Theologische Summa · Prima Secundae · De eeuwige wet, de natuurwet en de menschelijke wetDe eeuwige wet, de natuurwet en de menselijke wetSumma · I-II · De eeuwige wet, de natuurwet en de menschelijke wetDe eeuwige wet, de natuurwet en de menselijke wetSumma · I-II · Kw. 94Kw. 94
Quaestio XCIV

De lege naturali

Kwestie 94

Over de natuurwet

(Zes Artikelen)

80Deinde considerandum est de lege naturali. Et circa hoc quaeruntur sex : 1. Quid sit lex naturalis. — 2. Quae sint praecepta legis naturalis. — 3. Utrum omnes actus virtutum sint de lege naturae. — 4. Utrum lex naturalis sit una apud omnes. — 5. Utrum sit mutabilis. — 6. Utrum possit a mente hominis deleri.

80Na de eeuwige wet moeten we handelen over de natuurwet. Hieromtrent stellen we zes vragen : 1) Wat is de natuurwet? 2) Welke zijn de voorschriften van de natuurwet? 3) Komen alle deugddaden van de natuurwet? 4) Is de natuurwet voor allen dezelfde? 5) Is de natuurwet veranderlijk? 6) Kan de natuurwet uitgewischt worden uit de harten der menschen?80Na de eeuwige wet moeten we handelen over de natuurwet. Hieromtrent stellen we zes vragen: 1. Wat is de natuurwet? 2. Welke zijn de voorschriften van de natuurwet? 3. Komen alle deugddaden van de natuurwet? 4. Is de natuurwet voor allen dezelfde? 5. Is de natuurwet veranderlijk? 6. Kan de natuurwet uitgewist worden uit de harten van de mensen?

Articulus I

Utrum lex naturalis sit habitus

Ie Artikel

Is de natuurwet een hebbelijkheid?

antwoord 1 ↓

81Ad primum sic proceditur. Videtur, quod lex naturalis sit habitus, quia, ut Philosophus dicit in 2. Ethicor. [cap. 5.], tria sunt in anima : potentia, habitus, et passio; sed naturalis lex non est aliqua potentiarum animae, nec aliqua passionum, ut patet enumerando per singula; ergo lex naturalis est habitus.

81Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet een hebbelijkheid is. — 1. Zooals immers de Wijsgeer zegt in het IIe Boek zijner Ethica (Ve H., N. 1), zijn er in de ziel drie dingen : vermogens, hebbelijkheden en hartstochten. Welnu de natuurwet is geen vermogen van de ziel, en ook geen hartstocht, wat blijkt door uitsluiting der afzonderlijke vermogens en hartstochten. Dus is de natuurwet een hebbelijkheid.81Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet een hebbelijkheid is. — 1. Zoals immers de Wijsgeer zegt in het 2e Boek van zijn Ethica (5e H., N. 1), zijn er in de ziel drie dingen: vermogens, hebbelijkheden en hartstochten. Welnu de natuurwet is geen vermogen van de ziel, en ook geen hartstocht, wat blijkt door uitsluiting van de afzonderlijke vermogens en hartstochten. Dus is de natuurwet een hebbelijkheid.

antwoord 2 ↓

2, Praeterea, Basilius dicit [Damascenus lib. 4. Orth. Fid. cap. 22.], quod conscientia, sive synderesis, est lex intellectus nostri, quod non potest intelligi nisi de lege naturali; sed synderesis est habitus quidam, ut in 1. habitum est [q. 79. art. 12.] ; ergo lex naturalis est habitus.

2. We lezen bij Basilius (Damascenus, Over het ware Geloof, IVe B., XXIIe H.) : « Het geweten, of de synderesis, is de wet van ons verstand », wat alleen kan verstaan worden van de natuurwet. Maar het geweten is een hebbelijkheid, zooals bewezen is in het Ie Deel (LXXIXe Kw., 12e Art.). Dus is de natuurwet een hebbelijkheid.2. We lezen bij Basilius (Damascenus, Over het ware Geloof, 4e B., 22e H.): “Het geweten, of de synderesis, is de wet van ons verstand”, wat alleen kan verstaan worden van de natuurwet. Maar het geweten is een hebbelijkheid, zoals bewezen is in het 1e Deel (79e Kw., 12e Art.). Dus is de natuurwet een hebbelijkheid.

antwoord 3 ↓

823. Praeterea, lex naturalis semper in homine manet, ut infra patebit [art. 6. huj. q.] ; sed non semper ratio hominis, ad quam lex pertinet, cogitat de naturali lege; ergo lex naturalis non est actus, sed habitus.

