De comparatione legis novae ad veterem
Over de verhouding van de Nieuwe Wet tot de Oude Wet
572Deinde considerandum est de comparatione legis novae ad legem veterem. Et circa hoc quaeruntur quatuor. 1. Utrum lex nova sit alia lex a lege veteri. — 2. Utrum lex nova impleat veterem. — 3. Utrum lex nova contineatur in veteri. — 4. Quae sit gravior : utrum lex nova, vel vetus.
572We moeten nu de verhouding beschouwen van de Nieuwe Wet tot de Oude Wet, waaromtrent we vier vragen stellen : 1) Is de Nieuwe Wet onderscheiden van de Oude? 2) Vult de Nieuwe Wet de Oude aan? 3) Is de Nieuwe Wet in de Oude vervat? 4) Welke wet is lastiger, de Oude of de Nieuwe?572We moeten nu de verhouding beschouwen van de Nieuwe Wet tot de Oude Wet, waaromtrent we vier vragen stellen: 1. Is de Nieuwe Wet onderscheiden van de Oude? 2. Vult de Nieuwe Wet de Oude aan? 3. Is de Nieuwe Wet in de Oude vervat? 4. Welke wet is lastiger, de Oude of de Nieuwe?
Utrum lex nova sit alia a lege veteri
Is de Nieuwe Wet onderscheiden van de Oude?
573Ad primum sic proceditur. Videtur quod lex nova non sit alia a lege veteri : utraque enim lex datur fidem Dei habentibus, quia « sine fide est impossibile placere Deo, » ut dicitur Hebr. 11 [v. 6] ; sed eadem fides est antiquorum et modernorum, ut dicitur in Glossa Matth. 21 [v. 9] ; ergo etiam est eadem lex.
573Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet samenvalt met de Oude. — 1. Beide immers zijn aan diegenen gegeven, die in God gelooven, daar het volgens den Brief aan de Hebreërs (11, 6) onmogelijk is zonder geloof aan God te behagen. Welnu het geloof is eender voor de ouden en voor de modernen, zooals in de Glossa op Mattheus (21,9) gezegd wordt. Dus is ook de wet hetzelfde.573Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet samenvalt met de Oude. — 1. Beide immers zijn aan diegenen gegeven, die in God geloven, daar het volgens de Brief aan de Hebreërs (11, 6) onmogelijk is zonder geloof aan God te behagen. Welnu het geloof is eender voor de ouden en voor de modernen, zoals in de Glossa op Matteüs (21,9) gezegd wordt. Dus is ook de wet hetzelfde.
2. Praeterea, Augustinus dicit in libro contra Adamantium Manichaei discipulum [cap. 17.], quod « brevis differentia Legis et Evangelii est : timor et amor. » Sed secundum haec duo nova lex et vetus diversificari non possunt, quia etiam in veteri lege proponuntur praecepta charitatis, Lev. 19 [v. 18] : « Diliges proximum tuum », et Deut. 6 [v. 5] : « Diliges 574Dominum Deum tuum. » Similiter etiam diversificari non possunt per aliam differentiam, quam Augustinus assignat contra Faustum [lib. 4 cap. 2], quod vetus testamentum habuit promissa temporalia, novum testamentum habet promissa spiritualia et aeterna, quia etiam in novo Testamento promittuntur aliqua promissa temporalia, secundum illud Marc. 10 [v. 30] : « Accipietis centies tantum in tempore hoc, domos, et fratres, » etc., et in veteri testamento sperabantur promissa spiritualia et aeterna, secundum illud ad Hebr. 11 [v. 16] : « Nunc autem meliorem patriam appetunt, idest coelestem », quod dicitur de antiquis Patribus. Ergo videtur, quod nova lex non sit alia a veteri.
2. Zooals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Adamantius, een leerling van Manichaeus (XVIIe H.), is het onderscheid tusschen de Wet en het Evangelie, in één enkel woord uitgedrukt: de vrees en de liefde. Welnu hiernaar kan de Oude en de Nieuwe Wet niet verschillen, daar ook in de Oude Wet voorschriften omtrent de liefde gegeven worden, zooals in het Boek Leviticus (19, 18) : « Bemint uw naaste », en in het Boek Deuteronomium (6, 5) : « Bemin den Heer uw God. » Ook kunnen ze niet 574onderscheiden worden volgens het ander verschil dat Augustinus aangeeft in zijn Boek Tegen Faustus (IVe B., IIe H.), dat nl. het Oude Testament tijdelijke beloften bevatte, het Nieuwe Testament echter geestelijke en eeuwige. Immers ook in het Nieuwe Testament worden enkele tijdelijke beloften gedaan, zooals bij Marcus (10, 30) : « Gij zult ontvangen nu in dit leven het honderdvoud van huizen, broeders », enz., en in het Oude Testament staan geestelijke en eeuwige beloften, overeenkomstig den Brief aan de Hebreërs (11, 16) : « Nu echter verlangen ze een beter vaderhuis, nl. het hemelsche », wat gezegd wordt van de oude Vaders. Dus is de Oude Wet niet onderscheiden van de Nieuwe.2. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Adamantius, een leerling van Manichaeus (17e H.), is het onderscheid tussen de Wet en het Evangelie, in één enkel woord uitgedrukt: de vrees en de liefde. Welnu hiernaar kan de Oude en de Nieuwe Wet niet verschillen, daar ook in de Oude Wet voorschriften omtrent de liefde gegeven worden, zoals in het Boek Leviticus (19, 18): “Bemint uw naaste”, en in het Boek Deuteronomium (6, 5): “Bemin de Heer uw God.” Ook kunnen ze niet 574onderscheiden worden volgens het ander verschil dat Augustinus aangeeft in zijn Boek Tegen Faustus (4e B., 2e H.), dat nl. het Oude Testament tijdelijke beloften bevatte, het Nieuwe Testament echter geestelijke en eeuwige. Immers ook in het Nieuwe Testament worden enkele tijdelijke beloften gedaan, zoals bij Marcus (10, 30): “Gij zult ontvangen nu in dit leven het honderdvoud van huizen, broeders”, enz., en in het Oude Testament staan geestelijke en eeuwige beloften, overeenkomstig de Brief aan de Hebreërs (11, 16): “Nu echter verlangen ze een beter vaderhuis, nl. het hemelse”, wat gezegd wordt van de oude Vaders. Dus is de Oude Wet niet onderscheiden van de Nieuwe.
3. Praeterea, Apostolus videtur distinguere utramque legem, ad Rom. 3 [v. 27], veterem legem appellans legem factorum, legem vero novam appellans legem fidei; sed lex vetus fuit etiam fidei, secundum illud Hebr. 11 [v. 39] : « Omnes testimonio fidei probati sunt », quod dicit de Patribus veteris testamenti; similiter etiam lex nova est lex factorum : dicitur enim Matth. 5 575[v. 44] : « Benefacite his, qui oderunt vos », et Luc. 22 [v. 19] : « Hoc facite in meam commemorationem. » Ergo lex nova non est alia a lege veteri.
3. De Apostel schijnt tusschen beide wetten een onderscheid aan te nemen, want de Oude Wet noemt hij de wet van het doen, en de Nieuwe, de wet van het geloof (Brief aan de Romeinen, 3, 27). Welnu de Oude Wet was volgens de woorden uit den Brief aan de Hebreërs (11, 39) : « Allen, nl. de vaders van het Oude Verbond, zijn door de getuigenis van het geloof beproefd », ook een wet van het geloof. Ook de Nieuwe Wet was een wet van het doen. Mattheus immers zegt (5, 44) : « Doet wel aan die u haten », en Lucas (22, 19) : « Doet dit tot mijner gedachtenis. » Dus is de Oude Wet niet van de Nieuwe onderscheiden.3. De Apostel schijnt tussen beide wetten een onderscheid aan te nemen, want de Oude Wet noemt hij de wet van het doen, en de Nieuwe, de wet van het geloof (Brief aan de Romeinen, 3, 27). Welnu de Oude Wet was volgens de woorden uit de Brief aan de Hebreërs (11, 39): “Allen, nl. de vaders van het Oude Verbond, zijn door de getuigenis van het geloof beproefd”, ook een wet van het geloof. Ook de Nieuwe Wet was een wet van het doen. Matteüs immers zegt (5, 44): “Doet wel aan die u haten”, en Lukas (22, 19): “Doet dit tot mijn gedachtenis.” Dus is de Oude Wet niet van de Nieuwe onderscheiden.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Hebr. 7 [v. 12] : « Translato sacerdotio necesse est ut legis translatio fiat. » Sed aliud est sacerdotium novi et veteris testamenti, ut ibidem Apostolus probat; ergo est etiam alia lex.
575Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 12) : « Toen het Priesterschap ophield, moest ook de wet ophouden. » Welnu het Priesterschap van het Oude Testament is onderscheiden van dat van het Nieuwe Testament, zooals de Apostel t. a. pl. bewijst. Dus is er ook een andere wet.575Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 12): “Toen het Priesterschap ophield, moest ook de wet ophouden.” Welnu het Priesterschap van het Oude Testament is onderscheiden van dat van het Nieuwe Testament, zoals de Apostel t.a.p. bewijst. Dus is er ook een andere wet.
Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [q. 90. art. 2.], omnis lex ordinat conversationem humanam in ordine ad aliquem finem. Ea autem quae ordinantur ad finem, secundum rationem finis dupliciter diversificari possunt : uno modo, quia ordinantur ad diversos fines : et haec est diversitas speciei, maxime si sit finis proximus; alio modo secundum propinquitatem ad finem, vel distantiam ab ipso, sicut patet, quod motus differunt specie, secundum quod ordinantur ad diversos terminos, secundum vero quod una pars motus est propinquior termino quam alia, attenditur differentia in motu secundum perfectum et imperfectum.
Leerstelling. — Vroeger is gezegd (XCe, 2e Art.), dat iedere wet de onderlinge verhouding der menschen regelt met betrekking tot een doel. Die dingen nu, die geordend zijn tot een doel, kunnen krachtens het doel op twee manieren onderscheiden worden : ten eerste, voor zoover ze geordend zijn tot verschillende doeleinden. Dit onderscheid geeft verschil in soort, vooral wanneer het doel het naaste doeleinde is. Ten tweede, voor zoover ze meer of minder van het doel verwijderd zijn. Zoo b. v. blijkt het, dat verschillende bewegingen soortelijk onderscheiden zijn, naar gelang ze gericht zijn op verschillende eindpunten; terwijl ze als meer of minder volmaakt onderscheiden zijn, voor zoover het eene gedeelte van die beweging dichter bij het eindpunt is dan het andere.Leerstelling. — Vroeger is gezegd (90e, 2e Art.), dat iedere wet de onderlinge verhouding van de mensen regelt met betrekking tot een doel. Die dingen nu, die geordend zijn tot een doel, kunnen krachtens het doel op twee manieren onderscheiden worden: ten eerste, voor zover ze geordend zijn tot verschillende doeleinden. Dit onderscheid geeft verschil in soort, vooral wanneer het doel het naaste doeleinde is. Ten tweede, voor zover ze meer of minder van het doel verwijderd zijn. Zo bv. blijkt het, dat verschillende bewegingen soortelijk onderscheiden zijn, naar gelang ze gericht zijn op verschillende eindpunten; terwijl ze als meer of minder volmaakt onderscheiden zijn, voor zover het ene gedeelte van die beweging dichter bij het eindpunt is dan het andere.
