Theologische Summa · Prima Secundae · De eeuwige wet, de natuurwet en de menschelijke wetDe eeuwige wet, de natuurwet en de menselijke wetSumma · I-II · De eeuwige wet, de natuurwet en de menschelijke wetDe eeuwige wet, de natuurwet en de menselijke wetSumma · I-II · Kw. 95Kw. 95
Quaestio XCV

De lege humana

Kwestie 95

Over de menschelijke wetOver de menselijke wet

(Vier Artikelen)

108Deinde considerandum est de lege humana, et primo quidem de ipsa lege secundum se; secundo de potestate ejus; tertio de ejus mutabilitate. Et circa primum quaeruntur quatuor : 1. De utilitate ipsius. — 1. De origine ejus. — 3. De qualitate ipsius. — 4. De divisione ejusdem.

108Na de natuurwet moeten we onze aandacht wijden aan de menschelijke wet. Op de eerste plaats aan de menschelijke wet, op zich zelf beschouwd; vervolgens aan de bevoegdheid van de menschelijke wet, en op de derde plaats aan hare veranderlijkheid. Met betrekking tot de menschelijke wet zelf, stellen we vier vragen : 1) Over het nut van de menschelijke wet. 2) Over den oorsprong er van. 3) Over de kwaliteiten er van. 4) Over de verdeeling er van.108Na de natuurwet moeten we onze aandacht wijden aan de menselijke wet. Op de eerste plaats aan de menselijke wet, op zichzelf beschouwd; vervolgens aan de bevoegdheid van de menselijke wet, en op de derde plaats aan haar veranderlijkheid. Met betrekking tot de menselijke wet zelf, stellen we vier vragen: 1. Over het nut van de menselijke wet. 2. Over de oorsprong er van. 3. Over de kwaliteiten er van. 4. Over de verdeling er van.

Articulus I

Utrum fuerit utile aliquas leges poni ab hominibus

[Supr. q. 91. art. 3. et 2. Dst. 9. art. 3. corp. ad 2. et ad 5. et 3. Dst. 40. art. 2.].
Ie Artikel

Is het nuttig, dat er door de menschen wetten gemaakt worden?Is het nuttig, dat er door de mensen wetten gemaakt worden?

antwoord 1 ↓

109Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non fuerit utile aliquas leges poni ab hominibus : intentio enim cujuslibet legis est, ut per eam homines fiant boni, sicut supra dictum est [q. 92. art. 1.] ; sed homines magis inducuntur ad bonum voluntarii per monitiones quam coacti per leges; ergo non fuit necessarium leges ponere.

109Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet nuttig is, dat er door de menschen wetten gemaakt worden. — 1. Immers de bedoeling van iedere wet is de menschen goed te maken, zooals hierboven gezegd is (XCIIe Kw., Ie Art.). Welnu de menschen worden gemakkelijker vrijwillig tot het goede aangespoord door vermaningen, dan gedwongen door wetten. Dus is het niet nuttig dat er wetten gemaakt worden.109Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet nuttig is, dat er door de mensen wetten gemaakt worden. — 1. Immers de bedoeling van iedere wet is de mensen goed te maken, zoals hierboven gezegd is (92e Kw., 1e Art.). Welnu de mensen worden gemakkelijker vrijwillig tot het goede aangespoord door vermaningen, dan gedwongen door wetten. Dus is het niet nuttig dat er wetten gemaakt worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut dicit Philosophus in 5. Eth. [cap. 4.], « ad judicem confugiunt homines, sicut ad justum animatum ». Sed justitia animata est melior, quam inanimata, quae legibus continetur; ergo melius fuisset, ut executio justitiae committeretur arbitrio judicum quam quod super hoc lex aliqua conderetur.

2. De Wijsgeer zegt in het Ve Boek zijner Ethica (IVe H., Nr 7), dat de menschen tot den rechter hun toevlucht nemen, als tot het levende recht. Welnu de levende gerechtigheid is beter dan de doode, die door de wetten uitgedrukt wordt. Dus was het beter geweest, dat de uitvoering van de gerechtigheid geschiedde door het oordeel van rechters, dan dat er wetten gemaakt werden.2. De Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (4e H., Nr 7), dat de mensen tot de rechter hun toevlucht nemen, als tot het levende recht. Welnu de levende gerechtigheid is beter dan de dode, die door de wetten uitgedrukt wordt. Dus was het beter geweest, dat de uitvoering van de gerechtigheid geschiedde door het oordeel van rechters, dan dat er wetten gemaakt werden.

antwoord 3 ↓

1103. Praeterea, lex omnis directiva est actuum humanorum, ut ex supradictis patet [q. 90. art. 1. et 2.] ; sed cum humani actus consistant in singularibus, quae sunt infinita, non possunt ea, quae ad directionem humanorum actuum pertinent, sufficienter considerari nisi ab aliquo sapiente, qui inspiciat singula; ergo melius fuisset arbitrio sapientum dirigi actus humanos, quam aliqua lege posita; ergo non fuit necessarium leges humanas ponere.

1103. Iedere wet regelt de menschelijke daden, zooals uit het hierboven gezegde blijkt (XCe Kw., Ie en 2e Art.). Maar daar de menschelijke daden gaan over afzonderlijke gevallen, die oneindig in aantal zijn, kunnen die dingen, die dienen om de menschelijke daden te regelen, niet voldoende overwogen worden, tenzij door een wijs man, die de afzonderlijke gevallen nagaat. Dus was het beter geweest, dat de daden geregeld werden door het oordeel van wijze menschen, dan door een of andere wet. Het is dus niet noodzakelijk dat er menschelijke wetten gemaakt worden.1103. Iedere wet regelt de menselijke daden, zoals uit het hierboven gezegde blijkt (90e Kw., 1e en 2e Art.). Maar daar de menselijke daden gaan over afzonderlijke gevallen, die oneindig in aantal zijn, kunnen die dingen, die dienen om de menselijke daden te regelen, niet voldoende overwogen worden, tenzij door een wijs man, die de afzonderlijke gevallen nagaat. Dus was het beter geweest, dat de daden geregeld werden door het oordeel van wijze mensen, dan door een of andere wet. Het is dus niet noodzakelijk dat er menselijke wetten gemaakt worden.

Sed contra est, quod Isidorus dicit in lib. 5. Etymol. [cap. 20.] : « Factae sunt leges, ut earum metu humana coerceretur audacia, tutaque sit inter improbos innocentia, et in ipsis improbis formidato supplicio refraenetur nocendi facultas ». Sed haec sunt necessaria maxime humano generi; ergo necessarium fuit ponere leges humanas.

Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in het Ve Boek van zijn Etymologieën (XXe H.) : « De wetten zijn gemaakt, opdat door de vrees er voor de driestheid der menschen zou bedwongen worden, zoodat de onschuld veilig zij onder de slechten, en door vrees voor straf, de slechten geremd worden in hun macht om nadeel toe te brengen ». Welnu deze dingen zijn volstrekt noodig onder de menschen. Dus is het noodig dat er menschelijke wetten gemaakt worden.Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in het 5e Boek van zijn Etymologieën (20e H.): “De wetten zijn gemaakt, opdat door de vrees er voor de driestheid van de mensen zou bedwongen worden, zodat de onschuld veilig zij onder de slechten, en door vrees voor straf, de slechten geremd worden in hun macht om nadeel toe te brengen”. Welnu deze dingen zijn volstrekt nodig onder de mensen. Dus is het nodig dat er menselijke wetten gemaakt worden.

Respondeo dicendum, quod sicut ex supradictis patet [q. 63. art. 1.], homini naturaliter inest quaedam aptitudo ad virtutem; sed ipsa virtutis 111perfectio necesse est quod homini adveniat per aliquam disciplinam, sicut etiam videmus, quod per aliquam industriam subvenitur homini in suis necessitatibus, puta in cibo et vestitu, quorum initia quaedam habet a natura, scilicet rationem et manus, non autem ipsum complementum, sicut caetera animalia, quibus natura dedit sufficienter tegumentum et cibum.