823. De natuurwet blijft altijd in den mensch, zooals verder bewezen wordt (6e Art.). Welnu het verstand van den mensch, dat de zetel is van de wet, denkt niet altijd over de natuurwet na. Bijgevolg is de natuurwet geen voortdurende daad, maar een hebbelijkheid.823. De natuurwet blijft altijd in de mens, zoals verder bewezen wordt (6e Art.). Welnu het verstand van de mens, dat de zetel is van de wet, denkt niet altijd over de natuurwet na. Bijgevolg is de natuurwet geen voortdurende daad, maar een hebbelijkheid.

antwoord ↓

Set contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Bono Conjugali [cap. 21.], quod habitus est, quo aliquid agitur, cum opus est; sed naturalis lex non est hujusmodi : est enim in parvulis et damnatis, qui per eam agere non possunt; ergo lex naturalis non est habitus.

4. Van een ander standpunt uit kan men daar tegen aanvoeren het gezegde van Augustinus in zijn Boek Over het Huwelijk (XXIe H.) : « Een hebbelijkheid is iets waardoor iemand iets doet als het noodig is ». Maar zoo iets is de natuurwet niet, want zij is ook in de kinderen en verdoemden, die door haar niet handelen. Dus is zij geen hebbelijkheid.4. Van een ander standpunt uit kan men daar tegen aanvoeren het gezegde van Augustinus in zijn Boek Over het Huwelijk (21e H.): “Een hebbelijkheid is iets waardoor iemand iets doet als het nodig is”. Maar zo iets is de natuurwet niet, want zij is ook in de kinderen en verdoemden, die door haar niet handelen. Dus is zij geen hebbelijkheid.

Respondeo dicendum, quod aliquid potest dici esse habitus dupliciter. Uno modo proprie et essentialiter, et sic lex naturalis non est habitus. Dictum est enim supra [q. 90. art. 1. ad 2.], quod lex naturalis est aliquid per rationem constitutum, sicut etiam propositio est quoddam opus rationis. Non est autem idem, quod quis agit, et quo quis agit: aliquis enim per habitum grammaticae agit orationem congruam. Cum igitur habitus sit, 83quo quis agit, non potest esse, quod lex aliqua sit habitus proprie, et essentialiter. Alio modo potest dici habitus id, quod habitu tenetur, sicut dicitur fides id, quod fide tenetur. Et hoc modo, quia praecepta legis naturalis quandoque considerantur in actu a ratione, quandoque autem sunt in ea habitualiter tantum, secundum hunc modum potest dici, quod lex naturalis sit habitus, sicut etiam principia indemonstrabilia in speculativis non sunt ipsi habitus principiorum, sed sunt principia, quorum est habitus.