Sic ergo duae leges distingui possunt dupliciter. Uno modo quasi omnino 576diversae, utpote ordinatae ad diversos fines : sicut lex civitatis, quae esset ordinata ad hoc quod populus dominaretur, esset specie differens ab illa lege, quae esset ad hoc ordinata quod optimates civitatis dominarentur. Alio modo duae leges distingui possunt, secundum quod una propinquius ordinat ad finem, alia vero remotius : puta in una et eadem civitate dicitur alia lex, quae imponitur viris perfectis, qui statim possunt exequi ea, quae pertinent ad bonum commune, et alia lex datur de disciplina puerorum, qui sunt instruendi qualiter postmodum opera virorum exequantur.
In gelijken zin kunnen dus twee wetten op verschillende manier 576onderscheiden zijn. Ten eerste, als het ware geheel verschillend, nl. als ze gericht zijn tot verschillende doeleinden, zooals een staatswet, waardoor het volksbestuur wordt ingevoerd, soortelijk onderscheiden is van een wet, waardoor het bestuur door de deugdzaamsten wordt ingevoerd. Vervolgens kunnen twee wetten onderscheiden zijn voor zoover ze meer of minder op het doel richten. Zoo is b. v. een wet, die aan volmaakten opgelegd wordt, anders dan een wet, die gegeven wordt voor knapen, omdat de eersten terstond datgene kunnen doen, wat betrekking heeft op het algemeen welzijn, terwijl de laatsten onderricht moeten worden hoe ze later zullen moeten doen als mannen.In gelijken zin kunnen dus twee wetten op verschillende manier 576onderscheiden zijn. Ten eerste, als het ware geheel verschillend, nl. als ze gericht zijn tot verschillende doeleinden, zoals een staatswet, waardoor het volksbestuur wordt ingevoerd, soortelijk onderscheiden is van een wet, waardoor het bestuur door de deugdzaamsten wordt ingevoerd. Vervolgens kunnen twee wetten onderscheiden zijn voor zover ze meer of minder op het doel richten. Zo is bv. een wet, die aan volmaakten opgelegd wordt, anders dan een wet, die gegeven wordt voor knapen, omdat de eersten terstond datgene kunnen doen, wat betrekking heeft op het algemeen welzijn, terwijl de laatsten onderricht moeten worden hoe ze later zullen moeten doen als mannen.
Dicendum est ergo, quod secundum primum modum lex nova non est alia a lege veteri, quia utriusque est unus finis, scilicet ut homines subdantur Deo : est autem unus Deus, et novi, et veteris testamenti, secundum illud Rom. 3 [v. 30] : « Unus Deus est, qui justificat circumcisionem ex fide, et praeputium per fidem. » Alio modo lex nova est alia a veteri; quia lex vetus est quasi paedagogus puerorum, ut Apostolus dicit ad Gal. 3. [v. 24], lex autem 577nova est lex perfectionis, quia est lex caritatis, de qua Apostolus dicit ad Coloss. 3 [v. 14], quod est vinculum perfectionis.
Men moet besluiten, dat de Nieuwe Wet met het oog op het eerste niet onderscheiden is van de Oude, omdat beide maar één doel hebben, nl. de onderwerping van de menschen aan God, die dezelfde is voor het Oude zoowel als voor het Nieuwe Testament, volgens het woord in den Brief aan de Romeinen (3,30) : « Er is één God, die den besnedene zal rechtvaardig maken krachtens zijn geloof, en den onbesnedene door zijn geloof. » Met het oog op het tweede is de Nieuwe Wet wel onderscheiden van de Oude, omdat de Oude Wet als het ware de paedagoog is der jongelingen, zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de 577Galaten (3, 24), terwijl de Nieuwe Wet de wet der volmaaktheid is, omdat ze de Wet is der liefde, waarvan de Apostel in zijn Brief aan de Colossensers (3,14) zegt, dat ze de band der volmaaktheid is.Men moet besluiten, dat de Nieuwe Wet met het oog op het eerste niet onderscheiden is van de Oude, omdat beide maar één doel hebben, nl. de onderwerping van de mensen aan God, die dezelfde is voor het Oude zowel als voor het Nieuwe Testament, volgens het woord in de Brief aan de Romeinen (3,30): “Er is één God, die de besnedene zal rechtvaardig maken krachtens zijn geloof, en de onbesnedene door zijn geloof.” Met het oog op het tweede is de Nieuwe Wet wel onderscheiden van de Oude, omdat de Oude Wet als het ware de pedagoog is van de jongelingen, zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de 577Galaten (3, 24), terwijl de Nieuwe Wet de wet van de volmaaktheid is, omdat ze de Wet is van de liefde, waarvan de Apostel in zijn Brief aan de Kolossenzen (3,14) zegt, dat ze de band van de volmaaktheid is.
Ad primum ergo dicendum, quod unitas fidei utriusque testamenti attestatur unitati finis : dictum est enim supra [q. 62. art. 2], quod objectum theologicarum virtutum, inter quas est fides, est finis ultimus; sed tamen fides habet alium statum in veteri et in nova lege : nam quod illi credebant futurum, nos credimus factum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eenheid van geloof in beide Testamenten bewijst de eenheid van doel. Vroeger immers is gezegd (LXIIe Kw., 2e Art.), dat het voorwerp der goddelijke deugden, waaronder ook het geloof, het laatste doel is. Het geloof echter is in andere conditie in het Nieuwe en in het Oude Testament : immers wat zij geloofden als toekomstig, gelooven wij als reeds gebeurd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eenheid van geloof in beide Testamenten bewijst de eenheid van doel. Vroeger immers is gezegd (62e Kw., 2e Art.), dat het voorwerp van de goddelijke deugden, waaronder ook het geloof, het laatste doel is. Het geloof echter is in andere conditie in het Nieuwe en in het Oude Testament: immers wat zij geloofden als toekomstig, geloven wij als reeds gebeurd.
Ad secundum dicendum, quod omnes differentiae quae assignantur inter novam legem et veterem, accipiuntur secundum perfectum et imperfectum. Praecepta enim legis cujuslibet dantur de actibus virtutum : ad operanda autem virtutum opera aliter inclinantur imperfecti, qui nondum habent virtutis habitum, et aliter illi, qui sunt per habitum virtutis perfecti. Illi enim qui nondum habent habitum virtutis, inclinantur ad agendum virtutis opera ex aliqua causa extrinseca, puta ex comminatione poenarum, vel ex promissione 578aliquarum extrinsecarum remunerationum, puta honoris vel divitiarum, vel alicujus hujusmodi; et ideo lex vetus, quae dabatur imperfectis, idest nondum consecutis gratiam spiritualem, dicebatur lex timoris, in quantum inducebat ad observationem praeceptorum per comminationem quarumdam poenarum; et dicitur habere temporalia quaedam promissa.
2. Ieder onderscheid, dat tusschen het Oude en het Nieuwe Testament aangegeven wordt, wordt gemaakt om het meer en minder volmaakte. Want de voorschriften van beide wetten worden gegeven met betrekking tot deugddaden. Tot het stellen van deugddaden nu zijn de onvolmaakten, die de hebbelijkheid der deugd nog niet hebben, anders geneigd, dan zij, die volmaakt zijn door de hebbelijkheid van de deugd. Zij immers die de hebbelijkheid der deugd nog niet hebben, worden bewogen tot het stellen van deugddaden, door een of andere uiterlijke oorzaak, b. v. door strafbedreiging, of door de belofte van uiterlijke 578vergelding, zooals eer, rijkdom of iets dergelijks. Daarom ook wordt de Oude Wet, die aan onvolmaakten gegeven is, nl. aan hen, die de genade nog niet hadden, de wet van de vrees genoemd, in zoover zij nl. beweegt tot het onderhouden van haar voorschriften door strafbedreiging; zij bevat ook, naar men zegt, tijdelijke beloften.2. Ieder onderscheid, dat tussen het Oude en het Nieuwe Testament aangegeven wordt, wordt gemaakt om het meer en minder volmaakte. Want de voorschriften van beide wetten worden gegeven met betrekking tot deugddaden. Tot het stellen van deugddaden nu zijn de onvolmaakten, die de hebbelijkheid van de deugd nog niet hebben, anders geneigd, dan zij, die volmaakt zijn door de hebbelijkheid van de deugd. Zij immers die de hebbelijkheid van de deugd nog niet hebben, worden bewogen tot het stellen van deugddaden, door een of andere uiterlijke oorzaak, bv. door strafbedreiging, of door de belofte van uiterlijke 578vergelding, zoals eer, rijkdom of iets dergelijks. Daarom ook wordt de Oude Wet, die aan onvolmaakte gegeven is, nl. aan hen, die de genade nog niet hadden, de wet van de vrees genoemd, in zover zij nl. beweegt tot het onderhouden van haar voorschriften door strafbedreiging; zij bevat ook, naar men zegt, tijdelijke beloften.
Illi autem, qui habent virtutem, inclinantur ad virtutis opera agenda propter amorem virtutis, non propter aliquam poenam, aut remunerationem extrinsecam; et ideo lex nova, cujus principalitas consistit in ipsa spirituali gratia indita cordibus, dicitur lex amoris; et dicitur habere promissa spiritualia et aeterna, quae sunt objecta virtutis, praecipue charitatis. Et ita per se in ea inclinantur, non quasi in extranea, sed quasi in propria. Et propter hoc etiam lex vetus dicitur cohibere manum, non animum, quia qui timore poenae ab aliquo peccato abstinet, non simpliciter ejus voluntas a peccato recedit, sicut recedit voluntas ejus, qui amore justitiae abstinet a peccato; et propter hoc lex nova, quae est lex amoris, dicitur animum cohibere.