Leerstelling. — Zooals hierboven gezegd is (LXIIIe Kw., Ie Art.), is er in den mensch van nature een neiging tot de deugd, 111maar de volmaaktheid der deugd bereikt de mensch slechts door tucht, zooals we ook zien, dat de mensch door vinding voorzien wordt in zijn noodzakelijke behoeften, b. v. in spijs en kleeding, waarvoor hij de beginselen van nature heeft, nl. zijn verstand en zijn handen, niet echter de volmaking, zooals de overige dieren, waaraan de natuur voldoende dekking en voedsel gegeven heeft.Leerstelling. — Zoals hierboven gezegd is (63e Kw., 1e Art.), is er in de mens van nature een neiging tot de deugd, 111maar de volmaaktheid van de deugd bereikt de mens slechts door tucht, zoals we ook zien, dat de mens door vinding voorzien wordt in zijn noodzakelijke behoeften, bv. in spijs en kleding, waarvoor hij de beginselen van nature heeft, nl. zijn verstand en zijn handen, niet echter de volmaking, zoals de overige dieren, waaraan de natuur voldoende dekking en voedsel gegeven heeft.

Ad hanc autem disciplinam non de facili invenitur homo sibi sufficiens, quia perfectio virtutis praecipue consistit in retrahendo hominem ab indebitis delectationibus, ad quas praecipue homines sunt proni, et maxime juvenes, circa quos est efficacior disciplina. Et ideo oportet, quod hujusmodi disciplinam, per quam ad virtutem perveniatur, homines ab alio sortiantur. Et quidem quantum ad illos juvenes, qui sunt proni ad actus virtutum ex bona dispositione naturae, vel consuetudine, vel magis divino munere, sufficit disciplina paterna, quae est per monitiones. Sed quia inveniuntur quidam protervi et ad vitia proni, qui verbis de facili moveri non possunt, necessarium fuit quod per vim vel metum cohiberentur a malo, ut saltem sic 112malefacere desistentes, et aliis quietam vitam redderent, et ipsi tandem per hujusmodi assuetudinem ad hoc perducerentur, quod voluntarie facerent, quae prius metu implebant, et sic fierent virtuosi. Hujusmodi autem disciplina, cogens metu poenae, est disciplina legum. Unde necessarium fuit ad pacem hominum et virtutem, quod leges ponerentur, quia, sicut Philosophus dicit in 1. Politic. [cap. 2.], sicut homo si sit perfectus virtute, est optimum animalium, sic si sit separatus a lege et justitia, est pessimum omnium, quia homo habet arma rationis ad explendas concupiscentias et saevitias, quae non habent alia animalia.

Deze tucht kan de mensch zich zelf niet gemakkelijk opleggen, daar de volmaaktheid der deugd voornamelijk bestaat in het afhouden van den mensch van ongeoorloofde genoegens, waartoe hij vooral geneigd is, het meest in de jongelingsjaren, waarin hij dan ook een strengere tucht noodig heeft. Daarom moet de tucht, waardoor de menschen tot de deugd geleid worden, door anderen worden opgelegd. Voor jongelieden, die tot de deugd geneigd zijn krachtens een goede gesteltenis van de natuur, of door gewoonte, of meer door Gods genade, is de vaderlijke tucht voldoende, die bestaat uit raadgevingen. Maar de weerbarstige jongelieden, die tot verkeerde daden geneigd zijn en niet gemakkelijk door woorden te overreden zijn, moeten met geweld, of door vrees, van het kwaad afgehouden worden, opdat zij 112tenminste daardoor het kwade niet meer zouden bedrijven en anderen met rust laten, totdat ze ten slotte zoover komen, dat ze uit hun eigen doen, wet ze tevoren uit vrees deden, en deugdzaam worden. Dergelijke tucht, die dwingt door vrees voor straf, is de tucht van de wet. Vandaar is het voor den vrede en de deugd der menschen noodig, dat er wetten gemaakt worden, daar volgens het gezegde van den Wijsgeer in het Ie Boek zijner Politiek (IIe H., Nr 12), de mensch het beste van alle dieren is, zoo hij vervolmaakt is door de deugd, gelijk hij het slechtste van alle is, zonder wet en gerechtigheid, want hij heeft het wapen van zijn verstand, om zijn verkeerde neigingen en zijn wreedaardige inborst bot te vieren, wat de overige dieren niet hebben.Deze tucht kan de mens zichzelf niet gemakkelijk opleggen, daar de volmaaktheid van de deugd voornamelijk bestaat in het afhouden van de mens van ongeoorloofde genoegens, waartoe hij vooral geneigd is, het meest in de jongelingsjaren, waarin hij dan ook een strengere tucht nodig heeft. Daarom moet de tucht, waardoor de mensen tot de deugd geleid worden, door anderen worden opgelegd. Voor jongelieden, die tot de deugd geneigd zijn krachtens een goede gesteltenis van de natuur, of door gewoonte, of meer door Gods genade, is de vaderlijke tucht voldoende, die bestaat uit raadgevingen. Maar de weerbarstige jongelieden, die tot verkeerde daden geneigd zijn en niet gemakkelijk door woorden te overreden zijn, moeten met geweld, of door vrees, van het kwaad afgehouden worden, opdat zij 112tenminste daardoor het kwade niet meer zouden bedrijven en anderen met rust laten, totdat ze ten slotte zover komen, dat ze uit hun eigen doen, wet ze tevoren uit vrees deden, en deugdzaam worden. Dergelijke tucht, die dwingt door vrees voor straf, is de tucht van de wet. Vandaar is het voor de vrede en de deugd van de mensen nodig, dat er wetten gemaakt worden, daar volgens het gezegde van de Wijsgeer in het 1e Boek van zijn Politiek (2e H., Nr 12), de mens het beste van alle dieren is, zo hij vervolmaakt is door de deugd, gelijk hij het slechtste van alle is, zonder wet en gerechtigheid, want hij heeft het wapen van zijn verstand, om zijn verkeerde neigingen en zijn wreedaardige inborst bot te vieren, wat de overige dieren niet hebben.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod homines bene dispositi melius inducuntur ad virtutem monitionibus voluntariis, quam coactione; sed quidam male dispositio non ducuntur ad virtutem, nisi cogantur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Menschen met een goede gesteltenis worden gemakkelijker tot de deugd gebracht door raadgevingen, die een beroep doen op hun wil, dan door dwang; maar zij, die een slechte gesteltenis bezitten, worden niet tot de deugd gebracht tenzij door dwang.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Mensen met een goede gesteltenis worden gemakkelijker tot de deugd gebracht door raadgevingen, die een beroep doen op hun wil, dan door dwang; maar zij, die een slechte gesteltenis bezitten, worden niet tot de deugd gebracht tenzij door dwang.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut Philosophus dicit 1. Rhet. [cap. 1.], melius est omnia ordinari lege, quam dimittere judicum arbitrio. 113Et hoc propter tria : primo quidem, quia facilius est invenire paucos sapientes, qui sufficiant ad rectas leges ponendas, quam multos, qui requirerentur ad recte judicandum de singulis. Secundo, quia illi qui leges ponunt, ex multo tempore considerant, quid lege ferendum sit; sed judicia de singularibus factis fiunt ex casibus subito exortis. Facilius autem ex multis consideratis, potest homo videre, quid rectum sit, quam solum ex aliquo uno facto. Tertio, quia legislatores judicant in universali, et de futuris, sed homines judiciis praesidentes judicant de praesentibus, ad quae afficiuntur amore vel odio aut aliqua cupiditate, et sic eorum depravatur judicium. Quia ergo justitia animata judicis non invenitur in multis, et quia flexibilis est, ideo necessarium fuit, in quibuscumque est possibile, legem determinare, quid judicandum sit, et paucissima arbitrio hominum committere.

