uno modo, secundum quod est quidam actus per se, et hoc modo cadit sub praecepto legis, quod de hoc specialiter datur, scilicet : « Diliges Dominum Deum tuum » et : « Diliges proximum tuum. » Et quantum ad hoc primi verum dixerunt : non enim est impossibile hoc praeceptum observare, quod est de actu charitatis, quia homo potest se disponere ad charitatem habendam, et quando habuerit eam, potest ea uti. Alio 289modo potest considerari actus charitatis, secundum quod est modus actuum aliarum virtutum, hoc est secundum quod actus aliarum virtutum ordinantur ad charitatem, quae est finis praecepti, ut dicitur 1. ad Tim. 1. [v. 5] ; dictum est enim supra [q. 12. art 4.], quod intentio finis est quidam modus formalis actus ordinati in finem; et hoc modo verum est, quod secundi dixerunt, quod modus charitatis non cadit sub praecepto. Hoc est dictum, quod in hoc praecepto : « Honora patrem » non includitur, quod honoretur pater ex charitate, sed solum quod honoretur pater, unde qui honorat patrem, licet non habeat charitatem, non efficitur transgressor hujus praecepti, etsi sit transgressor praecepti, quod est de actu charitatis; propter quam transgressionem meretur poenam.

Beiden nu hebben gedeeltelijk iets waars gezegd, want een liefdedaad kan men dubbel beschouwen : ten eerste voor zoover zij een daad is op zichzelf, en op die wijze valt zij onder het gebod van de wet, dat daaromtrent in het bijzonder gegeven is, nl.: « Gij zult den Heer uw God liefhebben », en : « Gij zult uw naaste liefhebben ». En voor zoover hebben de eersten de waarheid gezegd. Het is immers niet onmogelijk, dit gebod te onderhouden, dat gaat over de liefdedaad, omdat de mensch zich kan voorbereiden om de liefde te verkrijgen, en wanneer hij haar heeft, 289haar kan gebruiken. De liefde kan ten tweede beschouwd worden voor zoover zij aan de daden der andere deugden een bepaalde zijnswijze geeft, d. i. voor zoover de daden der andere deugden gericht zijn op de liefde, die het doel is van het gebod, zooals gezegd wordt in den Ien Brief aan Timotheus (1, 5). Hierboven (XIIe Kw., 4e Art.) immers is gezegd, dat de bedoeling van het doel een formeele zijnswijze geeft aan de daad, die op het doel gericht is. En in dit opzicht is het waar, wat de tweeden beweren, dat het niet valt onder het gebod, dat men uit liefde handelt. B. v. in dit voorschrift: « Eer uw vader » ligt niet opgesloten, dat de vader geëerd moet worden uit liefde, maar alleen, dat de vader geëerd moet worden. Vandaar is hij die zijn vader eert, ofschoon hij de liefde niet heeft, geen overtreder van dit gebod, ofschoon hij een overtreder is van het gebod, dat gaat over de liefdedaad, waarvan de overtreding straf verdient.Beiden nu hebben gedeeltelijk iets waars gezegd, want een liefdedaad kan men dubbel beschouwen: ten eerste voor zover zij een daad is op zichzelf, en op die wijze valt zij onder het gebod van de wet, dat daaromtrent in het bijzonder gegeven is, nl.: “Gij zult de Heer uw God liefhebben”, en: “Gij zult uw naaste liefhebben”. En voor zover hebben de eersten de waarheid gezegd. Het is immers niet onmogelijk, dit gebod te onderhouden, dat gaat over de liefdedaad, omdat de mens zich kan voorbereiden om de liefde te verkrijgen, en wanneer hij haar heeft, 289haar kan gebruiken. De liefde kan ten tweede beschouwd worden voor zover zij aan de daden van de andere deugden een bepaalde zijnswijze geeft, d.i. voor zover de daden van de andere deugden gericht zijn op de liefde, die het doel is van het gebod, zoals gezegd wordt in de 1e Brief aan Timoteüs (1, 5). Hierboven (12e Kw., 4e Art.) immers is gezegd, dat de bedoeling van het doel een formele zijnswijze geeft aan de daad, die op het doel gericht is. En in dit opzicht is het waar, wat de tweeden beweren, dat het niet valt onder het gebod, dat men uit liefde handelt. Bv. in dit voorschrift: “Eer uw vader” ligt niet opgesloten, dat de vader geëerd moet worden uit liefde, maar alleen, dat de vader geëerd moet worden. Vandaar is hij die zijn vader eert, ofschoon hij de liefde niet heeft, geen overtreder van dit gebod, ofschoon hij een overtreder is van het gebod, dat gaat over de liefdedaad, waarvan de overtreding straf verdient.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dominus non dixit : « Si vis ad vitam ingredi, serva unum mandatum », sed : « Serva omnia mandata », inter quae etiam continetur mandatum de dilectione Dei et proximi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer heeft niet gezegd : Indien gij het leven wilt ingaan, onderhoud dan één gebod, maar : Onderhoud àl de geboden, waaronder ook het gebod van de liefde tot God en den naaste valt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer heeft niet gezegd: Indien gij het leven wilt ingaan, onderhoud dan één gebod, maar: Onderhoud àl de geboden, waaronder ook het gebod van de liefde tot God en de naaste valt.

↑ bedenking 2

290Ad secundum dicendum, quod sub praecepto charitatis continetur, ut diligatur Deus ex toto corde; ad quod pertinet, ut omnia referantur in Deum; et ideo praeceptum charitatis implere homo non potest, nisi etiam omnia referantur in Deum. Sic ergo qui honorat parentes, tenetur ex charitate honorare, non ex vi hujus praecepti, quod est : « Honora parentes », sed ex vi hujus praecepti: « Diliges Dominum Deum tuum ex toto corde tuo »; et cum ista sint duo praecepta affirmativa non obligantia ad semper, possunt pro diversis temporibus obligare, et ita potest contingere, quod aliquis implens praeceptum de honoratione parentum, non tunc transgrediatur praeceptum de omissione modi charitatis.