Zij echter, die de deugd bezitten, stellen deugddaden uit liefde tot de deugd, en niet om straf of uiterlijke belooning. Daarom wordt de Nieuwe Wet, die vooral bestaat in de genade, die in de harten gelegd is, de wet der liefde genoemd; zij bevat ook naar men zegt, geestelijke en eeuwige beloften, die het voorwerp zijn van de deugd, vooral van de Liefde. Zoo zijn zij van zelf er toe geneigd, niet als naar iets wat buiten hen ligt, maar als naar iets wat tot hun wezen behoort. Daarom ook zegt men, dat de Oude Wet de hand en niet het hart treft, omdat de wil van hem, die uit vrees of straf van een zonde wordt afgehouden, niet zonder voorbehoud van die zonde verwijderd is, zooals de wil van hem, die uit liefde voor de rechtvaardigheid van de zonde afgehouden wordt. En daarom zegt men, dat de Nieuwe Wet, die de wet der liefde is, het hart treft.Zij echter, die de deugd bezitten, stellen deugddaden uit liefde tot de deugd, en niet om straf of uiterlijke beloning. Daarom wordt de Nieuwe Wet, die vooral bestaat in de genade, die in de harten gelegd is, de wet van de liefde genoemd; zij bevat ook naar men zegt, geestelijke en eeuwige beloften, die het voorwerp zijn van de deugd, vooral van de Liefde. Zo zijn zij van zelf er toe geneigd, niet als naar iets wat buiten hen ligt, maar als naar iets wat tot hun wezen behoort. Daarom ook zegt men, dat de Oude Wet de hand en niet het hart treft, omdat de wil van hem, die uit vrees of straf van een zonde wordt afgehouden, niet zonder voorbehoud van die zonde verwijderd is, zoals de wil van hem, die uit liefde voor de rechtvaardigheid van de zonde afgehouden wordt. En daarom zegt men, dat de Nieuwe Wet, die de wet van de liefde is, het hart treft.
579Fuerunt tamen aliqui in statu veteris testamenti habentes charitatem et gratiam Spiritus Sancti, qui principaliter expectabant promissiones spirituales et aeternas; et secundum hoc pertinebant ad legem novam. Similiter etiam in novo testamento sunt aliqui carnales, nondum pertingentes ad perfectionem novae legis, quos oportuit etiam in novo testamento induci ad virtutis opera per timorem poenarum, et per aliqua temporalia promissa. Lex autem vetus etsi praecepta charitatis daret, non tamen per eam dabatur Spiritus Sanctus, per quem diffunditur charitas in cordibus nostris, ut dicitur Rom. 5 [v. 5].
579Toch waren er ook in het Oude Testament enkelen, die de liefde en de genade van den H. Geest bezaten, en die vooral geestelijke en eeuwige beloften verwachtten, en daarom behoorden tot de Nieuwe Wet. Op gelijke wijze zijn er ook in het Nieuwe Testament enkelen, die aan het aardsche gehecht zijn, die de volmaaktheid der Nieuwe Wet niet bereiken, en die ook in het Nieuwe Testament tot de deugd gedwongen moeten worden door vrees voor straf of door tijdelijke beloften. Ofschoon de Oude Wet voorschriften geeft met betrekking tot de liefde, toch werd daardoor de H. Geest niet gegeven, door wien de liefde in onze harten wordt uitgestort, zooals in den Brief aan de Romeinen (5,5) gezegd wordt.579Toch waren er ook in het Oude Testament enkelen, die de liefde en de genade van de H. Geest bezaten, en die vooral geestelijke en eeuwige beloften verwachtten, en daarom behoorden tot de Nieuwe Wet. Op gelijke wijze zijn er ook in het Nieuwe Testament enkelen, die aan het aardse gehecht zijn, die de volmaaktheid van de Nieuwe Wet niet bereiken, en die ook in het Nieuwe Testament tot de deugd gedwongen moeten worden door vrees voor straf of door tijdelijke beloften. Ofschoon de Oude Wet voorschriften geeft met betrekking tot de liefde, toch werd daardoor de H. Geest niet gegeven, door wie de liefde in onze harten wordt uitgestort, zoals in de Brief aan de Romeinen (5,5) gezegd wordt.
Ad tertium dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 106. art. 1 et 2.], lex nova dicitur lex fidei, inquantum ejus principalitas consistit in ipsa gratia, quae interius datur credentibus; unde dicitur gratia fidei. Habet autem secundario aliqua facta et moralia et sacramentalia; sed in his non consistebat. Illi autem, qui in veteri testamento Deo fuerunt accepti per fidem, secundum hoc ad novum testamentum pertinebant : non enim justificabantur, 580nisi per fidem Christi, qui est auctor novi testamenti; unde et de Moyse dicit Apostolus ad Hebr. 11 [v. 26] quod « majores divitias aestimabat thesauro Aegyptiorum improperium Christi. »
3. Zooals vroeger gezegd is (CVIe Kw., 1e en 2e Art.), wordt de Nieuwe Wet de wet van het geloof genoemd, in zoover zij vooral in de genade bestaat, die aan de geloovigen innerlijk wordt medegedeeld, en daarom de genade van het geloof genoemd wordt. Secundair echter bevat zij ook enkele zedelijke en sacramenteele voorschriften, die betrekking hebben op het doen. Hierin echter ligt niet de hoofdzaak van de Nieuwe Wet, zooals bij de Oude Wet. Zij nu die in het Oude Testament door God waren aangenomen door het geloof, behoorden daardoor tot het Nieuwe 580Testament; immers zij werden niet gerechtvaardigd, tenzij door het geloof aan Christus, die de bewerker is van het Nieuwe Testament. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (11, 26) ook van Mozes, dat hij meende, dat de smaad van Christus een grootere rijkdom is dan de schatten van Egypte.3. Zoals vroeger gezegd is (106e Kw., 1e en 2e Art.), wordt de Nieuwe Wet de wet van het geloof genoemd, in zover zij vooral in de genade bestaat, die aan de gelovigen innerlijk wordt medegedeeld, en daarom de genade van het geloof genoemd wordt. Secundair echter bevat zij ook enkele zedelijke en sacramentele voorschriften, die betrekking hebben op het doen. Hierin echter ligt niet de hoofdzaak van de Nieuwe Wet, zoals bij de Oude Wet. Zij nu die in het Oude Testament door God waren aangenomen door het geloof, behoorden daardoor tot het Nieuwe 580Testament; immers zij werden niet gerechtvaardigd, tenzij door het geloof aan Christus, die de bewerker is van het Nieuwe Testament. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (11, 26) ook van Mozes, dat hij meende, dat de smaad van Christus een grotere rijkdom is dan de schatten van Egypte.
Utrum lex nova legem veterem impleat
Vult de Nieuwe Wet de Oude Wet aan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex nova legem veterem non impleat : impletio enim contrariatur evacuationi; sed lex nova evacuat vel excludit observantias legis veteris : dicit enim Apostolus ad Gal. 5 [v. 2] : « Si circumcidamini, Christus nihil vobis proderit. » Ergo lex nova non est impletiva veteris legis.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet de Oude niet aanvult. — 1. Aanvullen immers staat tegenover verijdelen. Welnu de Nieuwe Wet verijdelt de onderhoudingen van de Oude Wet, volgens het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5,2) : « Indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut zijn. » Dus vult de Nieuwe Wet de Oude niet aan.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet de Oude niet aanvult. — 1. Aanvullen immers staat tegenover verijdelen. Welnu de Nieuwe Wet verijdelt de onderhoudingen van de Oude Wet, volgens het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (5,2): “Indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut zijn.” Dus vult de Nieuwe Wet de Oude niet aan.
2. Praeterea, contrarium non est impletivum sui contrarii; sed Dominus in lege nova proposuit quaedam praecepta contraria praeceptis veteris 581legis : dicitur enim Matth. 5 [v. 27, 31 sqq.] : « Audistis, quia dictum est antiquis : quicumque dimiserit uxorem, det ei libellum repudii; ego autem dico vobis : quicumque dimiserit uxorem suam, facit eam moechari », et idem consequenter patet in prohibitione juramenti, et etiam in prohibitione talionis, et in odio inimicorum; similiter etiam videtur Dominus exclusisse praecepta veteris legis de discretione ciborum, Matth. 15 [v. 11] dicens : « Non quod intrat in os, coinquinat hominem. » Ergo lex nova non est impletiva veteris.
2. Het tegengestelde vult zijn tegengestelde niet aan. Welnu de Meester geeft in de Nieuwe Wet enkele voorschriften, die 581tegengesteld zijn aan voorschriften van de Oude Wet : zoo o. a. bij Mattheus (5, 27; 31 vv.) : « Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is : Al wie zijn vrouw wegzendt, geve haar een scheidsbrief. Maar ik zeg u : Al wie zijn vrouw wegzendt, begaat overspel. » Hetzelfde blijkt bij Zijn verbod om te zweren, om de straf der vergelding toe te passen, en zijn vijanden te haten. Ook schijnt de Meester de voorschriften van de Oude Wet uit te sluiten met betrekking tot de spijzen, waar Hij bij Mattheus (15,11) zegt : « Niet wat in den mond ingaat verontreinigt den mensch. » Dus vult de Nieuwe Wet de Oude niet aan.2. Het tegengestelde vult zijn tegengestelde niet aan. Welnu de Meester geeft in de Nieuwe Wet enkele voorschriften, die 581tegengesteld zijn aan voorschriften van de Oude Wet: zo o.a. bij Matteüs (5, 27; 31 vv.): “Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Al wie zijn vrouw wegzendt, geve haar een scheidsbrief. Maar ik zeg u: Al wie zijn vrouw wegzendt, begaat overspel.” Hetzelfde blijkt bij Zijn verbod om te zweren, om de straf van de vergelding toe te passen, en zijn vijanden te haten. Ook schijnt de Meester de voorschriften van de Oude Wet uit te sluiten met betrekking tot de spijzen, waar Hij bij Matteüs (15,11) zegt: “Niet wat in de mond ingaat verontreinigt de mens.” Dus vult de Nieuwe Wet de Oude niet aan.
3. Praeterea, quicumque contra legem agit, non implet legem: sed Christus in aliquibus contra legem fecit : tetigit enim leprosum, ut dicitur Matth. 8. [v. 3], quod erat contra legem; similiter etiam videtur sabbatum pluries violasse : unde de eo dicebant Judaei, Joan. 9 [v. 16] : « Non est hic homo a Deo, qui sabbatum non custodit. » Ergo Christus non implevit legem, et ita lex nova data a Christo non est veteris impletiva.
