Theologische Summa · Prima Secundae · De Nieuwe WetSumma · I-II · De Nieuwe WetSumma · I-II · Kw. 108Kw. 108
Quaestio CVIII

De his, quae continentur in lege nova

Kwestie 108

Over den inhoud van de Nieuwe WetOver de inhoud van de Nieuwe Wet

(Vier Artikelen)

597Deinde considerandum est de his, quae continentur in lege nova. Et circa hoc quaeruntur quatuor. 1. Utrum lex nova debeat aliqua opera exteriora praecipere vel prohibere. — 2. Utrum sufficienter se habeat in exterioribus actibus praecipiendis vel prohibendis. — 3. Utrum convenienter instituat homines quantum ad actus interiores. — 4. Utrum convenienter superaddat consilia praeceptis.

597Vervolgens wordt gehandeld over den inhoud van de Nieuwe Wet; waarover we vier vragen stellen : 1) Moet de Nieuwe Wet sommige uiterlijke daden gebieden of verbieden? 2) Gebiedt of verbiedt de Nieuwe Wet voldoende uiterlijke daden? 3) Regelt ze de menschen voldoende met betrekking tot de innerlijke daden? 4) Is het doeltreffend, dat ze aan de voorschriften nog raden toevoegt?597Vervolgens wordt gehandeld over de inhoud van de Nieuwe Wet; waarover we vier vragen stellen: 1. Moet de Nieuwe Wet sommige uiterlijke daden gebieden of verbieden? 2. Gebiedt of verbiedt de Nieuwe Wet voldoende uiterlijke daden? 3. Regelt ze de mensen voldoende met betrekking tot de innerlijke daden? 4. Is het doeltreffend, dat ze aan de voorschriften nog raden toevoegt?

Articulus I

Utrum lex nova aliquos exteriores actus debeat praecipere vel prohibere

Ie Artikel

Moet de Nieuwe Wet enkele uiterlijke daden gebieden?

antwoord 1 ↓

598Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex nova nullos exteriores actus debeat praecipere vel prohibere : lex enim nova est Evangelium regni, secundum illud Matth. 24 [v. 14] : « Praedicabitur hoc Evangelium regni in universo orbe. » Sed regnum Dei non consistit in exterioribus actibus, sed solum in interioribus, secundum illud Luc. 17 [v. 21] : « Regnum Dei intra vos est », et Rom. 14 [v. 17] : « Non est regnum Dei esca et potus, sed justitia et pax et gaudium in Spiritu Sancto. » Ergo lex nova non debet praecipere vel prohibere aliquos exteriores actus.

598Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet geen enkele uiterlijke daad moet gebieden of verbieden. — 1. De Nieuwe Wet immers is het Evangelie van het Rijk, volgens het woord van Mattheus (24, 14) : « Dit Evangelie van het Rijk zal verkondigd worden over heel de aarde. » Welnu het Rijk Gods bestaat niet in uiterlijke daden, maar slechts in innerlijke, overeenkomstig het woord van Lucas (17, 21) : « Het Rijk Gods is in U », en van den Brief aan de Romeinen (14, 17) : « Het Rijk Gods is geen spijs en drank, maar gerechtigheid en vrede en vreugde in den H. Geest. »598Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet geen enkele uiterlijke daad moet gebieden of verbieden. — 1. De Nieuwe Wet immers is het Evangelie van het Rijk, volgens het woord van Matteüs (24, 14): “Dit Evangelie van het Rijk zal verkondigd worden over heel de aarde.” Welnu het Rijk Gods bestaat niet in uiterlijke daden, maar slechts in innerlijke, overeenkomstig het woord van Lukas (17, 21): “Het Rijk Gods is in U”, en van de Brief aan de Romeinen (14, 17): “Het Rijk Gods is geen spijs en drank, maar gerechtigheid en vrede en vreugde in de H. Geest.”

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex nova est lex Spiritus, ut dicitur Rom. 8 [v. 2] ; sed « ubi Spiritus Domini, ibi libertas », ut dicitur 2. ad Cor. 3 [v. 17] ; non est autem libertas, ubi homo obligatur ad aliqua opera exteriora facienda vel vitanda; ergo lex nova non continet aliqua praecepta vel prohibitiones exteriorum actuum.

2. De Nieuwe Wet is, zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8, 2), de wet van den Geest. Welnu « waar de Geest Gods is, daar is wijsheid », zegt hij in zijn IIn Brief aan de Corinthiërs (3, 17). Welnu er is geen vrijheid, wanneer de mensch verplicht wordt bepaalde uiterlijke daden te doen of 599te laten. Dus bevat de Nieuwe Wet geen voorschriften of verboden aangaande uiterlijke daden.2. De Nieuwe Wet is, zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (8, 2), de wet van de Geest. Welnu “waar de Geest Gods is, daar is wijsheid”, zegt hij in zijn 2e Brief aan de Korintiërs (3, 17). Welnu er is geen vrijheid, wanneer de mens verplicht wordt bepaalde uiterlijke daden te doen of 599te laten. Dus bevat de Nieuwe Wet geen voorschriften of verboden aangaande uiterlijke daden.

antwoord 3 ↓

5993. Praeterea, omnes exteriores actus pertinere intelliguntur ad manum, sicut interiores actus pertinet ad animum; sed haec ponitur differentia inter novam legem et veterem, quod vetus lex cohibet manum, sed lex nova cohibet animum; ergo in lege nova non debent poni prohibitiones et praecepta exteriorum actuum, sed solum interiorum.

3. Men houdt het er voor, dat alle uiterlijke daden verband houden met de handen, zooals de innerlijke met de ziel. Welnu het verschil tusschen de Oude en de Nieuwe Wet is juist, dat de Oude Wet de hand beteugelt, de Nieuwe Wet, de ziel. Dus moeten er in de Nieuwe Wet geen voorschriften of verboden staan aangaande uiterlijke daden, maar alleen aangaande innerlijke daden.3. Men houdt het er voor, dat alle uiterlijke daden verband houden met de handen, zoals de innerlijke met de ziel. Welnu het verschil tussen de Oude en de Nieuwe Wet is juist, dat de Oude Wet de hand beteugelt, de Nieuwe Wet, de ziel. Dus moeten er in de Nieuwe Wet geen voorschriften of verboden staan aangaande uiterlijke daden, maar alleen aangaande innerlijke daden.

Sed contra est, quod per legem novam efficiuntur homines filii lucis; unde dicitur Joan. 12 [v. 36] : « Credite in lucem, ut filii lucis sitis. » Sed filios lucis decet opera lucis facere, et opera tenebrarum abjicere, secundum illud Ephes. 5 [v. 8] : « Eratis aliquando tenebrae, nunc autem lux in Domino; ut filii lucis ambulate. » Ergo lex nova quaedam exteriora opera debuit prohibere, et quaedam praecipere.

Maar daartegenover staat, dat de menschen door de Nieuwe Wet zonen des lichts worden; waarom Joannes zegt (12, 36) : « Gelooft in het licht, om zonen des lichts te zijn. » Welnu zonen des lichts moeten werken des lichts doen en de werken der duisternis ontwijken, volgens deze woorden uit den Brief aan de Ephesiërs (5, 8) : « Eertijds waart gij in duisternis, nu zijt gij licht in den Heer. Wandelt als kinderen des lichts. » Dus moet de Nieuwe Wet sommige uiterlijke daden gebieden en andere verbieden.Maar daartegenover staat, dat de mensen door de Nieuwe Wet zonen van het licht worden; waarom Johannes zegt (12, 36): “Gelooft in het licht, om zonen van het licht te zijn.” Welnu zonen van het licht moeten werken van het licht doen en de werken van de duisternis ontwijken, volgens deze woorden uit de Brief aan de Efesiërs (5, 8): “Eertijds waart gij in duisternis, nu zijt gij licht in de Heer. Wandelt als kinderen van het licht.” Dus moet de Nieuwe Wet sommige uiterlijke daden gebieden en andere verbieden.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 106. art. 1. et 2.], principalitas legis novae est gratia Spiritus Sancti, quae manifestatur in fide per dilectionem operante; hanc autem gratiam consequuntur homines per 600Dei Filium hominem factum, cujus humanitatem Deus replevit gratia, et exinde est ad nos derivata : unde dicitur Joan. 1 [v. 14] : « Verbum caro factum est », et postea subditur : « Plenum gratiae et veritatis », et infra : « De plenitudine ejus nos omnes accepimus, et gratiam pro gratia » ; unde subditur, quod « gratia et veritas per Jesum Christum facta est. » Et ideo convenit, ut per aliqua exteriora sensibilia gratia a Verbo incarnato profluens in nos deducatur, et ex gratia interiori, per quam caro spiritui subditur, exteriora quaedam opera sensibilia producantur.

Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (CVIe Kw., 1e en 2e Art.), bestaat de Nieuwe Wet hoofdzakelijk uit de genade van den H. Geest, die openbaar wordt in het geloof, werkend door de liefde. Die genade nu verkrijgen de menschen door 600den menschgeworden Zoon van God, wiens menschheid God vervuld heeft door de genade, en vandaar komt zij tot ons. Daarom zegt Joannes (1, 14) : « Het woord is vleesch geworden », en Het was « vol van genade in waarheid », en « van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade. » En hij besluit : « De genade en de waarheid kwam door Jesus Christus. » Het is dus passend, dat de genade, die voortkomt uit het menschgeworden Woord, door sommige uiterlijke daden in ons wordt voortgebracht, en dat door de innerlijke genade, waardoor het vleesch aan den geest onderworpen wordt, uiterlijke daden worden voortgebracht.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (106e Kw., 1e en 2e Art.), bestaat de Nieuwe Wet hoofdzakelijk uit de genade van de H. Geest, die openbaar wordt in het geloof, werkend door de liefde. Die genade nu verkrijgen de mensen door 600de mensgeworden Zoon van God, wiens mensheid God vervuld heeft door de genade, en vandaar komt zij tot ons. Daarom zegt Johannes (1, 14): “Het woord is vlees geworden”, en Het was “vol van genade in waarheid”, en “van Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, genade op genade.” En hij besluit: “De genade en de waarheid kwam door Jesus Christus.” Het is dus passend, dat de genade, die voortkomt uit het mensgeworden Woord, door sommige uiterlijke daden in ons wordt voortgebracht, en dat door de innerlijke genade, waardoor het vlees aan de geest onderworpen wordt, uiterlijke daden worden voortgebracht.

Sic igitur exteriora opera dupliciter ad gratiam pertinere possunt : uno modo, sicut inducentia aliqualiter ad gratiam : et talia sunt opera Sacramentorum, quae in nova lege sunt instituta, sicut Baptismus, Eucharistia, et alia hujusmodi. Alia vero sunt opera exteriora, quae ex instinctu gratiae producuntur; et in his est quaedam differentia attendenda. Quaedam enim habent necessariam convenientiam vel contrarietatem ad interiorem gratiam, quae in fide per 601dilectionem operante consistit : et hujusmodi exteriora opera sunt praecepta vel prohibita in lege nova, sicut praecepta est confessio fidei, et prohibita negatio : dicitur enim Matth. 10 [v. 32 sq.] : « Qui confitebitur me coram hominibus, confitebor et ego eum coram Patre meo; qui autem negaverit me coram hominibus, negabo et ego eum coram Patre meo. » Alia vero sunt opera, quae non habent necessariam contrarietatem vel convenientiam ad fidem per dilectionem operantem : et talia opera non sunt in nova lege praecepta vel prohibita ex ipsa prima legis institutione, sed relicta sunt a legislatore scilicet Christo, unicuique, secundum quod aliquis alicujus curam gerere debet; et sic unicuique liberum est circa talia determinare quid sibi expediat facere vel vitare et cuicumque praesidenti circa talia ordinare suis subditis, quid sit in talibus faciendum, vel vitandum; unde etiam quantum ad hoc dicitur lex Evangelii lex libertatis, nam lex vetus multa determinabat, et pauca relinquebat hominum libertati determinanda.

