De potestate legis humanae
Over de bevoegdheid van de menschelijke wetOver de bevoegdheid van de menselijke wet
129Deinde considerandum et de potestate legis humanae. Et circa hoc quaeruntur sex : 1. Utrum humana lex debeat poni in communi. — 2. Utrum lex humana debeat omnia vitia cohibere. — 3. Utrum omnium virtutum actus habet ordinare. — 4. Utrum imponat. homini necessitatem quantum ad forum conscientiae. — 5. Utrum homines legi humanae subdantur. — 6. Utrum his, qui sunt sub lege, liceat agere praeter verba legis.
129Na de wet op zichzelf, moeten we haar macht beschouwen. Hiertoe stellen we zes vragen : 1) Moet de menschelijke wet in het algemeen gesteld worden? 2) Moet de menschelijke wet alle ondeugden verbieden? 3) Moet de menschelijke wet alle deugddaden gebieden? 4) Bindt de menschelijke wet in geweten? 5) Zijn alle menschen aan de menschelijke wet onderworpen? 6) Mogen degenen, die aan de wet onderworpen zijn, buiten de letter van de wet om handelen?129Na de wet op zichzelf, moeten we haar macht beschouwen. Hiertoe stellen we zes vragen: 1. Moet de menselijke wet in het algemeen gesteld worden? 2. Moet de menselijke wet alle ondeugden verbieden? 3. Moet de menselijke wet alle deugddaden gebieden? 4. Bindt de menselijke wet in geweten? 5. Zijn alle mensen aan de menselijke wet onderworpen? 6. Mogen degenen, die aan de wet onderworpen zijn, buiten de letter van de wet om handelen?
Utrum lex humana debeat poni in communi magis quam in particulari
Moet de menschelijke wet in het algemeen gesteld worden, ofwel in het bijzonder?Moet de menselijke wet in het algemeen gesteld worden, ofwel in het bijzonder?
130Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex humana non debeat poni in communi, sed magis in particulari : dicit enim Philosophus in 5. Ethicor. [cap. 7.] quod legalia sunt quaecumque in singularibus legem ponunt, et etiam sententialia, quae sunt etiam singularia, quia de singularibus actibus sententiae feruntur; ergo lex non solum ponitur in communi, sed etiam in singulari.
130Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet niet in het algemeen gesteld moet worden, maar wel in het bijzonder. — 1. De Wijsgeer immers zegt in het Ve Boek van zijn Ethica (VIIe H. Nr 1) : « De voorschriften der wet en de uitspraken der rechters zijn gesteld voor bijzondere gevallen ». En inderdaad, de uitspraken van het gerecht gelden voor bijzondere feiten. Dus worden de wetten niet alleen in het algemeen gesteld, maar ook in het bijzonder.130Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet niet in het algemeen gesteld moet worden, maar wel in het bijzonder. — 1. De Wijsgeer immers zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (7e H. Nr 1): “De voorschriften van de wet en de uitspraken van de rechters zijn gesteld voor bijzondere gevallen”. En inderdaad, de uitspraken van het gerecht gelden voor bijzondere feiten. Dus worden de wetten niet alleen in het algemeen gesteld, maar ook in het bijzonder.
2. Praeterea, lex est directiva humanorum actuum, ut supra dictum est [q. 90. art. 1. et 2.] ; sed humani actus in singularibus consistunt; ergo lex humana non debet in universali ferri, sed magis in singulari.
2. De wet regelt de menschelijke daden, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., Ie en 2e Art.). Welnu de menschelijke daden betrekken zich op afzonderlijke gevallen. Dus moet de menschelijke wet niet in het algemeen gesteld worden, maar wel in het bijzonder.2. De wet regelt de menselijke daden, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 1e en 2e Art.). Welnu de menselijke daden betrekken zich op afzonderlijke gevallen. Dus moet de menselijke wet niet in het algemeen gesteld worden, maar wel in het bijzonder.
1313. Praeterea, lex est regula, et mensura humanorum actuum, ut supra dictum est [ibid.] ; sed mensura debet esse certissima, ut dicitur in 10. Metaph. [l. 9., c. 1.]. Cum ergo in actibus humanis non possit esse aliquod universale ita certum, quin in particularibus deficiat, videtur quod necesse sit leges non in universali, sed in singularibus poni.
1313. De wet is norm en maatstaf der menschelijke daden, zooals hierboven gezegd is (t. a. pl.). Welnu een maatstaf moet volstrekt zeker zijn, zooals we lezen in het Xe Boek der Metaphysica (IXe B., Ie H., Nr 9). Daar dus met betrekking tot de menschelijke daden niets algemeens zoo zeker kan zijn, zonder dat er het particuliere in iets van afwijkt, is het duidelijk, dat de wet niet in het algemeen, maar in het bijzonder gesteld moet worden.1313. De wet is norm en maatstaf van de menselijke daden, zoals hierboven gezegd is (t.a.p.). Welnu een maatstaf moet volstrekt zeker zijn, zoals we lezen in het 10e Boek van de Metafysica (9e B., 1e H., Nr 9). Daar dus met betrekking tot de menselijke daden niets algemeens zo zeker kan zijn, zonder dat er het particuliere in iets van afwijkt, is het duidelijk, dat de wet niet in het algemeen, maar in het bijzonder gesteld moet worden.
Sed contra est, quod Jurisperitus dicit [lib. 1, ff. de Legib. et Senatuscons.], quod jura constitui oportet in his, quae saepius accidunt; ex his autem, quae forte uno casu accidere possunt, jura non constituuntur.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Jurisperitus : « Wetten moeten gesteld worden met betrekking tot die dingen die gewoonlijk voorkomen; met betrekking tot die dingen die een enkele maal voorkomen worden geen wetten gesteld ».Maar daartegenover staat het gezegde van de Jurisperitus: “Wetten moeten gesteld worden met betrekking tot die dingen die gewoonlijk voorkomen; met betrekking tot die dingen die een enkele maal voorkomen worden geen wetten gesteld”.
Respondeo dicendum, quod unumquodque, quod est propter finem, necesse est quod sit fini proportionatum. Finis autem legis est bonum commune, quia, ut Isidorus dicit in lib. 5. Etymolog. [cap. 21.], nullo privato commodo, sed pro communi utilitate civium lex debet esse conscripta. Unde oportet, leges humanas esse proportionatas ad bonum commune. Bonum 132autem commune constat ex multis; et ideo oportet, quod lex ad multa respiciat, et secundum personas, et secundum negotia, et secundum tempora: constituitur enim communitas civitatis ex multis personis; et ejus bonum per multiplices actiones procuratur; nec ad hoc instituitur, quod aliquo tempore modico duret, sed quod omni tempore perseveret per civium successionem, ut Augustinus dicit in 22. de Civ. Dei [cap. 6.].
Leerstelling. — Al wat om een doel is, moet evenredig zijn aan dat doel. Welnu het doel van de wet is het algemeen welzijn, daar volgens Isidorus (Etymologieën, Ve Boek, XXIe H.), de wet moet voorgeschreven worden, niet voor het particulier belang, maar voor het algemeen welzijn der burgers. Daarom moeten de menschelijke wetten evenredig zijn aan het algemeen welzijn. Het algemeen welzijn bestaat uit meerdere dingen; en daarom moet 132de wet betrekking hebben op meerdere, zoowel wat personen betreft, als wat zaken en tijd betreft. Immers de staatsgemeenschap bestaat uit vele personen, en in haar belangen wordt door verschillende handelingen voorzien; ook wordt ze niet gemaakt om slechts kort te duren, maar om altijd te blijven voortbestaan, doordat de burgers steeds door andere vervangen worden, zooals Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (XXIIe B., VIe H.).Leerstelling. — Al wat om een doel is, moet evenredig zijn aan dat doel. Welnu het doel van de wet is het algemeen welzijn, daar volgens Isidorus (Etymologieën, 5e Boek, 21e H.), de wet moet voorgeschreven worden, niet voor het particulier belang, maar voor het algemeen welzijn van de burgers. Daarom moeten de menselijke wetten evenredig zijn aan het algemeen welzijn. Het algemeen welzijn bestaat uit meerdere dingen; en daarom moet 132de wet betrekking hebben op meerdere, zowel wat personen betreft, als wat zaken en tijd betreft. Immers de staatsgemeenschap bestaat uit vele personen, en in haar belangen wordt door verschillende handelingen voorzien; ook wordt ze niet gemaakt om slechts kort te duren, maar om altijd te blijven voortbestaan, doordat de burgers steeds door andere vervangen worden, zoals Augustinus zegt in zijn Boek De Stad Gods (22e B., 6e H.).
Ad primum ergo dicendum, quod Philosophus in 5. Ethic. [l. cit.] ponit tres species juris legalis, quod est jus positivum : sunt enim quaedam, quae simpliciter in communi ponuntur, et haec sunt leges communes; et quantum ad hujusmodi dicit, quod legale est, quod ex principio quidem nihil differt sic vel aliter, quando autem ponitur, differt, puta quod captivi statuto pretio redimantur. Quaedam vero sunt, quae sunt communia quantum ad aliquid, et singularia quantum ad aliquid : et hujusmodi dicuntur privilegia, quasi leges privatae, quia respiciunt singulares personas; et tamen 133potestas eorum extenditur ad multa negotia. Et quantum ad hoc subdit : Adhuc quaecumque in singularibus legem ponunt. Dicuntur etiam quaedam legalia, non quia sint leges, sed propter applicationem legum communium ad aliqua particularia facta, sicut sunt sententiae, quae pro jure habentur; et quantum ad hoc subdit : Et sententialia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het Ve Boek van zijn Ethica (t. a. pl.) spreekt de Wijsgeer van drie soorten wetten in het positief recht. Sommige worden zonder meer in het algemeen gesteld, en die worden algemeene wetten genoemd. Van dergelijke wetten zegt hij, dat ze te voren zoowel zus als anders konden zijn, echter niet als ze vastgesteld zijn, b. v. dat de gevangenen voor een gestelden prijs kunnen losgekocht worden. Andere zijn onder een bepaald opzicht algemeen, onder een ander opzicht particulier. Deze worden voorrechten genoemd, bij wijze van private wetten, omdat ze op afzonderlijke personen slaan, terwijl hun macht zich toch uitstrekt over meerdere zaken. En hiermede overeenkomstig volgt er : « Nog zijn sommige 133wetten voor bijzondere gevallen gesteld ». Ook worden sommige voorschriften uitspraken der wet genoemd, niet omdat zij wetten zijn, maar om de toepassing van algemeene wetten op bijzondere feiten, zooals de uitspraken van het gerecht, die voor recht gehouden worden; en overeenkomstig hiermede volgt er : « En de uitspraken van het gerecht ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het 5e Boek van zijn Ethica (t.a.p.) spreekt de Wijsgeer van drie soorten wetten in het positief recht. Sommige worden zonder meer in het algemeen gesteld, en die worden algemene wetten genoemd. Van dergelijke wetten zegt hij, dat ze te voren zowel zus als anders konden zijn, echter niet als ze vastgesteld zijn, bv. dat de gevangenen voor een gestelden prijs kunnen losgekocht worden. Andere zijn onder een bepaald opzicht algemeen, onder een ander opzicht particulier. Deze worden voorrechten genoemd, bij wijze van private wetten, omdat ze op afzonderlijke personen slaan, terwijl hun macht zich toch uitstrekt over meerdere zaken. En hiermede overeenkomstig volgt er: “Nog zijn sommige 133wetten voor bijzondere gevallen gesteld”. Ook worden sommige voorschriften uitspraken van de wet genoemd, niet omdat zij wetten zijn, maar om de toepassing van algemene wetten op bijzondere feiten, zoals de uitspraken van het gerecht, die voor recht gehouden worden; en overeenkomstig hiermede volgt er: “En de uitspraken van het gerecht”.
