De lege evangelica, quae lex nova dicitur, secundum se
Over de Evangelische Wet, die Nieuwe Wet genoemd wordt, op zichzelf beschouwd
551Consequenter considerandum est de Lege Evangelii, quae dicitur lex nova, et primo de ipsa secundum se; secundo de ipsa per comparationem ad legem veterem; tertio de his, quae in lege nova continentur. Circa primum quaeruntur quatuor : 1. Qualis sit : utrum scilicet sit scripta, vel indita. — 2. De virtute ejus : utrum justificet. — 3. De principio ejus : utrum debuerit dari a principio mundi. — 4. De termino ejus : utrum scilicet sit duratura usque ad finem, an debeat ei alia lex succedere.
551Na de behandeling van de Oude Wet, moeten we overgaan tot de behandeling van de Evangelische Wet, die Nieuwe Wet genoemd wordt, en wel ten eerste over de Nieuwe Wet op zichzelf; ten tweede, over de Nieuwe Wet in vergelijking tot de Oude, en ten derde, over de voorschriften daarin vervat. Met betrekking tot het eerste stellen we vier vragen : 1) Over het hoe der Nieuwe Wet, nl. of ze geschreven of aangeboren is. 2) Over haar kracht, nl. of ze rechtvaardig maakt. 3) Over haar begin, nl. of ze bij het begin der wereld had moeten gegeven worden. 4) Over haar eindterm, nl. of ze zal duren tot aan het einde, of door een andere wet zal vervangen worden.551Na de behandeling van de Oude Wet, moeten we overgaan tot de behandeling van de Evangelische Wet, die Nieuwe Wet genoemd wordt, en wel ten eerste over de Nieuwe Wet op zichzelf; ten tweede, over de Nieuwe Wet in vergelijking tot de Oude, en ten derde, over de voorschriften daarin vervat. Met betrekking tot het eerste stellen we vier vragen: 1. Over het hoe van de Nieuwe Wet, nl. of ze geschreven of aangeboren is. 2. Over haar kracht, nl. of ze rechtvaardig maakt. 3. Over haar begin, nl. of ze bij het begin van de wereld had moeten gegeven worden. 4. Over haar eindterm, nl. of ze zal duren tot aan het einde, of door een andere wet zal vervangen worden.
Utrum lex nova sit lex scripta
Is de Nieuwe Wet een geschreven wet?
552Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex nova sit lex scripta : lex enim nova est ipsum Evangelium; sed Evangelium est descriptum, Joan. 20 [v. 31] : « Haec autem scripta sunt, ut credatis. » Ergo lex nova est lex scripta.
552Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet een geschreven wet is. — 1. De Nieuwe Wet immers is het Evangelie zelf. Welnu het Evangelie is neergeschreven, volgens het woord van Johannes (20, 31) : « Dit nu is geschreven opdat gij zoudt gelooven. » Dus is de Nieuwe Wet een geschreven wet.552Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet een geschreven wet is. — 1. De Nieuwe Wet immers is het Evangelie zelf. Welnu het Evangelie is neergeschreven, volgens het woord van Johannes (20, 31): “Dit nu is geschreven opdat gij zoudt geloven.” Dus is de Nieuwe Wet een geschreven wet.
2. Praeterea, lex indita est lex naturae, secundum illud Rom. 2. [v. 14 sq.] : « Naturaliter en quae legis sunt faciunt, qui habent opus legis scriptum in cordibus suis. » Si igitur lex Evangelii esset lex indita, non differret a lege naturae.
2. De aangeboren wet is de natuurwet, overeenkomstig het woord van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14, v.) : « Zij (nl. de heidenen), in wier hart de geboden der wet geschreven staan, doen natuurlijker wijze wat in de Wet staat. » Indien dus de wet van het Evangelie een aangeboren wet zou zijn, zou ze niet verschillen van de natuurwet.2. De aangeboren wet is de natuurwet, overeenkomstig het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (2, 14, v.): “Zij (nl. de heidenen), in wier hart de geboden van de wet geschreven staan, doen natuurlijker wijze wat in de Wet staat.” Indien dus de wet van het Evangelie een aangeboren wet zou zijn, zou ze niet verschillen van de natuurwet.
3. Praeterea, lex Evangelii propria est eorum, qui sunt in statu novi testamenti; sed lex indita communis est, et eis qui sunt in novo testamento, 553et eis qui sunt in veteri testamento : dicitur enim Sap. 7 [v. 27], quod « divina sapientia per nationes in animas sanctas se transfert; amicos Dei et prophetas constituit. » Ergo lex nova non est lex indita.
3. De wet van het Evangelie is eigen aan diegenen, die leven in den tijd van het Nieuwe Testament. Welnu de aangeboren wet hebben zij, die in het Nieuwe Verbond leven, gemeen met diegenen, die in het Oude Verbond leefden. Wij lezen immers in 553het Boek der Wijsheid (7, 27), dat de goddelijke Wijsheid door de volkeren in heilige zielen overgaat, en ze tot vrienden en profeten van God maakt. Dus is de Nieuwe Wet geen aangeboren wet.3. De wet van het Evangelie is eigen aan diegenen, die leven in de tijd van het Nieuwe Testament. Welnu de aangeboren wet hebben zij, die in het Nieuwe Verbond leven, gemeen met diegenen, die in het Oude Verbond leefden. Wij lezen immers in 553het Boek van de Wijsheid (7, 27), dat de goddelijke Wijsheid door de volkeren in heilige zielen overgaat, en ze tot vrienden en profeten van God maakt. Dus is de Nieuwe Wet geen aangeboren wet.
Sed contra est, quod lex nova est lex novi testamenti; sed lex novi testamenti est indita in corde : Apostolus enim ad Hebr. 8 [v. 8, 10], inducens auctoritatem, quae habetur Hierem. 31 [v. 31, 33] : Ecce dies venient, dicit Dominus et consummabo super domum Israël, et super domum Juda testamentum novum, et exponens, quod sit hoc testamentum, dicit : « Quia hoc est testamentum, quod disponam domui Israël, dando leges meas in mentes eorum, et in corda eorum superscribam eas. » Ergo lex nova est lex indita.
Maar daartegenover staat, dat de Nieuwe Wet de wet van het Nieuwe Verbond is. Welnu de wet van het Nieuwe Verbond is in de harten gelegd. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (8, 8-10), terwijl hij zich beroept op Jeremias (31, 31-33) : « Zie de dagen zullen komen, zegt de Heer, dat ik het Nieuw Verbond aan het huis van Israël en het huis van Juda zal voltrekken », daar aan toevoegende als verklaring : « Daar dit het Verbond is, dat Ik voor het huis van Israël zal bereiden, dat Ik, terwijl Ik hen mijne wetten gegeven heb, zal griffen in hun hart en in hun geest. » Dus is de Nieuwe Wet een aangeboren wet.Maar daartegenover staat, dat de Nieuwe Wet de wet van het Nieuwe Verbond is. Welnu de wet van het Nieuwe Verbond is in de harten gelegd. De Apostel immers zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (8, 8-10), terwijl hij zich beroept op Jeremia (31, 31-33): “Zie de dagen zullen komen, zegt de Heer, dat ik het Nieuw Verbond aan het huis van Israël en het huis van Juda zal voltrekken”, daar aan toevoegende als verklaring: “Daar dit het Verbond is, dat Ik voor het huis van Israël zal bereiden, dat Ik, terwijl Ik hen mijn wetten gegeven heb, zal griffen in hun hart en in hun geest.” Dus is de Nieuwe Wet een aangeboren wet.