2. De Wijsgeer zegt in het Ie Boek der Rhetorica (Ie H., Nr 7) : « Het is beter, dat alles door de wet geregeld wordt, dan 113dat het overgelaten wordt aan het oordeel van rechters ». En dit om drie redenen : ten eerste, omdat het gemakkelijker is weinige wijze lieden te vinden, noodig om goede wetten te maken, dan vele, die noodig zijn om goed te oordeelen over de afzonderlijke gevallen. Ten tweede, omdat zij, die de wetten maken, langen tijd overwegen, wat door de wetten bepaald moet worden, terwijl de oordeelen over afzonderlijke gevallen geveld worden naar aanleiding van plotseling voorkomende gevallen. Gemakkelijker toch kan de mensch uit veel overwogen gevallen zien, wat rechtvaardig is, dan uit een enkel geval. Ten derde, omdat de wetgevers in het algemeen en over de toekomst oordeelen, terwijl de menschen, die rechtszittingen leiden, oordeelen over het tegenwoordige, waarbij ze beïnvloed worden door sympathie en antipathie, of hebzucht, en zoo onrechtvaardig oordeelen. Daar dus het levende recht van den rechter niet bij velen gevonden wordt en omdat het van den rechten weg kan afwijken, daarom is het noodzakelijk zooveel mogelijk door wetten vast te leggen, wat geoordeeld moet worden, en zoo weinig mogelijk aan het oordeel der menschen over te laten.2. De Wijsgeer zegt in het 1e Boek van de Rhetorica (1e H., Nr 7): “Het is beter, dat alles door de wet geregeld wordt, dan 113dat het overgelaten wordt aan het oordeel van rechters”. En dit om drie redenen: ten eerste, omdat het gemakkelijker is weinige wijze lieden te vinden, nodig om goede wetten te maken, dan vele, die nodig zijn om goed te oordelen over de afzonderlijke gevallen. Ten tweede, omdat zij, die de wetten maken, langen tijd overwegen, wat door de wetten bepaald moet worden, terwijl de oordelen over afzonderlijke gevallen geveld worden naar aanleiding van plotseling voorkomende gevallen. Gemakkelijker toch kan de mens uit veel overwogen gevallen zien, wat rechtvaardig is, dan uit een enkel geval. Ten derde, omdat de wetgevers in het algemeen en over de toekomst oordelen, terwijl de mensen, die rechtszittingen leiden, oordelen over het tegenwoordige, waarbij ze beïnvloed worden door sympathie en antipathie, of hebzucht, en zo onrechtvaardig oordelen. Daar dus het levende recht van de rechter niet bij velen gevonden wordt en omdat het van de rechte weg kan afwijken, daarom is het noodzakelijk zoveel mogelijk door wetten vast te leggen, wat geoordeeld moet worden, en zo weinig mogelijk aan het oordeel van de mensen over te laten.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quaedam singularia, quae non possunt lege comprehendi, necesse est committere judicibus, ut ibidem Philosophus dicit 114[loc. cit.], puta de eo quod est factum esse vel non esse, et de aliis hujusmodi.

3. Sommige gevallen, die niet door de wet omschreven kunnen worden, moeten aan het oordeel van de rechters overgelaten 114worden, zooals de Wijsgeer ook zegt (t. a. pl., Nr 8), b. v. of iets gebeurd is of niet, en dergelijke.3. Sommige gevallen, die niet door de wet omschreven kunnen worden, moeten aan het oordeel van de rechters overgelaten 114worden, zoals de Wijsgeer ook zegt (t.a.p., Nr 8), bv. of iets gebeurd is of niet, en dergelijke.

Articulus II

Utrum omnis lex humanitus posita a lege naturali derivetur

[Lib. 3. Contr. g. cap. 123.].
IIe Artikel

Is iedere wet, door menschen gemaakt, van de natuurwet afgeleid?Is iedere wet, door mensen gemaakt, van de natuurwet afgeleid?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non omnis lex humanitus posita a lege naturali derivetur : dicit enim Philosophus in 5. Ethicor. [cap. 7.], quod « justum legale est, quod principio quidem nihil differt, utrum sic, vel aliter fiat ». Sed in his, quae oriuntur ex lege naturali, differt, utrum sic, vel aliter fiat; ergo ea quae sunt legibus humanis statuta, non omnia derivantur a lege naturae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere wet, door menschen gemaakt, van de natuurwet is afgeleid. — 1. Immers, de Wijsgeer zegt in het Ve Boek zijner Ethica (VIIe H., Nr 1) : « Het wettelijke recht is datgene, wat te voren zoowel zus als zoo kon zijn ». Maar wat uit de natuurwet voortkomt, kon tevoren niet zoowel zus als zoo zijn. Dus is niet alles wat door menschelijke wetten vastgesteld is, van de natuurwet afgeleid.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere wet, door mensen gemaakt, van de natuurwet is afgeleid. — 1. Immers, de Wijsgeer zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (7e H., Nr 1): “Het wettelijke recht is datgene, wat te voren zowel zus als zo kon zijn”. Maar wat uit de natuurwet voortkomt, kon tevoren niet zowel zus als zo zijn. Dus is niet alles wat door menselijke wetten vastgesteld is, van de natuurwet afgeleid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, jus positivum dividitur contra jus naturale, ut patet per Isidorum in libro 5. Etymol. [cap. 4.], et per Philosophum in 5. Ethicor. 115[loc. cit.] ; sed ea, quae derivantur a principiis communibus legis naturae, sicut conclusiones, pertinent ad legem naturae, ut supra dictum est [q. praec. art. 4.] ; ergo ea, quae sunt de lege humana, non derivantur a lege naturae.

2. Het positief recht is tegengesteld aan het natuurrecht, zooals Isidorus bewijst in het Ve Boek zijner Etymologieën (IVe H.), en ook de Wijsgeer in het Ve Boek zijner Ethica (t. a. pl.). Welnu 115die dingen, die bij wijze van gevolgtrekkingen afgeleid worden van de algemeene beginselen van de natuurwet, behooren tot de natuurwet, zooals hierboven gezegd is (XCIVe Kw., 4e Art.). Dus zijn de wetten door menschen gemaakt, niet van de natuurwet afgeleid.2. Het positief recht is tegengesteld aan het natuurrecht, zoals Isidorus bewijst in het 5e Boek van zijn Etymologieën (4e H.), en ook de Wijsgeer in het 5e Boek van zijn Ethica (t.a.p.). Welnu 115die dingen, die bij wijze van gevolgtrekkingen afgeleid worden van de algemene beginselen van de natuurwet, behoren tot de natuurwet, zoals hierboven gezegd is (94e Kw., 4e Art.). Dus zijn de wetten door mensen gemaakt, niet van de natuurwet afgeleid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex naturae est eadem apud omnes : dicit enim Philosophus in 5. Ethic. [cap. 7.], quod naturale jus est, quod ubique habet eamdem potentiam; si igitur leges humanae a naturali lege deriventur, sequerentur etiam quod ipsae essent eaedem apud omnes, quod patet esse falsum.

3. De natuurwet is voor allen dezelfde. De Wijsgeer immers zegt in het Ve Boek van zijn Ethica (t. a. pl.) : « Het natuurrecht heeft overal dezelfde kracht. » Indien dus de menschelijke wetten van de natuurwet zouden afgeleid zijn, dan zou ook volgen, dat zij voor allen dezelfde zouden zijn, wat valsch is.3. De natuurwet is voor allen dezelfde. De Wijsgeer immers zegt in het 5e Boek van zijn Ethica (t.a.p.): “Het natuurrecht heeft overal dezelfde kracht.” Indien dus de menselijke wetten van de natuurwet zouden afgeleid zijn, dan zou ook volgen, dat zij voor allen dezelfde zouden zijn, wat vals is.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, eorum, quae a lege naturali derivantur, potest aliqua ratio assignari; sed non omnium, quae a majoribus lege statuta sunt, ratio reddi potest, ut Jurisperitus dicit [lib. 1. ff. de Legib. et Senatuscons.] ; ergo non omnes leges humanae derivantur a lege naturali.

4. Van die dingen, die van de natuurwet zijn afgeleid, kan een reden aangegeven worden. Maar niet van alles, wat door de ouderen bij wijze van wet is vastgesteld, kan een reden aangegeven worden, zooals de Jurisperitus zegt. Dus zijn niet alle menschelijke wetten van de natuurwet afgeleid.4. Van die dingen, die van de natuurwet zijn afgeleid, kan een reden aangegeven worden. Maar niet van alles, wat door de ouderen bij wijze van wet is vastgesteld, kan een reden aangegeven worden, zoals de Jurisperitus zegt. Dus zijn niet alle menselijke wetten van de natuurwet afgeleid.

Sed contra est, quod Tullius dicit in sua Rhetor. [lib. 2. cap. 53] : « Res a natura profectas, et a consuetudine probatas, legum metus et religio sanxit. »

Maar daartegenover staat het gezegde van Tullius in zijn Rhetorica (IIe B., LIIIe H.) : « De wetten en de godsdienst hebben sanctie gegeven aan die dingen, die van de natuur voortkomen en door de gewoonte kracht hebben gekregen. »Maar daartegenover staat het gezegde van Tullius in zijn Rhetorica (2e B., 53e H.): “De wetten en de godsdienst hebben sanctie gegeven aan die dingen, die van de natuur voortkomen en door de gewoonte kracht hebben gekregen.”

