De duratione caeremonialium praeceptorum
Over den duur der ceremonieel-voorschriftenOver de duur van de ceremonieel-voorschriften
448Deinde considerandum est de duratione caeremonialium praeceptorum. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum praecepta caeremonialia fuerint ante legem. — 2. Utrum in lege aliquam virtutem habuerint justificandi. — 3. Utrum cessaverint Christo veniente. — 4. Utrum sit peccatum mortale observare ea post Christum.
448Vervolgens moet gehandeld worden over den duur der ceremonieel-voorschriften. Hieromtrent stellen we vier vragen : 1) Bestonden de ceremoniën der Wet vóór de Wet? 2) Hadden ze gedurende de Oude Wet eenige kracht om rechtvaardig te maken? 3) Hielden ze bij de komst van Christus op? 4) Is het doodzonde ze na Christus nog te onderhouden?448Vervolgens moet gehandeld worden over de duur van de ceremonieel-voorschriften. Hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Bestonden de ceremoniën van de Wet vóór de Wet? 2. Hadden ze gedurende de Oude Wet enige kracht om rechtvaardig te maken? 3. Hielden ze bij de komst van Christus op? 4. Is het doodzonde ze na Christus nog te onderhouden?
Utrum caeremoniae legis fuerint ante legem
Bestonden de ceremoniën der Wet voor de Wet?Bestonden de ceremoniën van de Wet voor de Wet?
449Ad primum sic proceditur. Videtur, quod caeremoniae legis fuerint ante legem : sacrificia enim et holocausta pertinent ad caeremonias veteris legis, ut supra dictum est [q. praec. art. 3] ; sed sacrificia et holocausta fuerunt ante legem : dicitur enim Gen. 4 [v. 3 sq.], quod Cain obtulit de fructibus terrae munera Domino : Abel autem obtulit de primogenitis gregis sui, et de adipibus eorum. Noe etiam obtulit holocausta Domino, ut dicitur Genes. 8 [v. 20] et Abraham similiter, ut dicitur Genes. 22 [v. 13] ; ergo caeremoniae veteris legis fuerunt ante legem.
449Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën der Wet reeds bestonden vóór de Wet. — 1. Immers slacht- en brandoffers behooren tot de ceremoniën der Oude Wet, gelijk vroeger gezegd is (CIIe Kw., 3e Art.). Welnu er waren slacht- en brandoffers vóór de Wet. We lezen immers in Genesis (4, 3, v.), dat Caïn van de vruchten der aarde offerde aan den Heer, Abel echter van de eerstelingen zijner kudde en van het vette derzelven. Ook Noë droeg brandoffers op, wat blijkt uit Genesis (8, 20), en ook Abraham, zooals blijkt uit Genesis (22, 13). Dus bestonden de ceremoniën der Oude Wet reeds vóór de Wet.449Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën van de Wet reeds bestonden vóór de Wet. — 1. Immers slacht- en brandoffers behoren tot de ceremoniën van de Oude Wet, gelijk vroeger gezegd is (102e Kw., 3e Art.). Welnu er waren slacht- en brandoffers vóór de Wet. We lezen immers in Genesis (4, 3, v.), dat Kaïn van de vruchten van de aarde offerde aan de Heer, Abel echter van de eerstelingen van zijn kudde en van het vette derzelven. Ook Noë droeg brandoffers op, wat blijkt uit Genesis (8, 20), en ook Abraham, zoals blijkt uit Genesis (22, 13). Dus bestonden de ceremoniën van de Oude Wet reeds vóór de Wet.
2. Praeterea, ad caeremonias Sacramentorum pertinet constructio altaris et ejus inunctio; sed ista fuerunt ante legem : legitur enim Genes. 13 [v. 45018], quod Abraham aedificavit altare Domino; et de Jacob dicitur Genes. 28 [v. 18], quod tulit lapidem, et erexit in titulum, fundens oleum desuper; ergo caeremoniae legales fuerunt ante legem.
2. Het opslaan en zalven van het altaar behoorden tot de ceremoniën. Welnu dit gebeurde reeds vóór de Wet, want we lezen in Genesis (13, 18), dat Abraham een altaar bouwde voor den Heer, en van Jacob wordt in Genesis (28, 18) gezegd, dat 450hij een steen nam, hem overeind zette tot een gedenkteeken, en er olie over uitgoot. Dus bestonden de ceremoniën der Wet reeds vóór de Wet.2. Het opslaan en zalven van het altaar behoorden tot de ceremoniën. Welnu dit gebeurde reeds vóór de Wet, want we lezen in Genesis (13, 18), dat Abraham een altaar bouwde voor de Heer, en van Jacob wordt in Genesis (28, 18) gezegd, dat 450hij een steen nam, hem overeind zette tot een gedenkteken, en er olie over uitgoot. Dus bestonden de ceremoniën van de Wet reeds vóór de Wet.
3. Praeterea, inter Sacramenta legalia primum dicitur fuisse circumcisio; sed circumcisio fuit ante legem, ut patet Genes. 17 [v. 10 sqq.]. Similiter etiam sacerdotium fuit ante legem : dicitur enim Genes. 14 [v. 18], quod Melchisedech erat sacerdos Dei summi; ergo caeremoniae Sacramentorum fuerunt ante legem.
3. Onder de sacramenten der Wet is de besnijdenis het eerste. Maar de besnijdenis werd reeds toegepast vóór de Wet, zooals blijkt uit Genesis (17, 10 v.v.). Ook het priesterschap bestond reeds vóór de Wet. In Genesis (14, 18) wordt immers gezegd, dat Melchisedech priester was van den allerhoogsten God. Dus bestonden de ceremoniën reeds vóór de Wet.3. Onder de sacramenten van de Wet is de besnijdenis het eerste. Maar de besnijdenis werd reeds toegepast vóór de Wet, zoals blijkt uit Genesis (17, 10 v.v.). Ook het priesterschap bestond reeds vóór de Wet. In Genesis (14, 18) wordt immers gezegd, dat Melchisedech priester was van de allerhoogste God. Dus bestonden de ceremoniën reeds vóór de Wet.
4. Praeterea, discretio mundorum animalium ab immundis pertinet ad caeremonias observantiarum, ut supra dictum est [q. 102. art. 6. ad 1.]; sed talis distinctio fuit ante legem : dicitur enim Gen. 7 [v. 2] : « Ex omnibus mundis animalibus tolle septena et septena, de animantibus vero immundis duo et duo »; ergo caeremoniae legales fuerunt ante legem.
4. Het scheiden der reine dieren van de onreine behoort tot de ceremoniën der onderhoudingen, zooals hierboven gezegd is (CIIe Kw., 6e Art., Antw. op de 1e Bed.). Welnu dit onderscheid werd reeds gemaakt vóór de Wet. In Genesis (7, 2) wordt immers gezegd : « Neem uit alle reine dieren zeven paren, en uit alle onreine dieren twee paren. » Dus bestonden de ceremoniën van de Wet reeds vóór de Wet.4. Het scheiden van de reine dieren van de onreine behoort tot de ceremoniën van de onderhoudingen, zoals hierboven gezegd is (102e Kw., 6e Art., Antw. op de 1e Bed.). Welnu dit onderscheid werd reeds gemaakt vóór de Wet. In Genesis (7, 2) wordt immers gezegd: “Neem uit alle reine dieren zeven paren, en uit alle onreine dieren twee paren.” Dus bestonden de ceremoniën van de Wet reeds vóór de Wet.
Sed contra est, quod dicitur Deut. 6 [v. 1] : « Haec sunt praecepta et caeremoniae, quae mandavit Dominus Deus noster, ut docerem vos » ; 451non autem indiguisset super his doceri si prius praedictae caeremoniae fuissent; ergo caeremoniae legis non fuerunt ante legem.
Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (6, 1) : « Dit zijn de geboden en ceremoniën, welke de Heer, onze God, mij bevolen heeft u te leeren. » Welnu het zou niet noodig 451geweest zijn te leeren, indien ze er te voren reeds waren. Dus bestonden de ceremoniën van de Wet nog niet vóór de Wet.Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (6, 1): “Dit zijn de geboden en ceremoniën, welke de Heer, onze God, mij bevolen heeft u te leren.” Welnu het zou niet nodig 451geweest zijn te leren, indien ze er te voren reeds waren. Dus bestonden de ceremoniën van de Wet nog niet vóór de Wet.
Respondeo dicendum, quod, sicut ex dictis patet [q. 101. art. 2.], caeremoniae legis ad duo ordinabantur, scilicet ad cultum Dei, et ad figurandum Christum. Quicumque autem colit Deum, oportet quod per aliqua determinata eum colat, quae ad exteriorem cultum pertinent; determinatio autem divini cultus pertinet ad caeremonias, sicut etiam determinatio eorum, per quae ordinamur ad proximum, pertinet ad praecepta judicialia, ut supra dictum est [q. 99. art. 4.]. Et ideo sicut inter homines communiter erant aliqua judicialia, non tamen ex auctoritate legis divinae instituta, sed ratione hominum ordinata, ita etiam erant quaedam caeremoniae, non quidem ex auctoritate alicujus legis determinatae, sed solum secundum voluntatem et devotionem hominum Deum colentium. Sed quia etiam ante legem fuerunt quidam viri praecipui, prophetico spiritu pollentes, credendum est, quod ex 452instinctu divino, quasi ex quadam privata lege, inducerentur ad aliquem certum modum colendi Deum, qui et conveniens esset interiori cultui, et etiam congrueret ad significandum Christi mysteria, quae figurabantur etiam per alia eorum gesta, secundum illud 1. Cor. 10 [v. 11] : « Omnia in figura contingebant illis. » Fuerunt igitur ante legem quaedam caeremoniae, non tamen caeremoniae legis, quia non erant per aliquam legislationem institutae.
Leerstelling. — Gelijk uit het voorgaande blijkt (CIe Kw., 2e Art.), hadden de ceremoniën een dubbel doel; ze hadden nl. betrekking op den eeredienst van God, en moesten Christus voorbeduiden. Welnu alwie God wil vereeren, moet dit doen door bepaalde handelingen, die tot den uiterlijken eeredienst behooren. De nadere bepaling van den eeredienst valt onder de ceremoniën, zooals ook de nadere bepaling van die handelingen, waardoor we ons tot den naaste verhouden, behoort tot de rechtsregels, zooals hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 4e Art.). Evenals er dus onder de menschen sommige rechtsregels in gebruik waren, die niet ingesteld waren krachtens het gezag der goddelijke Wet, maar door de menschelijke rede, zoo ook waren er enkele ceremoniën, die niet bepaald waren krachtens een of andere wet, maar alleen overeenkomstig den wil en de devotie der God vereerende menschen. Maar daar er ook vóór de Wet mannen waren, bezield met profetischen geest, moet men het voor waar houden, dat ze door goddelijke ingeving als het ware door een private wet 452gedreven werden tot een bepaalde wijze van God te dienen, die zoowel beantwoordde aan de innerlijke eerbewijzing als ook geschikt was om de mysteries van Christus aan te duiden, die ook beteekend werden door andere van hun daden, volgens het woord uit den Ien Brief aan de Corinthiërs (10, 11) : « Alles deden ze ter voorbeduiding. » Ook vóór de Wet waren er dus enkele ceremoniën, die echter niet wettelijk waren.Leerstelling. — Gelijk uit het voorgaande blijkt (101e Kw., 2e Art.), hadden de ceremoniën een dubbel doel; ze hadden nl. betrekking op de eredienst van God, en moesten Christus voorbeduiden. Welnu alwie God wil vereren, moet dit doen door bepaalde handelingen, die tot de uiterlijke eredienst behoren. De nadere bepaling van de eredienst valt onder de ceremoniën, zoals ook de nadere bepaling van die handelingen, waardoor we ons tot de naaste verhouden, behoort tot de rechtsregels, zoals hierboven gezegd is (99e Kw., 4e Art.). Evenals er dus onder de mensen sommige rechtsregels in gebruik waren, die niet ingesteld waren krachtens het gezag van de goddelijke Wet, maar door de menselijke rede, zo ook waren er enkele ceremoniën, die niet bepaald waren krachtens een of andere wet, maar alleen overeenkomstig de wil en de devotie van de God vererende mensen. Maar daar er ook vóór de Wet mannen waren, bezield met profetische geest, moet men het voor waar houden, dat ze door goddelijke ingeving als het ware door een private wet 452gedreven werden tot een bepaalde wijze van God te dienen, die zowel beantwoordde aan de innerlijke eerbewijzing als ook geschikt was om de mysteries van Christus aan te duiden, die ook betekend werden door andere van hun daden, volgens het woord uit de 1e Brief aan de Korintiërs (10, 11): “Alles deden ze ter voorbeduiding.” Ook vóór de Wet waren er dus enkele ceremoniën, die echter niet wettelijk waren.