2902. In het gebod van de liefde ligt opgesloten, dat wij God beminnen uit geheel ons hart, en daaruit volgt, dat alles tot God teruggebracht moet worden, en daarom kan de mensch het gebod der liefde niet volbrengen, tenzij hij ook alles tot God terugbrengt. In dien zin is hij, die zijn ouders eert, gehouden hen uit liefde te eeren, en niet krachtens het gebod : « Eer uw ouders », maar krachtens het gebod : « Gij zult den Heer uw God uit geheel uw hart liefhebben ». En daar dit twee gebiedende geboden zijn die niet altijd verplichten, kunnen zij een verplichting opleggen, die op verschillende tijden moet volbracht worden. Zoo kan het gebeuren, dat iemand wanneer hij het gebod over de vereering der ouders volbrengt, toch het gebod niet overtreedt, dat ons oplegt uit liefde te handelen.2902. In het gebod van de liefde ligt opgesloten, dat wij God beminnen uit geheel ons hart, en daaruit volgt, dat alles tot God teruggebracht moet worden, en daarom kan de mens het gebod van de liefde niet volbrengen, tenzij hij ook alles tot God terugbrengt. In die zin is hij, die zijn ouders eert, gehouden hen uit liefde te eren, en niet krachtens het gebod: “Eer uw ouders”, maar krachtens het gebod: “Gij zult de Heer uw God uit geheel uw hart liefhebben”. En daar dit twee gebiedende geboden zijn die niet altijd verplichten, kunnen zij een verplichting opleggen, die op verschillende tijden moet volbracht worden. Zo kan het gebeuren, dat iemand wanneer hij het gebod over de verering van de ouders volbrengt, toch het gebod niet overtreedt, dat ons oplegt uit liefde te handelen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod observare omnia praecepta legis homo non potest, nisi impleat praeceptum charitatis; quod non fit sine gratia, et ideo impossibile est, quod Pelagius dixit, hominem implere legem sine gratia.

3. Alle voorschriften der wet onderhouden kan de mensch niet, tenzij hij het gebod der liefde onderhoudt, wat niet gebeurt zonder de genade. Daarom is het onmogelijk wat Pelagius gezegd heeft, dat de mensch de Wet kan onderhouden zonder de genade.3. Alle voorschriften van de wet onderhouden kan de mens niet, tenzij hij het gebod van de liefde onderhoudt, wat niet gebeurt zonder de genade. Daarom is het onmogelijk wat Pelagius gezegd heeft, dat de mens de Wet kan onderhouden zonder de genade.

Articulus XI

Utrum convenienter alia moralia praecepta legis distinguantur praeter decalogum

[Supr. art. 3. et locis ibidem annotatis].
XIe Artikel

Moeten er buiten de Tien Geboden andere zedelijke voorschriften der Wet onderscheiden worden?Moeten er buiten de Tien Geboden andere zedelijke voorschriften van de Wet onderscheiden worden?

antwoord 1 ↓

291Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter distinguantur alia moralia praecepta legis praeter decalogum, quia, ut Dominus dicit Matth. 22 [v. 40], in duobus praeceptis charitatis pendet omnis lex et prophetae; sed haec duo praecepta explicantur per decem praecepta decalogi; ergo non oportet alia praecepta moralia tradere.

291Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de Tien Geboden geen andere zedelijke voorschriften der Wet onderscheiden worden. — 1. Immers, gelijk de Heer zegt bij Mattheus (22, 40), is geheel de Wet en de Profeten vervat in de beide voorschriften omtrent de liefde. Welnu die twee voorschriften worden door de Tien Geboden verklaard. Dus behoeven er geen andere voorschriften te zijn.291Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de Tien Geboden geen andere zedelijke voorschriften van de Wet onderscheiden worden. — 1. Immers, gelijk de Heer zegt bij Matteüs (22, 40), is geheel de Wet en de Profeten vervat in de beide voorschriften omtrent de liefde. Welnu die twee voorschriften worden door de Tien Geboden verklaard. Dus behoeven er geen andere voorschriften te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta moralia a judicialibus et caeremonialibus distinguuntur, ut dictum est [q. praec. art. 3. 4. et 5.] ; sed determinationes communium praeceptorum moralium pertinent ad judicialia et caeremonialia 292praecepta ; communia autem praecepta moralia sub decalogo continentur, vel etiam decalogo praesupponuntur, ut dictum est [art. 3. huj. q.] ; ergo inconvenienter traduntur alia praecepta moralia praeter decalogum.

2. De zedelijke voorschriften worden, gelijk hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 3e, 4e, 5e Art.), onderscheiden van de ceremonieel-voorschriften en van de rechtsregels. Welnu de nadere bepalingen van de algemeene zedelijke voorschriften vallen onder de ceremonieel-voorschriften en rechtsregels, terwijl de algemeene zedelijke voorschriften in de Tien Geboden vervat zijn, ofwel voor de Tien Geboden verondersteld worden, zooals hierboven gezegd 292is (3e Art.). Bijgevolg is het niet aan te nemen, dat er andere zedelijke voorschriften zijn buiten de Tien Geboden.2. De zedelijke voorschriften worden, gelijk hierboven gezegd is (99e Kw., 3e, 4e, 5e Art.), onderscheiden van de ceremonieel-voorschriften en van de rechtsregels. Welnu de nadere bepalingen van de algemene zedelijke voorschriften vallen onder de ceremonieel-voorschriften en rechtsregels, terwijl de algemene zedelijke voorschriften in de Tien Geboden vervat zijn, ofwel voor de Tien Geboden verondersteld worden, zoals hierboven gezegd 292is (3e Art.). Bijgevolg is het niet aan te nemen, dat er andere zedelijke voorschriften zijn buiten de Tien Geboden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, praecepta moralia sunt de actibus omnium virtutum, ut supra dictum est [art. 2. huj. q.] ; sicut igitur in lege ponuntur praecepta moralia praeter decalogum pertinentia ad latriam, liberalitatem, et misericordiam, et castitatem, ita etiam deberent poni aliqua praecepta pertinentia ad alias virtutes, puta ad fortitudinem, sobrietatem, et alia hujusmodi, quod tamen non invenitur; non ergo convenienter distinguuntur in lege alia praecepta moralia praeter decalogum.

