De praeceptis caeremonialibus secundum se
Over de ceremonieel-bepalingen op zich zelfOver de ceremonieel-bepalingen op zichzelf
303Consequenter considerandum est de praeceptis caeremonialibus, et primo de ipsis secundum se; secundo de causa eorum; tertio de duratione ipsorum. Circa primum quaeruntur quattuor : 1. Quae sit ratio praeceptorum caeremonialium. — 2. Utrum sint figuralia. — 3. Utrum debuerint esse multa. — 4. De distinctione ipsorum.
303Konsekwent moet er nu gehandeld worden over de ceremonieel-bepalingen, en wel ten eerste over de ceremonieel-bepalingen op zich zelf, ten tweede over de oorzaak er van, en ten derde over hun duur. Met betrekking tot het eerste worden vier vragen gesteld : 1) Wat is het wezen der ceremonieel-bepalingen? 2) Zijn zij figuurlijk? 3) Moeten er vele zijn? 4) Over hun onderscheid.303Consequent moet er nu gehandeld worden over de ceremonieel-bepalingen, en wel ten eerste over de ceremonieel-bepalingen op zichzelf, ten tweede over de oorzaak er van, en ten derde over hun duur. Met betrekking tot het eerste worden vier vragen gesteld: 1. Wat is het wezen van de ceremonieel-bepalingen? 2. Zijn zij figuurlijk? 3. Moeten er vele zijn? 4. Over hun onderscheid.
Utrum ratio praeceptorum caeremonialium in hoc consistat, quod pertinent ad cultum Dei
Bestaat het wezen der ceremonieel-bepalingen hierin, dat ze op den eeredienst van God gericht zijn?Bestaat het wezen van de ceremonieel-bepalingen hierin, dat ze op de eredienst van God gericht zijn?
304Ad primum sic proceditur. Videtur, quod ratio praeceptorum caeremonialium non in hoc consistat, quod pertinent ad cultum Dei : in lege enim veteri dantur Judaeis quaedam praecepta de abstinentia ciborum, ut patet Levit. 11 et etiam de abstinendo ab aliquibus vestimentis, secundum illud Lev. 19 [v. 19]: « Vestem, quae ex duobus texta est, non indueris », et iterum quod praecipitur Num. 15 [v. 38], ut faciant sibi fimbrias per 305angulos palliorum. Sed hujusmodi non sunt praecepta moralia, quia non manent in nova lege; nec etiam judicialia, quia non pertinent ad judicium faciendum inter homines; ergo sunt caeremonialia; sed in nullo pertinere videntur ad cultum Dei; ergo non est caeremonialium praeceptorum ratio, quod pertineant ad cultum Dei.
304Bedenkingen. — Men beweert, dat het wezen der ceremonieel-bepalingen niet hierin bestaat, dat ze op den eeredienst van God gericht zijn. — 1. Immers in de Oude Wet worden aan de Joden sommige voorschriften gegeven omtrent de onthouding van spijzen, zooals blijkt uit Leviticus (11), en ook omtrent de onthouding van bepaalde kleederen, volgens het woord van Leviticus (19, 19) : « Een kleed, dat uit tweeërlei geweven is, zult gij niet aandoen », en ook wordt in het Boek der Getallen (15, 38) bevolen, dat ze aan de hoeken hunner mantels franjes zouden maken. Welnu dergelijke bepalingen zijn geen zedelijke voorschriften, daar zij in de Nieuwe Wet niet gebleven zijn; ook geen rechtsregels, daar zij niet vallen onder de rechterlijke uitspraken onder de menschen. Dus zijn ze ceremonieel-bepalingen. Welnu onder geen enkel opzicht schijnen ze betrekking te hebben op den 305eeredienst van God, en bijgevolg is het wezen der ceremonieel-bepalingen niet hierin gelegen, dat ze betrekking hebben op den eeredienst van God.304Bedenkingen. — Men beweert, dat het wezen van de ceremonieel-bepalingen niet hierin bestaat, dat ze op de eredienst van God gericht zijn. — 1. Immers in de Oude Wet worden aan de Joden sommige voorschriften gegeven omtrent de onthouding van spijzen, zoals blijkt uit Leviticus (11), en ook omtrent de onthouding van bepaalde klederen, volgens het woord van Leviticus (19, 19): “Een kleed, dat uit tweeërlei geweven is, zult gij niet aandoen”, en ook wordt in het Boek van de Getallen (15, 38) bevolen, dat ze aan de hoeken van hun mantels franjes zouden maken. Welnu dergelijke bepalingen zijn geen zedelijke voorschriften, daar zij in de Nieuwe Wet niet gebleven zijn; ook geen rechtsregels, daar zij niet vallen onder de rechterlijke uitspraken onder de mensen. Dus zijn ze ceremonieel-bepalingen. Welnu onder geen enkel opzicht schijnen ze betrekking te hebben op de 305eredienst van God, en bijgevolg is het wezen van de ceremonieel-bepalingen niet hierin gelegen, dat ze betrekking hebben op de eredienst van God.
2. Praeterea, dicunt quidam, quod praecepta caeremonialia dicuntur illa, quae pertinent ad solemnitates, quasi dicerentur a cereis, qui in solemnitatibus accenduntur; sed multa alia sunt pertinentia ad cultum Dei praeter solemnitates; ergo videtur, quod legis praecepta caeremonialia non ea ratione quod pertineant ad cultum Dei.
2. Sommigen zeggen, dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, die betrekking hebben op de plechtigheden, daar ze als het ware afgeleid worden van cereus (waskaars), omdat nl. gedurende de plechtigheden waskaarsen gebrand worden. Maar er zijn nog veel andere dingen, die op den eeredienst van God betrekking hebben, buiten de plechtigheden, en daarom is het wezen der ceremonieel-bepalingen niet daarin gelegen, dat ze betrekking hebben op den eeredienst van God.2. Sommigen zeggen, dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, die betrekking hebben op de plechtigheden, daar ze als het ware afgeleid worden van cereus (waskaars), omdat nl. gedurende de plechtigheden waskaarsen gebrand worden. Maar er zijn nog veel andere dingen, die op de eredienst van God betrekking hebben, buiten de plechtigheden, en daarom is het wezen van de ceremonieel-bepalingen niet daarin gelegen, dat ze betrekking hebben op de eredienst van God.
3. Praeterea, secundum quosdam praecepta caeremonialia dicuntur quasi normae, idest regulae, salutis, nam χαῖρε in graeco idem est quod « salve »; sed omnia praecepta legis sunt regulae salutis, et non solum illa, quae pertinent ad Dei cultum; ergo non solum illa praecepta dicuntur caeremonialia, quae pertinent ad cultum Dei.
3. Volgens sommigen worden de ceremonieel-bepalingen als het ware normen, d. i. regels van het heil genoemd, want het Grieksch χαῖρε beteekent : « Goed heil! » Welnu alle bepalingen der Wet zijn heilsregelen, en niet alleen die, welke betrekking hebben op den eeredienst van God.3. Volgens sommigen worden de ceremonieel-bepalingen als het ware normen, d.i. regels van het heil genoemd, want het Grieks χαῖρε betekent: “Goed heil!” Welnu alle bepalingen van de Wet zijn heilsregelen, en niet alleen die, welke betrekking hebben op de eredienst van God.
3064. Praeterea, Rabbi Moyses dicit [Doct. Perpl., P. III, c. 28] quod praecepta caeremonialia dicuntur, quorum ratio non est manifesta; sed multa pertinentia ad cultum Dei habent rationem manifestam, sicut Sabbati observatio, et celebratio Phase, Scenopoegiae, et multorum aliorum, quorum ratio assignatur in lege; ergo caeremonialia non sunt. quae pertinent ad cultum Dei.
4. Rabbi Mozes zegt in zijn Boek De Gids der Dwalenden (IIIe D., XXVIIIe H.), dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, waarvan de reden niet klaarblijkelijk is. Welnu van veel voorschriften, die op den eeredienst van God 306betrekking hebben, is integendeel de reden klaarblijkelijk, zooals van de onderhouding van den Sabbat, het vieren van Paschen, van het Loofhuttenfeest, enz., waarvan de reden in de Wet wordt aangeduid. Dus zijn de ceremonieel-voorschriften niet die voorschriften, die betrekking hebben op den eeredienst van God.4. Rabbi Mozes zegt in zijn Boek De Gids van de Dwalenden (3e D., 28e H.), dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, waarvan de reden niet klaarblijkelijk is. Welnu van veel voorschriften, die op de eredienst van God 306betrekking hebben, is integendeel de reden klaarblijkelijk, zoals van de onderhouding van de Sabbat, het vieren van Pasen, van het Loofhuttenfeest, enz., waarvan de reden in de Wet wordt aangeduid. Dus zijn de ceremonieel-voorschriften niet die voorschriften, die betrekking hebben op de eredienst van God.
