De mutatione legum
Over de verandering van de wetten
156Deinde considerandum est de mutatione legum. Et circa hoc quaeruntur quatuor. 1. Utrum lex humana sit mutabilis. — 2. Utrum semper debeat mutari, quando aliquid melius occurrerit. — 3. Utrum per consuetudinem aboleatur, et utrum consuetudo obtineat vim legis. — 4. Utrum usus legis humanae per dispensationem rectorum immutari debeat.
156Op de beschouwing over de bevoegdheid van de wet, volgt de beschouwing over haar veranderlijkheid. Hieromtrent stellen we vier vragen : 1) Is de menschelijke wet veranderlijk? 2) Moet de menschelijke wet veranderd worden telkens als er zich iets beters voordoet? 3) Wordt de wet door gewoonte afgeschaft en krijgt een gewoonte kracht van wet? 4) Moet het gebruik van de menschelijke wet door dispensaties van de leiders veranderd worden?156Op de beschouwing over de bevoegdheid van de wet, volgt de beschouwing over haar veranderlijkheid. Hieromtrent stellen we vier vragen: 1. Is de menselijke wet veranderlijk? 2. Moet de menselijke wet veranderd worden telkens als er zich iets beters voordoet? 3. Wordt de wet door gewoonte afgeschaft en krijgt een gewoonte kracht van wet? 4. Moet het gebruik van de menselijke wet door dispensaties van de leiders veranderd worden?
Utrum lex humana debeat mutari aliquo modo
Moet de menschelijke wet op een of andere manier veranderd worden?Moet de menselijke wet op een of andere manier veranderd worden?
157Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex humana nullo modo debeat mutari : lex enim humana derivatur a lege naturali, ut supra dictum est [q. 95. art. 2.] ; sed lex naturalis immobilis permanet; ergo et lex humana debet immobilis permanere.
157Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet op geen enkele manier veranderd moet worden. — 1. De menschelijke wet immers is afgeleid van de natuurwet, zooals hierboven bewezen is (XCVe Kw., 2e Art.). Welnu de natuurwet duurt onveranderlijk voort. Dus ook de menschelijke wet.157Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet op geen enkele manier veranderd moet worden. — 1. De menselijke wet immers is afgeleid van de natuurwet, zoals hierboven bewezen is (95e Kw., 2e Art.). Welnu de natuurwet duurt onveranderlijk voort. Dus ook de menselijke wet.
2. Praeterea, sicut Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 5.] : « Mensura maxime debet esse permanens ». Sed lex humana est mensura humanorum actuum, ut supra dictum est [q. 90. art. 1. et 2.] ; ergo debet immobiliter permanere.
2. De Wijsgeer zegt in het Ve Boek van zijn Ethica (Ve H., Nr 14) : « Een maatstaf moet op de eerste en voornaamste plaats onveranderlijk zijn ». Welnu de menschelijke wet is maatstaf van de menschelijke daden, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., Ie en 2e Art.). Dus moet ze onveranderlijk zijn.2. De Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (5e H., Nr 14): “Een maatstaf moet op de eerste en voornaamste plaats onveranderlijk zijn”. Welnu de menselijke wet is maatstaf van de menselijke daden, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 1e en 2e Art.). Dus moet ze onveranderlijk zijn.
3. Praeterea, de ratione legis est, quod sit justa et recta, ut supra dictum est [q. 95. art. 2] ; sed illud, quod semel est rectum, semper est rectum; ergo illud, quod est semel lex, semper debet esse lex.
3. Tot het wezen van wet behoort, dat ze rechtvaardig en rechtgeordend is, zooals hierboven gezegd is (XCVe Kw., 2e Art.). Welnu iets wat eens rechtgeordend was, blijft rechtgeordend. Dus moet iets wat eens wet was, altijd wet blijven.3. Tot het wezen van wet behoort, dat ze rechtvaardig en rechtgeordend is, zoals hierboven gezegd is (95e Kw., 2e Art.). Welnu iets wat eens rechtgeordend was, blijft rechtgeordend. Dus moet iets wat eens wet was, altijd wet blijven.
158Sed contra est, quod Augustinus dicit in 1. de Lib. Arbitr. [cap. 6.] : « Lex temporalis, quamvis justa sit, commutari tamen per tempora juste potest ».
158Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in zijn Boek Over den vrijen Wil (Ie B., VIe H.) : « De tijdelijke wet kan, ofschoon ze rechtvaardig is, door de tijden heen rechtmatig veranderd worden ».158Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in zijn Boek Over de vrije Wil (1e B., 6e H.): “De tijdelijke wet kan, ofschoon ze rechtvaardig is, door de tijden heen rechtmatig veranderd worden”.
Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [q. 91. art. 3.], lex humana est quoddam dictamen rationis, quo diriguntur humani actus, et secundum hoc duplex causa potest esse, quod lex humana juste mutetur : una quidem ex parte rationis, alia vero ex parte hominum, quorum actus lege regulantur.
Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (XCIe Kw., 3e Art.), is de menschelijke wet een uitspraak van het verstand, waardoor de menschelijke daden geregeld worden. In overeenstemming hiermede kan er een dubbele reden zijn, waarom de menschelijke wet rechtmatig veranderd kan worden. Ten eerste, van den kant van het verstand; ten tweede, van den kant van de menschen, wier daden door de wet geregeld worden.Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (91e Kw., 3e Art.), is de menselijke wet een uitspraak van het verstand, waardoor de menselijke daden geregeld worden. In overeenstemming hiermede kan er een dubbele reden zijn, waarom de menselijke wet rechtmatig veranderd kan worden. Ten eerste, van de kant van het verstand; ten tweede, van de kant van de mensen, wier daden door de wet geregeld worden.
Ex parte quidem rationis, quia humanae rationi naturale esse videtur, ut gradatim ab imperfecto ad perfectum perveniat. Unde videmus in scientiis speculativis, quod qui primo philosophati sunt, quaedam imperfecta tradiderunt, quae postmodum per posteriores sunt tradita magis perfecte. Ita etiam et in operabilibus, nam primi, qui intenderunt invenire aliquid utile communitati hominum, non valentes omnia ex se ipsis considerare, instituerunt 159quaedam imperfecta in multis deficientia, quae posteriores mutaverunt instituentes aliqua, quae in paucioribus deficere possunt a communi utilitate.
