Theologische Summa · Prima Secundae · De Oude WetSumma · I-II · De Oude WetSumma · I-II · Kw. 99Kw. 99
Quaestio XCIX

De praeceptis veteris legis

Kwestie 99

Over de voorschriften van de oude wet

(Zes Artikelen)

204Deinde considerandum est de praeceptis veteris legis, et primo de distinctione ipsorum, secundo de singulis generibus distinctis. Circa primum quaeruntur sex : 1. Utrum legis veteris sint plura praecepta, vel unum tantum. — 2. Utrum lex vetus contineat aliqua praecepta moralia. — 3. Utrum praeter moralia contineat caeremonialia. — 4. Utrum contineat praeter haec judicialia. — 5. Utrum praeter ista tria contineat aliqua alia. — 6. De modo, quo lex inducebat ad observantiam praedictorum.

204Hierna moeten we onze aandacht vestigen op de voorschriften van de Oude Wet. En wel ten eerste, op het onderscheid in de voorschriften; ten tweede, op de verschillende soorten afzonderlijk. Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen : 1) Bevat de Oude Wet meerdere voorschriften, of slechts één? 2) Bevat de Oude Wet zedelijke voorschriften? 3) Bevat ze buiten die voorschriften nog ceremonieel-voorschriften? 4) Bevat ze buiten die beide soorten voorschriften nog rechtsregels? 5) Bevat ze buiten die drie soorten nog andere voorschriften? 6) Over de manier waarop de wet dwingt tot het onderhouden van genoemde voorschriften.204Hierna moeten we onze aandacht vestigen op de voorschriften van de Oude Wet. En wel ten eerste, op het onderscheid in de voorschriften; ten tweede, op de verschillende soorten afzonderlijk. Met betrekking tot het eerste stellen we zes vragen: 1. Bevat de Oude Wet meerdere voorschriften, of slechts één? 2. Bevat de Oude Wet zedelijke voorschriften? 3. Bevat ze buiten die voorschriften nog ceremonieel-voorschriften? 4. Bevat ze buiten die beide soorten voorschriften nog rechtsregels? 5. Bevat ze buiten die drie soorten nog andere voorschriften? 6. Over de manier waarop de wet dwingt tot het onderhouden van genoemde voorschriften.

Articulus I

Utrum in lege veteri contineatur solum unum praeceptum

Ie Artikel

Bevat de Oude Wet slechts één voorschrift?

antwoord 1 ↓

205Ad primum sic proceditur. Videtur, quod in lege veteri non contineatur nisi unum praeceptum : lex enim nihil aliud est, quam praeceptum, ut supra habitum est [q. 92. art. 2. ad 1m.] ; sed lex vetus est una; ergo non continet nisi unum praeceptum.

205Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet slechts één voorschrift bevat. — 1. Een wet is immers, zooals vroeger gezegd is (XCIIe Kw., 2e Art., Antw. op de 1e Bed.), niets anders dan een voorschrift. Welnu de Oude Wet is één. Dus bevat ze maar één voorschrift.205Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet slechts één voorschrift bevat. — 1. Een wet is immers, zoals vroeger gezegd is (92e Kw., 2e Art., Antw. op de 1e Bed.), niets anders dan een voorschrift. Welnu de Oude Wet is één. Dus bevat ze maar één voorschrift.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Apostolus dicit Rom. 13. [v. 9.] : « Si quod est aliud mandatum, in hoc verbo instauratur : diliges proximum tuum, sicut teipsum ». Sed istud mandatum est unum; ergo lex vetus non continet nisi unum mandatum.

2. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (13, 9) : « Indien er nog andere geboden zijn, zijn ze vervat in deze uitspraak : Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven ». Maar dit gebod is één, en bijgevolg bevat de Oude Wet slechts één gebod.2. De Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (13, 9): “Indien er nog andere geboden zijn, zijn ze vervat in deze uitspraak: Gij zult uw naaste liefhebben als u zelven”. Maar dit gebod is één, en bijgevolg bevat de Oude Wet slechts één gebod.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Matth. 7. [v. 12.] dicitur : « Omnia, quaecumque vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis : haec est enim lex et prophetae ». Sed tota lex vetus continetur in lege et prophetis; ergo lex vetus non habet nisi unum praeceptum.

3. Mattheus zegt (7, 12) : « Alles wat gij verlangt, dat de menschen u doen zullen, doe het ook aan hen; want dat is de Wet en de Profeten ». Welnu geheel de Oude Wet is vervat in de Wet en de Profeten. Dus bevat de Oude Wet maar één voorschrift.3. Matteüs zegt (7, 12): “Alles wat gij verlangt, dat de mensen u doen zullen, doe het ook aan hen; want dat is de Wet en de Profeten”. Welnu geheel de Oude Wet is vervat in de Wet en de Profeten. Dus bevat de Oude Wet maar één voorschrift.

206Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Eph. 2. [v. 15.] : « Legem mandatorum decretis evacuans », et loquitur de lege veteri, ut patet per Glossam [Ambrosii in hunc loc.] ibidem; ergo lex vetus continet in se multa mandata.

206Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Ephesiërs (2, 15) : « Door de Wet met haar stipte geboden af te schaffen ». Dit wordt gezegd van de Oude Wet, wat blijkt uit de Glossa (getrokken uit Ambrosius) op dien tekst. Dus bevat de Wet meerdere voorschriften.206Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Efesiërs (2, 15): “Door de Wet met haar stipte geboden af te schaffen”. Dit wordt gezegd van de Oude Wet, wat blijkt uit de Glossa (getrokken uit Ambrosius) op die tekst. Dus bevat de Wet meerdere voorschriften.

Respondeo dicendum, quod praeceptum legis, cum sit obligatorium, est de aliquo, quod fieri debet. Quod autem aliquid debeat fieri, hoc provenit ex necessitate alicujus finis; unde manifestum est, quod de ratione praecepti est, quod importet ordinem ad finem, inquantum scilicet illud praecipitur, quod est necessarium vel expediens ad finem.

Leerstelling. — Daar een voorschrift van een wet verplichtend is, heeft het betrekking op iets dat gedaan moet worden. Dat nu iets gedaan moet worden, komt van de noodzakelijkheid van een doel. Het is duidelijk, dat het tot het wezen van een voorschrift behoort, dat het een orde zegt tot een doel, in zoover nl. datgene wordt bevolen, wat noodzakelijk of nuttig is voor een doel.Leerstelling. — Daar een voorschrift van een wet verplichtend is, heeft het betrekking op iets dat gedaan moet worden. Dat nu iets gedaan moet worden, komt van de noodzakelijkheid van een doel. Het is duidelijk, dat het tot het wezen van een voorschrift behoort, dat het een orde zegt tot een doel, in zover nl. datgene wordt bevolen, wat noodzakelijk of nuttig is voor een doel.

Contingit autem ad unum finem multa esse necessaria vel expedientia, et secundum hoc possunt de diversis rebus dari diversa praecepta, inquantum ordinantur ad unum finem. Unde dicendum est, quod omnia praecepta legis veteris sunt unum secundum ordinem ad unum finem, sunt tamen multa secundum diversitatem eorum, quae ordinantur ad illum finem.

Welnu voor één enkel doel kunnen meerdere dingen noodig of nuttig zijn, en in dien zin kunnen met betrekking tot meerdere dingen meerdere voorschriften gegeven worden, voor zoover zij geordend zijn tot één doel. Al de voorschriften van de Oude Wet zijn één, krachtens de orde tot één doel; ze zijn echter veel in aantal, door het verschil van die dingen die tot dat doel geordend zijn.Welnu voor één enkel doel kunnen meerdere dingen nodig of nuttig zijn, en in die zin kunnen met betrekking tot meerdere dingen meerdere voorschriften gegeven worden, voor zover zij geordend zijn tot één doel. Al de voorschriften van de Oude Wet zijn één, krachtens de orde tot één doel; ze zijn echter veel in aantal, door het verschil van die dingen die tot dat doel geordend zijn.

↑ bedenking 1

207Ad primum ergo dicendum, quod lex vetus dicitur esse una secundum ordinem ad finem unum; et tamen continet diversa praecepta secundum distinctionem eorum, quae ordinantur ad finem, sicut etiam ars aedificativa est una secundum unitatem finis, quia tendit ad aedificationem domus, tamen continet diversa praecepta secundum diversos actus ad hoc ordinatos.

207Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Oude Wet wordt één genoemd, krachtens de orde tot één doel; zij bevat echter meerdere voorschriften, krachtens het verschil van de dingen, die tot het doel geordend zijn, evenals ook de bouwkunst één genoemd wordt, naar de eenheid van het doel, nl. het bouwen van een huis; zij bevat echter meerdere voorschriften, naar de verschillende daden die daartoe geordend zijn.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Apostolus dicit 1. ad Timoth. 1. [v. 5.] : « Finis praecepti charitas est » : ad hoc enim omnis lex tendit, ut amicitiam constituat, vel hominum ad invicem, vel hominis ad Deum. Et ideo tota lex impletur in hoc uno mandato : « Diliges proximum tuum sicut teipsum », sicut in quodam fine mandatorum omnium : in dilectione enim proximi includitur etiam Dei dilectio quando proximus diligitur propter Deum. Unde Apostolus hoc unum praeceptum posuit pro duobus, quae sunt de dilectione Dei et proximi, de quibus dicit Dominus Matth. 22. [v. 40.] : « In his duobus mandatis pendet omnis lex, et prophetae. »

2. Zooals de Apostel zegt in zijn In Brief aan Timotheus (1, 5), is het doel van de Wet de liefde. Het doel immers van iedere wet is vriendschap te stichten, ofwel tusschen de menschen onderling, ofwel tusschen den mensch en God. Daarom wordt geheel de Wet vervuld door de vervulling van dit ééne gebod : « Bemin uw naaste gelijk u zelve », als was dit gebod het doel van al de overige. In de naastenliefde toch ligt ook de liefde tot God besloten, wanneer men nl. den naaste bemint om God. Vandaar geeft de Apostel slechts één gebod voor die twee geboden, nl. dat over de liefde tot den naaste en dat over de liefde tot God, waarvan de Heer zegt : « In deze twee geboden ligt geheel de Wet en de Profeten besloten ». (Mattheus, 22, 40).2. Zoals de Apostel zegt in zijn 1e Brief aan Timoteüs (1, 5), is het doel van de Wet de liefde. Het doel immers van iedere wet is vriendschap te stichten, ofwel tussen de mensen onderling, ofwel tussen de mens en God. Daarom wordt geheel de Wet vervuld door de vervulling van dit één gebod: “Bemin uw naaste gelijk u zelve”, als was dit gebod het doel van al de overige. In de naastenliefde toch ligt ook de liefde tot God besloten, wanneer men nl. de naaste bemint om God. Vandaar geeft de Apostel slechts één gebod voor die twee geboden, nl. dat over de liefde tot de naaste en dat over de liefde tot God, waarvan de Heer zegt: “In deze twee geboden ligt geheel de Wet en de Profeten besloten”. (Matteüs, 22, 40).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut dicitur in 9. Ethicor. [cap. 4.] ; 208« amicabilia, quae sunt ad alterum, venerunt ex amicabilibus, quae sunt homini ad seipsum », dum scilicet homo ita se habet ad alterum, sicut ad se, et ideo in hoc quod dicitur : Omnia, quaecumque vultis ut faciant vobis homines, et vos facite illis, explicatur quaedam regula dilectionis proximi, quae etiam implicite continetur in hoc quod dicitur : « Diliges proximum tuum sicut teipsum. » Unde est quaedam explicatio istius mandati.

