Theologische Summa · Prima Secundae · De Oude WetSumma · I-II · De Oude WetSumma · I-II · Kw. 104Kw. 104
Quaestio CIV

De praeceptis judicialibus

Kwestie 104

Over de rechtsregels

(Vier Artikelen)

475Consequenter considerandum est de praeceptis judicialibus, et primo considerandum de ipsis in communi, secundo de rationibus eorum. Circa primum quaerentur quatuor : 1. Quae sunt judicialia praecepta. — 2. Utrum sint figuralia. — 3. De duratione eorum. — 4. De distinctione eorum.

475Konsekwent moet er nu gehandeld worden over de rechtsregels, en wel ten eerste in het algemeen; ten tweede over hun reden van bestaan. Met betrekking tot het eerste, worden vier vragen gesteld : 1) Wat zijn rechtsregels? 2) Zijn zij figuurlijk? 3) Over hun duur. 4) Over hun onderscheid.475Consequent moet er nu gehandeld worden over de rechtsregels, en wel ten eerste in het algemeen; ten tweede over hun reden van bestaan. Met betrekking tot het eerste, worden vier vragen gesteld: 1. Wat zijn rechtsregels? 2. Zijn zij figuurlijk? 3. Over hun duur. 4. Over hun onderscheid.

Articulus I

Utrum ratio praeceptorum judicialium consistat in hoc, quod sunt ordinantia ad proximum

[Supr. q. 99. art. 4. et locis ibi inductis].
Ie Artikel

Bestaat het wezen der rechtsregels hierin, dat zij tot den naaste geordend zijn?Bestaat het wezen van de rechtsregels hierin, dat zij tot de naaste geordend zijn?

antwoord 1 ↓

476Ad primum sic proceditur. Videtur, quod ratio praeceptorum judicialium non consistat in hoc, quod sunt ordinantia ad proximum : judicialia enim praecepta a judicio dicuntur; sed multa sunt alia, quibus homo ad proximum ordinatur, quae non pertinent ad ordinationem judiciorum; non ergo praecepta judicialia dicuntur, quibus homo ordinatur ad proximum.

476Bedenkingen. — Men beweert, dat het wezen der rechtsregels niet bestaat in de ordening tot den naaste. — 1. Rechtsregels immers worden afgeleid van gericht. Welnu er zijn veel andere zaken, waardoor de mensch tot zijn naaste geordend wordt, die niet vallen onder de verorderingen van een gericht. Dus worden de rechtsregels niet genoemd die, waardoor de mensch tot den naaste geordend wordt.476Bedenkingen. — Men beweert, dat het wezen van de rechtsregels niet bestaat in de ordening tot de naaste. — 1. Rechtsregels immers worden afgeleid van gericht. Welnu er zijn veel andere zaken, waardoor de mens tot zijn naaste geordend wordt, die niet vallen onder de verorderingen van een gericht. Dus worden de rechtsregels niet genoemd die, waardoor de mens tot de naaste geordend wordt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta judicialia a moralibus distinguuntur, ut supra dictum est [q. 99. art. 4.] ; sed multa praecepta moralia sunt, quibus homo ordinatur ad proximum, sicut patet in septem praeceptis secundae tabulae; non ergo praecepta judicialia dicuntur ex hoc, quod ad proximum ordinant.

2. De rechtsregels zijn onderscheiden van de zedelijke voorschriften, zooals hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 4e Art.). Welnu er zijn vele zedelijke voorschriften, waardoor de mensch tot den naaste geordend wordt, wat blijkt uit de zeven voorschriften van de tweede tafel. Dus worden de rechtsregels niet aldus genoemd omdat zij tot den naaste ordenen.2. De rechtsregels zijn onderscheiden van de zedelijke voorschriften, zoals hierboven gezegd is (99e Kw., 4e Art.). Welnu er zijn vele zedelijke voorschriften, waardoor de mens tot de naaste geordend wordt, wat blijkt uit de zeven voorschriften van de tweede tafel. Dus worden de rechtsregels niet aldus genoemd omdat zij tot de naaste ordenen.

antwoord 3 ↓

4773. Praeterea, sicut se habent praecepta caeremonialia ad Deum, ita se habent judicialia praecepta ad proximum, ut supra dictum [q. 99. art. 4. et q. 101. art. 1.]; sed inter praecepta caeremonialia sunt quaedam, quae pertinent ad seipsum, sicut observantiae ciborum, et vestimentorum, de quibus supra dictum est [q. 102. art. 6. ad. 1. et ad 6.] ; ergo praecepta judicialia non ex hoc dicuntur, quod ordinent hominem ad proximum.

4773. Gelijk de ceremonieel-voorschriften zich tot God verhouden, zoo verhouden zich de rechtsregels tot den naaste, zooals hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 4e Art., en CIe Kw., 1e Art.). Welnu onder de ceremonieel-voorschriften zijn er sommige, die betrekking hebben op den mensch zelf, zooals de onderhoudingen met betrekking tot spijzen en kleederen, enz., waarover vroeger gehandeld werd (CIIe Kw., 6e Art., 1e en 6e Antw.). Dus worden de rechtsregels niet hiernaar genoemd, dat ze den mensch richten op den naaste.4773. Gelijk de ceremonieel-voorschriften zich tot God verhouden, zo verhouden zich de rechtsregels tot de naaste, zoals hierboven gezegd is (99e Kw., 4e Art., en 101e Kw., 1e Art.). Welnu onder de ceremonieel-voorschriften zijn er sommige, die betrekking hebben op de mens zelf, zoals de onderhoudingen met betrekking tot spijzen en klederen, enz., waarover vroeger gehandeld werd (102e Kw., 6e Art., 1e en 6e Antw.). Dus worden de rechtsregels niet hiernaar genoemd, dat ze de mens richten op de naaste.

Sed contra est, quod dicitur Ezech. 18. [v. 18.] inter caetera bona opera viri justi : « Si judicium verum fecerit inter virum et virum. » Sed judicialia praecepta a judicio dicuntur; ergo praecepta judicialia videntur dici illa, quae pertinent ad ordinationem hominum ad invicem.

Maar daartegenover staat, dit in Ezechiel (18, 8) onder de andere goede werken van een rechtvaardig man, gezegd wordt, dat hij eerlijk recht oefent tusschen man en man. Welnu rechtsregels wordt afgeleid van gericht. Dus worden die regels rechtsregels genoemd, die vallen onder de ordening van de menschen onderling.Maar daartegenover staat, dit in Ezechiël (18, 8) onder de andere goede werken van een rechtvaardig man, gezegd wordt, dat hij eerlijk recht oefent tussen man en man. Welnu rechtsregels wordt afgeleid van gericht. Dus worden die regels rechtsregels genoemd, die vallen onder de ordening van de mensen onderling.