Leerstelling. — Iets kan op twee manieren een hebbelijkheid genoemd worden : ten eerste eigenlijk en wezenlijk, en in dien zin is de natuurwet geen hebbelijkheid. Immers vroeger (XCe Kw., 1e Art., Antwoord op de 2e Bed.) hebben we gezien, dat de natuurwet iets is wat door het verstand gevormd wordt, zooals het uitdrukken van een oordeel iets is van het verstand. Welnu dat, wat iemand uitwerkt, is niet hetzelfde, als datgene, waardoor iemand iets uitwerkt; immers door taalhebbelijkheid 83maakt iemand goede volzinnen. Omdat dus een hebbelijkheid iets is, waardoor iemand werkt, kan de wet geen eigenlijke en wezenlijke hebbelijkheid zijn. Ten tweede kan datgene, wat men door een hebbelijkheid heeft, hebbelijkheid genoemd worden, gelijk men ook datgene, wat men door het geloof heeft, geloof noemt, en op die manier kan de natuurwet een hebbelijkheid genoemd worden, daar de voorschriften der natuurwet nu eens daadwerkelijk door het verstand overwogen worden, en dan weer als een hebbelijkheid in het verstand blijven. In denzelfden zin zijn de onbewijsbare beginselen in de beschouwende wetenschappen niet de hebbelijkheid zelf van die beginselen, maar de beginselen die het voorwerp van die hebbelijkheid zijn.Leerstelling. — Iets kan op twee manieren een hebbelijkheid genoemd worden: ten eerste eigenlijk en wezenlijk, en in die zin is de natuurwet geen hebbelijkheid. Immers vroeger (90e Kw., 1e Art., Antwoord op de 2e Bed.) hebben we gezien, dat de natuurwet iets is wat door het verstand gevormd wordt, zoals het uitdrukken van een oordeel iets is van het verstand. Welnu dat, wat iemand uitwerkt, is niet hetzelfde, als datgene, waardoor iemand iets uitwerkt; immers door taalhebbelijkheid 83maakt iemand goede volzinnen. Omdat dus een hebbelijkheid iets is, waardoor iemand werkt, kan de wet geen eigenlijke en wezenlijke hebbelijkheid zijn. Ten tweede kan datgene, wat men door een hebbelijkheid heeft, hebbelijkheid genoemd worden, gelijk men ook datgene, wat men door het geloof heeft, geloof noemt, en op die manier kan de natuurwet een hebbelijkheid genoemd worden, daar de voorschriften van de natuurwet nu eens daadwerkelijk door het verstand overwogen worden, en dan weer als een hebbelijkheid in het verstand blijven. In dezelfde zin zijn de onbewijsbare beginselen in de beschouwende wetenschappen niet de hebbelijkheid zelf van die beginselen, maar de beginselen die het voorwerp van die hebbelijkheid zijn.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Philosophus intendit ibi investigare genus virtutis, et cum manifestum sit, quod virtus sit quoddam principium actus, illa tantum ponit, quae sunt principia humanorum actuum, scilicet : potentias, habitus, et passiones. Praeter haec autem tria sunt quaedam alia in anima, sicut quidam actus, ut velle est in voluntate1 et etiam cognita sunt 84in cognoscente, et proprietates naturales animae insunt ei, ut immortalitas et alia hujusmodi.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hier wil de wijsgeer onderzoeken wat deugd is; en omdat het vanzelf spreekt, dat de deugd een beginsel is van de daad, noemt hij alleen de beginselen van de menschelijke daden op, nl. de vermogens, de hebbelijkheden en de hartstochten. Maar buiten deze drie zijn echter nog andere dingen in de ziel, b. v. daden, zooals het willen in den willende is. Ook worden gekende voorwerpen in den 84kennende, en natuurlijke eigenschappen, zooals onsterfelijkheid en dergelijke, in de ziel gevonden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hier wil de wijsgeer onderzoeken wat deugd is; en omdat het vanzelf spreekt, dat de deugd een beginsel is van de daad, noemt hij alleen de beginselen van de menselijke daden op, nl. de vermogens, de hebbelijkheden en de hartstochten. Maar buiten deze drie zijn echter nog andere dingen in de ziel, bv. daden, zoals het willen in de willende is. Ook worden gekende voorwerpen in de 84kennende, en natuurlijke eigenschappen, zoals onsterfelijkheid en dergelijke, in de ziel gevonden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod synderesis dicitur lex intellectus nostri, inquantum est habitus continens praecepta legis naturalis, quae sunt prima principia operum humanorum.

2. Het geweten wordt de wet van ons verstand genoemd, voor zoover het een hebbelijkheid is, die de voorschriften van de natuurwet bevat, die de eerste beginselen zijn der menschelijke handelingen.2. Het geweten wordt de wet van ons verstand genoemd, voor zover het een hebbelijkheid is, die de voorschriften van de natuurwet bevat, die de eerste beginselen zijn van de menselijke handelingen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio illa concludit quod lex naturalis habitualiter tenetur, et hoc concedimus.

3. Die redeneering besluit tot de conclusie, dat de natuurwet niet steeds daadwerkelijk door het verstand beschouwd wordt, en dat geven we toe.3. Die redenering besluit tot de conclusie, dat de natuurwet niet steeds daadwerkelijk door het verstand beschouwd wordt, en dat geven we toe.

↑ sed contra

Ad id vero quod in contrarium objicitur, dicendum, quod eo quod habitualiter inest, quandoque aliquis uti non potest propter aliquod impedimentum, sicut homo non potest uti habitu scientiae propter somnum, et similiter puer non potest uti habitu intellectus principiorum, vel etiam lege naturali, quae ei habitualiter inest, propter defectum aetatis.