Zoo kunnen de uiterlijke daden op twee manieren tot de genade behooren : ten eerste, door op een of andere manier de genade voort te brengen. Die daden zijn de Sacramenten, die in de Nieuwe Wet zijn ingesteld, zooals het Doopsel, de Eucharistie, en dergelijke. Ten tweede kunnen de uiterlijke daden tot de genade behooren, in zoover zij door de genade worden voortgebracht. In deze daden nu is onderscheid te maken : sommige immers hebben een noodzakelijke overeenkomst of een noodzakelijke tegenstelling met de innerlijke genade, die bestaat in het door de liefde werkend geloof, en die uiterlijke daden worden in de 601Nieuwe Wet voorgeschreven of verboden, zooals het voorgeschreven is het geloof te belijden en het tegendeel verboden is. We lezen immers bij Mattheus (10, 32-33) : « Alwie Mij beleden zal hebben voor de menschen, zal ook Ik belijden voor Mijn Vader; doch die Mij verloochend heeft voor de menschen, zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader. » Andere daden echter hebben geen noodzakelijke overeenkomst of tegenstelling met het door de liefde werkend geloof, en die daden worden in de Nieuwe Wet niet geboden of verboden krachtens de eerste instelling van de Wet, maar worden door den wetgever, Christus, overgelaten aan eenieder, overeenkomstig zijn levensomstandigheden, waarin eenieder vrij is te bepalen wat voor hem nuttig is te doen of te laten; en aan iedere overheid heeft Hij overgelaten te bepalen wat zijn onderdanen hieromtrent te doen en te laten hebben. Vandaar wordt ook onder dat opzicht de Wet van het Evangelie de wet der vrijheid genoemd, want de Oude Wet bepaalde veel, terwijl zij weinig aan de vrijheid der menschen overliet.Zo kunnen de uiterlijke daden op twee manieren tot de genade behoren: ten eerste, door op een of andere manier de genade voort te brengen. Die daden zijn de Sacramenten, die in de Nieuwe Wet zijn ingesteld, zoals het Doopsel, de Eucharistie, en dergelijke. Ten tweede kunnen de uiterlijke daden tot de genade behoren, in zover zij door de genade worden voortgebracht. In deze daden nu is onderscheid te maken: sommige immers hebben een noodzakelijke overeenkomst of een noodzakelijke tegenstelling met de innerlijke genade, die bestaat in het door de liefde werkend geloof, en die uiterlijke daden worden in de 601Nieuwe Wet voorgeschreven of verboden, zoals het voorgeschreven is het geloof te belijden en het tegendeel verboden is. We lezen immers bij Matteüs (10, 32-33): “Alwie Mij beleden zal hebben voor de mensen, zal ook Ik belijden voor Mijn Vader; doch die Mij verloochend heeft voor de mensen, zal ook Ik verloochenen voor Mijn Vader.” Andere daden echter hebben geen noodzakelijke overeenkomst of tegenstelling met het door de liefde werkend geloof, en die daden worden in de Nieuwe Wet niet geboden of verboden krachtens de eerste instelling van de Wet, maar worden door de wetgever, Christus, overgelaten aan eenieder, overeenkomstig zijn levensomstandigheden, waarin eenieder vrij is te bepalen wat voor hem nuttig is te doen of te laten; en aan iedere overheid heeft Hij overgelaten te bepalen wat zijn onderdanen hieromtrent te doen en te laten hebben. Vandaar wordt ook onder dat opzicht de Wet van het Evangelie de wet van de vrijheid genoemd, want de Oude Wet bepaalde veel, terwijl zij weinig aan de vrijheid van de mensen overliet.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod regnum Dei in interioribus actibus 602consistit principaliter; sed ex consequenti etiam ad regnum Dei pertinent omnia illa, sine quibus interiores actus esse non possunt, sicut si regnum Dei est interior justitia et pax et gaudium spirituale, necesse est quod omnes exteriores actus, qui repugnant justitiae aut paci aut gaudio spirituali, repugnent etiam regno Dei, et ideo sunt in Evangelio regni prohibendi; illa vero, quae indifferenter se habent respectu horum, puta comedere hos vel illos cibos, in his non est regnum Dei; unde Apostolus praemittit : « Non est regnum Dei esca, et potus. »

Antwoord op de Bedenkingen. — Het Rijk Gods bestaat voornamelijk in innerlijke daden; maar als gevolg behoort 602alles tot het Godsrijk, zonder wat de innerlijke daden niet kunnen zijn; indien b. v. het Rijk Gods gerechtigheid is en vrede en geestelijke vreugde, dan zijn ook alle uiterlijke daden, die strijdig zijn met de gerechtigheid of de vrede of met de geestelijke vreugde, strijdig met het Rijk Gods, en moeten ze in het Evangelie van het Rijk verboden worden. In die daden echter, die zich neutraal er toe verhouden, zooals b. v. die of die spijzen eten, bestaat het Rijk Gods niet. Vandaar laat de Apostel aan de aangehaalde woorden voorafgaan : « Het Rijk Gods is geen spijs en drank. »Antwoord op de Bedenkingen. — Het Rijk Gods bestaat voornamelijk in innerlijke daden; maar als gevolg behoort 602alles tot het Godsrijk, zonder wat de innerlijke daden niet kunnen zijn; indien bv. het Rijk Gods gerechtigheid is en vrede en geestelijke vreugde, dan zijn ook alle uiterlijke daden, die strijdig zijn met de gerechtigheid of de vrede of met de geestelijke vreugde, strijdig met het Rijk Gods, en moeten ze in het Evangelie van het Rijk verboden worden. In die daden echter, die zich neutraal er toe verhouden, zoals bv. die of die spijzen eten, bestaat het Rijk Gods niet. Vandaar laat de Apostel aan de aangehaalde woorden voorafgaan: “Het Rijk Gods is geen spijs en drank.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod secundum Philosophum in 1. Metaph. [cap. 2.] liber est, qui sui causa est; ille ergo libere aliquid agit, qui ex seipso agit, quod autem homo agit ex habitu suae naturae convenienti, ex seipso agit, quia habitus inclinat in modum naturae; si vero habitus esset naturae repugnans, homo non ageret, secundum quod est ipse, sed secundum aliquam corruptionem sibi supervenientem. Quia igitur gratia Spiritus Sancti est sicut interior habitus nobis infusus, inclinans nos ad recte operandum, 603facit nos libere operari ea, quae conveniunt gratiae, et vitare ea, quae gratiae repugnant.

2. Zooals de Wijsgeer zegt in het Ie Boek der Metaphysica (IIe H.), is hij vrij, die uit zichzelf is. Hij doet dus iets vrij, die iets uit zichzelf doet. Welnu wat de mensch doet krachtens een hebbelijkheid, die met zijn natuur overeenkomt, dat doet hij uit zichzelf, daar de hebbelijkheid werkt overeenkomstig den natuurdrang. Indien er echter een hebbelijkheid zou zijn, strijdig met de natuur, dan zou de mensch niet uit zichzelf handelen, maar krachtens een verkeerde gesteltenis, die bij zijn natuur bijkomt. Daar dus de genade van den H. Geest als het ware een ons innerlijk ingestorte hebbelijkheid is, die ons een neiging geeft om 603goed te handelen, maakt zij dat wij vrij doen wat overeenkomstig de genade is, en vermijden wat er mee in strijd is.2. Zoals de Wijsgeer zegt in het 1e Boek van de Metafysica (2e H.), is hij vrij, die uit zichzelf is. Hij doet dus iets vrij, die iets uit zichzelf doet. Welnu wat de mens doet krachtens een hebbelijkheid, die met zijn natuur overeenkomt, dat doet hij uit zichzelf, daar de hebbelijkheid werkt overeenkomstig de natuurdrang. Indien er echter een hebbelijkheid zou zijn, strijdig met de natuur, dan zou de mens niet uit zichzelf handelen, maar krachtens een verkeerde gesteltenis, die bij zijn natuur bijkomt. Daar dus de genade van de H. Geest als het ware een ons innerlijk ingestorte hebbelijkheid is, die ons een neiging geeft om 603goed te handelen, maakt zij dat wij vrij doen wat overeenkomstig de genade is, en vermijden wat er mee in strijd is.

Sic igitur lex nova dicitur lex libertatis dupliciter : uno modo, quia non arctat nos ad facienda vel vitanda aliqua, nisi quae de se sunt vel necessaria, vel repugnantia saluti, quae cadunt sub praecepto vel prohibitione legis; secundo, quia hujusmodi praecepta vel prohibitiones facit nos libere implere, inquantum ex interiori instinctu gratiae ea implemus. Et propter haec duo lex nova dicitur « lex perfectae libertatis » Jacobi 1 [v. 25].

Zoo kan de Nieuwe Wet op twee manieren de wet der vrijheid genoemd worden. Ten eerste, in zoover zij ons niet oplegt bepaalde handelingen te doen of te laten, tenzij die, welke krachtens zichzelf noodig zijn voor, of strijdig met ons heil, en die handelingen gebiedt of verbiedt ze. Ten tweede, in zoover ze ons dergelijke bevelen en verboden vrij doet volbrengen, voor zoover wij ze vervullen, als gedreven door den innerlijken drang der genade. Om deze twee redenen wordt de Nieuwe Wet genoemd de wet der volmaakte vrijheid (Brief van Jacobus, 1, 25).Zo kan de Nieuwe Wet op twee manieren de wet van de vrijheid genoemd worden. Ten eerste, in zover zij ons niet oplegt bepaalde handelingen te doen of te laten, tenzij die, welke krachtens zichzelf nodig zijn voor, of strijdig met ons heil, en die handelingen gebiedt of verbiedt ze. Ten tweede, in zover ze ons dergelijke bevelen en verboden vrij doet volbrengen, voor zover wij ze vervullen, als gedreven door de innerlijke drang van de genade. Om deze twee redenen wordt de Nieuwe Wet genoemd de wet van de volmaakte vrijheid (Brief van Jacobus, 1, 25).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod lex nova prohibendo animum ab inordinatis motibus, oportet etiam quod cohibeat manum ab inordinatis actibus, qui sunt effectus interiorum motuum.

3. Doordat de Nieuwe Wet den geest van ongeregelde daden afhoudt, moet zij ook de hand afhouden van ongeregelde daden, die het gevolg zijn van innerlijke zielsbewegingen.3. Doordat de Nieuwe Wet de geest van ongeregelde daden afhoudt, moet zij ook de hand afhouden van ongeregelde daden, die het gevolg zijn van innerlijke zielsbewegingen.

Articulus II

Utrum lex nova sufficienter exteriores actus ordinaverit

[Infr. art. 4. et Quodl. 4. art. 13. corp.].
IIe Artikel

Regelt de Nieuwe Wet voldoende de uiterlijke daden?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex nova insufficienter 604exteriores actus ordinaverit : ad legem enim novam praecipue pertinere videtur fides per dilectionem operans, secundum illud ad Gal. 5 [v. 6] : « In Christo Jesu neque circumcisio aliquid valet, neque praeputium, sed fides, quae per dilectionem operatur. » Sed lex nova explicavit quaedam credenda, quae non erant in veteri lege explicita, sicut de fide Trinitatis; ergo etiam debuit superaddere aliqua exteriora opera moralia, quae non erant in veteri lege determinata.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet 604voldoende de uiterlijke daden regelt. — 1. Tot de Nieuwe Wet immers schijnt vooral het door de liefde werkend geloof te behooren, overeenkomstig het woord van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 6) : « In Christus Jesus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, dat werkt door de liefde. » Welnu de Nieuwe Wet heeft sommige geloofswaarheden, die in de Oude Wet niet uitgedrukt stonden, zooals b. v. de Drievuldigheid, uitdrukkelijk verklaard. Dus moest zij ook nog enkele uiterlijke daden bevatten, die in de Oude Wet niet bepaald waren.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet 604voldoende de uiterlijke daden regelt. — 1. Tot de Nieuwe Wet immers schijnt vooral het door de liefde werkend geloof te behoren, overeenkomstig het woord van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5, 6): “In Christus Jesus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar het geloof, dat werkt door de liefde.” Welnu de Nieuwe Wet heeft sommige geloofswaarheden, die in de Oude Wet niet uitgedrukt stonden, zoals bv. de Drievuldigheid, uitdrukkelijk verklaard. Dus moest zij ook nog enkele uiterlijke daden bevatten, die in de Oude Wet niet bepaald waren.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in veteri lege non solum sunt instituta sacramenta, sed etiam aliqua sacra, ut supra dictum est [q. 101. art. 4. et q. 102. art. 4.] ; sed in nova lege etsi sint instituta aliqua sacramenta, nulla tamen sacra instituta a Deo videntur, puta quae pertineant vel ad sanctificationem alicujus templi vel vasorum, vel etiam ad aliquam solemnitatem celebrandam; ergo lex nova insufficienter exteriora opera ordinavit.

2. In de Oude Wet waren niet alleen sacramenten ingesteld, maar ook enkele heilige voorwerpen, zooals hierboven (CIe Kw., 4e Art. en CIIe Kw., 4e Art.) gezegd is. In de Nieuwe Wet daarentegen, ofschoon er wel sacramenten zijn ingesteld, is geen enkel heilig voorwerp door God ingesteld, dat b. v. betrekking zou hebben op de wijding van een kerk of van vazen, of op eenige plechtigheid. Dus heeft de Nieuwe Wet de uiterlijke daden niet voldoende geregeld.2. In de Oude Wet waren niet alleen sacramenten ingesteld, maar ook enkele heilige voorwerpen, zoals hierboven (101e Kw., 4e Art. en 102e Kw., 4e Art.) gezegd is. In de Nieuwe Wet daarentegen, ofschoon er wel sacramenten zijn ingesteld, is geen enkel heilig voorwerp door God ingesteld, dat bv. betrekking zou hebben op de wijding van een kerk of van vazen, of op enige plechtigheid. Dus heeft de Nieuwe Wet de uiterlijke daden niet voldoende geregeld.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in veteri lege sicut erant quaedam observantiae pertinentes ad Dei ministros, ita etiam erant quaedam observantiae pertinentes ad 605populum, ut supra dictum est [q. 101. art. 4. et 102. art. 5. et 6.], cum de caeremonialibus veteris legis ageretur; sed in nova lege videntur aliquae observantiae esse datae ministris Dei, ut patet Matth. 10 [v. 9] : « Nolite possidere aurum neque argentum, neque pecunias in zonis vestris », et caetera, quae ibi sequuntur, et quae dicuntur Luc. 9. et 10. ; ergo etiam debuerunt aliquae observantiae institui in nova lege ad populum fidelem pertinentes.