Respondeo dicendum, quod, sicut ex supra dictis patet [q. 95. art. 2. et q. 99. art. 3. et 4.], praeceptorum cujuscumque legis quaedam habent vim obligandi ex ipso dictamine rationis, quia naturalis ratio dictat hoc esse debitum fieri vel vitari; et hujusmodi praecepta dicuntur moralia, eo quod 478a ratione dicuntur mores humani. Alia vero praecepta sunt, quae non habent vim obligandi ex ipso dictamine rationis, quia scilicet in se considerata non habent absolute rationem debiti vel indebiti, sed habent vim obligandi ex aliqua institutione divina vel humana; et hujusmodi sunt determinationes quaedam moralium praeceptorum.

Leerstelling. — Gelijk uit het boven gezegde blijkt (XCVe Kw., 2e Art., en XCIXe Kw., 3e en 4e Art.), hebben van de voorschriften van welke wet ook, sommige verplichtingskracht door de uitspraak van de rede zelf, omdat nl. de natuurlijke rede zegt, dat men dit verplicht is te doen of te laten, en dergelijke voorschriften noemt men zedelijke voorschriften, omdat de menschelijke zeden benoemd worden naar de rede. Andere voorschriften 478echter hebben geen verplichtingskracht door de uitspraak van de rede zelf, omdat zij nl. in zichzelf beschouwd, niet absoluut het wezen van verplichting bezitten, maar verplichtingskracht hebben krachtens een goddelijke of menschelijke instelling; en dergelijke zijn zekere bepalingen van zedelijkheidsvoorschriften.Leerstelling. — Gelijk uit het boven gezegde blijkt (95e Kw., 2e Art., en 99e Kw., 3e en 4e Art.), hebben van de voorschriften van welke wet ook, sommige verplichtingskracht door de uitspraak van de rede zelf, omdat nl. de natuurlijke rede zegt, dat men dit verplicht is te doen of te laten, en dergelijke voorschriften noemt men zedelijke voorschriften, omdat de menselijke zeden benoemd worden naar de rede. Andere voorschriften 478echter hebben geen verplichtingskracht door de uitspraak van de rede zelf, omdat zij nl. in zichzelf beschouwd, niet absoluut het wezen van verplichting bezitten, maar verplichtingskracht hebben krachtens een goddelijke of menselijke instelling; en dergelijke zijn zekere bepalingen van zedelijkheidsvoorschriften.

Si igitur determinentur moralia praecepta per institutionem divinam in his, per quae ordinatur homo ad Deum, talia dicentur praecepta caeremonialia; si autem in his, quae pertinent ad ordinationem hominum ad invicem, talia dicentur praecepta judicialia.

Indien dus de zedelijkheidsvoorschriften worden bepaald door goddelijke instelling, met betrekking tot die dingen, waardoor de mensch tot God geordend wordt, dan worden zulke ceremonieel-voorschriften genoemd; zoo echter met betrekking tot die dingen, die betrekking hebben op de ordening van de menschen onderling, dan worden zulke rechtsregels genoemd.Indien dus de zedelijkheidsvoorschriften worden bepaald door goddelijke instelling, met betrekking tot die dingen, waardoor de mens tot God geordend wordt, dan worden zulke ceremonieel-voorschriften genoemd; zo echter met betrekking tot die dingen, die betrekking hebben op de ordening van de mensen onderling, dan worden zulke rechtsregels genoemd.

In duobus ergo consistit ratio judicialium praeceptorum, scilicet ut pertineant ad ordinationem hominum ad invicem, et ut non habent vim obligandi ex sola ratione, sed ex institutione.

Het begrip van rechtsregels bestaat dus hierin, dat zij betrekking hebben op de ordening van de menschen onderling, en dat zij geen verplichtingskracht hebben alleen krachtens de rede, maar krachtens instelling.Het begrip van rechtsregels bestaat dus hierin, dat zij betrekking hebben op de ordening van de mensen onderling, en dat zij geen verplichtingskracht hebben alleen krachtens de rede, maar krachtens instelling.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod judicia exercentur officio aliquorum principum, qui habent potestatem judicandi; ad principem autem pertinet 479non solum ordinare de his, quae veniunt in litigium, sed etiam de voluntariis contractibus, qui inter homines fiunt et de omnibus pertinentibus ad populi communitatem et regimen. Unde praecepta judicialia non solum sunt illa, quae pertinent ad lites judiciorum, sed etiam quaecumque pertinent ad ordinationem hominum ad invicem, quae subest ordinationi principis, tamquam supremi judicis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het recht wordt uitgeoefend door enkele vorsten, die macht hebben om te oordeelen. Een vorst nu behoort niet alleen te ordenen met betrekking tot die dingen, die voorkomen in een twist, maar ook met betrekking tot vrijwillige overeenkomsten, die onder de menschen plaatsgrijpen, en met betrekking tot alles, wat tot de gemeenschap van 479het volk behoort en tot het bestuur. Vandaar zijn rechtsregels niet alleen die, welke betrekking hebben op rechtsgeschillen, maar ook al wat betrekking heeft op de ordening van de menschen onderling, wat valt onder ordening van den vorst als van den hoogsten rechter.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het recht wordt uitgeoefend door enkele vorsten, die macht hebben om te oordelen. Een vorst nu behoort niet alleen te ordenen met betrekking tot die dingen, die voorkomen in een twist, maar ook met betrekking tot vrijwillige overeenkomsten, die onder de mensen plaatsgrijpen, en met betrekking tot alles, wat tot de gemeenschap van 479het volk behoort en tot het bestuur. Vandaar zijn rechtsregels niet alleen die, welke betrekking hebben op rechtsgeschillen, maar ook al wat betrekking heeft op de ordening van de mensen onderling, wat valt onder ordening van de vorst als van de hoogste rechter.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit de praeceptis ordinantibus ad proximum, quae habent vim obligandi ex solo dictamine rationis.