Ad primum ergo dicendum, quod hujusmodi oblationes, et sacrificia, et holocausta offerebant antiqui ante legem ex quadam devotione propriae voluntatis, secundum quod eis videbatur conveniens, ut in rebus, quas a Deo acceperant, quas in reverentiam divinam offerrent, protestarentur se colere Deum, qui est omnium principium et finis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke gaven en zoen- of brandoffers droegen de Ouden op vóór de Wet bestond, naar eigen willekeur, overeenkomstig eigen devotie, in zoover het hen passend voorkwam, door de zaken, die ze van God ontvangen hadden en die ze ter eere Gods opdroegen, hun vereering uit te drukken voor God, die het begin en het einde van alles is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dergelijke gaven en zoen- of brandoffers droegen de Ouden op vóór de Wet bestond, naar eigen willekeur, overeenkomstig eigen devotie, in zover het hen passend voorkwam, door de zaken, die ze van God ontvangen hadden en die ze ter ere Gods opdroegen, hun verering uit te drukken voor God, die het begin en het einde van alles is.
Ad secundum dicendum, quod etiam sacra quaedam instituerunt, quia videbatur eis conveniens, ut in reverentiam divinam essent aliqua loca ab aliis distincta divino cultui mancipata.
2. Ook heiligden ze sommige plaatsen, daar het hen passend voorkwam, dat er sommige plaatsen waren, voor den eeredienst bestemd, en afgescheiden van de overige plaatsen.2. Ook heiligden ze sommige plaatsen, daar het hen passend voorkwam, dat er sommige plaatsen waren, voor de eredienst bestemd, en afgescheiden van de overige plaatsen.
Ad tertium, dicendum, quod sacramentum circumcisionis praecepto 453divino fuit statutum ante legem; unde non potest dici sacramentum legis, quasi in lege institutum, sed solum quasi in lege observatum. Et hoc est quod Dominus dicit Joann. 7 [v. 22] : « Circumcisio non ex Moyse est, sed ex patribus ejus » ; sacerdotium etiam erat ante legem apud colentes Deum secundum humanam determinationem, qui hanc dignitatem primogenitis attribuebant.
3. Het sacrament der besnijdenis was op bevel van God vóór 453de Wet ingesteld. Vandaar kan het geen sacrament der Wet genoemd worden als door haar ingesteld, maar alleen als nog onder de Wet onderhouden. Dit ook is de beteekenis van de woorden van den Heer bij Johannes (7, 22) : « De besnijdenis is niet van Mozes, maar van zijn vaders. » Het priesterschap was ook vóór de Wet bij de vereerders van God krachtens bepaling der menschen, die die waardigheid aan de eerstgeborenen toekenden.3. Het sacrament van de besnijdenis was op bevel van God vóór 453de Wet ingesteld. Vandaar kan het geen sacrament van de Wet genoemd worden als door haar ingesteld, maar alleen als nog onder de Wet onderhouden. Dit ook is de betekenis van de woorden van de Heer bij Johannes (7, 22): “De besnijdenis is niet van Mozes, maar van zijn vaders.” Het priesterschap was ook vóór de Wet bij de vereerders van God krachtens bepaling van de mensen, die die waardigheid aan de eerstgeborenen toekenden.
Ad quartum dicendum, quod distinctio mundorum animalium et immundorum non fuit ante legem quantum ad esum, cum dictum sit Genes. 9. [v. 3] : « Omne quod movetur et vivit, erit vobis in cibum », sed solum quantum ad sacrificiorum oblationem, quia de quibusdam determinatis animalibus sacrificia offerebant. Si tamen quantum ad esum erat aliqua animalium discretio, hoc non erat, quia esus illorum reputaretur illicitus, cum nulla lege esset prohibitus, sed propter abominationem, vel consuetudinem, sicut et nunc videmus quod aliqua cibaria sunt in aliquibus terris abominabilia, quae in aliis comeduntur.
4. Het onderscheid tusschen reine en onreine dieren had vóór de Wet geen betrekking op het gebruik, daar in Genesis (9, 3) gezegd wordt : « Alles wat beweegt en leeft zal u tot voedsel zijn. » Het had alleen betrekking op het opdragen van offers, daar er alleen van bepaalde dieren offers opgedragen werden. Indien er echter met betrekking tot het gebruik onderscheid gemaakt werd voor bepaalde dieren, dan was dit niet omdat het gebruik er van voor ongeoorloofd gehouden werd — immers geen enkele wet verbood het — maar uit verafschuwing of uit gewoonte, gelijk we ook nu nog zien, dat sommige eetwaren op bepaalde plaatsen verafschuwd worden en op andere gebruikt worden.4. Het onderscheid tussen reine en onreine dieren had vóór de Wet geen betrekking op het gebruik, daar in Genesis (9, 3) gezegd wordt: “Alles wat beweegt en leeft zal u tot voedsel zijn.” Het had alleen betrekking op het opdragen van offers, daar er alleen van bepaalde dieren offers opgedragen werden. Indien er echter met betrekking tot het gebruik onderscheid gemaakt werd voor bepaalde dieren, dan was dit niet omdat het gebruik er van voor ongeoorloofd gehouden werd — immers geen enkele wet verbood het — maar uit verafschuwing of uit gewoonte, gelijk we ook nu nog zien, dat sommige eetwaren op bepaalde plaatsen verafschuwd worden en op andere gebruikt worden.
Utrum caeremoniae veteris legis habuerint virtutem justificandi tempore legis
Hadden de ceremoniën der Oude Wet gedurende de Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking?Hadden de ceremoniën van de Oude Wet gedurende de Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking?
454Ad secundum sic proceditur Videtur, quod caeremoniae veteris legis habebant virtutem justificandi tempore legis : expiatio enim a peccato, et consecratio hominis ad justificationem pertinent; sed Exod. 29 [v. 21] dicitur, quod per aspersionem sanguinis, et inunctionem olei consecrabantur Sacerdotes et vestes eorum, et Lev. 16 [v. 16] dicitur, quod Sacerdos per aspersionem sanguinis vituli expiabat Sanctuarium ab immunditiis filiorum Israël et a praevaricationibus eorum atque peccatis; ergo caeremoniae veteris legis habebant virtutem justificandi.
454Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën der Oude Wet ten tijde der Wet kracht ter rechtvaardigmaking hadden. — 1. Zuivering immers van zonde en wijding van den mensch behooren tot de rechtvaardigmaking. Welnu in Exodus (29, 21) wordt gezegd, dat de priesters en hunne kleederen werden gewijd door sprenkeling met bloed en zalving met olie, en in Leviticus (16, 16) wordt gezegd, dat de priesters door besprenkeling met het bloed van een lam het heiligdom zuiverden van de onreinheden der kinderen van Israël en van hun overtredingen en van al hun zonden. Dus hadden de ceremoniën der Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking.454Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën van de Oude Wet ten tijde van de Wet kracht ter rechtvaardigmaking hadden. — 1. Zuivering immers van zonde en wijding van de mens behoren tot de rechtvaardigmaking. Welnu in Exodus (29, 21) wordt gezegd, dat de priesters en hun klederen werden gewijd door sprenkeling met bloed en zalving met olie, en in Leviticus (16, 16) wordt gezegd, dat de priesters door besprenkeling met het bloed van een lam het heiligdom zuiverden van de onreinheden van de kinderen van Israël en van hun overtredingen en van al hun zonden. Dus hadden de ceremoniën van de Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking.
2. Praeterea, id per quod homo placet Deo, ad justitiam pertinet, secundum illud Ps. 10 [v. 3] : « Justus Dominus, et justitias dilexit. » 455Sed per caeremonias aliqui Deo placebant, secundum illud Levit. 10 [v. 19] : « Quomodo potui.... placere Domino in caeremoniis mente lugubri? » Ergo caeremoniae veteris legis habebant virtutem justificandi.
2. Datgene, waardoor de mensch aan God behaagt, valt onder de rechtvaardigheid, volgens Psalm 10, 3: « Rechtvaardig is de Heer en Hij bemint wat recht is. » Welnu door de ceremoniën 455behaagden sommigen aan God, overeenkomstig Leviticus (10, 19) : « Hoe kan ik den Heer behagen door de ceremoniën met een rouwvol gemoed? » Bijgevolg hadden de ceremoniën der Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking.2. Datgene, waardoor de mens aan God behaagt, valt onder de rechtvaardigheid, volgens Psalm 10, 3a: “Rechtvaardig is de Heer en Hij bemint wat recht is.” Welnu door de ceremoniën 455behaagden sommigen aan God, overeenkomstig Leviticus (10, 19): “Hoe kan ik de Heer behagen door de ceremoniën met een rouwvol gemoed?” Bijgevolg hadden de ceremoniën van de Oude Wet kracht van rechtvaardigmaking.
3. Praeterea, ea quae sunt divini cultus, magis pertinent ad animam, quam ad corpus, secundum illud Ps. 18 [v. 8] : « Lex Domini immaculata, convertens animas. » Sed per caeremonias veteris legis mundabatur leprosus, ut dicitur Levit. 14; ergo multo magis caeremoniae veteris legis poterant mundare animam justificando.
3. Wat betrekking heeft op den eeredienst van God, behoort meer tot de ziel dan tot het lichaam, naar het woord van Psalm 18, 8: « De wet des Heeren is zuiver en keert de harten om. » Welnu door de ceremoniën der Oude Wet werd een melaatsche gereinigd, zooals we lezen in Leviticus (14). Dus konden de ceremoniën der Oude Wet zooveel te meer de ziel reinigen door haar rechtvaardig te maken.3. Wat betrekking heeft op de eredienst van God, behoort meer tot de ziel dan tot het lichaam, naar het woord van Psalm 18, 8b: “De wet van de Heer is zuiver en keert de harten om.” Welnu door de ceremoniën van de Oude Wet werd een melaatse gereinigd, zoals we lezen in Leviticus (14). Dus konden de ceremoniën van de Oude Wet zoveel te meer de ziel reinigen door haar rechtvaardig te maken.