3. Evenals er in de Oude Wet sommige verplichtingen waren voor de priesters, waren er ook voor het volk, zooals hierboven 605(CIe Kw., 4e Art. en CIIe Kw., 5e en 6e Art.) gezegd is, wanneer over de ceremonieel-bepalingen der Oude Wet gehandeld werd. In de Nieuwe Wet daarentegen schijnen alleen verplichtingen gegeven te zijn aan de priesters, zooals b. v. bij Mattheus (10, 9) : « Goud noch zilver zult gij bezitten, noch geld in uwe gordels dragen, » enz. en andere, die daar volgen, en die door Lucas (9 en 10) genoemd worden. Dus hadden er in de Nieuwe Wet ook verplichtingen gegeven moeten worden, voor de geloovigen.3. Evenals er in de Oude Wet sommige verplichtingen waren voor de priesters, waren er ook voor het volk, zoals hierboven 605(101e Kw., 4e Art. en 102e Kw., 5e en 6e Art.) gezegd is, wanneer over de ceremonieel-bepalingen van de Oude Wet gehandeld werd. In de Nieuwe Wet daarentegen schijnen alleen verplichtingen gegeven te zijn aan de priesters, zoals bv. bij Matteüs (10, 9): “Goud noch zilver zult gij bezitten, noch geld in uw gordels dragen,” enz. en andere, die daar volgen, en die door Lukas (9 en 10) genoemd worden. Dus hadden er in de Nieuwe Wet ook verplichtingen gegeven moeten worden, voor de gelovigen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, in veteri lege praeter moralia et caeremonialia fuerunt quaedam judicialia praecepta; sed in lege nova non traduntur aliqua judicialia praecepta; ergo lex nova insufficienter exteriora opera ordinavit.

4. Behalve de voorschriften op zedelijk en godsdienstig gebied bestonden er in de Oude Wet ook voorschriften op rechtsgebied. In de Nieuwe Wet daarentegen zijn geen voorschriften gegeven op rechtsgebied. Dus regelt de Nieuwe Wet de uiterlijke daden niet voldoende.

Sed contra est, quod Dominus dicit Matth. 7 [v. 24] : « Omnis, qui audit verba mea haec et facit ea, assimilabitur viro sapienti, qui aedificavit domum suam supra petram. » Sed sapiens aedificator nihil omittit eorum, quae sunt necessaria ad aedificium; ergo in verbis Christi sufficienter sunt omnia posita, quae pertinent ad salutem humanam.

Maar daartegenover staat het gezegde van den Meester bij Mattheus (7, 24) : « Al wie mijn woorden hoort en ze nakomt, is gelijk aan een wijs mensch, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. » Welnu een wijze bouwmeester zal niets wat noodig is voor den bouw vergeten. Dus is in de woorden van Christus alles gegeven wat noodig is tot het heil der menschen.Maar daartegenover staat het gezegde van de Meester bij Matteüs (7, 24): “Al wie mijn woorden hoort en ze nakomt, is gelijk aan een wijs mens, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft.” Welnu een wijze bouwmeester zal niets wat nodig is voor de bouw vergeten. Dus is in de woorden van Christus alles gegeven wat nodig is tot het heil van de mensen.

606Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], lex nova in exterioribus illa solum praecipere debuit vel prohibere, per quae in gratiam introducimur, vel quae pertinent ad rectum gratiae usum ex necessitate; et quia gratiam ex nobis consequi non possumus, sed per Christum solum, ideo Sacramenta, per quae gratiam consequimur, ipse Dominus instituit per seipsum, scilicet Baptismum, Eucharistiam, Ordinem ministrorum novae legis, instituendo Apostolos et septuaginta duos discipulos, et Poenitentiam, et Matrimonium indivisibile; Confirmationem etiam promisit per Spiritus Sancti missionem, ex ejus etiam institutione Apostoli leguntur oleo infirmos ungendo sanasse, ut habetur Marc. 6 [v. 13], quae sunt novae legis Sacramenta.

606Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, moest de Nieuwe Wet met betrekking tot de uiterlijke daden slechts die uiterlijke daden gebieden of verbieden, waardoor wij de genade verkrijgen, of die noodig zijn voor het goede gebruik er van. Aangezien wij nu de genade niet uit ons zelf kunnen verkrijgen, maar alleen door Christus, moest Christus zelf de Sacramenten instellen, waardoor wij de genade verkrijgen, zooals het Doopsel, de Eucharistie, de wijding van de priesters der Nieuwe Wet, door het aanstellen van de Apostelen en de twee en zeventig leerlingen, de Biecht, het onverbreekbaar huwelijk; het Vormsel heeft Hij beloofd door de zending van den H. Geest; ook lezen wij (bij Marcus, 6, 13), dat de Apostelen krachtens Zijn instelling de zieken genazen door ze met olie te zalven. Dit zijn de Sacramenten der Nieuwe Wet.606Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, moest de Nieuwe Wet met betrekking tot de uiterlijke daden slechts die uiterlijke daden gebieden of verbieden, waardoor wij de genade verkrijgen, of die nodig zijn voor het goede gebruik er van. Aangezien wij nu de genade niet uit onszelf kunnen verkrijgen, maar alleen door Christus, moest Christus zelf de Sacramenten instellen, waardoor wij de genade verkrijgen, zoals het Doopsel, de Eucharistie, de wijding van de priesters van de Nieuwe Wet, door het aanstellen van de Apostelen en de twee en zeventig leerlingen, de Biecht, het onverbreekbaar huwelijk; het Vormsel heeft Hij beloofd door de zending van de H. Geest; ook lezen wij (bij Marcus, 6, 13), dat de Apostelen krachtens Zijn instelling de zieken genazen door ze met olie te zalven. Dit zijn de Sacramenten van de Nieuwe Wet.

Rectus autem gratiae usus est per opera charitatis : quae quidem, secundum quod sunt de necessitate virtutis, pertinent ad praecepta moralia, quae etiam in veteri lege tradebantur; unde quantum ad hoc lex nova super veterem addere non debuit circa exteriora agenda. Determinatio autem praedictorum 607operum in ordine ad cultum Dei pertinet ad praecepta caeremonialia legis, in ordine vero ad proximum ad judicialia, ut supra dictum est [q. 99. art. 4.]. Et ideo, quia istae determinationes non sunt secundum se de necessitate interioris gratiae, in qua lex consistit; idcirco non cadunt sub praecepto novae legis, sed relinquuntur humano arbitrio. Quaedam quidem quantum ad subditos, quae scilicet pertinent sigillatim ad unumquemque; quaedam vero ad praelatos temporales vel spirituales, quae scilicet pertinent ad utilitatem communem.

Van de genade maken wij een goed gebruik door de werken der liefde, welke voor zoover ze noodig zijn voor de deugd, vallen onder de voorschriften op zedelijk gebied, die ook in de Oude Wet gevonden werden. Vandaar behoefde de Nieuwe Wet met betrekking tot de uiterlijke daden, noodig voor het goede gebruik der genade, geen voorschriften te voegen bij die der Oude Wet. De nadere omschrijving echter van bovengenoemde daden, 607die een orde zeggen tot den goddelijken eeredienst, valt onder de voorschriften van de wet op godsdienstig gebied; die echter welke een orde zeggen tot den naaste, vallen onder de voorschriften op rechtsgebied, zooals hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 4e Art.). Daar nu deze nadere omschrijving op zichzelf niet noodig is voor de innerlijke genade, waarin de Wet bestaat, vallen zij niet onder het gebod van de Nieuwe Wet, maar zijn zij overgelaten aan het oordeel der menschen : die daden, welke betrekking hebben op ieder afzonderlijk, aan de onderdanen; die echter, welke betrekking hebben op het algemeen welzijn, aan de geestelijke of tijdelijke overheden.Van de genade maken wij een goed gebruik door de werken van de liefde, welke voor zover ze nodig zijn voor de deugd, vallen onder de voorschriften op zedelijk gebied, die ook in de Oude Wet gevonden werden. Vandaar behoefde de Nieuwe Wet met betrekking tot de uiterlijke daden, nodig voor het goede gebruik van de genade, geen voorschriften te voegen bij die van de Oude Wet. De nadere omschrijving echter van bovengenoemde daden, 607die een orde zeggen tot de goddelijke eredienst, valt onder de voorschriften van de wet op godsdienstig gebied; die echter welke een orde zeggen tot de naaste, vallen onder de voorschriften op rechtsgebied, zoals hierboven gezegd is (99e Kw., 4e Art.). Daar nu deze nadere omschrijving op zichzelf niet nodig is voor de innerlijke genade, waarin de Wet bestaat, vallen zij niet onder het gebod van de Nieuwe Wet, maar zijn zij overgelaten aan het oordeel van de mensen: die daden, welke betrekking hebben op ieder afzonderlijk, aan de onderdanen; die echter, welke betrekking hebben op het algemeen welzijn, aan de geestelijke of tijdelijke overheden.

Sic igitur lex nova nulla alia exteriora opera determinare debuit praecipiendo vel prohibendo, nisi sacramenta et moralia praecepta, quae de se pertinent ad rationem virtutis, puta non esse occidendum, non esse furandum, et alia hujusmodi.

Zoo behoefde de Nieuwe Wet geen andere uiterlijke daden te gebieden of te verbieden, dan de Sacramenten en de voorschriften op zedelijk gebied, die uiteraard tot het wezen der deugd behooren, b. v. : Gij zult niet dooden, niet stelen, en dergelijke.Zo behoefde de Nieuwe Wet geen andere uiterlijke daden te gebieden of te verbieden, dan de Sacramenten en de voorschriften op zedelijk gebied, die uiteraard tot het wezen van de deugd behoren, bv.: Gij zult niet doden, niet stelen, en dergelijke.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ea quae sunt fidei, sunt supra rationem humanam; unde in ea non possumus pervenire, nisi per gratiam; et ideo, abundantiori gratia superveniente, oportuit plura credenda explicari. Sed ad 608opera virtutum dirigimur per rationem naturalem, quae est regula quaedam operationis humanae, ut supra dictum est [q. 19. art. 3. et q. 63. art. 2.] ; et ideo in his non oportuit aliqua praecepta dari ultra moralia legis praecepta, quae sunt de dictamine rationis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die dingen die behooren tot het geloof, gaan het menschelijk verstand te boven; daarom kunnen wij er niet toe komen, dan door de genade. Naar gelang dus de genade grooter wordt, moeten meer geloofswaarheden verklaard worden. Tot de deugddaden daarentegen komen 608wij krachtens ons natuurlijk verstand, dat een norm is voor de menschelijke daden, zooals hierboven gezegd is (XIXe Kw., 3e Art. en LXIIIe Kw., 2e Art.). Hieromtrent behoefden dus geen voorschriften gegeven te worden buiten de voorschriften der Wet op zedelijk gebied, die vallen onder de leiding van het verstand.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die dingen die behoren tot het geloof, gaan het menselijk verstand te boven; daarom kunnen wij er niet toe komen, dan door de genade. Naar gelang dus de genade groter wordt, moeten meer geloofswaarheden verklaard worden. Tot de deugddaden daarentegen komen 608wij krachtens ons natuurlijk verstand, dat een norm is voor de menselijke daden, zoals hierboven gezegd is (19e Kw., 3e Art. en 63e Kw., 2e Art.). Hieromtrent behoefden dus geen voorschriften gegeven te worden buiten de voorschriften van de Wet op zedelijk gebied, die vallen onder de leiding van het verstand.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod in Sacramentis novae legis datur gratia, quae non est nisi a Christo; et ideo oportuit, quod ab ipso institutionem haberent. Sed in sacris non datur aliqua gratia, puta in consecratione templi, vel altaris, vel aliorum hujusmodi, aut etiam in ipsa celebritate solemnitatum; et ideo quia talia secundum seipsa non pertinent ad necessitatem interioris gratiae, Dominus fidelibus instituenda reliquit pro suo arbitrio.

2. Bij de Sacramenten der Nieuwe Wet wordt de genade gegeven, die slechts gegeven kan worden door Christus, door wien ze dan ook ingesteld moesten worden. Bij de heilige voorwerpen daarentegen wordt geen genade gegeven, b. v. bij de wijding van een kerk of altaar of wat ook, of bij het vieren der Heilige Geheimen. Daar die dingen uiteraard niet noodig zijn voor de innerlijke genade, heeft de Meester de instelling er van overgelaten aan het oordeel der geloovigen.2. Bij de Sacramenten van de Nieuwe Wet wordt de genade gegeven, die slechts gegeven kan worden door Christus, door wie ze dan ook ingesteld moesten worden. Bij de heilige voorwerpen daarentegen wordt geen genade gegeven, bv. bij de wijding van een kerk of altaar of wat ook, of bij het vieren van de Heilige Geheimen. Daar die dingen uiteraard niet nodig zijn voor de innerlijke genade, heeft de Meester de instelling er van overgelaten aan het oordeel van de gelovigen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illa praecepta Dominus dedit Apostolis, non tamquam caeremoniales observantias, sed tamquam moralia instituta; et possunt intelligi dupliciter. Uno modo, secundum Augustinum in lib. 2. de Consensu Evangelistarum [cap. 30.], ut non sint praecepta, sed concessiones : concessit enim eis, ut possent pergere ad praedicationis officium sine pera 609et baculo, et aliis hujusmodi, tamquam habentes potestatem necessaria vitae accipiendi ab illis, quibus praedicabant; unde subdit : « Dignus est enim operarius cibo suo » : non autem peccat, sed supererogat, qui sua portat, ex quibus vivat in praedicationis officio, non accipiens sumptum ab his, quibus Evangelium praedicat, sicut Paulus fecit. Alio modo possunt intelligi, secundum aliorum Sanctorum expositionem, ut sint quaedam statuta temporalia Apostolis data pro illo tempore, quo mittebantur ad praedicandum in Judaeam ante Christi passionem. Indigebant enim discipuli, quasi adhuc parvuli sub Christi cura existentes, accipere aliqua specialia instituta a Christo, sicut quilibet subditi a suis Praelatis, praecipue qui erant paulatim exercitandi ut temporalium solicitudinem abdicarent, per quod reddebantur idonei ad hoc, quod Evangelium per universum orbem praedicarent. Nec est mirum, si adhuc durante statu veteris legis et nondum perfectam libertatem Spiritus consecutis, quosdam determinatos modos vivendi instituit. Quae quidem statuta imminente 610passione removit, tamquam discipulis jam per ea sufficienter exercitatis; unde Luc. 22 [v. 35 sq.] dixit : « Quando misi vos sine sacculo, et pera, et calceamentis, numquid defuit aliquid vobis? At illi dixerunt : Nihil. Dixit ergo eis : Sed nunc qui habet sacculum, tollat similiter et peram » : jam enim imminebat tempus perfectae libertatis, ut totaliter suo dimitterentur arbitrio in his, quae secundum se non pertinent ad necessitatem virtutis.