Respondeo dicendum, quod unaquaeque res illud videtur esse, quod in ea est potissimum, ut Philosophus dicit in 9. Ethic. [cap. 8.] ; id autem, quod est potissimum in lege novi testamenti, et in quo tota virtus ejus consistit, est gratia Spiritus Sancti, quae datur per fidem Christi; et ideo principaliter lex 554nova est ipsa gratia Spiritus Sancti, quae datur Christifidelibus. Et hoc manifeste apparet per Apostolum, qui ad Rom. 3 [v. 27] dicit : « Ubi est ergo gloriatio tua? exclusa est; per quam legem? factorum? Non, sed per legem fidei » : ipsam enim fidei gratiam legem appellat; et expressius ad Rom. 8 [v. 2] dicitur : « Lex spiritus vitae in Christo Jesu liberavit me a lege peccati, et mortis » ; unde et Augustinus dicit in lib. de Spir. et Lit. [cap. 17. et 26.], quod sicut lex factorum scripta fuit in tabulis lapideis, ita lex fidei scripta est in cordibus fidelium. Et alibi dicit in eodem lib. [cap. 21.] : « Quae sunt leges Dei, ab ipso Deo scriptae in cordibus, nisi ipsa praesentia Spiritus Sancti? »
Leerstelling. — Zooals de Wijsgeer zegt in het negende Boek der Ethica (VIIIe H.), is ieder ding datgene, wat er het voornaamste van is. Welnu datgene wat in de Wet van het Nieuw Verbond het voornaamste is, en waarin haar geheele kracht bestaat, is de genade van den H. Geest, die door het geloof van Christus gegeven wordt. Daarom is de Nieuwe Wet hoofdzakelijk de genade zelf van den H. Geest, die aan de geloovigen in Christus gegeven wordt. Dit blijkt duidelijk uit het gezegde van den 554Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (3, 27) : « Waar blijft dan de grootsprekerij? — Zij is uitgesloten. — Door welke wet? Door die der werken? — Neen, maar door de wet van het geloof. » (De genade van het geloof wordt zelf wet genoemd.) En in denzelfden Brief (8, 2) wordt uitdrukkelijk gezegd : « De wet van den geest des levens in Christus Jesus heeft u bevrijd van de wet der zonde en des doods. » Vandaar zegt ook Augustinus in zijn Boek Over den geest en de letter (XVIIe en XXVIe H.), dat, gelijk de wet der feiten geschreven was op steenen tafelen, zoo ook de wet van het geloof geschreven is in de harten der geloovigen; en elders zegt hij in hetzelfde Boek (XXIe H.) : « Wat zijn de wetten van God, die door Hem in de harten geschreven zijn, anders, dan de tegenwoordigheid van den H. Geest? »Leerstelling. — Zoals de Wijsgeer zegt in het negende Boek van de Ethica (8e H.), is ieder ding datgene, wat er het voornaamste van is. Welnu datgene wat in de Wet van het Nieuw Verbond het voornaamste is, en waarin haar gehele kracht bestaat, is de genade van de H. Geest, die door het geloof van Christus gegeven wordt. Daarom is de Nieuwe Wet hoofdzakelijk de genade zelf van de H. Geest, die aan de gelovigen in Christus gegeven wordt. Dit blijkt duidelijk uit het gezegde van de 554Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (3, 27): “Waar blijft dan de grootsprekerij? — Zij is uitgesloten. — Door welke wet? Door die van de werken? — Neen, maar door de wet van het geloof.” (De genade van het geloof wordt zelf wet genoemd.) En in dezelfde Brief (8, 2) wordt uitdrukkelijk gezegd: “De wet van de geest van het leven in Christus Jesus heeft u bevrijd van de wet van de zonde en van de dood.” Vandaar zegt ook Augustinus in zijn Boek Over de geest en de letter (17e en 26e H.), dat, gelijk de wet van de feiten geschreven was op stenen tafelen, zo ook de wet van het geloof geschreven is in de harten van de gelovigen; en elders zegt hij in hetzelfde Boek (21e H.): “Wat zijn de wetten van God, die door Hem in de harten geschreven zijn, anders, dan de tegenwoordigheid van de H. Geest?”
Habet tamen lex nova quaedam sicut dispositiva ad gratiam Spiritus Sancti, et ad usum hujus gratiae pertinentia, quae sunt quasi secundaria in lege nova; de quibus oportuit instrui fideles Christi et verbis, et scriptis, tam circa credenda quam circa agenda; et ideo dicendum est, quod principaliter lex nova est lex indita, secundario autem est lex scripta.
De Nieuwe Wet bevat echter dingen, die als het ware de geschiktheid geven tot de genade van den H. Geest, en die behooren tot het gebruik er van. Deze zijn secundair aan de Nieuwe Wet. Hieromtrent moeten de geloovigen van Christus onderricht worden, mondeling en schriftelijk, zoowel met betrekking tot de dingen, die geloofd, als met betrekking tot de dingen, die gedaan moeten worden. Volgens dit alles moet men dus zeggen, dat de 555Nieuwe Wet op de eerste plaats een aangeboren wet is, en slechts op de tweede plaats een geschreven wet.De Nieuwe Wet bevat echter dingen, die als het ware de geschiktheid geven tot de genade van de H. Geest, en die behoren tot het gebruik er van. Deze zijn secundair aan de Nieuwe Wet. Hieromtrent moeten de gelovigen van Christus onderricht worden, mondeling en schriftelijk, zowel met betrekking tot de dingen, die geloofd, als met betrekking tot de dingen, die gedaan moeten worden. Volgens dit alles moet men dus zeggen, dat de 555Nieuwe Wet op de eerste plaats een aangeboren wet is, en slechts op de tweede plaats een geschreven wet.
555Ad primum ergo dicendum, quod in Scriptura Evangelii non continentur nisi ea, quae pertinent ad gratiam Spiritus Sancti, vel sicut dispositiva, vel sicut ordinativa ad usum hujus gratiae; sicut dispositiva quidem, quantum ad intellectum, per fidem, per quam datur Spiritus Sancti gratia, continentur in Evangelia ea, quae pertinent ad manifestandam divinitatem vel humanitatem Christi; secundum affectum vero continentur in Evangelio ea, quae pertinent ad contemptum mundi, per quem homo fit capax Spiritus Sancti gratiae : Mundus enim, idest amatores mundi, non potest capere Spiritum Sanctum, ut habetur Joan. 14 [v. 17]. Usus vero spiritualis gratiae est in operibus virtutum, ad quae multipliciter Scriptura novi testamenti homines exhortatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het Evangelie zijn slechts die dingen vervat, die betrekking hebben op de genade van den H. Geest, zoowel voor zoover ze een geschiktheid geven, als voor zoover ze een orde zeggen tot het gebruik van die genade. Voor zoover ze een geschiktheid geven, moeten we onderscheid maken : ze geven nl. een geschiktheid met betrekking tot het verstand, door het geloof, waardoor de genade van den H. Geest gegeven wordt, en zóó zijn in het Evangelie die dingen vervat, die betrekking hebben op de manifestatie der Godheid of der menschheid van Christus; met betrekking tot het streefvermogen geven die dingen een geschiktheid, die betrekking hebben op de verachting der wereld, waardoor de mensch geschikt wordt om de genade van den H. Geest te ontvangen. De wereld immers, d. i. : de minnaars der wereld, kan den H. Geest niet vatten, zooals staat bij Joannes (14, 17). Maar het gebruik der geestelijke genade ligt in de deugddaden, waartoe de H. Schrift de menschen op vele manieren aanspoort.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het Evangelie zijn slechts die dingen vervat, die betrekking hebben op de genade van de H. Geest, zowel voor zover ze een geschiktheid geven, als voor zover ze een orde zeggen tot het gebruik van die genade. Voor zover ze een geschiktheid geven, moeten we onderscheid maken: ze geven nl. een geschiktheid met betrekking tot het verstand, door het geloof, waardoor de genade van de H. Geest gegeven wordt, en zó zijn in het Evangelie die dingen vervat, die betrekking hebben op de manifestatie van de Godheid of van de mensheid van Christus; met betrekking tot het streefvermogen geven die dingen een geschiktheid, die betrekking hebben op de verachting van de wereld, waardoor de mens geschikt wordt om de genade van de H. Geest te ontvangen. De wereld immers, d.i.: de minnaars van de wereld, kan de H. Geest niet vatten, zoals staat bij Johannes (14, 17). Maar het gebruik van de geestelijke genade ligt in de deugddaden, waartoe de H. Schrift de mensen op vele manieren aanspoort.
Ad secundum dicendum, quod dupliciter est aliquid inditum homini : uno modo quasi pertinens ad naturam humanam : et sic lex naturalis est lex indita homini; alio modo est aliquid inditum homini, quasi superadditum per 556gratiae donum : et hoc modo lex nova est indita homini, non solum indicans, quid sit faciendum, sed etiam adjuvans ad implendum.
2. Op twee manieren kan den mensch iets aangeboren zijn. Ten eerste, in zoover iets behoort tot de menschelijke natuur, en in dien zin is de natuurwet den mensch aangeboren. Ten tweede 556kan den mensch iets aangeboren zijn, in zoover door een vrije gave iets aan de natuur wordt toegevoegd, en in dien zin is de Nieuwe Wet den mensch aangeboren, niet alleen door aan te toonen wat gedaan moet worden, maar ook door bij de vervulling er van te helpen.2. Op twee manieren kan de mens iets aangeboren zijn. Ten eerste, in zover iets behoort tot de menselijke natuur, en in die zin is de natuurwet de mens aangeboren. Ten tweede 556kan de mens iets aangeboren zijn, in zover door een vrije gave iets aan de natuur wordt toegevoegd, en in die zin is de Nieuwe Wet de mens aangeboren, niet alleen door aan te tonen wat gedaan moet worden, maar ook door bij de vervulling er van te helpen.
Ad tertium dicendum, quod nullus unquam habuit gratiam Spiritus Sancti, nisi per fidem Christi explicitam vel implicitam; per fidem autem Christi pertinet homo ad novum testamentum; unde quibuscumque fuit lex gratiae indita, secundum hoc ad novum testamentum pertinebant.