Ad secundum dicendum, quod illud quod est directivum, oportet esse plurium directivum. Unde in 10. Metaphysic. [l. 9. c. 1. tex. 4.] Philosophus dicit, quod omnia, quae sunt unius generis, mensurantur aliquo uno, quod est primum in genere illo. Si enim essent tot regulae vel mesurae, quot sunt mensurata vel regulata, cessaret utique utilitas regulae vel mensurae, quae est ut ex uno multa possint cognosci. Et ita nulla esset utilitas legis, si non se extenderet nisi ad unum singularem actum : ad singulares enim actus dirigendos dantur singularia praecepta prudentum; sed lex est praeceptum commune, ut supra dictum est [q. 94. art. 2. et 3.].
2. Datgene wat leidend is, moet voor meerdere leidend zijn. Vandaar zegt de Wijsgeer in het Xe Boek der Metaphysica (IXe B., Ie H., Nr 7), dat alles wat onder een soort valt, naar datgene wordt afgemeten wat het eerste is in die soort. Want indien er zoovele regels of maten zouden zijn als er gemetene of geregelde dingen zijn, dan zou het nut van regels of maten ophouden, wat hierin bestaat dat vele dingen uit één kunnen gekend worden. En aldus zou de wet geen enkel nut hebben, indien zij zich slechts over één enkele daad zou uitstrekken, want om bijzondere daden te richten worden bijzondere voorschriften van voorzichtige mannen gegeven. De wet echter is algemeen, zooals hierboven gezegd is (XCIVe Kw., 2e en 3e Art.).2. Datgene wat leidend is, moet voor meerdere leidend zijn. Vandaar zegt de Wijsgeer in het 10e Boek van de Metafysica (9e B., 1e H., Nr 7), dat alles wat onder een soort valt, naar datgene wordt afgemeten wat het eerste is in die soort. Want indien er zovele regels of maten zouden zijn als er gemetene of geregelde dingen zijn, dan zou het nut van regels of maten ophouden, wat hierin bestaat dat vele dingen uit één kunnen gekend worden. En aldus zou de wet geen enkel nut hebben, indien zij zich slechts over één enkele daad zou uitstrekken, want om bijzondere daden te richten worden bijzondere voorschriften van voorzichtige mannen gegeven. De wet echter is algemeen, zoals hierboven gezegd is (94e Kw., 2e en 3e Art.).
Ad tertium dicendum, quod non est eadem certitudo quaerenda in omnibus, ut in 1. Ethic. [cap. 3.] dicitur; unde in rebus contingentibus, 134sicut sunt naturalia et res humanae, sufficit talis certitudo, ut aliquid sit verum ut in pluribus, licet interdum deficiat in paucioribus.
3. Men moet niet dezelfde zekerheid in alles zoeken, gelijk in het Ie Boek der Ethica gezegd wordt (IIIe H., Nr 1). Vandaar 134volstaat bij wisselvallige dingen, zooals de natuurdingen en menschelijke zaken zijn, zulk een zekerheid, dat iets waar is in de meeste gevallen, ofschoon het in sommige gevallen wel eens anders is.3. Men moet niet dezelfde zekerheid in alles zoeken, gelijk in het 1e Boek van de Ethica gezegd wordt (3e H., Nr 1). Vandaar 134volstaat bij wisselvallige dingen, zoals de natuurdingen en menselijke zaken zijn, zulk een zekerheid, dat iets waar is in de meeste gevallen, ofschoon het in sommige gevallen wel eens anders is.
Utrum ad legem humanam pertineat omnia vitia cohibere
Moet de menschelijke wet alle ondeugden tegengaan?Moet de menselijke wet alle ondeugden tegengaan?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod ad legem humanam pertineat omnia vitia cohibere : dicit enim Isidorus in lib. 5. Etymol. [cap. 20.], quod leges sunt factae, ut earum metu coerceatur audacia; non autem sufficienter coerceretur, nisi quaelibet mala cohiberentur per legem; ergo lex humana debet quaelibet mala cohibere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet alle ondeugden moet tegengaan. — 1. Isidorus zegt immers in het Ve Boek van zijn Etymologieën (XXe H.), dat de wetten gemaakt zijn om door de vrees er voor de driestheid te bedwingen. Welnu de driestheid wordt niet voldoende bedwongen, tenzij iedere ondeugd door de wet wordt tegengegaan. Dus moet de menschelijke wet alle ondeugden tegengaan.Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet alle ondeugden moet tegengaan. — 1. Isidorus zegt immers in het 5e Boek van zijn Etymologieën (20e H.), dat de wetten gemaakt zijn om door de vrees er voor de driestheid te bedwingen. Welnu de driestheid wordt niet voldoende bedwongen, tenzij iedere ondeugd door de wet wordt tegengegaan. Dus moet de menselijke wet alle ondeugden tegengaan.
2. Praeterea, intentio legislatoris est cives facere virtuosos; sed non 135potest aliquis esse virtuosus, nisi ab omnibus vitiis compescatur; ergo ad legem humanam pertinet omnia vitia compescere.
2. Het doel van den wetgever is de burgers deugdzaam te maken. Maar iemand kan niet deugdzaam zijn, tenzij hij van alle 135ondeugden bevrijd is. Dus moet de menschelijke wet alle ondeugden tegengaan.2. Het doel van de wetgever is de burgers deugdzaam te maken. Maar iemand kan niet deugdzaam zijn, tenzij hij van alle 135ondeugden bevrijd is. Dus moet de menselijke wet alle ondeugden tegengaan.
3. Praeterea, lex humana a lege naturali derivatur, ut supra dictum est [q. 95. art. 2.] ; sed omnia vitia repugnant legi naturae; ergo lex humana omnia vitia debet cohibere.
3. De menschelijke wet is afgeleid van de natuurwet, zooals hierboven gezegd is (XCVe Kw., 2e Art.). Maar iedere ondeugd staat tegenover de natuurwet. Dus moet de menschelijke wet alle ondeugden tegengaan.3. De menselijke wet is afgeleid van de natuurwet, zoals hierboven gezegd is (95e Kw., 2e Art.). Maar iedere ondeugd staat tegenover de natuurwet. Dus moet de menselijke wet alle ondeugden tegengaan.
Sed contra est, quod dicitur in 1. de Lib. Arb. [cap. 5.] : « Videtur mihi legem istam, quae populo regendo scribitur, recte ista permittere, et divinam providentiam vindicare. » Sed divina providentia non vindicat nisi vitia; ergo recte lex humana permittit aliqua vitia, non cohibendo ipsa.
Maar daartegenover staat het gezegde uit het Boek Over den vrijen Wil (Ie B., Ve H.) : « Ik geloof dat deze wet, die voorgeschreven is om het volk te regeeren, terecht deze dingen veroorlooft, die door de Goddelijke Voorzienigheid gewroken worden ». Welnu, de Goddelijke Voorzienigheid wreekt slechts ondeugden. Dus laat de menschelijke wet terecht enkele ondeugden toe, door ze niet te verhinderen.Maar daartegenover staat het gezegde uit het Boek Over de vrije Wil (1e B., 5e H.): “Ik geloof dat deze wet, die voorgeschreven is om het volk te regeren, terecht deze dingen veroorlooft, die door de Goddelijke Voorzienigheid gewroken worden”. Welnu, de Goddelijke Voorzienigheid wreekt slechts ondeugden. Dus laat de menselijke wet terecht enkele ondeugden toe, door ze niet te verhinderen.
Respondeo dicendum, quod, sicut jam dictum est [q. 90. art. 1. et 2. ], lex ponitur ut quaedam regula vel mensura humanorum actuum. Mensura autem debet esse homogenea mensurato, ut dicitur in 10. Metaph. [l. 9. c. 1.]: diversa enim diversis mensurantur. Unde oportet, quod 136etiam leges imponantur hominibus secundum eorum conditionem; quia, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 21.], lex debet esse possibilis, et secundum naturam, et secundum consuetudinem patriae. Potestas autem, sive facultas operandi, ex interiori habitu seu dispositione procedit : non enim idem est possibile ei qui non habet habitum virtutis, et virtuoso, sicut etiam non est idem possibile puero, et viro perfecto. Et propter hoc non ponitur eadem lex pueris, quae ponitur adultis : multa enim pueris permittuntur, quae in adultis lege puniuntur, vel etiam vituperantur; et similiter multa sunt permittenda hominibus non perfectis virtute, quae non essent toleranda in hominibus virtuosis.