4. Soms kan iemand datgene, wat in hem is als een hebbelijkheid, niet gebruiken, om een of andere hindernis, zooals b. v. iemand zijn wetenschap niet kan gebruiken in den slaap. Op die manier kan een kind, om zijn te kort aan jaren, zijn hebbelijkheid van de eerste beginselen niet gebruiken of ook de natuurwet, ofschoon ze in hem is als een hebbelijkheid.4. Soms kan iemand datgene, wat in hem is als een hebbelijkheid, niet gebruiken, om een of andere hindernis, zoals bv. iemand zijn wetenschap niet kan gebruiken in de slaap. Op die manier kan een kind, om zijn te kort aan jaren, zijn hebbelijkheid van de eerste beginselen niet gebruiken of ook de natuurwet, ofschoon ze in hem is als een hebbelijkheid.

Articulus II

Utrum lex naturalis contineat plura praecepta, vel unum tantum

IIe Artikel

Bevat de natuurwet meerdere, of slechts één voorschrift?

antwoord 1 ↓

85Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod lex naturalis non contineat plura praecepta, sed unum tantum : lex enim continetur in genere praecepti, ut supra habitum est [q. 92. art. 2.] ; si igitur essent multa praecepta legis naturalis, sequeretur quod etiam essent multae leges naturales.

85Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet niet meerdere, maar slechts één voorschrift bevat. — 1. Immers de wet wordt gerangschikt onder de voorschriften, zooals hierboven gezegd werd (XCIIe Kw., 2e Art.). Indien er dus meerdere voorschriften van de natuurwet waren, dan zou er uit volgen, dat er ook meerdere natuurwetten waren.85Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet niet meerdere, maar slechts één voorschrift bevat. — 1. Immers de wet wordt gerangschikt onder de voorschriften, zoals hierboven gezegd werd (92e Kw., 2e Art.). Indien er dus meerdere voorschriften van de natuurwet waren, dan zou er uit volgen, dat er ook meerdere natuurwetten waren.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex naturalis consequitur hominis naturam; sed humana natura est una secundum totum, licet sit multiplex secundum partes. Aut ergo est unum praeceptum tantum legis naturae propter unitatem totius, aut sunt multa secundum multitudinem partium naturae humanae. Et sic oportebit, quod etiam ea, quae sunt de inclinatione concupiscibilis, pertineant ad legem naturalem.

2. De natuurwet is een gevolg van de menschelijke natuur. Welnu de menschelijke natuur is als geheel één, hoewel ze veelvoudig is door haar deelen. Dus bevat de natuurwet ofwel slechts één voorschrift, om de eenheid van het geheel, ofwel meerdere, overeenkomstig de deelen van de menschelijke natuur. In het tweede geval echter zou de hang naar het zinnelijke ook tot de natuurwet moeten behooren.2. De natuurwet is een gevolg van de menselijke natuur. Welnu de menselijke natuur is als geheel één, hoewel ze veelvoudig is door haar delen. Dus bevat de natuurwet ofwel slechts één voorschrift, om de eenheid van het geheel, ofwel meerdere, overeenkomstig de delen van de menselijke natuur. In het tweede geval echter zou de hang naar het zinnelijke ook tot de natuurwet moeten behoren.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex est aliquid ad rationem pertinens, ut supra dictum est [q. 90. art. 1.] ; sed ratio in homine est una tantum; ergo solum unum praeceptum est legis naturalis.

3. De wet is iets van het verstand, zooals hierboven bewezen is (XCe Kw., 1e Art.). Welnu het verstand in den mensch is één. Dus is er maar één voorschrift van de natuurwet.3. De wet is iets van het verstand, zoals hierboven bewezen is (90e Kw., 1e Art.). Welnu het verstand in de mens is één. Dus is er maar één voorschrift van de natuurwet.

86Sed contra est, quia sic se habent praecepta legis naturalis in homine quantum ad operabilia, sicut se habent prima principia in demonstrativis; sed prima principia indemonstrabilia sunt plura; ergo etiam praecepta legis naturae sunt plura.

86Maar daartegenover staat, dat de voorschriften van de natuurwet zich tot de menschelijke handelingen verhouden, als de eerste beginselen tot de beschouwende wetenschappen. Welnu er zijn meerdere eerste onbewijsbare beginselen. Dus zijn er ook meerdere voorschriften van de natuurwet.86Maar daartegenover staat, dat de voorschriften van de natuurwet zich tot de menselijke handelingen verhouden, als de eerste beginselen tot de beschouwende wetenschappen. Welnu er zijn meerdere eerste onbewijsbare beginselen. Dus zijn er ook meerdere voorschriften van de natuurwet.

Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [q. 91. art. 3.], praecepta legis naturae hoc modo se habent ad rationem practicam, sicut principia prima demonstrationum se habent ad rationem speculativam : utraque enim sunt quaedam principia per se nota. Dicitur autem aliquid per se notum dupliciter : uno modo secundum se, alio modo quoad nos. Secundum se quidem quaelibet propositio dicitur per se nota, cujus praedicatum est de ratione subjecti. Contingit tamen, quod ignoranti diffinitionem subjecti, talis propositio non erit per se nota, sicut ista propositio : Homo est rationale, est per se nota secundum sui naturam, quia qui dicit hominem, dicit rationale, et tamen ignoranti quid sit homo, haec propositio non est per se nota. Et 87inde est, quod, sicut dicit Boetius in lib. de Hebdomad., quaedam sunt dignitates vel propositiones per se notae communiter omnibus, et hujusmodi sunt illae propositiones quarum termini sunt omnibus noti, ut : Omne totum est majus sua parte, et : Quae uni et eidem sunt aequalia, sibi invicem sunt aequalia. Quaedam vero propositiones sunt per se notae solis sapientibus, qui terminos propositionum intelligunt quid significent, sicut intelligenti, quod angelus non est corpus, per se notum est, quod non est circumscriptive in loco; quod non est manifestum rudibus, qui hoc non capiunt.

Leerstelling. — Vroeger hebben we gezegd (XCIe Kw., 3e Art.), dat de voorschriften van de natuurwet zich tot het practisch verstand verhouden, als de eerste beginselen der bewijsvoeringen tot het beschouwend verstand; beide toch zijn uit zichzelf klaarblijkelijke beginselen. Iets nu kan op twee manieren uit zichzelf klaarblijkelijk genoemd worden : ten eerste, op zichzelf genomen, en ten tweede, met betrekking tot ons. Op zichzelf wordt een voorafgaand oordeel uit zichzelf klaarblijkelijk genoemd, wanneer het gezegde opgesloten ligt in het begrip van het onderwerp. Toch kan het heel goed gebeuren, dat zoo een voorafgaand oordeel voor iemand niet uit zichzelf klaarblijkelijk is, wanneer hij nl. de bepaling van het onderwerp niet kent. Zoo is b. v. het voorafgaand oordeel : De mensch is redelijk, op zichzelf genomen, uit zichzelf klaarblijkelijk, omdat men als men 87mensch zegt, ook redelijk zegt. Toch is dit voorafgaand oordeel niet uit zichzelf klaarblijkelijk voor iemand die niet weet wat mensch is. Daarom is het gezegde van Boëtius in zijn Boek Over de Tijdstippen waar, dat sommige axioma's of voorafgaande oordeelen voor bijna alle menschen uit zichzelf klaarblijkelijk zijn. Hieronder vallen die voorafgaande oordeelen waarvan de termen door allen gekend zijn, zooals b. v. : Ieder geheel is grooter dan een van zijn deelen; twee dingen, die gelijk zijn aan een zelfde derde, zijn ook onderling gelijk. Andere voorafgaande oordeelen zijn alleen voor de geleerden uit zichzelf klaarblijkelijk, omdat zij weten wat de termen van die voorafgaande oordeelen beteekenen. Zoo is het b. v. voor iemand die weet dat een engel geen lichaam heeft, uit zichzelf klaarblijkelijk, dat hij geen plaats inneemt, wat niet klaarblijkelijk is voor ongeletterden, die dat niet inzien.Leerstelling. — Vroeger hebben we gezegd (91e Kw., 3e Art.), dat de voorschriften van de natuurwet zich tot het praktisch verstand verhouden, als de eerste beginselen van de bewijsvoeringen tot het beschouwend verstand; beide toch zijn uit zichzelf klaarblijkelijke beginselen. Iets nu kan op twee manieren uit zichzelf klaarblijkelijk genoemd worden: ten eerste, op zichzelf genomen, en ten tweede, met betrekking tot ons. Op zichzelf wordt een voorafgaand oordeel uit zichzelf klaarblijkelijk genoemd, wanneer het gezegde opgesloten ligt in het begrip van het onderwerp. Toch kan het heel goed gebeuren, dat zo een voorafgaand oordeel voor iemand niet uit zichzelf klaarblijkelijk is, wanneer hij nl. de bepaling van het onderwerp niet kent. Zo is bv. het voorafgaand oordeel: De mens is redelijk, op zichzelf genomen, uit zichzelf klaarblijkelijk, omdat men als men 87mens zegt, ook redelijk zegt. Toch is dit voorafgaand oordeel niet uit zichzelf klaarblijkelijk voor iemand die niet weet wat mens is. Daarom is het gezegde van Boëtius in zijn Boek Over de Tijdstippen waar, dat sommige axioma's of voorafgaande oordelen voor bijna alle mensen uit zichzelf klaarblijkelijk zijn. Hieronder vallen die voorafgaande oordelen waarvan de termen door allen gekend zijn, zoals bv.: Ieder geheel is groter dan een van zijn delen; twee dingen, die gelijk zijn aan een zelfde derde, zijn ook onderling gelijk. Andere voorafgaande oordelen zijn alleen voor de geleerden uit zichzelf klaarblijkelijk, omdat zij weten wat de termen van die voorafgaande oordelen betekenen. Zo is het bv. voor iemand die weet dat een engel geen lichaam heeft, uit zichzelf klaarblijkelijk, dat hij geen plaats inneemt, wat niet klaarblijkelijk is voor ongeletterden, die dat niet inzien.