3. De Wijsgeer zegt in het IXe Boek zijner Ethica (IVe H., 208Nr 1) : « Vriendschap tot anderen komt voort uit vriendschap voor zich zelf ». Dit is nl. zóó te verklaren, dat men zich tot een ander verhoudt als tot zichzelf. Daarom ligt in het gezegde : « Alles wat gij verlangt, dat de menschen u doen zullen, doet het ook aan hen », de verklaring besloten van een regel der naastenliefde, welke ook opgesloten ligt in het gezegde van Mattheus : « Bemin uw naaste gelijk u zelve », dat we dus mogen aanzien als een nadere verklaring van dit gebod.3. De Wijsgeer zegt in het 9e Boek van zijn Ethica (4e H., 208Nr 1): “Vriendschap tot anderen komt voort uit vriendschap voor zichzelf”. Dit is nl. zó te verklaren, dat men zich tot een ander verhoudt als tot zichzelf. Daarom ligt in het gezegde: “Alles wat gij verlangt, dat de mensen u doen zullen, doet het ook aan hen”, de verklaring besloten van een regel van de naastenliefde, welke ook opgesloten ligt in het gezegde van Matteüs: “Bemin uw naaste gelijk u zelve”, dat we dus mogen aanzien als een nadere verklaring van dit gebod.

Articulus II

Utrum lex vetus contineat praecepta moralia

[Supr. q. 98. art. 5. corp. et infr. praes. q. art. 3. ad 2. et art. 4. corp. et Ps. .18. com. 7. 8. 9.].
IIe Artikel

Bevat de Oude Wet zedelijke voorschriften?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non contineat praecepta moralia : lex enim vetus distinguitur a lege naturae, ut supra 209habitum est [q. 91. art. 4. et q. 98. art. 5.] ; sed praecepta moralia pertinent ad legem naturae; ergo non pertinent ad legem veterem.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet geen zedelijke voorschriften bevat. — 1. De Oude Wet immers is onderscheiden van de natuurwet, zooals hierboven bewezen is (XCIe Kw., 4e Art.; XCVIIIe Kw., 5e Art.). Welnu de 209zedelijke voorschriften liggen opgesloten in de natuurwet. Dus behooren ze niet tot de Oude Wet.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet geen zedelijke voorschriften bevat. — 1. De Oude Wet immers is onderscheiden van de natuurwet, zoals hierboven bewezen is (91e Kw., 4e Art.; 98e Kw., 5e Art.). Welnu de 209zedelijke voorschriften liggen opgesloten in de natuurwet. Dus behoren ze niet tot de Oude Wet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ibi subvenire debuit homini lex divina, ubi deficit ratio humana, sicut patet in his, quae ad fidem pertinent, quae sunt supra rationem; sed ad praecepta moralia ratio hominis sufficere videtur; ergo praecepta moralia non sunt de lege veteri, quae est lex divina.

2. De Oude Wet moest den mensch ondersteunen daar, waar het menschelijk verstand te kort schoot, zooals blijkt uit die dingen, die tot het geloof behooren : die gaan immers het verstand te boven. Maar met betrekking tot de zedelijke voorschriften is het verstand blijkbaar voldoende. Dus liggen de zedelijke voorschriften niet opgesloten in de Oude Wet, die de Goddelijke Wet is.2. De Oude Wet moest de mens ondersteunen daar, waar het menselijk verstand te kort schoot, zoals blijkt uit die dingen, die tot het geloof behoren: die gaan immers het verstand te boven. Maar met betrekking tot de zedelijke voorschriften is het verstand blijkbaar voldoende. Dus liggen de zedelijke voorschriften niet opgesloten in de Oude Wet, die de Goddelijke Wet is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex vetus dicitur « littera occidens », ut patet 2. ad Corinth. 3. [v. 6.] ; sed praecepta moralia non occidunt, sed vivificant, secundum illud Psalm. 118 [v. 93.] : « In aeternum non obliviscar justificationes tuas, quia in ipsis vivificasti me. » Ergo praecepta moralia non pertinent ad veterem legem.

3. De Oude Wet wordt een doodende letter genoemd. (IIe Brief aan de Corinthiërs, 3, 6). Welnu de zedelijke voorschriften maken niet dood, maar wekken op ten leven, overeenkomstig het woord van den Psalmist (Psalm 118, 93) : « In eeuwigheid zal ik uwe verordeningen niet vergeten, omdat gij mij daardoor doet leven ». Dus behooren de zedelijke voorschriften niet tot de Oude Wet.3. De Oude Wet wordt een dodende letter genoemd. (2e Brief aan de Korintiërs, 3, 6). Welnu de zedelijke voorschriften maken niet dood, maar wekken op ten leven, overeenkomstig het woord van de Psalmist (Psalm 118, 93)a: “In eeuwigheid zal ik uw verordeningen niet vergeten, omdat gij mij daardoor doet leven”. Dus behoren de zedelijke voorschriften niet tot de Oude Wet.

Sed contra est, quod dicitur Eccli. 17. [v. 9.] : « Addidit illis legis disciplinam, et legem vitae haereditavit eos. » Disciplina autem pertinet ad mores : dicit enim Glossa [ordinar.] ad Heb. 12. [v. 11.] super illud : 210Omnis disciplina, etc. : « Disciplina est eruditio morum per difficilia. » Ergo lex a Deo data praecepta moralia continebat.

Maar daartegenover staat het gezegde van het Boek Ecclesiasticus (17,9) : «Daarbij gaf hij hun de tucht der wet, en Hij schonk hun de wet des levens tot erfdeel ». Welnu de tucht valt onder 210de zeden. De (gewone) Glossa immers merkt op het woord : « Heel de leering », enz. (uit den Brief aan de Hebreërs, 12, 11) aan : « De tucht is de opvoeding der zeden door moeilijkheden ». Dus bevatte de wet, door God gegeven, zedelijke voorschriften.Maar daartegenover staat het gezegde van het Boek Sirach (17,9): “Daarbij gaf hij hun de tucht van de wet, en Hij schonk hun de wet van het leven tot erfdeel”. Welnu de tucht valt onder 210de zeden. De (gewone) Glossa immers merkt op het woord: “Heel de lering”, enz. (uit de Brief aan de Hebreërs, 12, 11) aan: “De tucht is de opvoeding van de zeden door moeilijkheden”. Dus bevatte de wet, door God gegeven, zedelijke voorschriften.

Respondeo dicendum, quod lex vetus continebat praecepta quaedam moralia, ut patet Exod. 20. [v. 13, 15] : « Non occides. Non furtum facies. » Et hoc rationabiliter. Nam sicut intentio principalis legis humanae est, ut faciat amicitiam hominum ad invicem, ita intentio divinae legis est, ut constituat principaliter amicitiam hominis ad Deum. Cum autem similitudo sit ratio amoris, secundum illud Eccli. 13. [v. 19] : « Omne animal diligit simile sibi », impossibile est esse amicitiam hominis ad Deum, qui est optimus, nisi homines efficiantur boni. Unde dicitur Levit. 19 [v. 2.] : « Sancti eritis, quoniam ego sanctus sum. » Bonitas autem hominis est virtus, quae fecit bonum habentem, et ideo oportuit praecepta legis veteris etiam de actibus virtutum dari; et haec sunt moralia legis praecepta.

Leerstelling. — De Oude Wet bevatte enkele zedelijke voorschriften. Dit blijkt uit Exodus (20, 13-15) : « Gij zult niet dooden. Gij zult niet stelen ». Dit was redelijk; want gelijk het de bedoeling is van den menschelijken wetgever, vriendschap te stichten tusschen de menschen onderling, zoo is het de bedoeling van den goddelijken wetgever vriendschap te stichten tusschen de menschen en God. Daar nu volgens de woorden uit het Boek Ecclesiasticus (13,19) : « Ieder dier bemint zijns gelijke », de gelijkheid de grondslag van de liefde is, is de vriendschap tusschen den mensch, en God, die het hoogste is, onmogelijk, zonder dat de menschen goed gemaakt worden. Vandaar wordt er in Leviticus (19, 2) gezegd : « Weest heilig, daar Ik heilig ben ». Het goed zijn echter van den mensch onstaat door de deugd, die hem in wien ze is, goed maakt. Daarom moeten er ook 211voorschriften gegeven worden met betrekking tot de deugddaden; en dit zijn de zedelijke voorschriften.Leerstelling. — De Oude Wet bevatte enkele zedelijke voorschriften. Dit blijkt uit Exodus (20, 13-15): “Gij zult niet doden. Gij zult niet stelen”. Dit was redelijk; want gelijk het de bedoeling is van de menselijke wetgever, vriendschap te stichten tussen de mensen onderling, zo is het de bedoeling van de goddelijke wetgever vriendschap te stichten tussen de mensen en God. Daar nu volgens de woorden uit het Boek Sirach (13,19): “Ieder dier bemint zijns gelijke”, de gelijkheid de grondslag van de liefde is, is de vriendschap tussen de mens, en God, die het hoogste is, onmogelijk, zonder dat de mensen goed gemaakt worden. Vandaar wordt er in Leviticus (19, 2) gezegd: “Weest heilig, daar Ik heilig ben”. Het goed zijn echter van de mens onstaat door de deugd, die hem in wie ze is, goed maakt. Daarom moeten er ook 211voorschriften gegeven worden met betrekking tot de deugddaden; en dit zijn de zedelijke voorschriften.

↑ bedenking 1

211Ad primum ergo dicendum, quod [Hier is in de Latijnsche tekst van de uitgave een regel weggevallen; in de plaats daarvan staat de eerste regel van het «Ad secundum»:] legi divinae conveniens erat, ut non non tamquam ab ea omnino aliena, sed tamquam ei aliquid superaddens. Sicut enim gratia praesupponit naturam, ita oportet, quod lex divina praesupponat legem naturalem.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Oude Wet verschilt van de natuurwet niet heel en al, maar als iets wat er aan toegevoegd is. Evenals nu de genade de natuur veronderstelt, zoo ook veronderstelt de goddelijke wet de natuurwet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Oude Wet verschilt van de natuurwet niet heel en al, maar als iets wat er aan toegevoegd is. Evenals nu de genade de natuur veronderstelt, zo ook veronderstelt de goddelijke wet de natuurwet.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod legi divinae conveniens erat, ut non solum provideret homini in his, ad quae ratio non potest, sed etiam in his, circa quae contingit rationem hominis impediri. Ratio autem hominis circa praecepta moralia quantum ad ipsa communissima praecepta legis naturae non poterat errare in universali; sed tamen propter consuetudinem peccandi obscurabatur in particularibus agendis; circa alia vero praecepta moralia quae sunt quasi conclusiones deductae ex communibus principiis legis naturae multorum ratio oberrabat, ita ut quaedam, quae sunt secundum se mala, ratio multorum licita judicaret. Unde oportuit contra utrumque defectum homini subveniri per auctoritatem legis divinae, sicut etiam inter credenda nobis proponuntur non solum ea, ad quae ratio attingere non potest, ut Deum esse trinum, sed etiam ea, ad quae ratio pertingere potest, ut Deum 212esse unum, ad excludendum rationis humanae errorem, qui accidebat in multis.