Leerstelling. — Reeds vroeger (XCe Kw., Ie en 2e Art.) is gezegd, dat de wet gesteld wordt als een norm en een maatstaf voor de menschelijke daden. Welnu de maat moet gelijksoortig zijn met het gemetene, zooals we lezen in het Xe Boek der Metaphysica (IXe B., Ie H., Nr. 13), want verschillende 136dingen worden verschillend gemeten. Vandaar dus moeten de wetten aan de menschen opgelegd worden volgens hun omstandigheden, daar de wet volgens Isidorus (Ve Boek der Etymologieën, XXIe H.) mogelijk, overeenkomstig de natuur en de gebruiken van het land moet zijn. Het vermogen om te handelen, of de macht, komt voort uit een innerlijke hebbelijkheid of gesteltenis; immers hetzelfde is niet mogelijk voor iemand die de deugd niet heeft, en voor hem die deugdzaam is, zooals ook hetzelfde niet mogelijk is voor een knaap en een volwassen man. Daarom wordt niet dezelfde wet gemaakt voor knapen en voor volwassen menschen; immers vele dingen worden aan knapen toegestaan, die voor volwassenen berispelijk zijn en bij de wet gestraft worden. Op dezelfde manier moeten vele dingen toegestaan worden aan ondeugdzame menschen, die men niet kan dulden bij deugdzame menschen.Leerstelling. — Reeds vroeger (90e Kw., 1e en 2e Art.) is gezegd, dat de wet gesteld wordt als een norm en een maatstaf voor de menselijke daden. Welnu de maat moet gelijksoortig zijn met het gemetene, zoals we lezen in het 10e Boek van de Metafysica (9e B., 1e H., Nr. 13), want verschillende 136dingen worden verschillend gemeten. Vandaar dus moeten de wetten aan de mensen opgelegd worden volgens hun omstandigheden, daar de wet volgens Isidorus (5e Boek van de Etymologieën, 21e H.) mogelijk, overeenkomstig de natuur en de gebruiken van het land moet zijn. Het vermogen om te handelen, of de macht, komt voort uit een innerlijke hebbelijkheid of gesteltenis; immers hetzelfde is niet mogelijk voor iemand die de deugd niet heeft, en voor hem die deugdzaam is, zoals ook hetzelfde niet mogelijk is voor een knaap en een volwassen man. Daarom wordt niet dezelfde wet gemaakt voor knapen en voor volwassen mensen; immers vele dingen worden aan knapen toegestaan, die voor volwassenen berispelijk zijn en bij de wet gestraft worden. Op dezelfde manier moeten vele dingen toegestaan worden aan ondeugdzame mensen, die men niet kan dulden bij deugdzame mensen.
Lex autem humana ponitur multitudini hominum, in qua major pars est hominum non perfectorum virtute; et ideo lege humana non prohibentur omnia vitia, a quibus virtuosi abstinent, sed solum graviora, a quibus possibile est majorem partem multitudinis abstinere, et praecipue quae sunt in nocumentum aliorum, sine quorum prohibitione societas humana 137conservari non posset, sicut prohibentur lege humana homicidia, furta et hujusmodi.
De menschelijke wet nu wordt gesteld voor vele menschen, waarvan de meesten niet deugdzaam zijn. Daarom worden door de menschelijke wet niet alle ondeugden, waarvan de deugdzamen zich onthouden, verhinderd, maar alleen de zwaardere ondeugden, waarvan het grootste gedeelte zich kan onthouden. Vooral 137echter moeten die ondeugden verhinderd worden, die anderen tot nadeel zijn, en waarvan de verhindering zich opdringt, wanneer men de menschelijke gemeenschap in stand wil houden, zooals b. v. doodslag, diefstal, en dergelijke.De menselijke wet nu wordt gesteld voor vele mensen, waarvan de meesten niet deugdzaam zijn. Daarom worden door de menselijke wet niet alle ondeugden, waarvan de deugdzamen zich onthouden, verhinderd, maar alleen de zwaardere ondeugden, waarvan het grootste gedeelte zich kan onthouden. Vooral 137echter moeten die ondeugden verhinderd worden, die anderen tot nadeel zijn, en waarvan de verhindering zich opdringt, wanneer men de menselijke gemeenschap in stand wil houden, zoals bv. doodslag, diefstal, en dergelijke.
Ad primum ergo dicendum, quod audacia pertinere videtur ad invasionem aliorum; unde praecipue pertinet ad illa peccata, quibus injuria proximis irrogatur, quae lege humana prohibentur, ut dictum est [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De driestheid bestaat in anderen aan te vallen, en daarom worden haar vooral die zonden toegeschreven, waardoor de naasten beleedigd worden, en die zonden worden door de menschelijke wet verboden, zooals hierboven (in de Leerstelling) gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De driestheid bestaat in anderen aan te vallen, en daarom worden haar vooral die zonden toegeschreven, waardoor de naasten beledigd worden, en die zonden worden door de menselijke wet verboden, zoals hierboven (in de Leerstelling) gezegd is.
Ad secundum dicendum, quod lex humana intendit homines inducere ad virtutem, non subito, sed gradatim; et ideo non statim multitudini imperfectorum imponit ea, quae sunt jam virtuosorum, ut scilicet ab omnibus malis abstineant; alioquin imperfecti hujusmodi praecepta ferre non valentes in deteriora mala prorumperent, sicut dicitur Prov. 30 [v. 33]: « Qui nimis emungit, elicit sanguinem. » Et Matth. 9. [v. 17] quod si vinum novum, idest praecepta perfectae vitae, mittatur in utres veteres, idest in homines imperfectos, utres rumpuntur, et vinum effunditur, idest praecepta contemnuntur, et homines ex contemptu ad pejora mala prorumpunt.
2. Het doel van de menschelijke wet is de menschen te brengen tot de deugd, niet plotseling, maar langzamerhand. Daarom legt zij aan de onvolmaakten niet in eens die dingen op, die goed zijn voor volmaakten, b. v. dat ze zich van alle ondeugden zouden onthouden. Anders toch zouden de onvolmaakten, doordat zij die voorschriften niet kunnen dragen, tot nog grooter kwaad vervallen. We lezen in het Boek der Spreuken (30, 33) : « Die met geweld den neus snuit, brengt bloed te voorschijn », en bij Mattheus lezen we (9, 17) : « Indien nieuwe wijnen, (dit zijn de voorschriften van het volmaakte leven) in oude zakken gedaan worden (d. i. aan onvolmaakte menschen worden opgelegd) 138scheuren ze, en de wijn gaat verloren (d. i. de voorschriften worden veracht en de menschen vervallen uit verachting tot grooter kwaad) ».2. Het doel van de menselijke wet is de mensen te brengen tot de deugd, niet plotseling, maar langzamerhand. Daarom legt zij aan de onvolmaakten niet in eens die dingen op, die goed zijn voor volmaakten, bv. dat ze zich van alle ondeugden zouden onthouden. Anders toch zouden de onvolmaakten, doordat zij die voorschriften niet kunnen dragen, tot nog groter kwaad vervallen. We lezen in het Boek van de Spreuken (30, 33): “Die met geweld de neus snuit, brengt bloed te voorschijn”, en bij Matteüs lezen we (9, 17): “Indien nieuwe wijnen, (dit zijn de voorschriften van het volmaakte leven) in oude zakken gedaan worden (d.i. aan onvolmaakte mensen worden opgelegd) 138scheuren ze, en de wijn gaat verloren (d.i. de voorschriften worden veracht en de mensen vervallen uit verachting tot groter kwaad)”.
138Ad tertium dicendum, quod lex naturalis est quaedam participatio legis aeternae in nobis. Lex autem humana deficit a lege aeterna; dicit enim Augustinus in 1. de Lib. Arb. [cap. 5. ]: « Lex ista, quae regendis civitatibus fertur, multa concedit, atque impunita relinquit, quae per divinam providentiam vindicantur; neque enim quia non omnia facit, ideo quae facit, improbanda sunt. » Unde etiam lex humana non omnia potest prohibere, quae prohibet lex naturae.
3. De natuurwet is een afstraling van de eeuwige wet in ons; de menschelijke wet is minder volmaakt dan de eeuwige wet. Augustinus immers zegt in zijn boek Over den vrijen Wil (Ie B., Ve H.) : « Die wet, die gemaakt is om staten te regeeren, staat veel toe en laat veel ongestraft, wat door de Goddelijke Voorzienigheid gewroken wordt; want omdat hij niet alles doet, is datgene, wat hij doet, nog niet af te keuren. » Vandaar kan de menschelijke wet niet alles verhinderen, wat de natuurwet verhindert.3. De natuurwet is een afstraling van de eeuwige wet in ons; de menselijke wet is minder volmaakt dan de eeuwige wet. Augustinus immers zegt in zijn boek Over de vrije Wil (1e B., 5e H.): “Die wet, die gemaakt is om staten te regeren, staat veel toe en laat veel ongestraft, wat door de Goddelijke Voorzienigheid gewroken wordt; want omdat hij niet alles doet, is datgene, wat hij doet, nog niet af te keuren.” Vandaar kan de menselijke wet niet alles verhinderen, wat de natuurwet verhindert.
Utrum lex humana praecipiat actus omnium virtutem
Gebiedt de menschelijke wet alle deugddaden?Gebiedt de menselijke wet alle deugddaden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod lex humana non praecipiat actus omnium virtutum : actibus enim virtutum opponuntur actus vitiosi; 139sed lex humana non prohibet omnia vitia, ut dictum est [art. praec.] ; ergo etiam non praecipit actus omnium virtutum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet niet alle deugddaden gebiedt. — 1. De deugddaden toch zijn tegenovergesteld aan de slechte daden. Welnu, de menschelijke 139wet verbiedt niet alle verkeerde daden, zooals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus gebiedt ze ook niet alle deugddaden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet niet alle deugddaden gebiedt. — 1. De deugddaden toch zijn tegenovergesteld aan de slechte daden. Welnu, de menselijke 139wet verbiedt niet alle verkeerde daden, zoals (in het vorig Artikel) gezegd is. Dus gebiedt ze ook niet alle deugddaden.
2. Praeterea, actus virtutis a virtute procedit; sed virtus est finis legis; et ita quod est ex virtute, sub praecepto legis cadere non potest; ergo lex humana non praecipit actus omnium virtutum.
2. De deugddaad gaat uit van de deugd. Welnu de deugd is het doel van de wet, en daarom kan wat uit deugd voortkomt niet onder een voorschrift vallen van de wet. Dus gebiedt de menschelijke wet niet alle deugddaden.2. De deugddaad gaat uit van de deugd. Welnu de deugd is het doel van de wet, en daarom kan wat uit deugd voortkomt niet onder een voorschrift vallen van de wet. Dus gebiedt de menselijke wet niet alle deugddaden.
3. Praeterea, lex humana ordinatur ad bonum commune, ut dictum est [q. 90. art. 2.] ; sed quidam actus virtutum non ordinantur ad bonum commune, sed ad bonum privatum; ergo lex non praecipit actus omnium virtutum.
3. De menschelijke wet ordent tot het algemeen welzijn, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., 2e Art.). Welnu sommige deugddaden zijn niet geordend tot het algemeen welzijn, maar tot het privaat belang. Dus gebiedt de menschelijke wet niet alle deugddaden.3. De menselijke wet ordent tot het algemeen welzijn, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 2e Art.). Welnu sommige deugddaden zijn niet geordend tot het algemeen welzijn, maar tot het privaat belang. Dus gebiedt de menselijke wet niet alle deugddaden.
Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 1.], quod praecipit lex et fortis opera facere, et quae temperati, et quae mansueti; similiter autem secundum alias virtutes et malitias, haec quidem jubens, haec autem prohibens.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Wijsgeer in het Ve Boek van zijn Ethica (Ie H. Nr 14) : « De wet gebiedt de werken én van den sterke, én van den matige, én van den zachtmoedige, en ook met betrekking tot de overige deugden en ondeugden, gebiedt ze of verbiedt ze. »Maar daartegenover staat het gezegde van de Wijsgeer in het 5e Boek van zijn Ethica (1e H. Nr 14): “De wet gebiedt de werken én van de sterke, én van de matige, én van de zachtmoedige, en ook met betrekking tot de overige deugden en ondeugden, gebiedt ze of verbiedt ze.”
Respondeo dicendum, quod species virtutum distinguuntur secundum objecta, ut ex supradictis patet [q. 54. art. 2.] ; omnia autem objecta 140virtutum referri possunt vel ad bonum privatum alicujus personae, vel ad bonum commune multitudinis, sicut ea, quae sunt fortitudinis, potest aliquis exequi vel propter conservationem civitatis, vel ad conservandum jus amici sui, et simile est in aliis.
Leerstelling. — De verschillende soorten van deugden worden onderscheiden naar hun voorwerp, zooals blijkt uit wat 140vroeger gezegd werd (LIVe Kw., 2e Art.). Welnu alle deugdvoorwerpen kunnen teruggebracht worden, ofwel tot het privaat belang van één persoon, ofwel tot het algemeen welzijn van een geheele gemeenschap; zoo kan b. v. iemand de daden van de sterkte nastreven, ofwel tot het behoud van den staat, ofwel om het recht van zijn vriend te verdedigen; en zoo is het ook met de andere deugden.Leerstelling. — De verschillende soorten van deugden worden onderscheiden naar hun voorwerp, zoals blijkt uit wat 140vroeger gezegd werd (54e Kw., 2e Art.). Welnu alle deugdvoorwerpen kunnen teruggebracht worden, ofwel tot het privaat belang van één persoon, ofwel tot het algemeen welzijn van een gehele gemeenschap; zo kan bv. iemand de daden van de sterkte nastreven, ofwel tot het behoud van de staat, ofwel om het recht van zijn vriend te verdedigen; en zo is het ook met de andere deugden.
Lex autem, ut dictum est [q. 90. art. 2.], ordinatur ad bonum commune; et ideo nulla virtus est de cujus actibus lex praecipere non possit. Non tamen de omnibus actibus omnium virtutum lex humana praecipit, sed solum de illis, qui ordinabiles sunt ad bonum commune, vel immediate, sicut cum aliqua directe propter bonum commune fiunt; vel mediate, sicut cum aliqua ordinantur a legislatore pertinentia ad bonam disciplinam, per quam cives informantur, ut commune bonum justitiae et pacis conservent.
De wet nu is, gelijk we gezien hebben (XCe Kw., 7e Art.), geordend tot het algemeen welzijn. Daarom is er geen enkele deugd waarvan de daden niet kunnen geboden worden door de wet. Toch gebiedt de menschelijke wet niet alle daden van alle deugden, maar alleen die, welke ofwel onmiddellijk geordend kunnen worden tot het algemeen welzijn, zooals wanneer sommige dingen direct gebeuren om het algemeen welzijn; ofwel middellijk, zooals die verordeningen van den wetgever, die betrekking hebben op de goede tucht, waardoor de burgers er toe geneigd zijn om het algemeen belang van de rechtvaardigheid en den vrede te bewaren.De wet nu is, gelijk we gezien hebben (90e Kw., 2e Art.), geordend tot het algemeen welzijn. Daarom is er geen enkele deugd waarvan de daden niet kunnen geboden worden door de wet. Toch gebiedt de menselijke wet niet alle daden van alle deugden, maar alleen die, welke ofwel onmiddellijk geordend kunnen worden tot het algemeen welzijn, zoals wanneer sommige dingen direct gebeuren om het algemeen welzijn; ofwel middellijk, zoals die verordeningen van de wetgever, die betrekking hebben op de goede tucht, waardoor de burgers er toe geneigd zijn om het algemeen belang van de rechtvaardigheid en de vrede te bewaren.
Ad primum ergo dicendum, quod lex humana non prohibet omnes actus vitiosos secundum obligationem praecepti, sicut nec praecipit omnes actus 141virtuosos : prohibet tamen aliquos actus singulorum vitiorum, sicut etiam praecipit quosdam actus singularum virtutum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De menschelijke wet verbiedt niet alle daden der ondeugden krachtens de 141verplichting van een voorschrift, zooals ze ook niet alle deugddaden beveelt, maar ze verhindert slechts enkele verkeerde daden van bepaalde ondeugden, zooals ze ook slechts enkele daden van afzonderlijke deugden gebiedt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De menselijke wet verbiedt niet alle daden van de ondeugden krachtens de 141verplichting van een voorschrift, zoals ze ook niet alle deugddaden beveelt, maar ze verhindert slechts enkele verkeerde daden van bepaalde ondeugden, zoals ze ook slechts enkele daden van afzonderlijke deugden gebiedt.
Ad secundum dicendum, quod aliquis actus dicitur esse virtutis dupliciter : uno modo ex eo, quod homo operatur virtuosa, sicut actus virtutis justitiae est facere recta, et actus fortitudinis facere fortia; et sic lex praecipit aliquos actus virtutum. Alio modo dicitur actus virtutis, quia aliquis operatur virtuosa eo modo quo virtuosus operatur; et talis actus semper procedit a virtute, nec cadit sub praecepto legis; sed est finis, ad quem legislator ducere intendit.
2. Een daad kan op twee manieren aan een deugd worden toegeschreven : ten eerste, zóó, dat de mensch overeenkomstig een deugd handelt, zooals de daad van de rechtvaardigheid is, rechtmatig te handelen, en van de sterkte, krachtdadig op te treden. In dien zin gebiedt de wet sommige deugddaden. Ten tweede, zóó, dat iemand overeenkomstig een deugd handelt zooals een deugdzame handelt. Deze daden gaan altijd van de deugd uit en vallen niet onder het voorschrift van de wet, maar zijn haar doel, dat de wetgever beoogt.2. Een daad kan op twee manieren aan een deugd worden toegeschreven: ten eerste, zó, dat de mens overeenkomstig een deugd handelt, zoals de daad van de rechtvaardigheid is, rechtmatig te handelen, en van de sterkte, krachtdadig op te treden. In die zin gebiedt de wet sommige deugddaden. Ten tweede, zó, dat iemand overeenkomstig een deugd handelt zoals een deugdzame handelt. Deze daden gaan altijd van de deugd uit en vallen niet onder het voorschrift van de wet, maar zijn haar doel, dat de wetgever beoogt.
Ad tertium dicendum, quod non est aliqua virtus, cujus actus non sint ordinabiles ad bonum commune, ut dictum est [in corp.], vel mediate, vel immediate.
3. Iedere deugddaad kan geordend worden tot het algemeen welzijn, hetzij direct, hetzij indirect, zooals (in de Leerstelling) uiteengezet is.3. Iedere deugddaad kan geordend worden tot het algemeen welzijn, hetzij direct, hetzij indirect, zoals (in de Leerstelling) uiteengezet is.
Utrum lex humana imponat homini necessitatem in foro conscientiae
Bindt de menschelijke wet in geweten?Bindt de menselijke wet in geweten?
142Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod lex humana non imponat homini necessitatem in foro conscientiae : inferior enim potestas non potest imponere legem in judicio superioris potestatis; sed potestas humana, quae fert legem humanam, est infra potestatem divinam; ergo lex humana non potest imponere legem quantum ad judicium divinum, quod est judicium conscientiae.
142Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschelijke wet niet in geweten bindt. — 1. Een lagere bevoegdheid kan immers geen wet opleggen met betrekking tot het domein van een hoogere bevoegdheid. Welnu de menschelijke bevoegdheid, die de menschelijke wet oplegt, is lager dan de goddelijke. Dus kan ze geen wet opleggen met betrekking tot het goddelijk domein, nl. het geweten.142Bedenkingen. — Men beweert, dat de menselijke wet niet in geweten bindt. — 1. Een lagere bevoegdheid kan immers geen wet opleggen met betrekking tot het domein van een hogere bevoegdheid. Welnu de menselijke bevoegdheid, die de menselijke wet oplegt, is lager dan de goddelijke. Dus kan ze geen wet opleggen met betrekking tot het goddelijk domein, nl. het geweten.
2. Praeterea, judicium conscientiae maxime dependet ex divinis mandatis; sed quandoque divina mandata evacuantur per leges humanas; secundum illud Matth. 15 [v. 6.] : « Irritum fecistis mandatum Dei propter traditiones vestras. » Ergo lex humana non imponit homini necessitatem quantum ad conscientiam.
2. De uitspraak van het geweten hangt hoofdzakelijk af van de goddelijke voorschriften. Welnu soms worden de goddelijke voorschriften door de menschelijke wetten verijdeld, volgens het woord van Mattheus (15, 6) : « Door uw overlevering hebt gij het bevel van God verijdeld. » Dus bindt de menschelijke wet niet in geweten.2. De uitspraak van het geweten hangt hoofdzakelijk af van de goddelijke voorschriften. Welnu soms worden de goddelijke voorschriften door de menselijke wetten verijdeld, volgens het woord van Matteüs (15, 6): “Door uw overlevering hebt gij het bevel van God verijdeld.” Dus bindt de menselijke wet niet in geweten.
1433. Praeterea, leges humanae frequenter ingerunt calumniam et injuriam hominibus, secundum illud Isa. 10 [v. 1. sq.] : « Vae, qui condunt leges iniquas, et scribentes injustitias scripserunt, ut oppriment in judicio pauperes, et vim facerent causae humilium populi mei. » Sed licitum est unicuique oppressionem et violentiam evitare; ergo leges humanae non imponunt necesitatem homini quantum ad conscientiam.
1433. De menschelijke wetten houden voor de menschen dikwijls nadeel en onrechtvaardigheid in, volgens Isaïas (10, 1 v. v.) : « Wee hun die onrechtvaardige wetten maken en schrijvende onrecht schrijven, om in het gericht de armen te onderdrukken en geweld te plegen aan de zaak der geringen van mijn volk ». Maar iedereen mag druk en geweld ontwijken. Dus bindt de wet niet in geweten.1433. De menselijke wetten houden voor de mensen dikwijls nadeel en onrechtvaardigheid in, volgens Jesaja (10, 1 v. v.): “Wee hun die onrechtvaardige wetten maken en schrijvende onrecht schrijven, om in het gericht de armen te onderdrukken en geweld te plegen aan de zaak van de geringen van mijn volk”. Maar iedereen mag druk en geweld ontwijken. Dus bindt de wet niet in geweten.