Van den kant van het verstand, omdat het overeenkomstig de natuur van het menschelijk verstand schijnt te zijn, om geleidelijk van het onvolmaakte over te gaan tot het volmaakte. Vandaar zien we in de beschouwende wetenschappen, dat de eerste wijsgeeren enkele onvolmaakte dingen hebben overgeleverd, die door de latere meer vervolmaakt zijn. Hetzelfde zien we ook met betrekking tot de practische werken. Immers zij, die het eerst iets nuttigs uitvonden voor de menschelijke gemeenschap, maakten, daar zij niet bij machte waren alles uit zichzelf te overwegen, 159eerst enkele dingen, die in veel opzichten onvolmaakt waren, en die lateren hebben veranderd, terwijl ze dingen maakten die slechts in weinig opzichten te kort schoten voor het algemeen belang.Van de kant van het verstand, omdat het overeenkomstig de natuur van het menselijk verstand schijnt te zijn, om geleidelijk van het onvolmaakte over te gaan tot het volmaakte. Vandaar zien we in de beschouwende wetenschappen, dat de eerste wijsgeren enkele onvolmaakte dingen hebben overgeleverd, die door de latere meer vervolmaakt zijn. Hetzelfde zien we ook met betrekking tot de praktische werken. Immers zij, die het eerst iets nuttigs uitvonden voor de menselijke gemeenschap, maakten, daar zij niet bij machte waren alles uit zichzelf te overwegen, 159eerst enkele dingen, die in veel opzichten onvolmaakt waren, en die lateren hebben veranderd, terwijl ze dingen maakten die slechts in weinig opzichten te kort schoten voor het algemeen belang.
Ex parte vero hominum, quorum actus lege regulantur, lex recte mutari potest propter mutationem conditionum hominum, quibus secundum diversas eorum conditiones diversa expediunt, sicut Augustinus ponit exemplum in 1. de Lib. Arbitr. [cap. 6.], quod si populus sit bene moderatus et gravis, communisque utilitatis diligentissimus custos, recte lex fertur, qua tali populo liceat creare sibi magistratus, per quos respublica administretur. Porro si paulatim idem populus depravatus habeat venale suffragium, et regimen flagitiosis sceleratisque committat, recte adimitur populo talis potestas dandi honores, et ad paucorum bonorum redit arbitrium.
Van den kant van de menschen echter, wier daden door de wet geregeld worden, kan de wet rechtmatig veranderd worden, om de verandering der omstandigheden waarin de menschen verkeeren. Immers naar de verschillende omstandigheden zijn verschillende dingen nuttig. Augustinus geeft daarvan een voorbeeld in zijn werk Over den vrijen Wil (Ie B., VIe H.). Indien een volk, zegt hij, goed geleid wordt, ernstig is, en het algemeen welzijn zoo zorgvuldig mogelijk in acht neemt, dan wordt terecht een wet gemaakt, volgens welke zoo een volk zelf de oversten kan kiezen, die de gemeenschap besturen. Maar indien dat volk, naderhand slecht geworden, zijn stem verkoopt, en het bestuur toevertrouwt aan eerlooze en slechte lieden, dan wordt terecht aan zoo een volk de macht om eereposten uit te deelen ontnomen, en volmacht geschonken aan eenige goede mannen.Van de kant van de mensen echter, wier daden door de wet geregeld worden, kan de wet rechtmatig veranderd worden, om de verandering van de omstandigheden waarin de mensen verkeren. Immers naar de verschillende omstandigheden zijn verschillende dingen nuttig. Augustinus geeft daarvan een voorbeeld in zijn werk Over de vrije Wil (1e B., 6e H.). Indien een volk, zegt hij, goed geleid wordt, ernstig is, en het algemeen welzijn zo zorgvuldig mogelijk in acht neemt, dan wordt terecht een wet gemaakt, volgens welke zo een volk zelf de oversten kan kiezen, die de gemeenschap besturen. Maar indien dat volk, naderhand slecht geworden, zijn stem verkoopt, en het bestuur toevertrouwt aan eerloze en slechte lieden, dan wordt terecht aan zo een volk de macht om ereposten uit te delen ontnomen, en volmacht geschonken aan enige goede mannen.
Ad primum ergo dicendum, quod naturalis lex est participatio quaedam legis aeternae, ut supra dictum est [q. 91. art. 3.], et ideo immobilis perseverat; quod habet ex immobilitate, et perfectione divinae rationis instituentis 160naturam. Sed ratio humana mutabilis est et imperfecta, et ideo ejus lex mutabilis est. Et praeterea lex naturalis continet quaedam universalia praecepta, quae semper manent; lex vero posita ab homine continet praecepta quaedam particularia secundum diversos casus, qui emergunt.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De natuurwet is een afstraling van de eeuwige wet, zooals vroeger werd bewezen 160(XCIe Kw., 2e Art.), en daarom duurt ze onveranderlijk voort. Dit heeft ze van de onveranderlijkheid en de volmaaktheid van het goddelijk verstand, dat de natuur gemaakt heeft. Het verstand van de menschen echter is veranderlijk en onvolmaakt, en daarom zijn ook de wetten, die er door gesteld worden, veranderlijk. Bovendien bevat de natuurwet eenige algemeene voorschriften, die altijd blijven; de menschelijke wet daarentegen bevat particuliere voorschriften voor de verschillende gevallen die voorkomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De natuurwet is een afstraling van de eeuwige wet, zoals vroeger werd bewezen 160(91e Kw., 2e Art.), en daarom duurt ze onveranderlijk voort. Dit heeft ze van de onveranderlijkheid en de volmaaktheid van het goddelijk verstand, dat de natuur gemaakt heeft. Het verstand van de mensen echter is veranderlijk en onvolmaakt, en daarom zijn ook de wetten, die er door gesteld worden, veranderlijk. Bovendien bevat de natuurwet enige algemene voorschriften, die altijd blijven; de menselijke wet daarentegen bevat particuliere voorschriften voor de verschillende gevallen die voorkomen.
Ad secundum dicendum, quod mensura debet esse permanens, quantum est possibile; sed in rebus mutabilibus non potest esse aliquid omnino immutabiliter permanens, et ideo lex humana non potest esse omnino immutabilis.
2. Een maatstaf moet onveranderlijk blijven, voor zoover het mogelijk is. Maar met betrekking tot veranderlijke dingen kan iets niet volkomen onveranderlijk blijven, en daarom kan de menschelijke wet niet volkomen onveranderlijk blijven.2. Een maatstaf moet onveranderlijk blijven, voor zover het mogelijk is. Maar met betrekking tot veranderlijke dingen kan iets niet volkomen onveranderlijk blijven, en daarom kan de menselijke wet niet volkomen onveranderlijk blijven.