2. Het paste de goddelijke wet, dat zij niet alleen zorgde voor den mensch met betrekking tot die dingen, die het verstand te boven gaan, maar ook met betrekking tot die dingen, waartoe het verstand soms verhinderd wordt. Welnu het verstand van den mensch kan zich niet vergissen omtrent de zedelijke voorschriften, die de meest algemeene voorschriften van de natuurwet zijn, wel echter in bijzondere gevallen, wanneer het verstand verduisterd is door de gewoonte om te zondigen. Omtrent de overige zedelijke voorschriften, die besluiten zijn uit de algemeene beginselen van de natuurwet, verkeerde het verstand van vele menschen in dwaling, zoodat veler verstand voor geoorloofd hield wat op zich zelf kwaad was. Daarom moest de mensch tegen deze beide tekortkomingen geholpen worden door het 212gezag van de goddelijke wet, gelijk ons met betrekking tot de waarheden des geloofs niet alleen die waarheden worden voorgesteld, die het verstand te boven gaan, zooals, dat er drie personen zijn in God, maar ook die waarheden, die een goed geordend verstand kan vatten, zooals, dat er maar één God is. Dit gebeurt om de dwaling uit te sluiten van het menschelijk verstand, die met betrekking tot veel waarheden onstaat.2. Het paste de goddelijke wet, dat zij niet alleen zorgde voor de mens met betrekking tot die dingen, die het verstand te boven gaan, maar ook met betrekking tot die dingen, waartoe het verstand soms verhinderd wordt. Welnu het verstand van de mens kan zich niet vergissen omtrent de zedelijke voorschriften, die de meest algemene voorschriften van de natuurwet zijn, wel echter in bijzondere gevallen, wanneer het verstand verduisterd is door de gewoonte om te zondigen. Omtrent de overige zedelijke voorschriften, die besluiten zijn uit de algemene beginselen van de natuurwet, verkeerde het verstand van vele mensen in dwaling, zodat veler verstand voor geoorloofd hield wat op zichzelf kwaad was. Daarom moest de mens tegen deze beide tekortkomingen geholpen worden door het 212gezag van de goddelijke wet, gelijk ons met betrekking tot de waarheden van het geloof niet alleen die waarheden worden voorgesteld, die het verstand te boven gaan, zoals, dat er drie personen zijn in God, maar ook die waarheden, die een goed geordend verstand kan vatten, zoals, dat er maar één God is. Dit gebeurt om de dwaling uit te sluiten van het menselijk verstand, die met betrekking tot veel waarheden onstaat.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Augustinus probat in lib, de Spiritu et Litera [cap. 14.], etiam literam legis quantum ad praecepta moralia occidere dicitur occasionaliter, inquantum scilicet praecipit quod bonum est, non praebens auxilium gratiae ad implendum.

3. Augustinus zegt in zijn Boek Over de letter en den geest (XIVe H.), dat ook de letter van de wet met betrekking tot de zedelijke voorschriften soms doodt, nl. als een aanleidende oorzaak, in zoover zij iets beveelt wat goed is, maar de hulp van de genade niet geeft om het te volbrengen.3. Augustinus zegt in zijn Boek Over de letter en de geest (14e H.), dat ook de letter van de wet met betrekking tot de zedelijke voorschriften soms doodt, nl. als een aanleidende oorzaak, in zover zij iets beveelt wat goed is, maar de hulp van de genade niet geeft om het te volbrengen.

Articulus III

Utrum lex vetus contineat praecepta caeremonialia praeter moralia

[Infr. art. 4. et 5. corp. et q. 101. art. 1. 2. et 4. corp. et q. 103. art. 3. corp. et ad 3. q. 104. art. 4. et 2-2. q. 22. art. 1. ad 2. et Quodl. 2. art. 3. corp. et Quodl. 4. art. 13. corp.]
IIIe Artikel

Bevat de Oude Wet, buiten de zedelijke voorschriften, ook ceremonieel-voorschriften?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non contineat praecepta caeremonialia praeter moralia : omnis enim lex, quae hominibus data, 213est directiva humanorum actuum; actus autem humani morales dicuntur, ut supra dictum est [q. 1, art, 3.] ; ergo videtur, quod in lege veteri hominibus data non debeant contineri nisi praecepta moralia.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet, buiten de zedelijke voorschriften, geen ceremonieel-voorschriften 213bevat. — 1. Iedere wet immers, die ons door de menschen gegeven wordt, geeft richting aan de menschelijke daden. Welnu de menschelijke daden worden zedelijk genoemd, zooals hierboven gezegd is (IeKw., 3e Art.). Het blijkt dus, dat de Oude Wet alleen zedelijke voorschriften moest bevatten.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet, buiten de zedelijke voorschriften, geen ceremonieel-voorschriften 213bevat. — 1. Iedere wet immers, die ons door de mensen gegeven wordt, geeft richting aan de menselijke daden. Welnu de menselijke daden worden zedelijk genoemd, zoals hierboven gezegd is (IeKw., 3e Art.). Het blijkt dus, dat de Oude Wet alleen zedelijke voorschriften moest bevatten.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, praecepta, quae dicuntur caeremonialia, videntur ad divinum cultum pertinere; sed divinus cultus est actus virtutis, scilicet religionis, quae, ut Tullius dicit in sua Rhetor. [lib. 2. de Invent. cap. 53.], « divinae naturae cultum, caeremoniamque affert. » Cum igitur praecepta moralia sint de actibus virtutum, ut dictum est [art. praec.], videtur, quod praecepta caeremonialia non sint distinguenda a moralibus.

2. De ceremonieel-voorschriften hebben betrekking op den eeredienst van God. Welnu de eeredienst is een deugddaad, nl. van de deugd van godsdienst, die zooals Tullius zegt in zijn Rhetorica (IIe B., LIIIe H.) aan God den dienst wijdt en de eerbewijzen, die toekomen aan de goddelijke natuur. Daar dus de zedelijke voorschriften over deugddaden gaan, zooals (in het vorig Artikel) bewezen is, moeten de ceremonieel-voorschriften niet onderscheiden worden van de zedelijke.2. De ceremonieel-voorschriften hebben betrekking op de eredienst van God. Welnu de eredienst is een deugddaad, nl. van de deugd van godsdienst, die zoals Tullius zegt in zijn Rhetorica (2e B., 53e H.) aan God de dienst wijdt en de eerbewijzen, die toekomen aan de goddelijke natuur. Daar dus de zedelijke voorschriften over deugddaden gaan, zoals (in het vorig Artikel) bewezen is, moeten de ceremonieel-voorschriften niet onderscheiden worden van de zedelijke.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, praecepta caeremonialia esse videntur, quae figurative aliquid significant; sed sicut Augustinus dicit in 2. de Doctr. Christ. [cap. 3.], « verba inter homines obtinuerunt principatum significandi. » Ergo nulla necessitas fuit, ut in lege continentur praecepta caeremonialia de aliquibus actibus figurativis.

3. De ceremonieel-voorschriften zijn die, welke iets figuurlijk beteekenen. Welnu volgens Augustinus in zijn Boek Over de Christelijke Leer (IIe B., IIIe H.), nemen onder de teekenen, die de menschen gebruiken, de woorden de eerste plaats in. Dus was het niet noodig, dat de Wet ceremonieel-voorschriften bevatte, die sommige handelingen figuurlijk zouden beteeken.3. De ceremonieel-voorschriften zijn die, welke iets figuurlijk betekenen. Welnu volgens Augustinus in zijn Boek Over de Christelijke Leer (2e B., 3e H.), nemen onder de tekenen, die de mensen gebruiken, de woorden de eerste plaats in. Dus was het niet nodig, dat de Wet ceremonieel-voorschriften bevatte, die sommige handelingen figuurlijk zouden beteken.

214Sed contra est, quod dicitur Deut. 4 [v. 13 sq.] : « Decem verba, quae scripsit in duabus tabulis lapideis, mihique mandavit in illo tempore ut docerem vos caeremonias et judicia, quae facere deberetis. » Sed decem praecepta legis sunt moralia; ergo praeter praecepta moralia sunt etiam alia praecepta caeremonialia.

214Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (4, 13 v. v.) : « Hij maakte mij zijn verbond bekend, en de tien woorden, welke Hij op twee steenen tafelen schreef, en Hij gelastte mij te dien tijde, dat ik U de plechtgebruiken en oordeelen zou leeren, welke gij moest onderhouden ». Welnu de tien voorschriften van de Wet hangen af van de zedelijke voorschriften. Dus zijn er buiten de zedelijke voorschriften nog ceremonieel-voorschriften.214Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (4, 13 v. v.): “Hij maakte mij zijn verbond bekend, en de tien woorden, welke Hij op twee stenen tafelen schreef, en Hij gelastte mij te die tijde, dat ik U de plechtgebruiken en oordelen zou leren, welke gij moest onderhouden”. Welnu de tien voorschriften van de Wet hangen af van de zedelijke voorschriften. Dus zijn er buiten de zedelijke voorschriften nog ceremonieel-voorschriften.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], lex divina principaliter instituitur ad ordinandum homines ad Deum; lex autem humana principaliter ad ordinandum homines ad invicem. Et ideo leges humanae non curaverunt aliquid instituere de culto divino, nisi in ordine ad bonum commune hominum; et propter hoc etiam multa confinxerunt circa res divinas, secundum quod videbatur eis expediens ad informandos mores hominum, sicut patet in ritu Gentilium.

Leerstelling. — Zooals we (in het vorig Artikel) gezegd hebben, is de goddelijke wet vooral ingesteld, [De vertaling van «ad ordinandum homines ad Deum; lex autem humana principaliter…» ontbreekt in de uitgave.] om de menschen onderling te ordenen. Daarom hebben de menschelijke wetten niets verordend met betrekking tot den eeredienst van God, tenzij met het oog op het algemeen welzijn van de menschen. Daarom moest er ook veel bepaald worden, met betrekking tot de goddelijke dingen, voor zoover het nuttig bleek om de zeden van de menschen te vormen, gelijk blijkt uit den eeredienst der heidenen.Leerstelling. — Zoals we (in het vorig Artikel) gezegd hebben, is de goddelijke wet vooral ingesteld, [De vertaling van “ad ordinandum homines ad Deum; lex autem humana principaliter…” ontbreekt in de uitgave.] om de mensen onderling te ordenen. Daarom hebben de menselijke wetten niets verordend met betrekking tot de eredienst van God, tenzij met het oog op het algemeen welzijn van de mensen. Daarom moest er ook veel bepaald worden, met betrekking tot de goddelijke dingen, voor zover het nuttig bleek om de zeden van de mensen te vormen, gelijk blijkt uit de eredienst van de heidenen.