Sed contra est, quod dicitur 1. Pet. 2. [v. 19.] : « Haec est gratia, si propter conscientiam sustineat quis tristitias, patiens injuste. »
Maar daartegenover staat het woord van Petrus (Ie Brief, 2, 19) : « Dit is de genade, wanneer iemand om wille van zijn geweten ellende doorstaat en onrechtvaardigheid lijdt ».Maar daartegenover staat het woord van Petrus (1e Brief, 2, 19): “Dit is de genade, wanneer iemand om wille van zijn geweten ellende doorstaat en onrechtvaardigheid lijdt”.
Respondeo dicendum, quod leges positae humanitus sunt justae, vel injustae. Si quidem justae sint, habent vim obligandi in foro conscientiae e lege aeterna, a qua derivantur, secundum illud Proverb. 8. [v. 15.] : « Per me reges regnant, et legum conditores justa decernunt. » Dicuntur autem leges justae et ex fine, quando scilicet ordinantur ad bonum 144commune; et ex auctore, quando scilicet lex lata non excedit potestatem ferentis; et ex forma, quando scilicet secundum aequalitatem proportionis imponuntur subditis onera in ordine ad bonum commune. Cum enim unus homo sit pars multitudinis, quilibet homo hoc ipsum quod est et quod habet, est multitudinis; sic quaelibet pars id quod est, est totius. Unde et natura aliquod detrimentum infert parti, ut salvet totum. Et secundum hoc leges hujusmodi onera proportionabiliter inferentes justae sunt, et obligant in foro conscientiae, et sunt leges legales.
Leerstelling. — De wetten, door menschen gemaakt, zijn ofwel rechtvaardig, ofwel onrechtvaardig. Indien ze rechtvaardig zijn, binden ze in geweten krachtens de eeuwige wet, waarvan ze zijn afgeleid, overeenkomstig het woord uit het Boek der Spreuken (8, 15) : « Door mij regeeren de Koningen en onderscheiden de makers van wetten, wat rechtvaardig is ». Wetten nu worden rechtvaardig genoemd, én van den kant van het doel, wanneer ze geordend zijn tot het algemeen welzijn; én van den 144kant van het gezag, wanneer ze de macht van dengene, die ze maakt, niet boven gaan; én van den kant van het wezen van de wet, wanneer ze haar onderdanen naar verhouding gelijke lasten opleggen voor het algemeen belang. Immers, daar één mensch deel uitmaakt van de gemeenschap, is alles, wat die mensch is of heeft, van de gemeenschap, gelijk ook alles wat een deel is, van het geheel is. Daarvandaan brengt soms de natuur eenig nadeel toe aan het deel, om het geheel te behouden. Hiermee in overeenstemming zijn die wetten, die naar verhouding gelijke lasten opleggen, rechtvaardig en binden ze ook in geweten, en zijn het echte wetten.Leerstelling. — De wetten, door mensen gemaakt, zijn ofwel rechtvaardig, ofwel onrechtvaardig. Indien ze rechtvaardig zijn, binden ze in geweten krachtens de eeuwige wet, waarvan ze zijn afgeleid, overeenkomstig het woord uit het Boek van de Spreuken (8, 15): “Door mij regeren de Koningen en onderscheiden de makers van wetten, wat rechtvaardig is”. Wetten nu worden rechtvaardig genoemd, én van de kant van het doel, wanneer ze geordend zijn tot het algemeen welzijn; én van de 144kant van het gezag, wanneer ze de macht van dengene, die ze maakt, niet boven gaan; én van de kant van het wezen van de wet, wanneer ze haar onderdanen naar verhouding gelijke lasten opleggen voor het algemeen belang. Immers, daar één mens deel uitmaakt van de gemeenschap, is alles, wat die mens is of heeft, van de gemeenschap, gelijk ook alles wat een deel is, van het geheel is. Daarvandaan brengt soms de natuur enig nadeel toe aan het deel, om het geheel te behouden. Hiermee in overeenstemming zijn die wetten, die naar verhouding gelijke lasten opleggen, rechtvaardig en binden ze ook in geweten, en zijn het echte wetten.
Injustae autem sunt leges dupliciter. Uno modo per contrarietatem ad bonum humanum, e contrario praedictis : vel ex fine, sicut sum aliquis praesidens leges imponit onerosas subditis, non pertinentes ad utilitatem communem, sed magis ad propriam cupiditatem vel gloriam; vel etiam ex auctore, sicut cum aliquis legem fert ultra sibi commissam potestatem; vel etiam ex forma, puta cum inaequaliter onera multitudini dispensantur, etiamsi ordinentur ad bonum commune. Et hujusmodi magis sunt violentiae, 145quam leges : quia, sicut Augustinus dicit in lib. 1. de Lib. Arb. [cap. 5.], lex esse non videtur, quae justa non fuerit. Unde tales leges non obligant in foro conscientiae, nisi forte propter vitandum scandalum vel turbationem, propter quod etiam homo juri suo debet cedere, secundum illud Matth. 5. [v. 40-41]: « Qui angariaverit te mille passus, vade cum eo alia duo; et qui abstulerit tibi tunicam, da ei et pallium. » Alio modo leges possunt esse injustae per contrarietatem ad bonum divinum, sicut leges tyrannorum inducentes ad idolatriam vel ad quodcumque aliud, quod sit contra legem divinam. Et tales leges nullo modo licet observare, quia, sicut dicitur Act. 5. [v. 29.], « obedire oportet Deo magis quam hominibus. »
Wetten kunnen onrechtvaardig zijn op twee manieren : ten eerste, voor zoover ze tegengesteld zijn aan het menschelijk goed. Dit kan op de drie bovengenoemde manieren : ofwel van den kant van het doel, wanneer een of andere overste aan zijn onderdanen overdreven zware wetten oplegt, die geen betrekking hebben op het algemeen welzijn, maar eerder op eigen hebzucht of eer; ofwel van den kant van het gezag, wanneer iemand b. v. een wet maakt, buiten zijn gegeven bevoegdheid om; ofwel van den kant van het wezen van de wet, wanneer b. v. de lasten 145ongelijk over de menigte verdeeld zijn, zelfs al zijn ze op het algemeen welzijn gericht. Dergelijke voorschriften zijn eerder gewelddadigheden dan wetten, omdat volgens Augustinus (Over den vrijen Wil, Ie B., Ve H.) iets wat onrechtvaardig is, geen wet is. Daarvandaan binden dergelijke wetten niet in geweten, tenzij om ergernis of oproer te vermijden, waarom de mensch zelfs van zijn recht afstand moet doen, overeenkomstig het woord van Mattheus (5, 40-41) : « Indien iemand U vraagt, duizend schreden met hem te gaan, ga er met hem dan nog twee duizend, en indien iemand U een onderkleed vraagt, geef hem dan ook uw opperkleed. » Op een andere manier kunnen de wetten onrechtvaardig zijn, doordat ze tegengesteld zijn aan het goddelijk goed, zooals de wetten van tyrannen, die afgoderij geboden, of wat ook in strijd is met de goddelijke wet. Dergelijke wetten mag men in het geheel niet onderhouden, daar men eerder aan God moet gehoorzamen dan aan de menschen, zooals we lezen in de Handelingen der Apostelen (5, 29).Wetten kunnen onrechtvaardig zijn op twee manieren: ten eerste, voor zover ze tegengesteld zijn aan het menselijk goed. Dit kan op de drie bovengenoemde manieren: ofwel van de kant van het doel, wanneer een of andere overste aan zijn onderdanen overdreven zware wetten oplegt, die geen betrekking hebben op het algemeen welzijn, maar eerder op eigen hebzucht of eer; ofwel van de kant van het gezag, wanneer iemand bv. een wet maakt, buiten zijn gegeven bevoegdheid om; ofwel van de kant van het wezen van de wet, wanneer bv. de lasten 145ongelijk over de menigte verdeeld zijn, zelfs al zijn ze op het algemeen welzijn gericht. Dergelijke voorschriften zijn eerder gewelddadigheden dan wetten, omdat volgens Augustinus (Over de vrije Wil, 1e B., 5e H.) iets wat onrechtvaardig is, geen wet is. Daarvandaan binden dergelijke wetten niet in geweten, tenzij om ergernis of oproer te vermijden, waarom de mens zelfs van zijn recht afstand moet doen, overeenkomstig het woord van Matteüs (5, 40-41): “Indien iemand U vraagt, duizend schreden met hem te gaan, ga er met hem dan nog twee duizend, en indien iemand U een onderkleed vraagt, geef hem dan ook uw opperkleed.” Op een andere manier kunnen de wetten onrechtvaardig zijn, doordat ze tegengesteld zijn aan het goddelijk goed, zoals de wetten van tirannen, die afgoderij geboden, of wat ook in strijd is met de goddelijke wet. Dergelijke wetten mag men in het geheel niet onderhouden, daar men eerder aan God moet gehoorzamen dan aan de mensen, zoals we lezen in de Handelingen van de Apostelen (5, 29).
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Apostolus dicit Rom. 13 [v. 1. sq.], « omnis potestas humana a Deo est », et ideo qui potestati resistit in his quae ad potestatis ordinem pertinent, Dei ordinationi resistit; et secundum hoc efficitur reus quantum ad conscientiam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1 v. v.), is alle macht 146van God, en daarom die aan de macht weerstaat, met betrekking tot die dingen, die behooren tot die macht, weerstaat aan het bevel van God. En met betrekking daartoe bindt de menschelijke wet in geweten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1 v. v.), is alle macht 146van God, en daarom die aan de macht weerstaat, met betrekking tot die dingen, die behoren tot die macht, weerstaat aan het bevel van God. En met betrekking daartoe bindt de menselijke wet in geweten.
146Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit de legibus humanis, quae ordinantur contra Dei mandatum, et ad hoc ordo potestatis non se extendit; unde in talibus legi humanae non est parendum.
2. Die redeneering gaat uit van de menschelijke wetten, die ingaan tegen het bevel van God, en hiertoe strekt de macht zich niet uit; vandaar behoeft men in die dingen niet te gehoorzamen aan de menschelijke wet.2. Die redenering gaat uit van de menselijke wetten, die ingaan tegen het bevel van God, en hiertoe strekt de macht zich niet uit; vandaar behoeft men in die dingen niet te gehoorzamen aan de menselijke wet.
Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit de lege, quae infert gravamen injustum subditis; ad quod etiam ordo potestatis divinitus concessus non se extendit; unde nec in talibus homo obligatur ut obediat legi, si sine scandalo vel majori detrimento resistere possit.
3. Die redeneering gaat uit van die wetten, die een onrechtvaardigen last opleggen aan de onderdanen, waartoe ook de macht, van God gegeven, zich niet uitstrekt; vandaar is de mensch in dergelijke dingen niet verplicht tot gehoorzaamheid aan de wet, indien men tenminste zonder ergernis of grooter nadeel kan weerstaan.3. Die redenering gaat uit van die wetten, die een onrechtvaardigen last opleggen aan de onderdanen, waartoe ook de macht, van God gegeven, zich niet uitstrekt; vandaar is de mens in dergelijke dingen niet verplicht tot gehoorzaamheid aan de wet, indien men tenminste zonder ergernis of groter nadeel kan weerstaan.
Utrum omnes subjiciantur legi
Zijn alle menschen aan de wet onderworpen?Zijn alle mensen aan de wet onderworpen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod non omnes legi subjiciantur : illi enim soli subjiciuntur legi, quibus lex ponitur; sed Apostolus dicit 1. ad 147Timoth. 1. [v. 9.], quod justo non est lex posita; ergo justi non subjiciuntur legi humanae.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle menschen aan de wet onderworpen zijn. — 1. Immers alleen diegenen zijn aan 147de wet onderworpen, waarvoor de wet gemaakt is. Welnu de Apostel zegt in zijn Ie Brief aan Timotheus (1, 9), dat de wet niet gemaakt is voor de rechtvaardigen. Dus zijn de rechtvaardigen niet aan de wet onderworpen.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle mensen aan de wet onderworpen zijn. — 1. Immers alleen diegenen zijn aan 147de wet onderworpen, waarvoor de wet gemaakt is. Welnu de Apostel zegt in zijn 1e Brief aan Timoteüs (1, 9), dat de wet niet gemaakt is voor de rechtvaardigen. Dus zijn de rechtvaardigen niet aan de wet onderworpen.
2. Praeterea, Urbanus Papa dicit, et habetur in Decretis [Caus. 19. q. 2] : « Qui lege privata ducitur, nulla ratio exigit ut publica constringatur. » Lege autem privata Spiritus Sancti ducuntur omnes viri spirituales, qui sunt filii Dei, secundum illud Rom. 8 [v. 14] : « Qui Spiritu Dei aguntur, hi filii Dei sunt. » Ergo non omnes legi humanae subjiciuntur.
2. Paus Urbanus zegt (Decreten, 19, 2) : « Wie door een private wet bevolen wordt, behoeft om geen enkele reden door een algemeene wet beperkt te worden. » Welnu de hoogstaande menschen, die volgens het woord van den Apostel (Brief aan de Romeinen, 8, 14) zonen van God zijn, worden geleid door de private wet van den H. Geest. Dus zijn niet alle menschen aan de wet onderworpen.2. Paus Urbanus zegt (Decreten, 19, 2): “Wie door een private wet bevolen wordt, behoeft om geen enkele reden door een algemene wet beperkt te worden.” Welnu de hoogstaande mensen, die volgens het woord van de Apostel (Brief aan de Romeinen, 8, 14) zonen van God zijn, worden geleid door de private wet van de H. Geest. Dus zijn niet alle mensen aan de wet onderworpen.
3. Praeterea, Jurisperitus dicit quod princeps legibus solutus est; qui autem est solutus a lege, non subditur legi; ergo non omnes subjecti sunt legi.
3. De Jurisperitus zegt : « De vorst staat los van de wet ». Welnu hij die los staat van de wet, is aan de wet niet onderworpen.3. De Jurisperitus zegt: “De vorst staat los van de wet”. Welnu hij die los staat van de wet, is aan de wet niet onderworpen.
Sed contra est, quod Apostolus dicit Rom. 13. [v. 1.] : « Omnis anima potestatibus sublimioribus subdita sit. » Sed non videtur esse subditus potestati, qui non subjicitur legi, quam fert potestas; ergo omnes homines debent esse legi subjecti.
Maar daartegenover staat het gezegde van den Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1) : « Alle menschen zijn onderworpen aan de hoogste macht. » Welnu iemand die niet onderworpen is aan de wet, die gemaakt is door een macht, is niet onderworpen aan die macht. Dus zijn alle menschen onderworpen aan de wet.Maar daartegenover staat het gezegde van de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (13, 1): “Alle mensen zijn onderworpen aan de hoogste macht.” Welnu iemand die niet onderworpen is aan de wet, die gemaakt is door een macht, is niet onderworpen aan die macht. Dus zijn alle mensen onderworpen aan de wet.
148Respondeo dicendum, quod, sicut ex supradictis patet [q. 90. art. 1. et 2.], lex de sui ratione duo habet : primo quidem, quod est regula humanorum actuum, secundo, quod habet vim coactivam. Dupliciter ergo aliquis homo potest esse legi subjectus : uno modo, sicut regulatam regulae; et hoc modo omnes illi, qui subduntur potestati, subduntur legi, quam fert potestas. Quod autem aliquis potestati non subdatur, potest contingere dupliciter : uno modo, quia est simpliciter absolutus ab ejus subjectione; unde illi, qui sunt de una civitate vel regno, non subduntur legibus principis alterius civitatis vel regni, sicut nec ejus dominio; alio modo, secundum quod regitur superiori lege : puta si aliquis subjectus sit proconsuli, regulari debet ejus mandato, non tamen in his, quae dispensantur ei ab imperatore : quantum enim ad illa non adstringitur mandato inferioris cum superiori mandato dirigatur. Et secundum hoc contingit, quod aliquid, simpliciter subjectus legi, secundum aliqua legi non adstringitur, secundum quae regitur superiori lege.
148Leerstelling. — Zooals uit het vroeger gezegde blijkt (XCe Kw., Ie en 2e Art.), behooren twee dingen tot het begrip van wet, nl. ten eerste, dat ze norm is van de menschelijke daden; ten tweede, dat ze een dwingend karakter heeft. Op twee manieren dus kan een mensch aan de wet onderworpen zijn, nl. ten eerste als iemand die geregeld wordt door een norm, en zóó zijn allen, die onderworpen zijn aan een macht, ook onderworpen aan de wet, die gemaakt is door die macht. Dat iemand nu niet onderworpen is aan een macht, kan om twee redenen zijn : ofwel omdat hij onder geen enkel opzicht onderworpen is aan die macht, zooals zij, die tot een bepaalden staat of rijk behooren, niet onderworpen zijn aan de wetten van den vorst van een anderen staat of rijk, gelijk ze ook niet onder zijn beheer vallen. Ofwel omdat hij geregeerd wordt door een hoogere wet. Zoo moet b. v. iemand, indien hij onderworpen is aan een proconsul, zich door zijn bevelen laten leiden, behalve in die dingen, waarvan hij door den vorst zelf ontslagen is. Want met betrekking tot die dingen is hij niet onderworpen aan de bevelen van den lageren overste, daar hij geleid wordt door een hooger bevel. Zoo gebeurt het dus, dat iemand die in het algemeen onderworpen is aan een wet, met 149betrekking tot een bepaald ding waarin hij door een hoogere wet geleid wordt, niet onderworpen is aan die wet.148Leerstelling. — Zoals uit het vroeger gezegde blijkt (90e Kw., 1e en 2e Art.), behoren twee dingen tot het begrip van wet, nl. ten eerste, dat ze norm is van de menselijke daden; ten tweede, dat ze een dwingend karakter heeft. Op twee manieren dus kan een mens aan de wet onderworpen zijn, nl. ten eerste als iemand die geregeld wordt door een norm, en zó zijn allen, die onderworpen zijn aan een macht, ook onderworpen aan de wet, die gemaakt is door die macht. Dat iemand nu niet onderworpen is aan een macht, kan om twee redenen zijn: ofwel omdat hij onder geen enkel opzicht onderworpen is aan die macht, zoals zij, die tot een bepaalden staat of rijk behoren, niet onderworpen zijn aan de wetten van de vorst van een anderen staat of rijk, gelijk ze ook niet onder zijn beheer vallen. Ofwel omdat hij geregeerd wordt door een hogere wet. Zo moet bv. iemand, indien hij onderworpen is aan een proconsul, zich door zijn bevelen laten leiden, behalve in die dingen, waarvan hij door de vorst zelf ontslagen is. Want met betrekking tot die dingen is hij niet onderworpen aan de bevelen van de lagere overste, daar hij geleid wordt door een hoger bevel. Zo gebeurt het dus, dat iemand die in het algemeen onderworpen is aan een wet, met 149betrekking tot een bepaald ding waarin hij door een hogere wet geleid wordt, niet onderworpen is aan die wet.
149Alio vero modo dicitur aliquis subjectus legi, sicut coactum cogenti : et hoc modo homines virtuosi et justi non subduntur legi, sed soli mali. Quod enim est coactum et violentum, est contrarium voluntati : voluntas autem bonorum consonat legi, a qua malorum voluntas discordat; et ideo secundum hoc boni non sunt sub lege, sed solum mali.
Op een andere manier kan iemand aan de wet onderworpen zijn, nl. gelijk iemand, die gedwongen wordt, onderworpen is aan dengene, die dwingt. Op die manier zijn de deugdzamen niet aan de wet onderworpen, maar alleen de slechten. Immers wat gedwongen en met geweld gebeurt, gebeurt tegen den wil. De wil nu van de goeden is in overeenstemming met de wet, terwijl de wil van de slechten er aan weerstreeft. In dien zin zijn dus de goeden niet aan de wet onderworpen, maar alleen de slechten.Op een andere manier kan iemand aan de wet onderworpen zijn, nl. gelijk iemand, die gedwongen wordt, onderworpen is aan dengene, die dwingt. Op die manier zijn de deugdzamen niet aan de wet onderworpen, maar alleen de slechten. Immers wat gedwongen en met geweld gebeurt, gebeurt tegen de wil. De wil nu van de goeden is in overeenstemming met de wet, terwijl de wil van de slechten er aan weerstreeft. In die zin zijn dus de goeden niet aan de wet onderworpen, maar alleen de slechten.
Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa procedit de subjectione, quae est per modum coactionis. Sic enim justo non est lex posita; quia ipsi sibi sunt lex, dum ostendunt opus legis scriptum in cordibus suis, sicut Apostolus ad Rom. 2. [v. 14-15] dicit. Unde in eos non habet lex vim coactivam, sicut habet in injustos.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redeneering gaat uit van het onderworpen zijn door dwang. In dien zin immers is de wet niet voor de rechtvaardigen gemaakt, daar zij zelf hun eigen wet zijn, terwijl ze laten zien, dat het werk der wet in hun harten geschreven staat, zooals de Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (2, 14-15). Dus heeft de wet voor hen geen dwingend karakter, zooals voor de slechten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die redenering gaat uit van het onderworpen zijn door dwang. In die zin immers is de wet niet voor de rechtvaardigen gemaakt, daar zij zelf hun eigen wet zijn, terwijl ze laten zien, dat het werk van de wet in hun harten geschreven staat, zoals de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (2, 14-15). Dus heeft de wet voor hen geen dwingend karakter, zoals voor de slechten.
Ad secundum dicendum, quod lex Spiritus Sancti est superior omni lege humanitus posita. Et ideo viri spirituales, secundum hoc quod lege Spiritus Sancti ducuntur, non subduntur legi quantum ad ea, quae repugnant ductioni Spiritus Sancti. Sed tamen hoc ipsum est de ductu Spiritus Sancti, quod 150homines spirituales legibus humanis subdantur, secundum illud 1. Pet. 2 [v. 13] : « Subjecti estote omni humanae creaturae propter Deum. »
2. De wet van den H. Geest staat boven iedere menschelijke wet. Vandaar zijn de hoogstaande menschen, in zoover ze door 150de wet van den H. Geest geleid worden, niet onderworpen aan de wet, met betrekking tot die dingen, die in strijd zijn met de leiding van den H. Geest. Maar het behoort juist tot de leiding van den H. Geest, dat de hoogstaande menschen onderworpen zijn aan de wet, overeenkomstig het woord uit den Ie Brief van Petrus (2. 13) : « Zijt onderworpen aan ieder menschelijk schepsel, om God ».2. De wet van de H. Geest staat boven iedere menselijke wet. Vandaar zijn de hoogstaande mensen, in zover ze door 150de wet van de H. Geest geleid worden, niet onderworpen aan de wet, met betrekking tot die dingen, die in strijd zijn met de leiding van de H. Geest. Maar het behoort juist tot de leiding van de H. Geest, dat de hoogstaande mensen onderworpen zijn aan de wet, overeenkomstig het woord uit de 1e Brief van Petrus (2, 13): “Zijt onderworpen aan ieder menselijk schepsel, om God”.
Ad tertium dicendum, quod princeps dicitur esse solutus a lege quantum ad vim coactivam legis : nullus enim proprie cogitur a seipso; lex autem non habet vim coactivam, nisi ex principis potestate. Sic igitur princeps dicitur esse solutus a lege, quia nullus in ipsum potest judicium condemnationis ferre, si contra legem agat. Unde super illud Psal. 50 [v. 6.] : « Tibi soli peccavi, » etc. dicit Glossa [ord. Cassiod.], quod « rex non habet hominem, qui sua facta dijudicet ». Sed quantum ad vim directivam legis, princeps subditur legi propria voluntate, secundum quod dicitur, extra, De Constitutionibus, cap. Cum omnes : « Quod quisque juris in alterum statuit, ipse eodem juri uti debet. Et Sapientis dicit auctoritas : patere legem, quam ipse tuleris ». Improperatur etiam his a Domino, qui dicunt, et non faciunt, et qui aliis onera gravia imponunt, et ipsi nec digito volunt ea movere, ut dicitur Matth. 23 [v. 3-4]. Unde quantum ad Dei 151judicium princeps non est solutus a lege quantum ad vim directivam ejus; sed debet voluntarius, non coactus, legem implere. Est etiam princeps supra legem, inquantum, si expediens fuerit, potest legem mutare et in ea dispensare pro loco et tempore.
3. Men zegt, dat de vorst los is van de wet, met betrekking tot het dwingend karakter van de wet. Niemand immers kan door zich zelf gedwongen worden, en de wet heeft geen dwingend karakter tenzij door de macht van den vorst. In dien zin zegt men dus, dat de vorst los is van de wet, omdat niemand hem kan veroordeelen, wanneer hij de wet overtreedt. Vandaar merkt de gewone Glossa op het woord van Psalm 50, 6: « Tegen U alleen heb ik gezondigd » aan, dat de koning geen mensch heeft, die zijn daden beoordeelt. Maar met betrekking tot het leidend karakter van de wet is de vorst wel onderworpen aan de wet, krachtens zijn eigen wil. Vandaar lezen we in de Constituties : « Datgene van het recht, wat iemand op een ander toepast, moet hij ook zelf gebruiken. » En het gezag van de Wijze zegt : « 151Onderhoud de wet, die gij zelf geeft ». Ook worden diegenen gelaakt door den Heer, die zeggen en niet doen, en zij die aan anderen zware lasten opleggen, en ze zelf niet met den vinger aanraken, zooals bij Mattheus gezegd wordt (23, 3-4). Vandaar is de vorst voor het oordeel van God niet onafhankelijk van de wet met betrekking tot het leidend karakter, maar moet hij uit eigen beweging, en niet gedwongen, de wet onderhouden. Ook staat de vorst boven de wet in zoover hij, als het nuttig is, de wet kan veranderen en naar gelang van tijd en plaats er van kan ontslaan.3. Men zegt, dat de vorst los is van de wet, met betrekking tot het dwingend karakter van de wet. Niemand immers kan door zichzelf gedwongen worden, en de wet heeft geen dwingend karakter tenzij door de macht van de vorst. In die zin zegt men dus, dat de vorst los is van de wet, omdat niemand hem kan veroordelen, wanneer hij de wet overtreedt. Vandaar merkt de gewone Glossa op het woord van Psalm 50, 6a: “Tegen U alleen heb ik gezondigd” aan, dat de koning geen mens heeft, die zijn daden beoordeelt. Maar met betrekking tot het leidend karakter van de wet is de vorst wel onderworpen aan de wet, krachtens zijn eigen wil. Vandaar lezen we in de Constituties: “Datgene van het recht, wat iemand op een ander toepast, moet hij ook zelf gebruiken.” En het gezag van de Wijze zegt: “151Onderhoud de wet, die gij zelf geeft”. Ook worden diegenen gelaakt door de Heer, die zeggen en niet doen, en zij die aan anderen zware lasten opleggen, en ze zelf niet met de vinger aanraken, zoals bij Matteüs gezegd wordt (23, 3-4). Vandaar is de vorst voor het oordeel van God niet onafhankelijk van de wet met betrekking tot het leidend karakter, maar moet hij uit eigen beweging, en niet gedwongen, de wet onderhouden. Ook staat de vorst boven de wet in zover hij, als het nuttig is, de wet kan veranderen en naar gelang van tijd en plaats er van kan ontslaan.
Utrum ei, qui subditur legi, liceat praeter verba legis agere
Mogen zij, die aan de wet onderworpen zijn, buiten de letter van de wet om handelen?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod non liceat ei, qui subditur legi, praeter verba legis agere : dicit enim Augustinus in lib. de Vera 152Religione [cap. 31.]: « In temporalibus legibus quamvis homines judicent de his, cum eas instituunt, tamen quando sunt institutae et firmatae, non licebit de ipsis judicare, sed secundum ipsas ». Sed si aliquis praetermittat verba legis, dicens se intentionem legislatoris servare, videtur judicare de lege; ergo non licet ei, qui subditur legi, ut praetermittat verba legis, ut intentionem legislatoris servet.
Bedenkingen. — Men beweert, dat hij, die onderworpen is aan de wet, niet buiten de letter van de wet om mag handelen. — 1. Augustinus immers zegt in zijn werk Over den waren Godsdienst (XXXIe H.) : « Ofschoon de menschen over de tijdelijke wetten oordeelen, wanneer zij ze maken, mogen ze er echter niet 152meer over oordeelen, wanneer ze gemaakt en bevestigd zijn, maar dan moeten ze oordeelen volgens de wetten. » Welnu indien iemand buiten de letter van de wet om handelt, terwijl hij zegt, dat hij den geest van den wetgever handhaaft, dan schijnt hij over de wet te oordeelen. Dus mag iemand, die aan de wet onderworpen is, niet buiten de letter van de wet om handelen, om de bedoeling van den wetgever te handhaven.Bedenkingen. — Men beweert, dat hij, die onderworpen is aan de wet, niet buiten de letter van de wet om mag handelen. — 1. Augustinus immers zegt in zijn werk Over de ware Godsdienst (31e H.): “Ofschoon de mensen over de tijdelijke wetten oordelen, wanneer zij ze maken, mogen ze er echter niet 152meer over oordelen, wanneer ze gemaakt en bevestigd zijn, maar dan moeten ze oordelen volgens de wetten.” Welnu indien iemand buiten de letter van de wet om handelt, terwijl hij zegt, dat hij de geest van de wetgever handhaaft, dan schijnt hij over de wet te oordelen. Dus mag iemand, die aan de wet onderworpen is, niet buiten de letter van de wet om handelen, om de bedoeling van de wetgever te handhaven.
2. Praeterea, ad eum solum pertinet leges interpretari, cujus est condere leges; sed omnium subditorum legi non est leges condere; ergo eorum non est interpretari legislatoris intentionem, sed semper secundum verba legis agere debent.
2. Alleen hij kan wetten verklaren, die ze kan maken. Welnu niet alle onderdanen van de wet kunnen wetten maken. Dus komt het hun niet toe, de bedoeling van den wetgever te verklaren, maar moeten ze altijd volgens de letter van de wet handelen.2. Alleen hij kan wetten verklaren, die ze kan maken. Welnu niet alle onderdanen van de wet kunnen wetten maken. Dus komt het hun niet toe, de bedoeling van de wetgever te verklaren, maar moeten ze altijd volgens de letter van de wet handelen.
3. Praeterea, omnis sapiens intentionem suam verbis novit explicare; sed illi qui leges condiderunt, reputari debent, sapientes : dicit enim Sapientia Prov. 8 [v. 15] : « Per me reges regnant, et legum conditores justa decernunt. » Ergo de intentione legislatoris non est judicandum, nisi per verba legis.