3. Die voorschriften heeft de Meester niet aan de Apostelen gegeven als ceremonieel-voorschriften, maar als zedelijke voorschriften. Ze kunnen op twee manieren begrepen worden : ten eerste, volgens de verklaring van Augustinus in zijn werk Over de Overeenstemming der Evangelisten (XXXe H.), niet als voorschriften, maar als toelatingen. Want Hij stond hen toe uit 609preeken te gaan zonder reiszak, stok of iets dergelijks, hiermee aangevende, dat zij de macht hadden het noodige voor hun leven te ontvangen van diegenen, aan wie zij predikten. Daarom laat Hij er op volgen : « Degene die werkt, is zijn brood waardig. » Hij echter die het zijne meedraagt, waarvan hij tijdens zijn predikambt moet leven, terwijl hij, gelijk Paulus gedaan heeft, van hen, aan wie hij het Evangelie verkondigt, geen gave aanneemt, zondigt niet, maar doet iets wat niet geboden is. Ten tweede kan het, overeenkomstig de opvatting van andere heiligen, zóó verklaard worden, dat het tijdelijke instellingen zijn, aan de Apostelen gegeven voor dien tijd toen zij vóór het Lijden van Christus ter prediking gezonden werden in Judea. De leerlingen immers hadden, als kinderen die nog onder de bijzondere zorg van Christus stonden, enkele speciale bepalingen van Christus noodig, zooals alle onderdanen speciale bepalingen van hun oversten noodig hebben, voornamelijk omdat zij stilaan moesten geoefend worden in het afzien van iedere ijdele bezorgdheid voor tijdelijke zaken, waardoor zij geschikt werden voor de prediking van het Evangelie over heel de aarde. Ook is het heel niet te verwonderen, dat Hij een bepaalde levenswijze vaststelde, zoolang de toestand der Oude Wet voortduurde en zij de volledige 610vrijheid van den Geest, nog niet verkregen hadden. Die bepalingen trok Christus onmiddellijk vóór Zijn Lijden in, omdat de Apostelen reeds voldoende waren geoefend. Daarom kon Hij zeggen : « Toen ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft er toen wel iets ontbroken? Zij zeiden : Niets. — Hij zeide hen dan : Maar nu, wie een beurs heeft, neme ze en evenzoo een reiszak. » (Lucas, 22, 35). Immers de tijd der volmaakte vrijheid was daar, waarin zij geheel aan hun eigen oordeel waren overgelaten met betrekking tot die dingen, die niet uiteraard noodig zijn voor de deugd.3. Die voorschriften heeft de Meester niet aan de Apostelen gegeven als ceremonieel-voorschriften, maar als zedelijke voorschriften. Ze kunnen op twee manieren begrepen worden: ten eerste, volgens de verklaring van Augustinus in zijn werk Over de Overeenstemming van de Evangelisten (30e H.), niet als voorschriften, maar als toelatingen. Want Hij stond hen toe uit 609preken te gaan zonder reiszak, stok of iets dergelijks, hiermee aangevende, dat zij de macht hadden het nodige voor hun leven te ontvangen van diegenen, aan wie zij predikten. Daarom laat Hij er op volgen: “Degene die werkt, is zijn brood waardig.” Hij echter die het zijne meedraagt, waarvan hij tijdens zijn predikambt moet leven, terwijl hij, gelijk Paulus gedaan heeft, van hen, aan wie hij het Evangelie verkondigt, geen gave aanneemt, zondigt niet, maar doet iets wat niet geboden is. Ten tweede kan het, overeenkomstig de opvatting van andere heiligen, zó verklaard worden, dat het tijdelijke instellingen zijn, aan de Apostelen gegeven voor die tijd toen zij vóór het Lijden van Christus ter prediking gezonden werden in Judea. De leerlingen immers hadden, als kinderen die nog onder de bijzondere zorg van Christus stonden, enkele speciale bepalingen van Christus nodig, zoals alle onderdanen speciale bepalingen van hun oversten nodig hebben, voornamelijk omdat zij stilaan moesten geoefend worden in het afzien van iedere ijdele bezorgdheid voor tijdelijke zaken, waardoor zij geschikt werden voor de prediking van het Evangelie over heel de aarde. Ook is het heel niet te verwonderen, dat Hij een bepaalde levenswijze vaststelde, zolang de toestand van de Oude Wet voortduurde en zij de volledige 610vrijheid van de Geest, nog niet verkregen hadden. Die bepalingen trok Christus onmiddellijk vóór Zijn Lijden in, omdat de Apostelen reeds voldoende waren geoefend. Daarom kon Hij zeggen: “Toen ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft er toen wel iets ontbroken? Zij zeiden: Niets. — Hij zeide hen dan: Maar nu, wie een beurs heeft, neme ze en evenzo een reiszak.” (Lukas, 22, 35). Immers de tijd van de volmaakte vrijheid was daar, waarin zij geheel aan hun eigen oordeel waren overgelaten met betrekking tot die dingen, die niet uiteraard nodig zijn voor de deugd.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod judicialia etiam secundum se considerata non sunt de necessitate virtutis, quantum ad talem determinationem, sed solum quantum ad communem rationem justitiae; et ideo judicialia praecepta reliquit Dominus disponenda his, qui curam aliorum erant habituri, vel spiritualem, vel temporalem. Sed circa judicialia praecepta veteris legis quaedam explanavit. propter malum intellectum Pharisaeorum, ut infra dicetur [art. seq. ad 2.].

4. De voorschriften op rechtsgebied zijn ook op zichzelf beschouwd niet noodzakelijk voor de deugd in hun bepaaldheid, maar alleen in het algemeen, als behoorende tot de rechtvaardigheid zonder meer. Daarom heeft de Meester deze bepalingen overgelaten aan hen, die de geestelijke of tijdelijke zorg over iemand zouden krijgen. Omtrent de bepalingen op rechtsgebied van de Oude Wet daarentegen heeft Hij er enkele verklaard, om den verkeerden uitleg der Farizeën, zooals verderop zal gezegd worden (volgend Art., Antw. op de 2e Bedenk.).4. De voorschriften op rechtsgebied zijn ook op zichzelf beschouwd niet noodzakelijk voor de deugd in hun bepaaldheid, maar alleen in het algemeen, als behorende tot de rechtvaardigheid zonder meer. Daarom heeft de Meester deze bepalingen overgelaten aan hen, die de geestelijke of tijdelijke zorg over iemand zouden krijgen. Omtrent de bepalingen op rechtsgebied van de Oude Wet daarentegen heeft Hij er enkele verklaard, om de verkeerde uitleg van de Farizeën, zoals verderop zal gezegd worden (volgend Art., Antw. op de 2e Bedenk.).

Articulus III

Utrum lex nova hominem circa interiores actus sufficienter ordinaverit

IIIe Artikel

Heeft de Nieuwe Wet de menschen voldoende geregeld met betrekking tot de innerlijke daden?Heeft de Nieuwe Wet de mensen voldoende geregeld met betrekking tot de innerlijke daden?

antwoord 1 ↓

611Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod circa interiores actus lex nova insufficienter hominem ordinaverit : sunt enim decem praecepta decalogi ordinantia hominem ad Deum et proximum; sed Dominus solum circa tria illorum aliquid explicavit, scilicet circa prohibitionem homicidii, et circa prohibitionem adulterii, et circa prohibitionem perjurii; ergo videtur, quod insufficienter hominem ordinaverit, adimpletionem aliorum praeceptorum praetermittens.

611Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet de menschen niet voldoende geregeld heeft met betrekking tot de innerlijke daden. — 1. Immers er zijn tien geboden, die den mensch regelen met betrekking tot God en den naaste. Welnu met betrekking tot slechts drie er van heeft de Meester iets naders verklaard, nl. met betrekking tot het verbod van moord, echtbreuk en meineed. Door het achterlaten van een verklaring over het vervullen der overige geboden, heeft Hij dus den mensch niet voldoende geregeld.611Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet de mensen niet voldoende geregeld heeft met betrekking tot de innerlijke daden. — 1. Immers er zijn tien geboden, die de mens regelen met betrekking tot God en de naaste. Welnu met betrekking tot slechts drie er van heeft de Meester iets naders verklaard, nl. met betrekking tot het verbod van moord, echtbreuk en meineed. Door het achterlaten van een verklaring over het vervullen van de overige geboden, heeft Hij dus de mens niet voldoende geregeld.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Dominus nihil ordinavit in Evangelio de judicialibus praeceptis, nisi circa repudium uxoris, et circa poenam talionis, et circa persecutionem inimicorum; sed multa sunt alia judicialia praecepta veteris legis, 612ut supra dictum est [q. 104. art. 4. et q. 105.] ; ergo quantum ad hoc insufficienter vitam hominum ordinavit.

2. In het Evangelie heeft de Meester niets verordend met betrekking tot de voorschriften op rechtsgebied, behalve met betrekking tot de echtscheiding, weerwraak, en de vervolging der vijanden. Welnu er zijn nog veel andere voorschriften op rechtsgebied, zooals hierboven gezegd is (CIVe Kw., 4e Art.; en CVe Kw.). 612Hieromtrent heeft Hij dus het leven van de menschen niet voldoende geregeld.2. In het Evangelie heeft de Meester niets verordend met betrekking tot de voorschriften op rechtsgebied, behalve met betrekking tot de echtscheiding, weerwraak, en de vervolging van de vijanden. Welnu er zijn nog veel andere voorschriften op rechtsgebied, zoals hierboven gezegd is (104e Kw., 4e Art.; en 105e Kw.). 612Hieromtrent heeft Hij dus het leven van de mensen niet voldoende geregeld.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in veteri lege praeter praecepta moralia et judicialia, erant quaedam caeremonialia, circa quae Dominus nihil ordinavit; ergo videtur insufficienter ordinasse.

3. In de Oude Wet zijn er, behalve voorschriften op zedelijk en rechtsgebied, nog voorschriften op godsdienstig gebied, waaromtrent de Meester niets geregeld heeft. Hij heeft dus niet voldoende geregeld.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, ad interiorem bonam mentis dispositionem pertinet, ut nullum bonum opus homo faciat propter quemcumque temporalem finem; sed multa sunt alia temporalia bona quam favor humanus; multa etiam sunt alia bona opera, quam jejunium, eleemosyna, et oratio; ergo inconveniens fuit, quod Dominus docuit solum circa haec tria opera gloriam favoris humani vitari, et nihil aliud terrenorum bonorum.

4. Het is een vereischte tot de innerlijke goede gesteltenis van den geest, dat de mensch geen enkel goed werk verricht om een tijdelijk doel. Welnu er zijn nog veel andere tijdelijke goederen buiten de menschelijke eer; ook zijn er nog veel andere goede werken dan vasten, aalmoes geven en bidden. Dus is het niet aan te nemen, dat de Meester alleen met betrekking tot deze drie soorten goede werken geleerd heeft, de menschelijke eer te vermijden, en niet de andere aardsche goederen.4. Het is een vereiste tot de innerlijke goede gesteltenis van de geest, dat de mens geen enkel goed werk verricht om een tijdelijk doel. Welnu er zijn nog veel andere tijdelijke goederen buiten de menselijke eer; ook zijn er nog veel andere goede werken dan vasten, aalmoes geven en bidden. Dus is het niet aan te nemen, dat de Meester alleen met betrekking tot deze drie soorten goede werken geleerd heeft, de menselijke eer te vermijden, en niet de andere aardse goederen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, naturaliter homini inditum est, ut solicitetur circa ea, quae sunt sibi necessaria ad vivendum; in qua etiam solicitudine alia animalia cum homine conveniunt; unde dicitur Proverb. 6 [v. 6] : « Vade ad formicam, o piger, et considera vias ejus; quae cum non habeat praeceptorem vel 613ducem, parat in aestate cibum sibi, et congregat in messe quod comedat. » Sed omne praeceptum, quod datur contra inclinationem naturae, est iniquum, utpote contra legem naturalem existens; ergo inconvenienter videtur Dominus prohibuisse solicitudinem victus et vestitus.