Sed contra est, quod Apostolus dicit Gal. 2 [v. 21] : « Si data esset lex, quae posset justificare, Christus gratis mortuus esset », idest sine causa; sed hoc est inconveniens; ergo caeremoniae veteris legis non justificabant.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (2, 21) : « Indien er een wet gegeven was, die rechtvaardig zou kunnen maken, zou Christus om niet gestorven zijn », d. i. zonder reden. Dit is echter onaannemelijk, en bijgevolg maakten de ceremoniën der Oude Wet niet rechtvaardig.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (2, 21): “Indien er een wet gegeven was, die rechtvaardig zou kunnen maken, zou Christus om niet gestorven zijn”, d.i. zonder reden. Dit is echter onaannemelijk, en bijgevolg maakten de ceremoniën van de Oude Wet niet rechtvaardig.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 102. art. 5. ad 5.], in veteri lege duplex immunditia observabatur : una quidem spiritualis, 456quae est immunditia culpae, alia vero corporalis, quae tollebat idoneitatem ad cultum divinum, sicut leprosus dicebatur immundus, vel ille qui tangebat aliquod morticinium; et sic immunditia nihil aliud erat, quam irregularitas quaedam. Ab hac igitur immunditia caeremoniae veteris legis habebant virtutem emundandi, quia hujusmodi caeremoniae erant quaedam remedia adhibita ex ordinatione legis ad tollendas praedictas immunditias ex statuto legis inductas; et ideo Apostolus dicit ad Hebr. 9 [v. 13] quod « sanguis hircorum et taurorum et cinis vitulae aspersus inquinatos sanctificat ad emundationem carnis », et sicut ista immunditia, quae per hujusmodi caeremonias emundabatur, erat magis carnis quam mentis, ita etiam ipsae caeremoniae justitiae carnis dicuntur ab ipso Apostolo, parum supra [v. 10.] : Justitiis, inquit, carnis usque ad tempus correctionis impositis.
Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (CIIe Kw., 5e Art., Antw. op de 5e Bed.), was er tijdens de Oude Wet een 456tweevoudige onreinheid : ten eerste een geestelijke, nl. de onzuiverheid der zondeschuld; ten tweede een lichamelijke, waardoor iemand ongeschikt was tot den eeredienst. Zoo werd een melaatsche of iemand die iets doods aanraakte onrein genoemd. In dien zin is de onreinheid niets anders dan een tekortkomen aan bepaalde voorschriften. Van die onreinheid nu konden de ceremoniën der Oude Wet zuiveren, daar die ceremoniën bepaalde middelen waren, die krachtens wettelijke verordening aangewend werden, om genoemde onreinheid weg te nemen, die uit de Wet zelf volgde. In dien zin zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (9, 13), dat het bloed van bokken en stieren, en de bestrooiing met asch van een vaars de onreinen heiligt, om rein te worden naar het vleesch. Evenals nu die onreinheid, die door dergelijke ceremoniën werd opgeheven, meer was een onreinheid van het vleesch dan van den geest, zoo ook werden die ceremoniën zelf ook door den Apostel een weinig hooger (v. 10) gerechtigheden van het vleesch genoemd, opgelegd tot den tijd der hervorming.Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (102e Kw., 5e Art., Antw. op de 5e Bed.), was er tijdens de Oude Wet een 456tweevoudige onreinheid: ten eerste een geestelijke, nl. de onzuiverheid van de zondeschuld; ten tweede een lichamelijke, waardoor iemand ongeschikt was tot de eredienst. Zo werd een melaatse of iemand die iets doods aanraakte onrein genoemd. In die zin is de onreinheid niets anders dan een tekortkomen aan bepaalde voorschriften. Van die onreinheid nu konden de ceremoniën van de Oude Wet zuiveren, daar die ceremoniën bepaalde middelen waren, die krachtens wettelijke verordening aangewend werden, om genoemde onreinheid weg te nemen, die uit de Wet zelf volgde. In die zin zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (9, 13), dat het bloed van bokken en stieren, en de bestrooiing met as van een vaars de onreinen heiligt, om rein te worden naar het vlees. Evenals nu die onreinheid, die door dergelijke ceremoniën werd opgeheven, meer was een onreinheid van het vlees dan van de geest, zo ook werden die ceremoniën zelf ook door de Apostel een weinig hoger (v. 10) gerechtigheden van het vlees genoemd, opgelegd tot de tijd van de hervorming.
Ab immunditia vero mentis, quae est immunditia culpae, non habebant virtutem expiandi, et hoc ideo, quia expiatio a peccatis numquam fieri potuit nisi per Christum, qui tollit peccata mundi, ut dicitur Joan. 1. [v. 29]; et 457quia mysterium incarnationis et passionis Christi nondum erat realiter peractum, veteris legis caeremoniae non poterant in se continere realiter virtutem profluentem a Christo incarnato et passo, sicut continent sacramenta novae legis, et ideo non poterant a peccato mundare, sicut Apostolus dicit ad Heb. 10 [v. 4], quod « impossibile est sanguine taurorum, aut hircorum auferri peccata », et hoc est quod Gal. 4 [v. 9] Apostolus vocat ea « egena et infirma elementa » : infirma quidem, quia non possunt a peccato mundare; sed haec infirmitas provenit ex eo quod sunt egena, idest eo quod non continent in se gratiam.
Op de onreinheid van den geest echter, nl. de onzuiverheid der zondeschuld, werkten ze niet zuiverend, en dit omdat de zuivering van zonden alleen kan geschieden door Christus die, zooals 457we lezen bij Johannes (1, 29), wegneemt de zonden der wereld. Omdat nu het mysterie van de menschwording en het lijden van Christus nog niet was voltrokken, konden de ceremoniën der Oude Wet in zich niet werkelijk de kracht bevatten, die voortkomt van de menschwording en van het lijden van Christus, zooals de Sacramenten der Nieuwe Wet, en daarom konden ze niet van zonden zuiveren, gelijk ook de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (10, 4) : « Het is onmogelijk door het bloed van bokken en stieren zonden weg te nemen. » Dit bedoelt de Apostel ook wanneer hij ze in zijn Brief aan de Galaten (4, 9) zwakke en behoeftige elementen noemt. Ze waren zwak, daar ze niet van zonden konden zuiveren, maar die zwakheid stamt uit hun behoeftigheid, d. i. uit het feit, dat ze in zich niet de genade bevatten.Op de onreinheid van de geest echter, nl. de onzuiverheid van de zondeschuld, werkten ze niet zuiverend, en dit omdat de zuivering van zonden alleen kan geschieden door Christus die, zoals 457we lezen bij Johannes (1, 29), wegneemt de zonden van de wereld. Omdat nu het mysterie van de menswording en het lijden van Christus nog niet was voltrokken, konden de ceremoniën van de Oude Wet in zich niet werkelijk de kracht bevatten, die voortkomt van de menswording en van het lijden van Christus, zoals de Sacramenten van de Nieuwe Wet, en daarom konden ze niet van zonden zuiveren, gelijk ook de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (10, 4): “Het is onmogelijk door het bloed van bokken en stieren zonden weg te nemen.” Dit bedoelt de Apostel ook wanneer hij ze in zijn Brief aan de Galaten (4, 9) zwakke en behoeftige elementen noemt. Ze waren zwak, daar ze niet van zonden konden zuiveren, maar die zwakheid stamt uit hun behoeftigheid, d.i. uit het feit, dat ze in zich niet de genade bevatten.
Poterat autem mens fidelium tempore legis per fidem conjungi Christo incarnato et passo, et ita ex fide Christi justificabantur : cujus fidei quaedam protestatio erat hujusmodi caeremoniarum observatio, inquantum erant figura Christi; et ideo pro peccatis offerebantur sacrificia quaedam in veteri lege, non quia ipsa sacrificia a peccato emundarent, sed quia erant quaedam protestationes fidei, quae a peccato mundabat. Et hoc etiam ipsa lex innuit 458ex modo loquendi. Dicitur enim Lev. 4. et 5. quod in oblatione hostiarum pro peccato orabit pro eo Sacerdos, et dimittetur ei, quasi peccatum dimittatur non vi sacrificiorum, sed ex fide et devotione offerentium. Sciendum est tamen, quod hoc ipsum quod veteris legis caeremoniae a corporalibus immunditiis expiabant, erat in figura expiationis a peccatis, quae fit per Christum.
De geest der geloovigen kon echter onder de Wet door het geloof verbonden worden met de menschwording en het lijden van Christus, en in dien zin werden ze gerechtvaardigd door het geloof aan Christus. De onderhouding van die ceremoniën nu was een uiting van dat geloof, voor zoover ze een voorbeduiding van Christus waren. Daarom werden onder de Oude Wet offers opgedragen voor de zonden, niet omdat die offers zelf zuiverden 458van zonden, maar omdat ze uitingen waren van het geloof, dat bevrijdde van de zonden. Dit duidt de Wet zelf aan : we lezen immers in Leviticus (4 en 5), dat bij het opdragen van offers voor de zonden de priester voor hen zal bidden en hen zal vergeven, als werd de zonde vergeven, niet krachtens het offer, maar krachtens het geloof en de devotie van degenen, die offerden. Men houde echter goed in het oog, dat juist het feit, dat de ceremoniën der Oude Wet van de lichamelijke onreinheden zuiverden, een voorbeduiding was van de zonde-zuivering, die geschiedde door Christus.De geest van de gelovigen kon echter onder de Wet door het geloof verbonden worden met de menswording en het lijden van Christus, en in die zin werden ze gerechtvaardigd door het geloof aan Christus. De onderhouding van die ceremoniën nu was een uiting van dat geloof, voor zover ze een voorbeduiding van Christus waren. Daarom werden onder de Oude Wet offers opgedragen voor de zonden, niet omdat die offers zelf zuiverden 458van zonden, maar omdat ze uitingen waren van het geloof, dat bevrijdde van de zonden. Dit duidt de Wet zelf aan: we lezen immers in Leviticus (4 en 5), dat bij het opdragen van offers voor de zonden de priester voor hen zal bidden en hen zal vergeven, als werd de zonde vergeven, niet krachtens het offer, maar krachtens het geloof en de devotie van degenen, die offerden. Men houde echter goed in het oog, dat juist het feit, dat de ceremoniën van de Oude Wet van de lichamelijke onreinheden zuiverden, een voorbeduiding was van de zonde-zuivering, die geschiedde door Christus.
Sic igitur patet, quod caeremoniae in statu veteris legis non habebant virtutem justificandi.
Zoo blijkt het, dat de ceremoniën tijdens de Oude Wet geen kracht ter rechtvaardigmaking hadden.Zo blijkt het, dat de ceremoniën tijdens de Oude Wet geen kracht ter rechtvaardigmaking hadden.