3. Zooals hierboven gezegd is (Art. 2), hebben de zedelijke voorschriften betrekking op alle deugddaden. Gelijk er dus in de Wet zedelijke voorschriften gegeven worden buiten de Tien Geboden, die betrekking hebben op de vereering, de vrijgevigheid en de barmhartigheid en de reinheid, zoo moeten er ook enkele voorschriften zijn, die betrekking hebben op de andere deugden, b. v. op de sterkte, de soberheid, en dergelijke, wat echter niet gevonden wordt. Het is dus niet redelijk, dat er in de Wet andere zedelijke voorschriften onderscheiden worden buiten de Tien Geboden.3. Zoals hierboven gezegd is (Art. 2), hebben de zedelijke voorschriften betrekking op alle deugddaden. Gelijk er dus in de Wet zedelijke voorschriften gegeven worden buiten de Tien Geboden, die betrekking hebben op de verering, de vrijgevigheid en de barmhartigheid en de reinheid, zo moeten er ook enkele voorschriften zijn, die betrekking hebben op de andere deugden, bv. op de sterkte, de soberheid, en dergelijke, wat echter niet gevonden wordt. Het is dus niet redelijk, dat er in de Wet andere zedelijke voorschriften onderscheiden worden buiten de Tien Geboden.

Sed contra est, quod in Psal. 18 [v. 8] dicitur : « Lex Domini immaculata, convertens animas » ; sed per alia etiam moralia, quae decalogo superadduntur, homo conservatur absque macula peccati, et anima ejus ad Deum convertitur; ergo ad legem pertinebat etiam alia praecepta moralia tradere.

Maar daartegenover staat, dat in Psalm 18, 8, gezegd wordt: « De wet des Heeren is onbesmet, zij bekeert de zielen ». Welnu, ook door de andere zedelijke voorschriften, die bij de Tien Geboden bijgevoegd zijn, wordt de mensch bewaard van zondesmet, en wordt zijn ziel op God gericht. Dus behoorde het tot de Wet, ook andere zedelijke voorschriften te geven.Maar daartegenover staat, dat in Psalm 18, 8a, gezegd wordt: “De wet van de Heer is onbesmet, zij bekeert de zielen”. Welnu, ook door de andere zedelijke voorschriften, die bij de Tien Geboden bijgevoegd zijn, wordt de mens bewaard van zondesmet, en wordt zijn ziel op God gericht. Dus behoorde het tot de Wet, ook andere zedelijke voorschriften te geven.

293Respondeo dicendum, quod, sicut ex dictis patet [q. praec. art. 3. et 4.], praecepta judicialia et caeremonialia ex sola institutione vim habent, quia antequam instituerentur, non videatur referre utrum sic vel aliter fieret; sed praecepta moralia ex ipso dictamine naturalis rationis efficaciam habent, etiamsi numquam in lege statuantur.

293Leerstelling. — Gelijk uit het vroeger gezegde blijkt (XCIXe Kw., 3e en 4e Art.), ontleenen de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften alleen hun kracht aan de instelling, daar het er, vóór zij uitgevaardigd waren, niet op aan scheen te komen, of men zóó dan wel anders deed. De zedelijke voorschriften echter hebben kracht van wet door de uitspraak zelf van de natuurlijke rede, zelfs indien ze nooit door een wet zouden zijn bepaald.293Leerstelling. — Gelijk uit het vroeger gezegde blijkt (99e Kw., 3e en 4e Art.), ontlenen de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften alleen hun kracht aan de instelling, daar het er, vóór zij uitgevaardigd waren, niet op aan scheen te komen, of men zó dan wel anders deed. De zedelijke voorschriften echter hebben kracht van wet door de uitspraak zelf van de natuurlijke rede, zelfs indien ze nooit door een wet zouden zijn bepaald.

Horum autem triplex est gradus. Nam quaedam sunt communissima, et adeo manifesta, quod editione non indigent, sicut mandata de dilectione Dei et proximi, et alia hujusmodi, ut supra dictum est [art. 3. huj. q.], quae sunt quasi fines praeceptorum; unde in eis nullus potest errare secundum judicium rationis. Quaedam vero sunt magis determinata, quorum rationem statim quilibet etiam popularis potest de facili videre, et tamen quia in paucioribus circa hujusmodi contingit judicium humanum perverti, hujusmodi editione indigent; et haec sunt praecepta decalogi. Quaedam vero sunt, quorum ratio non est adeo cuilibet manifesta, sed solum sapientibus; et ista sunt praecepta moralia superaddita decalogo, tradita a Deo populo per Moysen et Aaron.

Met betrekking tot die voorschriften echter zijn er drie graden. Sommige immers zijn uiterst algemeen, en zóó klaarblijkelijk, dat ze geen bekendmaking noodig hebben, zooals de voorschriften omtrent de liefde tot God en den naaste, en dergelijke (gelijk hierboven gezegd is, 3e Art.). Die zijn als het ware het doel van de geboden, en vandaar kan niemand er in dwalen door de uitspraak van de rede. Andere echter zijn meer bepaald, wier begrip terstond door iedereen, zelfs door het gewone volk, gemakkelijk begrepen kan worden. Deze echter hebben een bekendmaking noodig, omdat het kan gebeuren, dat de menschelijke uitspraak in sommige gevallen valsch is. Deze zijn de voorschriften der Tien Geboden. Weer andere echter zijn er, wier begrip niet voor 294iedereen zoo duidelijk is, maar alleen voor wijze menschen. Deze zijn de zedelijke voorschriften, die aan de Tien Geboden zijn toegevoegd en aan het volk overgeleverd zijn door Mozes en Aäron.Met betrekking tot die voorschriften echter zijn er drie graden. Sommige immers zijn uiterst algemeen, en zó klaarblijkelijk, dat ze geen bekendmaking nodig hebben, zoals de voorschriften omtrent de liefde tot God en de naaste, en dergelijke (gelijk hierboven gezegd is, 3e Art.). Die zijn als het ware het doel van de geboden, en vandaar kan niemand er in dwalen door de uitspraak van de rede. Andere echter zijn meer bepaald, wier begrip terstond door iedereen, zelfs door het gewone volk, gemakkelijk begrepen kan worden. Deze echter hebben een bekendmaking nodig, omdat het kan gebeuren, dat de menselijke uitspraak in sommige gevallen vals is. Deze zijn de voorschriften van de Tien Geboden. Weer andere echter zijn er, wier begrip niet voor 294iedereen zo duidelijk is, maar alleen voor wijze mensen. Deze zijn de zedelijke voorschriften, die aan de Tien Geboden zijn toegevoegd en aan het volk overgeleverd zijn door Mozes en Aäron.