3. Wie de Wet overtreedt, vervult de Wet niet. Welnu Christus heeft soms de Wet overtreden, want Hij heeft een melaatsche aangeraakt, zooals verhaald wordt bij Matthaeus (8,3), wat tegen de Wet was. Ook schijnt Hij meerdere malen den Sabbat te hebben geschonden, waarom de Joden dan ook van Hem zeiden: « Die mensch komt niet van God, daar hij den Sabbat niet onderhoudt. » (Joannes, 9, 16). Dus vervulde Christus de Wet niet, en is de Nieuwe Wet, die door Christus gegeven is, niet de vervulling van de Oude.3. Wie de Wet overtreedt, vervult de Wet niet. Welnu Christus heeft soms de Wet overtreden, want Hij heeft een melaatse aangeraakt, zoals verhaald wordt bij Matteüs (8,3), wat tegen de Wet was. Ook schijnt Hij meerdere malen de Sabbat te hebben geschonden, waarom de Joden dan ook van Hem zeiden: “Die mens komt niet van God, daar hij de Sabbat niet onderhoudt.” (Johannes, 9, 16). Dus vervulde Christus de Wet niet, en is de Nieuwe Wet, die door Christus gegeven is, niet de vervulling van de Oude.
5824. Praeterea, in veteri lege continebantur praecepta moralia, caeremonialia, et judicialia, ut supra dictum est [q. 99. art. 4.]. Sed Dominus, Matth. 5, ubi quantum ad aliqua legem implevit, nullam mentionem videtur facere de judicialibus et caeremonialibus; ergo videtur quod lex nova non sit totaliter veteris impletiva.
4. De Oude Wet bevatte voorschriften op zedelijk, 582godsdienstig en rechtsgebied, zooals hierboven (XCIXe Kw., 4e Art.) gezegd is. Welnu bij Mattheus (5), waar de Meester de Wet met betrekking tot sommige punten vervult, schijnt hij heel geen melding te maken van voorschriften op godsdienstig en rechtsgebied. Dus is de Nieuwe Wet niet volkomen de vervulling der Oude Wet.4. De Oude Wet bevatte voorschriften op zedelijk, 582godsdienstig en rechtsgebied, zoals hierboven (99e Kw., 4e Art.) gezegd is. Welnu bij Matteüs (5), waar de Meester de Wet met betrekking tot sommige punten vervult, schijnt hij heel geen melding te maken van voorschriften op godsdienstig en rechtsgebied. Dus is de Nieuwe Wet niet volkomen de vervulling van de Oude Wet.
Sed contra est quod Dominus dicit Matth. 5 [v. 17] : « Non veni solvere legem, sed adimplere », et postea subdit : « Jota unum aut unus apex non praeteribit a lege, donec omnia fiant. »
Maar daartegenover staat het gezegde van den Meester bij Mattheus (5,17) : « Ik ben niet gekomen om de Wet op te heffen, maar te volmaken », en verder volgt er : « Geen stip of jota van de Wet zal vergaan, tot dit alles zal geschied zijn. »Maar daartegenover staat het gezegde van de Meester bij Matteüs (5,17): “Ik ben niet gekomen om de Wet op te heffen, maar te volmaken”, en verder volgt er: “Geen stip of jota van de Wet zal vergaan, tot dit alles zal geschied zijn.”
Respondeo dicendum, quod sicut dictum est [art. praec.], lex nova comparatur ad veterem, sicut perfectum ad imperfectum : omne autem perfectum adimplet id, quod imperfecto deest, et secundum hoc lex nova adimplet veterem legem, inquantum supplet illud, quod veteri legi deerat
Leerstelling. — Zooals (in het vorig Artikel) gezegd is, verhoudt de Nieuwe Wet zich tot de Oude, gelijk het volmaakte tot het onvolmaakte. Iets nu wat volmaakt is, vult datgene aan wat aan het onvolmaakte ontbreekt; en in dien zien vult de Nieuwe Wet de Oude aan, in zoover zij nl. datgene bijvoegt, wat aan de Oude Wet ontbrak.Leerstelling. — Zoals (in het vorig Artikel) gezegd is, verhoudt de Nieuwe Wet zich tot de Oude, gelijk het volmaakte tot het onvolmaakte. Iets nu wat volmaakt is, vult datgene aan wat aan het onvolmaakte ontbreekt; en in die zie vult de Nieuwe Wet de Oude aan, in zover zij nl. datgene bijvoegt, wat aan de Oude Wet ontbrak.
In veteri autem lege duo possunt considerari, scilicet finis, et praecepta contenta in lege. Finis vero cujuslibet legis est, ut homines efficiantur justi et virtuosi, ut supra dictum est [q. 92. art. 2.] ; unde et finis veteris legis erat justificatio hominum; quam quidem lex efficere non poterat, sed figurabat 583quibusdam caeremonialibus factis, et promittebat verbis. Et quantum ad hoc lex nova implet veterem legem, justificando per virtutem passionis Christi; et hoc est quod Apostolus dicit ad Rom. 8 [v. 3 sq.] : « Quod impossibile erat legi, Deus fecit Filium suum mittens in similitudinem carnis peccati; damnavit peccatum in carne, ut justificatio legis impleretur in nobis. » Et quantum ad hoc lex nova exhibet quod lex vetus promittebat, secundum illud 2. ad Cor. 1 [v. 20] : « Quotquot promissiones Dei sunt, in illo est », idest in Christo. Et iterum quantum ad hoc, complet etiam, quod vetus lex figurabat; unde ad Coloss. 2. [v. 17] dicitur de caeremonialibus, quod erant umbra futurorum; corpus autem Christi, idest veritas, pertinet ad Christum; unde lex nova dicitur lex veritatis, lex autem vetus umbrae vel figurae.
In de Oude Wet nu kan men twee dingen beschouwen, nl. het doel, en de voorschriften, die in de Wet vervat zijn. Het doel van iedere wet is, de menschen rechtgeaard en deugdzaam te maken, zooals vroeger gezegd is (XCIIe Kw., 2e Art.). Daarom 583was het doel van de Oude Wet de rechtvaardigmaking der menschen, wat zij echter niet daadwerkelijk kon bewerken, maar slechts verbeeldde door sommige ritueele praktijken, of beloofde door beloften. Met betrekking tot het doel van de wet vult de Nieuwe Wet de Oude aan, in zoover zij krachtens het lijden van Christus rechtvaardig maakt, wat bij den Apostel uitgedrukt staat in den Brief aan de Romeinen (8, 3, v.) in deze woorden : « Wat de wet niet vermocht, dewijl zij onmachtig was door het vleesch, dat heeft God gedaan : Zijn eigen Zoon heeft Hij gezonden in de gelijkenis van het zondig vleesch, en om de zonden, en Hij heeft de zonde veroordeeld in het vleesch, opdat de gerechtigheid door de wet tot stand zou komen in ons. » En met betrekking daarop volbrengt de Nieuwe Wet wat de Oude beloofde, volgens deze woorden uit den IIn Brief aan de Corinthiërs (1,20) : « Wat God ook ooit moge beloven, in Hem (d. i. in Christus) is dat steeds. » Ook was de Nieuwe Wet de vervulling van wat in de Oude verbeeld was. Vandaar wordt in den Brief aan de Colossers (2,17) van de ritueele praktijken gezegd, dat zij een afschaduwing waren van wat komen moest, nl. het lichaam van Christus, d. i. de waarheid, die eigen was aan Christus. Daarom wordt de Nieuwe Wet de Wet der waarheid genoemd, en de Oude, de Wet van beelden en schaduwen.In de Oude Wet nu kan men twee dingen beschouwen, nl. het doel, en de voorschriften, die in de Wet vervat zijn. Het doel van iedere wet is, de mensen rechtgeaard en deugdzaam te maken, zoals vroeger gezegd is (92e Kw., 2e Art.). Daarom 583was het doel van de Oude Wet de rechtvaardigmaking van de mensen, wat zij echter niet daadwerkelijk kon bewerken, maar slechts verbeeldde door sommige rituele praktijken, of beloofde door beloften. Met betrekking tot het doel van de wet vult de Nieuwe Wet de Oude aan, in zover zij krachtens het lijden van Christus rechtvaardig maakt, wat bij de Apostel uitgedrukt staat in de Brief aan de Romeinen (8, 3, v.) in deze woorden: “Wat de wet niet vermocht, dewijl zij onmachtig was door het vlees, dat heeft God gedaan: Zijn eigen Zoon heeft Hij gezonden in de gelijkenis van het zondig vlees, en om de zonden, en Hij heeft de zonde veroordeeld in het vlees, opdat de gerechtigheid door de wet tot stand zou komen in ons.” En met betrekking daarop volbrengt de Nieuwe Wet wat de Oude beloofde, volgens deze woorden uit de 2e Brief aan de Korintiërs (1,20): “Wat God ook ooit moge beloven, in Hem (d.i. in Christus) is dat steeds.” Ook was de Nieuwe Wet de vervulling van wat in de Oude verbeeld was. Vandaar wordt in de Brief aan de Kolossenzen (2,17) van de rituele praktijken gezegd, dat zij een afschaduwing waren van wat komen moest, nl. het lichaam van Christus, d.i. de waarheid, die eigen was aan Christus. Daarom wordt de Nieuwe Wet de Wet van de waarheid genoemd, en de Oude, de Wet van beelden en schaduwen.
Praecepta vero veteris legis adimplevit Christus et opere, et doctrina. Opere quidem, quia circumcidi voluit, et alia observare, quae erant tempore 584illo observanda, secundum illud Galat. 4. [v. 4] : « Factum sub lege. » Sua autem doctrina adimplevit praecepta legis tripliciter. Primo quidem verum intellectum legis exprimendo, sicut patet in homicidio et adulterio, in quorum prohibitione Scribae et Pharisaei non intelligebant nisi exteriorem actum prohibitum; unde Dominus legem adimplevit, ostendendo etiam interiores actus peccatorum cadere sub prohibitione. Secundo adimplevit Dominus praecepta legis, ordinando quomodo tutius observaretur, quod lex vetus statuerat, sicut lex vetus statuerat, ut homo non pejeraret; et hoc tutius observatur, si omnino a juramento abstineat, nisi in causa necessitatis. Tertio adimplevit Dominus praecepta legis, superaddendo quaedam perfectionis consilia, ut patet Matth. 19 [v. 21], ubi dicent se observasse praecepta veteris legis, dicit : « Unum tibi deest : si vis perfectus esse, vade, et vende omnia quae habes », etc.