Ad primum ergo dicendum, quod illa sanctificatio sacerdotis et filiorum ejus, et vestium ipsorum, vel quorumcumque aliorum per aspersionem sanguinis, nihil aliud erat, quam deputatio ad divinum cultum et remotio impedimentorum ad emundationem carnis, ut Apostolus dicit [Hebr. 9, v. 13] in praefigurationem illius sanctificationis, qua Jesus per suum sanguinem sanctificavit populum. Haec ergo expiatio ad remotionem hujusmodi 459corporalium immunditiarum referenda est, non ad remotionem culpae. Unde etiam Sanctuarium expiari dicitur, quod culpae subjectum esse non poterat.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiliging van den priester en zijn zonen en hun kleederen of van wat ook, door besprenkeling met bloed, was niets anders dan het bestemmen tot den eeredienst van God en het wegnemen van de hindernissen tot de zuiveringen van het vleesch, zooals de Apostel zegt (in zijn Brief aan de Hebreërs, 9, 13), in voorbeduiding van de heiligmaking waardoor Jesus door zijn bloed het volk geheiligd heeft. De ontzondiging moet dus worden teruggebracht tot het 459verwijderen van dergelijke lichamelijke onreinheden, en niet tot de verwijdering van schuld. Vandaar wordt ook van het heiligdom, dat geen drager van schuld kan zijn, gezegd, dat het ontzondigd werd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De heiliging van de priester en zijn zonen en hun klederen of van wat ook, door besprenkeling met bloed, was niets anders dan het bestemmen tot de eredienst van God en het wegnemen van de hindernissen tot de zuiveringen van het vlees, zoals de Apostel zegt (in zijn Brief aan de Hebreërs, 9, 13), in voorbeduiding van de heiligmaking waardoor Jesus door zijn bloed het volk geheiligd heeft. De ontzondiging moet dus worden teruggebracht tot het 459verwijderen van dergelijke lichamelijke onreinheden, en niet tot de verwijdering van schuld. Vandaar wordt ook van het heiligdom, dat geen drager van schuld kan zijn, gezegd, dat het ontzondigd werd.
Ad secundum dicendum, quod Sacerdotes placebant Deo in caeremoniis propter obedientiam et devotionem, et fidem rei praefiguratae, non autem propter ipsas res secundum se consideratas.
2. De priesters behaagden aan God in de ceremoniën, om de gehoorzaamheid en de devotie en het geloof aan de voorbeduide zaak, niet echter om de zaken op zichzelf beschouwd.
Ad tertium dicendum, quod caeremoniae illae, quae erant institutae in emundatione leprosi, non ordinabantur ad tollendam immunditiam infirmitatis leprae; quod patet ex hoc quod non adhibebantur hujusmodi caeremoniae nisi jam emundato : unde dicitur Levit. 14 [v. 3 sq.], quod « Sacerdos egressus de castris, cum invenerit lepram esse mundatam, praecipiet ei qui purificatur, ut offerat » etc., ex quo patet, quod sacerdos constituebatur judex leprae mundatae, non autem emundandae. Adhibebantur autem hujusmodi caeremoniae ad tollendam immunditiam irregularitatis. Dicunt tamen, quod quandoque si contingeret sacerdotem errare in judicando, miraculose 460leprosus mundabatur a Deo virtute divina, non autem virtute sacrificiorum, sicut etiam miraculose mulieris adulterae computrescebat femur bibitis aquis, in quibus sacerdos maledicta congesserat, ut habetur Num. 5 [v. 27].
3. De ceremoniën die ingesteld waren tot reiniging van een melaatsche, waren niet geordend tot het opheffen van de ziekte der melaatschheid, wat blijkt uit het feit, dat dergelijke ceremoniën niet werden aangewend, tenzij bij een reeds genezene. Vandaar wordt er in Leviticus (14, 3 v.) gezegd, dat de priester buiten de legerplaats zal gaan, en wanneer hij bevindt, dat de melaatschheid genezen is, aan hem die gezuiverd is, zal gelasten te offeren, enz. Hieruit blijkt, dat de priester werd aangesteld om te oordeelen over de genezing van de melaatschheid en niet over de melaatschheid, die nog genezen moest worden. Dergelijke ceremoniën werden dan aangewend om de onreinheid door tekortkoming aan bepaalde voorschriften op te heffen. Men zegt echter, dat het wel eens voorgekomen is, dat toen een priester zich vergiste in zijn oordeel over een melaatsche, de melaatsche 460wonderbaar genezen werd, echter door de kracht van God, en niet door de kracht van de offers, zooals ook de schaamdeelen van een overspelige vrouw op wonderbare wijze verrotten, wanneer zij van het water dronk, dat de priester vervloekt had, zooals staat in het Boek Numeri (5, 27.).3. De ceremoniën die ingesteld waren tot reiniging van een melaatse, waren niet geordend tot het opheffen van de ziekte van de melaatsheid, wat blijkt uit het feit, dat dergelijke ceremoniën niet werden aangewend, tenzij bij een reeds genezene. Vandaar wordt er in Leviticus (14, 3 v.) gezegd, dat de priester buiten de legerplaats zal gaan, en wanneer hij bevindt, dat de melaatsheid genezen is, aan hem die gezuiverd is, zal gelasten te offeren, enz. Hieruit blijkt, dat de priester werd aangesteld om te oordelen over de genezing van de melaatsheid en niet over de melaatsheid, die nog genezen moest worden. Dergelijke ceremoniën werden dan aangewend om de onreinheid door tekortkoming aan bepaalde voorschriften op te heffen. Men zegt echter, dat het wel eens voorgekomen is, dat toen een priester zich vergiste in zijn oordeel over een melaatse, de melaatse 460wonderbaar genezen werd, echter door de kracht van God, en niet door de kracht van de offers, zoals ook de schaamdelen van een overspelige vrouw op wonderbare wijze verrotten, wanneer zij van het water dronk, dat de priester vervloekt had, zoals staat in het Boek Numeri (5, 27.).
Utrum caeremoniae veteris legis cessaverint in adventu Christi
Hielden de ceremoniën der Oude Wet bij de komst van Christus op?Hielden de ceremoniën van de Oude Wet bij de komst van Christus op?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod caeremoniae veteris legis non cessaverint in Christi adventu : dicitur enim Baruch 4 [v. 1] : « Hic est liber mandatorum Dei, et lex quae est in aeternum. » Sed ad legem pertinebant legis caeremoniae; ergo legis caeremoniae in aeternum duraturae erant.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën der Oude Wet niet ophielden bij de komst van Christus. — 1. In Baruch (4, 1) immers wordt gezegd : « Dit is het boek van de bevelen van God, en de Wet, die duurt in eeuwigheid. » Welnu de ceremoniën der Wet vallen onder de Wet. Dus zullen ze tot in eeuwigheid duren.Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën van de Oude Wet niet ophielden bij de komst van Christus. — 1. In Baruch (4, 1) immers wordt gezegd: “Dit is het boek van de bevelen van God, en de Wet, die duurt in eeuwigheid.” Welnu de ceremoniën van de Wet vallen onder de Wet. Dus zullen ze tot in eeuwigheid duren.
2. Praeterea, oblatio mundati leprosi ad legis caeremonias pertinebat; sed etiam in Evangelio praecipitur leproso emundato, ut hujusmodi 461oblationes offerat [Matt. 8, v. 4] ; ergo caeremoniae veteris legis non cessaverunt Christo veniente.
2. Het offer van den genezen melaatsche behoorde tot de ceremoniën der Wet. Welnu ook in het Evangelie wordt aan een 461genezen melaatsche bevolen, dat hij dergelijke offers op zou dragen (Mattheus, 8, 4). Bijgevolg hebben de voorschriften der Wet niet opgehouden bij de komst van Christus.2. Het offer van de genezen melaatse behoorde tot de ceremoniën van de Wet. Welnu ook in het Evangelie wordt aan een 461genezen melaatse bevolen, dat hij dergelijke offers op zou dragen (Matteüs, 8, 4). Bijgevolg hebben de voorschriften van de Wet niet opgehouden bij de komst van Christus.
3. Praeterea, manente causa, manet effectus; sed caeremoniae veteris legis habebant quasdam rationabiles causas, inquantum ordinabantur ad cultum divinum, etiam praeter hoc quod ordinabantur in figuram Christi; ergo caeremoniae veteris legis cessare non debuerunt.
3. Zoolang de oorzaak blijft, blijft ook het gevolg. Welnu de ceremoniën der Oude Wet vonden hun redelijken grond niet alleen hierin, dat ze geordend waren tot de voorbeduiding van Christus, maar ook hierin, dat ze geordend waren tot den goddelijken eeredienst. Dus moesten de ceremoniën der Oude Wet niet ophouden.3. Zolang de oorzaak blijft, blijft ook het gevolg. Welnu de ceremoniën van de Oude Wet vonden hun redelijken grond niet alleen hierin, dat ze geordend waren tot de voorbeduiding van Christus, maar ook hierin, dat ze geordend waren tot de goddelijke eredienst. Dus moesten de ceremoniën van de Oude Wet niet ophouden.
4. Praeterea, circumcisio erat instituta in signum fidei Abrahae; observatio autem Sabbati ad recolendum beneficium creationis; et aliae solemnitates legis ad recolendum alia beneficia Dei, ut supra dictum est [q. praec. art. 4. ad 10] ; sed fides Abrahae est semper imitanda etiam a nobis, et beneficium creationis, et alia Dei beneficia semper sunt recolenda; ergo ad minus circumcisio et solemnitates legis cessare non debuerunt.
4. De besnijdenis was ingesteld ten teeken van het geloof van Abraham; de onderhouding van den Sabbat, om de weldaad der schepping te gedenken; de andere plechtigheden der Wet, om andere weldaden van God te herdenken, zooals hierboven gezegd is (CIIe Kw., 4e Art., antw. op de 10e Bed.). Welnu het geloof van Abraham moet altijd nagevolgd worden, ook door ons, en de weldaad der schepping en andere weldaden moeten altijd worden herdacht. Dus moesten minstens de besnijdenis en de plechtigheden der Wet blijven voortduren.4. De besnijdenis was ingesteld ten teken van het geloof van Abraham; de onderhouding van de Sabbat, om de weldaad van de schepping te gedenken; de andere plechtigheden van de Wet, om andere weldaden van God te herdenken, zoals hierboven gezegd is (102e Kw., 4e Art., antw. op de 10e Bed.). Welnu het geloof van Abraham moet altijd nagevolgd worden, ook door ons, en de weldaad van de schepping en andere weldaden moeten altijd worden herdacht. Dus moesten minstens de besnijdenis en de plechtigheden van de Wet blijven voortduren.
462Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Col. 2 [v. 16] : « Nemo vos judicet in cibo, aut in potu, aut in parte diei festi, aut neomeniae, aut sabbatorum, quae sunt umbra futurorum » ; et ad Hebr. 8 [v. 13] dicitur, quod « dicendo novum testamentum veteravit prius; quod autem antiquatur, et senescit, prope interitum est. »
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Colossers (2, 16) : « Dat niemand U oordeele over spijs en over drank of over feesttijden of nieuwe maan of sabbatdagen, die zijn de schaduw van de komende dingen » ; en in den Brief aan de Hebreërs (8, 13) wordt gezegd, dat het Nieuw 462Verbond het vorige heeft verouderd; wat echter veroudert en vervalt, is bijna vergaan.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Kolossenzen (2, 16): “Dat niemand U oordele over spijs en over drank of over feesttijden of nieuwe maan of sabbatdagen, die zijn de schaduw van de komende dingen”; en in de Brief aan de Hebreërs (8, 13) wordt gezegd, dat het Nieuw 462Verbond het vorige heeft verouderd; wat echter veroudert en vervalt, is bijna vergaan.