Ad tertium dicendum, quod rectum in rebus corporalibus dicitur absolute. Et ideo semper, quantum est de se, manet rectum; sed rectitudo legis dicitur in ordine ad utilitatem communem, cui non semper proportionatur una eademque res, sicut supra dictum est [in corp.] ; et ideo talis rectitudo mutatur.
3. Rechtgeordend wordt absoluut gezegd, in stoffelijke dingen, en daarom duurt het op zichzelf genomen onveranderlijk voort. Maar de rechtgeordendheid van de wet heeft betrekking op het algemeen welzijn, dat niet altijd dezelfde verhouding heeft tot eenzelfde zaak, gelijk hierboven (in de Leerstelling) gezegd is. Dergelijke rechtgeordendheid wordt dus veranderd.
Utrum lex humana semper sit mutanda, quando occurrit aliquid melius
Moet de menschelijke wet veranderd worden telkens als er zich iets beters voordoet?Moet de menselijke wet veranderd worden telkens als er zich iets beters voordoet?
161Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod semper lex humana, quando aliquid melius occurrit, sit mutanda : leges enim humanae sunt adinventae per rationem humanam, sicut etiam aliae artes; sed in aliis artibus mutatur id, quod prius tenebatur, si aliquid melius occurrat; ergo idem est etiam faciendum in legibus humanis.
161Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet telkens veranderd moet worden als er zich iets beters voordoet. — 1. De menschelijke wetten immers worden uitgedacht door het menschelijk verstand, gelijk ook de andere kunsten. Welnu in de andere kunsten wordt hetgeen te voren bestond veranderd, wanneer er zich iets beters voordoet. Dus moet hetzelfde gedaan worden voor de menschelijke wet.161Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet telkens veranderd moet worden als er zich iets beters voordoet. — 1. De menselijke wetten immers worden uitgedacht door het menselijk verstand, gelijk ook de andere kunsten. Welnu in de andere kunsten wordt hetgeen te voren bestond veranderd, wanneer er zich iets beters voordoet. Dus moet hetzelfde gedaan worden voor de menselijke wet.
2. Praeterea, ex his quae praeterita sunt, providere possumus de futuris; sed nisi leges humanae mutatae fuissent supervenientibus melioribus adinventionibus, multa inconvenientia sequerentur, eo quod leges antiquae inveniuntur multas ruditates continere; ergo videtur, quod leges sint mutandae, quotiescumque aliquid melius occurrit statuendum.
2. Uit het verleden kunnen we de toekomst voorzien. Welnu indien de menschelijke wetten niet veranderd waren door latere en betere vindingen, dan zouden er vele nadeelen uit voortspruiten, daar er in de oude wetten vele onbeholpenheden ontdekt zijn. Dus blijkt het, dat de wetten veranderd moeten worden telkens als er zich iets beters voordoet.2. Uit het verleden kunnen we de toekomst voorzien. Welnu indien de menselijke wetten niet veranderd waren door latere en betere vindingen, dan zouden er vele nadelen uit voortspruiten, daar er in de oude wetten vele onbeholpenheden ontdekt zijn. Dus blijkt het, dat de wetten veranderd moeten worden telkens als er zich iets beters voordoet.
1623. Praeterea, leges humanae circa actus singulares hominum statuuntur; in singularibus autem perfectam cognitionem adipisci non possumus, nisi per experientiam, quae tempore indiget, ut dicitur in 2. Ethic [cap. 1.] ; ergo videtur, quod per successionem temporis possit aliquid melius occurrere statuendum.
1623. De menschelijke wetten worden ingesteld voor de afzonderlijke daden der menschen. Welnu met betrekking tot de afzonderlijke daden kan men zich slechts een volkomen kennis verwerven door ondervinding, wat tijd vereischt. Dus schijnt bij het verloopen van den tijd iets beters vastgesteld te moeten worden.1623. De menselijke wetten worden ingesteld voor de afzonderlijke daden van de mensen. Welnu met betrekking tot de afzonderlijke daden kan men zich slechts een volkomen kennis verwerven door ondervinding, wat tijd vereist. Dus schijnt bij het verlopen van de tijd iets beters vastgesteld te moeten worden.
Sed contra est, quod dicitur in Decretis dist. 12. [cap. 5.] : « Ridiculum est, et satis abominabile dedecus, ut traditiones, quas antiquitus a Patribus suscepimus, infringi patiamur ».
Maar daartegenover staat het gezegde in de Decreten : « Het is belachelijk en verderfelijk, dat we dulden, dat de overleveringen, die wij van oudsher van de vaders ontvangen hebben, worden vernietigd ».Maar daartegenover staat het gezegde in de Decreten: “Het is belachelijk en verderfelijk, dat we dulden, dat de overleveringen, die wij van oudsher van de vaders ontvangen hebben, worden vernietigd”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], lex humana intantum recte mutatur, inquantum per ejus mutationem communi utilitati providetur. Habet autem ipsa legis mutatio, quantum in se est, detrimentum quoddam communis salutis, quia ad observantiam legum plurimum valet consuetudo, intantum quod ea, quae contra communem consuetudinem fiunt, 163etiam si sint leviora de se, graviora videntur. Unde quando mutatur lex, diminuitur vis constrictiva legis, inquantum tollitur consuetudo, et ideo numquam debet mutari lex humana, nisi ex aliqua parte tantum recompensetur communi saluti, quantum ex ista parte derogatur. Quod quidem contingit vel ex hoc quod aliqua maxima et evidentissima utilitas ex novo statuto provenit, vel ex eo quod est maxima necessitas, ex eo quod lex consueta aut manifestam iniquitatem continet, aut ejus observatio est plurimum nociva. Unde dicitur a Jurisperito [lib. 1 ff. de Constit. Princ.], quod in rebus novis constituendis evidens debet esse utilitas, ut recte recedatur ab eo jure, quod diu aequum visum est.