116Respondeo dicendum, quod, sicut Augustinus dicit in 1. de Lib. Arb. [cap. 5.], non videtur esse lex, quae justa non fuerit; unde inquantum habet de justitia, intantum habet de virtute legis.

116Leerstelling. — Volgens Augustinus (Over den vrijen Wil, Ie B., Ve H.) is datgene, wat niet rechtmatig is, geen wet. Vandaar heeft iets slechts in zoover kracht van wet, als het rechtvaardig is.116Leerstelling. — Volgens Augustinus (Over de vrije Wil, 1e B., 5e H.) is datgene, wat niet rechtmatig is, geen wet. Vandaar heeft iets slechts in zover kracht van wet, als het rechtvaardig is.

In rebus autem humanis dicitur esse aliquid justum ex eo quod est rectum secundum regulam rationis; rationis autem prima regula est lex naturae, ut ex supradictis patet [q. 91, art. 2. ad 2.]. Unde omnis lex humanitus posita intantum habet de ratione legis, inquantum a lege naturae derivatur. Si vero in aliquo a lege naturali discordet, jam non erit lex, sed legis corruptio.

Met betrekking tot de menschelijke dingen wordt iets rechtmatig genoemd, voorzoover het rechtgeordend is, overeenkomstig den maatstaf van de rede. De allereerste maatstaf nu van de rede is de natuurwet, zooals uit het hierboven gezegde blijkt (XCIe Kw., 2e Art., Antw. op de 2e Bed.). Vandaar heeft een menschelijke wet slechts in zoover kracht van wet, als ze van de natuurwet afgeleid is. Indien zij echter in iets van de natuurwet afwijkt, is ze geen wet meer, maar een vernietiging van de wet.Met betrekking tot de menselijke dingen wordt iets rechtmatig genoemd, voorzover het rechtgeordend is, overeenkomstig de maatstaf van de rede. De allereerste maatstaf nu van de rede is de natuurwet, zoals uit het hierboven gezegde blijkt (91e Kw., 2e Art., Antw. op de 2e Bed.). Vandaar heeft een menselijke wet slechts in zover kracht van wet, als ze van de natuurwet afgeleid is. Indien zij echter in iets van de natuurwet afwijkt, is ze geen wet meer, maar een vernietiging van de wet.

Sed sciendum est, quod a lege naturali dupliciter, potest aliquid derivari : uno modo sicut conclusiones ex principiis; alio modo, sicut determinationes quaedam aliquorum communium. Primus quidem modus similis est ei, quo in scientiis ex principiis conclusiones demonstrativae producuntur. Secundo vero modo simile est, quod in artibus formae communes determinantur ad aliquid speciale, sicut artifex formam communem domus necesse est quod determinet ad hanc vel illam domus figuram.

Nu moet men in het oog houden, dat iets op twee manieren van de natuurwet kan worden afgeleid: ten eerste, als een gevolgtrekking uit algemeene beginselen; ten tweede, als een nadere bepaling van iets meer algemeens. De eerste manier is hetzelfde als waarop in de beschouwende wetenschap uit de beginselen nadere gevolgtrekkingen worden afgeleid. De tweede manier echter is hetzelfde, als waarop in de kunst algemeene concepten tot iets bepaalds omschreven worden, als b. v. een kunstenaar het 117algemeen concept van huis nader moet bepalen tot dit of dat concept van een huis.Nu moet men in het oog houden, dat iets op twee manieren van de natuurwet kan worden afgeleid: ten eerste, als een gevolgtrekking uit algemene beginselen; ten tweede, als een nadere bepaling van iets meer algemeens. De eerste manier is hetzelfde als waarop in de beschouwende wetenschap uit de beginselen nadere gevolgtrekkingen worden afgeleid. De tweede manier echter is hetzelfde, als waarop in de kunst algemene concepten tot iets bepaalds omschreven worden, als bv. een kunstenaar het 117algemeen concept van huis nader moet bepalen tot dit of dat concept van een huis.

117Derivantur ergo quaedam a principiis communibus legis naturae per modum conclusionum, sicut hoc quod est non esse occidendum, ut conclusio quaedam derivari potest ab eo quod est nulli esse faciendum malum. Quaedam vero per modum determinationis, sicut lex naturae habet, quod ille qui peccat puniatur; sed quod tali poena, vel tali, puniantur, hoc est quaedam determinatio legis naturae.

Van de algemeene beginselen der natuurwet worden dus sommige wetten afgeleid bij wijze van gevolgtrekkingen, zooals b. v.: Men mag niet doodslaan, als een gevolgtrekking afgeleid kan worden van : Men mag iemand geen kwaad doen. Andere wetten worden van de algemeene beginselen van de natuurwet afgeleid bij wijze van nadere bepalingen : zoo zegt b. v. de natuurwet, dat iemand, die zondigt, gestraft moet worden. Maar dat hij met die of die straf gestraft moet worden, is een nadere bepaling van de natuurwet.Van de algemene beginselen van de natuurwet worden dus sommige wetten afgeleid bij wijze van gevolgtrekkingen, zoals bv.: Men mag niet doodslaan, als een gevolgtrekking afgeleid kan worden van: Men mag iemand geen kwaad doen. Andere wetten worden van de algemene beginselen van de natuurwet afgeleid bij wijze van nadere bepalingen: zo zegt bv. de natuurwet, dat iemand, die zondigt, gestraft moet worden. Maar dat hij met die of die straf gestraft moet worden, is een nadere bepaling van de natuurwet.

Utraque igitur inveniuntur in lege humana posita; sed ea, quae sunt primi modi, continentur in lege humana, non tamquam sint solum lege posita, sed habent etiam aliquid vigoris ex lege naturali. Sed ea, quae sunt secundi modi, ex sola lege humana vigorem habent.

Beide worden in de menschelijke wet gevonden. Maar de bepalingen, die op de eerste manier afgeleid zijn, ontleenen hun kracht niet alleen aan de menschelijke wet, maar ook eenigszins aan de natuurwet. Maar die bepalingen, die op de tweede manier afgeleid zijn, ontleenen hun kracht alleen aan de menschelijke wet.Beide worden in de menselijke wet gevonden. Maar de bepalingen, die op de eerste manier afgeleid zijn, ontlenen hun kracht niet alleen aan de menselijke wet, maar ook enigszins aan de natuurwet. Maar die bepalingen, die op de tweede manier afgeleid zijn, ontlenen hun kracht alleen aan de menselijke wet.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Philosophus loquitur de illis, quae sunt lege posita per determinationem vel specificationem quamdam praeceptorum legis naturae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Wijsgeer spreekt alleen over die bepalingen, die door nadere bepaling of specificeering van de voorschriften van de natuurwet zijn afgeleid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Wijsgeer spreekt alleen over die bepalingen, die door nadere bepaling of specificering van de voorschriften van de natuurwet zijn afgeleid.

↑ bedenking 2

118Ad secundum dicendum, quod ratio illa procedit de his, quae derivantur a lege naturae, tamquam conclusiones.

1182. Die redeneering gaat uit van die voorschriften, die van de natuurwet afgeleid zijn bij wijze van gevolgtrekkingen.1182. Die redenering gaat uit van die voorschriften, die van de natuurwet afgeleid zijn bij wijze van gevolgtrekkingen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod principia communia legis naturae non eodem modo applicari possunt omnibus, propter multam varietatem rerum humanarum. Et ex hoc provenit diversitas legis positivae apud diversos.

3. De algemeene beginselen van de natuurwet kunnen om de groote verscheidenheid der menschelijke omstandigheden niet op allen gelijk worden toegepast. Hieruit komt het verschil in de positieve wetten bij verschillende volkeren voort.3. De algemene beginselen van de natuurwet kunnen om de grote verscheidenheid van de menselijke omstandigheden niet op allen gelijk worden toegepast. Hieruit komt het verschil in de positieve wetten bij verschillende volkeren voort.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod verbum illud Jurisperiti intelligendum est in his, quae introducta sunt a majoribus circa particulares determinationes legis naturalis; ad quas quidem determinationes se habet expertorum, et prudentum judicium sicut ad quaedam principia, inquantum scilicet statim vident, quid congruentius sit particulariter determinandum. Unde Philosophus dicit in 6 Ethicor. [cap. 11.], quod in talibus oportet attendere judicium expertorum et seniorum vel prudentum indemonstrabilibus enuntiationibus et opinionibus, non minus quam demonstrationibus.