2. Die redeneering gaat uit van voorschriften, die ordenen tot den naaste, en welke verplichtingskracht hebben, alleen krachtens de uitspraak van de rede.2. Die redenering gaat uit van voorschriften, die ordenen tot de naaste, en welke verplichtingskracht hebben, alleen krachtens de uitspraak van de rede.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod etiam in his, quae ordinant ad Deum, quaedam sunt moralia, quae ratio fide informata dictat, sicut Deum esse amandum et colendum; quaedam vero sunt caeremonialia, quae non habent vim obligationis, nisi ex institutione divina. Ad Deum autem pertinent non solum sacrificia oblata Deo, sed etiam quaecumque pertinent ad idoneitatem offerentium et Deum colentium : homines enim ordinantur in Deum sicut. 480in finem, et ideo ad cultum Dei pertinet, et per consequens ad caeremonialia praecepta, quod homo habeat quamdam idoneitatem respectu cultus divini. Sed homo non ordinatur ad proximum sicut in finem, ut oporteat eum disponi in seipso in ordine ad proximum : haec enim est comparatio servorum ad dominos, qui id quod sunt, dominorum sunt, secundum Philosophum in 1. Polit. [cap. 2.]. Et ideo non sunt aliqua praecepta judicialia ordinantia hominem in seipso, sed omnia talia sunt moralia, quia ratio, quae est principium moralium, se habet in homine respectu eorum quae ad ipsum pertinent, sicut princeps, vel judex in civitate. Sciendum tamen, quod, quia ordo hominis ad proximum magis subjacet rationi quam ordo hominis ad Deum, plura praecepta moralia inveniuntur, per quae ordinatur homo ad proximum, quam per quae ordinatur homo ad Deum; et propter hoc etiam oportuit plura esse caeremonialia in lege, quam judicialia.

3. Ook met betrekking tot die voorschriften, die ordenen tot God, zijn er sommige zedelijke, welke de rede zelf gevormd heeft, door het geloof verlicht, zooals dat God moet bemind en vereerd worden. Andere echter zijn ceremonieel-voorschriften, die geen verplichtingskracht hebben, tenzij krachtens goddelijke instelling. Op God nu richten zich niet alleen de aan God opgedragen offers, maar ook alwat behoort tot de geschiktheid van de offeraars en de godvereerders, want de menschen worden op God als op hun doel gericht, en daarom valt het onder den eeredienst en konsekwent ook onder de ceremonieel-voorschriften, dat de mensch een zekere geschiktheid heeft met betrekking tot den goddelijken eeredienst. Maar de mensch is niet tot den naaste geordend als tot zijn doel, zoodat hij, geschikt in zichzelf, zou 480moeten geschikt gemaakt worden met betrekking tot den naaste, want dit is de verhouding van de slaven tot hun meesters; alles immers wat slaven zijn dat is van hun meesters, zooals de Wijsgeer zegt in het Ie Boek der Politica (IIe H.). En zoo zijn er geen rechtsregels, die den mensch in zich zelf regelen; maar zulke regels zijn alle zedelijkheidsvoorschriften, omdat de rede, welke het beginsel van het zedelijke is, zich in den mensch verhoudt tot datgene wat tot hemzelf behoort, zooals een vorst of een rechter in den staat. Men moet er echter op letten dat, aangezien de verhouding van den mensch tot den naaste meer aan de rede onderworpen is dan de verhouding van den mensch tot God, er meer zedelijkheidsvoorschriften zijn, waardoor de mensch tot den naaste geordend wordt, dan waardoor de mensch tot God wordt geordend en daarom moeten er ook meerdere ceremonieel-voorschriften in de Wet zijn dan rechtsregels.3. Ook met betrekking tot die voorschriften, die ordenen tot God, zijn er sommige zedelijke, welke de rede zelf gevormd heeft, door het geloof verlicht, zoals dat God moet bemind en vereerd worden. Andere echter zijn ceremonieel-voorschriften, die geen verplichtingskracht hebben, tenzij krachtens goddelijke instelling. Op God nu richten zich niet alleen de aan God opgedragen offers, maar ook alwat behoort tot de geschiktheid van de offeraars en de godvereerders, want de mensen worden op God als op hun doel gericht, en daarom valt het onder de eredienst en consequent ook onder de ceremonieel-voorschriften, dat de mens een zekere geschiktheid heeft met betrekking tot de goddelijke eredienst. Maar de mens is niet tot de naaste geordend als tot zijn doel, zodat hij, geschikt in zichzelf, zou 480moeten geschikt gemaakt worden met betrekking tot de naaste, want dit is de verhouding van de slaven tot hun meesters; alles immers wat slaven zijn dat is van hun meesters, zoals de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van de Politica (2e H.). En zo zijn er geen rechtsregels, die de mens in zichzelf regelen; maar zulke regels zijn alle zedelijkheidsvoorschriften, omdat de rede, welke het beginsel van het zedelijke is, zich in de mens verhoudt tot datgene wat tot hemzelf behoort, zoals een vorst of een rechter in de staat. Men moet er echter op letten dat, aangezien de verhouding van de mens tot de naaste meer aan de rede onderworpen is dan de verhouding van de mens tot God, er meer zedelijkheidsvoorschriften zijn, waardoor de mens tot de naaste geordend wordt, dan waardoor de mens tot God wordt geordend en daarom moeten er ook meerdere ceremonieel-voorschriften in de Wet zijn dan rechtsregels.

Articulus II

Utrum praecepta judicialia aliquid figurent

[Infr. art. 3. corp. et 2-2. q. 87. art. 7. corp.].
IIe Artikel

Beteekenen de rechtsregels iets?Betekenen de rechtsregels iets?

antwoord 1 ↓

481Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod praecepta judicialia non figurent aliquid : hoc enim videtur esse proprium caeremonialium praeceptorum, quod sint in figuram alicujus rei instituta. Si igitur etiam praecepta judicialia aliquid figurent, non erit differentia inter judicialia et caeremonialia praecepta.

481Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtsregels niet iets beteekenen. — 1. Het schijnt immers aan de ceremonieel-voorschriften eigen te zijn, dat zij ten teeken van iets ingesteld zijn. Indien dus ook de rechtsregels iets beteekenen, dan zou er geen verschil zijn tusschen de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften.481Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtsregels niet iets betekenen. — 1. Het schijnt immers aan de ceremonieel-voorschriften eigen te zijn, dat zij ten teken van iets ingesteld zijn. Indien dus ook de rechtsregels iets betekenen, dan zou er geen verschil zijn tussen de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut illi populo Judaeorum data sunt quaedam judicialia praecepta, ita etiam aliis populis Gentilium; sed judicialia praecepta aliorum populorum non figurant aliquid, sed ordinent quid fieri debeat; ergo videtur, quod neque praecepta judicialia veteris legis aliquid figurarent.