Leerstelling. — Gelijk we (in het vorig Artikel) gezegd hebben, wordt de wet rechtmatig veranderd, in zoover door die verandering het algemeen welzijn gediend wordt. De verandering van de wet, op zich beschouwd, brengt echter nadeel met zich mee voor het algemeen welzijn, daar de gewoonte krachtig meewerkt voor de onderhouding van de wet, in zoover nl. die dingen die ingaan tegen een algemeene gewoonte, belangrijk schijnen, ofschoon ze op zichzelf gering zijn. Vandaar vermindert de bindende kracht der wet, bij verandering er van, in 163zoover de gewoonte opgeheven wordt. Daarom moet de menschelijke wet nooit veranderd worden, tenzij er aan den eenen kant zooveel aan het algemeen welzijn vergoed wordt, als er op die wijze afbreuk aan gedaan wordt. Dit nu kan gebeuren ofwel, wanneer uit het nieuwe voorschrift een zeer groot en in het oog springend voordeel voortkomt, ofwel wanneer er een dringende noodzakelijkheid is, ofwel wanneer de bestaande wet een klaarblijkelijke onrechtvaardigheid inhoudt, ofwel wanneer haar onderhouding voor zeer velen schadelijk is. Vandaar zegt de Jurisperitus : « Van nieuw in te stellen bepalingen moet het nut duidelijk zijn, opdat men moge afwijken van datgene wat lang rechtvaardig heeft geschenen ».Leerstelling. — Gelijk we (in het vorig Artikel) gezegd hebben, wordt de wet rechtmatig veranderd, in zover door die verandering het algemeen welzijn gediend wordt. De verandering van de wet, op zich beschouwd, brengt echter nadeel met zich mee voor het algemeen welzijn, daar de gewoonte krachtig meewerkt voor de onderhouding van de wet, in zover nl. die dingen die ingaan tegen een algemene gewoonte, belangrijk schijnen, ofschoon ze op zichzelf gering zijn. Vandaar vermindert de bindende kracht van de wet, bij verandering er van, in 163zover de gewoonte opgeheven wordt. Daarom moet de menselijke wet nooit veranderd worden, tenzij er aan de ene kant zoveel aan het algemeen welzijn vergoed wordt, als er op die wijze afbreuk aan gedaan wordt. Dit nu kan gebeuren ofwel, wanneer uit het nieuwe voorschrift een zeer groot en in het oog springend voordeel voortkomt, ofwel wanneer er een dringende noodzakelijkheid is, ofwel wanneer de bestaande wet een klaarblijkelijke onrechtvaardigheid inhoudt, ofwel wanneer haar onderhouding voor zeer velen schadelijk is. Vandaar zegt de Jurisperitus: “Van nieuw in te stellen bepalingen moet het nut duidelijk zijn, opdat men moge afwijken van datgene wat lang rechtvaardig heeft geschenen”.
Ad primum ergo dicendum, quod ea quae sunt artis, habent efficaciam ex sola ratione; et ideo ubicumque melioratio occurrit, est mutandum quod prius tenebatur; sed leges habent maximam virtutem ex consuetudine, ut Philosophus dicit in 2. Polit. [cap. 6.] ; et ideo non sunt de facili mutandae.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat betrekking heeft op de kunst ontleent zijn kracht alleen aan het verstand. Vandaar moet hetgeen vroeger bestond, veranderd worden, telkens als er zich iets beters voordoet. Maar de wetten ontleenen een groot deel van hun kracht aan de gewoonte, zooals de Wijsgeer zegt in het IIe Boek van zijn Politica (VIe H.), en daarom moeten ze niet gemakkelijk veranderd worden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat betrekking heeft op de kunst ontleent zijn kracht alleen aan het verstand. Vandaar moet hetgeen vroeger bestond, veranderd worden, telkens als er zich iets beters voordoet. Maar de wetten ontlenen een groot deel van hun kracht aan de gewoonte, zoals de Wijsgeer zegt in het 2e Boek van zijn Politica (6e H.), en daarom moeten ze niet gemakkelijk veranderd worden.
164Ad secundum dicendum, quod ratio illa concludit, quod leges sunt mutandae, non tamen pro quacumque melioratione, sed pro magna utilitate, vel necessitate, ut dictum est [in corp. art.].
1642. Die redeneering bewijst, dat wetten veranderd moeten worden, niet telkens als er zich iets beters voordoet, maar wanneer er zich een dringende noodzakelijkheid of een groot nut voordoet, zooals (in de Leerstelling) gezegd is.1642. Die redenering bewijst, dat wetten veranderd moeten worden, niet telkens als er zich iets beters voordoet, maar wanneer er zich een dringende noodzakelijkheid of een groot nut voordoet, zoals (in de Leerstelling) gezegd is.
Et similiter dicendum est ad tertium.
3. En hetzelfde antwoord geldt voor de derde bedenking.
Utrum consuetudo possit obtinere vim legis
Kan de gewoonte kracht van wet krijgen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod consuetudo non possit obtinere vim legis, nec legem amovere : lex enim humana derivatur a lege naturae, et a lege divina, ut ex supradictis patet [q. 93. art. 3 et q. 95. art. 2.] ; sed consuetudo hominum non potest mutare legem naturae, nec legem divinam; ergo etiam nec legem humanam immutare potest.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de gewoonte geen kracht van wet kan krijgen, noch een wet kan afschaffen. — 1. Immers de menschelijke wet wordt afgeleid van de natuurwet en van de goddelijke wet, zooals uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt (XCIIIe Kw., 3e Art.; XCVe Kw., 2e Art.). Welnu een gewoonte onder menschen kan de natuurwet noch de goddelijke wet veranderen. Dus ook de menschelijke wet niet.Bedenkingen. — Men beweert, dat de gewoonte geen kracht van wet kan krijgen, noch een wet kan afschaffen. — 1. Immers de menselijke wet wordt afgeleid van de natuurwet en van de goddelijke wet, zoals uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt (93e Kw., 3e Art.; 95e Kw., 2e Art.). Welnu een gewoonte onder mensen kan de natuurwet noch de goddelijke wet veranderen. Dus ook de menselijke wet niet.
1652. Praeterea, ex multis malis non potest fieri unum bonum; sed ille, qui incipit primo contra legem agere, male facit; ergo multiplicatis similibus actibus non efficietur aliquod bonum; lex autem est quoddam bonum, cum sit regula humanorum actuum; ergo per consuetudinem non potest removeri lex, ut ipsa consuetudo vim legis obtineat.
1652. Uit vele verkeerde dingen kan niet één goed ontstaan. Maar iemand die het eerst tegen de wet begint te handelen, doet verkeerd. Dus kan bij herhaling van dergelijke daden niet iets goeds ontstaan. De wet echter is iets goeds, daar ze een maatstaf is der menschelijke daden. Dus kan door een gewoonte de wet nooit veranderd worden, zóó dat de gewoonte zelf kracht van wet zou krijgen.1652. Uit vele verkeerde dingen kan niet één goed ontstaan. Maar iemand die het eerst tegen de wet begint te handelen, doet verkeerd. Dus kan bij herhaling van dergelijke daden niet iets goeds ontstaan. De wet echter is iets goeds, daar ze een maatstaf is van de menselijke daden. Dus kan door een gewoonte de wet nooit veranderd worden, zó dat de gewoonte zelf kracht van wet zou krijgen.