3. Niemand heeft ooit de genade van den H. Geest gehad, dan door het geloof in Christus, hetzij impliciet, hetzij expliciet. Welnu door het geloof in Christus behoort de mensch tot het Nieuwe Verbond, en vandaar behoorden allen tot het nieuwe Verbond, aan wie Wet der Genade is aangeboren.3. Niemand heeft ooit de genade van de H. Geest gehad, dan door het geloof in Christus, hetzij impliciet, hetzij expliciet. Welnu door het geloof in Christus behoort de mens tot het Nieuwe Verbond, en vandaar behoorden allen tot het nieuwe Verbond, aan wie Wet van de Genade is aangeboren.
Utrum lex nova justificet
Maakt de Nieuwe Wet rechtvaardig?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex nova non justificet : nullus enim justificatur, nisi legi Dei obediat, secundum illud ad Hebr. 5 [v. 9] : « Factus est, scilicet Christus, omnibus obtemperantibus sibi causa salutis aeternae. » Sed Evangelium non semper hoc operatur, quod homines 557ei obediant : dicitur enim Rom. 10 [v. 16] : « Non omnes obediunt Evangelio. » Ergo lex nova non justificat.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet rechtvaardig maakt. — 1. Niemand immers wordt gerechtvaardigd, tenzij hij aan de Wet Gods gehoorzaamt, wat blijkt uit het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (5, 9) : « Hij (nl. Christus) bezorgt de eeuwige zaligheid aan allen, die aan Hem gehoorzamen. » Welnu niet altijd bewerkt het Evangelie, 557dat de mensch er aan gehoorzaamt, wat blijkt uit den Brief aan de Romeinen (10, 16) : « Niet allen gehoorzamen aan het Evangelie. » Dus maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet rechtvaardig maakt. — 1. Niemand immers wordt gerechtvaardigd, tenzij hij aan de Wet Gods gehoorzaamt, wat blijkt uit het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (5, 9): “Hij (nl. Christus) bezorgt de eeuwige zaligheid aan allen, die aan Hem gehoorzamen.” Welnu niet altijd bewerkt het Evangelie, 557dat de mens er aan gehoorzaamt, wat blijkt uit de Brief aan de Romeinen (10, 16): “Niet allen gehoorzamen aan het Evangelie.” Dus maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig.
2. Praeterea, Apostolus probat ad Rom. quod lex vetus non justificabat, quia ea adveniente praevaricatio crevit : dicitur enim ad Rom. 4 [v. 15] : « Lex iram operatur : ubi enim non est lex, nec praevaricatio. » Sed multo magis lex nova praevaricationem addidit : majori enim poena est dignus, qui post legem novam datam adhuc peccat, secundum illud Heb. 10 [v. 28 sq.] : « Irritam quis faciens legem Moysi, sine ulla miseratione duobus vel tribus testibus moritur; quanto magis putatis deteriora mereri supplicia, qui Filium Dei conculcaverit? » etc.; ergo lex nova non justificat, sicut nec vetus.
2. De Apostel toont aan, dat de Oude Wet niet rechtvaardig maakt, omdat bij haar komst de overtreding toenam. Dit blijkt uit den Brief aan de Romeinen (4, 15) : « De Wet brengt toorn voort; waar geen wet is, kan ook geen overtreding zijn. » Welnu de Nieuwe Wet heeft veel meer overtreding met zich medegebracht; immers een grootere straf verdient hij die onder de Nieuwe Wet nog zondigt, wat blijkt uit den Brief aan de Hebreën (10, 28-29) : « Wie de Wet van Mozes overtreedt, moet zonder genade sterven op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient, die den Zoon van God vertrapt heeft? », enz. Dus maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig, gelijk ook de Oude Wet niet.2. De Apostel toont aan, dat de Oude Wet niet rechtvaardig maakt, omdat bij haar komst de overtreding toenam. Dit blijkt uit de Brief aan de Romeinen (4, 15): “De Wet brengt toorn voort; waar geen wet is, kan ook geen overtreding zijn.” Welnu de Nieuwe Wet heeft veel meer overtreding met zich medegebracht; immers een grotere straf verdient hij die onder de Nieuwe Wet nog zondigt, wat blijkt uit de Brief aan de Hebreën (10, 28-29): “Wie de Wet van Mozes overtreedt, moet zonder genade sterven op het woord van twee of drie getuigen. Hoeveel ergere straf meent gij dat iemand verdient, die de Zoon van God vertrapt heeft?”, enz. Dus maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig, gelijk ook de Oude Wet niet.
3. Praeterea, justificare est proprius effectus Dei, secundum illud ad Rom. 8 [v. 33] : « Deus est, qui justificat. » Sed lex vetus fuit a Deo, sicut et lex nova; ergo lex nova non magis justificat, quam lex vetus.
3. Rechtvaardig maken is het eigen uitwerksel van God, wat blijkt uit den Brief aan de Romeinen (8, 33) : « God is het, die rechtvaardig maakt. » Welnu zoowel de Nieuwe Wet als de Oude Wet was van God. Dus maakt de Nieuwe Wet niet méér rechtvaardig dan de Oude.3. Rechtvaardig maken is het eigen uitwerksel van God, wat blijkt uit de Brief aan de Romeinen (8, 33): “God is het, die rechtvaardig maakt.” Welnu zowel de Nieuwe Wet als de Oude Wet was van God. Dus maakt de Nieuwe Wet niet méér rechtvaardig dan de Oude.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Roman. 1 [v. 16] : « Non erubesco Evangelium : virtus enim Dei est in salutem omni credenti » ; non autem est salus nisi justificatis; ergo lex Evangelii justificat.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn 558Brief aan de Romeinen (1, 16) : « Ik ben niet beschaamd over het Evangelie. Een kracht van God is het immers, tot zaligheid voor allen, die gelooven. » Welnu er is geen zaligheid zonder rechtvaardigmaking. Dus maakt de Wet van het Evangelie rechtvaardig.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn 558Brief aan de Romeinen (1, 16): “Ik ben niet beschaamd over het Evangelie. Een kracht van God is het immers, tot zaligheid voor allen, die geloven.” Welnu er is geen zaligheid zonder rechtvaardigmaking. Dus maakt de Wet van het Evangelie rechtvaardig.
558Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.] ad legem Evangelii duo pertinent. Unum quidem principaliter, scilicet ipsa gratia Spiritus Sancti interius data; et quantum ad hoc nova lex justificat; unde Augustinus dicit in lib. de Spiritu et Litera [cap. 17] : « Ibi, scilicet in veteri testamento, lex extrinsecus est posita, qua injusti terrerentur; hic, scilicet in novo testamento, intrinsecus data est, qua justificarentur. » Aliud pertinet ad legem Evangelii secundario, scilicet documenta fidei, et praecepta ordinantia affectum humanum et humanos actus; et quantum ad hoc lex nova non justificat; unde Apostolus dicit 2. ad Cor. 3 [v. 6] : « Litera occidit, spiritus autem vivificat », et Augustinus exponit in lib. de Spiritu et Litera [cap. 14. et 17.], quod per literam intelligitur quaelibet scriptura extra 559homines existens, etiam moralium praeceptorum, qualia continentur in Evangelio; unde etiam litera Evangelii occideret, nisi adesset interius gratia fidei sanans.
Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, kunnen we in het Evangelie twee dingen onderscheiden. Ten eerste, iets wat er primair in is, nl. de genade zelf van den H. Geest, die innerlijk gegeven wordt, en met betrekking hiertoe maakt de Nieuwe Wet rechtvaardig. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Over den geest en de letter (XVIIe H.) : « Daar (nl. in het Oude Verbond) was de wet uiterlijk, waardoor de onrechtvaardigen werden afgeschrikt; hier (nl. in de Nieuwe Wet) is ze innerlijk, waardoor ze gerechtvaardigd worden. » Ten tweede wordt iets secundair in de Wet van het Evangelie gevonden, nl. wat tot het geloof behoort, en de bevelen die het streefvermogen en de daden van den mensch ordenen, en met betrekking hiertoe maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig. Vandaar zegt de Apostel in zijn IIn Brief aan de Corinthiërs (3, 6) : « De letter maakt dood, de geest echter maakt levend », en Augustinus verklaart in zijn Boek Over den geest en de letter (XIVe en XVIIe H.), dat met de letter 559bedoeld wordt ieder geschreven woord, dat buiten de menschen bestaat, ook de voorschriften op zedelijk gebied, gelijk die in het Evangelie vervat zijn; daarom zou ook de wet van het Evangelie doodmaken, wanneer de innerlijke gezondmakende genade van het geloof er niet bijkwam.Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, kunnen we in het Evangelie twee dingen onderscheiden. Ten eerste, iets wat er primair in is, nl. de genade zelf van de H. Geest, die innerlijk gegeven wordt, en met betrekking hiertoe maakt de Nieuwe Wet rechtvaardig. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Over de geest en de letter (17e H.): “Daar (nl. in het Oude Verbond) was de wet uiterlijk, waardoor de onrechtvaardigen werden afgeschrikt; hier (nl. in de Nieuwe Wet) is ze innerlijk, waardoor ze gerechtvaardigd worden.” Ten tweede wordt iets secundair in de Wet van het Evangelie gevonden, nl. wat tot het geloof behoort, en de bevelen die het streefvermogen en de daden van de mens ordenen, en met betrekking hiertoe maakt de Nieuwe Wet niet rechtvaardig. Vandaar zegt de Apostel in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (3, 6): “De letter maakt dood, de geest echter maakt levend”, en Augustinus verklaart in zijn Boek Over de geest en de letter (14e en 17e H.), dat met de letter 559bedoeld wordt ieder geschreven woord, dat buiten de mensen bestaat, ook de voorschriften op zedelijk gebied, gelijk die in het Evangelie vervat zijn; daarom zou ook de wet van het Evangelie doodmaken, wanneer de innerlijke gezondmakende genade van het geloof er niet bijkwam.