4. Die woorden van den Jurisperitus moeten met betrekking tot die dingen verstaan worden, die door de Ouderen ingevoerd zijn als bijzondere bepalingen van de natuurwet, tot welke bepalingen het oordeel van bestudeerden en voorzichtigen zich verhoudt als tot sommige beginselen, voor zoover zij nl. terstond zien wat meer passend is om bijzonder bepaald te worden. Vandaar zegt de Wijsgeer in het VIe Boek van zijn Ethica (XIe H., Nr 6), dat met betrekking tot die zaken, men niet minder gewicht moet hechten aan het oordeel van ervaren en bejaarde mannen, of aan onbewijsbare oordeelen en meeningen van bezonnen mannen, dan aan bewijsvoeringen.4. Die woorden van de Jurisperitus moeten met betrekking tot die dingen verstaan worden, die door de Ouderen ingevoerd zijn als bijzondere bepalingen van de natuurwet, tot welke bepalingen het oordeel van bestudeerden en voorzichtigen zich verhoudt als tot sommige beginselen, voor zover zij nl. terstond zien wat meer passend is om bijzonder bepaald te worden. Vandaar zegt de Wijsgeer in het 6e Boek van zijn Ethica (11e H., Nr 6), dat met betrekking tot die zaken, men niet minder gewicht moet hechten aan het oordeel van ervaren en bejaarde mannen, of aan onbewijsbare oordelen en meningen van bezonnen mannen, dan aan bewijsvoeringen.

Articulus III

Utrum Isidorus convenienter qualitatem legis positivae describat

IIIe Artikel

Is de opgave van Isidorus over de hoedanigheden van de positieve wet juist?

antwoord 1 ↓

119Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod Isidorus inconvenienter qualitatem legis positivae describat, dicens [lib. 5. Etymolog. cap. 21.] : « Erit lex honesta, justa, possibilis, secundum naturam, secundum consuetudinem patriae, loco temporique conveniens, necessaria, utilis; manifesta quoque, ne aliquid per obscuritatem in captione contineat, nullo privato commodo, sed pro communi utilitate civium scripta. » Supra enim [cap. 12.], in tribus conditionibus qualitatem legis explicaverat, dicens : « Lex erit omne, quod ratione constiterit, dumtaxat quod religioni congruat, quod disciplinae conveniat, quod saluti proficiat. » Ergo superflue postmodum conditiones legis multiplicat.

119Bedenkingen. — Men beweert, dat de opgave van Isidorus in het Ve Boek van zijn Etymologieën (XXIe H.) over de hoedanigheden van de positieve wet, niet juist is. Zij luidt : « De wet moet eervol zijn, rechtvaardig, mogelijk, overeenkomstig de natuur, volgens de gebruiken van het land, aangepast aan plaats en tijd, noodig, nuttig, duidelijk, opdat iemand door de onduidelijkheid er van niet in dwaling verkeere, en niet voorgeschreven voor private belangen, maar voor het algemeen belang der burgers ». — 1. Te voren immers (t. a. pl., XIIe H.), zet hij de hoedanigheden van de wet uiteen in drie voorwaarden, nl. : « De wet moet beantwoorden aan datgene wat de rede bepaalt, op voorwaarde dat het overeenkomt met den godsdienst, met de tucht en met het welzijn der burgers ». Al de overige voorwaarden zijn dus overbodig.119Bedenkingen. — Men beweert, dat de opgave van Isidorus in het 5e Boek van zijn Etymologieën (21e H.) over de hoedanigheden van de positieve wet, niet juist is. Zij luidt: “De wet moet eervol zijn, rechtvaardig, mogelijk, overeenkomstig de natuur, volgens de gebruiken van het land, aangepast aan plaats en tijd, nodig, nuttig, duidelijk, opdat iemand door de onduidelijkheid er van niet in dwaling verkere, en niet voorgeschreven voor private belangen, maar voor het algemeen belang van de burgers”. — 1. Te voren immers (t.a.p., 12e H.), zet hij de hoedanigheden van de wet uiteen in drie voorwaarden, nl.: “De wet moet beantwoorden aan datgene wat de rede bepaalt, op voorwaarde dat het overeenkomt met de godsdienst, met de tucht en met het welzijn van de burgers”. Al de overige voorwaarden zijn dus overbodig.

antwoord 2 ↓

1202. Praeterea, justitia est pars honestatis, ut Tullius dicit in 1. de Offic. [cap. 7.] ; ergo postquam dixerat: honesta, superflue additur : justa.

1202. Volgens het gezegde van Tullius in zijn Boek Over de Ambtsplichten (Ie B., VIIe H.), valt de rechtvaardigheid onder de eerzaamheid. Indien de wet dus eerzaam genoemd wordt, is het overbodig er nog rechtvaardig aan toe te voegen.1202. Volgens het gezegde van Tullius in zijn Boek Over de Ambtsplichten (1e B., 7e H.), valt de rechtvaardigheid onder de eerzaamheid. Indien de wet dus eerzaam genoemd wordt, is het overbodig er nog rechtvaardig aan toe te voegen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex scripta, secundum Isidorum [lib. 2. Etym. cap. 10.], contra consuetudinem dividitur; non ergo debuit in diffinitione legis poni, quod esset secundum consuetudinem patriae.

3. In het IIe Boek van zijn Etymologieën (Xe H.) stelt Isidorus de geschrevene wet tegenover de gewoonte. Dus moet er in de bepaling van wet niet bijgezet worden, dat ze volgens de gebruiken van het land moet zijn.3. In het 2e Boek van zijn Etymologieën (10e H.) stelt Isidorus de geschrevene wet tegenover de gewoonte. Dus moet er in de bepaling van wet niet bijgezet worden, dat ze volgens de gebruiken van het land moet zijn.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, necessarium dupliciter dicitur : scilicet id, quod est necessarium simpliciter, quod impossibile est aliter se habere. Et hujusmodi necessarium non subjacet humano judicio. Unde talis necessitas ad legem humanam non pertinet. Est etiam aliquid necessarium propter finem. Et talis necessitas idem est, quod utilitas. Ergo superflue utrumque ponitur, necessaria et utilis.

4. Noodig kan op twee manieren gezegd worden, nl. dat wat volstrekt noodig is, wat onmogelijk anders kan zijn; en die noodzakelijkheid valt niet onder het bereik van het menschelijk oordeel en dus ook niet onder de menschelijke wet. Ook kan iets noodig zijn om het doel, en deze noodzakelijkheid is hetzelfde als nuttigheid. Dus is het overbodig beide te noemen in noodig en nuttig.4. Nodig kan op twee manieren gezegd worden, nl. dat wat volstrekt nodig is, wat onmogelijk anders kan zijn; en die noodzakelijkheid valt niet onder het bereik van het menselijk oordeel en dus ook niet onder de menselijke wet. Ook kan iets nodig zijn om het doel, en deze noodzakelijkheid is hetzelfde als nuttigheid. Dus is het overbodig beide te noemen in nodig en nuttig.

Sed contra est auctoritas ipsius Isidori.

Maar daartegenover staat het gezag van Isidorus.

Respondeo dicendum, quod uniuscujusque rei, quae est propter finem, necesse est quod forma determinetur secundum proportionem ad finem, sicut 121forma serrae talis est, qualis convenit sectioni, ut patet in 2. Physicor. [cap. 9.]. Quaelibet etiam res recta et mensurata oportet quod habeat formam proportionatam suae regulae et mensurae. Lex autem humana utrumque habet, quia et est aliquid ordinatum ad finem, et est quaedam regula vel mensura regulata vel mensurata quadam superiori mensura. Quae quidem est duplex, scilicet : divina lex, et lex naturae, ut ex supradictis patet [art. praec. et q. 93. art. 3.].