3. Praeterea, ferre leges pertinet ad publicas personas, ad quas pertinet regere communitatem; unde privatae personae legem facere non possunt; sed consuetudo invalescit per actus privatarum personarum; ergo consuetudo non potest obtinere vim legis per quam lex removeatur.
3. Het maken van wetten behoort bij publieke personen, wier taak het is een gemeenschap te besturen. Private personen kunnen dus geen wetten maken. Maar de gewoonte ontstaat door daden van private personen. Dus kan de gewoonte geen kracht van wet krijgen, waardoor een wet zou wijken.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in epistola ad Casulanum [ep. 36 vel. 86] : « Mos populi Dei et instituta majorum pro lege sunt tenenda; et sicut praevaricatores legum divinarum, ita et contemptores consuetudinum ecclesiasticarum coercendi sunt. »
Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in zijn Brief aan Casulanus (XXXVIe of LXXXVIe Brief) : « De gewoonte van het volk Gods en de instellingen der ouderen moeten voor wet gehouden worden; en evenals de overtreders der goddelijke wet moeten ook de verachters der kerkelijke gewoonten in bedwang gehouden worden ».Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in zijn Brief aan Casulanus (36e of 86e Brief): “De gewoonte van het volk Gods en de instellingen van de ouderen moeten voor wet gehouden worden; en evenals de overtreders van de goddelijke wet moeten ook de verachters van de kerkelijke gewoonten in bedwang gehouden worden”.
166Respondeo dicendum, quod omnis lex proficiscitur a ratione et voluntate legislatoris, lex quidem divina et naturalis, a rationabili Dei voluntate; lex autem humana a voluntate hominis ratione regulata. Sicut autem ratio et voluntas hominis manifestantur verbo in rebus agendis, ita etiam manifestantur facto : hoc enim unusquisque eligere videtur ut bonum, quod opere implet. Manifestum est autem, quod verbo humano potest et mutari lex, et etiam exponi, inquantum manifestat interiorem motum et conceptum rationis humanae; unde etiam et per actus, maxime multiplicatos, qui consuetudinem efficiunt, mutari potest lex, et exponi, et etiam aliquid causari, quod legis virtutem obtineat, inquantum scilicet per exteriores actus multiplicatos interior voluntatis motus, et rationis. conceptus efficacissime declaratur : cum enim aliquid multoties fit, videtur ex deliberato rationis judicio provenire; et secundum hoc consuetudo et habet vim legis, et legem abolet, et est legum interpretatrix.
166Leerstelling. — Iedere wet gaat uit van het verstand en van den wil van den wetgever : de goddelijke wet en de natuurwet, van den redelijken wil van God; de menschelijke wet, van den menschelijken wil, geregeld door de rede. Evenals het verstand en de wil van den mensch zich met betrekking tot de dingen die gedaan moeten worden, openbaren door het woord, zoo ook openbaren ze zich door de daad; dit immers blijkt iemand voor goed uit te kiezen, wat hij metterdaad doet. Nu is het duidelijk, dat door het menschelijk woord de wet veranderd en verklaard kan worden, in zoover zij het innerlijk motief en het concept van het verstand openbaart. Hieruit volgt, dat dus ook door de daden, vooral wanneer ze dikwijls herhaald worden, en die de gewoonte maken, de wet kan veranderd en verklaard worden, en iets kan ontstaan, wat kracht van wet krijgt, in zoover nl. door dikwijls herhaalde uiterlijke daden het innerlijk motief van den wil en het concept van het verstand allerkrachtigst tot uiting komt. Het is immers duidelijk, dat iets wat herhaaldelijk gebeurt, voortkomt uit een beredeneerd oordeel van het verstand. Zoo heeft dus de gewoonte kracht van wet, schaft een wet af, en is ze een verklaring van de wet.166Leerstelling. — Iedere wet gaat uit van het verstand en van de wil van de wetgever: de goddelijke wet en de natuurwet, van de redelijke wil van God; de menselijke wet, van de menselijke wil, geregeld door de rede. Evenals het verstand en de wil van de mens zich met betrekking tot de dingen die gedaan moeten worden, openbaren door het woord, zo ook openbaren ze zich door de daad; dit immers blijkt iemand voor goed uit te kiezen, wat hij metterdaad doet. Nu is het duidelijk, dat door het menselijk woord de wet veranderd en verklaard kan worden, in zover zij het innerlijk motief en het concept van het verstand openbaart. Hieruit volgt, dat dus ook door de daden, vooral wanneer ze dikwijls herhaald worden, en die de gewoonte maken, de wet kan veranderd en verklaard worden, en iets kan ontstaan, wat kracht van wet krijgt, in zover nl. door dikwijls herhaalde uiterlijke daden het innerlijk motief van de wil en het concept van het verstand allerkrachtigst tot uiting komt. Het is immers duidelijk, dat iets wat herhaaldelijk gebeurt, voortkomt uit een beredeneerd oordeel van het verstand. Zo heeft dus de gewoonte kracht van wet, schaft een wet af, en is ze een verklaring van de wet.
167Ad primum ergo dicendum, quod lex naturalis et divina procedit a voluntate divina, ut dictum est [in corp.] ; unde non potest mutari per consuetudinem procedentem a voluntate hominis, sed solum per auctoritatem divinam mutari posset; et inde est quod nulla consuetudo vim legis obtinere potest contra legem divinam vel legem naturalem : dicit enim Isidorus in Synonym. [lib. 2., n. 80] : « Usus auctoritati cedat; pravum usum lex et ratio vincat ».
167Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De natuurwet en de goddelijke wet komen voort van den goddelijken wil, zooals (in de Leerstelling) gezegd is, en daarom kunnen ze niet veranderd worden door een gewoonte die voortkomt van den wil van den mensch, maar alleen door het goddelijk gezag. Vandaar kan ook geen enkele gewoonte tegen de natuurwet of tegen de goddelijke wet kracht van wet krijgen. Immers Isidorus zegt (Synonymen, IIe B., Nr 80) : « Het gebruik moet wijken voor het gezag; de wil en de rede zijn krachtiger dan een misbruik ».167Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De natuurwet en de goddelijke wet komen voort van de goddelijke wil, zoals (in de Leerstelling) gezegd is, en daarom kunnen ze niet veranderd worden door een gewoonte die voortkomt van de wil van de mens, maar alleen door het goddelijk gezag. Vandaar kan ook geen enkele gewoonte tegen de natuurwet of tegen de goddelijke wet kracht van wet krijgen. Immers Isidorus zegt (Synoniemen, 2e B., Nr 80): “Het gebruik moet wijken voor het gezag; de wil en de rede zijn krachtiger dan een misbruik”.