2. Evenals aan het volk der Joden eenige rechtsregelen gegeven zijn, zoo ook aan de andere volken der heidenen. Welnu de rechtsregels der andere volkeren beteekenen niet iets, maar verordenen wat gedaan moet worden. Dus blijkt het, dat ook de rechtsregels der oude Wet niets beteekenden.2. Evenals aan het volk van de Joden enige rechtsregelen gegeven zijn, zo ook aan de andere volken van de heidenen. Welnu de rechtsregels van de andere volkeren betekenen niet iets, maar verordenen wat gedaan moet worden. Dus blijkt het, dat ook de rechtsregels van de oude Wet niets betekenden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ea quae ad cultum divinum pertinent, figuris quibusdam tradi oportuit, quia ea quae Dei sunt, supra nostram rationem sunt, ut supra 482dictum est [q. 101. art. 2. ad 2.] ; sed ea quae sunt proximorum, non excedunt rationem nostram; ergo per judicialia, quae ad proximum nos ordinant, non oportuit aliquid figurari.

3. Die dingen, die betrekking hebben op den goddelijken eeredienst, moesten door bepaalde teekenen uitgedrukt worden, 482omdat God zelf boven onze rede uitgaat, gelijk hierboven gezegd is (CIe Kw., 2e Art., 2e Antwoord). Welnu de menschen zelf gaan ons verstand niet te boven. Dus moet door de rechtsregels, die ons richten met betrekking tot den naaste, niet iets worden beteekend.3. Die dingen, die betrekking hebben op de goddelijke eredienst, moesten door bepaalde tekenen uitgedrukt worden, 482omdat God zelf boven onze rede uitgaat, gelijk hierboven gezegd is (101e Kw., 2e Art., 2e Antwoord). Welnu de mensen zelf gaan ons verstand niet te boven. Dus moet door de rechtsregels, die ons richten met betrekking tot de naaste, niet iets worden betekend.

Sed contra est, quod Exod. 21. judicialia praecepta allegorice et moraliter exponuntur.

Maar daarentegenover staat, dat in het Boek Exodus, 21, de rechtsregels allegorisch en zedelijk worden verklaard.

Respondeo dicendum, quod dupliciter contingit aliquod praeceptum esse figurale : uno modo primo et per se, quia scilicet principaliter est institutum ad aliquid figurandum; et hoc modo praecepta caeremonialia sunt figuralia : ad hoc enim sunt instituta, ut aliquid figurent pertinens ad cultum Dei et ad mysterium Christi. Quaedam vero praecepta sunt figuralia, non primo et per se, sed ex consequenti; et hoc modo praecepta judicialia veteris legis sunt figuralia : non enim sunt instituta ad aliquid figurandum, sed ad ordinandum statum illius populi secundum justitiam, et aequitatem; 483sed ex consequenti aliquid figurabant, inquantum scilicet totus status illius populi, qui per hujusmodi praecepta disponebatur, figuralis erat, secundum illud 1. ad Cor. 10 [v. 11] : « Omnia in figura contingebant illis. »

Leerstelling. — Een voorschrift kan op twee wijzen beteekenend zijn, ten eerste, uiteraard en onmiddellijk, omdat het nl. voornamelijk opgesteld is om iets te beteekenen; en op die wijze zijn de ceremonieel-voorschriften beteekenend, want hiertoe zijn zij ingesteld, om iets wat op den eeredienst van God en op het geheim van Christus betrekking heeft te beteekenen. Sommige voorschriften zijn niet uiteraard en onmiddellijk beteekenend, maar gevolgelijk; en op die wijze zijn de rechtsregels van de Oude Wet beteekenend, want ze zijn niet ingesteld om iets te beteekenen, maar om den toestand van dit volk te regelen, overeenkomstig recht en billijkheid. Maar gevolgelijk beteekenden zij iets, voor zoover nl. heel de toestand van dit volk, dat door dergelijke voorschriften werd ingericht, beteekenis had, volgens het woord uit den In Brief aan de Corinthiërs (10,11) : « Alles is hen tot teekenen overkomen. »Leerstelling. — Een voorschrift kan op twee wijzen betekenend zijn, ten eerste, uiteraard en onmiddellijk, omdat het nl. voornamelijk opgesteld is om iets te betekenen; en op die wijze zijn de ceremonieel-voorschriften betekenend, want hiertoe zijn zij ingesteld, om iets wat op de eredienst van God en op het geheim van Christus betrekking heeft te betekenen. Sommige voorschriften zijn niet uiteraard en onmiddellijk betekenend, maar gevolgelijk; en op die wijze zijn de rechtsregels van de Oude Wet betekenend, want ze zijn niet ingesteld om iets te betekenen, maar om de toestand van dit volk te regelen, overeenkomstig recht en billijkheid. Maar gevolgelijk betekenden zij iets, voor zover nl. heel de toestand van dit volk, dat door dergelijke voorschriften werd ingericht, betekenis had, volgens het woord uit de 1e Brief aan de Korintiërs (10,11): “Alles is hen tot tekenen overkomen.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod praecepta caeremonialia alio modo sunt figuralia, quam judicialia, ut dictum est [in corp. art.].

483Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De ceremonieel-voorschriften zijn op een andere manier beteekenend als de rechtsregels, zooals gezegd is (in de Leerstelling).483Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De ceremonieel-voorschriften zijn op een andere manier betekenend als de rechtsregels, zoals gezegd is (in de Leerstelling).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod populus Judaeorum ad hoc electus erat a Deo, quod ex eo Christus nasceretur; et ideo oportuit totum illius populi statum esse propheticum et figuralem, ut Augustinus dicit contra Faustum [lib. 22. cap. 24.] ; et propter hoc etiam judicialia illi populo tradita magis sunt figuralia, quam judicia aliis populis tradita, sicut etiam bella et gesta illius populi exponuntur mystice, non autem bella vel gesta Assyriorum vel Romanorum, quamvis longe clariora secundum homines fuerint.

2. Het Joodsche volk was door God uitverkozen, omdat uit hen Christus zou geboren worden, en daarom moest heel de toestand van dit volk profetisch zijn en beteekenend, zooals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (XXIIe B., XXIVe H.). Daarom ook zijn de rechtsregels, die aan dit volk gegeven zijn, meer beteekenend dan de rechtsregels, die aan andere volkeren gegeven zijn, zooals ook de oorlogen en daden van dit volk mystiek verklaard worden, en niet de oorlogen en daden van de Assyriërs of van de Romeinen, ofschoon zij veel roemrijker waren volgens het oordeel van de menschen.2. Het Joodse volk was door God uitverkozen, omdat uit hen Christus zou geboren worden, en daarom moest heel de toestand van dit volk profetisch zijn en betekenend, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (22e B., 24e H.). Daarom ook zijn de rechtsregels, die aan dit volk gegeven zijn, meer betekenend dan de rechtsregels, die aan andere volkeren gegeven zijn, zoals ook de oorlogen en daden van dit volk mystiek verklaard worden, en niet de oorlogen en daden van de Assyriërs of van de Romeinen, ofschoon zij veel roemrijker waren volgens het oordeel van de mensen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ordo ad proximum in populo illo secundum se consideratus pervius erat rationi, sed secundum quod referebatur ad cultum Dei, superabat rationem; et ex hac parte erat figuralis.