584Wat nu de voorschriften der Oude Wet betreft, deze heeft Christus vervolmaakt, zoowel door Zijn leer als door Zijn werken. Door Zijn werken, daar hij besneden wilde worden, en ook andere dingen van dien tijd wilde onderhouden, waarom de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (4,4) dan ook zegt, dat Hij « geworden is onder de Wet. » Door Zijn leer heeft Hij de Oude Wet op drie manieren vervolmaakt : op de eerste plaats doordat Hij de juiste verklaring der Wet gaf, wat blijkt met betrekking tot den doodslag en het overspel, in welk verbod de Pharizeërs en Schriftgeleerden slechts een verbod zagen van de uiterlijke daad. Daarom vulde de Meester de wet aan, door aan te toonen, dat ook de innerlijke zondedaden verboden zijn. Op de tweede plaats, door te bepalen hoe de voorschriften der Oude Wet het beste konden worden onderhouden. Zoo stond in de Oude Wet, dat de mensch geen meineed mocht doen; dit nu wordt veiliger onderhouden door heelemaal geen eed te doen, tenzij in geval van noodzakelijkheid. Op de derde plaats, door buiten de Wet om nog enkele raden te geven, die tot de volmaaktheid voeren, zooals blijkt uit Mattheus (19,21) waar tot iemand, die beweerde de voorschriften van de Oude Wet onderhouden te hebben, gezegd wordt : « Eén ding ontbreekt u nog: indien gij volmaakt wilt zijn, ga dan heen, en verkoop alles wat ge hebt », enz.584Wat nu de voorschriften van de Oude Wet betreft, deze heeft Christus vervolmaakt, zowel door Zijn leer als door Zijn werken. Door Zijn werken, daar hij besneden wilde worden, en ook andere dingen van die tijd wilde onderhouden, waarom de Apostel in zijn Brief aan de Galaten (4,4) dan ook zegt, dat Hij “geworden is onder de Wet.” Door Zijn leer heeft Hij de Oude Wet op drie manieren vervolmaakt: op de eerste plaats doordat Hij de juiste verklaring van de Wet gaf, wat blijkt met betrekking tot de doodslag en het overspel, in welk verbod de Farizeeërs en Schriftgeleerden slechts een verbod zagen van de uiterlijke daad. Daarom vulde de Meester de wet aan, door aan te tonen, dat ook de innerlijke zondedaden verboden zijn. Op de tweede plaats, door te bepalen hoe de voorschriften van de Oude Wet het beste konden worden onderhouden. Zo stond in de Oude Wet, dat de mens geen meineed mocht doen; dit nu wordt veiliger onderhouden door helemaal geen eed te doen, tenzij in geval van noodzakelijkheid. Op de derde plaats, door buiten de Wet om nog enkele raden te geven, die tot de volmaaktheid voeren, zoals blijkt uit Matteüs (19,21) waar tot iemand, die beweerde de voorschriften van de Oude Wet onderhouden te hebben, gezegd wordt: “Eén ding ontbreekt u nog: indien gij volmaakt wilt zijn, ga dan heen, en verkoop alles wat ge hebt”, enz.
Ad primum ergo dicendum, quod lex nova evacuat observantiam 585veteris legis, nisi quantum ad caeremonialia, ut supra dictum est [q. 103. art. 3. et 4.] ; haec autem erant in figuram futuri; unde ex hoc ipso quod caeremonialia praecepta sunt impleta, perfectis his, quae figurabantur, non sunt ulterius observanda, quia si observarentur, adhuc significaretur aliquid ut futurum, et non impletum, sicut etiam promissio futuri doni locum jam non habet, promissione jam impleta per doni exhibitionem; et per hunc modum caeremoniae legis tolluntur, cum implentur.
585Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Nieuwe Wet verijdelt de onderhouding der Oude Wet niet, tenzij met betrekking tot de ceremonieel-voorschriften, zooals hierboven (CIIIe Kw., 3e en 4e Art.) gezegd is. Deze toch waren een afbeeldsel van het toekomstige. Vandaar moeten die ceremonieel-voorschriften, juist omdat ze door de vervulling van het verbeelde vervuld waren, niet verder onderhouden worden. Immers indien zij nog onderhouden werden, zouden zij nog iets toekomstigs aanduiden, wat nog niet vervuld is. In denzelfden zin vervalt de belofte om een geschenk te geven, wanneer ze nagekomen is door het geven van dit geschenk. Op deze manier worden de ceremoniën der Wet juist door de vervulling opgeheven.585Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Nieuwe Wet verijdelt de onderhouding van de Oude Wet niet, tenzij met betrekking tot de ceremonieel-voorschriften, zoals hierboven (103e Kw., 3e en 4e Art.) gezegd is. Deze toch waren een afbeeldsel van het toekomstige. Vandaar moeten die ceremonieel-voorschriften, juist omdat ze door de vervulling van het verbeelde vervuld waren, niet verder onderhouden worden. Immers indien zij nog onderhouden werden, zouden zij nog iets toekomstigs aanduiden, wat nog niet vervuld is. In dezelfde zin vervalt de belofte om een geschenk te geven, wanneer ze nagekomen is door het geven van dit geschenk. Op deze manier worden de ceremoniën van de Wet juist door de vervulling opgeheven.
Ad secundum dicendum, quod, sicut Augustinus dicit contra Faustum [lib. 19. cap. 26], praecepta illa Domini non sunt contraria praeceptis veteris legis : quod enim Dominus praecepit de uxore non dimittenda, non est contrarium ei, quod lex praecepit; neque enim ait lex : qui voluerit, dimittat uxorem, cui esset contrarium non dimittere; sed utique nolebat dimitti uxorem a viro, qui hanc interposuit moram, ut in dissidium animus praeceps 586libelli conscriptione refractus absisteret; unde Dominus ad hoc confirmandum, ut non facile uxor dimittatur, solam causam fornicationis excepit. Et idem etiam dicendum est in prohibitione juramenti, sicut dictum est [in corp.], et idem etiam patet in prohibitione talionis : taxavit enim modum vindictae lex, ut non procederetur ad immoderatam vindictam; a qua Dominus perfectius removit eum, quem monuit omnino a vindicta abstinere. Circa odium vero inimicorum removit falsum Pharisaeorum intellectum, nos monens, ut persona odio non haberetur, sed culpa. Circa discretionem vera ciborum. quae caeremonialis erat, Dominus non mandavit ut tunc non observaretur, sed ostendit, quod nulli cibi secundum suam naturam erant immundi, sed solum secundum figuram, ut supra dictum est [q. 102. art. 6. ad 1.].
2. Zooals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (XIXe B., XXVIe H.), zijn die voorschriften van den Meester niet tegengesteld aan de voorschriften van de Oude Wet. Immers wat de Meester bevolen heeft aangaande het wegzenden van de vrouw, is niet tegengesteld aan wat de Wet beval, want de Wet zeide niet : « Wie wil, zende zijn vrouw weg », waaraan het niet-wegzenden tegengesteld zou zijn, maar tot geen prijs wilde zij, dat de vrouw zou worden weggezonden door den man, daar hij dit uitstel moest laten, opdat zijn geest gedurende de scheiding, gebroken door het schrijven van den scheidsbrief, er afstand van 586zou doen. Vandaar heeft de Meester, om te bekrachtigen, dat een vrouw niet te gemakkelijk weggezonden mag worden, alleen een uitzondering gemaakt voor echtbreuk. Hetzelfde geldt voor het verbod om te zweren, zooals (in de Leerstelling) gezegd is, alsook voor het verbod om de vergelding toe te passen. De Wet immers had de maat der vergelding bepaald, om te verhinderen, dat men de maat zou te buiten gaan. Maar dit verhinderde de Meester nog meer, door te zeggen, dat men de straf der vergelding nooit mocht toepassen. Met betrekking tot den haat voor de vijanden ging Hij tegen de verkeerde opvatting der Pharizeën te keer, door er op te wijzen, dat wij niet den persoon van den vijand mogen haten, maar alleen zijn zonde. Wat nu eindelijk het onderscheid tusschen de spijzen betreft, wat tot de ceremonieel-voorschriften behoorde, verbood de Heer niet het op dit oogenblik nog te onderhouden, maar wees Hij er op, dat geen enkele spijs van nature onrein is, maar alleen wanneer men er een zinnebeeld in ziet, zooals hierboven gezegd is (CIIe Kw., 6e Art., 1e Antw.).2. Zoals Augustinus zegt in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 26e H.), zijn die voorschriften van de Meester niet tegengesteld aan de voorschriften van de Oude Wet. Immers wat de Meester bevolen heeft aangaande het wegzenden van de vrouw, is niet tegengesteld aan wat de Wet beval, want de Wet zeide niet: “Wie wil, zende zijn vrouw weg”, waaraan het niet-wegzenden tegengesteld zou zijn, maar tot geen prijs wilde zij, dat de vrouw zou worden weggezonden door de man, daar hij dit uitstel moest laten, opdat zijn geest gedurende de scheiding, gebroken door het schrijven van de scheidsbrief, er afstand van 586zou doen. Vandaar heeft de Meester, om te bekrachtigen, dat een vrouw niet te gemakkelijk weggezonden mag worden, alleen een uitzondering gemaakt voor echtbreuk. Hetzelfde geldt voor het verbod om te zweren, zoals (in de Leerstelling) gezegd is, alsook voor het verbod om de vergelding toe te passen. De Wet immers had de maat van de vergelding bepaald, om te verhinderen, dat men de maat zou te buiten gaan. Maar dit verhinderde de Meester nog meer, door te zeggen, dat men de straf van de vergelding nooit mocht toepassen. Met betrekking tot de haat voor de vijanden ging Hij tegen de verkeerde opvatting van de Farizeeën te keer, door er op te wijzen, dat wij niet de persoon van de vijand mogen haten, maar alleen zijn zonde. Wat nu eindelijk het onderscheid tussen de spijzen betreft, wat tot de ceremonieel-voorschriften behoorde, verbood de Heer niet het op dit ogenblik nog te onderhouden, maar wees Hij er op, dat geen enkele spijs van nature onrein is, maar alleen wanneer men er een zinnebeeld in ziet, zoals hierboven gezegd is (102e Kw., 6e Art., 1e Antw.).
Ad tertium dicendum, quod tactus leprosi erat prohibitus in veteri lege, quia ex hoc incurrebat homo quamdam irregularitas immunditiam. sicut et ex tactu mortui, ut supra dictum est [q. 102. art. 5. ad 4.] ; sed Dominus, 587qui erat mundator leprosi, immunditiam incurrere non poterat. Per ea autem, quae fecit in Sabbato, Sabbatum non solvit secundum rei veritatem, sicut ipse in Evangelio Matthaeus ostendit: tum quia operabatur miracula virtute divina, quae semper operatur in rebus, tum quia salutis humanae opera faciebat, cum Pharisaei etiam saluti animalium in die Sabbati providerent, tum etiam quia ratione necessitatis discipulos excusavit in Sabbato spicas colligentes. Sed videbatur solvere secundum superstitiosum intellectum Pharisaeorum, qui credebant etiam a salubribus operibus esse in die Sabbati abstinendum, quod erat contra intentionem legis.