Respondeo dicendum, quod omnia praecepta caeremonialia veteris legis ad cultum Dei sunt ordinata, ut supra dictum est [q. 101. art. 1. et 2]. Exterior autem cultus proportionari debet interiori cultui, qui consistit in fide, spe, et charitate; unde secundum diversitatem interioris cultus debuit diversificari exterior cultus. Potest autem triplex status distingui interioris cultus. Unus quidem, secundum quem habetur fides et spes, et de bonis coelestibus, et de his, per quae in coelestia introducimur, de utrisque quidem, sicut de quibusdam futuris. Et talis fuit status fidei et spei in veteri lege. Alius autem est status interioris cultus, in quo habetur fides et spes de coelestibus bonis, sicut de quibusdam futuris, sed de his, per quae introducimur in coelestia, sicut de praesentibus vel praeteritis. Et iste est status novae legis. Tertius 463autem status est, in quo utraque habentur ut praesentia, et nihil creditur ut absens, neque speratur ut futurum. Et iste est status beatorum.
Leerstelling. — Alle ceremonieel-voorschriften der Oude Wet waren geordend tot den eeredienst van God, zooals hierboven gezegd is (CIe Kw., 1e en 2e Art.). De uiterlijke eeredienst echter moet een verhouding hebben tot den innerlijken eeredienst, die bestaat in het geloof, de hoop en de liefde. Vandaar moet de uiterlijke eeredienst verschillen, overeenkomstig het verschil van den innerlijken eeredienst. Nu kan men drie soorten van innerlijken eeredienst onderscheiden : een volgens welken men geloof hecht aan, en hoop stelt én op de hemelsche goederen, én op die dingen, waardoor wij daarheen geleid worden; op beide echter als op toekomstige goederen. Dit was de toestand van het geloof en de hoop gedurende de Oude Wet. De tweede soort van innerlijken eeredienst is die, waarin men geloof hecht aan, en hoop stelt op de hemelsche goederen, als toekomstig, nl. op die dingen, die ons binnenleiden in de hemelsche goederen als tegenwoordig of verleden. Dit is de toestand van de Nieuwe Wet. De derde soort is die waarin we beide hebben als tegenwoordig, en niets 463als afwezig gelooven, noch in de toekomst hopen. Dit is de toestand der zaligen.Leerstelling. — Alle ceremonieel-voorschriften van de Oude Wet waren geordend tot de eredienst van God, zoals hierboven gezegd is (101e Kw., 1e en 2e Art.). De uiterlijke eredienst echter moet een verhouding hebben tot de innerlijke eredienst, die bestaat in het geloof, de hoop en de liefde. Vandaar moet de uiterlijke eredienst verschillen, overeenkomstig het verschil van de innerlijke eredienst. Nu kan men drie soorten van innerlijke eredienst onderscheiden: een volgens welke me geloof hecht aan, en hoop stelt én op de hemelse goederen, én op die dingen, waardoor wij daarheen geleid worden; op beide echter als op toekomstige goederen. Dit was de toestand van het geloof en de hoop gedurende de Oude Wet. De tweede soort van innerlijke eredienst is die, waarin men geloof hecht aan, en hoop stelt op de hemelse goederen, als toekomstig, nl. op die dingen, die ons binnenleiden in de hemelse goederen als tegenwoordig of verleden. Dit is de toestand van de Nieuwe Wet. De derde soort is die waarin we beide hebben als tegenwoordig, en niets 463als afwezig geloven, noch in de toekomst hopen. Dit is de toestand van de zaligen.
In illo ergo statu beatorum nihil erit figurale ad divinum cultum pertinens. sed solum « gratiarum actio, et vox laudis » [Is., 51. v. 3.]. Et ideo dicitur Apocal. 21. [v. 22.] de Civitate Beatorum : « Templum non vidi in ea; Dominus enim Deus omnipotens templum illius est et Agnus. » Pari igitur ratione caeremoniae primi status, per quas figurabatur et secundus, et tertius, veniente secundo statu, cessare debuerunt, et aliae caeremoniae induci, quae convenirent statui cultus divini pro tempore illo, in quo bona caelestia sunt futura. Beneficia autem Dei, per quae ad caelestia introducimur, sunt praesentia.
In dien toestand der zaligen behoort niets als voorbeduiding tot den eeredienst van God, maar daar is alles dank- en lofzegging (Isaïas, 51, 3). Daarom zegt het Boek der Openbaring (21, 22) over den staat der zaligen : « Ik zag er geen tempel, want de Heer, de almachtige God, was hun tempel, en het Lam. » Om gelijke reden moesten dus de ceremoniën der Oude Wet, waardoor de tweede zoowel als de derde staat werden afgebeeld, ophouden, en moesten andere ceremoniën worden ingevoerd, die overeenkwamen met den toestand van den eeredienst voor dien tijd, waarin de hemelsche goederen toekomstig waren, maar de weldaden van God, waardoor wij tot het hemelsche geleid worden, tegenwoordig zijn.In die toestand van de zaligen behoort niets als voorbeduiding tot de eredienst van God, maar daar is alles dank- en lofzegging (Jesaja, 51, 3). Daarom zegt het Boek van de Openbaring (21, 22) over de staat van de zaligen: “Ik zag er geen tempel, want de Heer, de almachtige God, was hun tempel, en het Lam.” Om gelijke reden moesten dus de ceremoniën van de Oude Wet, waardoor de tweede zowel als de derde staat werden afgebeeld, ophouden, en moesten andere ceremoniën worden ingevoerd, die overeenkwamen met de toestand van de eredienst voor die tijd, waarin de hemelse goederen toekomstig waren, maar de weldaden van God, waardoor wij tot het hemelse geleid worden, tegenwoordig zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod lex vetus dicitur esse in aeternum, secundum moralia quidem simpliciter et absolute, secundum caeremonialia vero quantum ad veritatem per eam figuratam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Oude Wet wordt eeuwig genoemd, wat betreft de zedelijke voorschriften, in volkomen en absoluten zin; wat de ceremoniën echter betreft, alleen maar met betrekking tot de waarheid, die er door werd aangeduid.
Ad secundum dicendum, quod mysterium redemptionis humani generis 464completum fuit in passione Christi; unde tunc Dominus dixit : « Consummatum est », ut habetur Joan. 19. [v. 30.], et ideo tunc totaliter debuerunt cessare legalia, quasi jam veritate eorum consummata. In cujus signum in passione Christi velum templi legitur esse scissum, Matth. 27 [v. 51], et ideo ante passionem Christi, Christo praedicante et miracula faciente, currebant simul Lex et Evangelium, quia jam mysterium Christi erat inchoatum, sed nondum consummatum. Et propter hoc mandavit Christus Dominus ante passionem leproso, ut legales caeremonias observaret.
2. Het geheim der verlossing van het menschelijk geslacht was voltrokken in het lijden van Christus. Daarom zeide de Heer 464toen : « Het is volbracht. » (Johannes, 19, 30). Toen eerst moesten de wettelijke voorschriften geheel ophouden, daar als het ware de waarheid er van was volbracht. Ten teeken hiervan werd het voorhang van den tempel bij het lijden van Christus gescheurd, zooals we lezen bij Mattheus (27, 51). Zoo was, vóór het lijden van Christus, toen Christus predikte en wonderen deed, de Wet tegelijk met het Evangelie van kracht, omdat het mysterie van Christus reeds was begonnen, maar nog niet voltrokken. Om die reden ook beval Christus vóór zijn lijden aan den melaatsche de wettelijke ceremoniën te onderhouden.2. Het geheim van de verlossing van het menselijk geslacht was voltrokken in het lijden van Christus. Daarom zeide de Heer 464toen: “Het is volbracht.” (Johannes, 19, 30). Toen eerst moesten de wettelijke voorschriften geheel ophouden, daar als het ware de waarheid er van was volbracht. Ten teken hiervan werd het voorhang van de tempel bij het lijden van Christus gescheurd, zoals we lezen bij Matteüs (27, 51). Zo was, vóór het lijden van Christus, toen Christus predikte en wonderen deed, de Wet tegelijk met het Evangelie van kracht, omdat het mysterie van Christus reeds was begonnen, maar nog niet voltrokken. Om die reden ook beval Christus vóór zijn lijden aan de melaatse de wettelijke ceremoniën te onderhouden.
Ad tertium dicendum, quod rationes literales caeremoniarum supra assignatae referuntur ad divinum cultum, qui quidem cultus erat in fide venturi, et ideo jam veniente eo, qui venturus erat, et cultus ille cessavit, et omnes rationes ad hunc cultum ordinatae.
3. De letterlijke zin van de boven aangeduide ceremoniën wordt teruggebracht tot den goddelijken eeredienst, welke de eeredienst was in het geloof van den komende. Daarom hield, toen hij, die komen moest, gekomen was, én die eeredienst op, én alle zinnen welke op dien eeredienst gericht waren.3. De letterlijke zin van de boven aangeduide ceremoniën wordt teruggebracht tot de goddelijke eredienst, welke de eredienst was in het geloof van de komende. Daarom hield, toen hij, die komen moest, gekomen was, én die eredienst op, én alle zinnen welke op die eredienst gericht waren.
Ad quartum dicendum, quod fides Abrahae fuit commendata in hoc, quod credidit divinae promissioni de futuro semine, in quo benedicerentur omnes gentes, et ideo, quamdiu hoc erat futurum, oportebat protestari fidem Abrahae in circumcisione. Sed postquam jam hoc est perfectum, oportet 465idem alio signo declarari, scilicet baptismo, qui in hoc circumcisioni succedit, secundum illud Apostoli ad Coloss. 2 [v. 11 sq.] : « Circumcisi estis circumcisione non manufacta in expoliatione corporis carnis, sed in circumcisione Domini nostri Jesu Christi, consepulti ei in Baptismo. » Sabbatum autem, quod significabat primam creationem, mutatur in diem Dominicum, in quo commemoratur nova creatura inchoata in resurrectione Christi. Et similiter aliis solemnitatibus veteris legis novae solemnitates succedunt, quia beneficia illi populo exhibita significant beneficia nobis concessa per Christum; unde festo Phase succedit festum Passionis Christi et Resurrectionis; festo Pentecostes, in quo fuit data lex vetus, succedit festum Pentecostes, in quo fuit data lex Spiritus vitae; festo Neomeniae succedit festum Beatae Virginis, in qua primo apparuit illuminatio Solis, idest Christi, per copiam gratiae; festo Tubarum succedunt festa Apostolorum; festo Expiationis succedunt 466festa Martyrum et Confessorum; festo Tabernaculorum succedit festum Consecrationis Ecclesiae; festo Caetus atque Collectae succedit festum Angelorum, vel etiam festum Omnium Sanctorum.