Sed contra est, quod dicitur Exod. 18 [v. 19 sq.] : « Esto populo in his, quae ad Deum pertinent, ostendasque populo caeremonias et ritum colendi. »
Maar daartegenover staat het gezegd van Exodus (18, 19 v.) : « Wees gij het volk ter wille in de dingen, welke God betreffen, en maak duidelijk aan het volk de voorschriften en de wijze van Hem te dienen ».Maar daartegenover staat het gezegd van Exodus (18, 19 v.): “Wees gij het volk ter wille in de dingen, welke God betreffen, en maak duidelijk aan het volk de voorschriften en de wijze van Hem te dienen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 99. art. 4.], caeremonialia praecepta determinant praecepta moralia in ordine ad Deum, sicut judicialia determinant praecepta moralia in ordine ad proximum. Homo autem ordinatur ad Deum per debitum cultum, et ideo caeremonialia proprie 307dicuntur, quae ad cultum Dei pertinent. Ratio autem hujus nominis posita est supra [q. 99. art. 3.], ubi praecepta caeremonialia ab aliis sunt distincta.
Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (XCIXe Kw., 4e Art.), omschrijven de ceremonieel-bepalingen de zedelijke voorschriften met betrekking tot God, zooals de rechtsregels met betrekking tot den naaste. De mensch nu wordt op God gericht door den aan God verschuldigden eeredienst, en daarom worden eigenlijk alleen die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd, die betrekking hebben op den eeredienst van God. De afleiding van dat woord is hierboven uiteengezet (XCIXe Kw., 3e Art.), 307wanneer we handelden over het onderscheid tusschen de ceremonieel-voorschriften en de andere voorschriften.Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (99e Kw., 4e Art.), omschrijven de ceremonieel-bepalingen de zedelijke voorschriften met betrekking tot God, zoals de rechtsregels met betrekking tot de naaste. De mens nu wordt op God gericht door de aan God verschuldigden eredienst, en daarom worden eigenlijk alleen die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd, die betrekking hebben op de eredienst van God. De afleiding van dat woord is hierboven uiteengezet (99e Kw., 3e Art.), 307wanneer we handelden over het onderscheid tussen de ceremonieel-voorschriften en de andere voorschriften.
Ad primum ergo dicendum, quod ad cultum Dei pertinent non solum sacrificia et alia hujusmodi, quae immediate ad Deum ordinari videntur, sed etiam debita praeparatio colentium Deum ad cultum ipsius, sicut etiam in aliis quaecumque sunt praeparatoria ad finem, cadunt sub scientia, quae est de fine. Hujusmodi autem praecepta, quae dantur in lege de vestibus et cibis colentium Deum et aliis hujusmodi, pertinent ad quamdam praeparationem ipsorum ministrantium, ut sint idonei ad cultum Dei, sicut etiam specialibus observantiis aliqui utuntur, qui sunt in ministerio regis. Unde etiam sub praeceptis caeremonialibus continentur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op den eeredienst van God hebben niet alleen de offers en dergelijke betrekking, die onmiddellijk verband houden met God, maar ook de noodige voorbereiding van de Godvereerders tot den goddelijken eeredienst, gelijk ook met betrekking tot andere dingen alles wat voorbereidt tot een doel, onder de kennis valt van het doel. De voorschriften nu, die in de Wet gegeven zijn omtrent kleeding en spijzen van de Godsvereerders, vallen eenigszins onder de voorbereiding van de bedienaren zelf, om geschikt te zijn tot den dienst van God, gelijk degenen, die in dienst van den koning zijn, ook eenige bijzondere onderhoudingen hebben. Vandaar vallen ook die voorschriften onder de ceremonieel-bepalingen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op de eredienst van God hebben niet alleen de offers en dergelijke betrekking, die onmiddellijk verband houden met God, maar ook de nodige voorbereiding van de Godvereerders tot de goddelijke eredienst, gelijk ook met betrekking tot andere dingen alles wat voorbereidt tot een doel, onder de kennis valt van het doel. De voorschriften nu, die in de Wet gegeven zijn omtrent kleding en spijzen van de Godsvereerders, vallen enigszins onder de voorbereiding van de bedienaren zelf, om geschikt te zijn tot de dienst van God, gelijk degenen, die in dienst van de koning zijn, ook enige bijzondere onderhoudingen hebben. Vandaar vallen ook die voorschriften onder de ceremonieel-bepalingen.
Ad secundum dicendum, quod illa expositio nominis non videtur esse multum conveniens, praesertim cum non multum inveniatur in lege, quod in solemnitatibus cerei accenderentur; sed in ipso etiam candelabro lucernae 308cum oleo olivarum praeparabantur, ut patet Lev. 24 [v. 2] ; nihilominus tamen potest dici, quod in solemnitatibus omnia alia, quae pertinebant ad cultum Dei, diligentius observabantur, et secundum hoc in observatione solemnitatum omnia caeremonialia includuntur.
2. Die woordverklaring schijnt niet erg geschikt te zijn, vooral daar het niet dikwijls in de Wet gevonden wordt, dat er gedurende de plechtigheden kaarsen gebrand worden, terwijl zelfs op den kandelaar de lampen met olijfolie werden verzorgd, zooals blijkt uit Leviticus (24, 2). Niettemin echter kan men zeggen, 308dat al het andere wat in de plechtigheden betrekking heeft op den eeredienst van God, met bijzondere zorg wordt onderhouden. Vandaar zijn alle ceremonieel-bepalingen in de onderhouding der plechtigheden opgesloten.2. Die woordverklaring schijnt niet erg geschikt te zijn, vooral daar het niet dikwijls in de Wet gevonden wordt, dat er gedurende de plechtigheden kaarsen gebrand worden, terwijl zelfs op de kandelaar de lampen met olijfolie werden verzorgd, zoals blijkt uit Leviticus (24, 2). Niettemin echter kan men zeggen, 308dat al het andere wat in de plechtigheden betrekking heeft op de eredienst van God, met bijzondere zorg wordt onderhouden. Vandaar zijn alle ceremonieel-bepalingen in de onderhouding van de plechtigheden opgesloten.
Ad tertium dicendum, quod nec illa expositio nominis videtur esse multum conveniens : nomen enim caeremoniae non est graecum, sed latinum. Potest dici tamen, quod cum salus hominis sit a Deo, praecipue illa praecepta videntur esse salutis regulae, quae hominem ordinant ad Deum, et sic caeremonialia dicuntur, quae ad cultum Dei pertinent.
3. Ook die woordverklaring is niet geschikt, want het woord ceremonie is een Latijnsch woord en geen Grieksch. Echter zou men kunnen zeggen, dat omdat het heil van de menschen van God komt, die voorschriften vooral heilsregels schijnen te zijn, die den mensch op God richten, en zoo ceremonieel-bepalingen genoemd worden, al de voorschriften die betrekking hebben op den eeredienst van God.3. Ook die woordverklaring is niet geschikt, want het woord ceremonie is een Latijns woord en geen Grieks. Echter zou men kunnen zeggen, dat omdat het heil van de mensen van God komt, die voorschriften vooral heilsregels schijnen te zijn, die de mens op God richten, en zo ceremonieel-bepalingen genoemd worden, al de voorschriften die betrekking hebben op de eredienst van God.
Ad quartum dicendum, quod illa ratio caeremonialium est quodammodo probabilis; non quia ex eo dicantur caeremonialia, quia eorum ratio non est manifesta, sed hoc est quoddam consequens. Quia enim praecepta ad cultum Dei pertinentia oportet esse figuralia, ut infra dicetur [art. seq.], inde est quod eorum ratio non est adeo manifesta.
4. Die verklaring voor ceremonieel-bepalingen is eenigszins aan te nemen, niet echter dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, omdat hun reden niet klaarblijkelijk is, maar dit is iets wat op hun wezen volgt, want omdat de voorschriften, die op den eeredienst betrekking hebben, figuurlijk moeten zijn zooals we zullen bewijzen (in het volgend artikel), daarom is hun wezen niet zoo duidelijk.4. Die verklaring voor ceremonieel-bepalingen is enigszins aan te nemen, niet echter dat die bepalingen ceremonieel-bepalingen genoemd worden, omdat hun reden niet klaarblijkelijk is, maar dit is iets wat op hun wezen volgt, want omdat de voorschriften, die op de eredienst betrekking hebben, figuurlijk moeten zijn zoals we zullen bewijzen (in het volgend artikel), daarom is hun wezen niet zo duidelijk.