3. Het aanraken van een melaatsche was in de Oude Wet verboden, omdat men hierdoor een soort onreinheid opliep, zooals ook door het aanraken van een doode, zooals hierboven (CIIe Kw., 5e Art., antw. op de 4e Bed.) gezegd is. De Meester 587evenwel, die de melaatschen reinigde, kon die onreinheid niet inloopen. Door datgene wat Hij gedaan heeft op Sabbat, heeft Hij in werkelijkheid den Sabbat niet overtreden, wat Mattheus zelf in het Evangelie bewezen heeft, én omdat Hij wonderen deed door de macht van God, waarvan de werking in de dingen nooit ophoudt, én omdat Hij werken deed, die op het heil der menschen betrekking hadden, zooals ook de Farizeën op Sabbat zorgden voor het heil der menschen, én omdat Hij uit reden van noodzaak zijn leerlingen verontschuldigde, toen ze graan verzamelden op den Sabbat, maar Hij overtrad den Sabbat alleen in schijn, naar de angstvallige verklaring van de Farizeën, die meenden, dat zij zich op den Sabbat ook van heilvolle werken moesten onthouden, wat tegen de bedoeling der Wet was.3. Het aanraken van een melaatse was in de Oude Wet verboden, omdat men hierdoor een soort onreinheid opliep, zoals ook door het aanraken van een dode, zoals hierboven (102e Kw., 5e Art., antw. op de 4e Bed.) gezegd is. De Meester 587evenwel, die de melaatsen reinigde, kon die onreinheid niet inlopen. Door datgene wat Hij gedaan heeft op Sabbat, heeft Hij in werkelijkheid de Sabbat niet overtreden, wat Matteüs zelf in het Evangelie bewezen heeft, én omdat Hij wonderen deed door de macht van God, waarvan de werking in de dingen nooit ophoudt, én omdat Hij werken deed, die op het heil van de mensen betrekking hadden, zoals ook de Farizeën op Sabbat zorgden voor het heil van de mensen, én omdat Hij uit reden van noodzaak zijn leerlingen verontschuldigde, toen ze graan verzamelden op de Sabbat, maar Hij overtrad de Sabbat alleen in schijn, naar de angstvallige verklaring van de Farizeën, die meenden, dat zij zich op de Sabbat ook van heilvolle werken moesten onthouden, wat tegen de bedoeling van de Wet was.
Ad quartum dicendum, quod caeremonialia praecepta legis non commemorantur Matth. 5., quia eorum observantia totaliter excluditur per impletionem, ut dictum est [in corp. et ad 1.] ; de judicialibus vero praeceptis commemoravit praeceptum talionis, ut quod de hoc diceretur, de omnibus aliis esset intelligendum: in quo quidem praecepto docuit legis intentionem 588non esse ad hoc, quod poena talionis quaereretur propter livorem vindictae, quem ipse excludit, monens quod homo debet esse paratus etiam majores injurias sufferre, sed solum propter amorem justitiae: quod adhuc in nova lege remanet.
4. De voorschriften omtrent godsdienstige plechtigheden worden door Mattheus (5) niet vermeld, daar de onderhouding er van door de vervulling geheel is uitgesloten, zooals (in de Leerstelling en in het Antw. op de eerste Bedenking) gezegd is. Aan de rechtsregels echter herinnerde het voorschrift over de weerwraak, zoodat naar wat daarover zou gezegd worden, al het andere moest worden verstaan. In dit bevel leerde Hij, dat het de bedoeling der Wet niet was, dat de straf der weerwraak zou 588gezocht worden om de lust naar wraak, welke Hij uitsloot, door te vermanen, dat de mensch bereid moest zijn zelfs grootere beleedigingen te verdragen, maar enkel uit liefde voor de rechtvaardigheid, wat in de Nieuwe Wet nog bleef.4. De voorschriften omtrent godsdienstige plechtigheden worden door Matteüs (5) niet vermeld, daar de onderhouding er van door de vervulling geheel is uitgesloten, zoals (in de Leerstelling en in het Antw. op de eerste Bedenking) gezegd is. Aan de rechtsregels echter herinnerde het voorschrift over de weerwraak, zodat naar wat daarover zou gezegd worden, al het andere moest worden verstaan. In dit bevel leerde Hij, dat het de bedoeling van de Wet niet was, dat de straf van de weerwraak zou 588gezocht worden om de lust naar wraak, welke Hij uitsloot, door te vermanen, dat de mens bereid moest zijn zelfs grotere beledigingen te verdragen, maar enkel uit liefde voor de rechtvaardigheid, wat in de Nieuwe Wet nog bleef.
Utrum lex nova in lege veteri contineatur
Is de Nieuwe Wet in de Oude vervat?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod lex nova in lege veteri non contineatur : lex enim nova praecipue in fide consistit; unde dicitur lex fidei, ut patet Rom. 3 [v. 27] ; sed multa credenda traduntur in nova lege, quae in veteri lege non continentur; ergo lex nova non continetur in veteri.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet in de Oude vervat is. — 1. De Nieuwe Wet immers bestaat voornamelijk in het geloof, waarom zij ook de wet van het geloof genoemd wordt, zooals blijkt uit den Brief aan de Romeinen (3,27). Welnu in de Nieuwe Wet worden vele geloofswaarheden te gelooven voorgehouden, die niet in de Oude Wet vervat staan. Dus is de Nieuwe Wet niet in de Oude vervat.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet niet in de Oude vervat is. — 1. De Nieuwe Wet immers bestaat voornamelijk in het geloof, waarom zij ook de wet van het geloof genoemd wordt, zoals blijkt uit de Brief aan de Romeinen (3,27). Welnu in de Nieuwe Wet worden vele geloofswaarheden te geloven voorgehouden, die niet in de Oude Wet vervat staan. Dus is de Nieuwe Wet niet in de Oude vervat.
2. Praeterea, quaedam Glossa dicit, Matth. 5., super illud : Qui solverit unum de mandatis istis minimis, quod mandata legis sunt minora, in 589Evangelio vero sunt mandata majora; majus autem non potest contineri in minori; ergo lex nova non continetur in veteri.
2. Op het woord van Mattheus (5) : Wie één van deze kleinste geboden opheft, vinden wij ergens deze opmerking : « De voorschriften der Wet zijn kleiner en geringer dan de voorschriften van het Evangelie. » Welnu het grootere kan niet vervat zijn 589in het kleinere. Dus kan de Nieuwe Wet niet vervat zijn in de Oude.2. Op het woord van Matteüs (5): Wie één van deze kleinste geboden opheft, vinden wij ergens deze opmerking: “De voorschriften van de Wet zijn kleiner en geringer dan de voorschriften van het Evangelie.” Welnu het grotere kan niet vervat zijn 589in het kleinere. Dus kan de Nieuwe Wet niet vervat zijn in de Oude.
3. Praeterea, quod continetur in altero, simul habetur habito illo; si igitur lex nova contineretur in veteri, sequeretur quod habita veteri lege, habeatur et nova; superfluum igitur fuit, habita veteri lege, iterum dari novam; non ergo nova lex continetur in veteri.
3. Iets wat in iets anders vervat is, wordt tegelijk met dat andere gevonden. Indien dus de Nieuwe Wet vervat is in de Oude, dan zou volgen, dat tijdens de Oude Wet de Nieuwe ook bestond. Dus was het overbodig naast de Oude Wet, nog de Nieuwe te geven. Dus is de Nieuwe Wet niet in de Oude vervat.
Sed contra est, quod dicitur Ezech. 1 [v. 16] : « Rota erat in rota », idest novum testamentum in veteri, ut Gregorius exponit [hom. 6. in Ezech.].
Maar daartegenover staat het gezegde van Ezechiel (1, 16) : « Het eene wiel was in het andere », wat volgens de verklaring van Gregorius (VIe Homelie op Ezechiël) beteekent, dat het Nieuwe Testament in het Oude is.Maar daartegenover staat het gezegde van Ezechiël (1, 16): “Het ene wiel was in het andere”, wat volgens de verklaring van Gregorius (6e Homelie op Ezechiël) betekent, dat het Nieuwe Testament in het Oude is.
Respondeo dicendum, quod aliquid continetur in alio dupliciter : uno modo in actu, sicut locatum in loco; alio modo virtute, sicut effectus in causa, vel completum in incompleto, sicut genus continet species potestate, et sicut tota arbor continetur in semine: et per hunc modum nova lex continetur in veteri. Dictum est enim [art. 1.], quod nova lex comparatur ad veterem, sicut perfectum ad imperfectum. Unde Chrysostomus, exponens illud, quod 590habetur Marci 4.: Ultro terra fructificat, primum herbam, deinde spicam, deinde plenum frumentum in spica, sic dicit : « Primo herbam fructificat in lege naturae, postmodum spicas in lege Moysi, postea plenum frumentum in Evangelio. » Sic igitur est lex nova in veteri, sicut fructus in spica.
Leerstelling. — Iets kan op twee manieren in iets anders vervat zijn : ten eerste, daadwerkelijk, zooals de ruimtelijke dingen vervat zijn in de ruimte; ten tweede, in aanleg, zooals een gevolg in zijn oorzaak, of iets volmaakts in iets onvolmaakts, b. v. zooals het geslacht de soort in aanleg in zich bevat, en zooals de geheele boom opgesloten ligt in het zaad. Op die manier ligt de Nieuwe Wet vervat in de Oude. Vroeger immers (Ie Art.) is gezegd, dat de Nieuwe Wet zich verhoudt tot de Oude als het volmaakte tot het onvolmaakte. Vandaar geeft Chrysostomus op 590Marcus (4) : « De aarde brengt uit haarzelve de vrucht voort, eerst de halmen, daarna de aar, daarna komt het volle graan in de aar » de volgende verklaring : « Eerst brengt ze de halmen voort, in de natuurwet, vervolgens de aren, in de wet van Mozes, daarna de vrucht, in het Evangelie. » Zoo dus ligt de Nieuwe Wet in de Oude opgesloten, gelijk de vrucht in de aar.Leerstelling. — Iets kan op twee manieren in iets anders vervat zijn: ten eerste, daadwerkelijk, zoals de ruimtelijke dingen vervat zijn in de ruimte; ten tweede, in aanleg, zoals een gevolg in zijn oorzaak, of iets volmaakts in iets onvolmaakts, bv. zoals het geslacht de soort in aanleg in zich bevat, en zoals de gehele boom opgesloten ligt in het zaad. Op die manier ligt de Nieuwe Wet vervat in de Oude. Vroeger immers (1e Art.) is gezegd, dat de Nieuwe Wet zich verhoudt tot de Oude als het volmaakte tot het onvolmaakte. Vandaar geeft Chrysostomus op 590Marcus (4): “De aarde brengt uit haarzelve de vrucht voort, eerst de halmen, daarna de aar, daarna komt het volle graan in de aar” de volgende verklaring: “Eerst brengt ze de halmen voort, in de natuurwet, vervolgens de aren, in de wet van Mozes, daarna de vrucht, in het Evangelie.” Zo dus ligt de Nieuwe Wet in de Oude opgesloten, gelijk de vrucht in de aar.