3. De orde tot den naaste bij dit volk, was, op zichzelf beschouwd, voor de rede vatbaar, maar voor zoover ze betrekking had op den eeredienst van God ging zij boven de rede uit; en in dit opzicht was zij voorafbeeldend.3. De orde tot de naaste bij dit volk, was, op zichzelf beschouwd, voor de rede vatbaar, maar voor zover ze betrekking had op de eredienst van God ging zij boven de rede uit; en in dit opzicht was zij voorafbeeldend.

Articulus III

Utrum praecepta judicialia veteris legis perpetuam obligationem habeant

[Infr. q. 108. art. 1. corp. et art. 2. corp. et ad 4. et 2-2. q. 62. art. 3. ad 1. et q. 81. art. 1. corp. et 4. Dist. 15. q. 1. art. 5. q. 2. art. 5. et Quodl. 2. art. 8. et Quodl. 4. art. 13. corp. et Hebr. 7. lect. 2.].
IIIe Artikel

Hebben de rechtsregels van de Oude Wet een eeuwigdurende verplichting?

antwoord 1 ↓

484Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod praecepta judicialia veteris legis perpetuam obligationem habeant : praecepta enim judicialia pertinent ad virtutem justitiae, nam judicium dicitur justitiae executio; justitia autem est perpetua et immortalis, ut dicitur Sap. 1 [v. 15] ; ergo obligatio praeceptorum judicialium est perpetua.

484Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtsregels van de Oude Wet een eeuwigdurende verplichting hebben. — 1. De rechtsregels immers hebben betrekking op de deugd van rechtvaardigheid, want de uitoefening der rechtvaardigheid wordt gerecht genoemd. Welnu de rechtvaardigheid is eeuwig en onsterfelijk, gelijk in het Boek der Wijsheid gezegd wordt (1,15). Dus is de verplichting der rechtsregels eeuwigdurend.484Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtsregels van de Oude Wet een eeuwigdurende verplichting hebben. — 1. De rechtsregels immers hebben betrekking op de deugd van rechtvaardigheid, want de uitoefening van de rechtvaardigheid wordt gerecht genoemd. Welnu de rechtvaardigheid is eeuwig en onsterfelijk, gelijk in het Boek van de Wijsheid gezegd wordt (1,15). Dus is de verplichting van de rechtsregels eeuwigdurend.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, institutio divina est stabilior, quam institutio humana; sed praecepta judicialia humanarum legum habent perpetuam obligationem; ergo multo magis praecepta judicialia legis divinae.

2. Een goddelijke instelling is standvastiger dan een menschelijke. Welnu de rechtsregels van de menschen hebben een eeuwigdurende verplichting. Veel meer dus de rechtsregels van de goddelijke Wet.2. Een goddelijke instelling is standvastiger dan een menselijke. Welnu de rechtsregels van de mensen hebben een eeuwigdurende verplichting. Veel meer dus de rechtsregels van de goddelijke Wet.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Apostolus dicit ad Hebr. 7 [v. 18] quod « reprobatio 485fit praecedentis mandati propter infirmitatem ipsius et inutilitatem » : quod quidem verum est de mandato caeremoniali, quod « non poterat facere perfectum juxta conscientiam servientem solummodo in cibis et in potibus et variis baptismatibus et justitiis carnis », ut Apostolus dicit ad Hebr. 9 [v. 9 sq.] ; sed praecepta judicialia erant utilia et efficacia ad id, ad quod ordinabantur, scilicet ad justitiam et aequitatem inter homines constituendam; ergo praecepta judicialia veteris legis non reprobantur, sed adhuc efficaciam habent.

3. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 18) : « De 485afschaffing van het voorafgaande gebod geschiedt om zijn zwakheid en nutteloosheid », wat wel waar is voor een ceremonieel-voorschrift, dat naar het geweten niet kon volmaken; enkel geboden over spijzen en dranken en allerlei afwasschingen en van vleesch, zooals de Apostel zegt (t. a. pl. 9, 9 v.). Welnu de rechtsregels waren nuttig en werkdadig met betrekking tot datgene, waarop zij betrekking hadden, nl. om recht en billijkheid onder de menschen te bepalen. Dus werden de rechtsregels der Oude Wet niet afgeschaft, maar hebben ze nu nog verplichting.3. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 18): “De 485afschaffing van het voorafgaande gebod geschiedt om zijn zwakheid en nutteloosheid”, wat wel waar is voor een ceremonieel-voorschrift, dat naar het geweten niet kon volmaken; enkel geboden over spijzen en dranken en allerlei afwassingen en van vlees, zoals de Apostel zegt (t.a.p. 9, 9 v.). Welnu de rechtsregels waren nuttig en werkdadig met betrekking tot datgene, waarop zij betrekking hadden, nl. om recht en billijkheid onder de mensen te bepalen. Dus werden de rechtsregels van de Oude Wet niet afgeschaft, maar hebben ze nu nog verplichting.

Sed contra est quod Apostolus dicit ad Heb. 7 [v. 12], quod, « translato sacerdotio, necesse est ut legis translatio fiat. » Sed Sacerdotium est translatum ab Aaron ad Christum; ergo etiam et tota lex est translata; non ergo judicialia praecepta adhuc obligationem habent.

Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (7,12) : « Toen het priesterschap veranderde, veranderde noodzakelijk ook de Wet. » Welnu het priesterschap is van Aäron tot Christus overgegaan. Dus is ook heel de Wet veranderd, en hebben de rechtsregels geen verplichting meer.Maar daartegenover staat wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (7,12): “Toen het priesterschap veranderde, veranderde noodzakelijk ook de Wet.” Welnu het priesterschap is van Aäron tot Christus overgegaan. Dus is ook heel de Wet veranderd, en hebben de rechtsregels geen verplichting meer.

Respondeo dicendum, quod judicialia praecepta non habuerunt perpetuam obligationem, sed sunt evacuata per adventum Christi; aliter tamen quam caeremonialia, nam caeremonialia adeo sunt evacuata, ut non solum sint mortua, sed etiam mortifera observantibus post Christum, maxime post 486Evangelium divulgatum. Praecepta autem judicialia sunt quidem mortua, quia non habent vim obligandi; non tamen sunt mortifera, quia si quis princeps ordinaret in regno suo illa judicialia observari, non peccaret, nisi forte hoc modo observarentur vel observari mandarentur, tamquam habentia vim obligandi ex veteris legis institutione : talis enim intentio observandi esset mortifera.