Ad primum ergo dicendum, quod illa objectio procedit de lege nova, non quantum ad id, quod est principale in ipsa, sed quantum ad id, quod est secundarium in ipsa, scilicet quantum ad documenta et praecepta exterius homini proposita, vel scripto, vel verbo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze opwerping gaat niet uit van datgene, wat primair is in de Nieuwe Wet, maar van datgene, wat er secundair in is, nl. van wat behoort tot het geloof en van de voorschriften, die aan de menschen gegeven worden, mondeling of schriftelijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze opwerping gaat niet uit van datgene, wat primair is in de Nieuwe Wet, maar van datgene, wat er secundair in is, nl. van wat behoort tot het geloof en van de voorschriften, die aan de mensen gegeven worden, mondeling of schriftelijk.
Ad secundum dicendum, quod gratia novi testamenti etsi adjuvet hominem ad non peccandum, non tamen ita confirmat in bono, ut homo peccare non possit; hoc enim pertinet ad statum gloriae; et ideo, si quis post acceptam gratiam novi testamenti peccaverit, majori poena est dignus, tamquam majoribus beneficiis ingratus, et auxilio sibi dato non utens; nec tamen propter hoc dicitur, quod lex nova iram operatur, quia, quantum est de se, sufficiens auxilium dat ad non peccandum.
2. Ofschoon de mensch de genade van het Nieuw Verbond heeft om niet te zondigen, bevestigt zij hem toch niet zoozeer in het goede, dat hij niet meer zou kunnen zondigen. Dit toch behoort tot den staat der glorie, en daarom verdient iemand, wanneer hij na het ontvangen van de genade van het Nieuw Verbond gezondigd heeft, een grootere straf, daar hij ondankbaar is voor grootere weldaden, en de hem gegeven hulp niet gebruikt. Maar daarom zegt de Apostel niet, dat de Nieuwe Wet toorn voortbrengt, want op zichzelf geeft zij voldoende hulp om niet te zondigen.2. Ofschoon de mens de genade van het Nieuw Verbond heeft om niet te zondigen, bevestigt zij hem toch niet zozeer in het goede, dat hij niet meer zou kunnen zondigen. Dit toch behoort tot de staat van de glorie, en daarom verdient iemand, wanneer hij na het ontvangen van de genade van het Nieuw Verbond gezondigd heeft, een grotere straf, daar hij ondankbaar is voor grotere weldaden, en de hem gegeven hulp niet gebruikt. Maar daarom zegt de Apostel niet, dat de Nieuwe Wet toorn voortbrengt, want op zichzelf geeft zij voldoende hulp om niet te zondigen.
Ad tertium dicendum, quod legem novam et veterem unus Deus dedit, 560sed aliter et aliter, nam legem veterem dedit scriptam in tabulis lapideis; legem autem novam dedit scriptam in tabulis cordis carnalibus, ut Apostolus dicit 2. Cor. 3 [v. 3] : proinde sicut Augustinus dicit in lib. de Spiritu et Litera [cap. 18], literam istam extra hominem scriptam et ministrationem mortis, et ministrationem damnationis Apostolus appellat; hanc autem, scilicet novi testamenti legem, ministrationem spiritus et ministrationem justitiae dicit, quia per donum Spiritus operamur justitiam, et a praevaricationis damnatione liberamur.
3. Een en dezelfde God heeft de Oude en de Nieuwe Wet 560gegeven, maar op verschillende manier. Want de Oude Wet heeft Hij gegeven, geschreven op steenen tafelen; de Nieuwe Wet echter, op de vleeschelijke tafelen van het hart, gelijk de Apostel zegt in zijn IIn Brief aan de Corinthiërs (3, 3). En, zooals Augustinus zegt in zijn Boek Over den geest en de letter (XVIIIe H.), noemt de Apostel die buiten den mensch geschreven letter de bedienaarster van de dood en van de verdoemenis; de andere letter, nl. de wet van het Nieuw Verbond, noemt hij de bedienaarster van den geest en van de gerechtigheid, omdat wij door de gave van den Geest rechtvaardige werken doen en van de straf der zonde verlost worden.3. Een en dezelfde God heeft de Oude en de Nieuwe Wet 560gegeven, maar op verschillende manier. Want de Oude Wet heeft Hij gegeven, geschreven op stenen tafelen; de Nieuwe Wet echter, op de vleselijke tafelen van het hart, gelijk de Apostel zegt in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (3, 3). En, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de geest en de letter (18e H.), noemt de Apostel die buiten de mens geschreven letter de bedienaarster van de dood en van de verdoemenis; de andere letter, nl. de wet van het Nieuw Verbond, noemt hij de bedienaarster van de geest en van de gerechtigheid, omdat wij door de gave van de Geest rechtvaardige werken doen en van de straf van de zonde verlost worden.
Utrum lex nova debuerit dari a principio mundi
Had de Nieuwe Wet bij het begin der wereld moeten gegeven worden?Had de Nieuwe Wet bij het begin van de wereld moeten gegeven worden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod lex nova debuerit dari a principio mundi : « Non enim est personarum acceptio apud Deum », dicitur ad 561Rom. 2 [v. 11] ; sed omnes homines peccaverunt, et egent gratia1 Dei, ut dicitur ad Rom. 3 [v. 23] ; ergo a principio mundi lex Evangelii dari debuit, ut omnibus per eam subveniretur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet bij het begin van de wereld had moeten gegeven worden. — 1. Immers 561voorkeur naar het aangezicht bestaat bij God niet, zooals in den Brief aan de Romeinen (2, 11) wordt gezegd. Welnu « allen hebben gezondigd en moeten den glans van God derven », zooals in den Brief aan de Romeinen (3, 23) gezegd wordt. Dus had de Nieuwe Wet bij het begin der wereld moeten gegeven worden, opdat allen door haar zouden geholpen worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet bij het begin van de wereld had moeten gegeven worden. — 1. Immers 561voorkeur naar het aangezicht bestaat bij God niet, zoals in de Brief aan de Romeinen (2, 11) wordt gezegd. Welnu “allen hebben gezondigd en moeten de glans van God derven”, zoals in de Brief aan de Romeinen (3, 23) gezegd wordt. Dus had de Nieuwe Wet bij het begin van de wereld moeten gegeven worden, opdat allen door haar zouden geholpen worden.
2. Praeterea, sicut in diversis locis sunt diversi homines, ita etiam in diversis temporibus; sed Deus, qui vult omnes homines salvos fieri, ut dicitur 1. ad Timot. 2 [v. 4], mandavit Evangelium praedicari in omnibus locis, ut patet Matth. ult. et Marc. ult.; ergo omnibus temporibus debuit adesse lex Evangelii, ita quod a principio mundi daretur.
2. Evenals op verscheidene plaatsen verschillende menschen zijn, zoo ook op verschillende tijden. Welnu God die wil, dat alle menschen zalig worden, zooals in den In Brief aan Timotheus (2, 4) gezegd wordt, heeft bevolen, dat het Evangelie op alle plaatsen gepredikt zou worden, zooals blijkt uit het laatste hoofdstuk van Mattheus en Marcus. Dus moest ook ten allen tijde de Wet van het Evangelie aanwezig zijn, zoodat zij bij het begin der wereld zou moeten gegeven zijn.2. Evenals op verscheidene plaatsen verschillende mensen zijn, zo ook op verschillende tijden. Welnu God die wil, dat alle mensen zalig worden, zoals in de 1e Brief aan Timoteüs (2, 4) gezegd wordt, heeft bevolen, dat het Evangelie op alle plaatsen gepredikt zou worden, zoals blijkt uit het laatste hoofdstuk van Matteüs en Marcus. Dus moest ook ten allen tijde de Wet van het Evangelie aanwezig zijn, zodat zij bij het begin van de wereld zou moeten gegeven zijn.
3. Praeterea, magis est necessaria homini salus spiritualis, quae est aeterna, quam salus corporalis, quae est temporalis; sed Deus ab initio mundi providit homini ea, quae sunt necessaria ad salutem corporalem, tradens ejus potestati omnia, quae erant propter hominem creata, ut patet Gen. 1. [v. 26, 28] ; ergo etiam lex nova, quae maxime est necessaria ad salutem spiritualem, debuit hominibus a principio mundi dari.