Leerstelling. — De vorm van ieder ding, dat om een doel is, moet nader bepaald worden in verhouding tot dat doel; zoo 121moet de vorm van een zaag zóó zijn, dat ze geschikt is om te zagen. Daar wijst ook de Wijsgeer op in zijn Physica (IIe Boek, IXe H., Nr 2). Ieder ding dat door iets anders geregeld en gemeten wordt, moet ook een vorm hebben in verhouding tot zijn regel en maatstaf. De menschelijke wet nu heeft beide, omdat ze én geordend is tot een doel, én een regel en maatstaf is, geregeld en gemeten naar een hoogeren maatstaf, nl. de goddelijke wet en de natuurwet, zooals vroeger werd bewezen (vorig Art., en CXIIIe Kw. 3e Art.).Leerstelling. — De vorm van ieder ding, dat om een doel is, moet nader bepaald worden in verhouding tot dat doel; zo 121moet de vorm van een zaag zó zijn, dat ze geschikt is om te zagen. Daar wijst ook de Wijsgeer op in zijn Fysica (2e Boek, 9e H., Nr 2). Ieder ding dat door iets anders geregeld en gemeten wordt, moet ook een vorm hebben in verhouding tot zijn regel en maatstaf. De menselijke wet nu heeft beide, omdat ze én geordend is tot een doel, én een regel en maatstaf is, geregeld en gemeten naar een hogeren maatstaf, nl. de goddelijke wet en de natuurwet, zoals vroeger werd bewezen (vorig Art., en 113e Kw. 3e Art.).

Finis autem humanae legis est utilitas hominum, sicut etiam Jurisperitus dicit. Et ideo Isidorus in conditione legis primo quidem tria posuit, scilicet, quod religioni congruat, inquantum scilicet est proportionata legi divinae; quod disciplinae conveniat, inquantum est proportionata legi naturae; quod saluti proficiat, inquantum est proportionata utilitati humanae.

Het doel nu van de menschelijke wet is het nut der menschen, zooals de Jurisperitus zegt. In verband hiermee neemt Isidorus drie hoedanigheden voor de wet aan, nl. dat ze moet overeenkomen met den godsdienst, in zoover ze een verhouding zegt tot de goddelijke wet; met de tucht, in zoover ze een verhouding zegt tot de natuurwet; en met het welzijn der burgers, in zoover ze een verhouding zegt tot het nut der menschen.Het doel nu van de menselijke wet is het nut van de mensen, zoals de Jurisperitus zegt. In verband hiermee neemt Isidorus drie hoedanigheden voor de wet aan, nl. dat ze moet overeenkomen met de godsdienst, in zover ze een verhouding zegt tot de goddelijke wet; met de tucht, in zover ze een verhouding zegt tot de natuurwet; en met het welzijn van de burgers, in zover ze een verhouding zegt tot het nut van de mensen.

Et ad haec tria omnes aliae conditiones, quas postea ponit, reducuntur. Nam quod dicitur : Honesta, refertur ad hoc, quod religioni congruat; quod autem subditur : Justa, possibilis, secundum naturam, secundum 122consuetudinem patriae, loco temporique conveniens, additur ad hoc quod conveniat disciplinae. Attenditur enim humana disciplina primum quidem quantum ad ordinem rationis; qui importatur in hoc quod dicitur justa. Secundo quantum ad facultatem agentium : debet enim esse disciplina conveniens unicuique secundum suam possibilitatem, observata etiam possibilitate naturae : non enim eadem sunt imponenda pueris, quae imponuntur viris perfectis; et secundum humanam consuetudinem non enim potest homo solus in societate vivere, aliorum morem non gerens. Tertio quantum ad debitas circumstantias dicit : Loco temporique conveniens. Quod vero subditur : Necessaria, utilis, etc. refertur ad hoc quod expediat saluti; ut necessitas referatur ad remotionem malorum, utilitas, ad consecutionem bonorum, manifestatio vero ad cavendum nocumentum, quod ex ipsa lege posset provenire. Et quia, sicut supra dictum est [q. 90. art. 2.], lex ordinatur ad bonum commune, hoc ipsum in ultima parte determinationis ostenditur.

Tot deze drie voorwaarden worden alle overige teruggebracht. Het eervol zijn van de wet wordt teruggebracht tot het overeenkomen met den godsdienst. Wat verder volgt, nl. rechtvaardig, mogelijk, overeenkomstig de natuur, volgens de gebruiken van het land, aangepast aan plaats en tijd, wordt teruggebracht tot het 122overeenkomen met de tucht. Immers de menschelijke tucht kan ten eerste beschouwd worden met betrekking tot de orde van de rede, en in zoover wordt ze rechtvaardig geheeten; ten tweede, met betrekking tot de macht tot handelen, want de tucht moet eenieder aangepast zijn, overeenkomstig zijn mogelijkheden, natuurlijk ook de mogelijkheden van de natuur in aanmerking genomen. Immers hetzelfde kan niet opgelegd worden aan knapen en aan volwassen mannen. De aanpassing van de tucht moet ook overeenkomstig zijn met de menschelijke gebruiken : de mensch immers kan niet alleen in gemeenschap leven, zonder met de gewoonten van anderen rekening te houden. Ten derde zegt hij, met betrekking tot de verschillende verschuldigde omstandigheden: aangepast aan plaats en tijd. Wat echter volgt: noodzakelijk, nuttig, enz. wordt teruggebracht tot datgene wat nuttig is voor het heil: de noodzakelijkheid wordt teruggebracht tot het wegnemen van het kwaad; de nuttigheid tot het nakomen van het goed; de openbaarmaking echter om nadeel te voorkomen, wat uit de wet zelf zou kunnen voortkomen. En omdat, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., 2e Art.), de wet gericht is op het algemeen welzijn, wordt dit in het laatste gedeelte van de bepaling aangetoond.Tot deze drie voorwaarden worden alle overige teruggebracht. Het eervol zijn van de wet wordt teruggebracht tot het overeenkomen met de godsdienst. Wat verder volgt, nl. rechtvaardig, mogelijk, overeenkomstig de natuur, volgens de gebruiken van het land, aangepast aan plaats en tijd, wordt teruggebracht tot het 122overeenkomen met de tucht. Immers de menselijke tucht kan ten eerste beschouwd worden met betrekking tot de orde van de rede, en in zover wordt ze rechtvaardig geheten; ten tweede, met betrekking tot de macht tot handelen, want de tucht moet eenieder aangepast zijn, overeenkomstig zijn mogelijkheden, natuurlijk ook de mogelijkheden van de natuur in aanmerking genomen. Immers hetzelfde kan niet opgelegd worden aan knapen en aan volwassen mannen. De aanpassing van de tucht moet ook overeenkomstig zijn met de menselijke gebruiken: de mens immers kan niet alleen in gemeenschap leven, zonder met de gewoonten van anderen rekening te houden. Ten derde zegt hij, met betrekking tot de verschillende verschuldigde omstandigheden: aangepast aan plaats en tijd. Wat echter volgt: noodzakelijk, nuttig, enz. wordt teruggebracht tot datgene wat nuttig is voor het heil: de noodzakelijkheid wordt teruggebracht tot het wegnemen van het kwaad; de nuttigheid tot het nakomen van het goed; de openbaarmaking echter om nadeel te voorkomen, wat uit de wet zelf zou kunnen voortkomen. En omdat, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 2e Art.), de wet gericht is op het algemeen welzijn, wordt dit in het laatste gedeelte van de bepaling aangetoond.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2 ↑ 3 ↑ 4

Et per hoc patet responsio ad objecta.

En hieruit blijkt tevens het antwoord op de bedenkingen.

Articulus IV

Utrum Isidorus convenienter ponat divisionem humanarum legum

IVe Artikel

Geeft Isidorus een juiste verdeeling van de menschelijke wet?Geeft Isidorus een juiste verdeling van de menselijke wet?

antwoord 1 ↓

123Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter Isidorus divisionem legum humanarum ponat, sive juris humani; sub hoc enim jure comprehendit jus gentium, quod ideo sic nominatur, ut ipse dicit [lib. 5. Etym. cap. 6.], quia eo omnes fere gentes utuntur; sed, sicut ipse dicit [ibid. cap. 4.], jus naturale est, quod est commune omnium nationum; ergo jus gentium non continetur sub jure positivo humano. sed magis sub jure naturali.