Utrum praecepta caeremonialia sint figuralia
Zijn de ceremonieel-bepalingen figuurlijk?
309Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod praecepta caeremonialia non sint figuralia : pertinet enim ad officium cujuslibet doctoris, ut sic pronuntiet, ut de facili intelligi possit, sicut Augustinus dicit in 4. de Doctr. Christ. [cap. 8. et 10] ; et hoc maxime videtur esse necessarium in legislatione, quia praecepta legis populo proponuntur; unde lex debet esse manifesta, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 21.]; si igitur praecepta caeremonialia data sint in alicujus rei figuram, videtur inconvenienter tradidisse hujusmodi praecepta Moyses, non exponens quid figurant.
309Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremonieel-bepalingen niet figuurlijk zijn. — 1. Volgens Augustinus immers (Over de Christelijke Leer, IVe B., VIIIe en Xe H.) moet een leeraar zich zóó uitdrukken, dat hij gemakkelijk begrepen kan worden. Dit nu schijnt het meest noodzakelijk te zijn in de wetgeving, omdat de voorschriften van een wet aan het volk worden voorgesteld. Vandaar zegt Isidorus (Ve Boek zijner Etymologieën, XXIe H.), dat de wet duidelijk moet zijn. Indien de ceremonieel-bepalingen dus gegeven zijn om iets te verbeelden, schijnt Mozes dergelijke voorschriften niet goed te hebben uitgevaardigd, daar hij niet verklaard heeft wat ze verbeelden.309Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremonieel-bepalingen niet figuurlijk zijn. — 1. Volgens Augustinus immers (Over de Christelijke Leer, 4e B., 8e en 10e H.) moet een leraar zich zó uitdrukken, dat hij gemakkelijk begrepen kan worden. Dit nu schijnt het meest noodzakelijk te zijn in de wetgeving, omdat de voorschriften van een wet aan het volk worden voorgesteld. Vandaar zegt Isidorus (5e Boek van zijn Etymologieën, 21e H.), dat de wet duidelijk moet zijn. Indien de ceremonieel-bepalingen dus gegeven zijn om iets te verbeelden, schijnt Mozes dergelijke voorschriften niet goed te hebben uitgevaardigd, daar hij niet verklaard heeft wat ze verbeelden.
2. Praeterea, ea quae in cultum Dei aguntur, maxime debent honestatem habere; sed facere aliqua facta ad aliqua repraesentanda, videtur 310esse theatricum, sive poeticum : in theatris enim repraesentabantur olim per aliqua, quae ibi gerebantur, quaedam aliorum facta; ergo videtur, quod hujusmodi non debeant fieri ad cultum Dei; sed caeremonialia ordinantur ad cultum Dei, ut dictum est [art. praec.] ; ergo caeremonialia non debent esse figuralia.
2. De dingen, die gedaan worden om den eeredienst van God, moeten eervol zijn. Maar iets doen om iets anders voor te stellen, schijnt theatraal of poëtisch te wezen. Immers op de theaters werden vroeger door de handelingen, die er werden gedaan, andere feiten voorgesteld. Dus schijnen dergelijke handelingen niet voor 310den eeredienst van God gebruikt mogen te worden. Welnu de ceremonieel-voorschriften zijn op den eeredienst van God gericht, gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus moeten ze niet figuurlijk zijn.2. De dingen, die gedaan worden om de eredienst van God, moeten eervol zijn. Maar iets doen om iets anders voor te stellen, schijnt theatraal of poëtisch te wezen. Immers op de theaters werden vroeger door de handelingen, die er werden gedaan, andere feiten voorgesteld. Dus schijnen dergelijke handelingen niet voor 310de eredienst van God gebruikt mogen te worden. Welnu de ceremonieel-voorschriften zijn op de eredienst van God gericht, gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus moeten ze niet figuurlijk zijn.
3. Praeterea, Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 3.], quod « Deus maxime colitur fide, spe, et charitate » ; sed praecepta, quae dantur de fide, spe, et charitate, non sunt figuralia; ergo praecepta caeremonialia, quae pertinent ad cultum Dei, non debent esse figuralia.
3. Augustinus zegt in zijn Enchiridion (IIIe H.), dat God het meest geëerd wordt door het geloof, de hoop en de liefde. Welnu de voorschriften, die gegeven worden met betrekking tot het geloof, de hoop en de liefde, zijn niet figuurlijk. Dus moeten de ceremonieel-voorschriften ook niet figuurlijk zijn.3. Augustinus zegt in zijn Enchiridion (3e H.), dat God het meest geëerd wordt door het geloof, de hoop en de liefde. Welnu de voorschriften, die gegeven worden met betrekking tot het geloof, de hoop en de liefde, zijn niet figuurlijk. Dus moeten de ceremonieel-voorschriften ook niet figuurlijk zijn.
4. Praeterea, Dominus dicit Joan. [v. 24.] : « Spiritus est Deus et eos qui adorant eum, in spiritu et veritate adorare oportet » ; sed figura non est ipsa veritas, immo contra se invicem dividuntur; ergo caeremonialia. quae pertinent ad cultum Dei, non debent esse figuralia.
4. De Meester zegt (Johannes, 4, 24) : « Een geest is God, en zij die Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden ». Welnu een figuur is niet de waarheid zelf, zelfs worden zij tegenover elkander gesteld. Dus moeten de ceremonieel-voorschriften, die betrekking hebben op den eeredienst van God, niet figuurlijk zijn.4. De Meester zegt (Johannes, 4, 24): “Een geest is God, en zij die Hem aanbidden moeten Hem in geest en waarheid aanbidden”. Welnu een figuur is niet de waarheid zelf, zelfs worden zij tegenover elkander gesteld. Dus moeten de ceremonieel-voorschriften, die betrekking hebben op de eredienst van God, niet figuurlijk zijn.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Colos. 2. [v. 16.] : « Nemo judicet vos in cibo, aut in potu, aut in parte diei festi, aut neomeniae, aut sabbatorum, quae sunt umbra futurorum. »
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Colossers (2, 16) : « Dat niemand u oordeele over spijs of drank, of feesttijden, of nieuwe maan, of sabbatdagen. Dit zijn schaduwen van de komende dingen ».Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Kolossenzen (2, 16): “Dat niemand u oordele over spijs of drank, of feesttijden, of nieuwe maan, of sabbatdagen. Dit zijn schaduwen van de komende dingen”.
311Respondeo dicendum, quod, sicut jam dictum est [art. praec.], praecepta caeremonialia dicuntur, quae ordinantur ad cultum Dei. Est autem duplex cultus Dei. interior, et exterior : cum enim homo sit compositus ex anima et corpore, utrumque debet applicari ad colendum Deum, ut scilicet anima colat interiori cultu, et corpus exteriori; unde dicitur in Psalm. 83. [v. 3.] : « Cor meum et caro mea exultaverunt in Deum vivum ». Et sicut corpus ordinatur in Deum per animam, ita cultus exterior ordinatur ad interiorem cultum. Consistit autem interior cultus in hoc, quod anima conjungatur Deo per intellectum et affectum; et ideo secundum quod diversimode intellectus et affectus colentis Deum Deo recte conjungitur, secundum hoc diversimode exteriores actus hominis ad cultum Dei applicantur.
311Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, worden die voorschriften ceremonieel-voorschriften genoemd, die betrekking hebben op den eeredienst van God. Er is echter een dubbele eeredienst, nl. de innerlijke eeredienst en de uiterlijke eeredienst. Want daar de mensch uit ziel en lichaam samengesteld is, moeten beide deel nemen aan den eeredienst, zoodanig dat de ziel God eert door innerlijken eeredienst, en het lichaam door uiterlijken eeredienst. Vandaar wordt er in Psalm 83, 3, gezegd : « Mijn hart en mijn vleesch springen jubelend op tot den levenden God ». En gelijk nu het lichaam op God gericht is door de ziel, zoo ook is de uiterlijke eeredienst gericht op den innerlijken eeredienst. De innerlijke eeredienst nu bestaat hierin, dat de ziel met God verbonden wordt door het verstand en den wil. Voor zoover dus het verstand en de wil van den Godsvereerder met God verbonden wordt, in zoover nemen de uiterlijke daden van den mensch op verschillende wijze aan den eeredienst deel.311Leerstelling. — Gelijk (in het vorig Artikel) gezegd is, worden die voorschriften ceremonieel-voorschriften genoemd, die betrekking hebben op de eredienst van God. Er is echter een dubbele eredienst, nl. de innerlijke eredienst en de uiterlijke eredienst. Want daar de mens uit ziel en lichaam samengesteld is, moeten beide deel nemen aan de eredienst, zodanig dat de ziel God eert door innerlijke eredienst, en het lichaam door uiterlijke eredienst. Vandaar wordt er in Psalm 83, 3a, gezegd: “Mijn hart en mijn vlees springen jubelend op tot de levende God”. En gelijk nu het lichaam op God gericht is door de ziel, zo ook is de uiterlijke eredienst gericht op de innerlijke eredienst. De innerlijke eredienst nu bestaat hierin, dat de ziel met God verbonden wordt door het verstand en de wil. Voor zover dus het verstand en de wil van de Godsvereerder met God verbonden wordt, in zover nemen de uiterlijke daden van de mens op verschillende wijze aan de eredienst deel.