Sed lex divina e converso homines ad invicem ordinavit, secundum quod conveniebat ordini, qui est in Deum, quem principaliter intendebat; ordinatur 215autem homo in Deum non solum per interiores actus mentis, qui sunt credere, sperare, et amare, sed etiam per quaedam exteriora opera, quibus homo divinam servitutem profitetur. Et ista opera dicuntur ad cultum Dei pertinere : qui quidem cultus caeremonia vocatur, quasi munia, idest dona Cereris, quae dicebatur Dea frugum, eo quod primo ex frugibus oblationes Deo offerebantur; sive, ut Maximus Valerius refert [Factorum Dictorumque Memorab., Lib. 1. cap. 1.], nomen caeremoniae introductum est ad significandum cultum divinum apud Latinos, a quodam oppido juxta Romam, quod Caere vocabatur, eo quod Roma capta a Gallis, illic sacra Romanorum oblata sunt, et reverendissime habita.

Maar de goddelijke wet daarentegen ordent de menschen onderling, in zoover het noodig was voor de ordening der menschen 215tot God, welke orde het voornaamste voorwerp is van de wet. De mensch echter wordt tot God geordend, niet alleen door de innerlijke daden van den geest, nl. gelooven, hopen, en beminnen, maar ook door sommige uiterlijke werken, waardoor de mensch blijk geeft van zijn dienstbaarheid aan God. Van deze werken nu zegt men, dat ze betrekking hebben op den dienst van God. Dezen dienst echter noemt men in het Latijn Caeremonia, d. i. munia (gaven) van Cere, de Godin der vruchten, omdat de eerste offers, die aan God werden opgedragen, vruchten waren. Volgens Maximus Valerius echter (Over woorden en werken, Ie B., Ie H.), werd de naam caeremonia eerst gebruikt om den eeredienst van God aan te duiden bij de Latijnen, naar den naam van een stad bij Rome, die Caere genoemd werd, omdat, toen Rome door de Galliërs genomen was, de offers der Romeinen aldaar werden opgedragen en in eere gehouden.Maar de goddelijke wet daarentegen ordent de mensen onderling, in zover het nodig was voor de ordening van de mensen 215tot God, welke orde het voornaamste voorwerp is van de wet. De mens echter wordt tot God geordend, niet alleen door de innerlijke daden van de geest, nl. geloven, hopen, en beminnen, maar ook door sommige uiterlijke werken, waardoor de mens blijk geeft van zijn dienstbaarheid aan God. Van deze werken nu zegt men, dat ze betrekking hebben op de dienst van God. Deze dienst echter noemt men in het Latijn Caeremonia, d.i. munia (gaven) van Cere, de Godin van de vruchten, omdat de eerste offers, die aan God werden opgedragen, vruchten waren. Volgens Maximus Valerius echter (Over woorden en werken, 1e B., 1e H.), werd de naam caeremonia eerst gebruikt om de eredienst van God aan te duiden bij de Latijnen, naar de naam van een stad bij Rome, die Caere genoemd werd, omdat, toen Rome door de Galliërs genomen was, de offers van de Romeinen aldaar werden opgedragen en in ere gehouden.

Sic igitur illa praecepta, quae in lege pertinent ad cultum Dei, specialiter caeremonialia dicuntur.

Daarom worden die voorschriften, die in de Wet betrekking hebben op den eeredienst van God, speciaal ceremonieel-voorschriften genoemd.Daarom worden die voorschriften, die in de Wet betrekking hebben op de eredienst van God, speciaal ceremonieel-voorschriften genoemd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod humani actus se extendunt etiam ad cultum divinum; et ideo etiam de his continet praecepta lex vetus hominibus data.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De menschelijke daden strekken zich ook uit over den eeredienst van God, en 216daarom bevatte de Oude Wet, aan de menschen gegeven, ook voorschriften met betrekking tot den eeredienst.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De menselijke daden strekken zich ook uit over de eredienst van God, en 216daarom bevatte de Oude Wet, aan de mensen gegeven, ook voorschriften met betrekking tot de eredienst.

↑ bedenking 2

216Ad secundum dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 91. art. 3.], praecepta legis naturae communia sunt, et indigent determinatione : determinantur autem et per legem humanam, et per legem divinam. Et sicut ipsae determinationes, quae fiunt per legem humanam, non dicuntur esse de lege naturae, sed de jure positivo, ita ipsae determinationes praeceptorum legis naturae, quae fiunt per legem divinam, distinguuntur a praeceptis moralibus, quae pertinent ad legem naturae. Colere ergo Deum, cum sit actus virtutis, pertinet ad preceptum morale; sed determinatio hujus praecepti, ut scilicet colatur talibus hostiis, et talibus muneribus, hoc pertinet ad praecepta caeremonialia, et ideo praecepta caeremonialia distinguuntur a praeceptis moralibus.

2. Gelijk vroeger gezegd is (XCIe Kw., 3e Art.), zijn de voorschriften der natuurwet algemeen, en hebben ze een verdere bepaling noodig. Ze worden nu nader bepaald én door de menschelijke wet, én door de goddelijke wet. Gelijk men nu niet zegt, dat de bepalingen zelf, die door de menschelijke wet gemaakt zijn, tot de natuurwet behooren, maar tot het positief recht, zoo ook worden de nadere bepalingen der voorschriften van de natuurwet, die door de goddelijke wet gemaakt worden, onderscheiden van de zedelijke voorschriften, die tot de natuurwet behooren. God dienen valt dus, daar het een deugddaad is, onder de zedelijke voorschriften, terwijl de nadere bepaling van het voorschrift, nl. dat God gediend moet worden met dergelijke offers, en met dergelijke offergaven, onder de ceremonieel-voorschriften valt, en daarom worden de beide soorten voorschriften onderscheiden.2. Gelijk vroeger gezegd is (91e Kw., 3e Art.), zijn de voorschriften van de natuurwet algemeen, en hebben ze een verdere bepaling nodig. Ze worden nu nader bepaald én door de menselijke wet, én door de goddelijke wet. Gelijk men nu niet zegt, dat de bepalingen zelf, die door de menselijke wet gemaakt zijn, tot de natuurwet behoren, maar tot het positief recht, zo ook worden de nadere bepalingen van de voorschriften van de natuurwet, die door de goddelijke wet gemaakt worden, onderscheiden van de zedelijke voorschriften, die tot de natuurwet behoren. God dienen valt dus, daar het een deugddaad is, onder de zedelijke voorschriften, terwijl de nadere bepaling van het voorschrift, nl. dat God gediend moet worden met dergelijke offers, en met dergelijke offergaven, onder de ceremonieel-voorschriften valt, en daarom worden de beide soorten voorschriften onderscheiden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Dionysius dicit 1. cap. Coel. Hier., divina hominibus manifestari non possunt, nisi sub aliquibus similitudinibus sensibilibus, ipsae autem similitudines magis movent animum, quando non solum verbo exprimuntur, sed etiam sensui offeruntur. Et ideo divina 217traduntur in Scripturis non solum per similitudines verbo expressas, sicut patet in metaphoricis locutionibus, sed etiam per similitudines rerum, quae visui proponuntur, quod pertinet ad praecepta caeremonialia.

3. Zooals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelkoren (Ie H.), kunnen de goddelijke dingen aan de menschen niet geopenbaard worden, dan onder zintuiglijk-waarneembare 217gelijkenissen. De gelijkenissen nu spreken den geest meer aan, wanneer ze niet alleen door woorden worden uitgedrukt, maar ook aan de zintuigen worden voorgesteld. En daarom worden in de H. Schrift de goddelijke dingen voorgesteld, niet alleen door gelijkenissen in woorden, zooals blijkt in overdrachtelijke spreekwijzen, maar ook door gelijkende zaken, die aan het gezicht worden voorgesteld, wat valt onder de ceremonieel-voorschriften.3. Zoals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelkoren (1e H.), kunnen de goddelijke dingen aan de mensen niet geopenbaard worden, dan onder zintuiglijk-waarneembare 217gelijkenissen. De gelijkenissen nu spreken de geest meer aan, wanneer ze niet alleen door woorden worden uitgedrukt, maar ook aan de zintuigen worden voorgesteld. En daarom worden in de H. Schrift de goddelijke dingen voorgesteld, niet alleen door gelijkenissen in woorden, zoals blijkt in overdrachtelijke spreekwijzen, maar ook door gelijkende zaken, die aan het gezicht worden voorgesteld, wat valt onder de ceremonieel-voorschriften.

Articulus IV

Utrum praeter praecepta moralia et caeremonialia sint etiam praecepta judicialia

[Infr. art. 5. corp. et q. 101. art. 1. corp. et q. 103. art. 1. corp. et q. 104. art. 1. et 2-2. q. 77. art. 1. corp. et q. 122. art. 1. ad 2. et lib. 3. Contr. g. cap. 128 et Quodl. 2. art. 8. corp. et 4. art. 1. corp.].
IVe Artikel

Zijn er buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften ook nog rechtsregels?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod praeter praecepta moralia et caeremonialia, non sint aliqua praecepta judicialia in veteri lege : dicit enim Augustinus contra Faustum [lib. 6, cap, 2. et lib, 10, cap, 2.], quod 218in lege veteri sunt praecepta vitae agendae, et praecepta vitae significandae; sed praecepta vitae agendae sunt moralia, praecepta autem vitae significandae sunt caeremonialia; ergo praeter haec duo genera praeceptorum non sunt ponenda in lege alia praecepta judicialia.

Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften geen rechtsregels zijn in de Oude Wet. — 1. Augustinus immers zegt in zijn Boek Tegen Faustus (VIe B.,IIe H.; Xe B. IIe H.), dat er in de Oude Wet voorschriften zijn, die in het leven gedaan moeten worden, en voorschriften, die iets beteekenen in het leven. Welnu de voorschriften, die in het 218leven gedaan moeten worden, zijn de zedelijke voorschriften, de voorschriften echter, die iets beteekenen, zijn ceremonieel-voorschriften. Dus moeten er buiten die twee soorten voorschriften geen andere op rechtsgebied aangenomen worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften geen rechtsregels zijn in de Oude Wet. — 1. Augustinus immers zegt in zijn Boek Tegen Faustus (6e B.,2e H.; tiende B. 2e H.), dat er in de Oude Wet voorschriften zijn, die in het leven gedaan moeten worden, en voorschriften, die iets betekenen in het leven. Welnu de voorschriften, die in het 218leven gedaan moeten worden, zijn de zedelijke voorschriften, de voorschriften echter, die iets betekenen, zijn ceremonieel-voorschriften. Dus moeten er buiten die twee soorten voorschriften geen andere op rechtsgebied aangenomen worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, super illud Ps. 118 [v. 102] : « A judiciis tuis non declinavi », dicit Glossa [ord. Cassiod.] : « Idest ab his, quae constituisti regulam vivendi. » Sed regula vivendi pertinet ad praecepta moralia; ergo praecepta judicialia non sunt distinguenda a moralibus.

2. Bij het woord van den Psalmist (Psalm 118, 102) : « Van uwe geboden ben ik niet afgeweken », teekent de (gewone) Glossa (van Cassiodorus) aan : « Dat is, van die dingen, die Gij tot levensregel hebt gemaakt ». Welnu een levensregel valt onder de zedelijke voorschriften. Dus moeten de rechtsregels niet onderscheiden worden van de zedelijke voorschriften.2. Bij het woord van de Psalmist (Psalm 118, 102)a: “Van uw geboden ben ik niet afgeweken”, tekent de (gewone) Glossa (van Cassiodorus) aan: “Dat is, van die dingen, die Gij tot levensregel hebt gemaakt”. Welnu een levensregel valt onder de zedelijke voorschriften. Dus moeten de rechtsregels niet onderscheiden worden van de zedelijke voorschriften.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, judicium videtur esse actus justitiae, secundum illud Ps. 93. [v. 15] : « Quoadusque justitia convertatur in judicium. » Sed actus justitiae, sicut et actus caeterarum virtutum, pertinet ad praecepta moralia; ergo praecepta moralia includunt in se judicialia, et sic non debent ab eis distingui.