294Sed quia ea, quae sunt manifesta, sunt principia cognoscendi eorum, quae non sunt manifesta, alia praecepta moralia superaddita decalogo reducuntur ad praecepta decalogi per modum cujusdam additionis ad ipsa; nam in primo praecepto decalogi prohibetur cultus alienorum deorum, cui superadduntur alia prohibitiva eorum, quae ordinantur in cultum idolorum; sicut habetur Deut. 18 [v. 10 sqq.] : « Non inveniatur in te, qui lustret filium suum, aut filiam, ducens per ignem; nec sit maleficus, nec incantator; nec Pythones consulat, neque divinos, et quaerat a mortuis veritatem. » Secundum autem praeceptum prohibet perjurium; superadditur autem ei prohibitio blasphemiae Lev. 14 [v. 15 sqq.], et prohibitio falsae doctrinae Deut. 13. Tertio vero praecepto superadduntur omnia caeremonialia. Quarto autem praecepto de honore parentum superadditur praeceptum de honoratione senum, secundum illud Levit. 19 [v. 32] : « Coram cano capite consurge, et honora personam senis », et universaliter omnia praecepta inducentia ad reverentiam exhibendam majoribus; vel ad beneficia exhibenda, vel aequalibus, vel minoribus. 295Quinto autem praecepto, quod est de prohibitione homicidii, additur prohibitio odii et cujuslibet violationis contra proximum, sicut illud Levit. 19 [v. 16] : « Non stabis contra sanguinem proximi tui », et etiam prohibitio odii fratris, secundum illud Lev. 19 [v. 17] : « Ne oderis fratrem tuum in corde tuo. » Praecepto autem sexto, quod est de prohibitione adulterii, superadditur praeceptum de prohibitione meretricii, secundum illud Deuter. 23 [v. 17] : « Non erit meretrix de filiabus Israël neque fornicator de filiis Israël », et iterum prohibitio vitii contra naturam, secundam illud Levit. 18 [v. 22 sqq.] : « Cum masculo non commisceberis, cum omni pecore non coibis. » Septimo autem praecepto de prohibitione furti adjungitur praeceptum de prohibitione usurae, secundum illud Deut. 23 [v. 19] : « Non foeneraberis fratri tuo ad usuram », et prohibitio fraudis, secundum illud Deuter. 25 [v. 13] : « Non habebis in sacculo diversa pondera », et universaliter omnia, quae ad prohibitionem calumniae et rapinae pertinent. Octavo vero praecepto, quod est de prohibitione falsi testimonii, additur prohibitio falsi judicii, secundum illud 296Exod. 23 [v. 2] : « Nec in judicio plurimorum acquiesces sententiae, ut a veritate devies », et prohibitio mendacii, sicut ibi subditur : « Mendacium fugies », et prohibitio detractionis, secundum illud Levit. 19 [v. 16] : « Non eris criminator et susurro in populis ». Aliis autem duobus praeceptis nulla alia adjunguntur, quia per ea universaliter omnis mala concupiscentia prohibetur.