In statu enim futurae beatitudinis intellectus humanus ipsam divinam veritatem in seipsa intuebitur; et ideo exterior cultus non consistit in aliqua figura, sed solum in laude Dei, quae procedit ex interiori cognitione et affectione, secundum illud Isa. 51. [v. 3.] : « Gaudium et laetitia 312invenietur in ea, gratiarum actio et vox laudis. » In statu autem praesentis vitae non possumus divinam veritatem in seipsa intueri, sed oportet, quod radius divinae veritatis nobis illucescat sub aliquis sensibilibus figuris, sicut Dionysius dicit 1. cap. Coel. Her., diversimode tamen secundum diversum statum cognitionis humanae. In veteri enim lege neque ipsa divina veritatis in seipsa manifesta erat, neque etiam adhuc prolata erat via ad hoc perveniendi, sicut Apostolus dicit ad Heb. 9. [v. 8.], et ideo oportebat exteriorem cultum veteris legis non solum esse figurativum futurae veritatis manifestandae in patria, sed etiam figurativum Christi, qui est via ducens ad illam patriae veritatem. Sed in statu novae legis haec via jam est revelata; unde hanc praefigurari non oportet sicut futuram, sed commemorari oportet per modum praeteriti vel praesentis, sed solum oportet praefigurari futuram veritatem gloriae nondum revelatam, et hoc est, quod Apostolus dicit ad Heb. 10. [v. 1.] : « Umbram habet lex futurorum bonorum, non ipsam imaginem 313rerum »: umbra enim minus est quam imago, tamquam imago pertineat ad novam legem, umbra vero ad veterem.
In den staat van de eeuwige gelukzaligheid zal het verstand van den mensch de goddelijke waarheid zelf in haar zelf aanschouwen en dan zal de uiterlijke eeredienst niet bestaan in iets figuurlijks, maar alleen in den lof van God, die voortkomt uit 312de innerlijke kennis is liefde, volgens het woord van Isaïis (51, 3) : « Vreugde en blijdschap zal in haar gevonden worden, dankzegging en lofspreking ». In den toestand echter van het tegenwoordig leven kunnen we de goddelijke waarheid niet in haar zelf aanschouwen, maar is het, zooals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelsche Koren (Ie H.), noodig, dat een straal van de goddelijke waarheid ons onder eenige zinnelijke figuren verlicht, op verschillende wijze echter, naar den verschillenden staat der menschelijke kennis. Want in de Oude Wet was, gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (9, 8), noch de goddelijke waarheid zelf in zichzelf duidelijk, noch de weg om er toe te komen. Daarom moest de uiterlijke eeredienst van de Oude Wet niet alleen figuurlijk zijn ten opzichte van de waarheid, die in het vaderhuis openbaar zal zijn, maar ook ten opzichte van Christus, die de weg is, welke leidt naar die waarheid van het vaderhuis. Maar in den toestand der Nieuwe Wet is deze weg reeds geopenbaard. Vandaar hoeft hij niet als iets toekomstigs voorafgebeeld te worden, maar wel herdacht als iets verledens of tegenwoordigs. Alleen moet voorafgebeeld worden de nog niet geopenbaarde waarheid der glorie. En dit bedoelt de Apostel in 313zijn Brief aan de Hebreërs (10, 1) door te zeggen : « De Wet bezit de schaduw der toekomstige goederen en niet het beeld zelf der dingen ». Immers een schaduw is minder dan het beeld; en het beeld heeft betrekking op de Nieuwe Wet, de schaduw op de Oude Wet.In de staat van de eeuwige gelukzaligheid zal het verstand van de mens de goddelijke waarheid zelf in haarzelf aanschouwen en dan zal de uiterlijke eredienst niet bestaan in iets figuurlijks, maar alleen in de lof van God, die voortkomt uit 312de innerlijke kennis is liefde, volgens het woord van Isaïis (51, 3): “Vreugde en blijdschap zal in haar gevonden worden, dankzegging en lofspreking”. In de toestand echter van het tegenwoordig leven kunnen we de goddelijke waarheid niet in haarzelf aanschouwen, maar is het, zoals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelse Koren (1e H.), nodig, dat een straal van de goddelijke waarheid ons onder enige zinnelijke figuren verlicht, op verschillende wijze echter, naar de verschillende staat van de menselijke kennis. Want in de Oude Wet was, gelijk de Apostel zegt in zijn Brief aan de Hebreërs (9, 8), noch de goddelijke waarheid zelf in zichzelf duidelijk, noch de weg om er toe te komen. Daarom moest de uiterlijke eredienst van de Oude Wet niet alleen figuurlijk zijn ten opzichte van de waarheid, die in het vaderhuis openbaar zal zijn, maar ook ten opzichte van Christus, die de weg is, welke leidt naar die waarheid van het vaderhuis. Maar in de toestand van de Nieuwe Wet is deze weg reeds geopenbaard. Vandaar hoeft hij niet als iets toekomstigs voorafgebeeld te worden, maar wel herdacht als iets verledens of tegenwoordigs. Alleen moet voorafgebeeld worden de nog niet geopenbaarde waarheid van de glorie. En dit bedoelt de Apostel in 313zijn Brief aan de Hebreërs (10, 1) door te zeggen: “De Wet bezit de schaduw van de toekomstige goederen en niet het beeld zelf van de dingen”. Immers een schaduw is minder dan het beeld; en het beeld heeft betrekking op de Nieuwe Wet, de schaduw op de Oude Wet.
Ad primum ergo dicendum, quod divina non sunt revelanda hominibus nisi secundum eorum capacitatem : alioquin daretur eis praecipitii materia, dum contemnerent, quae capere non possunt; et ideo utilis fuit, ut sub quodam figurarum velamine divina mysteria rudi populo traderentur, ut sic saltem ea implicite cognoscerent, dum illis figuris deservirent ad honorem Dei.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De goddelijke dingen moeten aan de menschen geopenbaard worden naar hun bevattingsvermogen; anders zou men aanleiding geven tot zonde, terwijl zij zouden verachten wat ze niet kunnen vatten. Vandaar was het beter, dat de goddelijke geheimen onder een sluier van figuren aan het onervaren volk werden voorgesteld, opdat zij ze zoo tenminste bedekt zouden kennen, terwijl ze tot Gods eer die figuren zouden onderhouden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De goddelijke dingen moeten aan de mensen geopenbaard worden naar hun bevattingsvermogen; anders zou men aanleiding geven tot zonde, terwijl zij zouden verachten wat ze niet kunnen vatten. Vandaar was het beter, dat de goddelijke geheimen onder een sluier van figuren aan het onervaren volk werden voorgesteld, opdat zij ze zo tenminste bedekt zouden kennen, terwijl ze tot Gods eer die figuren zouden onderhouden.
Ad secundum dicendum, quod sicut poetica non capiuntur a ratione humana propter defectum veritatis, qui est in eis, ita etiam ratio humana perfecte capere non potest divina propter excedentem ipsorum veritatem, et ideo utrobique opus est repraesentatione per sensibiles figuras.
2. Gelijk de poëzie door het menschelijk verstand niet kan worden gevat om het gebrek aan waarheid er in, zoo ook kan de menschelijke rede de goddelijke mysteriën niet volmaakt vatten, om de verhevenheid van hun waarheid. Daarom moeten beide voorgesteld worden door zinnelijke figuren.2. Gelijk de poëzie door het menselijk verstand niet kan worden gevat om het gebrek aan waarheid er in, zo ook kan de menselijke rede de goddelijke mysteriën niet volmaakt vatten, om de verhevenheid van hun waarheid. Daarom moeten beide voorgesteld worden door zinnelijke figuren.
Ad tertium dicendum, quod Augustinus ibi loquitur de cultu interiore, ad quem tamen ordinari oportet exteriorem cultum, ut dictum est [in corp. art.].
3. Augustinus spreekt daar over den innerlijken eeredienst, 314waarop de uiterlijke eeredienst gericht moet zijn, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.3. Augustinus spreekt daar over de innerlijke eredienst, 314waarop de uiterlijke eredienst gericht moet zijn, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.