Ad primum ergo dicendum, quod omnia, quae credenda traduntur in novo testamento explicite et aperte, traduntur credenda in veteri testamento, sed implicite et sub figura; et secundum hoc etiam quantum ad credenda lex nova continetur in veteri.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle geloofswaarheden, die in het Nieuwe Testament uitdrukkelijk en onomwonden staan, staan ook in het Oude Testament, maar verborgen en als het ware figuurlijk uitgedrukt. Zoo ligt het Nieuwe Testament dus ook wat de geloofwaarheden betreft in het Oude opgesloten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Alle geloofswaarheden, die in het Nieuwe Testament uitdrukkelijk en onomwonden staan, staan ook in het Oude Testament, maar verborgen en als het ware figuurlijk uitgedrukt. Zo ligt het Nieuwe Testament dus ook wat de geloofwaarheden betreft in het Oude opgesloten.
Ad secundum dicendum, quod praecepta novae legis dicuntur esse majora quam praecepta veteris legis, quantum ad explicitam manifestationem; sed quantum ad ipsam substantiam praeceptorum novi testamenti, omnia continentur in veteri testamento; unde Augustinus dicit contra Faustum [lib. 19. cap. 28], quod pene omnia, quae monuit vel praecepit Dominus, ubi adjungebat: Ego autem dico vobis, inveniuntur etiam in illis veteribus libris; sed 591quia non intelligebant homicidium nisi peremptionem corporis humani, aperuit Dominus omnem iniquum motum ad nocendum fratri in homicidii genere deputari; et quantum ad hujusmodi manifestationes, praecepta novae legis dicuntur majora praeceptis veteris legis. Nihil tamen prohibet majus in minori virtute contineri, sicut arbor continetur in semine.
2. De voorschriften der Nieuwe Wet worden grooter genoemd dan die der Oude Wet, met betrekking tot de uitdrukkelijke openbaring; maar met betrekking tot het eigen wezen, worden al de geboden van het Nieuwe Testament in het Oude Testament op een of andere manier teruggevonden. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Tegen Faustus (XIXe B., XXVIIIe H.), dat bijna alles wat de Meester aangemaand en bevolen heeft, en waar bij staat: « Ik echter zeg u », ook in de oude Boeken teruggevonden wordt. Maar daar zij onder moord alleen de dood 591van het menschelijk lichaam verstonden, leerde de Meester dat iedere ongerechte beweging tot het benadeelen van een broeder onder de moord moest worden gerangschikt. Met betrekking tot dergelijke leerstukken worden de voorschriften van de Nieuwe Wet grooter dan die van de Oude genoemd. Er is ook niets op tegen dat het grootere in aanleg in het kleinere opgesloten ligt, zooals een boom in het zaad.2. De voorschriften van de Nieuwe Wet worden groter genoemd dan die van de Oude Wet, met betrekking tot de uitdrukkelijke openbaring; maar met betrekking tot het eigen wezen, worden al de geboden van het Nieuwe Testament in het Oude Testament op een of andere manier teruggevonden. Vandaar zegt Augustinus in zijn Boek Tegen Faustus (19e B., 28e H.), dat bijna alles wat de Meester aangemaand en bevolen heeft, en waar bij staat: “Ik echter zeg u”, ook in de oude Boeken teruggevonden wordt. Maar daar zij onder moord alleen de dood 591van het menselijk lichaam verstonden, leerde de Meester dat iedere ongerechte beweging tot het benadelen van een broeder onder de moord moest worden gerangschikt. Met betrekking tot dergelijke leerstukken worden de voorschriften van de Nieuwe Wet groter dan die van de Oude genoemd. Er is ook niets op tegen dat het grotere in aanleg in het kleinere opgesloten ligt, zoals een boom in het zaad.
Ad tertium dicendum, quod illud quod implicite datum est, oportet explicari; et ideo post veterem legem latam oportuit etiam novam legem dari.
3. Dat wat impliciet gegeven is, moet verklaard worden. Dus moest ook na de Oude Wet de Nieuwe gegeven worden.
Utrum lex nova sit gravior, quam vetus
Is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod lex nova sit gravior, quam lex vetus. Matth. enim 5. super illud : Qui solverit unum de mandatis his minimis, dicit Chrysostomus [hom. 10.] : « Mandata Moysi in actu facilia sunt; 592ut : Non occides, Non adulterabis; mandata Christi autem : Non irascaris, Non concupiscas, in actu difficilia sunt. » Ergo lex nova est gravior, quam vetus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet lastiger is dan de oude. — 1. Chrysostomus immers geeft van de woorden van Mattheus (5) : « Wie een van deze kleinste voorschriften opheft », de volgende verklaring : « De voorschriften van Mozes, zooals b. v. ge zult niet dooden, geen overspel bedrijven, 592zijn gemakkelijk te onderhouden, terwijl de voorschriften van Christus, zooals b. v. : Ge zult niet toornen, gij zult niet begeeren, moeilijk te onderhouden zijn. » (Xe Homelie op Mattheus). Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Nieuwe Wet lastiger is dan de oude. — 1. Chrysostomus immers geeft van de woorden van Matteüs (5): “Wie een van deze kleinste voorschriften opheft”, de volgende verklaring: “De voorschriften van Mozes, zoals bv. ge zult niet doden, geen overspel bedrijven, 592zijn gemakkelijk te onderhouden, terwijl de voorschriften van Christus, zoals bv.: Ge zult niet toornen, gij zult niet begeren, moeilijk te onderhouden zijn.” (10e Homelie op Matteüs). Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.
2. Praeterea, facilius est terrena prosperitate uti, quam tribulationes perpeti; sed in veteri testamento observationem veteris legis consequebatur prosperitas temporalis, ut patet Deut. 28 [v. 1-14] ; observatores autem novae legis consequitur multiplex adversitas, prout dicitur 2. ad Cor. 6 [v. 4. sqq.] : « Exhibeamus nosmetipsos sicut Dei ministros in multa patientia, in tribulationibus, in necessitatibus, in angustiis », etc. Ergo lex nova est gravior, quam lex vetus.
2. Het is gemakkelijker aardschen voorspoed te hebben, dan tegenspoed te doorstaan. Welnu in het Oude Testament volgde op de onderhouding der Oude Wet tijdelijke voorspoed, wat blijkt uit het Boek Deuteronomium (28, 1-14) terwijl op de onderhouding van de Nieuwe Wet dikwijls veel tegenspoed volgt, zooals blijkt uit den IIn Brief aan de Corinthiërs (6, 4 vv.) : « Wij trachten te behagen, zooals het betaamt aan dienaars van God, door groote standvastigheid, in kwellingen, in nood, in benauwdheid », enz. Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.2. Het is gemakkelijker aardsen voorspoed te hebben, dan tegenspoed te doorstaan. Welnu in het Oude Testament volgde op de onderhouding van de Oude Wet tijdelijke voorspoed, wat blijkt uit het Boek Deuteronomium (28, 1-14) terwijl op de onderhouding van de Nieuwe Wet dikwijls veel tegenspoed volgt, zoals blijkt uit de 2e Brief aan de Korintiërs (6, 4 vv.): “Wij trachten te behagen, zoals het betaamt aan dienaars van God, door grote standvastigheid, in kwellingen, in nood, in benauwdheid”, enz. Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.
3. Praeterea, quod se habet ex additione ad alterum, videtur esse difficilius; sed lex nova se habet ex additione ad veterem, nam lex vetus prohibuit perjurium, lex nova etiam juramentum; lex vetus prohibuit dissidium uxoris sine libello repudii, lex autem nova omnino dissidium prohibuit, ut 593patet Matth. 5. secundum expositionem Augustini [lib. 1. de Serm. Dom. in monte, cap. 14.]. Ergo lex nova est gravior, quam vetus.
3. Wat aan iets anders toegevoegd is, is lastiger. Welnu de Nieuwe Wet verhoudt zich zoo tot de Oude, want de Oude Wet verbood alleen de meineed, de Nieuwe ook de gewone eed; de Oude Wet verbood de echtscheiding zonder scheidsbrief, terwijl de Nieuwe iedere echtscheiding verbood, zooals blijkt uit Mattheus (5), volgens de verklaring van Augustinus 593(Over de Bergrede, Ie B., XIVe H.). Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.3. Wat aan iets anders toegevoegd is, is lastiger. Welnu de Nieuwe Wet verhoudt zich zo tot de Oude, want de Oude Wet verbood alleen de meineed, de Nieuwe ook de gewone eed; de Oude Wet verbood de echtscheiding zonder scheidsbrief, terwijl de Nieuwe iedere echtscheiding verbood, zoals blijkt uit Matteüs (5), volgens de verklaring van Augustinus 593(Over de Bergrede, 1e B., 14e H.). Dus is de Nieuwe Wet lastiger dan de Oude.
Sed contra est, quod dicitur Matth. 11 [v. 28] : « Venite ad me omnes, qui laboratis et onerati estis », quod exponens Hilarius [cap. 11. in Matth.] dicit : « Legis difficultatibus laborantes et peccatis saeculi oneratos ad se advocat » ; et postmodum de jugo Evangelii subdit [v. 30] : « Jugum enim meum suave est, et onus meum leve. » Ergo lex nova est levior, quam vetus.
Maar daartegenover staat het gezegde van Mattheus (11, 28) : « Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt », wat Hilarius (in zijn Verklaring van Mattheus, XIe H.) aldus verklaart : « Hij roept tot zich die belast zijn met de moeilijkheden der Wet, en beladen met de zonden van dien tijd. » Met betrekking tot het juk van het Evangelie zegde de Heer verder (30) : « Want mijn juk is zoet, en mijn last licht. » Dus is de Nieuwe Wet lichter dan de Oude.Maar daartegenover staat het gezegde van Matteüs (11, 28): “Komt allen tot Mij, die belast en beladen zijt”, wat Hilarius (in zijn Verklaring van Matteüs, 11e H.) aldus verklaart: “Hij roept tot zich die belast zijn met de moeilijkheden van de Wet, en beladen met de zonden van die tijd.” Met betrekking tot het juk van het Evangelie zegde de Heer verder (30): “Want mijn juk is zoet, en mijn last licht.” Dus is de Nieuwe Wet lichter dan de Oude.