3. Een rechtsoordeel is een daad der rechtvaardigheid, krachtens het woord van den Psalmist (Psalm 93, 15) : « Totdat gerechtigheid weder kome tot recht ». Welnu de daden der rechtvaardigheid vallen, evenals de andere deugddaden, onder de zedelijke voorschriften. Dus sluiten de zedelijke voorschriften de rechtsregels in zich, en moeten er dus niet van onderscheiden worden.3. Een rechtsoordeel is een daad van de rechtvaardigheid, krachtens het woord van de Psalmist (Psalm 93, 15)b: “Totdat gerechtigheid weder kome tot recht”. Welnu de daden van de rechtvaardigheid vallen, evenals de andere deugddaden, onder de zedelijke voorschriften. Dus sluiten de zedelijke voorschriften de rechtsregels in zich, en moeten er dus niet van onderscheiden worden.

Sed contra est, quod dicitur Deut. 6 [v. 1] : « Haec sunt praecepta, et caeremoniae, atque judicia. » Praecepta autem antonomastice dicuntur 219moralia; ergo praeter praecepta moralia et caeremonialia, sunt etiam judicialia.

Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (6,1) : « Dit zijn de voorschriften, plechtgebruiken en 219rechtsuitspraken ». De zedelijke voorschriften nu worden, als de voornaamste, voorschriften genoemd. Dus zijn er buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften nog rechtsregels.Maar daartegenover staat het gezegde in Deuteronomium (6,1): “Dit zijn de voorschriften, plechtgebruiken en 219rechtsuitspraken”. De zedelijke voorschriften nu worden, als de voornaamste, voorschriften genoemd. Dus zijn er buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften nog rechtsregels.

Respondeo dicendum, quod sicut dictum est [art. 2. et 3. huj. q.], ad legem divinam pertinet, ut ordinet homines ad invicem et ad Deum. Utrumque autem horum in communi quidem pertinet ad dictamen legis naturae, ad quod referuntur moralia praecepta; sed oportet, quod determinetur utrumque per legem divinam vel humanam, quia principia naturaliter nota sunt communia tam in speculativis, quam in activis. Sicut igitur determinatio communis praecepti de cultu divino fit per praecepta caeremonialia, sic et determinatio communis praecepti de justitia observanda inter homines determinatur per praecepta judicialia.

Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (2e en 3e Art.), komt het aan de goddelijke wet toe, de menschen onderling en tot God te ordenen. Beide echter vallen in het algemeen onder de uitspraak der natuurwet, waartoe de zedelijke voorschriften behooren. Maar beide moeten nader bepaald worden door de goddelijke of door de menschelijke wet, omdat de van nature gekende beginselen algemeen zijn, zoowel in de beschouwende als in de praktische orde. Evenals dus de nadere bepaling van een algemeen voorschrift op godsdienstig gebied plaats heeft door de bijzondere ceremonieel-voorschriften, zoo ook worden de algemeene voorschriften met betrekking tot het onderhouden der rechtvaardigheid tusschen de menschen nader omschreven door de bijzondere rechtsregels.Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (2e en 3e Art.), komt het aan de goddelijke wet toe, de mensen onderling en tot God te ordenen. Beide echter vallen in het algemeen onder de uitspraak van de natuurwet, waartoe de zedelijke voorschriften behoren. Maar beide moeten nader bepaald worden door de goddelijke of door de menselijke wet, omdat de van nature gekende beginselen algemeen zijn, zowel in de beschouwende als in de praktische orde. Evenals dus de nadere bepaling van een algemeen voorschrift op godsdienstig gebied plaats heeft door de bijzondere ceremonieel-voorschriften, zo ook worden de algemene voorschriften met betrekking tot het onderhouden van de rechtvaardigheid tussen de mensen nader omschreven door de bijzondere rechtsregels.

Et secundum hoc oportet tria praecepta legis veteris ponere, scilicet moralia, quae sunt de dictamine legis naturae; caeremonialia, quae sunt determinationes cultus divini; et judicialia, quae sunt determinationes justitiae inter 220homines observandae. Unde cum Apostolus Rom. cap. 7 [v. 12] dixisset quod lex est sancta, subjungit, quod mandatum est justum, et bonum, et sanctum. Justum quidem quantum ad judicialia, sanctum quantum ad caeremonialia [nam sanctum dicitur, quod est Deo dicatum], bonum, idest honestum, quantum ad moralia.

Volgens deze redeneering moeten we drie soorten voorschriften in de Oude Wet onderscheiden, nl. zedelijke voorschriften, die 220vallen onder de uitspraken der natuurwet, ceremonieel-voorschriften, of nadere bepalingen omtrent den eeredienst van God, en rechtsregels, of nadere bepalingen met betrekking tot de rechtvaardigheid, die onder de menschen moet in acht genomen worden. Vandaar laat de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (7, 12), wanneer hij gezegd heeft, dat de wet heilig is, er op volgen, dat het gebod rechtvaardig, goed en heilig is : rechtvaardig, met het oog op de rechtsregels; heilig, met het oog op de ceremonieel-voorschriften (want heilig wordt genoemd, wat aan God is toegewijd) ; goed, d. i. eervol, met het oog op de zedelijke voorschriften.Volgens deze redenering moeten we drie soorten voorschriften in de Oude Wet onderscheiden, nl. zedelijke voorschriften, die 220vallen onder de uitspraken van de natuurwet, ceremonieel-voorschriften, of nadere bepalingen omtrent de eredienst van God, en rechtsregels, of nadere bepalingen met betrekking tot de rechtvaardigheid, die onder de mensen moet in acht genomen worden. Vandaar laat de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (7, 12), wanneer hij gezegd heeft, dat de wet heilig is, er op volgen, dat het gebod rechtvaardig, goed en heilig is: rechtvaardig, met het oog op de rechtsregels; heilig, met het oog op de ceremonieel-voorschriften (want heilig wordt genoemd, wat aan God is toegewijd); goed, d.i. eervol, met het oog op de zedelijke voorschriften.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod tam praecepta moralia, quam etiam judicialia, pertinent ad directionem vitae humanae; et ideo utraque continentur sub uno membro illorum, quae ponit Augustinus, scilicet sub praeceptis vitae agendae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoowel de zedelijke voorschriften als de rechtsregels hebben betrekking op de leiding van het menschelijk leven. Daarom zijn beide vervat in het eene lid van de verdeeling, die Augustinus vaststelt, nl. in hetgeen in het leven gedaan moet worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zowel de zedelijke voorschriften als de rechtsregels hebben betrekking op de leiding van het menselijk leven. Daarom zijn beide vervat in het ene lid van de verdeling, die Augustinus vaststelt, nl. in hetgeen in het leven gedaan moet worden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod judicium significat executionem justitiae, quae quidem est secundum applicationem rationis ad aliqua particularia determinate; unde praecepta judicialia communicant in aliquo cum moralibus, inquantum scilicet a ratione derivantur; et in aliquo cum caeremonialibus, inquantum scilicet sunt quaedam determinationes communium 221praeceptorum; et ideo quandoque sub judiciis comprehenduntur praecepta judicialia et moralia, sicut dicitur Deut. 5 [v. 1] : « Audi, Israël, caeremonias atque judicia », quandoque vero judicialia, et caeremonialia, sicut dicitur Lev. 18 [v. 4] : « Facietis judicia mea, et praecepta mea servabitis », ubi praecepta ad moralia referuntur, judicia vero ad judicialia et caeremonialia.

2. Het rechtsoordeel is de uitoefening der rechtvaardigheid, wat geschiedt volgens de toepassing van de rede op enkele bijzondere 221bepaalde gevallen. Vandaar komen de rechtsregels in iets met de zedelijke voorschriften overeen, in zoover zij door de rede worden afgeleid; en in iets met de ceremonieel-voorschriften, in zoover zij nadere bepalingen zijn van de algemeene voorschriften. Zoodan worden soms de rechtsregels en zedelijkheidsvoorschriften gerekend bij de rechtsuitspraken, zooals in Deuteronomium (5, 1) gezegd wordt : « Hoor, Israel, de ceremoniën en rechtsuitspraken »; soms echter bij de rechtsregels en ceremonieel-voorschriften, zooals in Leviticus (18, 4) gezegd wordt : « Gij zult mijne rechtsuitspraken doen, en mijne geboden zult gij onderhouden »; geboden heeft hier betrekking op de zedelijke voorschriften; rechtsuitspraken echter op de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften.2. Het rechtsoordeel is de uitoefening van de rechtvaardigheid, wat geschiedt volgens de toepassing van de rede op enkele bijzondere 221bepaalde gevallen. Vandaar komen de rechtsregels in iets met de zedelijke voorschriften overeen, in zover zij door de rede worden afgeleid; en in iets met de ceremonieel-voorschriften, in zover zij nadere bepalingen zijn van de algemene voorschriften. Zoodan worden soms de rechtsregels en zedelijkheidsvoorschriften gerekend bij de rechtsuitspraken, zoals in Deuteronomium (5, 1) gezegd wordt: “Hoor, Israël, de ceremoniën en rechtsuitspraken”; soms echter bij de rechtsregels en ceremonieel-voorschriften, zoals in Leviticus (18, 4) gezegd wordt: “Gij zult mijn rechtsuitspraken doen, en mijn geboden zult gij onderhouden”; geboden heeft hier betrekking op de zedelijke voorschriften; rechtsuitspraken echter op de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod actus justitiae in generali pertinet ad praecepta moralia; sed determinatio ejus in speciali pertinet ad praecepta judicialia.

3. De daden van rechtvaardigheid behooren tot de zedelijke voorschriften, wanneer men ze algemeen beschouwt, en tot de rechtsregels, wanneer men hun nadere bepaling beschouwt in een bijzonder geval.3. De daden van rechtvaardigheid behoren tot de zedelijke voorschriften, wanneer men ze algemeen beschouwt, en tot de rechtsregels, wanneer men hun nadere bepaling beschouwt in een bijzonder geval.

Articulus V

Utrum aliqua alia praecepta contineantur in lege veteri, praeter moralia, judicialia, et caeremonialia

[Supr. art. 4. corp. et Quodl. 2. art. 8. corp. et Gal. 5. lect. 3. et Heb. 7. lect. 2.].
Ve Artikel

Bevat de Oude Wet nog andere voorschriften buiten zedelijke en ceremonieel-voorschriften en rechtsregels

antwoord 1 ↓

222Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod aliqua alia praecepta contineantur in lege veteri, praeter moralia, judicialia, et caeremonialia : judicialia enim praecepta pertinent ad actum justitiae, quae est hominis ad hominem, caeremonialia vero pertinent ad actum religionis, qua Deus colitur; sed praeter has sunt multae aliae virtutes, scilicet temperantia, fortitudo, liberalitas, et aliae plures, ut supra dictum est [q. 60. art. 5.] ; ergo praeter praedicta oportet plura alia in lege veteri contineri.

222Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet nog andere voorschriften bevat buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften en de rechtsregels. — 1. De rechtsregels immers hebben betrekking op een daad van rechtvaardigheid, die van mensch tot mensch is; de ceremonieel-voorschriften echter hebben betrekking op een daad van godsdienst, waardoor God geëerd wordt. Welnu buiten deze zijn er nog vele andere deugden, nl. de matigheid, de sterkte, de vrijgezindheid en vele andere, zooals hierboven gezegd is (LXe Kw., 5e Art.). Dus moet de Oude Wet buiten de bovengenoemde voorschriften nog veel andere bevatten.222Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet nog andere voorschriften bevat buiten de zedelijke en ceremonieel-voorschriften en de rechtsregels. — 1. De rechtsregels immers hebben betrekking op een daad van rechtvaardigheid, die van mens tot mens is; de ceremonieel-voorschriften echter hebben betrekking op een daad van godsdienst, waardoor God geëerd wordt. Welnu buiten deze zijn er nog vele andere deugden, nl. de matigheid, de sterkte, de vrijgezindheid en vele andere, zoals hierboven gezegd is (60e Kw., 5e Art.). Dus moet de Oude Wet buiten de bovengenoemde voorschriften nog veel andere bevatten.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Deut. 11 [v. 1] dicitur : « Ama Dominum Deum tuum, et observa ejus praecepta et caeremonias et judicia, atque mandata. » 223Sed praecepta pertinent ad moralia, ut dictum est [art. praec.] ; ergo praeter moralia, judicialia, et caeremonialia, adhuc alia continentur in lege, quae dicuntur mandata.

2. In Deuteronomium (11, 1) wordt gezegd : « Bemin den Heer uw God, en onderhoud zijn gebod en ceremoniën en rechtspraken en bevelen ». Welnu, gelijk hierboven gezegd is (vorig Art.), hebben de geboden betrekking op de zedelijke 223voorschriften. Dus bevat de Wet buiten de zedelijkheidsvoorschriften, de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften, nog andere, die bevelen genoemd worden.2. In Deuteronomium (11, 1) wordt gezegd: “Bemin de Heer uw God, en onderhoud zijn gebod en ceremoniën en rechtspraken en bevelen”. Welnu, gelijk hierboven gezegd is (vorig Art.), hebben de geboden betrekking op de zedelijke 223voorschriften. Dus bevat de Wet buiten de zedelijkheidsvoorschriften, de rechtsregels en de ceremonieel-voorschriften, nog andere, die bevelen genoemd worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Deut. 6 [v. 17] dicitur : « Custodi praecepta Domini Dei tui et testimonia et caeremonias, quas tibi praecepi. » Ergo praeter omnia praecepta adhuc in lege testimonia continentur.

3. In Deuteronomium (6, 17) wordt gezegd : « Onderhoud de geboden van den Heer, uw God, en de getuigenissen en ceremoniën, welke Hij u geboden heeft ». Dus bevat de Wet behalve alle voorschriften nog getuigenissen.3. In Deuteronomium (6, 17) wordt gezegd: “Onderhoud de geboden van de Heer, uw God, en de getuigenissen en ceremoniën, welke Hij u geboden heeft”. Dus bevat de Wet behalve alle voorschriften nog getuigenissen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, in Psalmo 118 [v. 93] dicitur : « In aeternum non obliviscar justificationes tuas. » Glossa [interl.]: « Idest legem. » Ergo praecepta legis veteris non solum sunt moralia, caeremonialia, et judicialia, sed etiam justificationes.

4. Psalm 118, 93, wordt gezegd : « In eeuwigheid zal ik uw gerechtigheden niet vergeten », waarbij de Glossa aanteekent: « D. i. : de Wet ». Dus zijn de voorschriften der Wet niet alleen zedelijkheidsvoorschriften, rechtsregels en ceremonieel-voorschriften, maar ook gerechtigheden.4. Psalm 118, 93a, wordt gezegd: “In eeuwigheid zal ik uw gerechtigheden niet vergeten”, waarbij de Glossa aantekent: “D. i.: de Wet”. Dus zijn de voorschriften van de Wet niet alleen zedelijkheidsvoorschriften, rechtsregels en ceremonieel-voorschriften, maar ook gerechtigheden.

Sed contra est, quod dicitur Deut. 6. [v. 1]: « Haec sunt praecepta, caeremoniae atque judicia, quae mandavit Dominus Deus vobis », et haec ponuntur in principio legis; ergo omnia praecepta legis sub his comprehenduntur.

Maar daartegenover staat het gezegde van Deuteronomium (6, 1) : « Dit zijn de geboden, ceremoniën en rechtsuitspraken, die de Heer God u bevolen heeft », en dit staat bij het begin der Wet. Dus worden alle voorschriften der Wet hieronder verstaan.Maar daartegenover staat het gezegde van Deuteronomium (6, 1): “Dit zijn de geboden, ceremoniën en rechtsuitspraken, die de Heer God u bevolen heeft”, en dit staat bij het begin van de Wet. Dus worden alle voorschriften van de Wet hieronder verstaan.

Respondeo dicendum, quod in lege ponuntur aliqua tamquam praecepta, aliqua vero tamquam ad praeceptorum impletionem ordinata : 224praecepta quidem sunt de his, quae sunt agenda, ad quorum impletionem ex duobus homo inducitur, scilicet ex auctoritate praecipientis, et ex utilitate impletionis; quae quidem est consecutio alicujus boni utilis, delectabilis, vel honesti, aut fuga alicujus mali contrarii. Oportuit igitur in veteri lege proponi quaedam, quae auctoritatem Dei praecipientis indicarent, sicut Deut. 6 [v. 4]: « Audi, Israël: Dominus Deus tuus Deus unus est », et illud Genes. 1. [v. 1] : « In principio creavit Deus coelum et terram », et hujusmodi dicuntur testimonia.

Leerstelling. — In de Wet worden sommige voorschriften opgenomen als geboden, andere echter als gericht op de 224vervulling der geboden. De geboden nu gaan over die dingen, die gedaan moeten worden. Welnu tot de vervulling van de geboden kan de mensch door twee beweegredenen aangespoord worden, nl. door het gezag van die bevelen, en om het nut der vervulling, wat nl. het nastreven van een nut-goed, een genot-goed of een eervol goed is, of het ontwijken van een tegengesteld kwaad. Daarom moesten er in de Oude Wet sommige voorschriften voorgesteld worden, die het gezag van God, die beval, aanduiden, zooals dat van Deuteronomium (6, 4) : « Hoor, Israel : De Heer, uw God, is één », en dat van Genesis (1, 1) : « In het begin schiep God hemel en aarde ». Zulke worden getuigenissen genoemd.Leerstelling. — In de Wet worden sommige voorschriften opgenomen als geboden, andere echter als gericht op de 224vervulling van de geboden. De geboden nu gaan over die dingen, die gedaan moeten worden. Welnu tot de vervulling van de geboden kan de mens door twee beweegredenen aangespoord worden, nl. door het gezag van die bevelen, en om het nut van de vervulling, wat nl. het nastreven van een nut-goed, een genot-goed of een eervol goed is, of het ontwijken van een tegengesteld kwaad. Daarom moesten er in de Oude Wet sommige voorschriften voorgesteld worden, die het gezag van God, die beval, aanduiden, zoals dat van Deuteronomium (6, 4): “Hoor, Israël: De Heer, uw God, is één”, en dat van Genesis (1, 1): “In het begin schiep God hemel en aarde”. Zulke worden getuigenissen genoemd.

Oportuit etiam, quod in lege proponerentur quaedam praemia observantium legem, et poenae transgredientium, ut patet Deut. 18 : « Si audieris vocem Domini Dei tui, faciet te excelsiorem cunctis gentibus », etc.; et hujusmodi dicuntur justificationes, secundum quod Deus aliquos juste punit, vel praemiat.

Ook moesten er in de Oude Wet sommige belooningen voor de onderhouders der Wet en straffen voor de overtreders vastgesteld worden, zooals blijkt uit Deuteronomium (18) : « Indien gij naar de stem van den Heer uw God luistert... zal hij u verhevener maken dan alle volkeren », enz. Zulke worden gerechtigheden genoemd, in zoover God sommigen gerechtig straft of beloont.Ook moesten er in de Oude Wet sommige beloningen voor de onderhouders van de Wet en straffen voor de overtreders vastgesteld worden, zoals blijkt uit Deuteronomium (18): “Indien gij naar de stem van de Heer uw God luistert... zal hij u verhevener maken dan alle volkeren”, enz. Zulke worden gerechtigheden genoemd, in zover God sommigen gerechtig straft of beloont.

Ipsa autem agenda sub praecepto non cadunt; nisi inquantum habent aliquam debiti rationem. Est autem duplex debitum : 225unum quidem secundum regulam rationis, aliud autem secundum regulam legis determinantis, sicut Philosophus in 5. Ethic. [cap. 7.] distinguit duplex justum, scilicet morale et legale. Debitum autem morale est duplex : dictat enim ratio aliquid faciendum, vel tamquam necessarium, sine quo non potest esse ordo virtutis, vel tamquam utile ad hoc quod ordo virtutis melius conservetur; et secundum hoc quaedam moralium praecise praecipiuntur vel prohibentur in lege, sicut : Non occides; non furtum facies; et haec proprie dicuntur praecepta.

Die dingen nu die gedaan moeten worden, vallen niet onder een voorschrift, tenzij voor zoover zij eenigszins verplicht zijn. Welnu 225er is een dubbele verplichting, nl. een volgens de norm van het verstand, en een ander volgens de norm van een bepaalde wet, zooals ook de Wijsgeer (Ve Boek der Ethica, VIIe H., Nr 1) een dubbele gerechtigheid onderscheidt, nl. een zedelijke en een wettelijke. De zedelijke verplichting nu is tweevoudig : het verstand immers zegt, dat iets gedaan moet worden, ofwel als iets noodzakelijk, zonder welk er geen orde van de deugd kan zijn, ofwel als nuttig tot datgene, waardoor de orde der deugd beter bewaard blijft. Daarmee overeenkomstig, worden sommige zedelijke voorschriften in de Wet nadrukkelijk geboden of verboden, zooals : « Gij zult niet dooden; Gij zult niet stelen », en deze worden eigenlijk geboden genoemd.Die dingen nu die gedaan moeten worden, vallen niet onder een voorschrift, tenzij voor zover zij enigszins verplicht zijn. Welnu 225er is een dubbele verplichting, nl. een volgens de norm van het verstand, en een ander volgens de norm van een bepaalde wet, zoals ook de Wijsgeer (5e Boek van de Ethica, 7e H., Nr 1) een dubbele gerechtigheid onderscheidt, nl. een zedelijke en een wettelijke. De zedelijke verplichting nu is tweevoudig: het verstand immers zegt, dat iets gedaan moet worden, ofwel als iets noodzakelijk, zonder welk er geen orde van de deugd kan zijn, ofwel als nuttig tot datgene, waardoor de orde van de deugd beter bewaard blijft. Daarmee overeenkomstig, worden sommige zedelijke voorschriften in de Wet nadrukkelijk geboden of verboden, zoals: “Gij zult niet doden; Gij zult niet stelen”, en deze worden eigenlijk geboden genoemd.