4. Het geloof van Abraham bestond in het geloof aan de goddelijke beloften over het toekomstig zaad, waarin alle geslachten zouden gezegend worden. Zoolang dit dus toekomstig was, moest het geloof van Abraham afgebeeld worden door de besnijdenis; 465maar toen dit reeds voorbij was, moest het door een ander teeken worden afgebeeld, nl. het doopsel, dat de besnijdenis hierin opvolgde, overeenkomstig de woorden van den Apostel in zijn Brief aan de Colossers (2, 11, v.) : « Gij zijt besneden, met een besnijdenis, die zonder handen verricht is, waardoor gij het vleeschelijk lichaam uitgedaan hebt, maar met de besnijdenis van onzen heer Jesus Christus wordt gij met Hem begraven in het doopsel. » De sabbat echter, die de eerste schepping beteekende, werd veranderd in den dag des Heeren, waarop herdacht wordt de nieuwe schepping, die begonnen is bij de verrijzenis van Christus. Op gelijke wijze zijn nieuwe plechtigheden gevolgd op de overige plechtigheden der Oude Wet, omdat de weldaden aan dat volk bewezen de weldaden beteekenden door Christus aan ons bewezen. Vandaar verving het feest van het Lijden en de Verrijzenis van Christus het oude Paaschfeest; het Pinksterfeest, waarop de Wet van den geest des levens gegeven is, verving het Pinksterfeest, waarop de Oude Wet gegeven was; het feest der nieuwe maan werd vervangen door het feest der H. Maagd, in wie door den overvloed van genade het eerst het Licht der zon verscheen, d. i. het licht van Christus. Het feest der Bazuinen werd vervangen door de feesten der Apostelen. De feesten der martelaren en der belijders vervingen het Zuiveringsfeest. Het feest der 466kerkconsecratie verving het Loofhuttenfeest, terwijl de feesten der Vereeniging vervangen werden door de feesten der Engelen of door het feest van Allerheiligen.4. Het geloof van Abraham bestond in het geloof aan de goddelijke beloften over het toekomstig zaad, waarin alle geslachten zouden gezegend worden. Zolang dit dus toekomstig was, moest het geloof van Abraham afgebeeld worden door de besnijdenis; 465maar toen dit reeds voorbij was, moest het door een ander teken worden afgebeeld, nl. het doopsel, dat de besnijdenis hierin opvolgde, overeenkomstig de woorden van de Apostel in zijn Brief aan de Kolossenzen (2, 11, v.): “Gij zijt besneden, met een besnijdenis, die zonder handen verricht is, waardoor gij het vleselijk lichaam uitgedaan hebt, maar met de besnijdenis van onze heer Jesus Christus wordt gij met Hem begraven in het doopsel.” De sabbat echter, die de eerste schepping betekende, werd veranderd in de dag van de Heer, waarop herdacht wordt de nieuwe schepping, die begonnen is bij de verrijzenis van Christus. Op gelijke wijze zijn nieuwe plechtigheden gevolgd op de overige plechtigheden van de Oude Wet, omdat de weldaden aan dat volk bewezen de weldaden betekenden door Christus aan ons bewezen. Vandaar verving het feest van het Lijden en de Verrijzenis van Christus het oude Paasfeest; het Pinksterfeest, waarop de Wet van de geest van het leven gegeven is, verving het Pinksterfeest, waarop de Oude Wet gegeven was; het feest van de nieuwe maan werd vervangen door het feest van de H. Maagd, in wie door de overvloed van genade het eerst het Licht van de zon verscheen, d.i. het licht van Christus. Het feest van de Bazuinen werd vervangen door de feesten van de Apostelen. De feesten van de martelaren en van de belijders vervingen het Zuiveringsfeest. Het feest van de 466kerkconsecratie verving het Loofhuttenfeest, terwijl de feesten van de Vereniging vervangen werden door de feesten van de Engelen of door het feest van Allerheiligen.
Utrum post passionem Christi legalia possint servari sine peccato mortali
Kunnen de wettelijke voorschriften na het lijden van Christus zonder doodzonde onderhouden worden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod post passionem Christi legalia possint sine peccato mortali observari : non est enim credendum, quod Apostoli post acceptum Spiritum Sanctum mortaliter peccaverint : ejus enim plenitudine sunt induti virtute ex alto, ut dicitur Luc. ult. [v. 49] ; sed Apostoli post adventum Spiritus Sancti legalia observaverunt : dicitur enim Act. 16 [v. 3], quod Paulus circumcidit Timotheum, et Act. 21. [v. 26] dicitur, 467quod Paulus secundum consilium Jacobi, « assumptis viris, purificatus cum eis intravit in templum, annuntians expletionem dierum purificationis, donec offerretur pro unoquoque eorum oblatio » ; ergo sine peccato mortali possunt post Christi passionem legalia observari.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de wettelijke voorschriften na het lijden van Christus zonder doodzonde onderhouden kunnen worden. — 1. Het is immers niet aan te nemen, dat de Apostelen na het ontvangen van den H. Geest doodelijk zouden hebben gezondigd; want met zijn volheid werden zij bekleed met kracht uit den hooge, zooals Lucas zegt (24, 49). Welnu de Apostelen hebben na de komst van den H. Geest de wettelijke voorschriften onderhouden. In Handelingen (16, 3) immers wordt gezegd, dat Paulus Timotheus liet besnijden; en t. a. pl. (21, 26) 467wordt gezegd, dat Paulus, volgens den raad van Jacobus, mannen bij zich liet komen, met hen, na deelneming aan hunne gelofte, den tempel binnenging, aankondigde, dat de dagen der gelofte vervuld waren, totdat het offer voor eenieder hunner gebracht was. Dus kunnen de wettelijke voorschriften na Christus' lijden zonder doodzonde onderhouden worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wettelijke voorschriften na het lijden van Christus zonder doodzonde onderhouden kunnen worden. — 1. Het is immers niet aan te nemen, dat de Apostelen na het ontvangen van de H. Geest dodelijk zouden hebben gezondigd; want met zijn volheid werden zij bekleed met kracht uit de hoge, zoals Lukas zegt (24, 49). Welnu de Apostelen hebben na de komst van de H. Geest de wettelijke voorschriften onderhouden. In Handelingen (16, 3) immers wordt gezegd, dat Paulus Timoteüs liet besnijden; en t.a.p. (21, 26) 467wordt gezegd, dat Paulus, volgens de raad van Jacobus, mannen bij zich liet komen, met hen, na deelneming aan hun gelofte, de tempel binnenging, aankondigde, dat de dagen van de gelofte vervuld waren, totdat het offer voor eenieder van hun gebracht was. Dus kunnen de wettelijke voorschriften na Christus' lijden zonder doodzonde onderhouden worden.
2. Praeterea, vitare consortia Gentilium ad caeremonias legis pertinebat; sed hoc observavit primus Pastor Ecclesiae : dicitur enim ad Galat 2. [v. 12] quod. « cum venissent quidam Antiochiam, subtrahebat et segregabat se Petrus a Gentilibus. » Ergo absque peccato post passionem Christi legis caeremoniae observari possunt.
2. Omgang met de heidenen vermijden, valt onder de ceremoniën der Wet. Welnu de eerste Herder der Kerk onderhield dit; we lezen immers in den Brief aan de Galaten (2, 12), dat toen er eenige te Antiochië gekomen waren, Petrus afzijdig bleef en zich van de heidenen afzonderde. Dus konden de ceremoniën der Wet na Christus' lijden zonder zonde onderhouden worden.2. Omgang met de heidenen vermijden, valt onder de ceremoniën van de Wet. Welnu de eerste Herder van de Kerk onderhield dit; we lezen immers in de Brief aan de Galaten (2, 12), dat toen er enige te Antiochië gekomen waren, Petrus afzijdig bleef en zich van de heidenen afzonderde. Dus konden de ceremoniën van de Wet na Christus' lijden zonder zonde onderhouden worden.
3. Praeterea, praecepta Apostolorum non induxerunt homines ad peccatum; sed ex decreto Apostolorum statutum fuit, quod Gentiles quaedam de caeremoniis legis observarent; dicitur enim Act. 15 [v. 8 sq.] : « Visum est Spiritui Sancto et nobis, nihil ultra imponere oneris vobis, quam haec 468necessaria, ut abstineatis vos ab immolatis simulacrorum, et sanguine, et suffocato, et fornicatione. » Ergo absque peccato caeremoniae legales possunt post Christi passionem observari.
3. De voorschriften der Apostelen leidden de menschen niet tot zonde. Welnu krachtens een besluit der Apostelen was het vastgesteld, dat de heidenen sommige ceremoniën van de Wet zouden onderhouden. In Handelingen (15, 8 v.) immers wordt gezegd : « Het heeft den H. Geest en ons goedgedacht, u geen meerderen last op te leggen, behalve deze noodzakelijke voorschriften : dat ge u onthoudt van hetgeen geofferd is aan de afgoden en van bloed en van het verstikte en van ontucht. » Dus kunnen de ceremoniën der Wet zonder zonde onderhouden worden na het lijden van Christus.3. De voorschriften van de Apostelen leidden de mensen niet tot zonde. Welnu krachtens een besluit van de Apostelen was het vastgesteld, dat de heidenen sommige ceremoniën van de Wet zouden onderhouden. In Handelingen (15, 8 v.) immers wordt gezegd: “Het heeft de H. Geest en ons goedgedacht, u geen meerderen last op te leggen, behalve deze noodzakelijke voorschriften: dat ge u onthoudt van hetgeen geofferd is aan de afgoden en van bloed en van het verstikte en van ontucht.” Dus kunnen de ceremoniën van de Wet zonder zonde onderhouden worden na het lijden van Christus.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Gal. 5 [v. 2] : « Si circumcidamini, Christus nihil vobis proderit. » Sed nihil excludit fructum Christi, nisi peccatum mortale; ergo circumcidi, et alias caeremonias observare post passionem Christi, est peccatum mortale.
468Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 2) : « Indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut zijn. » Welnu niets sluit de vrucht van Christus uit, tenzij de doodzonde. Dus besnijdenis en andere ceremoniën onderhouden na het lijden van Christus, is doodzonde.468Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 2): “Indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut zijn.” Welnu niets sluit de vrucht van Christus uit, tenzij de doodzonde. Dus besnijdenis en andere ceremoniën onderhouden na het lijden van Christus, is doodzonde.