123Bedenkingen. — Men beweert, dat Isidorus een onjuiste verdeeling geeft van de menschelijke wet of van het menschelijk recht. — 1. In dit recht immers is volgens hem het « jus gentium » vervat, wat zooals hij zelf zegt (Ve Boek der Etymologieën, VIe H.), aldus genoemd wordt, omdat bijna alle volkeren dit gebruiken. Welnu, zooals hij zelf zegt (t. a. pl., IVe H.), is het natuurrecht, wat gemeen is aan alle volkeren. Dus valt het « jus gentium » niet onder het positief menschelijk recht, maar eerder onder het natuurrecht.123Bedenkingen. — Men beweert, dat Isidorus een onjuiste verdeling geeft van de menselijke wet of van het menselijk recht. — 1. In dit recht immers is volgens hem het “jus gentium” vervat, wat zoals hij zelf zegt (5e Boek van de Etymologieën, 6e H.), aldus genoemd wordt, omdat bijna alle volkeren dit gebruiken. Welnu, zoals hij zelf zegt (t.a.p., 4e H.), is het natuurrecht, wat gemeen is aan alle volkeren. Dus valt het “jus gentium” niet onder het positief menselijk recht, maar eerder onder het natuurrecht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ea quae habent eamdem vim, non videntur formaliter differre, sed solum materialiter; sed leges, plebiscita, senatusconsulta, et alia hujusmodi, quae ponit [ibid. cap. 10. et sequ.] omnia habent eamdem vim; ergo videtur, quod non differant nisi materialiter; sed talis distinctio 124in arte non est curanda, cum possit esse in infinitum; ergo inconvenienter hujusmodi divisio humanarum legum introducitur.

2. Wat dezelfde kracht bezit, verschilt niet formeel, maar slechts materieel. Welnu de wetten, volksbesluiten, senaatsbesluiten en dergelijke, die hij aangeeft (t. a. pl., Xe H. en volgende), bezitten alle dezelfde kracht. Dus verschillen ze slechts materieel. Welnu met zulk een onderscheid moet in de kunst geen rekening 124gehouden worden, daar het in het oneindige kan zijn. Dus is die verdeeling der menschelijke wetten onjuist.2. Wat dezelfde kracht bezit, verschilt niet formeel, maar slechts materieel. Welnu de wetten, volksbesluiten, senaatsbesluiten en dergelijke, die hij aangeeft (t.a.p., 10e H. en volgende), bezitten alle dezelfde kracht. Dus verschillen ze slechts materieel. Welnu met zulk een onderscheid moet in de kunst geen rekening 124gehouden worden, daar het in het oneindige kan zijn. Dus is die verdeling van de menselijke wetten onjuist.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut in civitate sunt principes, sacerdotes, et milites, ita etiam sunt et alia hominum officia; ergo videtur, quod, sicut ponitur quoddam jus militare, et jus publicum, quod consistit in sacerdotibus et magistratibus, ita etiam debeant poni alia jura ad alia officia civitatis pertinentia.

3. Evenals er in een staat vorsten, priesters en soldaten zijn, zoo zijn er ook andere ambten. Zooals er dus een militairen-recht en een publiek recht is, wat voor priesters bestaat en voor magistraten, zoo moeten er ook enkele rechten worden aangegeven die betrekking hebben op andere staatsambten.3. Evenals er in een staat vorsten, priesters en soldaten zijn, zo zijn er ook andere ambten. Zoals er dus een militairen-recht en een publiek recht is, wat voor priesters bestaat en voor magistraten, zo moeten er ook enkele rechten worden aangegeven die betrekking hebben op andere staatsambten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, ea quae sunt per accidens, sunt praetermittenda; sed accidit legi, ut ab hoc, vel ab alio homine feratur; ergo inconvenienter ponitur divisio legum humanarum ex nominibus legislatorum; ut scilicet quaedam dicatur Cornelia, quaedam Falcidia, etc.

4. Die dingen die bijkomstig zijn, moeten niet geteld worden. Welnu het is voor een wet bijkomstig dat zij door dien, of een ander mensch gemaakt wordt. Dus wordt de verdeeling der menschelijke wetten naar de namen van wetgevers, zooals nl. een de wet Cornelia, een ander de wet Falcidia genoemd wordt, onjuist.4. Die dingen die bijkomstig zijn, moeten niet geteld worden. Welnu het is voor een wet bijkomstig dat zij door die, of een ander mens gemaakt wordt. Dus wordt de verdeling van de menselijke wetten naar de namen van wetgevers, zoals nl. een de wet Cornelia, een ander de wet Falcidia genoemd wordt, onjuist.

In contrarium auctoritas Isidori sufficiat.

Maar daartegenover staat het gezag van Isidorus.

Respondeo dicendum, quod unumquodque potest per se dividi secundum id, quod in ejus ratione continetur: sicut in ratione animalis continetur anima, quae est rationalis, vel irrationalis; et ideo animal proprie, et per se 125dividitur secundum rationale, et irrationale, non autem secundum album, et nigrum, quae sunt omnino praeter rationem ejus.

Leerstelling. — Ieder ding kan krachtens zichzelf verdeeld worden naar datgene wat in zijn wezen vervat is, zooals in het wezen van een dier de ziel vervat is, die redelijk is, of onredelijk; en daarom worden de dieren eigenlijk en krachtens zichzelf 125verdeeld in redelijke en onredelijke, echter niet in witte of zwarte, wat heel en al buiten het wezen van het dier ligt.Leerstelling. — Ieder ding kan krachtens zichzelf verdeeld worden naar datgene wat in zijn wezen vervat is, zoals in het wezen van een dier de ziel vervat is, die redelijk is, of onredelijk; en daarom worden de dieren eigenlijk en krachtens zichzelf 125verdeeld in redelijke en onredelijke, echter niet in witte of zwarte, wat heel en al buiten het wezen van het dier ligt.

Sunt autem multa de ratione legis humanae secundum quorum quodlibet lex humana proprie et per se dividi potest. Est enim primo de ratione legis humanae, quod sit derivata a lege naturae, ut ex dictis patet [art. 2. huj. q.] : et secundum hoc dividitur jus positivum : in jus gentium, et jus civile, secundum duos modos, quibus aliquid derivatur a lege naturae, ut supra dictum est [ibid.] : nam ad jus gentium pertinent ea quae derivantur ex lege naturae, sicut conclusiones ex principiis; ut justae emptiones, venditiones, et alia hujusmodi, sine quibus homines ad invicem convivere non possunt : quod est de lege naturae, quia homo est naturaliter animal sociale, ut probatur in 1. Polit. [cap. 2.] ; quae vero derivantur a lege naturae per modum particularis determinationis, pertinent ad jus civile, secundum quod quaelibet civitas aliquid sibi accommode determinat.

Nu zijn er vele dingen in het wezen van de menschelijke wet, waarnaar de menschelijke wet eigenlijk en krachtens haarzelf verdeeld kan worden. Het eerste wezenselement immers van de menschelijke wet is, dat zij is afgeleid van de natuurwet, zooals uit hetgeen hierboven gezegd is, blijkt (2e Art.), en hiermede overeenkomstig wordt het positief recht verdeeld in het « jus gentium » en het burgerlijk recht, volgens de twee manieren op welke iets van de natuurwet kan afgeleid worden, gelijk boven gezegd is (t. a. pl.), want onder het « jus gentium » vallen die dingen, die van de natuurwet afgeleid worden, als gevolgtrekkingen uit beginselen, zooals rechtvaardige koopen, verkoopen en dergelijke, zonder welke de menschen onderling niet kunnen leven: wat overeenkomstig de natuurwet is, omdat de mensch van nature een gezelschapsdier is, gelijk bewezen wordt in het Ie Boek der Politiek (IIe H.) ; die dingen echter die van de natuurwet afgeleid worden bij wijze van nadere bepaling, vallen onder het burgerlijk recht, naar gelang iedere staat iets voor zich naar omstandigheden nader bepaalt.Nu zijn er vele dingen in het wezen van de menselijke wet, waarnaar de menselijke wet eigenlijk en krachtens haarzelf verdeeld kan worden. Het eerste wezenselement immers van de menselijke wet is, dat zij is afgeleid van de natuurwet, zoals uit hetgeen hierboven gezegd is, blijkt (2e Art.), en hiermede overeenkomstig wordt het positief recht verdeeld in het “jus gentium” en het burgerlijk recht, volgens de twee manieren op welke iets van de natuurwet kan afgeleid worden, gelijk boven gezegd is (t.a.p.), want onder het “jus gentium” vallen die dingen, die van de natuurwet afgeleid worden, als gevolgtrekkingen uit beginselen, zoals rechtvaardige kopen, verkopen en dergelijke, zonder welke de mensen onderling niet kunnen leven: wat overeenkomstig de natuurwet is, omdat de mens van nature een gezelschapsdier is, gelijk bewezen wordt in het 1e Boek van de Politiek (2e H.); die dingen echter die van de natuurwet afgeleid worden bij wijze van nadere bepaling, vallen onder het burgerlijk recht, naar gelang iedere staat iets voor zich naar omstandigheden nader bepaalt.