Leerstelling. — De rechtsregels hadden geen eeuwigdurende verplichting, maar zijn ijdel geworden door de komst van Christus, anders echter dan de ceremonieel-voorschriften, want deze zijn ijdel geworden, zoodat ze voor de onderhouders na Christus niet alleen dood, maar ook doodend zijn, vooral na de verbreiding van het Evangelie. De rechtsregels echter zijn wel 486dood, daar zij geen verplichtingskracht hebben; echter niet doodend, want een vorst, die zou verordenen, dat die rechtsregels in zijn rijk onderhouden worden, zou niet zondigen, tenzij wanneer ze zouden onderhouden worden of bevolen worden als verplichtingskracht hebbende door de instelling der Oude Wet, want zulk een meening bij het onderhouden zou doodend zijn.Leerstelling. — De rechtsregels hadden geen eeuwigdurende verplichting, maar zijn ijdel geworden door de komst van Christus, anders echter dan de ceremonieel-voorschriften, want deze zijn ijdel geworden, zodat ze voor de onderhouders na Christus niet alleen dood, maar ook dodend zijn, vooral na de verbreiding van het Evangelie. De rechtsregels echter zijn wel 486dood, daar zij geen verplichtingskracht hebben; echter niet dodend, want een vorst, die zou verordenen, dat die rechtsregels in zijn rijk onderhouden worden, zou niet zondigen, tenzij wanneer ze zouden onderhouden worden of bevolen worden als verplichtingskracht hebbende door de instelling van de Oude Wet, want zulk een mening bij het onderhouden zou dodend zijn.

Et hujus differentiae ratio potest accipi ex praemissis [art. praec.] : dictum est enim, quod praecepta caeremonialia sunt figuralia primo et per se, tamquam instituta principaliter ad figuranda Christi mysteria ut futura, et ideo ipsa observatio eorum praejudicat fidei veritati, secundum quam confitemur illa mysteria jam esse completa. Praecepta autem judicialia non sunt instituta ad figurandum, sed ad disponendum statum illius populi, qui ordinabatur ad Christum; et ideo, mutato statu illius populi, Christo jam veniente, judicialia praecepta obligationem amiserunt : lex enim fuit paedagogus ducens ad Christum, ut dicitur ad Gal. 3 [v. 24]. Quia tamen hujusmodi judicialia 487praecepta non ordinantur ad figurandum, sed ad aliquid fiendum, ipsa eorum observatio absolute non praejudicat fidei veritati, sed intentio observandi tamquam ex obligatione legis praejudicat veritati fidei, quia per hoc haberetur, quod status prioris populi duraret, et quod Christus nondum venisset.

De reden van dit onderscheid kan uit het voorafgaande worden afgeleid (vorig Artikel). Hierboven is immers gezegd, dat de ceremonieel-voorschriften uiteraard en onmiddellijk voorafbeeldend zijn, als hoofdzakelijk ingesteld om de geheimenissen van Christus als toekomstig vooraf te beelden, en zóó is de onderhouding er van in tegenspraak met de waarheid van het geloof volgens welk wij die geheimenissen als reeds vervuld belijden. De rechtsregels echter werden ingesteld, niet om iets te beteekenen, maar om den toestand van dit volk te ordenen, dat gericht was op Christus; en daarom verloren de rechtsregels hun verplichting, toen de toestand van dit volk veranderde bij de komst van Christus. Want de wet was de paedagoog, die ons leidde tot Christus, gelijk in den Brief aan de Galaten (3,24) gezegd wordt. Daar deze echter niet rechtstreeks geordend worden om iets vooraf te beelden, maar 487opdat er naar zou gehandeld worden, daarom is de onderhouding er van niet absoluut een ontkenning van de waarheid van het geloof, maar alleen de meening ze te onderhouden als verplichtend door de Wet, want dat sluit in, dat de toestand van dit volk nog voorduurt, en dat Christus nog niet gekomen is.De reden van dit onderscheid kan uit het voorafgaande worden afgeleid (vorig Artikel). Hierboven is immers gezegd, dat de ceremonieel-voorschriften uiteraard en onmiddellijk voorafbeeldend zijn, als hoofdzakelijk ingesteld om de geheimenissen van Christus als toekomstig vooraf te beelden, en zó is de onderhouding er van in tegenspraak met de waarheid van het geloof volgens welk wij die geheimenissen als reeds vervuld belijden. De rechtsregels echter werden ingesteld, niet om iets te betekenen, maar om de toestand van dit volk te ordenen, dat gericht was op Christus; en daarom verloren de rechtsregels hun verplichting, toen de toestand van dit volk veranderde bij de komst van Christus. Want de wet was de pedagoog, die ons leidde tot Christus, gelijk in de Brief aan de Galaten (3,24) gezegd wordt. Daar deze echter niet rechtstreeks geordend worden om iets vooraf te beelden, maar 487opdat er naar zou gehandeld worden, daarom is de onderhouding er van niet absoluut een ontkenning van de waarheid van het geloof, maar alleen de mening ze te onderhouden als verplichtend door de Wet, want dat sluit in, dat de toestand van dit volk nog voorduurt, en dat Christus nog niet gekomen is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitia quidem perpetuo est observanda, sed determinatio eorum, quae sunt justa secundum institutionem humanam vel divinam, oportet quod varietur secundum diversum hominum statum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid moet wel eeuwigdurend onderhouden worden, maar de bepaling van wat krachtens menschelijke en goddelijke instelling rechtvaardig is, moet varieeren naar de verschillende toestanden van den mensch.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid moet wel eeuwigdurend onderhouden worden, maar de bepaling van wat krachtens menselijke en goddelijke instelling rechtvaardig is, moet variëren naar de verschillende toestanden van de mens.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod praecepta judicialia ab hominibus instituta habent perpetuam obligationem, manente illo statu regiminis; sed si civitas vel gens ad aliud regimen deveniat, oportet leges mutari; non enim eaedem leges conveniunt in democratia, quae est potestas populi, et in oligarchia, quae est potestas divitum, ut patet per Philosophum in sua Politica [lib. 4, cap. 1]. Et ideo etiam mutato statu illius populi, oportuit praecepta judicialia mutari.