5. Van nature is het den mensch eigen, bekommerd te zijn om die dingen, die noodig zijn om te leven, en daarin komen de overige dieren met hem overeen. Vandaar lezen we in het Boek der Spreuken (6, 6) : « Ga tot de mier, o luiaard, en sla hare wegen gade. Zij toch, al heeft zij geen aanvoerder of leider, bereidt zich spijs in den zomer, en verzamelt zich voedsel in den oogst. » 613Welnu ieder voorschrift, dat gegeven wordt tegen een natuurneiging in, is onrechtvaardig, omdat het tegen de natuurwet is. Het is dan ook niet aannemelijk, dat de Meester zou verboden hebben, bekommerd te zijn om spijs en kleeding.5. Van nature is het de mens eigen, bekommerd te zijn om die dingen, die nodig zijn om te leven, en daarin komen de overige dieren met hem overeen. Vandaar lezen we in het Boek van de Spreuken (6, 6): “Ga tot de mier, o luiaard, en sla haar wegen gade. Zij toch, al heeft zij geen aanvoerder of leider, bereidt zich spijs in de zomer, en verzamelt zich voedsel in de oogst.” 613Welnu ieder voorschrift, dat gegeven wordt tegen een natuurneiging in, is onrechtvaardig, omdat het tegen de natuurwet is. Het is dan ook niet aannemelijk, dat de Meester zou verboden hebben, bekommerd te zijn om spijs en kleding.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, nullus actus virtutis est prohibendus; sed judicium est actus justitiae, secundum illud Psal. 93 [v. 15] : « Quousque justitia convertatur in judicium. » Ergo inconvenienter videtur Dominus judicium prohibuisse. Et ita videtur lex nova insufficienter hominem ordinasse circa interiores actus.

6. Geen enkele deugddaad moet verboden worden. Welnu het oordeel is een daad van de rechtvaardigheid overeenkomstig het woord van den Psalmist (Ps., 93, 15) : « Totdat gerechtigheid weder kome tot het oordeel. » Dus is het niet aan te nemen, dat de Meester het oordeel verboden heeft, en zoo blijkt het, dat de Nieuwe Wet den mensch niet voldoende geregeld heeft met betrekking tot de innerlijke daden.6. Geen enkele deugddaad moet verboden worden. Welnu het oordeel is een daad van de rechtvaardigheid overeenkomstig het woord van de Psalmist (Ps., 93, 15): “Totdat gerechtigheid weder kome tot het oordeel.” Dus is het niet aan te nemen, dat de Meester het oordeel verboden heeft, en zo blijkt het, dat de Nieuwe Wet de mens niet voldoende geregeld heeft met betrekking tot de innerlijke daden.

Sed contra est, quod, ut Augustinus dicit in lib. 1. de Sermone Domini in monte [cap. 1.], considerandum est, quia cum dixit : Qui audit verba mea haec, satis significat sermonem istum Domini omnibus praeceptis, quibus Christiana vita formatur, esse perfectum.

Maar daartegenover staat het woord van Augustinus in zijn Boek Over de Bergrede (Ie B., Ie H.) : « Men moet bedenken, dat de woorden: Die deze mijne woorden hoort, voldoende aangeven, dat die leer van den Meester al de voorschriften bevat voor het christelijk leven. »Maar daartegenover staat het woord van Augustinus in zijn Boek Over de Bergrede (1e B., 1e H.): “Men moet bedenken, dat de woorden: Die deze mijn woorden hoort, voldoende aangeven, dat die leer van de Meester al de voorschriften bevat voor het christelijk leven.”

Respondeo dicendum, quod, sicut ex inducta auctoritate Augustini apparet, sermo, quem Dominus in monte proposuit, totam informationem 614Christianae vitae continet, in quo perfecte interiores motus hominis ordinantur; nam post declaratum beatitudinis finem, commendata Apostolica dignitate per quos erat doctrina Evangelica promulganda, ordinat interiores hominis motus; primo quidem quantum ad seipsum; et deinde quantum ad proximum.

Leerstelling. — Zooals uit de aangehaalde woorden van Augustinus blijkt, omvat de leer, die de Meester op den berg uiteenzette, de geheele vorming van het christelijk leven, waarin de innerlijke daden van den mensch volkomen geregeld worden, 614Want na de verklaring van het eigenlijke doel der gelukzaligheid en het met nadruk noemen van de waardigheid der Apostelen, door wie de leer van het Evangelie moest bekend gemaakt worden, regelt Hij de innerlijke daden der menschen, ten eerste ten opzichte van hemzelf, en vervolgens ten opzichte van den naaste.Leerstelling. — Zoals uit de aangehaalde woorden van Augustinus blijkt, omvat de leer, die de Meester op de berg uiteenzette, de gehele vorming van het christelijk leven, waarin de innerlijke daden van de mens volkomen geregeld worden, 614Want na de verklaring van het eigenlijke doel van de gelukzaligheid en het met nadruk noemen van de waardigheid van de Apostelen, door wie de leer van het Evangelie moest bekend gemaakt worden, regelt Hij de innerlijke daden van de mensen, ten eerste ten opzichte van hemzelf, en vervolgens ten opzichte van de naaste.

Quantum autem ad seipsum dupliciter, secundum duos interiores hominis motus circa agenda, qui sunt voluntas de agendis, et intentio de fine; unde primo ordinat hominis voluntatem secundum diversa legis praecepta, ut scilicet abstineat aliquis non solum ab exterioribus operibus, quae sunt secundum se mala, sed etiam ab interioribus et ab occasionibus malorum; deinde ordinat intentionem hominis, dicens quod in bonis quae agimus, neque quaeramus humanam gloriam, neque mundanas divitias, quod est thesaurizare in terra.

Ten opzichte van hemzelf, op twee manieren, overeenkomstig de twee innerlijke daden van den mensch met betrekking tot zijn handelingen, nl. de wil om de middelen te gebruiken, en de wil om het doel na te streven. Daarom regelt Hij eerst den wil van den mensch overeenkomstig de verschillende voorschriften der Wet, nl. dat men zich niet alleen moet onthouden van uiterlijke daden, die uiteraard verkeerd zijn, maar ook van innerlijke daden en van de gelegenheid tot het kwaad. Vervolgens regelt Hij het doel wat we moeten nastreven, door te zeggen, dat we in het goede wat we doen den roem der menschen niet moeten zoeken, noch de rijkdommen der wereld, wat gelijk staat met schatten zoeken op de aarde.Ten opzichte van hemzelf, op twee manieren, overeenkomstig de twee innerlijke daden van de mens met betrekking tot zijn handelingen, nl. de wil om de middelen te gebruiken, en de wil om het doel na te streven. Daarom regelt Hij eerst de wil van de mens overeenkomstig de verschillende voorschriften van de Wet, nl. dat men zich niet alleen moet onthouden van uiterlijke daden, die uiteraard verkeerd zijn, maar ook van innerlijke daden en van de gelegenheid tot het kwaad. Vervolgens regelt Hij het doel wat we moeten nastreven, door te zeggen, dat we in het goede wat we doen de roem van de mensen niet moeten zoeken, noch de rijkdommen van de wereld, wat gelijk staat met schatten zoeken op de aarde.

Consequenter autem ordinat interiorem hominis motum quoad proximum, ut scilicet eum non temerarie aut injuste judicemus aut praesumptuose; neque tamen sic simus apud proximum remissi, ut eis sacra committamus, si sint indigni.

Daarna regelt Hij de innerlijke daden van den mensch ten opzichte van den naaste, dat we hem nl. niet onbezonnen of onrechtvaardig of bevooroordeeld mogen beoordeelen, en dat we 615toch, in zoover onzen naaste moeten beoordeelen, dat we hem niet het heilige mededeelen, als hij het niet waardig is.Daarna regelt Hij de innerlijke daden van de mens ten opzichte van de naaste, dat we hem nl. niet onbezonnen of onrechtvaardig of bevooroordeeld mogen beoordelen, en dat we 615toch, in zover onze naaste moeten beoordelen, dat we hem niet het heilige mededelen, als hij het niet waardig is.

615Ultimo autem docet modum adimplendi Evangelicam doctrinam, scilicet implorando divinum auxilium, et conatum apponendo ad ingrediendum per angustam portam perfectae virtutis, et cautelam adhibendo ne a seductoribus corrumpamur; et quod observatio mandatorum ejus est necessaria ad virtutem; non autem sufficit sola confessio fidei, vel miraculorum operatio, vel solus auditus.

Ten slotte leert Hij de manier om de leer van het Evangelie na te leven, nl. door de goddelijke hulp af te smeeken, door te trachten binnen te gaan door de nauwe poort der volmaakte deugd, door voorzichtig te zijn opdat wij niet door verleiders overrompeld worden, door aan te toonen, dat de onderhouding der geboden noodig is voor de deugd, terwijl de geloofsbelijdenis alleen of de wonderwerken of alleen het aanhooren van het woord niet voldoende is.Ten slotte leert Hij de manier om de leer van het Evangelie na te leven, nl. door de goddelijke hulp af te smeken, door te trachten binnen te gaan door de nauwe poort van de volmaakte deugd, door voorzichtig te zijn opdat wij niet door verleiders overrompeld worden, door aan te tonen, dat de onderhouding van de geboden nodig is voor de deugd, terwijl de geloofsbelijdenis alleen of de wonderwerken of alleen het aanhoren van het woord niet voldoende is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dominus circa illa legis praecepta adimpletionem apposuit, in quibus Scribae et Pharisaei non rectum intellectum habebant : et hoc contingebat praecipue circa tria praecepta decalogi. Nam circa prohibitionem adulterii et homicidii aestimabant solum exteriorem actum prohiberi, non autem interiorem appetitum; quod magis credebant circa homicidium et adulterium, quam circa furtum vel falsum testimonium, quia motus irae in homicidium tendens et concupiscentiae motus tendens in adulterium, videntur aliqualiter nobis a natura inesse, non autem appetitus furandi vel falsum testimonium dicendi. Circa perjurium vero 616habebant falsum intellectum, credentes perjurium quidem esse peccatum, juramentum autem per se esse appetendum et frequentandum, quia videtur ad Dei reverentiam pertinere; et ideo Dominus ostendit juramentum non esse appetendum tamquam bonum, sed melius esse absque juramento loqui, nisi necessitas cogat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Meester heeft alleen verklaring gegeven van de vervulling van die voorschriften der Wet, die de Schriftgeleerden en Farizeën verkeerd begrepen, en dit was vooral het geval met betrekking tot drie van de Tien Geboden. Want met betrekking tot het verbod van echtscheiding en doodslag meenden zij, dat alleen de uiterlijke daad verboden was, en niet het innerlijke verlangen, wat ze sterker hielden met betrekking tot echtbreuk en doodslag dan met betrekking tot diefstal of valsche getuigenis, daar zij ons eenigszins van nature eigen schijnen te zijn, en niet het verlangen om te stelen of een 616valsche getuigenis te geven, wel echter toorn, die leidt tot moord, en de zinnelijke lust, die leidt tot echtbreuk. Ook van meineed hadden ze een verkeerd begrip, daar zij meenden dat, hoewel meineed zonde was, de eed zelf uiteraard goed was en dikwijls moest worden afgelegd, daar hij tot de eer van God schijnt te strekken. Daarom leerde de Meester, dat de eed niet als iets goeds moest nagestreefd worden, maar dat het beter is zonder eed te spreken, tenzij in geval van noodzakelijkheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Meester heeft alleen verklaring gegeven van de vervulling van die voorschriften van de Wet, die de Schriftgeleerden en Farizeën verkeerd begrepen, en dit was vooral het geval met betrekking tot drie van de Tien Geboden. Want met betrekking tot het verbod van echtscheiding en doodslag meenden zij, dat alleen de uiterlijke daad verboden was, en niet het innerlijke verlangen, wat ze sterker hielden met betrekking tot echtbreuk en doodslag dan met betrekking tot diefstal of valse getuigenis, daar zij ons enigszins van nature eigen schijnen te zijn, en niet het verlangen om te stelen of een 616valse getuigenis te geven, wel echter toorn, die leidt tot moord, en de zinnelijke lust, die leidt tot echtbreuk. Ook van meineed hadden ze een verkeerd begrip, daar zij meenden dat, hoewel meineed zonde was, de eed zelf uiteraard goed was en dikwijls moest worden afgelegd, daar hij tot de eer van God schijnt te strekken. Daarom leerde de Meester, dat de eed niet als iets goeds moest nagestreefd worden, maar dat het beter is zonder eed te spreken, tenzij in geval van noodzakelijkheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod circa judicialia praecepta dupliciter Scribae et Pharisaei errabant. Primo quidem, quia quaedam, quae in lege Moysi erant tradita tamquam promissiones1, aestimabant esse per se justa, scilicet repudium uxoris et usuras accipere ab extraneis; et ideo Dominus prohibuit uxoris repudium, Matth. 5 [v. 32], et usurarum acceptionem, Luc. 6 [v. 35], dicens : « Date mutuum, nihil inde sperantes. » Alio modo errabant credentes, quaedam, quae lex vetus instituerat facienda propter justitiam, esse exequenda ex appetitu vindictae, vel ex odio inimicorum; et hoc in tribus praeceptis. Appetitum enim vindictae credebant esse licitum propter 617praeceptum datum de poena talionis; quod quidem fuit datum ut justitia servaretur, non ut homo vindictam quaereret; et ideo Dominus ad hoc removendum docet animum hominis sic debere esse praeparatum, ut, si necesse sit, etiam paratus sit plura sustinere. Motum autem cupiditatis aestimabant esse licitum propter praecepta judicialia, in quibus mandabatur restitutio rei ablatae fieri etiam cum aliqua additione, ut supra dictum est [q. 105. art. 2. ad 9] ; et hoc quidem lex mandavit propter justitiam observandam, non ut daret cupiditati locum; et ideo Dominus docet, ut ex cupiditate nostra non repetamus, sed simus parati, si necesse fuerit, etiam ampliora dare. Motum vero odii credebant esse licitum propter praecepta legis data de hostium interfectione; quod quidem lex statuit propter justitiam implendam, ut supra dictum est [q. 105. art. 3. ad 4.], non propter odia exsaturanda; et ideo Dominus docet, ut ad inimicos dilectionem habeamus, et parati simus, si necesse fuerit, etiam benefacere : haec enim praecepta secundum praeparationem animi sunt accipienda, ut Augustinus exponit [lib. 1. de Serm. Dom. in monte, cap. 19. et seq.].