3. Het geestelijk heil, dat eeuwig is, is noodzakelijker voor den mensch dan het lichamelijk heil, dat tijdelijk is. Welnu God heeft van het begin der wereld af voorzien in die dingen, die noodig zijn voor het lichamelijk heil, door aan den mensch macht te geven over alles wat om hem geschapen is, zooals blijkt uit het Boek Genesis (1, 26-28). Dus moest de Nieuwe Wet, die absoluut 562noodig is voor het geestelijk heil, bij het begin der wereld gegeven zijn.3. Het geestelijk heil, dat eeuwig is, is noodzakelijker voor de mens dan het lichamelijk heil, dat tijdelijk is. Welnu God heeft van het begin van de wereld af voorzien in die dingen, die nodig zijn voor het lichamelijk heil, door aan de mens macht te geven over alles wat om hem geschapen is, zoals blijkt uit het Boek Genesis (1, 26-28). Dus moest de Nieuwe Wet, die absoluut 562nodig is voor het geestelijk heil, bij het begin van de wereld gegeven zijn.
562Sed contra est, quod Apostolus dicit 1. ad Cor. 15 [v. 46] : « Non prius quod spirituale est, sed quod animale. » Sed lex nova est maxime spiritualis; ergo lex nova non debuit a principio mundi dari.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in den In Brief aan de Corinthiërs (15, 46) : « Het geestelijke komt niet eerst, maar wat het bezielt. » Welnu de Nieuwe Wet is uiterst geestelijk. Dus moest zij niet bij het begin der wereld gegeven worden.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in de 1e Brief aan de Korintiërs (15, 46): “Het geestelijke komt niet eerst, maar wat het bezielt.” Welnu de Nieuwe Wet is uiterst geestelijk. Dus moest zij niet bij het begin van de wereld gegeven worden.
Respondeo dicendum, quod triplex ratio potest assignari, quare lex nova non debuit dari a principio mundi. Quarum prima est, quia lex nova sicut dictum est [art. 1. huj. q.], principaliter est gratia Spiritus Sancti, quae abundanter dari non debuit, antequam impedimentum peccati ab humano genere tolleretur, consummata redemptione per Christum; unde dicitur Joan. 7 [v. 39] : « Nondum erat Spiritus datus, quia Jesus nondum erat glorificatus » ; et hanc rationem manifeste assignat Apostolus ad Roman. 8 [v. 2 sqq.], ubi postquam praemiserat de lege spiritus vitae, subjungit : « Deus Filium suum mittens in similitudinem carnis peccati, de peccato damnavit peccatum in carne, ut justificatio legis impleretur in nobis. »
Leerstelling. — Drie redenen kunnen aangegeven worden, waarom de Nieuwe Wet niet bij het begin der wereld had moeten gegeven worden. Ten eerste, omdat de Nieuwe Wet, zooals (in het eerste Artikel) gezegd is, in hoofdzaak de genade van den H. Geest is, die niet overmatig moest gegeven worden vóór de hinderpaal der zonde werd weggenomen van het menschelijk geslacht, wat gebeurd is, toen de verlossing door Christus voltrokken werd. Vandaar zegt Johannes (7, 39) : « De geest was nog niet gegeven, daar Jesus nog niet verheerlijkt was. » Die reden geeft de Apostel duidelijk aan in zijn Brief aan de Romeinen (8, 2 vv.), waar hij eerst spreekt over de wet van den geest des levens en er dan op volgen laat : « Zijn eigen Zoon heeft Hij gezonden in de gelijkenis van het zondig vleesch, en om de zonden, en Hij heeft de zonden veroordeeld in het vleesch, opdat de rechtvaardigmaking door de wet tot stand zou komen in ons. »Leerstelling. — Drie redenen kunnen aangegeven worden, waarom de Nieuwe Wet niet bij het begin van de wereld had moeten gegeven worden. Ten eerste, omdat de Nieuwe Wet, zoals (in het eerste Artikel) gezegd is, in hoofdzaak de genade van de H. Geest is, die niet overmatig moest gegeven worden vóór de hinderpaal van de zonde werd weggenomen van het menselijk geslacht, wat gebeurd is, toen de verlossing door Christus voltrokken werd. Vandaar zegt Johannes (7, 39): “De geest was nog niet gegeven, daar Jesus nog niet verheerlijkt was.” Die reden geeft de Apostel duidelijk aan in zijn Brief aan de Romeinen (8, 2 vv.), waar hij eerst spreekt over de wet van de geest van het leven en er dan op volgen laat: “Zijn eigen Zoon heeft Hij gezonden in de gelijkenis van het zondig vlees, en om de zonden, en Hij heeft de zonden veroordeeld in het vlees, opdat de rechtvaardigmaking door de wet tot stand zou komen in ons.”
563Secunda ratio potest assignari ex perfectione legis novae : non enim aliquid ad perfectum adducitur statim a principio, sed quodam temporali successionis ordine, sicut aliquis prius fit puer, et postmodum vir; et hanc rationem assignat Apostolus ad Galat. 3 [v. 24 sq.] : « Lex paedagogus noster fuit in Christo, ut ex fide justificemur; at ubi venit fides, jam non sumus sub paedagogo. »
563De tweede reden kan gevonden worden in de volmaaktheid van de Nieuwe Wet. Niets immers wordt onmiddellijk bij het begin tot de hoogste volmaaktheid opgevoerd, maar geleidelijk aan, gelijk iemand eerst jongeling wordt, en later man. Deze reden geeft de Apostel aan in zijn Brief aan de Galaten (3, 24-25) : « Zoo is dan de wet onze paedagoog geworden tot Christus, opdat wij door het geloof gerechtvaardigd zouden worden. Daar nu het geloof gekomen is, staan wij niet meer onder den paedagoog. »563De tweede reden kan gevonden worden in de volmaaktheid van de Nieuwe Wet. Niets immers wordt onmiddellijk bij het begin tot de hoogste volmaaktheid opgevoerd, maar geleidelijk aan, gelijk iemand eerst jongeling wordt, en later man. Deze reden geeft de Apostel aan in zijn Brief aan de Galaten (3, 24-25): “Zo is dan de wet onze pedagoog geworden tot Christus, opdat wij door het geloof gerechtvaardigd zouden worden. Daar nu het geloof gekomen is, staan wij niet meer onder de pedagoog.”
Tertia ratio sumitur ex hoc, quod lex nova est lex gratiae; et ideo primo oportuit, quod homo relinqueretur sibi in statu veteris legis, ut in peccatum cadendo, suam infirmitatem cognoscens, recognosceret se gratia indigere; et hanc rationem assignat Apostolus ad Rom. 5 [v. 20] dicens : « Lex subintravit, ut abundaret delictum; ubi autem abundavit delictum, superabundavit et gratia. »
De derde reden ligt in het feit, dat de Nieuwe Wet de wet der genade is. En daarom moest de mensch eerst aan zichzelf overgelaten worden gedurende den tijd van de Oude Wet, opdat hij, door in de zonde te vallen, zijn eigen zwakheid zou erkennen en tot de overtuiging zou komen, dat hij de genade noodig heeft. Deze reden geeft de Apostel aan in zijn Brief aan de Romeinen (5, 20) : « De wet is nog bijgekomen, opdat er meer overtredingen zouden geschieden; doch waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen. »De derde reden ligt in het feit, dat de Nieuwe Wet de wet van de genade is. En daarom moest de mens eerst aan zichzelf overgelaten worden gedurende de tijd van de Oude Wet, opdat hij, door in de zonde te vallen, zijn eigen zwakheid zou erkennen en tot de overtuiging zou komen, dat hij de genade nodig heeft. Deze reden geeft de Apostel aan in zijn Brief aan de Romeinen (5, 20): “De wet is nog bijgekomen, opdat er meer overtredingen zouden geschieden; doch waar veel zonde was, is veel meer genade gekomen.”
Ad primum ergo dicendum, quod humanum genus propter peccatum primi parentis meruit privari auxilio gratiae; et ideo quibuscumque non 564datur, hoc est ex justitia, quibuscumque autem datur, hoc est ex gratia, ut Augustinus dicit in lib. de Perfectione Justitiae [epist. 107, c. 5]. Unde non est acceptio personarum apud Deum ex hoc, quod non omnibus a principio mundi legem gratiae proposuit, quae erat debito ordine proponenda, ut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het menschelijk geslacht had om de zonde van de eerste ouders verdiend, beroofd te worden van de hulp der genade, en daarom is het krachtens 564de rechtvaardigheid voor hen, aan wie ze niet gegeven wordt, en krachtens vrije gave voor hen, aan wie ze gegeven wordt, zooals Augustinus zich uitdrukt in zijn Boek Over de volmaaktheid der gerechtigheid (CVIIe Brief, Ve H.). Daarom is er bij God geen keuze naar het aangezicht, wanneer Hij van het begin der wereld af de wet der genade niet gegeven heeft, die immers op den geschikten tijd moest voorgesteld worden, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het menselijk geslacht had om de zonde van de eerste ouders verdiend, beroofd te worden van de hulp van de genade, en daarom is het krachtens 564de rechtvaardigheid voor hen, aan wie ze niet gegeven wordt, en krachtens vrije gave voor hen, aan wie ze gegeven wordt, zoals Augustinus zich uitdrukt in zijn Boek Over de volmaaktheid van de gerechtigheid (107e Brief, 5e H.). Daarom is er bij God geen keuze naar het aangezicht, wanneer Hij van het begin van de wereld af de wet van de genade niet gegeven heeft, die immers op de geschikte tijd moest voorgesteld worden, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.