2. De rechtsregels, door menschen vastgesteld, hebben een blijvende verplichting, zoolang als de staat van bestuur onveranderd blijft; maar indien een staat of een volk tot een ander bestuur komt, moeten ook de wetten veranderen. Immers niet dezelfde wetten passen bij een democratisch bestuur, wat de regeering is van het volk, en bij een oligarchisch bestuur, wat de regeering is van de rijken, wat blijkt uit de leer van den Wijsgeer in zijn Politica (IVe B., Ie H.). Bijgevolg moesten ook, bij de verandering van den toestand van dit volk, de rechtsregels veranderd worden.2. De rechtsregels, door mensen vastgesteld, hebben een blijvende verplichting, zolang als de staat van bestuur onveranderd blijft; maar indien een staat of een volk tot een ander bestuur komt, moeten ook de wetten veranderen. Immers niet dezelfde wetten passen bij een democratisch bestuur, wat de regering is van het volk, en bij een oligarchisch bestuur, wat de regering is van de rijken, wat blijkt uit de leer van de Wijsgeer in zijn Politica (4e B., 1e H.). Bijgevolg moesten ook, bij de verandering van de toestand van dit volk, de rechtsregels veranderd worden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illa praecepta judicialia disponebant 488populum ad justitiam et aequitatem, secundum quod conveniebat illi statui; sed post Christum statum illius populi oportuit mutari, ut jam in Christo non esset discretio Gentilis et Judaei, sicut antea erat; et propter hoc oportuit etiam praecepta judicialia mutari.

3. Die rechtsregels richtten het volk op het recht en de 488billijkheid, voor zoover dit overeenkwam met zijn toestand. Maar na Christus moest de toestand van dit volk veranderen, zoodat er voortaan bij Christus geen onderscheid meer zou zijn tusschen een Heiden en een Jood, zooals dit te voren was, en daarom moesten ook de rechtsregels veranderd worden.3. Die rechtsregels richtten het volk op het recht en de 488billijkheid, voor zover dit overeenkwam met zijn toestand. Maar na Christus moest de toestand van dit volk veranderen, zodat er voortaan bij Christus geen onderscheid meer zou zijn tussen een Heiden en een Jood, zoals dit te voren was, en daarom moesten ook de rechtsregels veranderd worden.

Articulus IV

Utrum praecepta judicialia possint habere aliquam certam divisionem

IVe Artikel

Kan men een zekere verdeeling aangeven van de rechtsregels?Kan men een zekere verdeling aangeven van de rechtsregels?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod praecepta judicialia non possint habere aliquam certam divisionem : praecepta enim judicialia ordinant homines ad invicem; sed ea, quae inter homines ordinari oportet, in usum eorum venientia, non cadunt sub certa distinctione, cum sint infinita; ergo praecepta judicialia non possunt habere certam distinctionem.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen zekere verdeeling kan aangeven voor de rechtsregels. — 1. De rechtsregels immers ordenen de menschen onderling. Welnu die dingen die onder de menschen onderling moeten geordend worden, en die onder hun gebruik vallen, kunnen, daar zij oneindig in aantal zijn, niet onder een zekere verdeeling gerangschikt worden. Dus kan men voor de rechtsregels geen zekere verdeeling aangeven.Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen zekere verdeling kan aangeven voor de rechtsregels. — 1. De rechtsregels immers ordenen de mensen onderling. Welnu die dingen die onder de mensen onderling moeten geordend worden, en die onder hun gebruik vallen, kunnen, daar zij oneindig in aantal zijn, niet onder een zekere verdeling gerangschikt worden. Dus kan men voor de rechtsregels geen zekere verdeling aangeven.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta judicialia sunt determinationes moralium; sed moralia praecepta non videntur habere aliquam distinctionem, nisi secundum 489quod reducuntur ad praecepta decalogi; ergo praecepta judicialia non habent aliquam certam distinctionem.

2. De rechtsregels zijn nadere bepalingen van de zedelijkheidsvoorschriften. Welnu deze hebben geen verdeeling, tenzij 489voor zoover ze tot de Tien Geboden teruggebracht worden. Dus kan men voor de rechtsregels geen zekere verdeeling aangeven.2. De rechtsregels zijn nadere bepalingen van de zedelijkheidsvoorschriften. Welnu deze hebben geen verdeling, tenzij 489voor zover ze tot de Tien Geboden teruggebracht worden. Dus kan men voor de rechtsregels geen zekere verdeling aangeven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, praecepta caeremonialia quia certam distinctionem habent, eorum distinctio in lege innuitur, dum quaedam vocantur sacrificia, quaedam observantiae; sed nulla distinctio innuitur in lege praeceptorum judicialium; ergo videtur, quod non habeant certam distinctionem.

3. Omdat de ceremonieel-voorschriften een zekere verdeeling hebben, wordt hun verdeeling in de Wet aangegeven, in zoover sommige offers, andere onderhoudingen genoemd worden. Maar van de rechtsregels wordt geen enkele verdeeling aangegeven in de Wet. Dus kan men er geen zekere verdeeling voor aangeven.3. Omdat de ceremonieel-voorschriften een zekere verdeling hebben, wordt hun verdeling in de Wet aangegeven, in zover sommige offers, andere onderhoudingen genoemd worden. Maar van de rechtsregels wordt geen enkele verdeling aangegeven in de Wet. Dus kan men er geen zekere verdeling voor aangeven.

Sed contra, ubi est ordo, oportet quod sit distinctio; sed ratio ordinis maxime pertinet ad praecepta judicialia, per quae populus ille ordinabatur : ergo maxime debent habere distinctionem certam.

Maar daartegenover staat, dat waar een orde is, ook een verdeeling moet zijn. Welnu het begrip van orde komt wel het meest uit bij de rechtsregels, waardoor dit volk werd geordend. Dus moet er het meest een zekere verdeeling voor zijn.Maar daartegenover staat, dat waar een orde is, ook een verdeling moet zijn. Welnu het begrip van orde komt wel het meest uit bij de rechtsregels, waardoor dit volk werd geordend. Dus moet er het meest een zekere verdeling voor zijn.

Respondeo dicendum, quod, cum lex sit quasi quaedam ars humanae vitae instituendae vel ordinandae, sicut in unaquaque arte est certa distinctio regularum artis, ita oportet in qualibet lege esse certam distinctionem praeceptorum : aliter enim ipsa confusio utilitatem legis auferret. Et ideo dicendum est, quod praecepta judicialia veteris legis, per quae homines ad invicem ordinabantur, distinctionem habent secundum distinctionem 490ordinationis humanae. Quadruplex autem ordo in aliquo populo inveniri potest : unus quidem principum populi ad subditos; alius autem subditorum ad invicem; tertius autem eorum qui sunt de populo ad extraneos; quartus autem ad domesticos, sicut patris ad filium, uxoris ad virum, et domini ad servum. Et secundum istos quatuor ordines distingui possunt praecepta judicialia veteris legis.