Ad secundum dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 96. art. 6.], leges humanae in aliquibus casibus deficiunt; unde possibile est quandoque praeter legem agere, in casu scilicet in quo deficit lex, et tamen actus non erit malus; et cum tales casus multiplicantur propter aliquam mutationem hominum, tunc manifestatur per consuetudinem, quod lex ulterius non est utilis; sicut etiam manifestaretur, si lex contraria verbo promulgaretur. Si autem adhuc maneat ratio eadem, propter quam prima lex utilis erat, non consuetudo legem, sed lex consuetudinem vincit, nisi forte propter hoc solum 168inutilis lex videatur, quoniam non est possibilis secundum consuetudinem patriae, quae erat una de conditionibus legis : difficile enim est consuetudinem multitudinis removere.
2. Zooals vroeger gezegd is (XCVIe Kw., 6e Art.), schieten de menschelijke wetten in enkele gevallen te kort. Vandaar kan men soms buiten de wet om handelen, nl. in die gevallen waarin de wet niet voorziet, terwijl die daden toch niet verkeerd zijn. Wanneer dergelijke gevallen zich nu om veranderde omstandigheden onder de menschen vermenigvuldigen, dan blijkt uit de gewoonte, dat de wet verder niet meer nuttig is, zooals dat ook zou blijken, wanneer een tegenovergestelde wet uitdrukkelijk zou afgekondigd worden. Indien echter dezelfde reden nog blijft, waarom de eerste wet nuttig was, dan overwint de gewoonte de wet niet, maar andersom; tenzij de wet hierom alleen onnuttig schijnt, 168omdat ze niet kan onderhouden worden, ingezien de gebruiken van het land, wat een van de voorwaarden is van de wet. Immers het is moeilijk een volksgewoonte uit te roeien.2. Zoals vroeger gezegd is (96e Kw., 6e Art.), schieten de menselijke wetten in enkele gevallen te kort. Vandaar kan men soms buiten de wet om handelen, nl. in die gevallen waarin de wet niet voorziet, terwijl die daden toch niet verkeerd zijn. Wanneer dergelijke gevallen zich nu om veranderde omstandigheden onder de mensen vermenigvuldigen, dan blijkt uit de gewoonte, dat de wet verder niet meer nuttig is, zoals dat ook zou blijken, wanneer een tegenovergestelde wet uitdrukkelijk zou afgekondigd worden. Indien echter dezelfde reden nog blijft, waarom de eerste wet nuttig was, dan overwint de gewoonte de wet niet, maar andersom; tenzij de wet hierom alleen onnuttig schijnt, 168omdat ze niet kan onderhouden worden, ingezien de gebruiken van het land, wat een van de voorwaarden is van de wet. Immers het is moeilijk een volksgewoonte uit te roeien.
Ad tertium dicendum, quod multitudo, in qua consuetudo introducitur, duplicis conditionis esse potest : si enim sit libera multitudo, quae possit sibi legem facere, plus est consensus totius multitudinis ad aliquid observandum, quod consuetudo manifestat, quam auctoritas principis, qui non habet potestatem condendi legem, nisi inquantum gerit personam multitudinis; unde licet singulae personae non possunt condere legem, tamen totus populus condere legem potest; si vero multitudo non habeat liberam potestatem condendi sibi legem, vel legem a superiori potestate positam removendi, tamen ipsa consuetudo in tali multitudine praevalens obtinet vim legis, inquantum per eos toleratur, ad quos pertinet multitudini legem imponere : ex hoc enim ipso videntur approbare, quod consuetudo introduxit.
3. Een gemeenschap, waar een gewoonte wordt ingevoerd, kan aan een dubbele voorwaarde beantwoorden. Immers als het een vrije gemeenschap is, die voor zichzelf een wet kan maken, dan is de toestemming van heel de gemeenschap om iets te onderhouden, wat door de gewoonte blijkt, van meer waarde dan het gezag van den vorst, die geen bevoegdheid heeft om wetten te maken, tenzij in zoover hij handelt in naam van de gemeenschap. Ofschoon dus private personen geen wetten kunnen maken, kan toch het volk in zijn geheel dit wel. Maar indien de gemeenschap geen vrije beschikking heeft in het maken van wetten, of de wetten, door een hoogere macht gemaakt, niet kan afschaffen, dan toch kan een in zoo'n gemeenschap overheerschende gewoonte kracht van wet krijgen, in zoover ze geduld wordt door diegenen, die aan de gemeenschap wetten kunnen stellen, want hierdoor blijken ze goed te keuren wat door de gewoonte ingevoerd wordt.3. Een gemeenschap, waar een gewoonte wordt ingevoerd, kan aan een dubbele voorwaarde beantwoorden. Immers als het een vrije gemeenschap is, die voor zichzelf een wet kan maken, dan is de toestemming van heel de gemeenschap om iets te onderhouden, wat door de gewoonte blijkt, van meer waarde dan het gezag van de vorst, die geen bevoegdheid heeft om wetten te maken, tenzij in zover hij handelt in naam van de gemeenschap. Ofschoon dus private personen geen wetten kunnen maken, kan toch het volk in zijn geheel dit wel. Maar indien de gemeenschap geen vrije beschikking heeft in het maken van wetten, of de wetten, door een hogere macht gemaakt, niet kan afschaffen, dan toch kan een in zo'n gemeenschap overheersende gewoonte kracht van wet krijgen, in zover ze geduld wordt door diegenen, die aan de gemeenschap wetten kunnen stellen, want hierdoor blijken ze goed te keuren wat door de gewoonte ingevoerd wordt.
Utrum rectores multitudinis possint in legibus humanis dispensare
Kunnen de volksleiders van de menschelijke wet ontslaan?Kunnen de volksleiders van de menselijke wet ontslaan?
169Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod rectores multitudinis non possint in legibus humanis dispensare : lex enim statuta est pro communi utilitate, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 21.] ; sed commune bonum non debet intermitti pro privato commodo alicujus personae; quia, ut dicit Philosophus in primo Ethicor. [cap. 2.], bonum gentis divinius est quam bonum unius hominis; ergo videtur, quod non debeat dispensari cum aliquo, ut contra legem communem agat.