314Et similiter dicendum est ad quartum, quia per Christum homines plenius ad spiritualem Dei cultum sunt introducti.
4. Hetzelfde moet geantwoord worden op de 4e Bedenking, daar de menschen door Christus meer volmaakt tot de geestelijke Godsvereering gebracht zijn.4. Hetzelfde moet geantwoord worden op de 4e Bedenking, daar de mensen door Christus meer volmaakt tot de geestelijke Godsverering gebracht zijn.
Utrum debuerint esse multa caeremonialia praecepta
Moesten er veel ceremonieel-voorschriften zijn?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non debuerint esse multa caeremonialia praecepta : ea enim quae sunt ad finem, debent esse fini proportionata; sed caeremonialia praecepta, sicut dictum est [art. 1. et 2.], ordinantur ad cultum Dei et in figuram Christi; est autem unus Deus, a quo omnia, et unus Dominus Jesus Christus, per quem omnia, ut dicitur 1. Cor. 8. [v. 6]. Ergo caeremonialia non debuerunt multiplicari.
Bedenkingen. — Men beweert, dat er niet vele ceremonieel-voorschriften moesten zijn. — 1. Immers de middelen moeten evenredig zijn aan het doel. Welnu zooals hierboven gezegd is (Ie en 2e Art.), zijn de ceremonieel-voorschriften gericht op den eeredienst van God en ter voorbeduiding van Christus. Welnu er is maar één God, waarvan alles, en één Heer, Jesus Christus, waardoor alles, zooals we lezen in den In Brief aan de Corinthiërs (8, 6). Dus moesten er niet veel ceremonieel-voorschriften zijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat er niet vele ceremonieel-voorschriften moesten zijn. — 1. Immers de middelen moeten evenredig zijn aan het doel. Welnu zoals hierboven gezegd is (1e en 2e Art.), zijn de ceremonieel-voorschriften gericht op de eredienst van God en ter voorbeduiding van Christus. Welnu er is maar één God, waarvan alles, en één Heer, Jesus Christus, waardoor alles, zoals we lezen in de 1e Brief aan de Korintiërs (8, 6). Dus moesten er niet veel ceremonieel-voorschriften zijn.
3152. Praeterea, multitudo caeremonialium praeceptorum transgressionis erat occasio, secundum illud quod dicit Petrus Act. 15 [v. 10] : « Quid tentatis Deum, imponere jugum super cervicem discipulorum, quod neque nos, neque patres nostri portare potuimus? » Sed transgressio divinorum praeceptorum contrariatur humanae saluti; cum igitur lex omnis debeat saluti congruere hominum, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 3.], videtur quod non debuerint multa praecepta caeremonialia dari.
3152. De veelheid van ceremonieel-voorschriften gaf aanleiding tot overtreding, volgens het woord van Petrus (Handelingen, 15, 10) : « Waarom zoudt ge God beproeven, door aan de leerlingen een juk op te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij zelve hebben kunnen dragen? ». Welnu de overtreding van de goddelijke voorschriften is strijdig met de zaligheid der menschen. Daar dus iedere wet de zaligheid der menschen moet bevorderen, zooals Isidorus zegt (Ve Boek zijner Etymologieën, IIIe H.), moesten er niet veel ceremonieel-voorschriften zijn.3152. De veelheid van ceremonieel-voorschriften gaf aanleiding tot overtreding, volgens het woord van Petrus (Handelingen, 15, 10): “Waarom zoudt ge God beproeven, door aan de leerlingen een juk op te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij zelve hebben kunnen dragen?”. Welnu de overtreding van de goddelijke voorschriften is strijdig met de zaligheid van de mensen. Daar dus iedere wet de zaligheid van de mensen moet bevorderen, zoals Isidorus zegt (5e Boek van zijn Etymologieën, 3e H.), moesten er niet veel ceremonieel-voorschriften zijn.
3. Praeterea, praecepta caeremonialia pertinebant ad cultum Dei exteriorem et corporalem, ut dictum est [art. praec.] ; sed hujusmodi cultum corporalem lex debebat diminuere, quia ordinabat ad Christum, qui docuit homines Deum colere in spiritu et veritate, ut habetur Joan. 4. [v. 23.] ; non ergo debuerunt multa praecepta caeremonialia dari.
3. De ceremonieel-voorschriften hadden betrekking op den uiterlijken eeredienst van God. Welnu dien stoffelijken eeredienst moest de Wet verminderen, omdat hij gericht was op Christus, die de menschen leerde, God te eeren in geest en waarheid, zooals we lezen bij Johannes (4, 23). Dus moesten er niet vele ceremonieel-voorschriften gegeven worden.3. De ceremonieel-voorschriften hadden betrekking op de uiterlijke eredienst van God. Welnu die stoffelijke eredienst moest de Wet verminderen, omdat hij gericht was op Christus, die de mensen leerde, God te eren in geest en waarheid, zoals we lezen bij Johannes (4, 23). Dus moesten er niet vele ceremonieel-voorschriften gegeven worden.
Sed contra est, quod dicitur Oseae 8. [v. 12.] : « Scribam ei multiplices leges intus », et Job 11 [v. 6.] : « Ut ostenderet tibi secreta sapientiae, quod multiplex sit lex ejus. »
Maar daartegenover staat het gezegde van Osee (8, 12) : « Ik zal het volk mijn veelvuldige wetten schrijven », en van Job (11, 6) : « Om u de geheimen van de wijsheid te toonen, hoe veelvuldig is zijn wet ».Maar daartegenover staat het gezegde van Hosea (8, 12): “Ik zal het volk mijn veelvuldige wetten schrijven”, en van Job (11, 6): “Om u de geheimen van de wijsheid te tonen, hoe veelvuldig is zijn wet”.
316Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 90. art. 2. et 3. et q. 96, art. 1.], omnis lex alicui populo datur; in populo autem duo genera hominum continentur : quidam proni ad malum, qui sunt per praecepta legis coercendi, ut supra dictum est [q. 05. art. 1.], quidam habentes inclinationem ad bonum vel ex natura, vel ex consuetudine, vel etiam ex gratia : et tales sunt per legis praeceptum instruendi, et in melius promovendi.
316Leerstelling. — Iedere wet wordt, gelijk hierboven gezegd is (XCe Kw., 2e en 3e Art., XCVIe Kw., Ie Art.), gegeven aan een volk. Onder een volk nu zijn er twee soorten menschen : sommige immers zijn geneigd tot het kwaad, en die moeten door de voorschriften der wet gebonden worden, zooals we vroeger reeds zegden (XCVe Kw. Ie Art.) ; andere daartegen hebben een neiging naar het goede, ofwel van nature, ofwel uit gewoonte, ofwel door de genade, en die moeten door de wet onderricht en tot het hoogere gebracht worden.316Leerstelling. — Iedere wet wordt, gelijk hierboven gezegd is (90e Kw., 2e en 3e Art., 96e Kw., 1e Art.), gegeven aan een volk. Onder een volk nu zijn er twee soorten mensen: sommige immers zijn geneigd tot het kwaad, en die moeten door de voorschriften van de wet gebonden worden, zoals we vroeger reeds zegden (95e Kw. 1e Art.); andere daartegen hebben een neiging naar het goede, ofwel van nature, ofwel uit gewoonte, ofwel door de genade, en die moeten door de wet onderricht en tot het hogere gebracht worden.
Quantum igitur ad utrumque genus hominum, expediebat praecepta caeremonialia in veteri lege multiplicari : erant enim in illo populo aliqui ad idololatriam proni; et ideo necesse erat, ut ab idololatriae cultu per praecepta caeremonialia revocarentur ad cultum Dei; et quia multipliciter homines idololatriae deserviebant, oportebat e contrario multa institui ad singula reprimenda; et iterum multa talibus imponi, ut quasi oneratis ex his, quae ad cultum Dei impenderent, non vacaret idololatriae deservire.