Quaedam vero praecipiuntur vel prohibentur, non quasi praecise debita, sed propter melius; et ista possunt dici mandata, quia quamdam inductionem habent et persuasionem, sicut illud Exod. 22. [v. 26. 15.] : « Si pignus acceperis vestimentum a proximo tuo, ante solis occasum reddas ei », et aliqua similia; unde Hyronymus dicit [in princ. proëm. in Marc. et hab. in Glos.], quod « in praeceptis est justitia, in mandatis vero charitas. »

Andere daarentegen worden geboden of verboden, niet precies als verplicht, maar omdat ze beter zijn. Deze kunnen bevelen genoemd worden, omdat ze eenigszins aanraden en overtuigen, zooals dat van Exodus (22, 26-15) : « Indien gij als pand van uw naaste het kleed neemt, zult gij het vóór zonsondergang aan hem teruggeven », en dergelijke. Vandaar zegt Hieronymus, dat in de geboden de rechtvaardigheid, in de bevelen echter de liefde tot uiting komt.Andere daarentegen worden geboden of verboden, niet precies als verplicht, maar omdat ze beter zijn. Deze kunnen bevelen genoemd worden, omdat ze enigszins aanraden en overtuigen, zoals dat van Exodus (22, 26-15): “Indien gij als pand van uw naaste het kleed neemt, zult gij het vóór zonsondergang aan hem teruggeven”, en dergelijke. Vandaar zegt Hieronymus, dat in de geboden de rechtvaardigheid, in de bevelen echter de liefde tot uiting komt.

226Debitum autem ex determinatione legis in rebus quidem humanis pertinet ad judicialia, in rebus autem divinis ad caeremonialia. Quamvis etiam ea, quae pertinent ad poenam vel praemia, dici possint testimonia, inquantum sunt protestationes quaedam divinae justitiae; omnia vero praecepta legis possunt dici justificationes, inquantum sunt quaedam executiones legalis justitiae.

226De verplichting nu krachtens een nadere wetsbepaling met betrekking tot de menschelijke zaken behoort bij de rechtsregels, met betrekking tot de goddelijke zaken, bij de ceremonieel-voorschriften. Ofschoon ook die dingen, die op straf of belooning betrekking hebben, getuigenissen genoemd kunnen worden, in zoover zij uitingen zijn van de goddelijke rechtvaardigheid. Ook kunnen alle voorschriften van de Wet gerechtigheid genoemd worden, voor zoover zij een uitoefening zijn van de wettelijke rechtvaardigheid.226De verplichting nu krachtens een nadere wetsbepaling met betrekking tot de menselijke zaken behoort bij de rechtsregels, met betrekking tot de goddelijke zaken, bij de ceremonieel-voorschriften. Ofschoon ook die dingen, die op straf of beloning betrekking hebben, getuigenissen genoemd kunnen worden, in zover zij uitingen zijn van de goddelijke rechtvaardigheid. Ook kunnen alle voorschriften van de Wet gerechtigheid genoemd worden, voor zover zij een uitoefening zijn van de wettelijke rechtvaardigheid.

Possunt etiam aliter mandata a praeceptis distingui, ut praecepta dicantur, quae Deus per seipsum jussit, mandata autem, quae per alios mandavit, ut ipsum nomen sonare videtur.

De bevelen kunnen ook op een andere manier van de geboden worden onderscheiden, voor zoover geboden die voorschriften genoemd worden, welke God door zichzelf bevolen heeft, bevelen echter, die Hij door anderen bevolen heeft, zooals het woord zelf schijnt aan te duiden.De bevelen kunnen ook op een andere manier van de geboden worden onderscheiden, voor zover geboden die voorschriften genoemd worden, welke God door zichzelf bevolen heeft, bevelen echter, die Hij door anderen bevolen heeft, zoals het woord zelf schijnt aan te duiden.

Ex quibus omnibus apparet, quod omnia legis praecepta continentur sub moralibus, caeremonialibus, et judicialibus; alia vero non habent rationem praeceptorum, sed ordinantur ad praeceptorum observationem, ut dictum est [hic. sup.].

Uit dit alles blijkt, dat alle voorschriften van de Wet vervat zijn onder zedelijke voorschriften, ceremonieel-voorschriften en rechtsregels; de andere daarentegen vallen niet onder het begrip van voorschrift, maar zijn, zooals gezegd is, gericht op de onderhouding der voorschriften.Uit dit alles blijkt, dat alle voorschriften van de Wet vervat zijn onder zedelijke voorschriften, ceremonieel-voorschriften en rechtsregels; de andere daarentegen vallen niet onder het begrip van voorschrift, maar zijn, zoals gezegd is, gericht op de onderhouding van de voorschriften.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod sola justitia inter alias virtutes importat rationem debiti; et ideo moralia intantum sunt lege determinabilia, 227inquantum pertinent ad justitiam, cujus etiam quaedam pars est religio, ut Tullius dicit [lib. 2. de Invent., cap. 53.] ; unde justum legale non potest esse aliquod praeter caeremonialia et judicialia praecepta.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onder de deugden brengt alleen de rechtvaardigheid het karakter mede van iets wat 227men verschuldigd is. Het zedelijke kan dus zoover door de wet bepaald worden, als het valt onder de rechtvaardigheid, waarvan ook de godsdienst een onderdeel is, zooals Tullius zegt (Rhetorica, IIe B., LIIIe H.). Vandaar kan het wettelijk gerechte niet iets buiten de ceremonieel-voorschriften en de rechtsregels zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onder de deugden brengt alleen de rechtvaardigheid het karakter mede van iets wat 227men verschuldigd is. Het zedelijke kan dus zover door de wet bepaald worden, als het valt onder de rechtvaardigheid, waarvan ook de godsdienst een onderdeel is, zoals Tullius zegt (Rhetorica, 2e B., 53e H.). Vandaar kan het wettelijk gerechte niet iets buiten de ceremonieel-voorschriften en de rechtsregels zijn.

bedenkingen ↑ 2 ↑ 3 ↑ 4

Ad alia patet responsio per ea, quae dicta sunt [in corp. art.].

Voor de andere bedenkingen blijkt het antwoord door wat (in de Leerstelling) gezegd is.

Articulus VI

Utrum lex vetus debuerit inducere ad observationem praeceptorum per temporales promissiones, et comminationes

[Supr. q. 91. art. 5. corp. et infr. q. art. 1. ad 2, et 3, Dist, 4. art. 2. corp. et art. 4. et Rom. 8. lect. 3. et cap. 10. et 2. Cor. 11. lect. 6.].
VIe Artikel

Moest de Oude Wet door tijdelijke beloften en bedreigingen tot de onderhouding der voorschriften aansporen?Moest de Oude Wet door tijdelijke beloften en bedreigingen tot de onderhouding van de voorschriften aansporen?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod lex vetus non debuerit inducere ad observantiam praeceptorum per temporales promissiones, et 228comminationes : intentio enim legis divinae est, ut homines Deo subdat per timorem et amorem; unde dicitur Deut. 10. [v. 12.] : « Et nunc, Israël, quid Dominus Deus tuus petit a te, nisi ut timeas Dominum Deum tuum, et ambules in viis ejus, et diligas eum? » Sed cupiditas rerum temporalium abducit a Deo : dicit enim Augustinus in lib. 83. QQ. [q. 36.], quod « venenum charitatis est cupiditas »; ergo promissiones et comminationes temporales videntur contrariari intentioni legislatoris; quod facile legem reprobabilem facit, ut patet per Philosophum in 2. Politic. [cap. 6.].

Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet door tijdelijke beloften en bedreigingen tot de onderhouding der voorschriften moest aansporen. — 1. De bedoeling immers der goddelijke wet is, dat zij de menschen door vrees en liefde aan God onderwerpt. Vandaar wordt er in Deuteronomium (10, 12) gezegd : « En nu, Israel, wat vraagt de Heer, uw God, van U anders, dan dat Gij den Heer uw God, vreest en op zijn wegen 228wandelt en Hem liefhebt? » Welnu de begeerte naar tijdelijke zaken leidt van God af; want Augustinus zegt in zijn Boek der Drie en Tachtig Vraagstukken (XXXVIe Kw.), dat de begeerte het vergif voor de liefde is. Dus zijn tijdelijke beloften en bedreigingen aan de bedoeling van den wetgever tegengesteld, wat de wet, zooals uit den Wijsgeer blijkt (IIe Boek der Politiek, VIe H., Nr 21) afkeurenswaardig maakt.Bedenkingen. — Men beweert, dat de Oude Wet niet door tijdelijke beloften en bedreigingen tot de onderhouding van de voorschriften moest aansporen. — 1. De bedoeling immers van de goddelijke wet is, dat zij de mensen door vrees en liefde aan God onderwerpt. Vandaar wordt er in Deuteronomium (10, 12) gezegd: “En nu, Israël, wat vraagt de Heer, uw God, van U anders, dan dat Gij de Heer uw God, vreest en op zijn wegen 228wandelt en Hem liefhebt?” Welnu de begeerte naar tijdelijke zaken leidt van God af; want Augustinus zegt in zijn Boek van de Drie en Tachtig Vraagstukken (36e Kw.), dat de begeerte het vergif voor de liefde is. Dus zijn tijdelijke beloften en bedreigingen aan de bedoeling van de wetgever tegengesteld, wat de wet, zoals uit de Wijsgeer blijkt (2e Boek van de Politiek, 6e H., Nr 21) afkeurenswaardig maakt.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex divina est excellentior quam lex humana; videmus autem in scientiis, quod quanto aliqua est altior, tanto per altiora media procedit; ergo cum lex humana procedat ad inducendum homines per temporales comminationes et promissiones, lex divina non debuit ex his procedere, sed per aliqua majora.

2. De goddelijke wet staat hooger dan de menschelijke. Welnu in de wetenschappen zien wij, dat naarmate een wetenschap hooger is, zij met hoogere middelen werkt. Daar dus de menschelijke wet met tijdelijke bedreigingen en belooningen werkt om de menschen aan te sporen, had de goddelijke daarmede niet moeten werken, maar met hoogere middelen.2. De goddelijke wet staat hoger dan de menselijke. Welnu in de wetenschappen zien wij, dat naarmate een wetenschap hoger is, zij met hogere middelen werkt. Daar dus de menselijke wet met tijdelijke bedreigingen en beloningen werkt om de mensen aan te sporen, had de goddelijke daarmede niet moeten werken, maar met hogere middelen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, id non potest esse praemium justitiae, vel poena culpae, quod aequaliter evenit et bonis et malis; sed, sicut dicitur Eccl. 9 [v. 2] : 229« Universa aeque eveniunt justo et impio, bono et malo, mundo et immundo, immolanti victimas et sacrificia contemnenti. » Ergo temporalia bona vel mala non convenienter ponuntur ut poena vel praemia mandatorum legis divinae.