Maar omdat alles wat klaarblijkelijk is, een kenbeginsel is van wat niet klaarblijkelijk is, daarom worden de andere zedelijke voorschriften, die aan de Tien Geboden zijn toegevoegd, bij wijze van bijvoeging tot de Tien Geboden herleid. Want in het eerste der Tien Geboden wordt de eeredienst der vreemde goden verboden, waaraan andere voorschriften worden toegevoegd, die datgene verbieden wat op den afgodendienst gericht is, zooals in Deuteronomium (18, 10 v. v.) staat : « Er worde onder U niemand gevonden, die zijn zoon of zijn dochter toewijdt door hem door het vuur te laten gaan; en niemand zij toovenaar noch bezweerder, en niemand raadplege orakels en wichelaars, of vorsche naar de waarheid bij de dooden ». Het tweede gebod echter verbiedt den meineed. Er wordt evenwel aan toegevoegd het verbod van godslastering, Leviticus (14, 15 vv.), en het verbod van valsche leer, Deuteronomium (13). Aan het derde gebod echter worden al de ceremonieel-voorschriften toegevoegd. Aan het vierde, 295over de vereering der ouders, wordt het gebod van de vereering der ouderen toegevoegd, overeenkomstig Leviticus (19, 32): «Rijs op voor een wit hoofd, en eer den persoon des grijsaards », en ook al de voorschriften, die leiden tot den eerbied voor de meerderen of tot dienstbetoon, aan gelijken zoowel als aan minderen. Aan het vijfde gebod echter, dat doodslag verbiedt, wordt toegevoegd het verbod van haat en van iedere geweldpleging tegen den naaste, volgens het woord van Leviticus (19, 16) : « Gij zult U niet stellen tegen het bloed van uwen naaste »; en ook het verbod van broederhaat, volgens Leviticus (19, 17) : « Gij zult uw broeder in uw hart niet haten ». Aan het zesde gebod evenwel, dat overspel verbiedt, wordt het voorschrift toegevoegd, dat de prostitutie verbiedt, naar het woord van Deuteronomium (23, 17): « Geen geprostitueerde zal er zijn onder de dochters van Israël, en geen hoereerder onder de zonen van Israël », en eveneens het verbod van de zonde tegen de natuur, volgens Leviticus (18, 22 v.) : « Met een man zult gij niet verzamen, met geenerlei dier zult gij verzamen ». Aan het zevende gebod echter, waardoor diefstal verboden wordt, wordt toegevoegd het verbod van leenrente, naar Deuteronomium (23, 19) : « Gij zult aan uwen 296broeder niet op winst leenen », en het verbod van bedrog, overeenkomstig Deuteronomium (25, 13) : « Gij zult in den buidel geen verschillende gewichten hebben », en in het algemeen alles, wat onder het verbod van bedrog en roof valt. Aan het achtste gebod echter, dat de valsche getuigenis verbiedt, wordt het verbod toegevoegd van de valsche rechtspraak, volgens het woord uit Exodus (23, 2) : « Gij zult U in het gericht niet naar de meening der meesten schikken met afwijking van de waarheid », en het verbod van de leugens, naar het woord van Exodus (t. a. pl.) : « De leugen zult gij vluchten », en het verbod van den laster, volgens het woord van Leviticus (19, 16) : « Gij zult geen lasteraar en oorblazer onder het volk zijn ». Aan de overige twee geboden worden geen andere voorschriften toegevoegd, omdat daardoor in het algemeen iedere kwade begeerte wordt verboden.Maar omdat alles wat klaarblijkelijk is, een kenbeginsel is van wat niet klaarblijkelijk is, daarom worden de andere zedelijke voorschriften, die aan de Tien Geboden zijn toegevoegd, bij wijze van bijvoeging tot de Tien Geboden herleid. Want in het eerste van de Tien Geboden wordt de eredienst van de vreemde goden verboden, waaraan andere voorschriften worden toegevoegd, die datgene verbieden wat op de afgodendienst gericht is, zoals in Deuteronomium (18, 10 v. v.) staat: “Er worde onder U niemand gevonden, die zijn zoon of zijn dochter toewijdt door hem door het vuur te laten gaan; en niemand zij tovenaar noch bezweerder, en niemand raadplege orakels en wichelaars, of vorse naar de waarheid bij de doden”. Het tweede gebod echter verbiedt de meineed. Er wordt evenwel aan toegevoegd het verbod van godslastering, Leviticus (14, 15 vv.), en het verbod van valse leer, Deuteronomium (13). Aan het derde gebod echter worden al de ceremonieel-voorschriften toegevoegd. Aan het vierde, 295over de verering van de ouders, wordt het gebod van de verering van de ouderen toegevoegd, overeenkomstig Leviticus (19, 32): “Rijs op voor een wit hoofd, en eer de persoon van de grijsaard”, en ook al de voorschriften, die leiden tot de eerbied voor de meerderen of tot dienstbetoon, aan gelijken zowel als aan minderen. Aan het vijfde gebod echter, dat doodslag verbiedt, wordt toegevoegd het verbod van haat en van iedere geweldpleging tegen de naaste, volgens het woord van Leviticus (19, 16): “Gij zult U niet stellen tegen het bloed van uw naaste”; en ook het verbod van broederhaat, volgens Leviticus (19, 17): “Gij zult uw broeder in uw hart niet haten”. Aan het zesde gebod evenwel, dat overspel verbiedt, wordt het voorschrift toegevoegd, dat de prostitutie verbiedt, naar het woord van Deuteronomium (23, 17): “Geen geprostitueerde zal er zijn onder de dochters van Israël, en geen hoereerder onder de zonen van Israël”, en eveneens het verbod van de zonde tegen de natuur, volgens Leviticus (18, 22 v.): “Met een man zult gij niet verzamen, met generlei dier zult gij verzamen”. Aan het zevende gebod echter, waardoor diefstal verboden wordt, wordt toegevoegd het verbod van leenrente, naar Deuteronomium (23, 19): “Gij zult aan uw 296broeder niet op winst lenen”, en het verbod van bedrog, overeenkomstig Deuteronomium (25, 13): “Gij zult in de buidel geen verschillende gewichten hebben”, en in het algemeen alles, wat onder het verbod van bedrog en roof valt. Aan het achtste gebod echter, dat de valse getuigenis verbiedt, wordt het verbod toegevoegd van de valse rechtspraak, volgens het woord uit Exodus (23, 2): “Gij zult U in het gericht niet naar de mening van de meesten schikken met afwijking van de waarheid”, en het verbod van de leugens, naar het woord van Exodus (t.a.p.): “De leugen zult gij vluchten”, en het verbod van de laster, volgens het woord van Leviticus (19, 16): “Gij zult geen lasteraar en oorblazer onder het volk zijn”. Aan de overige twee geboden worden geen andere voorschriften toegevoegd, omdat daardoor in het algemeen iedere kwade begeerte wordt verboden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ad dilectionem Dei et proximi ordinantur quaedam praecepta decalogi secundum manifestam rationem debiti; alio vero secundum rationem magis occultam.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Eenige voorschriften der Tien Geboden zijn gericht op de liefde tot God en den naaste door het klaarblijkelijk karakter van de verplichting, andere echter om meer verborgen redenen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Enige voorschriften van de Tien Geboden zijn gericht op de liefde tot God en de naaste door het klaarblijkelijk karakter van de verplichting, andere echter om meer verborgen redenen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod praecepta caeremonialia et judicialia sunt determinativa praeceptorum decalogi ex vi institutionis, non autem ex vi naturalis instinctus, sicut praecepta moralia superaddita.

2. De ceremonieel-voorschriften en rechtsregels zijn nadere omschrijvingen van de voorschriften der Tien Geboden krachtens 297de instelling, echter niet krachtens een natuurlijk instinct, zooals de bijgevoegde zedelijke voorschriften.2. De ceremonieel-voorschriften en rechtsregels zijn nadere omschrijvingen van de voorschriften van de Tien Geboden krachtens 297de instelling, echter niet krachtens een natuurlijk instinct, zoals de bijgevoegde zedelijke voorschriften.

↑ bedenking 3

297Ad tertium dicendum, quod praecepta legis ordinantur ad bonum commune, ut supra dictum est [q. 90. art. 2.] ; et quia virtutes ordinantes ad alium directe pertinent ad bonum commune, et similiter virtus castitatis, inquantum actus generationis deservit bono communi speciei, ideo de istis virtutibus directe dantur praecepta decalogi, et superaddita. De actu autem fortitudinis datur praeceptum proponendum per duces exhortantes in bello, quod pro bono communi suscipitur; ut patet Deut. 20 [v. 3], ubi mandatur Sacerdoti : « Nolite metuere, nolite cedere. » Similiter etiam actus gulae prohibendus committitur monitioni paternae, quia contrariatur bono domestico, unde dicitur Deut. 21 [v. 20] ex persona parentum : « Monita nostra audire contemnit, comessationibus vacat, et luxuriae, atque conviviis. »