2. Met betrekking tot de voorschriften op rechtsgebied begingen de Schriftgeleerden en Fariseën een dubbele fout Ten eerste hielden zij sommige voorschriften, die in de Wet van Mozes stonden als toelatingen, voor uiteraard rechtvaardig, zooals de echtscheiding en leenrente nemen van vreemden. Daarom verbood de Meester de echtscheiding (Mattheus, 5, 32) en het nemen van leenrente (Lucas, 6, 35), met de woorden : « Leent uit, zonder iets terug te hopen. » Ten tweede meenden ze dat sommige voorschriften, waaromtrent de Oude Wet bepaald had, dat ze om de rechtvaardigheid gedaan moesten worden, moesten onderhouden uit begeerte naar wraak, of uit 617verlangen naar tijdelijke goederen, of uit haat tegen de vijanden. En dit met betrekking tot drie voorschriften. Want begeerte naar wraak hielden zij voor geoorloofd, naar aanleiding van het voorschrift over weerwraak, wat echter gegeven was tot behoud der rechtvaardigheid en niet om wraak te zoeken. Om dit nu af te schaffen leerde de Meester, dat de geest van den mensch zóó gestemd moest zijn, dat hij, als het noodig is, bereid is nog meer te verdragen. De begeerte naar tijdelijke zaken hielden ze voor geoorloofd, naar aanleiding van de rechtsregels, waarin bevolen wordt, dat vergoeding moet gegeven worden voor een gestolen zaak, zelfs met toevoeging, zooals hierboven gezegd is (CVe Kw., 2e Art., Antw. op de 9e Bedenk.). Dit nu beval de Wet opdat de gerechtigheid zou onderhouden worden en niet om gelegenheid te geven tot ongeregeld verlangen. Daarom leerde de Meester, dat wij het onze niet uit ongeregeld verlangen terug mogen vorderen, maar dat wij bereid moeten zijn om, als het noodig is, nog meer te geven. Den haat hielden zij voor geoorloofd, naar aanleiding van de voorschriften der Wet met betrekking tot het dooden der vijanden, wat de Wet bepaald heeft, om aan de rechtvaardigheid te voldoen, en niet om den haat te voldoen, 618zooals hierboven gezegd is (CVe Kw., 3e Art., Antw. op de 4e Bed.). Daarom leerde de Meester, dat we onze vijanden lief moeten hebben en bereid moeten zijn hen indien het noodig is, wel te doen. Volgens Augustinus toch (Over de Bergrede, Ie B., XIXe H. en v.) moeten die voorschriften zóó opgevat worden, dat we bereid moeten zijn er naar te handelen.2. Met betrekking tot de voorschriften op rechtsgebied begingen de Schriftgeleerden en Fariseën een dubbele fout Ten eerste hielden zij sommige voorschriften, die in de Wet van Mozes stonden als toelatingen, voor uiteraard rechtvaardig, zoals de echtscheiding en leenrente nemen van vreemden. Daarom verbood de Meester de echtscheiding (Matteüs, 5, 32) en het nemen van leenrente (Lukas, 6, 35), met de woorden: “Leent uit, zonder iets terug te hopen.” Ten tweede meenden ze dat sommige voorschriften, waaromtrent de Oude Wet bepaald had, dat ze om de rechtvaardigheid gedaan moesten worden, moesten onderhouden uit begeerte naar wraak, of uit 617verlangen naar tijdelijke goederen, of uit haat tegen de vijanden. En dit met betrekking tot drie voorschriften. Want begeerte naar wraak hielden zij voor geoorloofd, naar aanleiding van het voorschrift over weerwraak, wat echter gegeven was tot behoud van de rechtvaardigheid en niet om wraak te zoeken. Om dit nu af te schaffen leerde de Meester, dat de geest van de mens zó gestemd moest zijn, dat hij, als het nodig is, bereid is nog meer te verdragen. De begeerte naar tijdelijke zaken hielden ze voor geoorloofd, naar aanleiding van de rechtsregels, waarin bevolen wordt, dat vergoeding moet gegeven worden voor een gestolen zaak, zelfs met toevoeging, zoals hierboven gezegd is (105e Kw., 2e Art., Antw. op de 9e Bedenk.). Dit nu beval de Wet opdat de gerechtigheid zou onderhouden worden en niet om gelegenheid te geven tot ongeregeld verlangen. Daarom leerde de Meester, dat wij het onze niet uit ongeregeld verlangen terug mogen vorderen, maar dat wij bereid moeten zijn om, als het nodig is, nog meer te geven. De haat hielden zij voor geoorloofd, naar aanleiding van de voorschriften van de Wet met betrekking tot het doden van de vijanden, wat de Wet bepaald heeft, om aan de rechtvaardigheid te voldoen, en niet om de haat te voldoen, 618zoals hierboven gezegd is (105e Kw., 3e Art., Antw. op de 4e Bed.). Daarom leerde de Meester, dat we onze vijanden lief moeten hebben en bereid moeten zijn hen indien het nodig is, wel te doen. Volgens Augustinus toch (Over de Bergrede, 1e B., 19e H. en v.) moeten die voorschriften zó opgevat worden, dat we bereid moeten zijn er naar te handelen.

↑ bedenking 3

618Ad tertium dicendum, quod praecepta moralia omnino in nova lege remanere debebant, quia secundum se pertinent ad rationem virtutis; praecepta autem judicialia non remanebant ex necessitate secundum modum, quem lex determinavit, sed relinquebatur arbitrio hominum, utrum sic vel aliter esset determinandum; et ideo convenienter Dominus circa haec duo genera praeceptorum nos ordinavit. Praeceptorum autem caeremonialium observatio totaliter per rei impletionem tollebatur; et ideo circa hujusmodi praecepta in illa communi doctrina nihil ordinavit. Ostendit tamen alibi, quod totus corporalis cultus, qui erat determinatus in lege, erat in spiritualem commutandus : ut patet Joan. 4 [v. 23] ubi dixit : « Veniet hora, quando neque in monte hoc, neque in Hierosolymis adorabitis Patrem, sed veri adoratores adorabunt Patrem in spiritu et veritate. »

3. De voorschriften op zedelijk gebied mochten geenszins in de Nieuwe Wet wegblijven, daar zij uiteraard behooren tot de deugd; de voorschriften echter op rechtsgebied bleven niet noodzakelijk zooals de Wet ze nader omschreven had, maar het werd aan het oordeel der menschen overgelaten of ze zus of zoo omschreven moesten worden. Aldus heeft de Meester ons hieromtrent heel goed geregeld. De onderhouding der voorschriften op godsdienstig gebied echter wordt door het vervullen der zaak geheel opgeheven; daarom wordt er in die algemeene leer niets omtrent die voorschriften geregeld. Elders toont Hij aan, dat heel de lichamelijke eeredienst, die door de Wet voorgeschreven was, veranderd moest worden in een geestelijken eeredienst, wat blijkt uit Joannes (4, 23) : « Het uur komt dat gij, noch op dezen berg, noch in Jerusalem den Vader zult aanbidden, maar de ware aanbidders zullen den Vader in geest en waarheid aanbidden. »3. De voorschriften op zedelijk gebied mochten geenszins in de Nieuwe Wet wegblijven, daar zij uiteraard behoren tot de deugd; de voorschriften echter op rechtsgebied bleven niet noodzakelijk zoals de Wet ze nader omschreven had, maar het werd aan het oordeel van de mensen overgelaten of ze zus of zo omschreven moesten worden. Aldus heeft de Meester ons hieromtrent heel goed geregeld. De onderhouding van de voorschriften op godsdienstig gebied echter wordt door het vervullen van de zaak geheel opgeheven; daarom wordt er in die algemene leer niets omtrent die voorschriften geregeld. Elders toont Hij aan, dat heel de lichamelijke eredienst, die door de Wet voorgeschreven was, veranderd moest worden in een geestelijken eredienst, wat blijkt uit Johannes (4, 23): “Het uur komt dat gij, noch op deze berg, noch in Jerusalem de Vader zult aanbidden, maar de ware aanbidders zullen de Vader in geest en waarheid aanbidden.”

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod omnes res mundanae ad tria reducuntur, scilicet ad honores, divitias, et delicias, secundum illud 1. Joan. 2 [v. 16] : 619Omne, quod est in mundo, concupiscentia carnis est : quod pertinet ad delicias carnis, et concupiscentia oculorum, quod pertinet ad divitias, et superbia vitae, quod pertinet ad ambitum gloriae et honoris. Superfluas autem carnis delicias lex non promisit, sed magis prohibuit. Repromisit autem celsitudinem honoris, et abundantiam divitiarum; dicitur enim Deuter. 28 [v. 1] : « Si audieris vocem Domini Dei tui, faciet te excelsiorem cunctis gentibus », quantum ad primum; est post pauca subdit : « Abundare faciet te omnibus bonis » quantum ad secundum. Quae quidem promissa sic prave intelligebant Judaei, ut propter ea esset Deo serviendum, sicut propter finem; et ideo Dominus hoc removit, ostendens primo, quod opera virtutum non sunt facienda propter humanam gloriam; et ponit tria opera, ad quae omnia alia reducuntur, nam omnia, quae aliquis facit ad refraenandum seipsum in suis concupiscentiis, reducuntur ad jejunium; quaecumque vero fiunt propter dilectionem proximi, reducuntur ad eleemosynam; quaecumque vero propter cultum Dei fiunt, 620reducuntur ad orationem. Ponit autem haec tria specialiter, quasi praecipua et per quae homines maxime solent gloriam venari. Secundo docuit, quod non debemus finem constituere in divitiis, cum dixit : « Nolite thesaurizare vobis thesauros in terra. » [Matt. 6., v. 19].

6194. Alle wereldsche zaken worden tot drie teruggebracht, nl. tot eer, rijkdom en vermaak, overeenkomstig het woord uit den In Brief van Joannes (2,16) : « Alles wat in de wereld is, is begeerlijkheid van het vleesch (vleeschelijk genot), en van de oogen (rijkdom), en hoogmoed des levens (zoeken naar eer en glorie). » Onredelijk genot van het vleesch heeft de Wet dus niet beloofd, maar veeleer verboden. Daartegenover heeft zij wel grootere roem en een overvloed van rijkdommen beloofd; want in het Boek Deuteronomium (28,1) wordt gezegd : « Indien gij luistert naar het woord van den Heer uw God, zal Hij u hoog verheffen boven alle geslachten (dat slaat op den roem) en u overvloed geven van alle goed (dat slaat op de rijkdommen). » Die beloften begrepen de Joden echter verkeerd, alsof ze nl. om die verheffing en die goederen, als hun doel, God moesten dienen. Daarom is de Meester daar tegen ingegaan door aan te toonen, ten eerste, dat de deugddaden niet gedaan moeten worden om menschelijke glorie. Hij geeft als voorbeeld drie daden aan, waartoe al de andere kunnen worden teruggebracht, want alles wat iemand doet om zich zelf te beheerschen in zijn zinnelijke begeerten, wordt teruggebracht tot het vasten; alles wat gedaan wordt uit liefde tot den naaste, wordt teruggebracht tot de aalmoes; alles wat gedaan 620wordt om den eeredienst van God, wordt teruggebracht tot het gebed. Die drie geeft Hij in het bijzonder aan, als de voornaamste en waarmee de menschen gewoonlijk roem najagen. Ten tweede leert Hij, dat wij ons doel niet moeten stellen in rijkdommen, met de woorden van Mattheus (6,19) : « Verzamel u geen schatten op aarde. »6194. Alle wereldse zaken worden tot drie teruggebracht, nl. tot eer, rijkdom en vermaak, overeenkomstig het woord uit de 1e Brief van Johannes (2,16): “Alles wat in de wereld is, is begeerlijkheid van het vlees (vleselijk genot), en van de ogen (rijkdom), en hoogmoed van het leven (zoeken naar eer en glorie).” Onredelijk genot van het vlees heeft de Wet dus niet beloofd, maar veeleer verboden. Daartegenover heeft zij wel grotere roem en een overvloed van rijkdommen beloofd; want in het Boek Deuteronomium (28,1) wordt gezegd: “Indien gij luistert naar het woord van de Heer uw God, zal Hij u hoog verheffen boven alle geslachten (dat slaat op de roem) en u overvloed geven van alle goed (dat slaat op de rijkdommen).” Die beloften begrepen de Joden echter verkeerd, alsof ze nl. om die verheffing en die goederen, als hun doel, God moesten dienen. Daarom is de Meester daar tegen ingegaan door aan te tonen, ten eerste, dat de deugddaden niet gedaan moeten worden om menselijke glorie. Hij geeft als voorbeeld drie daden aan, waartoe al de andere kunnen worden teruggebracht, want alles wat iemand doet om zichzelf te beheersen in zijn zinnelijke begeerten, wordt teruggebracht tot het vasten; alles wat gedaan wordt uit liefde tot de naaste, wordt teruggebracht tot de aalmoes; alles wat gedaan 620wordt om de eredienst van God, wordt teruggebracht tot het gebed. Die drie geeft Hij in het bijzonder aan, als de voornaamste en waarmee de mensen gewoonlijk roem najagen. Ten tweede leert Hij, dat wij ons doel niet moeten stellen in rijkdommen, met de woorden van Matteüs (6,19): “Verzamel u geen schatten op aarde.”