Ad secundum dicendum, quod diversitas locorum non variat diversum statum humani generis, qui variatur per temporis successionem; et ideo omnibus locis proponitur lex nova, non autem omnibus temporibus; licet omni tempore fuerint aliqui ad novum testamentum pertinentes, ut supra dictum est [art. 1. huj. q. ad 3.].
2. Verschil van plaats brengt geen verschil van toestand van het menschelijk geslacht mee, dat slechts verandert door opeenvolging in den tijd. Daarom wordt de Nieuwe Wet gemaakt voor alle plaatsen, echter niet voor alle tijden, ofschoon er ten allen tijde waren, die tot het Nieuw Verbond behoorden, zooals hierboven gezegd is (Ie Art., 3e Antw.).2. Verschil van plaats brengt geen verschil van toestand van het menselijk geslacht mee, dat slechts verandert door opeenvolging in de tijd. Daarom wordt de Nieuwe Wet gemaakt voor alle plaatsen, echter niet voor alle tijden, ofschoon er ten allen tijde waren, die tot het Nieuw Verbond behoorden, zoals hierboven gezegd is (1e Art., 3e Antw.).
Ad tertium dicendum, quod ea quae pertinent ad salutem corporalem, deserviunt homini quantum ad naturam, quae non tollitur per peccatum; sed ea quae pertinent ad spiritualem salutem, ordinantur ad gratiam, quae amittitur per peccatum; et ideo non est similis ratio de utrisque.
3. Datgene wat behoort tot het lichamelijk heil, hoort den mensch toe krachtens zijn natuur, die door de zonde niet vernietigd wordt. Maar datgene, wat behoort tot het geestelijk heil is geordend tot de genade, die door de zonde verloren wordt. Daarom gaat voor beide dezelfde redeneering niet op.3. Datgene wat behoort tot het lichamelijk heil, hoort de mens toe krachtens zijn natuur, die door de zonde niet vernietigd wordt. Maar datgene, wat behoort tot het geestelijk heil is geordend tot de genade, die door de zonde verloren wordt. Daarom gaat voor beide dezelfde redenering niet op.
Utrum lex nova sit duratura usque ad finem mundi
Zal de Nieuwe Wet voortduren tot het einde der wereld?Zal de Nieuwe Wet voortduren tot het einde van de wereld?
565Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod lex nova non sit duratura usque ad finem mundi : quia, ut Apostolus dicit 1. ad Corint. 13 [v. 10] : « Cum venerit quod perfectum est, evacuabitur quod ex parte est. » Sed lex nova ex parte est : dicit enim Apostolus ibid. [v. 9] : « Ex parte cognoscimus, et ex parte prophetamus. » Ergo lex nova evacuanda est, alio perfectiori statu succedente.
565Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet zal voortduren tot aan het einde der wereld. — 1. Immers de Apostel zegt in den In Brief aan de Corinthiërs (13, 10) : « Wanneer het volmaakte zal komen, wordt het gedeeltelijke afgeschaft. » Welnu de Nieuwe Wet is een gedeeltelijke, volgens het woord van den Apostel (t. a. pl., 9) : « Ten deele kennen wij, en ten deele profeteeren wij. » Dus moet de Nieuwe Wet afgeschaft worden, als er een volmaakter toestand volgt.565Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet zal voortduren tot aan het einde van de wereld. — 1. Immers de Apostel zegt in de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 10): “Wanneer het volmaakte zal komen, wordt het gedeeltelijke afgeschaft.” Welnu de Nieuwe Wet is een gedeeltelijke, volgens het woord van de Apostel (t.a.p., 9): “Ten dele kennen wij, en ten dele profeteren wij.” Dus moet de Nieuwe Wet afgeschaft worden, als er een volmaakter toestand volgt.
2. Praeterea, Dominus, Joan. 16 [v. 13], promisit discipulis suis in adventu Spiritus Sancti Paracleti cognitionem omnis veritatis; sed nondum Ecclesia omnem veritatem cognoscit in statu novi testamenti; ergo expectandus est alius status, in quo per Spiritum Sanctum omnis veritas manifestetur.
2. De Heer heeft aan zijn leerlingen de kennis der geheele waarheid beloofd bij de komst van den H. Geest (Johannes, 16, 13). Welnu in den tijd van het Nieuwe Testament kent de Kerk de geheele waarheid nog niet. Dus moet er een andere tijd verwacht worden, waarin de geheele waarheid zal veropenbaard worden door den H. Geest.2. De Heer heeft aan zijn leerlingen de kennis van de gehele waarheid beloofd bij de komst van de H. Geest (Johannes, 16, 13). Welnu in de tijd van het Nieuwe Testament kent de Kerk de gehele waarheid nog niet. Dus moet er een andere tijd verwacht worden, waarin de gehele waarheid zal veropenbaard worden door de H. Geest.
3. Praeterea, sicut Pater est alius a Filio, et Filius a Patre, ita Spiritus Sanctus a Patre et Filio; sed fuit quidam status conveniens personae Patris, 566scilicet status veteris legis, in quo homines generationi intendebant; similiter etiam est alius status conveniens personae Filii, scilicet status novae legis, in quo Clerici intendentes sapientiae, quae appropriatur Filio, principantur; ergo erit status tertius Spiritus Sancti, in quo spirituales viri principabuntur.
3. Evenals de Vader verschilt van den Zoon, en de Zoon van den Vader, zoo ook verschilt de H. Geest van den Vader en den 566Zoon. Welnu er was een tijd, die geëigend was voor den persoon van den Vader, nl. de tijd van de Oude Wet, waarin de menschen bedacht waren op de voortbrenging; ook is er een tijd, die geëigend is voor den persoon van den Zoon, nl. de tijd der Nieuwe Wet, waarin de geestelijken, die zich toeleggen op de wijsheid, die aan den Zoon toegeschreven wordt, den voorrang hebben. Dus moet er nog een derde tijd komen, geëigend aan den H. Geest, waarin de hoogstaande menschen den voorrang zullen hebben.3. Evenals de Vader verschilt van de Zoon, en de Zoon van de Vader, zo ook verschilt de H. Geest van de Vader en de 566Zoon. Welnu er was een tijd, die geëigend was voor de persoon van de Vader, nl. de tijd van de Oude Wet, waarin de mensen bedacht waren op de voortbrenging; ook is er een tijd, die geëigend is voor de persoon van de Zoon, nl. de tijd van de Nieuwe Wet, waarin de geestelijken, die zich toeleggen op de wijsheid, die aan de Zoon toegeschreven wordt, de voorrang hebben. Dus moet er nog een derde tijd komen, geëigend aan de H. Geest, waarin de hoogstaande mensen de voorrang zullen hebben.
4. Praeterea, Dominus dicit Matth. 24 [v. 14] : « Praedicabitur hoc Evangelium regni in universo orbe, et tunc veniet consummatio. » Sed Evangelium Christi jamdiu est praedicatum in universo orbe, nec tamen adhuc venit consummatio; ergo Evangelium Christi non est Evangelium regni, sed futurum est aliud Evangelium Spiritus Sancti, quasi alia lex.
4. De Heer zegt (Mattheus, 24, 14) : « Dit Evangelie des rijks zal verkondigd worden over heel de wereld, en dan zal het einde komen. » Welnu het Evangelie van Christus is reeds gepredikt over heel de aarde, terwijl het einde nog niet daar is. Dus is het Evangelie van Christus niet het Evangelie van het rijk, maar zal er een ander Evangelie van den Geest komen, dat als een andere wet zal zijn.4. De Heer zegt (Matteüs, 24, 14): “Dit Evangelie van het rijk zal verkondigd worden over heel de wereld, en dan zal het einde komen.” Welnu het Evangelie van Christus is reeds gepredikt over heel de aarde, terwijl het einde nog niet daar is. Dus is het Evangelie van Christus niet het Evangelie van het rijk, maar zal er een ander Evangelie van de Geest komen, dat als een andere wet zal zijn.
Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. 24 [v. 34] : « Dico vobis, quia non praeteribit generatio haec, donec omnia fiant », quod Chrysostomus [hom. 78. in Matth.] exponit de generatione fidelium Christi; ergo status fidelium Christi manebit usque ad consummationem saeculi.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Heer bij Mattheus (24, 34) : « Voorwaar ik zeg u : dit geslacht zal niet vergaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. » Dit verklaart Chrysostomus (LXXVIIIe Homelie op Mattheus) van het geslacht der geloovigen in Christus. Dus blijft de tijd van de geloovigen in Christus tot het einde der eeuwen.Maar daartegenover staat het gezegde van de Heer bij Matteüs (24, 34): “Voorwaar ik zeg u: dit geslacht zal niet vergaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.” Dit verklaart Chrysostomus (78e Homelie op Matteüs) van het geslacht van de gelovigen in Christus. Dus blijft de tijd van de gelovigen in Christus tot het einde van de eeuwen.