3. Ieder verstandig mensch weet zijn bedoeling door zijn woorden uiteen te zetten. Welnu zij die wetten maken, moeten voor verstandig gehouden worden. Immers in het Boek der Spreuken lezen we (8, 15) : « Door mij regeeren de koningen en zien de wetgevers wat rechtvaardig is ». Dus mag men niet oordeelen over de bedoeling van den wetgever, buiten de letter van de wet om.3. Ieder verstandig mens weet zijn bedoeling door zijn woorden uiteen te zetten. Welnu zij die wetten maken, moeten voor verstandig gehouden worden. Immers in het Boek van de Spreuken lezen we (8, 15): “Door mij regeren de koningen en zien de wetgevers wat rechtvaardig is”. Dus mag men niet oordelen over de bedoeling van de wetgever, buiten de letter van de wet om.
153Sed contra est, quod Hilarius dicit in 4. de Trin. [n. 14] : « Intelligentia dictorum ex causis est assumenda dicendi, quia non sermoni res, sed rei debet esse sermo subjectus ». Ergo magis est attendendum ad causam quae movit legislatorem, quam ad ipsa verba legis.
Maar daartegenover staat het gezegde van Hilarius in zijn Boek Over de Drieëenheid (IVe B., Nr 14) : « De beteekenis 153der woorden moet bepaald worden naar de reden waarom ze gezegd worden, daar de zaak niet van het woord, maar het woord van de zaak moet afhangen ». Dus moet men meer letten op de reden, die den wetgever bewogen heeft, dan op de woorden van de wet.Maar daartegenover staat het gezegde van Hilarius in zijn Boek Over de Drieëenheid (4e B., Nr 14): “De betekenis 153van de woorden moet bepaald worden naar de reden waarom ze gezegd worden, daar de zaak niet van het woord, maar het woord van de zaak moet afhangen”. Dus moet men meer letten op de reden, die de wetgever bewogen heeft, dan op de woorden van de wet.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 90. art. 2.], omnis lex ordinatur ad communem hominum salutem, et intantum obtinet vim et rationem legis. Secundum vero quod ab hoc deficit, virtutem obligandi non habet. Unde Jurisperitus dicit [lib. 1. ff. de Legib. et Senatuscons.] quod « nulla ratio juris aut aequitatis benignitas patitur, ut quae salubriter pro salute hominum introducuntur, ea nos duriori interpretatione contra ipsorum commodum perducamus, ad severitatem ». Contingit autem multoties, quod aliquid observari communi saluti est utile ut in pluribus, quod tamen in aliquibus casibus est maxime nocivum. Quia igitur legislator non potest omnes singulares casus intueri, proponit legem secundum ea, quae in pluribus 154accidunt, ferens intentionem suam ad communem utilitatem. Unde si emergat casus, in quo observatio talis legis sit damnosa communi saluti, non est observanda, sicut si in civitate obsessa statuatur lex quod, portae civitatis maneant clausae, hoc est utile communi saluti ut in pluribus; si tamen contingat casus, quod hostes insequantur aliquos cives, per quos civitas conservatur, damnosissimum esset civitati, nisi eis portae aperirentur, et ideo in tali casu essent portae aperiendae contra verba legis, ut servaretur utilitas communis, quam legislator intendit.
Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (XCe Kw., 2e Art.), is iedere wet geordend tot het algemeen welzijn van de menschen, en slechts in zoover heeft ze kracht en beteekenis van wet. In zoover ze er echter van afwijkt, heeft ze geen bindende kracht. Vandaar zegt de Jurisperitus, dat het strijdt met alle begrip van recht en billijkheid, dat wij die regelingen die vóor het welzijn der menschen zijn ingevoerd, door een te strenge verklaring tegen hun nut in opvoeren tot grootere gestrengheid. Welnu het gebeurt meermalen, dat het in acht nemen van iets over het algemeen nuttig is voor het algemeen welzijn, ofschoon het in enkele gevallen zeer nadeelig is. Daar dus de wetgever niet alle gevallen afzonderlijk kan overzien, stelt hij wetten met betrekking tot die dingen, die gewoonlijk voorkomen, met het doel het algemeen welzijn te bevorderen. Indien er zich dus een geval 154voordoet, waarin de onderhouding van de wet verderfelijk is voor het algemeen welzijn, moet ze niet worden onderhouden; zooals b. v. wanneer in een belegerde stad een wet gemaakt wordt, dat de poorten gesloten moeten blijven, dan is dit voor de meeste gevallen nuttig voor het algemeen welzijn; maar wanneer het moest gebeuren, dat de vijanden enkele burgers achtervolgen waardoor de staat moet gered worden, dan zou het voor den staat allerverderfelijkst zijn, moest men de poorten niet open doen. In zoo een geval moeten de poorten geopend worden, tegen de letter van de wet in, opdat de bedoeling van den wetgever, nl. het algemeen welzijn, behouden blijve.Leerstelling. — Gelijk vroeger gezegd is (90e Kw., 2e Art.), is iedere wet geordend tot het algemeen welzijn van de mensen, en slechts in zover heeft ze kracht en betekenis van wet. In zover ze er echter van afwijkt, heeft ze geen bindende kracht. Vandaar zegt de Jurisperitus, dat het strijdt met alle begrip van recht en billijkheid, dat wij die regelingen die vóor het welzijn van de mensen zijn ingevoerd, door een te strenge verklaring tegen hun nut in opvoeren tot grotere gestrengheid. Welnu het gebeurt meermalen, dat het in acht nemen van iets over het algemeen nuttig is voor het algemeen welzijn, ofschoon het in enkele gevallen zeer nadelig is. Daar dus de wetgever niet alle gevallen afzonderlijk kan overzien, stelt hij wetten met betrekking tot die dingen, die gewoonlijk voorkomen, met het doel het algemeen welzijn te bevorderen. Indien er zich dus een geval 154voordoet, waarin de onderhouding van de wet verderfelijk is voor het algemeen welzijn, moet ze niet worden onderhouden; zoals bv. wanneer in een belegerde stad een wet gemaakt wordt, dat de poorten gesloten moeten blijven, dan is dit voor de meeste gevallen nuttig voor het algemeen welzijn; maar wanneer het moest gebeuren, dat de vijanden enkele burgers achtervolgen waardoor de staat moet gered worden, dan zou het voor de staat allerverderfelijkst zijn, moest men de poorten niet open doen. In zo een geval moeten de poorten geopend worden, tegen de letter van de wet in, opdat de bedoeling van de wetgever, nl. het algemeen welzijn, behouden blijve.
Sed tamen hoc est considerandum, quod si observatio legis secundum verba non habeat subitum periculum, cui oporteat statim occurri, non pertinet ad quemlibet ut interpretetur quid sit utile civitati, et quid inutile civitati, sed hoc solum pertinet ad principes, qui propter hujusmodi casus habent auctoritatem in legibus dispensandi. Si vero sit subitum periculum, non patiens tantam moram ut ad superiorem recurri possit, ipsa necessitas dispensationem habet annexam, quia necessitas non subditur legi.
Maar men moet goed in het oog houden, dat het niet aan iedereen toekomt uit te maken wat voor den staat nuttig is en wat niet. Dit komt alleen toe aan den vorst, die in dergelijke gevallen de macht heeft in de wet te dispenseeren, tenzij de onderhouding van de letter der wet gepaard gaat met een oogenblikkelijk gevaar, waarin men zonder tijdverlies moet handelen. In dergelijk geval, waarin men zich niet tot den overste kan wenden, brengt de noodzakelijkheid zelf de dispensatie met zich mee, omdat de noodzakelijkheid buiten de wet valt.Maar men moet goed in het oog houden, dat het niet aan iedereen toekomt uit te maken wat voor de staat nuttig is en wat niet. Dit komt alleen toe aan de vorst, die in dergelijke gevallen de macht heeft in de wet te dispenseren, tenzij de onderhouding van de letter van de wet gepaard gaat met een ogenblikkelijk gevaar, waarin men zonder tijdverlies moet handelen. In dergelijk geval, waarin men zich niet tot de overste kan wenden, brengt de noodzakelijkheid zelf de dispensatie met zich mee, omdat de noodzakelijkheid buiten de wet valt.
155Ad primum ergo dicendum, quod ille, qui in casu necessitatis agit praeter verba legis, non judicat de ipsa lege, sed judicat de casu singulari in quo videt verba legis observanda non esse.
155Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Iemand die in een geval van noodzakelijkheid buiten de letter van de wet om handelt, oordeelt niet over de wet zelf, maar over een afzonderlijk geval, waarin volgens hem de wet niet behoeft onderhouden te worden.
Ad secundum dicendum, quod ille qui sequitur intentionem legislatoris, non interpretatur legem simpliciter, sed in casu in quo manifestum est per evidentiam documenti 1 legislatorem aliud intendisse. Si enim dubium sit, debet vel secundum verba legis agere, vel superiorem consulere.
2. Wie volgens de bedoeling van den wetgever handelt, geeft niet in het algemeen uitleg van de wet, maar in een bepaald geval, waarin het klaarblijkelijk nadeel vanzelf aanwijst, dat de wetgever het anders heeft bedoeld. Indien er echter twijfel is, moet men ofwel overeenkomstig de letter van de wet handelen, ofwel den overste raadplegen.2. Wie volgens de bedoeling van de wetgever handelt, geeft niet in het algemeen uitleg van de wet, maar in een bepaald geval, waarin het klaarblijkelijk nadeel vanzelf aanwijst, dat de wetgever het anders heeft bedoeld. Indien er echter twijfel is, moet men ofwel overeenkomstig de letter van de wet handelen, ofwel de overste raadplegen.
Ad tertium dicendum, quod nullius hominis sapientia tanta est, ut possit omnes singulares casus excogitare, et ideo non potest sufficienter per verba sua exprimere ea, quae conveniunt ad finem intentum; et si posset legislator omnes casus considerare, non oportet ut omnes exprimeret, propter confusionem vitandam, sed legem ferre deberet secundum ea, quae in pluribus accidunt.
3. Geen enkel mensch is zóó verstandig, dat hij alle afzonderlijke gevallen kan uitdenken. Daarom kan hij door zijn woorden niet voldoende uitdrukken wat hij beoogt. En ook wanneer een wetgever alle gevallen zou kunnen overwegen, dan nog zou hij niet alle gevallen moeten uitdrukken, om verwarring te vermijden. Hij moet echter wetten maken naar die gevallen die gewoonlijk voorkomen.3. Geen enkel mens is zó verstandig, dat hij alle afzonderlijke gevallen kan uitdenken. Daarom kan hij door zijn woorden niet voldoende uitdrukken wat hij beoogt. En ook wanneer een wetgever alle gevallen zou kunnen overwegen, dan nog zou hij niet alle gevallen moeten uitdrukken, om verwarring te vermijden. Hij moet echter wetten maken naar die gevallen die gewoonlijk voorkomen.