In his autem, quae in apprehensione hominum1 cadunt, quidam ordo invenitur : nam illud, quod primo cadit in apprehensione est ens, cujus intellectus includitur in omnibus quaecumque quis apprehendit; et ideo primum principium indemonstrabile est, quod non est simul affirmare et negare, quod fundatur supra rationem entis et non entis : et super hoc principio omnia alia fundatur, ut dicitur in 4. Metaphys. [l. 3, c. 3].

In datgene nu, wat onder het bereik van alle menschen valt, wordt een bepaalde orde gevonden. Datgene immers, wat het allereerste onder het bereik van de menschelijke kennis valt, is het zijnde, waarvan het begrip gevonden wordt in al het gekende. Daarom ook is het eerste onbewijsbare beginsel, wat steunt 88op het begrip van zijnde en niet-zijnde, dit : Iets kan niet tegelijk bevestigd en ontkend worden. Op dit beginsel steunen verder alle andere, zooals de Wijsgeer zegt in het IVe Boek der Metaphysica (IIIe B., IIIe H., Nr 9).In datgene nu, wat onder het bereik van alle mensen valt, wordt een bepaalde orde gevonden. Datgene immers, wat het allereerste onder het bereik van de menselijke kennis valt, is het zijnde, waarvan het begrip gevonden wordt in al het gekende. Daarom ook is het eerste onbewijsbare beginsel, wat steunt 88op het begrip van zijnde en niet-zijnde, dit: Iets kan niet tegelijk bevestigd en ontkend worden. Op dit beginsel steunen verder alle andere, zoals de Wijsgeer zegt in het 4e Boek van de Metafysica (3e B., 3e H., Nr 9).

88Sicut autem ens est primum, quod cadit in apprehensione simpliciter, ita bonum est primum, quod cadit in apprehensione practicae rationis, quae ordinatur ad opus : omne enim agens agit propter finem, qui habet rationem boni. Et ideo primum principium in ratione practica est, quod fundatur supra rationem boni, quae est : Bonum est, quod omnia appetunt. Hoc est ergo primum praeceptum legis, quod bonum est faciendum, et prosequendum, et malum vitandum; et super hoc fundantur omnia alia praecepta legis naturae, ut scilicet omnia illa facienda vel vitanda pertineant ad praecepta legis naturae, quae ratio practica naturaliter apprehendit esse bona humana. Quia vero bonum habet rationem finis, malum autem rationem contrarii, inde est quod omnia illa, ad quae homo habet naturalem inclinationem, ratio naturaliter apprehendit ut bona, et per consequens ut opere prosequenda, et contraria eorum ut mala et vitanda.