567Respondeo dicendum, quod status mundi variari potest dupliciter. Uno modo secundum diversitatem legis : et sic huic statui novae legis nullus alius status succedet. Successit enim status novae legis statui veteris legis, tamquam perfectior imperfectiori; nullus autem status praesentis vitae potest esse perfectior, quam status novae legis : nihil enim potest esse propinquius fini ultimo, quam quod immediate in finem ultimum introducit; hoc autem facit nova lex; unde Apostolus dicit ad Hebr. 10 [v. 19 sqq.] : « Habentes itaque, fratres, fiduciam, in introitu sanctorum in sanguine Christi, quam initiavit nobis viam novam, accedamus. » Unde non potest esse aliquis perfectior status praesentis vitae, quam status novae legis, quia tanto est unumquodque perfectius, quanto est ultimo fini propinquius. Alio modo status hominum variari potest, secundum quod homines diversimode se habent ad eamdem legem, vel perfectius, vel minus perfecte; et sic status veteris legis frequenter fuit mutatus, cum quandoque leges optime custodirentur, 568quandoque autem omnino praetermitterentur. Sic etiam et status novae legis diversificatur secundum diversa loca et tempora et personas, inquantum gratia Spiritus Sancti perfectius vel minus perfecte ab aliquibus habetur. Non est tamen expectandum, quod sit aliquis status futurus, in quo perfectius gratia Spiritus Sancti habeatur, quam hactenus habita fuerit, et maxime ab Apostolis, qui primitias Spiritus acceperunt, idest et tempore prius et caeteris abundantius, ut Glossa [interl.] dicit Rom. 8 [v. 23].
567Leerstelling. — De toestand der wereld kan op twee manieren veranderen. Ten eerste, door verschil van wetten, en in dien zin zal er op den toestand der Nieuwe Wet geen andere toestand volgen. De toestand immers van de Nieuwe Wet is gevolgd op dien van de Oude Wet, als een meer volmaakte op een minder volmaakten. Welnu geen enkele toestand op aarde kan volmaakter zijn dan die der Nieuwe Wet. Niets immers kan dichter bij het laatste doel zijn, dan wat onmiddellijk naar het laatste doel heenleidt, en dit doet de Nieuwe Wet. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (10, 19, vv.) : « Aangezien wij dan, broeders, vrijmoedig in het heiligdom mogen ingaan door het bloed van Christus, langs den nieuwen weg, dien Hij voor ons ingewijd heeft. » Daarom kan er op aarde geen volmaakter toestand zijn dan die van de Nieuwe Wet, daar iets volmaakter is naarmate het dichter bij het laatste doel is. Ten tweede kan de toestand van de menschen veranderen, naar gelang de menschen zich anders verhouden ten opzichte van een en dezelfde wet, nl. ofwel volmaakter, of minder volmaakt, en in dien zin is de toestand in het Oude Testament dikwijls veranderd, daar de wetten nu eens uitstekend werden onderhouden, dan weer geheel werden verwaarloosd. In dien zin verandert ook de toestand van de 568Nieuwe Wet, overeenkomstig de verschillende plaatsen, tijden en personen, voor zoover ze de genade van den H. Geest meer of minder volmaakt bezitten. Het is echter niet te verwachten, dat er een tijd zal komen, waarin men de genade van den H. Geest volmaakter zal bezitten, dan die reeds bezeten is, vooral door de Apostelen, die den H. Geest op de eerste plaats ontvangen hebben, d. i. eerder in tijd en overvloediger dan de anderen, zooals de Glossa zegt op den Brief aan de Romeinen (8, 23).567Leerstelling. — De toestand van de wereld kan op twee manieren veranderen. Ten eerste, door verschil van wetten, en in die zin zal er op de toestand van de Nieuwe Wet geen andere toestand volgen. De toestand immers van de Nieuwe Wet is gevolgd op die van de Oude Wet, als een meer volmaakte op een minder volmaakten. Welnu geen enkele toestand op aarde kan volmaakter zijn dan die van de Nieuwe Wet. Niets immers kan dichter bij het laatste doel zijn, dan wat onmiddellijk naar het laatste doel heenleidt, en dit doet de Nieuwe Wet. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreën (10, 19, vv.): “Aangezien wij dan, broeders, vrijmoedig in het heiligdom mogen ingaan door het bloed van Christus, langs de nieuwe weg, die Hij voor ons ingewijd heeft.” Daarom kan er op aarde geen volmaakter toestand zijn dan die van de Nieuwe Wet, daar iets volmaakter is naarmate het dichter bij het laatste doel is. Ten tweede kan de toestand van de mensen veranderen, naar gelang de mensen zich anders verhouden ten opzichte van een en dezelfde wet, nl. ofwel volmaakter, of minder volmaakt, en in die zin is de toestand in het Oude Testament dikwijls veranderd, daar de wetten nu eens uitstekend werden onderhouden, dan weer geheel werden verwaarloosd. In die zin verandert ook de toestand van de 568Nieuwe Wet, overeenkomstig de verschillende plaatsen, tijden en personen, voor zover ze de genade van de H. Geest meer of minder volmaakt bezitten. Het is echter niet te verwachten, dat er een tijd zal komen, waarin men de genade van de H. Geest volmaakter zal bezitten, dan die reeds bezeten is, vooral door de Apostelen, die de H. Geest op de eerste plaats ontvangen hebben, d.i. eerder in tijd en overvloediger dan de anderen, zoals de Glossa zegt op de Brief aan de Romeinen (8, 23).
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Dionysius dicit in lib. Eccles. Hier. [cap. 5.], triplex est hominum status : primus quidem veteris legis; secundus novae legis; tertius status succedit non in hac vita, sed in futura, scilicet in patria. Sed sicut primus status est figuralis et imperfectus respectu status Evangelii, ita hic status est figuralis et imperfectus respectu status patriae, quo veniente iste status evacuatur, sicut dicitur 1. ad Cor. 13 [v. 12] : « Videmus nunc per speculum in aenigmate, tunc autem facie ad faciem. »
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Kerkelijke Hierarchie (Ve H.), is de toestand der menschen drievoudig. Ten eerste, die van de Oude Wet, ten tweede die van de Nieuwe Wet, en een derde, die volgt, niet in dit leven, maar in het toekomstig leven, nl. in het vaderhuis. En evenals de eerste toestand onvolmaakt is met betrekking tot dien van het Evangelie, en hem voorafbeeldt, zoo ook is deze toestand onvolmaakt ten opzichte van die in het vaderhuis en is hij er een afbeeldsel van. Wanneer men daar komt, verdwijnt de vorige toestand, volgens het woord van den Apostel in den In Brief aan de Corinthiërs (13, 12) : « Nu zien we door een spiegel in een raadsel, dan echter van aanschijn tot aanschijn. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Kerkelijke Hierarchie (5e H.), is de toestand van de mensen drievoudig. Ten eerste, die van de Oude Wet, ten tweede die van de Nieuwe Wet, en een derde, die volgt, niet in dit leven, maar in het toekomstig leven, nl. in het vaderhuis. En evenals de eerste toestand onvolmaakt is met betrekking tot die van het Evangelie, en hem voorafbeeldt, zo ook is deze toestand onvolmaakt ten opzichte van die in het vaderhuis en is hij er een afbeeldsel van. Wanneer men daar komt, verdwijnt de vorige toestand, volgens het woord van de Apostel in de 1e Brief aan de Korintiërs (13, 12): “Nu zien we door een spiegel in een raadsel, dan echter van aanschijn tot aanschijn.”
569Ad secundum dicendum, quod sicut Augustinus dicit in lib. contra Faustum [Lib. 19, cap. 31], Montanus et Priscilla posuerunt, quod promissio Domini de Spiritu Sancto dando non fuit completa in Apostolis, sed in eis; et similiter Manichaei posuerunt, quod fuit completa in Manichaeo, quem dicebant esse Spiritum paracletum; et ideo utrique non recipiebant Actus Apostolorum, in quibus manifeste ostenditur, quod illa promissio fuit in Apostolis completa, sicut Dominus iterato eis promisit Act. 1 [v. 5] : Baptizabimini Spiritu Sancto non post multos hos dies; quod impletum legitur Act. 2. Sed istae varietates excluduntur per hoc, quod dicitur Joan. 7 [v. 39] : « Nondum erat Spiritus datus, quia nondum Jesus erat glorificatus. » Ex quo datur intelligi, quod statim glorificato Christo in resurrectione et ascensione fuit Spiritus Sanctus datus. Et per hoc etiam excluditur quorumcumque vanitas, qui dicerent esse expectandum aliud tempus Spiritus Sancti.