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod Dominus solicitudinem necessariam non prohibuit, sed solicitudinem inordinatam; est autem quadruplex ordinatio2 solicitudinis vitanda circa temporalia : primo quidem, ut in eis finem non constituamus, neque Deo serviamus propter necessaria victus et vestitus; unde dicit : « Nolite thesaurizare vobis », etc.; secundo, ut non sic solicitemur de temporalibus cum desperatione divini auxilii; unde Dominus dicit : « Scit Pater vester, quod his omnibus indigetis » ; tertio, ne sit solicitudo praesumptuosa, ut scilicet homo confidat se necessaria vitae per suam solicitudinem posse procurare absque divino auxilio; quod Dominus removet per hoc, quod homo non potest aliquid adjicere ad staturam suam; quarto per hoc, quod 621homo solicitudinis tempus praeoccupat, quia scilicet de hoc solicitus est nunc, quod non pertinet ad curam praesentis temporis, sed ad curam futuri; unde dicit : « Nolite soliciti esse in crastinum. »

5. De Meester heeft de noodige bezorgdheid niet verboden, maar de ongeregelde bezorgdheid. Welnu in de bezorgdheid om het tijdelijke moet een viervoudige ongeregeldheid vermeden worden. Ten eerste, dat wij er ons doel niet in stellen, noch God dienen om spijs en drank, waarom dan ook gezegd wordt : « Wilt u geen schatten verzamelen », enz. Ten tweede, dat we niet zóó bezorgd moeten zijn voor het tijdelijke, dat we aan de hulp van God wanhopen; waarom gezegd wordt : « Uw Vader weet, dat gij dit alles noodig hebt. » Ten derde dat onze bezorgdheid niet overmoedig mag zijn, en de mensch niet mag denken dat hij door zijn bezorgdheid kan voorzien in de noodzakelijke behoeften van het leven, zonder de hulp van God. Dit wendt de Meester hier door af, dat de mensch niets kan toevoegen aan zijn gestalte. Ten 621vierde, dat de mensch den tijd om bezorgd te zijn vooruitloopt, omdat hij nl. bezorgd is over iets, waarover hij nu niet bezorgd moet zijn, maar in de toekomst; waarom dan ook gezegd wordt : « Weest niet bezorgd voor den dag van morgen. »5. De Meester heeft de nodige bezorgdheid niet verboden, maar de ongeregelde bezorgdheid. Welnu in de bezorgdheid om het tijdelijke moet een viervoudige ongeregeldheid vermeden worden. Ten eerste, dat wij er ons doel niet in stellen, noch God dienen om spijs en drank, waarom dan ook gezegd wordt: “Wilt u geen schatten verzamelen”, enz. Ten tweede, dat we niet zó bezorgd moeten zijn voor het tijdelijke, dat we aan de hulp van God wanhopen; waarom gezegd wordt: “Uw Vader weet, dat gij dit alles nodig hebt.” Ten derde dat onze bezorgdheid niet overmoedig mag zijn, en de mens niet mag denken dat hij door zijn bezorgdheid kan voorzien in de noodzakelijke behoeften van het leven, zonder de hulp van God. Dit wendt de Meester hier door af, dat de mens niets kan toevoegen aan zijn gestalte. Ten 621vierde, dat de mens de tijd om bezorgd te zijn vooruitloopt, omdat hij nl. bezorgd is over iets, waarover hij nu niet bezorgd moet zijn, maar in de toekomst; waarom dan ook gezegd wordt: “Weest niet bezorgd voor de dag van morgen.”

↑ bedenking 6

Ad sextum dicendum, quod Dominus non prohibet judicium justitiae, sine quo non possent sancta subtrahi ab indignis, sed prohibet judicium inordinatum, ut dictum est [in corp. art.].

6. De Meester verbiedt niet het oordeel overeenkomstig de rechtvaardigheid, zonder welk het heilige niet van de onwaardigen kan onthouden worden, maar hij verbiedt het ongeregelde oordeel, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.6. De Meester verbiedt niet het oordeel overeenkomstig de rechtvaardigheid, zonder welk het heilige niet van de onwaardigen kan onthouden worden, maar hij verbiedt het ongeregelde oordeel, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.

Articulus IV

Utrum convenienter in lege nova consilia quaedam determinata sint proposita

[Lib. 3. Contr. g. cap. 230. et Quodl. 5. art. 19. corp.].
IVe Artikel

Is het nuttig, dat er in de Nieuwe Wet sommige wel omschreven raden staan voorgesteld?

antwoord 1 ↓

621Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter in lege nova consilia quaedam determinata sint proposita : consilia enim dantur de rebus expedientibus ad finem, ut supra dictum est [q. 14. art. 2.], cum de consilio 622ageretur; sed non eadem omnibus expediunt; ergo non sunt aliqua consilia determinata omnibus proponenda.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet nuttig is, dat er in de Nieuwe Wet sommige wel omschreven raden staan voorgesteld. — 1. Raden immers worden gegeven omtrent dingen, die nuttig zijn voor het doel, zooals hierboven gezegd is (XIVe 622Kw., 2e Art.), wanneer gehandeld werd over het beraad. Welnu een en hetzelfde is niet nuttig voor allen. Dus moeten er geen wel omschreven raden voor allen gegeven worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet nuttig is, dat er in de Nieuwe Wet sommige wel omschreven raden staan voorgesteld. — 1. Raden immers worden gegeven omtrent dingen, die nuttig zijn voor het doel, zoals hierboven gezegd is (14e 622Kw., 2e Art.), wanneer gehandeld werd over het beraad. Welnu een en hetzelfde is niet nuttig voor allen. Dus moeten er geen wel omschreven raden voor allen gegeven worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, consilia dantur de meliori bono; sed non sunt determinati gradus melioris boni; ergo non debent aliqua determinata consilia dari.

2. Raden worden gegeven met betrekking tot een hooger goed. Welnu er zijn geen vaststaande en welomschreven graden voor het hooger goed. Dus moeten er geen welomschreven raden gegeven worden.2. Raden worden gegeven met betrekking tot een hoger goed. Welnu er zijn geen vaststaande en welomschreven graden voor het hoger goed. Dus moeten er geen welomschreven raden gegeven worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, consilia pertinent ad perfectionem vitae; sed obedientia pertinet ad perfectionem vitae; ergo inconvenienter de ea consilium non datur in Evangelio.

3. De raden behooren tot het volmaakte leven. Maar ook de gehoorzaamheid behoort tot het volmaakte leven. Dus is het niet goed, dat daaromtrent geen raden gegeven worden in het Evangelie.3. De raden behoren tot het volmaakte leven. Maar ook de gehoorzaamheid behoort tot het volmaakte leven. Dus is het niet goed, dat daaromtrent geen raden gegeven worden in het Evangelie.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, multa ad perfectionem vitae pertinentia inter praecepta ponuntur, sicut hoc quod dicitur : « Diligite inimicos vestros », et praecepta etiam quae dedit Dominus Apostolis Matth. 5 [v. 44] ; ergo inconvenienter traduntur consilia in nova lege, tum quia non omnia ponuntur, tum etiam quia a praeceptis non distinguuntur.

4. Tusschen de voorschriften staat veel wat behoort tot het volmaakte leven, zooals b. v. : « Bemint uwe vijanden », en de voorschriften, die de Meester aan de Apostelen gegeven heeft (Mattheus, 5, 44). Dus is het niet goed, dat er in de Nieuwe Wet raden staan, zoowel daar niet alle raden gegeven worden, alsook omdat ze niet onderscheiden zijn van de geboden.4. Tussen de voorschriften staat veel wat behoort tot het volmaakte leven, zoals bv.: “Bemint uw vijanden”, en de voorschriften, die de Meester aan de Apostelen gegeven heeft (Matteüs, 5, 44). Dus is het niet goed, dat er in de Nieuwe Wet raden staan, zowel daar niet alle raden gegeven worden, alsook omdat ze niet onderscheiden zijn van de geboden.

Sed contra, consilia sapientis amici magnam afferunt utilitatem, secundum illud Proverb. 27. [v. 9.] : « Unguento et variis odoribus delectatur cor, et bonis amici consiliis anima dulcoratur. » Sed Christus maxime 623est sapiens, et amicus; ergo ejus consilia maximam utilitatem continent et convenientia sunt.

Maar daartegenover staat, dat de raad van een wijzen vriend zeer nuttig is, overeenkomstig het woord uit het Boek der Spreuken (27,9) : « Balsem en velerlei reukwerken verheugen het hart, en de goede raadgevingen van een vriend zijn aangenaam voor de 623ziel. » Welnu Christus is de grootste wijze en de beste vriend. Dus zijn Zijn raden het meest nuttig en goed.Maar daartegenover staat, dat de raad van een wijzen vriend zeer nuttig is, overeenkomstig het woord uit het Boek van de Spreuken (27,9): “Balsem en velerlei reukwerken verheugen het hart, en de goede raadgevingen van een vriend zijn aangenaam voor de 623ziel.” Welnu Christus is de grootste wijze en de beste vriend. Dus zijn Zijn raden het meest nuttig en goed.

Respondeo dicendum, quod haec est differentia inter consilium et praeceptum, quod praeceptum importat necessitatem, consilium autem in optione ponitur ejus, cui datur; et ideo convenienter in lege nova, quae est lex libertatis, supra praecepta sunt addita consilia; non autem in veteri lege, quae erat lex servitutis.

Leerstelling. — Het onderscheid tusschen een voorschrift en een raad is dit, dat [De vertaling van «praeceptum importat necessitatem» ontbreekt in de uitgave.] een raad aan de vrije keuze van hem, aan wien ze gegeven wordt, is overgelaten. Daarom is het goed, dat er in de Nieuwe Wet, die de Wet der vrijheid is, buiten de voorschriften nog raden gegeven worden, en niet in de Oude Wet, die de wet der slavernij is.Leerstelling. — Het onderscheid tussen een voorschrift en een raad is dit, dat [De vertaling van “praeceptum importat necessitatem” ontbreekt in de uitgave.] een raad aan de vrije keuze van hem, aan wie ze gegeven wordt, is overgelaten. Daarom is het goed, dat er in de Nieuwe Wet, die de Wet van de vrijheid is, buiten de voorschriften nog raden gegeven worden, en niet in de Oude Wet, die de wet van de slavernij is.

Oportet igitur, quod praecepta novae legis intelligantur esse data de his, quae sunt necessaria ad consequendum finem aeternae beatitudinis, in quem lex nova immediate introducit; consilia vero oportet esse de illis, per quae melius et expeditius potest homo consequi finem praedictum.

De voorschriften van de Nieuwe Wet moeten dus in dien zin verstaan worden, dat ze gegeven zijn met betrekking tot die dingen, die noodig zijn om het doel van de eeuwige gelukzaligheid te bereiken, waartoe de Nieuwe Wet onmiddellijk leidt; de raden echter gaan over die dingen, waardoor de mensch beter en gemakkelijker het bovengenoemde doel bereikt.De voorschriften van de Nieuwe Wet moeten dus in die zin verstaan worden, dat ze gegeven zijn met betrekking tot die dingen, die nodig zijn om het doel van de eeuwige gelukzaligheid te bereiken, waartoe de Nieuwe Wet onmiddellijk leidt; de raden echter gaan over die dingen, waardoor de mens beter en gemakkelijker het bovengenoemde doel bereikt.

Est autem homo constitutus inter res mundi hujus, et spiritualia bona, in quibus aeterna beatitudo consistit, ita quod quanto plus inhaeret uni eorum, tanto plus recedit ab altero, et e converso. Qui ergo totaliter inhaeret rebus hujus mundi, ut in eis finem constituat, habens eas quasi rationes et regulas 624suorum operum, totaliter excidit a spiritualibus bonis; et ideo hujusmodi inordinatio tollitur per praecepta.

De mensch nu is geplaatst tusschen de goederen van deze wereld, en de geestelijke goederen, waarin de eeuwige gelukzaligheid bestaat, zoodat hij zich meer verwijdert van het één, als hij meer gehecht is aan het ander, en andersom. Hij dus die geheel gehecht is aan de goederen van deze wereld, zoodat hij er zijn doel in stelt, en ze als het ware voor norm en maatstaf van zijn 624doen en laten houdt, heeft zich geheel verwijderd van de geestelijke goederen. Zulk een ongeregeldheid wordt door de voorschriften opgeheven.De mens nu is geplaatst tussen de goederen van deze wereld, en de geestelijke goederen, waarin de eeuwige gelukzaligheid bestaat, zodat hij zich meer verwijdert van het één, als hij meer gehecht is aan het ander, en andersom. Hij dus die geheel gehecht is aan de goederen van deze wereld, zodat hij er zijn doel in stelt, en ze als het ware voor norm en maatstaf van zijn 624doen en laten houdt, heeft zich geheel verwijderd van de geestelijke goederen. Zulk een ongeregeldheid wordt door de voorschriften opgeheven.

Sed quod homo totaliter ea quae sunt mundi abjiciat, non est necessarium ad perveniendum in finem praedictum, quia potest homo utens rebus hujus mundi, dummodo in eis finem non constituat, ad beatitudinem aeternam pervenire : sed expeditius perveniet, totaliter bona hujus mundi abdicando; et ideo de hoc dantur consilia Evangelii.