3. Gelijk hierboven (XCe Kw., 2e Art.) gezegd is, zijn de voorschriften der Wet gericht op het algemeen welzijn. Omdat nu de deugden, die onze verhouding tot anderen regelen, direct gericht zijn op het algemeen welzijn, en evenzoo de deugd van zuiverheid, in zoover de voortplantingsdaad ondergeschikt is aan het algemeene belang van het geslacht, daarom worden er voor deze deugden directe voorschriften gegeven, zoowel in de Tien Geboden als bijgevoegde. Voor de daad van sterkte echter wordt een voorschrift gegeven, dat moet voorgehouden worden door de veldheeren, die in den oorlog opwekken, die voor het algemeen welzijn wordt gevoerd, wat blijkt uit Deuteronomium (20, 3), waar aan de priesters bevolen wordt: « Vreest niet, wijkt niet ». Evenzoo wordt het aan de vermaning van den vader overgelaten, de gulzigheid te verbieden, omdat ze in strijd is met het huiselijk belang. Vandaar wordt er in Deuteronomium (21, 20) in naam der ouders gezegd : « Naar onze vermaningen weigert hij te luisteren, hij geeft zich over aan slemppartijen en wellustigheid en feestgelagen. ».3. Gelijk hierboven (90e Kw., 2e Art.) gezegd is, zijn de voorschriften van de Wet gericht op het algemeen welzijn. Omdat nu de deugden, die onze verhouding tot anderen regelen, direct gericht zijn op het algemeen welzijn, en evenzo de deugd van zuiverheid, in zover de voortplantingsdaad ondergeschikt is aan het algemene belang van het geslacht, daarom worden er voor deze deugden directe voorschriften gegeven, zowel in de Tien Geboden als bijgevoegde. Voor de daad van sterkte echter wordt een voorschrift gegeven, dat moet voorgehouden worden door de veldheren, die in de oorlog opwekken, die voor het algemeen welzijn wordt gevoerd, wat blijkt uit Deuteronomium (20, 3), waar aan de priesters bevolen wordt: “Vreest niet, wijkt niet”. Evenzo wordt het aan de vermaning van de vader overgelaten, de gulzigheid te verbieden, omdat ze in strijd is met het huiselijk belang. Vandaar wordt er in Deuteronomium (21, 20) in naam van de ouders gezegd: “Naar onze vermaningen weigert hij te luisteren, hij geeft zich over aan slemppartijen en wellustigheid en feestgelagen.”.

Articulus XII

Utrum praecepta moralia veteris legis justificarent

[Supr. q. 98. art. 1. et infr. q. 103. art 2. et 3. Dist. 40. art. 3.],
XIIe Artikel

Maakten de geboden der Oude Wet rechtvaardig?Maakten de geboden van de Oude Wet rechtvaardig?

antwoord 1 ↓

298Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod praecepta moralia veteris legis justificarent : dicit enim Apostolus Rom. 2. [v. 13] : « Non enim auditores legis justi sunt apud Deum, sed factores legis justificabuntur »; sed factores legis dicuntur, qui implent praecepta legis; ergo praecepta legis adimpleta justificabant.

298Bedenkingen. — Men beweert, dat de geboden der Oude Wet rechtvaardig maken. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (2, 13) : « Niet immers die de Wet hooren voorlezen zijn gerechtigd bij God, maar die de Wet naleven, zullen gerechtvaardigd worden ». Welnu nalevers der wet worden zij genoemd, die de geboden der wet vervullen. Dus maakte het nakomen van de geboden der wet rechtvaardig.298Bedenkingen. — Men beweert, dat de geboden van de Oude Wet rechtvaardig maken. — 1. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Romeinen (2, 13): “Niet immers die de Wet horen voorlezen zijn gerechtigd bij God, maar die de Wet naleven, zullen gerechtvaardigd worden”. Welnu nalevers van de wet worden zij genoemd, die de geboden van de wet vervullen. Dus maakte het nakomen van de geboden van de wet rechtvaardig.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Lev. 18. [v. 5.] dicitur : « Custodite leges meas atque judicia, quae faciens homo vivet in eis » ; sed vita spiritualis hominis est per justitiam; ergo praecepta legis adimpleta justificabant.

2. In Leviticus (18, 5) wordt gezegd : « Onderhoudt mijne wetten én rechten; de mensch die ze vervult, zal daardoor leven ». Welnu het geestelijk leven van den mensch is door de gerechtigheid, en bijgevolg maakte het vervullen van de geboden der Wet rechtvaardig.2. In Leviticus (18, 5) wordt gezegd: “Onderhoudt mijn wetten én rechten; de mens die ze vervult, zal daardoor leven”. Welnu het geestelijk leven van de mens is door de gerechtigheid, en bijgevolg maakte het vervullen van de geboden van de Wet rechtvaardig.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex divina efficacior est, quam lex humana; sed lex humana justificat : est enim quaedam justitia in hoc, quod praecepta legis adimplentur; ergo praecepta legis justificabant.

3. De goddelijke wet is werkdadiger dan de menschelijke wet. Welnu de menschelijke wet maakt rechtvaardig : er is immers een zekere rechtvaardigheid in, dat de voorschriften der wet vervuld worden. Dus maakten de voorschriften der Wet rechtvaardig.3. De goddelijke wet is werkdadiger dan de menselijke wet. Welnu de menselijke wet maakt rechtvaardig: er is immers een zekere rechtvaardigheid in, dat de voorschriften van de wet vervuld worden. Dus maakten de voorschriften van de Wet rechtvaardig.

299Sed contra est, quod Apostolus dicit 2. ad Cor. 3. [v. 6.] : « Litera occidit », quod secundum Augustinum in lib. de Spiritu et Litera [cap. 14.] intelligitur etiam de praeceptis moralibus; ergo praecepta moralia non justificabant.

299Maar daartegenover staat, dat de Apostel zegt in den IIn Brief aan de Corinthiërs (3, 6) : « De letter maakt dood », wat volgens Augustinus (Over de Geest en de Letter, XIVe H.) ook verstaan moet worden van de zedelijke voorschriften. Dus maken de zedelijke voorschriften niet rechtvaardig.299Maar daartegenover staat, dat de Apostel zegt in de 2e Brief aan de Korintiërs (3, 6): “De letter maakt dood”, wat volgens Augustinus (Over de Geest en de Letter, 14e H.) ook verstaan moet worden van de zedelijke voorschriften. Dus maken de zedelijke voorschriften niet rechtvaardig.