Evenals nu het zijnde het eerst onder de kennis in het algemeen valt, zoo is dat, wat het eerst onder het bereik van het practisch verstand valt, dat geordend is tot handelen, het goede. Immers iedere werker handelt om een doel, dat krachtens zijn wezen goed is. Daarom steunt het eerste beginsel van het practisch verstand op het begrip : goed; dit begrip is nl. : Wanneer men iets verlangt, verlangt men het, omdat het goed is. Het eerste voorschrift van de wet is dus : Het goede moet gedaan en nagestreefd worden, het kwade gemeden, en daarop steunen alle andere voorschriften van de natuurwet, zoodat het doen of laten van iets valt onder de voorschriften van de natuurwet, wanneer het practisch verstand het van nature inziet als goed voor den mensch. Daar echter het goede valt onder het begrip doel en het kwade onder het tegenovergestelde, ziet het verstand alles waartoe de mensch een natuurlijke neiging heeft, van nature als goed in, en daarom als iets wat nagestreefd moet worden, en het 89tegenovergestelde als verkeerd en daarom ook als iets wat gemeden moet worden.Evenals nu het zijnde het eerst onder de kennis in het algemeen valt, zo is dat, wat het eerst onder het bereik van het praktisch verstand valt, dat geordend is tot handelen, het goede. Immers iedere werker handelt om een doel, dat krachtens zijn wezen goed is. Daarom steunt het eerste beginsel van het praktisch verstand op het begrip: goed; dit begrip is nl.: Wanneer men iets verlangt, verlangt men het, omdat het goed is. Het eerste voorschrift van de wet is dus: Het goede moet gedaan en nagestreefd worden, het kwade gemeden, en daarop steunen alle andere voorschriften van de natuurwet, zodat het doen of laten van iets valt onder de voorschriften van de natuurwet, wanneer het praktisch verstand het van nature inziet als goed voor de mens. Daar echter het goede valt onder het begrip doel en het kwade onder het tegenovergestelde, ziet het verstand alles waartoe de mens een natuurlijke neiging heeft, van nature als goed in, en daarom als iets wat nagestreefd moet worden, en het 89tegenovergestelde als verkeerd en daarom ook als iets wat gemeden moet worden.

Secundum igitur ordinem inclinationum naturalium est ordo praeceptorum legis naturae. Inest enim primo inclinatio homini ad bonum secundum 89naturam, in qua communicat cum omnibus substantiis, prout scilicet quaelibet substantia appetit conservationem sui esse secundum suam naturam. Et secundum hanc inclinationem pertinent ad legem naturalem ea, per quae vita hominis conservatur, et contrarium impeditur. Secundo inest homini inclinatio ad aliqua magis specialia secundum naturam, in qua communicat cum caeteris animalibus. Et secundum hoc dicuntur ea esse de lege naturali, quae natura omnia animalia docuit, ut est commixtio maris et foeminae, et educatio liberorum, et similia. Tertio modo inest homini inclinatio ad bonum secundum naturam rationis, quae est sibi propria, sicut homo habet naturalem inclinationem ad hoc quod veritatem cognoscat de Deo, et ad hoc quod in societate vivat. Et secundum hoc ad legem naturalem pertinent ea, quae ad hujusmodi inclinationem spectant, utpote quod homo ignorantiam vitet, quod alios non offendat, cum quibus debet conversari, et caetera hujusmodi, quae ad hoc spectant.

Uit bovenstaande volgt, dat dezelfde orde, die in de natuurlijke neigingen gevonden wordt, ook moet gevonden worden in de voorschriften van de natuurwet. Op de eerste plaats is er in den mensch een neiging naar het goede, dat volgt op zijn natuur, voor zoover ze gemeen is aan alle zelfstandigheden. Iedere zelfstandigheid toch heeft een natuurlijke neiging om te blijven zooals zij is door haar natuur. Overeenkomstig die neiging behooren die voorschriften tot de natuurwet, die dienen voor het behoud van het menschelijk leven, of om het tegenovergestelde tegen te gaan. Op de tweede plaats is er in den mensch een neiging tot een meer bijzonder goed, dat volgt op zijn natuur, voor zoover zij ook aan de dieren gemeen is. Overeenkomstig deze neiging behooren die voorschriften tot de natuurwet, die de natuur aan alle dieren heeft ingegeven, zooals de vereeniging van man en vrouw, de opvoeding der kinderen, en dergelijke. Op de derde plaats is er in den mensch een neiging naar het goede, dat volgt op zijn redelijke natuur, die hem eigen is. Hierdoor heeft de mensch een natuurlijke neiging om de waarheid omtrent God te kennen, en in gemeenschap samen te leven. Overeenkomstig die neiging behooren 90die voorschriften tot de natuurwet, die daarop betrekking hebben, b. v. dat hij de onwetendheid vlucht, dat hij degenen, met wie hij samen leeft, geen onrecht aandoet, en dergelijke, die daar mede in verband staan.Uit bovenstaande volgt, dat dezelfde orde, die in de natuurlijke neigingen gevonden wordt, ook moet gevonden worden in de voorschriften van de natuurwet. Op de eerste plaats is er in de mens een neiging naar het goede, dat volgt op zijn natuur, voor zover ze gemeen is aan alle zelfstandigheden. Iedere zelfstandigheid toch heeft een natuurlijke neiging om te blijven zoals zij is door haar natuur. Overeenkomstig die neiging behoren die voorschriften tot de natuurwet, die dienen voor het behoud van het menselijk leven, of om het tegenovergestelde tegen te gaan. Op de tweede plaats is er in de mens een neiging tot een meer bijzonder goed, dat volgt op zijn natuur, voor zover zij ook aan de dieren gemeen is. Overeenkomstig deze neiging behoren die voorschriften tot de natuurwet, die de natuur aan alle dieren heeft ingegeven, zoals de vereniging van man en vrouw, de opvoeding van de kinderen, en dergelijke. Op de derde plaats is er in de mens een neiging naar het goede, dat volgt op zijn redelijke natuur, die hem eigen is. Hierdoor heeft de mens een natuurlijke neiging om de waarheid omtrent God te kennen, en in gemeenschap samen te leven. Overeenkomstig die neiging behoren 90die voorschriften tot de natuurwet, die daarop betrekking hebben, bv. dat hij de onwetendheid vlucht, dat hij degenen, met wie hij samen leeft, geen onrecht aandoet, en dergelijke, die daar mede in verband staan.