169Bedenkingen. — Men beweert, dat de volksleiders niet in de wetten kunnen ontslaan. — 1. De wet toch is ingesteld voor het algemeen welzijn, zooals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (Ve Boek, XXIe H.). Welnu het algemeen welzijn moet niet wijken voor iemands privaat belang, daar volgens den Wijsgeer (Ethica, Ie B., IIe H., Nr 8) het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van één enkelen mensch. Dus mag men niemand ontslaan, zóó, dat hij tegen een algemeene wet handelt.169Bedenkingen. — Men beweert, dat de volksleiders niet in de wetten kunnen ontslaan. — 1. De wet toch is ingesteld voor het algemeen welzijn, zoals Isidorus zegt in zijn Etymologieën (5e Boek, 21e H.). Welnu het algemeen welzijn moet niet wijken voor iemands privaat belang, daar volgens de Wijsgeer (Ethica, 1e B., 2e H., Nr 8) het welzijn van een volk goddelijker is dan het welzijn van één enkelen mens. Dus mag men niemand ontslaan, zó, dat hij tegen een algemene wet handelt.
1702. Praeterea, illis, qui super alios constituuntur, praecipitur Deuter. 1. [v. 17] : « Ita parvum audietis, ut magnum; nec accipietis cujusquam personam, quia Dei judicium est ». Sed concedere alicui quod communiter denegatur omnibus, videtur esse acceptio personarum; ergo hujusmodi dispensationes facere rectores multitudinis non possunt, cum hoc sit contra praeceptum legis divinae.
2. Aan hen die over anderen gesteld zijn, wordt in het Boek Deuteronomium (1, 17) bevolen : « Voor het kleine moet gij evenveel achting hebben als voor het groote, en geen onderscheid des persoons moet gij maken, daar het oordeel bij God is ». Maar aan iemand toestaan wat aan allen verboden is, is onderscheid des persoons. Bijgevolg kunnen de volksleiders dergelijke 170dispensaties niet geven, daar dit tegen het voorschrift is der goddelijke wet.2. Aan hen die over anderen gesteld zijn, wordt in het Boek Deuteronomium (1, 17) bevolen: “Voor het kleine moet gij evenveel achting hebben als voor het grote, en geen onderscheid des persoons moet gij maken, daar het oordeel bij God is”. Maar aan iemand toestaan wat aan allen verboden is, is onderscheid des persoons. Bijgevolg kunnen de volksleiders dergelijke 170dispensaties niet geven, daar dit tegen het voorschrift is van de goddelijke wet.
3. Praeterea, lex humana, si sit recta, oportet quod consonet legi naturali et legi divinae : aliter enim non congrueret religioni, nec conveniret disciplinae, quod requiritur ad legem, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 1.] ; sed in lege naturali et divina nullus homo potest dispensare; ergo nec etiam in lege humana.
3. De menschelijke wet, wil ze rechtgeordend zijn, moet overeenkomen met de natuurwet en de goddelijke wet; anders is ze niet in overeenstemming met den godsdienst, noch met de tucht, wat volgens Isidorus (Etymologieën, Ve B., Ie H.) voor een wet vereischt wordt. Welnu noch in de natuurwet noch in de goddelijke wet kan een mensch dispenseeren. Dus ook niet in de menschelijke wet.3. De menselijke wet, wil ze rechtgeordend zijn, moet overeenkomen met de natuurwet en de goddelijke wet; anders is ze niet in overeenstemming met de godsdienst, noch met de tucht, wat volgens Isidorus (Etymologieën, 5e B., 1e H.) voor een wet vereist wordt. Welnu noch in de natuurwet noch in de goddelijke wet kan een mens dispenseren. Dus ook niet in de menselijke wet.
Sed contra est, quod dicit Apostolus 1. ad Cor. 9 [v. 17] : « Dispensatio mihi credita est ».
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in den Ie Brief aan de Corinthiërs (9, 17) : « Het is me opgedragen, dispensatie te verleenen ».Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in de 1e Brief aan de Korintiërs (9, 17): “Het is me opgedragen, dispensatie te verlenen”.
Respondeo dicendum, quod dispensatio proprie importat commensurationem alicujus communis ad singula; unde etiam gubernator familiae dicitur 171dispensator, inquantum unicuique de familia cum pondere et mensura distribuit et operationes et necessaria vitae. Sic igitur et in quacumque multitudine ex eo dicitur aliquis dispensator, quia ordinat qualiter aliquod commune praeceptum sit a singulis adimplendum. Contingit autem quandoque, quod aliquod praeceptum, quod est ad commodum multitudinis ut in pluribus, non est conveniens huic personae, vel in hoc casu, quia vel per hoc impediretur aliquid melius, vel etiam induceretur aliquod malum, sicut ex supradictis patet [q. 96. art. 6.]. Periculosum autem esset, ut hoc judicio cujuslibet committeretur, nisi propter evidens et subitum periculum, ut supra dictum est [ibid.] ; et ideo ille qui habet regere multitudinem, habet potestatem dispensandi in lege humana, quae suae auctoritati innititur, ut scilicet in personis, vel in casibus, in quibus lex deficit, licentiam tribuat ut praeceptum legis non servetur. Si autem absque hac ratione pro sola voluntate licentiam tribuat, non erit fidelis in dispensatione, aut erit 172imprudens; infidelis quidem, si non habet intentionem ad bonum commune; imprudens autem, si rationem dispensandi ignoret, propter quod Dominus dicit Luc. 12 [v. 42] : « Quis, putas, est fidelis dispensator, et prudens, quem constituit Dominus super familiam suam? »
Leerstelling. — Dispensatie beteekent eigenlijk het toemeten van iets algemeens aan de verschillende onderdeelen. Vandaar wordt het hoofd van een familie in het latijn een « dispensator » genoemd, in zoover hij aan ieder lid van de familie de werkzaamheden en levensnoodzakelijkheden toemeet in naar verhouding gelijke maat. Zoo wordt in iedere gemeenschap iemand 171dispensator genoemd, wanneer hij ordent hoe een algemeen bevel door de afzonderlijke personen moet volbracht worden. Soms nu gebeurt het dat een voorschrift, dat in de meeste gevallen nuttig is voor het algemeen welzijn, niet aangepast is aan dezen persoon of aan dit bepaald geval, ofwel omdat daardoor iets beters verhinderd wordt, of ook wel omdat iets kwaads wordt ingevoerd, zooals uit het hierboven gezegde blijkt (XCVIe Kw., 6e Art.). Het zou echter gevaarlijk zijn het oordeel hierover aan iedereen over te laten, tenzij in een plotseling en klaarblijkelijk gevaar, overeenkomstig het hierboven gezegde (t. a. pl.), en daarom heeft hij, die over het volk regeert, de