Respondeo dicendum, quod sicut sanum proprie et primo dicitur quod habet sanitatem, per posterius autem quod significat sanitatem, vel quod conservat sanitatem, ita justificatio primo et proprie dicitur ipsa factio justitiae, secundario vero et quasi improprie potest dici justificatio significatio justitiae, vel dispositio ad justitiam.

Leerstelling. — Evenals gezond eigenlijk en vóór alles gezegd wordt van datgene, wat gezondheid heeft, en op de tweede plaats van wat een teeken van gezondheid is, of van wat de gezondheid in stand houdt, zoo ook wordt rechtvaardigmaking vóór alles en eigenlijk gezegd van het rechtvaardig maken zelf, en verder op de tweede plaats en oneigenlijk van een teeken of van de voorbereiding tot de rechtvaardigmaking.Leerstelling. — Evenals gezond eigenlijk en vóór alles gezegd wordt van datgene, wat gezondheid heeft, en op de tweede plaats van wat een teken van gezondheid is, of van wat de gezondheid in stand houdt, zo ook wordt rechtvaardigmaking vóór alles en eigenlijk gezegd van het rechtvaardig maken zelf, en verder op de tweede plaats en oneigenlijk van een teken of van de voorbereiding tot de rechtvaardigmaking.

Quibus duobus modis manifestum est quod praecepta legis justificabant, inquantum scilicet disponebant homines ad gratiam Christi justificantem, quam etiam significabant, quia, sicut dicit Augustinus contra Faustum [lib. 22. cap. 24.], etiam vita illius populi prophetica erat, et Christi figurativa.

Het is klaarblijkelijk, dat de geboden van de Wet op twee manieren rechtvaardig maakten, nl. voor zoover ze de menschen voorbereiden op de rechtvaardigmakende genade van Christus welke zij ook beteekenden, want ook het leven van dit volk was profetisch, en was een aanduiding van Christus, zooals Augustinus zegt in zijn boek Tegen Faustus (XXIIe B., XXIVe H.).Het is klaarblijkelijk, dat de geboden van de Wet op twee manieren rechtvaardig maakten, nl. voor zover ze de mensen voorbereiden op de rechtvaardigmakende genade van Christus welke zij ook betekenden, want ook het leven van dit volk was profetisch, en was een aanduiding van Christus, zoals Augustinus zegt in zijn boek Tegen Faustus (22e B., 24e H.).

300Sed si loquamur de justificatione proprie dicta, sic considerandum est, quod justitia potest accipi prout est in habitu, vel prout est in actu. Et secundum hoc justificatio dupliciter dicitur; uno quidem modo, secundum quod homo fit justus adipiscens habitum justitiae; alio vero modo, secundum quod opera justitiae operatur, ut secundum hoc justificatio nihil aliud sit, quam justitiae executio.

300Spreken we echter van de eigenlijke rechtvaardigmaking, dan moet in overweging genomen worden, dat de rechtvaardigheid kan genomen worden, ofwel zooals zij in de hebbelijkheid is, ofwel zooals zij in akt is, en overeenkomstig daarmee wordt rechtvaardigmaking op twee manieren gezegd. Ten eerste, naar dat de mensch rechtvaardig wordt door het verkrijgen van de hebbelijkheid van rechtvaardigheid; ten tweede, voor zoover hij werken van gerechtigheid doet, en volgens dat is de rechtvaardigheid niets anders dan de uitvoering der rechtvaardigheid.300Spreken we echter van de eigenlijke rechtvaardigmaking, dan moet in overweging genomen worden, dat de rechtvaardigheid kan genomen worden, ofwel zoals zij in de hebbelijkheid is, ofwel zoals zij in act is, en overeenkomstig daarmee wordt rechtvaardigmaking op twee manieren gezegd. Ten eerste, naar dat de mens rechtvaardig wordt door het verkrijgen van de hebbelijkheid van rechtvaardigheid; ten tweede, voor zover hij werken van gerechtigheid doet, en volgens dat is de rechtvaardigheid niets anders dan de uitvoering van de rechtvaardigheid.

Justitia autem, sicut et aliae virtutes, potest accipi et acquisita, et infusa, ut ex supradictis patet [q. 63. art. 4.]. Acquisita quidem causatur ex operibus, sed infusa causatur ab ipso Deo per ejus gratiam; et haec est vera justitia, de qua nunc loquimur, secundum quam aliquis dicitur justus apud Deum, secundum illud Rom. 4. [v. 2.] : « Si Abraham ex operibus legis justificatus est, habet gloriam, sed non apud Deum. » Haec igitur justitia causari non poterat per praecepta moralia, quae sunt de actibus humanis, et secundum hoc praecepta moralia justificare non poterant justitiam causando : illa enim Sacramenta veteris legis gratiam non 301conferebant, sicut conferunt Sacramenta novae legis, quae propter hoc justificare dicuntur. 1.

De rechtvaardigheid nu, gelijk ook de andere deugden, kan ofwel als aangeworven, ofwel als ingestort genomen worden, gelijk uit het vroeger gezegde blijkt (LXIIIe Kw., 4e Art.). De aangeworven rechtvaardigheid wordt veroorzaakt door de werken, maar de ingestorte wordt door God zelf door zijn genade veroorzaakt; en dit is de echte rechtvaardigheid, waarover wij nu spreken, volgens welke iemand gerechtig genoemd wordt bij God, overeenkomstig de woorden uit den Brief aan de Romeinen (4, 2) : « Als Abraham krachtens de werken gerechtig geworden is, dan mag hij roemen, maar niet tegenover God ». Deze gerechtigheid kon bijgevolg niet door zedelijke voorschriften 301veroorzaakt worden, die betrekking hebben op de menschelijke daden, en daarom konden de zedelijke voorschriften niet rechtvaardigmaken, door de gerechtigheid te veroorzaken. De sacramenten immers der Oude Wet deelden de genade niet mede, zooals de sacramenten der Nieuwe Wet, die juist daarom oorzaak van rechtvaardigmaking genoemd worden, in zoover ze de rechtvaardigheid voortbrengen.De rechtvaardigheid nu, gelijk ook de andere deugden, kan ofwel als aangeworven, ofwel als ingestort genomen worden, gelijk uit het vroeger gezegde blijkt (63e Kw., 4e Art.). De aangeworven rechtvaardigheid wordt veroorzaakt door de werken, maar de ingestorte wordt door God zelf door zijn genade veroorzaakt; en dit is de echte rechtvaardigheid, waarover wij nu spreken, volgens welke iemand gerechtig genoemd wordt bij God, overeenkomstig de woorden uit de Brief aan de Romeinen (4, 2): “Als Abraham krachtens de werken gerechtig geworden is, dan mag hij roemen, maar niet tegenover God”. Deze gerechtigheid kon bijgevolg niet door zedelijke voorschriften 301veroorzaakt worden, die betrekking hebben op de menselijke daden, en daarom konden de zedelijke voorschriften niet rechtvaardigmaken, door de gerechtigheid te veroorzaken. De sacramenten immers van de Oude Wet deelden de genade niet mede, zoals de sacramenten van de Nieuwe Wet, die juist daarom oorzaak van rechtvaardigmaking genoemd worden, in zover ze de rechtvaardigheid voortbrengen.