3. Datgene kan geen belooning voor gerechtigheid of straf voor schuld zijn, wat de goeden en kwaden gelijkelijk wedervaart. Welnu, zooals in het boek Prediker (9, 2) gezegd wordt, wedervaart alles gelijkelijk den gerechtige en den kwade, den reine en den onreine, hem, die slachtoffers opdraagt en hem die het offeren versmaadt. Dus worden de tijdelijke goederen en de kwade dingen niet geschikt gesteld als straf of belooning voor de geboden der goddelijke wet.3. Datgene kan geen beloning voor gerechtigheid of straf voor schuld zijn, wat de goeden en kwaden gelijkelijk wedervaart. Welnu, zoals in het boek Prediker (9, 2) gezegd wordt, wedervaart alles gelijkelijk de gerechtige en de kwade, de reine en de onreine, hem, die slachtoffers opdraagt en hem die het offeren versmaadt. Dus worden de tijdelijke goederen en de kwade dingen niet geschikt gesteld als straf of beloning voor de geboden van de goddelijke wet.

Sed contra est quod dicitur Isa. 1 [v. 19 sq.]: « Si volueritis, et audieritis me, bona terrae comedetis; quod si nolueritis, et me ad iracundiam provocaveritis, gladius devorabit vos. »

229Maar daartegenover staat het gezegde van Isaias (1, 19, v.) : « Indien gij wilt en naar Mij luistert, zult gij van het goede der aarde eten; maar indien gij niet wilt en Mij tot toorn aandrijft, zal het zwaard u verslaan ».229Maar daartegenover staat het gezegde van Jesaja (1, 19, v.): “Indien gij wilt en naar Mij luistert, zult gij van het goede van de aarde eten; maar indien gij niet wilt en Mij tot toorn aandrijft, zal het zwaard u verslaan”.

Respondeo dicendum, quod, sicut in scientiis speculativis inducuntur homines ad assentiendum conclusionibus per media syllogistica, ita etiam in quibuslibet legibus homines inducuntur ad observantias praeceptorum per poenas et praemia. Videmus autem in scientiis speculativis, quod media proponuntur auditori secundum ejus conditionem; unde, sicut oportet ordinate in scientiis procedere, ut ex notioribus disciplina incipiat, ita etiam oportet eum qui vult inducere hominem ad observantiam praeceptorum, ut ex illis eum movere incipiat, quae sunt in ejus affectu, sicut pueri provocantur 230ad aliquid faciendum aliquibus puerilibus munusculis. Dictum est autem supra [q. 98. art. 1. 2. et 3.], quod lex vetus disponebat ad Christum, sicut imperfectum ad perfectum; unde dabatur populo adhuc imperfecto in comparatione ad perfectionem, quae erat futura per Christum; et ideo populus ille comparatur puero sub paedagogo existenti, ut patet Galat. 3 [v. 24]. Perfectio autem hominis est, ut contemptis temporalibus, spiritualibus inhaereat, ut patet per illud quod Apostolus dicit Philipp. 3 [v. 13-15] : « Quae quidem retro sunt obliviscens, ad ea quae priora sunt, me extendo. Quicumque ergo perfecti sumus, hoc sentiamus. » Imperfectorum autem est, quod temporalia bona desiderent, in ordine tamen ad Deum; perversorum autem est, quod in temporalibus bonis finem constituant; unde legi veteri conveniebat, ut per temporalia, quae erant in affectu hominum imperfectorum, manuduceret homines ad Deum.

Leerstelling. — Evenals de menschen in de beschouwende wetenschappen door sluitredenen worden gedreven tot het aannemen van gevolgtrekkingen, zoo worden zij ook in iedere wet tot het onderhouden der voorschriften aangespoord door belooningen en straffen. Nu zien wij in de beschouwende wetenschappen, dat de middelen naar omstandigheden aan den toehoorder worden voorgesteld. Gelijk men dan in de wetenschap geordend moet voortgaan, zoodat de leering bij het meer bekende aanvangt, zoo ook moet hij, die de menschen wil aansporen tot het onderhouden der voorschriften, hen door middel van die dingen beginnen te leiden, waar hij van houdt, zooals kinderen door kindergeschenken aangespoord worden om iets te doen. Hierboven nu (XCVIIIe Kw., 1e, 2e en 3e Art.) is gezegd, dat de Oude wet een voorbereiding was voor Christus, zooals het onvolmaakte voor het volmaakte. Vandaar werd zij aan het nog onvolmaakte volk 230gegeven als een voorbereiding op de volmaaktheid, die toekomstig was door Christus; en daarom werd dit volk vergeleken bij een kind, dat nog onder een paedagoog staat, zooals blijkt uit den Brief aan de Galaten (3, 24). Welnu de volmaaktheid van den mensch is, dat hij met verachting van het tijdelijke het geestelijke aanhangt, wat blijkt uit het gezegde van den Apostel in den Brief aan de Philippiërs (3, 13 en 15) : « Wat achter mij is, vergeet ik, en wat vóór mij is, daarheen span ik mij... Laten wij allen die volmaakt zijn, zóó gestemd zijn ». Nu is het aan onvolmaakten eigen, dat zij tijdelijke goederen verlangen, echter in orde tot God; aan slechten daarentegen, dat zij in het tijdelijke hun doel stellen. Vandaar kwam het aan de Oude Wet toe, dat zij door tijdelijke goederen, welke in het verlangen van onvolmaakte menschen liggen, de menschen tot God leidde.Leerstelling. — Evenals de mensen in de beschouwende wetenschappen door sluitredenen worden gedreven tot het aannemen van gevolgtrekkingen, zo worden zij ook in iedere wet tot het onderhouden van de voorschriften aangespoord door beloningen en straffen. Nu zien wij in de beschouwende wetenschappen, dat de middelen naar omstandigheden aan de toehoorder worden voorgesteld. Gelijk men dan in de wetenschap geordend moet voortgaan, zodat de lering bij het meer bekende aanvangt, zo ook moet hij, die de mensen wil aansporen tot het onderhouden van de voorschriften, hen door middel van die dingen beginnen te leiden, waar hij van houdt, zoals kinderen door kindergeschenken aangespoord worden om iets te doen. Hierboven nu (98e Kw., 1e, 2e en 3e Art.) is gezegd, dat de Oude wet een voorbereiding was voor Christus, zoals het onvolmaakte voor het volmaakte. Vandaar werd zij aan het nog onvolmaakte volk 230gegeven als een voorbereiding op de volmaaktheid, die toekomstig was door Christus; en daarom werd dit volk vergeleken bij een kind, dat nog onder een pedagoog staat, zoals blijkt uit de Brief aan de Galaten (3, 24). Welnu de volmaaktheid van de mens is, dat hij met verachting van het tijdelijke het geestelijke aanhangt, wat blijkt uit het gezegde van de Apostel in de Brief aan de Filippenzen (3, 13 en 15): “Wat achter mij is, vergeet ik, en wat vóór mij is, daarheen span ik mij... Laten wij allen die volmaakt zijn, zó gestemd zijn”. Nu is het aan onvolmaakte eigen, dat zij tijdelijke goederen verlangen, echter in orde tot God; aan slechten daarentegen, dat zij in het tijdelijke hun doel stellen. Vandaar kwam het aan de Oude Wet toe, dat zij door tijdelijke goederen, welke in het verlangen van onvolmaakte mensen liggen, de mensen tot God leidde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cupiditas, qua homo constituit finem in temporalibus bonis, est charitatis venenum; sed consecutio temporalium 231bonorum, quae homo desiderat in ordine ad Deum, est quaedam via inducens imperfectos ad Dei amorem, secundum illud Psalmi 48 [v. 19] : « Confitebitur, cum benefeceris illi. »

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De begeerte, waardoor de mensch zijn doel stelt in tijdelijke goederen, is het vergif voor de liefde; maar het nastreven van tijdelijke goederen, welke de mensch verlangt in orde tot God, is een weg welke de onvolmaakten tot de liefde Gods leidt, volgens het woord van 231Psalm 48, 19 : « Hij zal U belijden, omdat Gij hem hebt welgedaan ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De begeerte, waardoor de mens zijn doel stelt in tijdelijke goederen, is het vergif voor de liefde; maar het nastreven van tijdelijke goederen, welke de mens verlangt in orde tot God, is een weg welke de onvolmaakten tot de liefde Gods leidt, volgens het woord van 231Psalm 48, 19a: “Hij zal U belijden, omdat Gij hem hebt welgedaan”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod lex humana inducit homines ex temporalibus praemiis vel poenis per homines inducendis, lex vero divina ex praemiis vel poenis exhibendis per Deum : et in hoc procedit per media altiora.

2. De menschelijke wet spoort de menschen aan door middel van tijdelijke belooningen, of door straffen, die door de menschen moeten opgelegd worden; de goddelijke wet echter, door belooningen en straffen, die door God aangewend worden, en in dit opzicht werkt zij met hoogere middelen.2. De menselijke wet spoort de mensen aan door middel van tijdelijke beloningen, of door straffen, die door de mensen moeten opgelegd worden; de goddelijke wet echter, door beloningen en straffen, die door God aangewend worden, en in dit opzicht werkt zij met hogere middelen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sicut patet historias Veteris Testamenti revolventi, communis status populi semper sub lege in prosperitate fuit, quamdiu legem observabant; et statim declinantes a praeceptis legis divinae, in multas adversitates incidebant. Sed aliquae personae particulares etiam justitiam legis observantes in aliquas adversitates incidebant, vel quia jam erant spirituales effecti, ut per hoc magis ab affectu temporalium abstraherentur, et eorum virtus probata redderetur; aut quia opera legis exterius implentes, cor totum habebant in temporalibus defixum, et a Deo elongatum; secundum quod dicitur Isa. 29 [v. 13] : « Populus hic labiis me honorat, cor autem eorum longe est a me. »

3. Zooals blijkt voor hem, die de geschiedenis van het Oude Testament bestudeert, was de algemeene toestand van het volk altijd voordeelig, zoolang zij de Wet onderhielden; maar terstond als zij van de geboden van de goddelijke wet afweken, ondervonden zij veel tegenspoed. Maar sommige particuliere personen ondervonden tegenspoed, ook als zij de Wet onderhielden, ofwel omdat zij reeds geestelijk waren, zoodat zij daardoor meer van de genegenheid voor het tijdelijke zouden afzien en hun deugd zou beproefd worden, ofwel omdat zij, terwijl zij uiterlijk de Wet naleefden, met heel hun hart aan het tijdelijke gehecht waren en van God verwijderd, overeenkomstig hetgeen in Isaias gezegd wordt (29, 13) : « Dit volk eert mij met de lippen, doch hun hart is ver van mij ».3. Zoals blijkt voor hem, die de geschiedenis van het Oude Testament bestudeert, was de algemene toestand van het volk altijd voordelig, zolang zij de Wet onderhielden; maar terstond als zij van de geboden van de goddelijke wet afweken, ondervonden zij veel tegenspoed. Maar sommige particuliere personen ondervonden tegenspoed, ook als zij de Wet onderhielden, ofwel omdat zij reeds geestelijk waren, zodat zij daardoor meer van de genegenheid voor het tijdelijke zouden afzien en hun deugd zou beproefd worden, ofwel omdat zij, terwijl zij uiterlijk de Wet naleefden, met heel hun hart aan het tijdelijke gehecht waren en van God verwijderd, overeenkomstig hetgeen in Jesaja gezegd wordt (29, 13): “Dit volk eert mij met de lippen, doch hun hart is ver van mij”.