Leerstelling. — Daar de Wet als een kunst is om het menschelijk leven te richten en te ordenen, moet er, zooals in iedere kunst een zekere verdeeling van de kunstregels is, op gelijke wijze ook in de Wet een zekere verdeeling zijn der voorschriften; anders toch zou de verwarring het nut van de wet opheffen. En daarom moeten de rechtsregels der Oude Wet, waardoor de menschen onderling geregeld worden, verdeeld worden overeenkomstig de verdeeling van de menschelijke ordening. Welnu in een volk kan men een viervoudige ordening vinden, namelijk één van de 490leiders van het volk tot de onderdanen; een andere, van de onderdanen tot elkander; een derde, van hen die tot het volk behooren, tot de vreemdelingen; een vierde, tot de huispersonen, zooals van vader tot zoon, van vrouw tot man, en van meester tot knecht; en volgens die vier orden kunnen de rechtsregels van de Oude Wet onderscheiden worden.Leerstelling. — Daar de Wet als een kunst is om het menselijk leven te richten en te ordenen, moet er, zoals in iedere kunst een zekere verdeling van de kunstregels is, op gelijke wijze ook in de Wet een zekere verdeling zijn van de voorschriften; anders toch zou de verwarring het nut van de wet opheffen. En daarom moeten de rechtsregels van de Oude Wet, waardoor de mensen onderling geregeld worden, verdeeld worden overeenkomstig de verdeling van de menselijke ordening. Welnu in een volk kan men een viervoudige ordening vinden, namelijk één van de 490leiders van het volk tot de onderdanen; een andere, van de onderdanen tot elkander; een derde, van hen die tot het volk behoren, tot de vreemdelingen; een vierde, tot de huispersonen, zoals van vader tot zoon, van vrouw tot man, en van meester tot knecht; en volgens die vier orden kunnen de rechtsregels van de Oude Wet onderscheiden worden.

Dantur autem quaedam praecepta de institutione principum, et officio eorum, et de reverentia eis exhibenda : et haec est una pars judicialium praeceptorum. Dantur etiam quaedam praecepta pertinentia ad concives ad invicem, puta circa emptiones et venditiones, et judicia et poenas : et haec est secunda pars judicialium praeceptorum. Dantur etiam quaedam praecepta pertinentia ad extraneos, puta de bellis contra hostes, et de susceptione peregrinorum et advenarum : et haec est tertia pars judicialium praeceptorum. Dantur etiam in lege quaedam praecepta pertinentia ad domesticam conversationem, sicut de servis, et uxoribus, et filiis : et haec est quarta pars judicialium praeceptorum.

Er worden immers sommige voorschriften gegeven aangaande de aanstelling van overheden en met betrekking tot hun ambt, alsook over den eerbied voor hen, en dit is het eerste gedeelte van de rechtsregels. Ook worden er sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op de burgers onderling, b. v. omtrent koop en verkoop, en rechtsuitspraak en straffen, en dit is het tweede gedeelte der rechtsregels. Ook worden er sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op vreemden, b. v. over oorlogen tegen vijanden, en over het opnemen van reizigers en vreemdelingen, en dit is het derde gedeelte der rechtsregels. Ook worden er in de Wet sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op de huiselijke samenleving, zooals over de slaven en de vrouwen en de kinderen, en dit is het vierde gedeelte der rechtsregels.Er worden immers sommige voorschriften gegeven aangaande de aanstelling van overheden en met betrekking tot hun ambt, alsook over de eerbied voor hen, en dit is het eerste gedeelte van de rechtsregels. Ook worden er sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op de burgers onderling, bv. omtrent koop en verkoop, en rechtsuitspraak en straffen, en dit is het tweede gedeelte van de rechtsregels. Ook worden er sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op vreemden, bv. over oorlogen tegen vijanden, en over het opnemen van reizigers en vreemdelingen, en dit is het derde gedeelte van de rechtsregels. Ook worden er in de Wet sommige voorschriften gegeven, die betrekking hebben op de huiselijke samenleving, zoals over de slaven en de vrouwen en de kinderen, en dit is het vierde gedeelte van de rechtsregels.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ea quae pertinent ad ordinationem hominum ad invicem, sunt quidem numero infinita, sed tamen reduci possunt 491ad aliqua certa, secundum differentiam ordinationis humanae, ut dictum est [in cor. art.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dingen, die 491betrekking hebben op de menschen onderling, zijn wel oneindig in aantal, maar kunnen tot enkele dingen teruggebracht worden, volgens het verschil in de menschelijke ordening, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De dingen, die 491betrekking hebben op de mensen onderling, zijn wel oneindig in aantal, maar kunnen tot enkele dingen teruggebracht worden, volgens het verschil in de menselijke ordening, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod praecepta decalogi sunt prima in genere moralium, ut supra dictum est [q. 100. art. 3.], et ideo convenienter alia praecepta moralia secundum ea distinguuntur. Sed praecepta judicialia et caeremonialia habent aliam rationem obligationis, non quidem ex ratione naturali, sed ex sola institutione, et ideo distinctionis eorum alia est ratio.

2. De voorschriften der Tien Geboden zijn de eerste onder de zedelijkheidsvoorschriften, zooals hierboven gezegd is (Ce Kw., 3e Art.), en daarom kunnen de overige zedelijke voorschriften daarnaar onderscheiden worden; maar de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften hebben een andere reden en verplichting, nl. niet krachtens de natuurlijke rede, maar alleen krachtens instelling, en zoo is er voor hun onderscheiding een andere reden.2. De voorschriften van de Tien Geboden zijn de eerste onder de zedelijkheidsvoorschriften, zoals hierboven gezegd is (100e Kw., 3e Art.), en daarom kunnen de overige zedelijke voorschriften daarnaar onderscheiden worden; maar de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften hebben een andere reden en verplichting, nl. niet krachtens de natuurlijke rede, maar alleen krachtens instelling, en zo is er voor hun onderscheiding een andere reden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ex ipsis rebus, quae per praecepta judicialia ordinantur in lege, innuit lex distinctionem judicialium praeceptorum.

3. Door de zaken zelf, die door de rechtsregels in de Wet worden geordend, geeft de Wet de verdeeling van de rechtsregels aan.3. Door de zaken zelf, die door de rechtsregels in de Wet worden geordend, geeft de Wet de verdeling van de rechtsregels aan.