Si vero accipiatur justificatio pro executione justitiae, sic omnia praecepta legis justificabant, inquantum continebant illud, quod est secundum se justum, aliter tamen et aliter, nam praecepta caeremonialia continebant quidem justitiam secundum se in generali, prout scilicet exhibebantur in cultum Dei; in speciali vero non continebant secundum se justitiam, nisi ex sola determinatione legis divinae. Et ideo de hujusmodi praeceptis dicitur, quod non justificabant, nisi ex devotione et obedientia facientium.

Indien rechtvaardigmaking echter genomen wordt voor de uitoefening der rechtvaardigheid, dan maakten al de geboden der Wet rechtvaardig, voor zoover ze datgene bevatten, wat op zich zelf rechtvaardig is, echter niet op gelijke wijze. Want de ceremonieel-voorschriften omvatten wel de rechtvaardigheid uit zich zelf in het algemeen, in zoover ze nl. bij den eeredienst van God worden aangewend; maar in het bijzondere bevatten ze niet de rechtvaardigheid uit zich zelf, maar alleen door een nadere bepaling der goddelijke wet. Daarom wordt er van die voorschriften gezegd, dat zij niet rechtvaardig maakten, tenzij om den eerbied en de gehoorzaamheid dergenen, die ze volbrachten.Indien rechtvaardigmaking echter genomen wordt voor de uitoefening van de rechtvaardigheid, dan maakten al de geboden van de Wet rechtvaardig, voor zover ze datgene bevatten, wat op zichzelf rechtvaardig is, echter niet op gelijke wijze. Want de ceremonieel-voorschriften omvatten wel de rechtvaardigheid uit zichzelf in het algemeen, in zover ze nl. bij de eredienst van God worden aangewend; maar in het bijzondere bevatten ze niet de rechtvaardigheid uit zichzelf, maar alleen door een nadere bepaling van de goddelijke wet. Daarom wordt er van die voorschriften gezegd, dat zij niet rechtvaardig maakten, tenzij om de eerbied en de gehoorzaamheid dergenen, die ze volbrachten.

Praecepta vero moralia et judicialia continebant id, quod erat secundum se justum, vel in generali, vel etiam in speciali; sed moralia praecepta continebant id, quod est secundum se justum secundum justitiam generalem, quae est omnis virtus, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.]. Praecepta vero judicialia 302pertinebant ad justitiam specialem, quae consistit circa contractus humanae vitae, qui sunt inter homines ad invicem.

De zedelijke voorschriften echter en de rechtsregels bevatten datgene, wat uit zichzelf rechtvaardig is, ofwel in het algemeen 302of ook in het bijzonder; maar de zedelijke voorschriften bevatten datgene, wat uit zichzelf rechtvaardig is volgens de algemeene rechtvaardigheid, die heel de deugd is, gelijk gezegd wordt in het Ve Boek der Ethica (Ie H., Nr 15). De rechtsregels daarentegen behoorden tot de bijzondere rechtvaardigheid, die betrekking heeft op de overeenkomsten, die in de menschelijke samenleving tusschen de menschen gesloten worden.De zedelijke voorschriften echter en de rechtsregels bevatten datgene, wat uit zichzelf rechtvaardig is, ofwel in het algemeen 302of ook in het bijzonder; maar de zedelijke voorschriften bevatten datgene, wat uit zichzelf rechtvaardig is volgens de algemene rechtvaardigheid, die heel de deugd is, gelijk gezegd wordt in het 5e Boek van de Ethica (1e H., Nr 15). De rechtsregels daarentegen behoorden tot de bijzondere rechtvaardigheid, die betrekking heeft op de overeenkomsten, die in de menselijke samenleving tussen de mensen gesloten worden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Apostolus accipit ibi justificationem pro executione justitiae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Apostel neemt daar de rechtvaardigmaking in den zin van de uitvoering van de rechtvaardigheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Apostel neemt daar de rechtvaardigmaking in de zin van de uitvoering van de rechtvaardigheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod homo faciens praecepta legis dicitur vivere in eis, quia non incurrebat poenam mortis, quam lex transgressoribus infligebat, in quo sensu inducit hoc Apostolus ad Gal. 3. [v. 12.].

2. Men zegt, dat de mensch, die de geboden der Wet volbrengt daardoor leeft, omdat hij de doodstraf niet inliep, die de Wet voor de overtreders bepaald had, en in dien zin haalt de Apostel dit aan in zijn Brief aan de Galaten (3, 12).2. Men zegt, dat de mens, die de geboden van de Wet volbrengt daardoor leeft, omdat hij de doodstraf niet inliep, die de Wet voor de overtreders bepaald had, en in die zin haalt de Apostel dit aan in zijn Brief aan de Galaten (3, 12).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod praecepta legis humanae justificant justitia acquisita, de qua non quaeritur ad praesens, sed solum de justitia, quae est apud Deum.

3. De voorschriften der menschelijke wet maken rechtvaardig door de verworven gerechtigheid, waarover nu niet gehandeld wordt, maar alleen over de gerechtigheid, die bij God is.3. De voorschriften van de menselijke wet maken rechtvaardig door de verworven gerechtigheid, waarover nu niet gehandeld wordt, maar alleen over de gerechtigheid, die bij God is.