Respondeo dicendum, quod omnes caeremoniae sunt quaedam protestationes fidei, in qua consistit interior Dei cultus. Sic autem fidem interiorem potest homo protestari factis, sicut et verbis; et in utraque protestatione si aliquid homo falsum protestatur, peccat mortaliter. Quamvis autem sit eadem fides, quam habemus de Christo, et quam antiqui Patres habuerunt, tamen, quia ipsi praecesserunt Christum, nos autem sequimur, eadem fides diversis verbis significatur a nobis, et ab eis. Nam ab eis dicebatur : Ecce virgo concipiet, et pariet filium, quae sunt verba futuri temporis; nos autem idem 469repraesentamus per verba praeteriti temporis, dicentes, quod concepit et peperit. Et similiter caeremoniae veteris legis significabant Christum ut nasciturum et passurum; nostra autem Sacramenta significant ipsum ut natum et passum. Sicut igitur peccaret mortaliter, qui nunc suam fidem protestando diceret Christum nasciturum, quod antiqui pie et veraciter dicebant, ita etiam peccaret mortaliter, si quis nunc caeremonias observaret, quas antiqui pie et fideliter observabant. Et hoc est, quod Augustinus dicit contra Faustum [lib. 19. cap. 16] : « Jam non promittitur nasciturus, passurus, resurrecturus, quod illa sacramenta quodammodo personabant; sed annuntiatur, quod natus sit, passus sit, resurrexerit, quod haec sacramenta, quae a Christianis aguntur, jam personant. »
Leerstelling. — Alle ceremoniën zijn geloofsuitingen, waarin de innerlijke eeredienst van God bestaat. Welnu de mensch kan het innerlijk geloof uiten zoowel door daden als door woorden. Indien de mensch zich in een van beide valsch uit, doet hij doodzonde. Ofschoon nu het geloof, dat de oude Vaders vóór Christus hadden en dat wij hebben, hetzelfde is, wordt toch ditzelfde geloof anders geuit door ons en door hen, omdat zij aan Christus voorafgingen en wij op Hem volgen. Immers door hen werd gezegd : « Zie, een maagd zal ontvangen en een zoon baren », wat op de toekomst ziet, terwijl wij hetzelfde uitdrukken door den verleden tijd, nl. door te zeggen, dat ze ontvangen en gebaard heeft. Op dezelfde manier beduidden de ceremoniën der Oude Wet den Christus als zullende geboren worden en zullende lijden, terwijl onze sacramenten Hem beduiden als geboren zijnde en geleden hebbende. Evenals hij dus een doodzonde zou doen, die 469nu zijn geloof zou belijden door te zeggen, dat Christus zal geboren worden, wat de ouden terecht zeiden, zoo ook zou hij een doodzonde doen, die nu de ceremoniën zou onderhouden, die de ouden geloofgetrouw onderhielden. En dit is het wat Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (XIXe B., XVIe H.) : « De belofte houdt niet meer in, dat Hij zal geboren worden, zal lijden en zal verrijzen, wat die sacramenten op eenige wijze verpersoonlijkten; maar verkondigd wordt, dat Hij geboren is, geleden heeft en verrezen is, wat de sacramenten die de christenen onderhouden, reeds verpersoonlijken. »Leerstelling. — Alle ceremoniën zijn geloofsuitingen, waarin de innerlijke eredienst van God bestaat. Welnu de mens kan het innerlijk geloof uiten zowel door daden als door woorden. Indien de mens zich in een van beide vals uit, doet hij doodzonde. Ofschoon nu het geloof, dat de oude Vaders vóór Christus hadden en dat wij hebben, hetzelfde is, wordt toch ditzelfde geloof anders geuit door ons en door hen, omdat zij aan Christus voorafgingen en wij op Hem volgen. Immers door hen werd gezegd: “Zie, een maagd zal ontvangen en een zoon baren”, wat op de toekomst ziet, terwijl wij hetzelfde uitdrukken door de verleden tijd, nl. door te zeggen, dat ze ontvangen en gebaard heeft. Op dezelfde manier beduidden de ceremoniën van de Oude Wet de Christus als zullende geboren worden en zullende lijden, terwijl onze sacramenten Hem beduiden als geboren zijnde en geleden hebbende. Evenals hij dus een doodzonde zou doen, die 469nu zijn geloof zou belijden door te zeggen, dat Christus zal geboren worden, wat de ouden terecht zeiden, zo ook zou hij een doodzonde doen, die nu de ceremoniën zou onderhouden, die de ouden geloofgetrouw onderhielden. En dit is het wat Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 16e H.): “De belofte houdt niet meer in, dat Hij zal geboren worden, zal lijden en zal verrijzen, wat die sacramenten op enige wijze verpersoonlijkten; maar verkondigd wordt, dat Hij geboren is, geleden heeft en verrezen is, wat de sacramenten die de christenen onderhouden, reeds verpersoonlijken.”
Ad primum ergo dicendum, quod circa hoc diversimode sensisse videntur Hieronymus et Augustinus : Hieronymus enim [super illud Gal. 2. : Sed cum vidissem; Epist. 112 vel 89] distinxit duo tempora : unum tempus 470ante passionem Christi, in quo legalia non erant mortua, quasi non habentia vim obligatoriam aut expiativam pro suo modo, nec etiam mortifera, quia non peccabant ea observantes. Statim autem post passionem Christi inceperunt esse non solum mortua, idest non habentia virtutem et obligationem, sed etiam mortifera, ita scilicet quod peccabant mortaliter, quicumque ea observabant. Unde dicebat, quod Apostoli numquam legalia observaverunt post passionem secundum veritatem, sed solum quadam pia simulatione, ne scilicet scandalizarent Judaeos, et eorum conversionem impedirent. Quae quidem simulatio sic intelligenda est, non quidem ita quod illos actus secundum rei veritatem non facerent, sed quia non faciebant tamquam legis caeremonias observantes, sicut si quis pelliculam virilis membri abscinderet propter sanitatem, non causa legalis circumcisionis observandae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hieromtrent schijnen de meeningen van Hieronymus en Augustinus te verschillen. Hieronymus immers (Commentaar op den Brief aan de Galaten, 2, 11 v. v.; 112e of 89e Brief) onderscheidt twee tijden : een vóór Christus' lijden, waarin de wettelijke voorschriften niet dood waren, daar zij nog geen verplichtend en uitboetend karakter hadden, noch dooddragend, daar zij, die ze onderhielden, niet zondigden; terstond echter na het lijden van Christus waren ze niet alleen dood, d. w. z. dat ze geen kracht noch verplichtend karakter meer hadden, maar ook dooddragend, zoodat zij, die ze onderhielden, grootelijks zondigden. Daarom zeide hij, dat de 470Apostelen na het lijden van Christus de wettelijke voorschriften nooit onderhouden hadden naar waarheid, maar alleen uit vrome veinzing, nl. om de Joden niet te ergeren en hun bekeering niet te verhinderen. Deze veinzing moet niet zoo verstaan worden, alsof zij die handelingen in waarheid niet stelden, maar zóó, dat ze het niet deden als onderhouders van de ceremoniën der Wet; zooals wanneer iemand een velletje van het mannelijk lid zou afsnijden om de gezondheid, en niet om de Wet der besnijdenis te onderhouden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hieromtrent schijnen de meningen van Hieronymus en Augustinus te verschillen. Hieronymus immers (Commentaar op de Brief aan de Galaten, 2, 11 v. v.; 112e of 89e Brief) onderscheidt twee tijden: een vóór Christus' lijden, waarin de wettelijke voorschriften niet dood waren, daar zij nog geen verplichtend en uitboetend karakter hadden, noch dooddragend, daar zij, die ze onderhielden, niet zondigden; terstond echter na het lijden van Christus waren ze niet alleen dood, d. w. z. dat ze geen kracht noch verplichtend karakter meer hadden, maar ook dooddragend, zodat zij, die ze onderhielden, grotelijks zondigden. Daarom zeide hij, dat de 470Apostelen na het lijden van Christus de wettelijke voorschriften nooit onderhouden hadden naar waarheid, maar alleen uit vrome veinzing, nl. om de Joden niet te ergeren en hun bekering niet te verhinderen. Deze veinzing moet niet zo verstaan worden, alsof zij die handelingen in waarheid niet stelden, maar zó, dat ze het niet deden als onderhouders van de ceremoniën van de Wet; zoals wanneer iemand een velletje van het mannelijk lid zou afsnijden om de gezondheid, en niet om de Wet van de besnijdenis te onderhouden.
Sed quia indecens videtur, quod Apostoli ea occultarent propter scandalum, quae pertinent ad veritatem vitae et doctrinae, et quod simulatione uterentur in his, quae pertinent ad salutem fidelium; ideo convenientius Augustinus [epist. 40.] distinxit tria tempora : unum quidem ante Christi 471passionem, in quo legalia neque erant mortifera, neque mortua; aliud autem post tempus Evangelii divulgati, in quo legalia sunt mortua et mortifera; tertium autem est tempus medium, scilicet a passione Christi usque ad divulgationem Evangelii, in quo legalia quidem fuerunt mortua, quia neque vim aliquam habebant, neque aliquis ea observare tenebatur, non tamen fuerunt mortifera, quia illi qui conversi erant ad Christum ex Judaeis, poterant illa legalia licite observare, dummodo non sic ponerent spem in eis, quod ea reputarent sibi necessaria ad salutem, quasi sine legalibus fides Christi justificare non posset. His autem, qui convertebantur ex gentilitate ad Christum, non inerat causa ut ea observarent, et ideo Paulus circumcidit Timotheum, qui ex matre Judaea genitus erat, Titum autem, qui ex Gentilibus natus erat, circumcidere noluit. Ideo autem noluit Spiritus Sanctus, ut statim [Hier zijn in de Latijnsche tekst van de uitgave enkele woorden weggevallen.] inhibebatur his, qui ex Gentilibus convertebantur, gentilitatis ritus, ut quaedam differentia inter hos ritus ostenderetur : nam gentilitatis ritus repudiabatur tamquam omnino illicitus, et a Deo semper prohibitus, ritus autem legis cessabat, tamquam impletus per Christi passionem, utpote a Deo in figuram Christi institutus.
Daar het echter niet passend schijnt te zijn, dat de Apostelen die dingen, die behooren tot de waarheid van het leven en van de leer, verborgen hielden, en dat ze zouden veinzen met betrekking tot die dingen, waarvan het heil der geloovigen afhangt, daarom is het drievoudig onderscheid in tijd van Augustinus waarschijnlijker (zie 40e Brief), nl. een vóór het lijden van Christus, waarin de wettelijke voorschriften noch dood noch dooddragend waren; een ander na de verspreiding van het Evangelie, waarin de wettelijke voorschriften én dood én dooddragend waren; een derde er tusschen in, nl. van het lijden van Christus tot aan de verspreiding van het Evangelie, 471waarin de wettelijke voorschriften wel dood waren, daar zij noch eenige kracht hadden, noch iemand verplichtten tot het onderhouden er van, maar niet dooddragend, daar zij, die uit de Joden tot Christus bekeerd waren, die wettelijke voorschriften mochten onderhouden, wanneer zij er maar niet zoozeer hoop op stelden, dat zij ze noodzakelijk achtten voor hun heil, als kon het geloof in Christus niet rechtvaardig maken zonder de wettelijke voorschriften. Voor hen echter die uit het heidendom tot Christus bekeerden, was er geen reden om ze te onderhouden. Daarom liet Paulus Timotheus besnijden, omdat hij uit een joodsche moeder was; Titus echter, die uit de heidenen kwam, wilde hij niet laten besnijden. Zoo wilde de H. Geest niet, dat de onderhouding der wettelijke voorschriften terstond zou verboden worden voor de bekeerlingen uit de Joden, zooals voor de bekeerlingen uit de heidenen de heidensche eeredienst wel verboden werd, om eenig verschil aan te geven tusschen die twee eerediensten. Want de heidensche eeredienst werd verboden, omdat hij heel en al ongeoorloofd en altijd door God verboden was; de eeredienst echter der Wet hield op, omdat hij vervuld was door het lijden van Christus, terwijl hij door God ter voorbeduiding van Christus was ingesteld.Daar het echter niet passend schijnt te zijn, dat de Apostelen die dingen, die behoren tot de waarheid van het leven en van de leer, verborgen hielden, en dat ze zouden veinzen met betrekking tot die dingen, waarvan het heil van de gelovigen afhangt, daarom is het drievoudig onderscheid in tijd van Augustinus waarschijnlijker (zie 40e Brief), nl. een vóór het lijden van Christus, waarin de wettelijke voorschriften noch dood noch dooddragend waren; een ander na de verspreiding van het Evangelie, waarin de wettelijke voorschriften én dood én dooddragend waren; een derde er tussen in, nl. van het lijden van Christus tot aan de verspreiding van het Evangelie, 471waarin de wettelijke voorschriften wel dood waren, daar zij noch enige kracht hadden, noch iemand verplichtten tot het onderhouden er van, maar niet dooddragend, daar zij, die uit de Joden tot Christus bekeerd waren, die wettelijke voorschriften mochten onderhouden, wanneer zij er maar niet zozeer hoop op stelden, dat zij ze noodzakelijk achtten voor hun heil, als kon het geloof in Christus niet rechtvaardig maken zonder de wettelijke voorschriften. Voor hen echter die uit het heidendom tot Christus bekeerden, was er geen reden om ze te onderhouden. Daarom liet Paulus Timoteüs besnijden, omdat hij uit een Joodse moeder was; Titus echter, die uit de heidenen kwam, wilde hij niet laten besnijden. Zo wilde de H. Geest niet, dat de onderhouding van de wettelijke voorschriften terstond zou verboden worden voor de bekeerlingen uit de Joden, zoals voor de bekeerlingen uit de heidenen de heidense eredienst wel verboden werd, om enig verschil aan te geven tussen die twee erediensten. Want de heidense eredienst werd verboden, omdat hij heel en al ongeoorloofd en altijd door God verboden was; de eredienst echter van de Wet hield op, omdat hij vervuld was door het lijden van Christus, terwijl hij door God ter voorbeduiding van Christus was ingesteld.