126Secundo est de ratione legis humanae, quod ordinetur ad bonum commune civitatis; et secundum hoc lex humana dividi potest secundum diversitatem eorum, qui specialiter dant operam ad bonum commune; sicut sacerdotes pro populo Deum orantes; principes populum gubernantes; et milites pro salute populi pugnantes, et ideo istis hominibus specialia quaedam jura aptantur.

126Het tweede wezenselement van de menschelijke wet is, dat zij gericht is op het algemeen welzijn van den staat. Hiermede overeenkomstig kan men de menschelijke wet verdeelen naar de verscheidenheid van personen die op bijzondere wijze voor het algemeen welzijn werken; zooals de priesters, die God voor het volk bidden; de vorsten, die het volk besturen; en de soldaten, die voor het volk strijden. En aldus bestaan er voor deze menschen bijzondere wetten.126Het tweede wezenselement van de menselijke wet is, dat zij gericht is op het algemeen welzijn van de staat. Hiermede overeenkomstig kan men de menselijke wet verdelen naar de verscheidenheid van personen die op bijzondere wijze voor het algemeen welzijn werken; zoals de priesters, die God voor het volk bidden; de vorsten, die het volk besturen; en de soldaten, die voor het volk strijden. En aldus bestaan er voor deze mensen bijzondere wetten.

Tertio est de ratione legis humanae, ut instituatur a gubernante communitatem civitatis, sicut supra dictum est [q. 90. art. 3.] : et secundum hoc distinguuntur leges humanae secundum diversa regimina civitatum, quorum unum, secundum Philosophum in 3. Politic. [cap. 10.] est regnum; quando scilicet civitas gubernatur ab uno : et secundum hoc accipiuntur constitutiones principum. Aliud vero regimen est aristocratia, idest principatus optimorum, vel optimatum : et secundum hoc sumuntur responsa prudentum, et etiam senatusconsulta. Aliud regimen est oligarchia, idest principatus paucorum divitum, et potentum : et secundum hoc sumitur jus praetorium, quod etiam 127honorarium dicitur; aliud autem regimen est populi, quod nominatur democratia : et secundum hoc sumuntur plebiscita. Aliud autem est tyrannicum, quod est omnino corruptum : unde ex hoc non sumitur aliqua lex. Est etiam aliquod regimen ex istis commixtum, quod est optimum : et secundum hoc sumitur lex, quam majores natu simul cum plebibus sanxerunt, ut Isidorus dicit [lib. 5. Etym. cap. 10.].

Het derde wezenselement van de menschelijke wet is, dat zij is ingesteld door dengene die de staatsgemeenschap bestuurt, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., 3e Art.). Hiermede overeenkomstig worden de menschelijke wetten onderscheiden naar de verschillende staatsbesturen, waarvan er een, zooals de Wijsgeer zegt in het IIIe Boek der Politiek (Xe H.), het alleenbestuur is, wanneer nl. de staat door één persoon bestuurd wordt, en hiermede overeenkomstig ontstaan de vorstenbepalingen. Een ander bestuur echter is de aristocratie, d. w. z. de heerschappij van de besten of voornaamsten, en overeenkomstig hiermede ontstaan de antwoorden der wijzen en ook de senaatsbesluiten. Een ander bestuur in de oligarchie, d. w. z. de heerschappij van enkele 127rijken en machtigen, en overeenkomstig hiermede ontstaat het praetoriaansch recht, wat ook honorarium genoemd wordt; weer een ander bestuur is dat van het volk, wat democratie genoemd wordt, en overeenkomstig hiermede ontstaan de volksbesluiten. Weer een ander is het tyranniek bestuur, wat totaal verdorven is : daaruit ontstaat geen enkele wet. Eindelijk is er een bestuur, uit bovengenoemde samengesteld, wat het beste is. Daaruit volgt en ontstaat de wet, die de ouderen tegelijk met het volk bekrachtigden, zooals Isidorus zegt (Ve Boek der Etymologieën, Xe H.).Het derde wezenselement van de menselijke wet is, dat zij is ingesteld door dengene die de staatsgemeenschap bestuurt, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 3e Art.). Hiermede overeenkomstig worden de menselijke wetten onderscheiden naar de verschillende staatsbesturen, waarvan er een, zoals de Wijsgeer zegt in het 3e Boek van de Politiek (10e H.), het alleenbestuur is, wanneer nl. de staat door één persoon bestuurd wordt, en hiermede overeenkomstig ontstaan de vorstenbepalingen. Een ander bestuur echter is de aristocratie, d. w. z. de heerschappij van de besten of voornaamsten, en overeenkomstig hiermede ontstaan de antwoorden van de wijzen en ook de senaatsbesluiten. Een ander bestuur in de oligarchie, d. w. z. de heerschappij van enkele 127rijken en machtigen, en overeenkomstig hiermede ontstaat het pretoriaans recht, wat ook honorarium genoemd wordt; weer een ander bestuur is dat van het volk, wat democratie genoemd wordt, en overeenkomstig hiermede ontstaan de volksbesluiten. Weer een ander is het tiranniek bestuur, wat totaal verdorven is: daaruit ontstaat geen enkele wet. Eindelijk is er een bestuur, uit bovengenoemde samengesteld, wat het beste is. Daaruit volgt en ontstaat de wet, die de ouderen tegelijk met het volk bekrachtigden, zoals Isidorus zegt (5e Boek van de Etymologieën, tiende H.).

Quarto vero de ratione legis humanae est, quod sit directiva humanorum actuum : et secundum hoc secundum diversa, de quibus leges feruntur, distinguuntur leges quae interdum ab actoribus nominantur : sicut distinguitur lex Julia de adulteriis, lex Cornelia de sicariis, et sic de aliis, non propter actores, sed propter res, de quibus sunt.

Het vierde wezenselement echter van de menschelijke wet is, dat zij de menschelijke handelingen richt. Overeenkomstig hiermede worden de wetten onderscheiden naar de verschillende zaken, waarover de wetten gaan, en die soms naar de makers genoemd worden; zooals de wet Julia over het overspel, de wet Cornelia over sluipmoord, enz., niet om de makers, maar om de zaken waarover zij gaan.Het vierde wezenselement echter van de menselijke wet is, dat zij de menselijke handelingen richt. Overeenkomstig hiermede worden de wetten onderscheiden naar de verschillende zaken, waarover de wetten gaan, en die soms naar de makers genoemd worden; zoals de wet Julia over het overspel, de wet Cornelia over sluipmoord, enz., niet om de makers, maar om de zaken waarover zij gaan.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod jus gentium est quidem aliquo modo naturale homini, secundum quod est rationalis, inquantum derivatur a lege naturali per modum conclusionis, quae non est multum remota a principiis : 128unde de facili in hujusmodi homines consenserunt; distinguitur tamen a lege naturali, maxime ab eo, quod est omnibus animalibus commune.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het « jus gentium » is wel eenigszins natuurlijk voor den mensch, voor zoover hij redelijk is, in zoover het van de natuurwet wordt afgeleid bij wijze 128van gevolgtrekking, welke niet ver van de beginselen verwijderd ligt. Vandaar komen de menschen daarin gemakkelijk overeen. Het wordt echter van de natuurwet onderscheiden, vooral van het recht, dat gemeen is aan alle dieren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het “jus gentium” is wel enigszins natuurlijk voor de mens, voor zover hij redelijk is, in zover het van de natuurwet wordt afgeleid bij wijze 128van gevolgtrekking, welke niet ver van de beginselen verwijderd ligt. Vandaar komen de mensen daarin gemakkelijk overeen. Het wordt echter van de natuurwet onderscheiden, vooral van het recht, dat gemeen is aan alle dieren.

bedenkingen ↑ 2 ↑ 3 ↑ 4

Ad alia patet responsio ex his, quae dicta sunt [in corp. art.].

Voor de andere bedenkingen blijkt het antwoord uit hetgeen gezegd is (in de Leerstelling).