5692. Zooals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (XIXe B., XXXIe H.), beweerden Montanus en Priscilla, dat de belofte van den Meester over den H. Geest niet vervuld was in de Apostelen, maar in hen. En evenzoo beweerden de Manicheën, dat zij in Manichaeus vervuld was, die, naar zij beweerden, de Vertrooster was. Daarom erkenden ze het gezag niet van de Handelingen der Apostelen, waaruit duidelijk blijkt, dat die belofte in de Apostelen vervuld is, zooals de Heer hun herhaaldelijk had beloofd : « Gij zult in den H. Geest gedoopt worden kort na deze dagen. » (Handelingen, 1, 5). Dat nu die belofte in vervulling is gegaan, verhalen de Handelingen (2). Die dwalingen worden ook uitgesloten door de woorden van Joannes (7, 39) : « De Geest was nog niet gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was », waaruit blijkt, dat de H. Geest gegeven is onmiddellijk na de verheerlijking van Christus door Zijn verrijzenis en hemelvaart. Daardoor wordt ook uitgesloten de lichtzinnige bewering van wie dan ook, dat er een andere tijd zal komen, nl. die van den H. Geest.5692. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 31e H.), beweerden Montanus en Priscilla, dat de belofte van de Meester over de H. Geest niet vervuld was in de Apostelen, maar in hen. En evenzo beweerden de Manicheën, dat zij in Manichaeus vervuld was, die, naar zij beweerden, de Vertrooster was. Daarom erkenden ze het gezag niet van de Handelingen van de Apostelen, waaruit duidelijk blijkt, dat die belofte in de Apostelen vervuld is, zoals de Heer hun herhaaldelijk had beloofd: “Gij zult in de H. Geest gedoopt worden kort na deze dagen.” (Handelingen, 1, 5). Dat nu die belofte in vervulling is gegaan, verhalen de Handelingen (2). Die dwalingen worden ook uitgesloten door de woorden van Johannes (7, 39): “De Geest was nog niet gegeven, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was”, waaruit blijkt, dat de H. Geest gegeven is onmiddellijk na de verheerlijking van Christus door Zijn verrijzenis en hemelvaart. Daardoor wordt ook uitgesloten de lichtzinnige bewering van wie dan ook, dat er een andere tijd zal komen, nl. die van de H. Geest.
Docuit autem Spiritus Sanctus Apostolos omnem veritatem de his, quae 570pertinent ad necessitatem salutis, scilicet de credendis et de agendis; non tamen docuit eos de omnibus futuris eventibus : hoc enim ad eos non pertinebat, secundum illud Act. 1 [v. 7] : « Non est vestrum nosse tempora, vel momenta, quae Pater posuit in potestate sua. »
De H. Geest nu heeft de Apostelen volkomen onderricht aangaande alles wat noodig is ter zaligheid, zoowel met betrekking tot wat geloofd als met betrekking tot wat gedaan moet worden, 570ofschoon Hij hen niet heel de toekomst heeft geopenbaard. Die kennis immers kwam hun niet toe, overeenkomstig die woorden uit de Handelingen (1, 7) : « Gij hoeft tijden of gelegenheden niet te kennen, die de vader door zijn eigen gezag heeft vastgesteld. »De H. Geest nu heeft de Apostelen volkomen onderricht aangaande alles wat nodig is ter zaligheid, zowel met betrekking tot wat geloofd als met betrekking tot wat gedaan moet worden, 570ofschoon Hij hen niet heel de toekomst heeft geopenbaard. Die kennis immers kwam hun niet toe, overeenkomstig die woorden uit de Handelingen (1, 7): “Gij hoeft tijden of gelegenheden niet te kennen, die de vader door zijn eigen gezag heeft vastgesteld.”
Ad tertium dicendum, quod lex vetus non solum fuit Patris, sed etiam Filii, quia Christus in veteri lege figurabatur; unde Dominus dicit Joan. 5 [v. 46] : « Si crederetis Moysi, crederetis forsitan et mihi : de me enim ille scripsit. » Similiter etiam lex nova non solum est Christi, sed etiam Spiritus Sancti, secundum illud Roman. 8 [v. 2] : « Lex spiritus vitae in Christo Jesu » etc.; unde non est expectanda alia lex, quae sit Spiritus Sancti.
3. De Oude Wet was niet alleen de wet van den Vader, maar ook de wet van den Zoon, want Christus werd door de Oude Wet voorafgebeeld. Daarom zegt de Heer bij Joannes (5, 46) : « Want indien ge Mozes geloofdet, zoudt ge ook Mij gelooven : want over Mij heeft hij geschreven. » Op dezelfde wijze is de Nieuwe Wet niet alleen de wet van Christus, maar ook de wet van den H. Geest, overeenkomstig den Brief aan de Romeinen (8, 2) : « De wet van den geest des levens in Christus Jesus », en daarom moet men geen nieuwe wet verwachten, die de wet van den H. Geest zou zijn.3. De Oude Wet was niet alleen de wet van de Vader, maar ook de wet van de Zoon, want Christus werd door de Oude Wet voorafgebeeld. Daarom zegt de Heer bij Johannes (5, 46): “Want indien ge Mozes geloofdet, zoudt ge ook Mij geloven: want over Mij heeft hij geschreven.” Op dezelfde wijze is de Nieuwe Wet niet alleen de wet van Christus, maar ook de wet van de H. Geest, overeenkomstig de Brief aan de Romeinen (8, 2): “De wet van de geest van het leven in Christus Jesus”, en daarom moet men geen nieuwe wet verwachten, die de wet van de H. Geest zou zijn.
Ad quartum dicendum, quod cum Christus statim in principio Evangelicae praedicationis dixerit [Matth. 3, v. 17] : « Appropinquavit regnum coelorum », stultissimum est dicere, quod Evangelium Christi non sit Evangelium regni. Sed praedicatio Evangelii Christi potest intelligi dupliciter. Uno 571modo quantum ad divulgationem notitiae Christi : et sic praedicatum fuit Evangelium in universo orbe, etiam tempore Apostolorum, ut Chrysostomus dicit [hom. 76. in Matth.]. Et secundum hoc, quod additur : « Et tunc erit consummatio » intelligitur hoc de destructione Jerusalem, de qua tunc ad literam loquebatur. Alio modo potest intelligi praedicatio Evangelii in universo orbe cum pleno effectu, ita scilicet quod in qualibet gente fundetur Ecclesia, et ita, sicut dicit Augustinus in epistola ad Hesych. [Ep. 80, cap. 12], nondum est praedicatum Evangelium in universo orbe, sed hoc facto, veniet consummatio mundi.
4. Daar Christus van den aanvang van de prediking van het Evangelie gezegd heeft (Mattheus, 3, 17) : « Het rijk der hemelen is nabij », is het een allerdwaaste bewering, dat het Evangelie van Christus het Evangelie van het Rijk niet is. De prediking van Christus echter kan in een dubbel opzicht beschouwd worden : ten eerste, met betrekking tot de verspreiding van de kennis van 571Christus, en in dit opzicht is het Evangelie in geheel de wereld gepredikt, en dit van den tijd der Apostelen af, zooals Chrysostomus zegt (in zijn LXXVIe Homelie op Mattheus). Daarmee overeenkomstig moet men de woorden, die op de aangehaalde woorden volgen, nl. « En dan zal het einde komen » betrekken op de verwoesting van Jerusalem, waarover in den letterlijken zin sprake was. Ten tweede kan men de prediking van het Evangelie in geheel de wereld beschouwen, met betrekking tot de volkomenheid van het gevolg er van, zoodat de Kerk in alle landen is ingericht; en met het oog daarop is het Evangelie nog niet gepredikt in geheel de wereld, zooals Augustinus zegt in zijn Brief aan Hesychius (LXXXe Brief, XIIe H.), maar wanneer dat zal gebeurd zijn, zal het einde komen.4. Daar Christus van de aanvang van de prediking van het Evangelie gezegd heeft (Matteüs, 3, 17): “Het rijk van de hemelen is nabij”, is het een allerdwaaste bewering, dat het Evangelie van Christus het Evangelie van het Rijk niet is. De prediking van Christus echter kan in een dubbel opzicht beschouwd worden: ten eerste, met betrekking tot de verspreiding van de kennis van 571Christus, en in dit opzicht is het Evangelie in geheel de wereld gepredikt, en dit van de tijd van de Apostelen af, zoals Chrysostomus zegt (in zijn 76e Homelie op Matteüs). Daarmee overeenkomstig moet men de woorden, die op de aangehaalde woorden volgen, nl. “En dan zal het einde komen” betrekken op de verwoesting van Jerusalem, waarover in de letterlijke zin sprake was. Ten tweede kan men de prediking van het Evangelie in geheel de wereld beschouwen, met betrekking tot de volkomenheid van het gevolg er van, zodat de Kerk in alle landen is ingericht; en met het oog daarop is het Evangelie nog niet gepredikt in geheel de wereld, zoals Augustinus zegt in zijn Brief aan Hesychius (80e Brief, 12e H.), maar wanneer dat zal gebeurd zijn, zal het einde komen.