Respondeo dicendum, quod circa opera virtutis, de quibus praecepta legis dantur, duplex difficultas attendi potest. Una quidem ex parte exteriorum operum, quae ex seipsis quamdam difficultatem habent, et gravitatem : et quantum ad hoc lex vetus est multo gravior, quam nova, quia ad plures actus exteriores obligabat lex vetus in multiplicibus caeremoniis, quam lex nova, quae praeter praecepta legis naturae paucissima superaddidit in doctrina Christi et Apostolorum, licet aliqua sint postmodum superaddita ex 594institutione sanctorum Patrum; in quibus etiam Augustinus dicit esse moderationem attendendam, ne conversatio fidelium onerosa reddatur : dicit enim, ad inquisitiones Januarii [epist. 55.], de quibusdam, quod ipsam religionem nostram, quam in manifestissimis et paucissimis celebrationum sacramentis Dei voluit misericordia esse liberam, servilibus premunt oneribus, adeo ut tolerabilior sit conditio Judaeorum, qui legalibus sacramentis, non humanis praesumptionibus subjiciuntur.
Leerstelling. — Met betrekking tot de deugddaden, waarover de voorschriften van de wet gaan, kan een dubbele moeilijkheid zich voordoen : een van den kant der uiterlijke daden, die op zichzelf al een zekere moeilijkheid en last meebrengen. In dien zin is de Oude Wet veel lastiger dan de Nieuwe, daar de Oude Wet bij vele uiterlijke daden tot veel meer ceremoniën verplicht dan de Nieuwe Wet, die in de leer van Christus en de Apostelen aan de voorschriften van de natuurwet heel weinig toevoegt, ofschoon er naderhand verschillende dingen aan toegevoegd zijn door de instelling der Heilige Vaders. Ook Augustinus zegt, 594dat de grootste gematigheid moet in acht genomen worden met betrekking tot die ceremoniën, opdat het leven der geloovigen niet nog verzwaard zou worden. Hij immers zegt in zijn « Onderzoek van Januarius (LVe Brief), dat God in Zijn barmhartigheid gewild heeft, dat er in onzen godsdienst alleen eenige zeer duidelijke en uiterst zeldzame offerplechtigheden zouden zijn, opdat hij vrij zou zijn. Sommigen echter hebben hem met slavenlasten zoo overladen, dat de toestand van de Joden dragelijker was, die immers alleen wettelijke plechtigheden moesten onderhouden, en niet gebukt gingen onder willekeur van menschen. »Leerstelling. — Met betrekking tot de deugddaden, waarover de voorschriften van de wet gaan, kan een dubbele moeilijkheid zich voordoen: een van de kant van de uiterlijke daden, die op zichzelf al een zekere moeilijkheid en last meebrengen. In die zin is de Oude Wet veel lastiger dan de Nieuwe, daar de Oude Wet bij vele uiterlijke daden tot veel meer ceremoniën verplicht dan de Nieuwe Wet, die in de leer van Christus en de Apostelen aan de voorschriften van de natuurwet heel weinig toevoegt, ofschoon er naderhand verschillende dingen aan toegevoegd zijn door de instelling van de Heilige Vaders. Ook Augustinus zegt, 594dat de grootste gematigheid moet in acht genomen worden met betrekking tot die ceremoniën, opdat het leven van de gelovigen niet nog verzwaard zou worden. Hij immers zegt in zijn “Onderzoek van Januarius (55e Brief), dat God in Zijn barmhartigheid gewild heeft, dat er in onze godsdienst alleen enige zeer duidelijke en uiterst zeldzame offerplechtigheden zouden zijn, opdat hij vrij zou zijn. Sommigen echter hebben hem met slavenlasten zo overladen, dat de toestand van de Joden dragelijker was, die immers alleen wettelijke plechtigheden moesten onderhouden, en niet gebukt gingen onder willekeur van mensen.”
Alia autem difficultas est circa opera virtutum in interioribus actibus, puta quod aliquis opus virtutis exerceat prompte et delectabiliter : et circa hoc difficile est virtus; hoc enim non habenti virtutem est valde difficile, sed per virtutem redditur facile. Et quantum ad hoc praecepta novae legis sunt graviora praeceptis veteris legis, quia in nova lege prohibentur interiores motus animi, qui expresse in veteri lege non prohibebantur in omnibus, etsi in aliquibus prohiberentur, in quibus tamen prohibendis poena non apponebatur; hoc autem est difficillimum non habenti virtutem, sicut etiam Philosophus dicit 595in 5. Ethic. [cap. 9], quod operari ea quae justus operatur, facile est, sed operari ea eo modo quo justus operatur, scilicet delectabiliter et prompte, est difficile non habenti justitiam. Et sic etiam dicitur 1. Joan. 5 [v. 3], quod « mandata ejus gravia non sunt », quod exponens Augustinus [lib. de Nat. et Grat., cap. 69.] dicit, quod non sunt gravia amanti, sed non amanti sunt gravia.
De andere moeilijkheid met betrekking tot de deugddaden is gelegen in de innerlijke daden nl. voor zoover een deugddaad gemakkelijk en met genot gesteld wordt. In dit opzicht is de deugd moeilijk, want voor dengene, die de deugd niet heeft is het uiterst moeilijk, terwijl het door de deugd gemakkelijk wordt. In dit opzicht zijn de voorschriften van de Nieuwe Wet lastiger dan die van de Oude, omdat in de Nieuwe Wet de innerlijke zielsbewegingen worden verboden, die in de Oude Wet niet altijd uitdrukkelijk verboden werden, en wanneer ze wel verboden werden, werd er geen straf op gesteld. Dit nu is uiterst 595moeilijk voor hem die de deugd niet heeft, wat ook de Wijsgeer zegt in het Ve Boek van zijn Ethica (IXe H.), dat het nl. gemakkelijk is, daden te stellen, die de rechtvaardige stelt; maar die daden te stellen op dezelfde manier als de rechtvaardige (d. i. gemakkelijk en met genot) is moeilijk voor hem die de rechtvaardigheid niet heeft. Daarom zegt Joannes (Ie Brief, 5, 3) : « De voorschriften zijn niet lastig », wat Augustinus in zijn Boek Over Natuur en Genade (LXIXe H.) verklaart door te zeggen, dat ze niet lastig zijn voor hem die bemint, wel voor hem die niet bemint.De andere moeilijkheid met betrekking tot de deugddaden is gelegen in de innerlijke daden nl. voor zover een deugddaad gemakkelijk en met genot gesteld wordt. In dit opzicht is de deugd moeilijk, want voor dengene, die de deugd niet heeft is het uiterst moeilijk, terwijl het door de deugd gemakkelijk wordt. In dit opzicht zijn de voorschriften van de Nieuwe Wet lastiger dan die van de Oude, omdat in de Nieuwe Wet de innerlijke zielsbewegingen worden verboden, die in de Oude Wet niet altijd uitdrukkelijk verboden werden, en wanneer ze wel verboden werden, werd er geen straf op gesteld. Dit nu is uiterst 595moeilijk voor hem die de deugd niet heeft, wat ook de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (9e H.), dat het nl. gemakkelijk is, daden te stellen, die de rechtvaardige stelt; maar die daden te stellen op dezelfde manier als de rechtvaardige (d.i. gemakkelijk en met genot) is moeilijk voor hem die de rechtvaardigheid niet heeft. Daarom zegt Johannes (1e Brief, 5, 3): “De voorschriften zijn niet lastig”, wat Augustinus in zijn Boek Over Natuur en Genade (69e H.) verklaart door te zeggen, dat ze niet lastig zijn voor hem die bemint, wel voor hem die niet bemint.
Ad primum ergo dicendum, quod auctoritas illa loquitur expresse de difficultate novae legis, quantum ad expressam cohibitionem interiorum motuum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die woorden spreken uitdrukkelijk over de moeilijkheid van de Nieuwe Wet, met betrekking tot het uitdrukkelijk verbod van de innerlijke zielsbewegingen.
Ad secundum dicendum, quod adversitates, quas patiuntur observatores novae legis, non sunt ab ipsa lege impositae; sed tamen propter amorem, in quo ipsa lex consistit, faciliter tolerantur, quia, sicut Augustinus dicit in lib. de Verb. Dom. [serm. 9.] omnia saeva et immania, et facilia et prope nulla efficit amor.
2. De tegenspoed, dien de onderhouding van de Nieuwe Wet met zich medebrengt, komt niet van de Wet zelf, terwijl hij door de liefde, waarin de Wet bestaat, gemakkelijk gedragen wordt, daar, zooals Augustinus zegt in zijn Boek Over de woorden des Heeren (IXe Preek), dat de liefde al wat wreed en zelfs onmenschelijk is, gemakkelijk maakt en zelfs bijna geheel wegneemt.2. De tegenspoed, die de onderhouding van de Nieuwe Wet met zich medebrengt, komt niet van de Wet zelf, terwijl hij door de liefde, waarin de Wet bestaat, gemakkelijk gedragen wordt, daar, zoals Augustinus zegt in zijn Boek Over de woorden van de Heer (9e Preek), dat de liefde al wat wreed en zelfs onmenselijk is, gemakkelijk maakt en zelfs bijna geheel wegneemt.
596Ad tertium dicendum, quod illae additiones ad praecepta veteris legis ad hoc ordinantur, ut facilius impleatur quod vetus lex mandabat, sicut Augustinus dicit [lib. 1. de Serm. Dom. in monte, cap. 17], et ideo per hoc non ostenditur, quod nova lex sit gravior, sed magis quod sit facilior.
5963. Die toevoegingen aan de voorschriften van de Oude Wet zijn volgens Augustinus (Over de Bergrede, Ie B., XVIIe H.) geordend tot het gemakkelijk vervullen van de voorschriften der Oude Wet. Uit die opwerping blijkt dus niet, dat de Nieuwe Wet lastiger is, maar veeleer dat ze minder lastig is.5963. Die toevoegingen aan de voorschriften van de Oude Wet zijn volgens Augustinus (Over de Bergrede, 1e B., 17e H.) geordend tot het gemakkelijk vervullen van de voorschriften van de Oude Wet. Uit die opwerping blijkt dus niet, dat de Nieuwe Wet lastiger is, maar veeleer dat ze minder lastig is.