472Ad secundum dicendum, quod secundum Hieronymum [loc. cit. in resp. ad 1.], Petrus simulatorie se a Gentilibus subtrahebat, ut vitaret Judaeorum scandalum, quorum erat Apostolus, unde in hoc nullo modo peccavit; sed Paulus eum similiter simulatorie reprehendit, ut vitaret scandalum Gentilium, quorum erat Apostolus. Sed Augustinus [loc. sup. cit.] hoc improbat, quia Paulus in Canonica Scriptura, scilicet Gal. 2. [v. 11], in qua nefas est credere aliquid falsum esse, dicit quod Petrus reprehensibilis erat. Unde verum est, quod Petrus peccavit, et Paulus vere eum, non simulatorie reprehendit. Non autem peccavit Petrus in hoc, quod ad tempus legalia observabat, quia hoc sibi licebat tamquam ex Judaeis converso, sed peccabat in hoc, quod circa legalium observantiam nimiam diligentiam adhibebat, ne scandalizaret Judaeos, ita quod ex hoc sequeretur Gentilium scandalum.
4722. Volgens Hieronymus (t. a. pl.) zou Petrus zich schijnbaar van de heidenen hebben teruggetrokken, om ergernis voor de Joden, wiens Apostel hij was, te vermijden. Paulus zou hem schijnbaar berispt hebben, om ergernis te vermijden voor de heidenen, wiens Apostel hij was. Augustinus echter wijst dat van de hand, daar Paulus in de H. Schrift, nl. in den Brief aan de Galaten (2, 11), — het is immers goddeloos te denken, dat er iets valsch is in de H. Schrift — zegt, dat Petrus moest berispt worden. Vandaar is het waar, dat Petrus zondigde en Paulus hem werkelijk, en niet alleen voor den schijn berispte. Echter zondigde Petrus niet hierin, dat hij toen de wettelijke voorschriften onderhield, want dit mocht hij als bekeerling uit de Joden doen; maar hij zondigde hierin, dat hij aan de onderhouding van de Wet te veel gewicht hechtte, om de Joden niet te ergeren, zoodat hij daardoor een ergernis werd voor de heidenen.4722. Volgens Hieronymus (t.a.p.) zou Petrus zich schijnbaar van de heidenen hebben teruggetrokken, om ergernis voor de Joden, wiens Apostel hij was, te vermijden. Paulus zou hem schijnbaar berispt hebben, om ergernis te vermijden voor de heidenen, wiens Apostel hij was. Augustinus echter wijst dat van de hand, daar Paulus in de H. Schrift, nl. in de Brief aan de Galaten (2, 11), — het is immers goddeloos te denken, dat er iets vals is in de H. Schrift — zegt, dat Petrus moest berispt worden. Vandaar is het waar, dat Petrus zondigde en Paulus hem werkelijk, en niet alleen voor de schijn berispte. Echter zondigde Petrus niet hierin, dat hij toen de wettelijke voorschriften onderhield, want dit mocht hij als bekeerling uit de Joden doen; maar hij zondigde hierin, dat hij aan de onderhouding van de Wet te veel gewicht hechtte, om de Joden niet te ergeren, zodat hij daardoor een ergernis werd voor de heidenen.
Ad tertium dicendum, quod quidam dixerunt, quod illa prohibitio Apostolorum non est intelligenda ad literam, sed secundum spiritualem intellectum, ut scilicet in prohibitione sanguinis intelligatur prohibitio homicidii, in 473prohibitione suffocati intelligatur prohibitio violentiae et rapinae, in prohibitione immolatorum intelligatur prohibitio idololatriae; fornicatio autem prohibetur tamquam per se malum. Hanc opinionem accipiunt ex quibusdam glossis, quae hujusmodi praecepta mystice exponunt. Sed quia homicidium et rapina etiam apud Gentiles reputabantur illicita, non oportuisset super hoc speciale mandatum dari his, qui erant ex gentilitate conversi ad Christum. Unde alii dicunt, quod ad literam comestibilia fuerunt prohibita, non propter observantiam legalium, sed propter gulam comprimendam; unde dicit Hieronymus super illud Ezech. 44 [v. 31] : Omne morticinum, etc. : « Condemnat sacerdotes, qui in cibis, et caeteris huiusmodi, haec cupiditate gulae non custodiunt. » Sed quia sunt quaedam cibalia magis delicata, et gulam provocantia, non videtur ratio, quare fuerunt haec magis quam alia prohibita; et ideo dicendum secundum tertiam opinionem, quod ad literam ista sunt prohibita, non ad observandum caeremonias legis, sed ad hoc quod posset coalescere unio Gentilium et Judaeorum in simul habitantium. Judaeis 474enim propter antiquam consuetudinem sanguis et suffocatum erant abominabilia; comestio autem immolatorum simulacris poterat in Judaeis aggenerare circa Gentiles suspicionem reditus ad idololatriam; et ideo ista fuerunt prohibita pro tempore illo, in quo de novo oportebat convenire in unum Gentiles et Judaeos. Procedente autem tempore, cessante causa, cessat effectus, manifestata Evangelicae doctrinae veritate, in qua Dominus docet, quod « nihil quod per os intrat, coinquinat hominem, » ut dicitur Matth. 15. [v. 11] et quod « nihil est rejiciendum, quod cum gratiarum actione percipitur », ut 1. ad Timoth. 4. [v. 4] dicitur; fornicatio autem prohibetur specialiter, quia Gentiles non reputabant eam esse peccatum.
3. Op die bedenking antwoorden sommigen, dat dit verbod van de Apostelen niet letterlijk genomen moet worden, maar in meer geestelijken zin, zoodat onder het verbod van bloed verstaan wordt het verbod van moord; onder het verbod van het verstikte, het verbod van geweld en roof; onder het verbod van 473offers, het verbod tegen afgoderij. Ontucht echter werd verboden als een kwaad op zich. Die meening halen ze uit sommige glossen, welke die voorschriften figuurlijk verklaren. Maar daar moord en roof ook bij de heidenen als ongeoorloofd veracht werden, behoefde daaromtrent geen nieuw gebod gegeven te worden aan de bekeerlingen uit de heidenen. Vandaar zeggen anderen, dat die spijzen letterlijk verboden waren, niet om de onderhouding der wettelijke voorschriften, maar om de gulzigheid tegen te gaan. Vandaar zegt Hieronymus op Ezechiël (44, 31) : Alles wat gedood is.... : « Hij veroordeelt de priesters die zich niet in acht nemen voor de gulzigheid. » Maar omdat er sommige spijzen zijn, die smakelijker zijn en voor de gulzigheid meer bevorderlijk, schijnt er geen reden te zijn, waarom deze meer dan de andere verboden moeten worden. Daarom moet men zeggen, volgens een derde meening, dat deze verboden letterlijk moeten genomen worden, niet omdat de ceremoniën der Wet moesten onderhouden worden, maar omdat er een samensmelting zou kunnen plaats hebben tusschen Joden en Heidenen van een zelfde plaats. Voor de Joden immers waren, krachtens een oude gewoonte, het bloed en het verstikte afschuwelijk; het eten echter van het geofferde 474kon bij de Joden aangaande de heidenen de verdenking oproepen van terugkeer tot afgoderij. Daarom waren die dingen voor dien tijd verboden, waarin Joden en heidenen opnieuw te samen moesten vereenigd worden. Later echter, toen de reden ophield, hield ook het gevolg op, nl. toen de waarheid van de evangelische leer openbaar gemaakt werd, waarin de Heer leerde, dat niets wat den mond ingaat, den mensch verontreinigt, zooals in Mattheus (15, 11) staat, en dat niets dient verworpen te worden, wat met dankzegging genoten wordt, zooals in den Ien Brief aan Timotheus (4, 4) staat. Hoererij echter werd in het bijzonder verboden, omdat de heidenen dat niet voor kwaad hielden.3. Op die bedenking antwoorden sommigen, dat dit verbod van de Apostelen niet letterlijk genomen moet worden, maar in meer geestelijken zin, zodat onder het verbod van bloed verstaan wordt het verbod van moord; onder het verbod van het verstikte, het verbod van geweld en roof; onder het verbod van 473offers, het verbod tegen afgoderij. Ontucht echter werd verboden als een kwaad op zich. Die mening halen ze uit sommige glossen, welke die voorschriften figuurlijk verklaren. Maar daar moord en roof ook bij de heidenen als ongeoorloofd veracht werden, behoefde daaromtrent geen nieuw gebod gegeven te worden aan de bekeerlingen uit de heidenen. Vandaar zeggen anderen, dat die spijzen letterlijk verboden waren, niet om de onderhouding van de wettelijke voorschriften, maar om de gulzigheid tegen te gaan. Vandaar zegt Hieronymus op Ezechiël (44, 31): Alles wat gedood is....: “Hij veroordeelt de priesters die zich niet in acht nemen voor de gulzigheid.” Maar omdat er sommige spijzen zijn, die smakelijker zijn en voor de gulzigheid meer bevorderlijk, schijnt er geen reden te zijn, waarom deze meer dan de andere verboden moeten worden. Daarom moet men zeggen, volgens een derde mening, dat deze verboden letterlijk moeten genomen worden, niet omdat de ceremoniën van de Wet moesten onderhouden worden, maar omdat er een samensmelting zou kunnen plaats hebben tussen Joden en Heidenen van een zelfde plaats. Voor de Joden immers waren, krachtens een oude gewoonte, het bloed en het verstikte afschuwelijk; het eten echter van het geofferde 474kon bij de Joden aangaande de heidenen de verdenking oproepen van terugkeer tot afgoderij. Daarom waren die dingen voor die tijd verboden, waarin Joden en heidenen opnieuw te samen moesten verenigd worden. Later echter, toen de reden ophield, hield ook het gevolg op, nl. toen de waarheid van de evangelische leer openbaar gemaakt werd, waarin de Heer leerde, dat niets wat de mond ingaat, de mens verontreinigt, zoals in Matteüs (15, 11) staat, en dat niets dient verworpen te worden, wat met dankzegging genoten wordt, zoals in de 1e Brief aan Timoteüs (4, 4) staat. Hoererij echter werd in het bijzonder verboden, omdat de heidenen dat niet voor kwaad hielden.