bevoegdheid om te dispenseeren in de menschelijke wet, die op zijn gezag steunt; zoo b. v. geeft hij voor personen of voor gevallen, waarin de wet te kort schiet, verlof om het voorschrift der wet niet te onderhouden. Wanneer hij echter zonder die reden, maar enkel op verlangen, verlof geeft, dan is hij ontrouw en onvoorzichtig in zijn dispensaties: ontrouw, wanneer hij het algemeen welzijn niet op het oog heeft; onvoorzichtig, indien hij de reden van de dispensatie niet kent. Daarom zegt de Heer (Lucas, 12, 42) : « Wie is toch de getrouwe en wijze hofmeester (in het latijn: dispensator), dien de Heer zal aanstellen over zijn dienstboden? »Leerstelling. — Dispensatie betekent eigenlijk het toemeten van iets algemeens aan de verschillende onderdelen. Vandaar wordt het hoofd van een familie in het Latijn een “dispensator” genoemd, in zover hij aan ieder lid van de familie de werkzaamheden en levensnoodzakelijkheden toemeet in naar verhouding gelijke maat. Zo wordt in iedere gemeenschap iemand 171dispensator genoemd, wanneer hij ordent hoe een algemeen bevel door de afzonderlijke personen moet volbracht worden. Soms nu gebeurt het dat een voorschrift, dat in de meeste gevallen nuttig is voor het algemeen welzijn, niet aangepast is aan deze persoon of aan dit bepaald geval, ofwel omdat daardoor iets beters verhinderd wordt, of ook wel omdat iets kwaads wordt ingevoerd, zoals uit het hierboven gezegde blijkt (96e Kw., 6e Art.). Het zou echter gevaarlijk zijn het oordeel hierover aan iedereen over te laten, tenzij in een plotseling en klaarblijkelijk gevaar, overeenkomstig het hierboven gezegde (t.a.p.), en daarom heeft hij, die over het volk regeert, de bevoegdheid om te dispenseren in de menselijke wet, die op zijn gezag steunt; zo bv. geeft hij voor personen of voor gevallen, waarin de wet te kort schiet, verlof om het voorschrift van de wet niet te onderhouden. Wanneer hij echter zonder die reden, maar enkel op verlangen, verlof geeft, dan is hij ontrouw en onvoorzichtig in zijn dispensaties: ontrouw, wanneer hij het algemeen welzijn niet op het oog heeft; onvoorzichtig, indien hij de reden van de dispensatie niet kent. Daarom zegt de Heer (Lukas, 12, 42): “Wie is toch de getrouwe en wijze hofmeester (in het Latijn: dispensator), die de Heer zal aanstellen over zijn dienstboden?”
Ad primum ergo dicendum, quod quando cum aliquo dispensatur, ut legem communem non servet, non debet fieri in praejudicium boni communis, sed ea intentione, ut ad bonum commune proficiat.
172Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer iemand gedispenseerd wordt om een algemeene wet niet te onderhouden, dan moet dit niet gebeuren ten nadeele van het algemeen welzijn, maar met de bedoeling, dat het nuttig zij voor het algemeen welzijn.172Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer iemand gedispenseerd wordt om een algemene wet niet te onderhouden, dan moet dit niet gebeuren ten nadele van het algemeen welzijn, maar met de bedoeling, dat het nuttig zij voor het algemeen welzijn.
Ad secundum dicendum, quod non est acceptio personarum, si non serventur aequalia in personis inaequalibus; unde quando conditio alicujus personae requirit rationabiliter, ut in ea aliquid specialiter observetur, non est personarum acceptio, si sibi aliqua specialis gratia fiat.
2. Het is geen aanzien des persoons, wanneer ongelijke personen ongelijk behandeld worden. Vandaar is het ook geen aanzien des persoons, dat iemand een bijzondere gunst ontvangt, wanneer de omstandigheden van een persoon redelijker wijze eischen dat hem iets bijzonders gegeven wordt.2. Het is geen aanzien des persoons, wanneer ongelijke personen ongelijk behandeld worden. Vandaar is het ook geen aanzien des persoons, dat iemand een bijzondere gunst ontvangt, wanneer de omstandigheden van een persoon redelijker wijze eisen dat hem iets bijzonders gegeven wordt.
Ad tertium dicendum, quod lex naturalis, inquantum continet praecepta communia, quae numquam fallunt, dispensationem recipere non potest; in aliis vero praeceptis, quae sunt quasi conclusiones praeceptorum 173communium, quandoque per hominem dispensatur; puta quod mutuum non reddatur proditori patriae, vel aliquid hujusmodi. Ad legem autem divinam ita se habet quilibet homo, sicut persona privata ad legem publicam, cui subjicitur; unde sicut in lege humana publica non potest dispensare, nisi ille a quo lex auctoritatem habet, vel is cui ipse commiserit, ita in praeceptis juris divini, quae sunt a Deo, nullus potest dispensare, nisi Deus, vel is, cui ipse specialiter committeret.
3. De natuurwet kan geen dispensatie toelaten, voor zoover ze algemeene beginselen bevat, die geen afwijking kennen. Met betrekking tot de overige voorschriften echter, die als 't ware conclusies zijn uit de algemeene beginselen, wordt soms door den mensch gedispenseerd, b. v. hierin dat het geleende aan een landverrader niet wordt teruggegeven, of iets dergelijks. Tot de goddelijke wet echter verhoudt ieder mensch zich zooals een privaat persoon zich verhoudt tot een algemeene wet, waaraan hij onderworpen is. Evenals dus in de algemeene menschelijke wet niemand kan dispenseeren, tenzij hij aan wien de wet haar macht ontleent, of 173hij aan wien hij zelf het heeft opgedragen, zoo ook kan niemand dispenseeren in de voorschriften van het goddelijk recht, die van God zijn, tenzij God, of hij, aan wien Hij het speciaal heeft overgelaten.3. De natuurwet kan geen dispensatie toelaten, voor zover ze algemene beginselen bevat, die geen afwijking kennen. Met betrekking tot de overige voorschriften echter, die als 't ware conclusies zijn uit de algemene beginselen, wordt soms door de mens gedispenseerd, bv. hierin dat het geleende aan een landverrader niet wordt teruggegeven, of iets dergelijks. Tot de goddelijke wet echter verhoudt ieder mens zich zoals een privaat persoon zich verhoudt tot een algemene wet, waaraan hij onderworpen is. Evenals dus in de algemene menselijke wet niemand kan dispenseren, tenzij hij aan wie de wet haar macht ontleent, of 173hij aan wie hij zelf het heeft opgedragen, zo ook kan niemand dispenseren in de voorschriften van het goddelijk recht, die van God zijn, tenzij God, of hij, aan wie Hij het speciaal heeft overgelaten.