Voor beide soorten van menschen was het goed, dat er in de Oude Wet veel ceremonieel-voorschriften waren. Onder het Joodsche volk immers waren er eenigen, die geneigd waren tot afgoderij, en daarvoor was het noodig, dat zij door de ceremonieel-voorschriften werden teruggebracht van den afgodendienst tot den eeredienst van God. En daar de menschen de afgoden op veelvuldige wijze dienden, moesten daar tegen vele voorschriften gesteld worden om ieder afzonderlijk te weren, en eveneens moesten er veel voorschriften worden gemaakt, opdat zij als het ware beladen met datgene wat tot den eeredienst van God behoorde, geen tijd zouden hebben zich aan afgoderij over te geven.Voor beide soorten van mensen was het goed, dat er in de Oude Wet veel ceremonieel-voorschriften waren. Onder het Joodse volk immers waren er enigen, die geneigd waren tot afgoderij, en daarvoor was het nodig, dat zij door de ceremonieel-voorschriften werden teruggebracht van de afgodendienst tot de eredienst van God. En daar de mensen de afgoden op veelvuldige wijze dienden, moesten daar tegen vele voorschriften gesteld worden om ieder afzonderlijk te weren, en eveneens moesten er veel voorschriften worden gemaakt, opdat zij als het ware beladen met datgene wat tot de eredienst van God behoorde, geen tijd zouden hebben zich aan afgoderij over te geven.
317Ex parte vero eorum, qui erant proni ad bonum, etiam necessaria fuit multiplicatio caeremonialium praeceptorum, tum quia per hoc diversimode mens eorum referebatur in Deum, et magis assidue, tum etiam quia mysterium Christi, quod per hujusmodi caeremonialia figurabatur, multiplices utilitates attulit mundo; et multa circa ipsum consideranda erant. quae oportuit per diversa caeremonialia figurari.
317Van den kant echter van degenen, die tot het goede geneigd waren, was de veelheid van ceremonieel-voorschriften ook noodzakelijk, zoowel omdat hun geest daardoor op verschillende wijze en meer aanhoudend tot God gericht werd, als omdat het geheim van Christus, dat door die ceremonieel-voorschriften werd afgebeeld, aan de wereld op verschillende wijze nuttig zou zijn; en veel moest over Hem beschouwd worden, wat door verschillende ceremonieel-voorschriften moest voorafgebeeld worden.317Van de kant echter van degenen, die tot het goede geneigd waren, was de veelheid van ceremonieel-voorschriften ook noodzakelijk, zowel omdat hun geest daardoor op verschillende wijze en meer aanhoudend tot God gericht werd, als omdat het geheim van Christus, dat door die ceremonieel-voorschriften werd afgebeeld, aan de wereld op verschillende wijze nuttig zou zijn; en veel moest over Hem beschouwd worden, wat door verschillende ceremonieel-voorschriften moest voorafgebeeld worden.
Ad primum ergo dicendum, quod, quando id, quod ordinatur ad finem, est sufficiens ad ducendum in finem, tunc sufficit unum ad unum finem; sicut una medicina, si sit efficax, sufficit quandoque ad sanitatem inducendam; et tunc non oportet multiplicari medicinam. Sed propter debilitatem et imperfectionem ejus quod est ad finem, oportet ea multiplicari, sicut multa adhibentur remedia infirmo, quando unum non sufficit ad sanandum. Caeremoniae autem veteris legis invalidae et imperfectae erant ad repraesentandum Christi mysterium, quod est superexcellens, et ad subjugandum 318mentes hominum Deo : unde Apostolus dicit ad Hebr. 7. [v. 18. sq.]: « Reprobatio fit praecedentis mandati propter infirmitatem, et inutilitatem: nihil enim ad perfectum adduxit lex », et ideo oportuit hujusmodi caeremonias multiplicari.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Indien het middel voldoende is om het doel te bereiken, dan volstaat één middel voor één doel, gelijk één geneesmiddel soms, zoo het werkdadig is, voldoende is om de gezondheid te geven, en in dit geval zijn er niet meerdere geneesmiddelen noodig. Maar de middelen moeten soms vermenigvuldigd worden om hun gebrekkigheid en onvolkomenheid, gelijk er voor een zieke vele geneesmiddelen aangewend worden, wanneer één niet voldoende is om hem te genezen. Welnu de ceremoniën der Oude Wet waren gebrekkig en onvolkomen om het geheim van Christus, dat bovenmate schitterend is, voor te stellen, en om den geest der menschen aan 318God te onderwerpen. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 18, v.) : « Het vroeger gebod wordt afgeschaft om zijn zwakheid en nutteloosheid; de Wet immers heeft niets kunnen voltooien ». Daarom moesten dergelijke ceremoniën menigvuldig zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Indien het middel voldoende is om het doel te bereiken, dan volstaat één middel voor één doel, gelijk één geneesmiddel soms, zo het werkdadig is, voldoende is om de gezondheid te geven, en in dit geval zijn er niet meerdere geneesmiddelen nodig. Maar de middelen moeten soms vermenigvuldigd worden om hun gebrekkigheid en onvolkomenheid, gelijk er voor een zieke vele geneesmiddelen aangewend worden, wanneer één niet voldoende is om hem te genezen. Welnu de ceremoniën van de Oude Wet waren gebrekkig en onvolkomen om het geheim van Christus, dat bovenmate schitterend is, voor te stellen, en om de geest van de mensen aan 318God te onderwerpen. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (7, 18, v.): “Het vroeger gebod wordt afgeschaft om zijn zwakheid en nutteloosheid; de Wet immers heeft niets kunnen voltooien”. Daarom moesten dergelijke ceremoniën menigvuldig zijn.
Ad secundum dicendum, quod sapientis legislatoris est minores transgressiones permittere, ut majores caveantur; et ideo ut caveretur transgressio idololatriae et superbiae quae in Judaeorum cordibus nasceretur, si omnia praecepta legis implerent, non propter hoc praetermisit Deus multa caeremonialia praecepta tradere, quia de facili sumebant ex hoc transgrediendi occasionem.
2. Het is eigen aan een wijzen wetgever, kleinere overtredingen toe te laten, om grootere te voorkomen. Om nu de zonde van afgoderij en hoogmoed te voorkomen, die de Joden ingegeven zou worden, indien zij alle voorschriften der wet zouden nakomen, heeft God niet nagelaten veel ceremonieel-voorschriften te geven, omdat zij daarin gemakkelijk een aanleiding zouden vinden tot overtreding.2. Het is eigen aan een wijzen wetgever, kleinere overtredingen toe te laten, om grotere te voorkomen. Om nu de zonde van afgoderij en hoogmoed te voorkomen, die de Joden ingegeven zou worden, indien zij alle voorschriften van de wet zouden nakomen, heeft God niet nagelaten veel ceremonieel-voorschriften te geven, omdat zij daarin gemakkelijk een aanleiding zouden vinden tot overtreding.
Ad tertium dicendum, quod vetus lex in multis diminuit corporalem cultum; propter quod statuit, quod non in omni loco sacrificia offerrentur, neque a quibuslibet. Et multa hujusmodi statuit ad diminutionem exterioris cultus, sicut etiam Rabbi Moyses Aegyptius dicit [Doct. Perpl., P. III, C. 30.] ; oportebat tamen non ita attenuare corporalem cultum Dei, ut homines ad cultum daemonum declinarent.
3. In vele dingen heeft de Oude Wet den stoffelijken eeredienst verminderd. Daarom was er bepaald, dat niet op alle plaatsen offers mochten worden opgedragen, noch door iedereen; en vele dergelijke dingen waren bepaald om den uiterlijken eeredienst te verminderen, gelijk ook Rabbi Mozes van Egypte zegt (in zijn Boek De Leidsman der Dwalenden, IIIe B., XXXe H.). Echter mocht de uiterlijke eeredienst niet zóó verminderd worden, dat de menschen zouden overgaan tot den eeredienst van den duivel.3. In vele dingen heeft de Oude Wet de stoffelijke eredienst verminderd. Daarom was er bepaald, dat niet op alle plaatsen offers mochten worden opgedragen, noch door iedereen; en vele dergelijke dingen waren bepaald om de uiterlijke eredienst te verminderen, gelijk ook Rabbi Mozes van Egypte zegt (in zijn Boek De Leidsman van de Dwalenden, 3e B., 30e H.). Echter mocht de uiterlijke eredienst niet zó verminderd worden, dat de mensen zouden overgaan tot de eredienst van de duivel.
Utrum caeremoniae veteris legis convenienter dividantur in sacrificia, sacramenta, sacra, et observantias
Worden de ceremoniën der Oude Wet goed verdeeld in offers, sacramenten, heilige zaken en onderhoudingen?Worden de ceremoniën van de Oude Wet goed verdeeld in offers, sacramenten, heilige zaken en onderhoudingen?
319Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod caeremoniae veteris legis inconvenienter dividantur in sacrificia, sacramenta, sacra, et observantias; caeremoniae enim veteris legis figurabant Christum; sed hoc solum fiebat per sacrificia, per quae figurabatur sacrificium, quo Christus se obtulit oblationem, et hostiam Deo, ut dicitur ad Ephes. 5. [v. 2.]; ergo sola sacrificia erant caeremonialia.
319Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën der Oude Wet niet goed verdeeld werden in offers, sacramenten, heilige handelingen en onderhoudingen. — 1. De ceremoniën immers van de Oude Wet verbeeldden Christus; maar dit gebeurde alleen door de offers, waardoor het offer voorafgebeeld werd, waardoor Christus zich als een offerande aan God opdroeg, zooals de Brief aan de Ephesiërs zegt (5, 2). Dus waren de ceremoniën alleen offers.319Bedenkingen. — Men beweert, dat de ceremoniën van de Oude Wet niet goed verdeeld werden in offers, sacramenten, heilige handelingen en onderhoudingen. — 1. De ceremoniën immers van de Oude Wet verbeeldden Christus; maar dit gebeurde alleen door de offers, waardoor het offer voorafgebeeld werd, waardoor Christus zich als een offerande aan God opdroeg, zoals de Brief aan de Efesiërs zegt (5, 2). Dus waren de ceremoniën alleen offers.
2. Praeterea, vetus lex ordinabatur ad novam; sed in nova lege ipsum sacrificium est sacramentum altaris; ergo in veteri lege non debuerunt distingui sacramenta contra sacrificia.
2. De Oude Wet was gericht op de Nieuwe. Welnu in de Nieuwe Wet is het offer het Sacrament des Altaars. Dus moet men in de Oude Wet de sacramenten niet onderscheiden van de offers.2. De Oude Wet was gericht op de Nieuwe. Welnu in de Nieuwe Wet is het offer het Sacrament van het Altaar. Dus moet men in de Oude Wet de sacramenten niet onderscheiden van de offers.
3203. Praeterea, sacrum dicitur, quod est Deo dicatum; secundum quem modum tabernaculum et vasa ejus sacrificari dicebantur: sed omnia caeremonialia erant ordinata ad cultum Dei, ut dictum est [art. 1. huj. q.]; ergo caeremonialia omnia sacra erant; non ergo una pars caeremonialium debet sacra nominari.
3203. Heilig wordt genoemd wat aan God toegewijd is. Op die wijze zegde men ook, dat het tabernakel en zijn vaatwerk geheiligd was. Welnu alle ceremoniën zijn gericht op den eeredienst van God, zooals hierboven gezegd is (Ie Art.), en bijgevolg waren alle ceremoniën heilig. Men moet dus niet alleen een gedeelte van de ceremoniën heilig noemen.3203. Heilig wordt genoemd wat aan God toegewijd is. Op die wijze zegde men ook, dat het tabernakel en zijn vaatwerk geheiligd was. Welnu alle ceremoniën zijn gericht op de eredienst van God, zoals hierboven gezegd is (1e Art.), en bijgevolg waren alle ceremoniën heilig. Men moet dus niet alleen een gedeelte van de ceremoniën heilig noemen.
4. Praeterea, observantiae ab observando dicuntur; sed omnia praecepta legis observari debebant : dicitur enim Deuter. 8. [v. 11.] : « Observa, et cave, ne quando obliviscaris Domini Dei tui, et negligas mandata ejus atque judicia et caeremonias »; non ergo observantiae debent poni una pars caeremonialium.
4. Onderhoudingen komt van onderhouden. Welnu alle voorschriften der Wet moesten onderhouden worden. In Deuteronomium (8, 11) immers wordt gezegd : « Geeft acht en wacht u om den Heer uw God te vergeten en zijn geboden en rechten en plichtgebruiken te verontachtzamen ». Men moet dus niet een gedeelte der ceremonieel-voorschriften onderhoudingen noemen.4. Onderhoudingen komt van onderhouden. Welnu alle voorschriften van de Wet moesten onderhouden worden. In Deuteronomium (8, 11) immers wordt gezegd: “Geeft acht en wacht u om de Heer uw God te vergeten en zijn geboden en rechten en plichtgebruiken te verontachtzamen”. Men moet dus niet een gedeelte van de ceremonieel-voorschriften onderhoudingen noemen.
5. Praeterea, solemnitates inter caeremonialia computantur, cum sint in umbram futuri, ut patet ad Coloss. 2. [v. 16. sq.] ; similiter etiam oblationes et munera, ut patet per Apostolum ad Hebr. 9. [v. 9.], quae tamen sub nullo horum contineri videntur; ergo inconveniens est praedicta distinctio caeremonialium.
5. De plechtigheden worden onder de ceremoniën gerekend, daar zij een schaduw van de toekomst zijn, zooals blijkt uit den Brief aan de Colossers (2, 16 v.). Op gelijke wijze ook de offeranden en gaven, zooals blijkt uit den Brief aan de Hebreërs (9, 9). Deze echter schijnen onder geen van deze te vallen. Dus is het bovengenoemde onderscheid niet goed.5. De plechtigheden worden onder de ceremoniën gerekend, daar zij een schaduw van de toekomst zijn, zoals blijkt uit de Brief aan de Kolossenzen (2, 16 v.). Op gelijke wijze ook de offeranden en gaven, zoals blijkt uit de Brief aan de Hebreërs (9, 9). Deze echter schijnen onder geen van deze te vallen. Dus is het bovengenoemde onderscheid niet goed.
321Sed contra est, quod in veteri lege singula praedicta caeremoniae vocantur : sacrificia enim dicuntur caeremoniae Num. 15. [v. 24.] : « Offerat vitulum, et sacrificia ejus, ac libamenta, ut caeremoniae postulant »; de sacramento etiam ordinis dicitur Levit. 7. [v. 35.] : « Haec est unctio Aaron et filiorum ejus in caeremoniis »; de sacris etiam dicitur Exod. 38. [v. 21.] : « Haec sunt instrumenta tabernaculi testimonii in caeremoniis Levitarum »; de observantiis etiam dicitur 3. Reg. 9. [v. 6.] : « Si aversi fueritis non sequentes me, nec observantes caeremonias, quas proposui vobis. »
321Maar daartegenover staat, dat de bovengenoemde alle afzonderlijk in de Oude Wet ceremoniën genoemd worden. Immers de offers worden ceremoniën genoemd in het Boek der Getallen (15, 24) : « Hij moet een var offeren en spijs- en drankoffers, gelijk de ceremoniën vereischen ». Ook over het sacrament des priesterschaps zegt Leviticus (7, 35) : « Dit is de zalving van Aäron en zijn zonen bij de ceremoniën ». Ook over de heilige zaken zegt Exodus (38, 21) : « Dit zijn de stukken van den tabernakel van het getuigenis voor de ceremoniën der Levieten ». Omtrent de onderhoudingen wordt in het IIIe Boek Koningen (9, 6) gezegd : « Indien gij u afkeert door mij niet te volgen, en mijne ceremoniën, die ik u heb voorgehouden, niet te onderhouden ».321Maar daartegenover staat, dat de bovengenoemde alle afzonderlijk in de Oude Wet ceremoniën genoemd worden. Immers de offers worden ceremoniën genoemd in het Boek van de Getallen (15, 24): “Hij moet een var offeren en spijs- en drankoffers, gelijk de ceremoniën vereisen”. Ook over het sacrament van het priesterschap zegt Leviticus (7, 35): “Dit is de zalving van Aäron en zijn zonen bij de ceremoniën”. Ook over de heilige zaken zegt Exodus (38, 21): “Dit zijn de stukken van de tabernakel van het getuigenis voor de ceremoniën van de Levieten”. Omtrent de onderhoudingen wordt in het 3e Boek Koningen (9, 6)a gezegd: “Indien gij u afkeert door mij niet te volgen, en mijn ceremoniën, die ik u heb voorgehouden, niet te onderhouden”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 1. et 2. huj. q.], caeremonialia praecepta ordinantur ad cultum Dei; in quo quidem cultu considerari possunt et ipse cultus, et colentes, et instrumenta colendi; ipse autem cultus specialiter consistit in sacrificiis, quae in Dei reverentiam offeruntur; instrumenta autem colendi pertinent ad sacra, sicut est 322tabernaculum, et vasa, et alia hujusmodi. Ex parte autem colentium duo possunt considerari, scilicet eorum institutio ad cultum divinum, quod fit per quamdam consecrationem vel populi, vel ministrorum : et ad hoc pertinent sacramenta; et iterum eorum singularis conversatio, per quam distinguuntur ab his, qui Deum non colunt : et ad hoc pertinent observantiae, puta in cibis, et vestimentis, et aliis hujusmodi.
Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (Ie en 2e Art.), zijn de ceremonieel-voorschriften gericht op den eeredienst van God. Welnu in den eeredienst van God kunnen we beschouwen, én den eeredienst zelf, én de vereerders, én de werktuigen der vereering. De eeredienst zelf nu bestaat bijzonder in de offers, die ter eere van God worden opgedragen. De werktuigen van den eeredienst echter vallen onder de heilige zaken, zooals b. 322v. het tabernakel, het vaatwerk, en dergelijke. Van den kant nu der vereerders kunnen we twee dingen beschouwen, nl. hun aanstelling tot den eeredienst van God, wat geschiedt door een toewijding aan God, ofwel van het volk ofwel van de bedienaren, en daartoe behooren de sacramenten; en vervolgens hun afzonderlijken omgang, waardoor zij onderscheiden worden van hen, die aan den eeredienst van God niet toegewijd zijn. En daartoe behooren de onderhoudingen, b. v. in spijzen, kleederen en dergelijke.Leerstelling. — Gelijk hierboven gezegd is (1e en 2e Art.), zijn de ceremonieel-voorschriften gericht op de eredienst van God. Welnu in de eredienst van God kunnen we beschouwen, én de eredienst zelf, én de vereerders, én de werktuigen van de verering. De eredienst zelf nu bestaat bijzonder in de offers, die ter ere van God worden opgedragen. De werktuigen van de eredienst echter vallen onder de heilige zaken, zoals b. 322v. het tabernakel, het vaatwerk, en dergelijke. Van de kant nu van de vereerders kunnen we twee dingen beschouwen, nl. hun aanstelling tot de eredienst van God, wat geschiedt door een toewijding aan God, ofwel van het volk ofwel van de bedienaren, en daartoe behoren de sacramenten; en vervolgens hun afzonderlijken omgang, waardoor zij onderscheiden worden van hen, die aan de eredienst van God niet toegewijd zijn. En daartoe behoren de onderhoudingen, bv. in spijzen, klederen en dergelijke.
Ad primum ergo dicendum, quo sacrificia offerri oportebat et in aliquibus locis, et per aliquos homines, et totum hoc ad cultum Dei pertinet; unde, sicut per sacrificia significatur Christus immolatus; ita etiam per sacramenta et sacra illorum figurabantur sacramenta et sacra novae legis; et per eorum observantias figurabatur conversatio populi novae legis, quae omnia ad Christum pertinent.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Offers opdragen moest geschieden én op bepaalde plaatsen én door bepaalde personen: en dit geheel behoorde tot den eeredienst van God. Gelijk dus door de offers de geofferde Christus werd beduid, zoo ook werden door de sacramenten en de heilige zaken de sacramenten en heilige zaken der Nieuwe Wet beduid, en door de onderhoudingen werd de omgang van het volk van de Nieuwe Wet voorbeduid, wat alles op Christus gericht was.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Offers opdragen moest geschieden én op bepaalde plaatsen én door bepaalde personen: en dit geheel behoorde tot de eredienst van God. Gelijk dus door de offers de geofferde Christus werd beduid, zo ook werden door de sacramenten en de heilige zaken de sacramenten en heilige zaken van de Nieuwe Wet beduid, en door de onderhoudingen werd de omgang van het volk van de Nieuwe Wet voorbeduid, wat alles op Christus gericht was.
Ad secundum dicendum, quod sacrificium novae legis, idest Eucharistia continet ipsum Christum, qui est sanctificationis auctor : Sanctificavit 323enim per suum sanguinem populum, ut dicitur ad Hebr. ult. [v. 12.], et ideo sacrificium etiam sacramentum est. Sed sacrificia veteris legis non continebant Christum, sed ipsum figurabant; et ideo non dicuntur sacramenta; sed ad hoc designandum seorsum erant quaedam sacramenta in veteri lege, quae erant figurae futurae consecrationis, quamvis etiam consecrationibus quaedam sacrificia adjungerentur.
2. Het offer der Nieuwe Wet, d. i. de Eucharistie, bevat Christus zelf, die de bewerker der heiligmaking is. Hij immers 323heeft door zijn bloed het volk geheiligd, gelijk geschreven staat in den Brief aan de Hebreërs (13, 12). En daarom is dit offer tevens een sacrament. Maar de offers der Oude Wet bevatten Christus niet, maar stelden Hem alleen voor, en daarom worden zij geen sacramenten genoemd. Om dit aan te duiden waren er bovendien enkele sacramenten in de Oude Wet, die figuren waren van de toekomstige heiliging, ofschoon ook aan verschillende heiligingen sommige offers verbonden waren.2. Het offer van de Nieuwe Wet, d.i. de Eucharistie, bevat Christus zelf, die de bewerker van de heiligmaking is. Hij immers 323heeft door zijn bloed het volk geheiligd, gelijk geschreven staat in de Brief aan de Hebreërs (13, 12). En daarom is dit offer tevens een sacrament. Maar de offers van de Oude Wet bevatten Christus niet, maar stelden Hem alleen voor, en daarom worden zij geen sacramenten genoemd. Om dit aan te duiden waren er bovendien enkele sacramenten in de Oude Wet, die figuren waren van de toekomstige heiliging, ofschoon ook aan verschillende heiligingen sommige offers verbonden waren.
Ad tertium dicendum, quod etiam sacrificia et sacramenta erant 1; sed quaedam erant quae erant sacra, utpote ad cultum Dei dicata, nec tamen erant sacrificia, nec sacramenta; et ideo retinebant sibi commune nomen sacrorum.
3. Ook de offers en sacramenten waren heilig, maar er waren dingen, die heilig waren, d. i. aan den eeredienst toegewijd, die echter noch offers noch sacramenten waren. Daarom behielden deze voor zich den algemeenen naam van heilige zaken.3. Ook de offers en sacramenten waren heilig, maar er waren dingen, die heilig waren, d.i. aan de eredienst toegewijd, die echter noch offers noch sacramenten waren. Daarom behielden deze voor zich de algemene naam van heilige zaken.
Ad quartum dicendum, quod ea quae pertinebant ad conversationem populi Deum colentis, retinebant sibi commune nomen observantiarum, inquantum a praemissis deficiebant : non enim dicebantur sacra, quia non habebant immediatum respectum ad cultum Dei, sicut tabernaculum, et vasa ejus, 324sed per quandam consequentiam erant caeremonialia, inquantum pertinebant ad quandam idoneitatem populi colentis Deum.
4. Die dingen die behoorden tot den omgang van het God eerende volk, behielden voor zich den algemeenen naam van onderhoudingen, omdat ze minder groot waren dan de andere. Immers zij werden niet heilig genoemd, omdat ze geen onmiddellijke verhouding zegden tot God, zooals het tabernakel en de heilige vaten. Maar ze waren ceremonieel-bepalingen door een zekere konsekwentie, voor zoover zij behoorden tot een geschiktheid van het God eerende volk.4. Die dingen die behoorden tot de omgang van het God erende volk, behielden voor zich de algemene naam van onderhoudingen, omdat ze minder groot waren dan de andere. Immers zij werden niet heilig genoemd, omdat ze geen onmiddellijke verhouding zegden tot God, zoals het tabernakel en de heilige vaten. Maar ze waren ceremonieel-bepalingen door een zekere consequentie, voor zover zij behoorden tot een geschiktheid van het God erende volk.
Ad quintum dicendum, quod sicut sacrificia offerebantur in determinato loco, ita etiam offerebantur in determinatis temporibus; unde etiam solemnitates inter sacra computari videntur. Oblationes autem et munera computantur cum sacrificiis, quia Deo offerebantur; unde Apostolus dicit ad Hebr. 5. [v. 1.] : « Omnis Pontifex ex hominibus assumptus pro hominibus constituitur in his, quae sunt ad Deum, ut offerat dona et sacrificia pro peccatis. »
3245. Evenals de offers werden opgedragen op een bepaalde plaats, zoo werden ze ook op bepaalde tijden opgedragen. Vandaar schijnt men ook de plechtigheden onder de heilige zaken te tellen. De offeranden echter en gaven worden onder de offers geteld, daar zij aan God werden opgedragen. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (5, 1) : « Iedere hoogepriester, genomen van onder de menschen, wordt voor de menschen aangesteld, met betrekking tot datgene, wat betrekking heeft op God, om de gaven en offers voor de zonden op te dragen ».3245. Evenals de offers werden opgedragen op een bepaalde plaats, zo werden ze ook op bepaalde tijden opgedragen. Vandaar schijnt men ook de plechtigheden onder de heilige zaken te tellen. De offeranden echter en gaven worden onder de offers geteld, daar zij aan God werden opgedragen. Vandaar zegt de Apostel in zijn Brief aan de Hebreërs (5, 1): “Iedere hogepriester, genomen van onder de mensen, wordt voor de mensen aangesteld, met betrekking tot datgene, wat betrekking heeft op God, om de gaven en offers voor de zonden op te dragen”.