Maar om bovengenoemd doel te bereiken is het niet noodzakelijk, dat de mensch de goederen van deze wereld verwerpt, daar hij de eeuwige gelukzaligheid kan bereiken, ook wanneer hij ze gebruikt, zonder er zijn doel in te stellen; doch hij zal haar beter bereiken, wanneer hij ze totaal verwerpt, waarover dan de raden van het Evangelie gegeven worden.Maar om bovengenoemd doel te bereiken is het niet noodzakelijk, dat de mens de goederen van deze wereld verwerpt, daar hij de eeuwige gelukzaligheid kan bereiken, ook wanneer hij ze gebruikt, zonder er zijn doel in te stellen; doch hij zal haar beter bereiken, wanneer hij ze totaal verwerpt, waarover dan de raden van het Evangelie gegeven worden.

Bona autem hujus mundi, quae pertinent ad usum humanae vitae, in tribus consistunt, scilicet in divitiis exteriorum bonorum, quae pertinent ad concupiscentiam oculorum; et in deliciis carnis, quae pertinent ad [Hier zijn in de Latijnsche tekst van de uitgave enkele woorden weggevallen.] superbiam vitae; sicut patet 1. Joan. 2. [v. 16.]. Haec autem tria totaliter derelinquere, secundum quod possibile est, pertinet ad consilia Evangelica. In quibus etiam tribus fundatur omnis religio, quae statum perfectionis profitetur : nam divitiae abdicantur per paupertatem, deliciae carnis per perpetuam castitatem, superbia vitae per obedientiae servitutem.

De goederen nu van deze wereld bestaan in drie dingen, nl. in het bezit van uiterlijke goederen, wat valt onder de begeerlijkheid der oogen; in de voldoening van het vleesch, wat valt onder de begeerlijkheid van het vleesch; en in de eer van de menschen, wat valt onder de hoovaardij des levens, zooals blijkt uit den In Brief van Joannes (2,16). Aan deze drie goederen nu, voor zoover het mogelijk is, geheel en al vaarwel te zeggen, is het doel van de Evangelische raden. Daarop steunt ook het kloosterleven, dat den staat van volmaaktheid beoefent, want van den rijkdom wordt afstand gedaan door de armoede; van de voldoening van het vleesch, door de eeuwigdurende zuiverheid, en van de hoovaardij des levens, door de gehoorzaamheid.De goederen nu van deze wereld bestaan in drie dingen, nl. in het bezit van uiterlijke goederen, wat valt onder de begeerlijkheid van de ogen; in de voldoening van het vlees, wat valt onder de begeerlijkheid van het vlees; en in de eer van de mensen, wat valt onder de hovaardij van het leven, zoals blijkt uit de 1e Brief van Johannes (2,16). Aan deze drie goederen nu, voor zover het mogelijk is, geheel en al vaarwel te zeggen, is het doel van de Evangelische raden. Daarop steunt ook het kloosterleven, dat de staat van volmaaktheid beoefent, want van de rijkdom wordt afstand gedaan door de armoede; van de voldoening van het vlees, door de eeuwigdurende zuiverheid, en van de hovaardij van het leven, door de gehoorzaamheid.

625Haec autem simpliciter observata pertinent ad consilia simpliciter proposita; sed observatio uniuscujusque eorum in aliquo speciali casu pertinet ad consilium secundum quid, scilicet in casu illo, puta cum homo dat aliquam eleemosynam pauperi, quando dare non tenetur, consilium sequitur quantum ad factum illud; similiter etiam quando aliquo tempore determinato a delectationibus carnis abstinet, ut orationibus vacet, consilium sequitur pro tempore illo; similiter etiam quando aliquis non sequitur voluntatem suam in illo casu, puta si benefaciat inimicis suis, quando non tenetur, vel si offensam remittat, cujus juste posset exigere vindictam. Et sic etiam omnia consilia particularia ad illa tria generalia et perfecta reducuntur.

625Dit nu zonder meer onderhouden, is de raden zonder meer onderhouden, terwijl de onderhouding van een van die drie in een bepaald geval, is de raden onderhouden onder een bepaald opzicht, nl. in dit bepaald geval. Wanneer b. v. een mensch een aalmoes geeft aan een arme, wanneer hij er niet toe gehouden is, geeft hij in dit geval gehoor aan een raad; zoo ook wanneer iemand op een bepaalden tijd zich onthoudt van de vleeschelijke lusten, [De vertaling van «ut orationibus vacet» ontbreekt in de uitgave.] geeft hij voor dien bepaalden tijd gehoor aan een raad; zoo ook wanneer iemand zijn wil niet volgt in iets, wat hij gerust zou mogen doen, b. v. als hij zijn vijanden weldoet, zonder dat hij er toe gehouden is, of als hij een beleediging vergeeft waarvan hij rechtens wraak zou kunnen eischen. Zoo kunnen alle bijzondere raden teruggebracht worden tot deze drie algemeene en volmaakte raden.625Dit nu zonder meer onderhouden, is de raden zonder meer onderhouden, terwijl de onderhouding van een van die drie in een bepaald geval, is de raden onderhouden onder een bepaald opzicht, nl. in dit bepaald geval. Wanneer bv. een mens een aalmoes geeft aan een arme, wanneer hij er niet toe gehouden is, geeft hij in dit geval gehoor aan een raad; zo ook wanneer iemand op een bepaalden tijd zich onthoudt van de vleselijke lusten, [De vertaling van “ut orationibus vacet” ontbreekt in de uitgave.] geeft hij voor die bepaalde tijd gehoor aan een raad; zo ook wanneer iemand zijn wil niet volgt in iets, wat hij gerust zou mogen doen, bv. als hij zijn vijanden weldoet, zonder dat hij er toe gehouden is, of als hij een belediging vergeeft waarvan hij rechtens wraak zou kunnen eisen. Zo kunnen alle bijzondere raden teruggebracht worden tot deze drie algemene en volmaakte raden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod praedicta consilia, quantum est de se, sunt omnibus expedientia, sed ex indispositione aliquorum contingit, quod alicui expedientia non sunt, quia eorum affectus ad hoc non inclinatur. Et ideo Dominus consilia Evangelica proponens, semper facit mentionem de idoneitate hominum ad observantiam consiliorum : dans enim consilium 626perpetuae paupertatis, Matth. 19. [v. 21.] praemittit : « Si vis perfectus esse », et postea subdit : « Vade, et vende omnia, quae habes. » Similiter dans consilium perpetuae castitatis, cum dixit [ibid. v. 12.] : « Sunt eunuchi, qui castraverunt seipsos propter regnum coelorum », statim subdit : « Qui potest capere, capiat. » Et similiter Apostolus, 1. ad Cor. 7. [v. 35.] praemisso consilio virginitatis, dicit : « Porro hoc ad utilitatem vestram dico, non ut laqueum vobis injiciam. »

Antwoord op de Bedenkingen. — Bovengenoemde raden zijn uiteraard nuttig voor allen, maar krachtens een verkeerde gesteltenis van sommigen gebeurt het, dat zij voor een of ander niet nuttig zijn, omdat hun hart er niet toe geneigd is. Daarom maakt de Meester, telkens als Hij een Evangelischen raad voorstelt, melding van de geschiktheid der menschen om de raden te 626onderhouden. Immers als hij den raad van eeuwige armoede geeft, zegt Hij eerst : « Indien gij volmaakt wilt zijn » (Mattheus, 19,21), en daarop pas laat Hij volgen : « Ga, en verkoop al wat gij hebt. » Hetzelfde doet Hij als Hij den raad geeft tot eeuwige zuiverheid (Mattheus, 19, 12) : « Er zijn onhuwbaren, die zich zelf onhuwbaar hebben gemaakt om het Rijk der hemelen », want onmiddellijk daarna zegt Hij : « Wie het vatten kan, vatte het. » Dit doet ook de Apostel als hij den raad der maagdelijkheid geeft (In Brief aan de Corinthiërs, 7, 35) : « Dit nu zeg ik tot uw voordeel, niet om een strik over u te werpen. »Antwoord op de Bedenkingen. — Bovengenoemde raden zijn uiteraard nuttig voor allen, maar krachtens een verkeerde gesteltenis van sommigen gebeurt het, dat zij voor een of ander niet nuttig zijn, omdat hun hart er niet toe geneigd is. Daarom maakt de Meester, telkens als Hij een Evangelischen raad voorstelt, melding van de geschiktheid van de mensen om de raden te 626onderhouden. Immers als hij de raad van eeuwige armoede geeft, zegt Hij eerst: “Indien gij volmaakt wilt zijn” (Matteüs, 19,21), en daarop pas laat Hij volgen: “Ga, en verkoop al wat gij hebt.” Hetzelfde doet Hij als Hij de raad geeft tot eeuwige zuiverheid (Matteüs, 19, 12): “Er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het Rijk van de hemelen”, want onmiddellijk daarna zegt Hij: “Wie het vatten kan, vatte het.” Dit doet ook de Apostel als hij de raad van de maagdelijkheid geeft (1e Brief aan de Korintiërs, 7, 35): “Dit nu zeg ik tot uw voordeel, niet om een strik over u te werpen.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod meliora bona particulariter in singulis sunt indeterminata; sed illa, quae sunt simpliciter et absolute meliora bona in universali sunt determinata; ad quae etiam omnia illa particularia reducuntur, ut dictum est [in corp. art.].

2. Wat het beste is voor bepaalde gevallen is niet bepaald voor ieder geval, maar wat in het algemeen en absoluut het beste is, is bepaald in het algemeen. Daartoe ook worden alle bijzondere gevallen teruggebracht, zooals (in de Leerstelling) is uiteengezet.2. Wat het beste is voor bepaalde gevallen is niet bepaald voor ieder geval, maar wat in het algemeen en absoluut het beste is, is bepaald in het algemeen. Daartoe ook worden alle bijzondere gevallen teruggebracht, zoals (in de Leerstelling) is uiteengezet.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod etiam consilium obedientiae Dominus intelligitur dedisse in hoc, quod dixit : « Et sequatur me », quem sequimur non solum imitando opera, sed etiam obediendo mandatis ipsius, secundum illud Joan. 10 [v. 27.] : « Oves meae vocem meam audiunt, et sequuntur me. »

3. Ook de raad tot gehoorzaamheid heeft de Meester willen geven, nl. door te zeggen : « En volg mij. » Wij volgen Hem immers niet alleen door Zijn werken na te volgen, maar ook door gehoor te geven aan zijn voorschriften, volgens Joannes (10, 27) : « Mijn schapen hooren mijn stem en volgen mij. »3. Ook de raad tot gehoorzaamheid heeft de Meester willen geven, nl. door te zeggen: “En volg mij.” Wij volgen Hem immers niet alleen door Zijn werken na te volgen, maar ook door gehoor te geven aan zijn voorschriften, volgens Johannes (10, 27): “Mijn schapen horen mijn stem en volgen mij.”

↑ bedenking 4

627Ad quartum dicendum, quod ea quae de vera dilectione inimicorum et similibus Dominus dicit Matth. 6. et Luc 6., si referantur ad praeparationem animi, sunt de necessitate salutis, ut scilicet homo sit paratus benefacere inimicis, et alia hujusmodi facere, cum necessitas hoc requiret; et ideo inter praecepta ponuntur. Sed ut aliquis inimicis hoc exhibeat prompte in actu, ubi specialis necessitas non occurrit, pertinet ad consilia particularia. ut dictum est [in corp. art.]. Illa autem, quae ponuntur Matth. 10. et Luc. 9. et 10., fuerunt quaedam praecepta disciplinae pro tempore illo vel concessiones quaedam, ut supra dictum est [art. 2. huj. q. ad 3.] ; et ideo non inducuntur tamquam consilia.

6274. Wat de Meester (Mattheus, 6, en Lucas, 6) zegt met betrekking tot de ware liefde tot zijn vijanden, en dergelijke, is noodig ter zaligheid, wanneer het zóó opgevat wordt, dat men bereid moet zijn er naar te handelen. Zoo moet de mensch er toe bereid zijn, zijn vijanden wel te doen, en dergelijke, wanneer het noodig is, en daarom staat dit bij de geboden. Maar zijn vijanden ook metterdaad wel te doen, wanneer het niet bijzonder noodig is, valt onder de bijzondere raden, zooals (in de Leerstelling) gezegd is. Wat echter bij Mattheus (10) en Lucas (9 en 10) wordt opgesomd, zijn tuchtmaatregelen of bijzondere toelatingen geldig voor dien tijd, zooals hierboven gezegd is (2e Art., 3e Antw.) ; ze worden dan ook niet voorgesteld als raden.6274. Wat de Meester (Matteüs, 6, en Lukas, 6) zegt met betrekking tot de ware liefde tot zijn vijanden, en dergelijke, is nodig ter zaligheid, wanneer het zó opgevat wordt, dat men bereid moet zijn er naar te handelen. Zo moet de mens er toe bereid zijn, zijn vijanden wel te doen, en dergelijke, wanneer het nodig is, en daarom staat dit bij de geboden. Maar zijn vijanden ook metterdaad wel te doen, wanneer het niet bijzonder nodig is, valt onder de bijzondere raden, zoals (in de Leerstelling) gezegd is. Wat echter bij Matteüs (10) en Lukas (9 en 10) wordt opgesomd, zijn tuchtmaatregelen of bijzondere toelatingen geldig voor die tijd, zoals hierboven gezegd is (2e Art., 3e Antw.); ze worden dan ook niet voorgesteld als raden.