↑ bedenking 1

90Ad primum ergo dicendum, quod omnia ista praecepta legis naturae, inquantum referuntur ad unum primum praeceptum, habent rationem unius legis naturalis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al die voorschriften van de natuurwet vallen onder één natuurwet, voor zoover ze betrekking hebben op een eerste voorschrift.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al die voorschriften van de natuurwet vallen onder één natuurwet, voor zover ze betrekking hebben op een eerste voorschrift.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod omnes hujusmodi inclinationes quarumcumque partium naturae humanae, puta concupiscibilis et irascibilis, secundum quod regulantur ratione, pertinent ad legem naturalem, et reducuntur ad unum primum praeceptum, ut dictum est [in corp.]. Et secundum hoc sunt multa praecepta legis naturae in seipsis, quae tamen communicant in una radice.

2. Alle neigingen van welk deel der menschelijke natuur ook, b. v. van het begeerend of van het weerstrevend streefvermogen behooren tot de natuurwet voor zoover ze door het verstand geregeld worden, en worden teruggebracht tot één eerste beginsel, zooals (in de Leerstelling) gezegd is. In dien zin zijn de voorschriften van de natuurwet veelvuldig, wanneer men ze op zichzelf beschouwt, terwijl ze alle in één beginsel overeenkomen.2. Alle neigingen van welk deel van de menselijke natuur ook, bv. van het begerend of van het weerstrevend streefvermogen behoren tot de natuurwet voor zover ze door het verstand geregeld worden, en worden teruggebracht tot één eerste beginsel, zoals (in de Leerstelling) gezegd is. In die zin zijn de voorschriften van de natuurwet veelvuldig, wanneer men ze op zichzelf beschouwt, terwijl ze alle in één beginsel overeenkomen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio etsi in se una sit, tamen est ordinativa omnium, quae ad homines spectant. Et secundum hoc sub lege rationis continentur omnia ea, quae ratione regulari possunt.

3. Ofschoon het verstand op zichzelf genomen één is, geeft het toch richting aan alles, wat op de menschen betrekking heeft. En in dien zin valt alles, wat door het verstand kan geregeld worden, onder de wet.3. Ofschoon het verstand op zichzelf genomen één is, geeft het toch richting aan alles, wat op de mensen betrekking heeft. En in die zin valt alles, wat door het verstand kan geregeld worden, onder de wet.

Articulus III

Utrum omnes actus virtutum sint de lege naturae

[4. Dist. 13. q. 1. art. 3. q. 1. ad 4]
IIIe Artikel

Vallen alle deugddaden onder de natuurwet?

antwoord 1 ↓

91Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non omnes actus virtutum sint de lege naturae : quia, ut supra dictum est [q. 90. art. 2.], de ratione legis est, ut ordinetur ad bonum commune; sed quidam virtutum actus ordinantur ad bonum privatum alicujus, ut patet praecipue in actibus temperantiae; non ergo omnes actus virtutum legi subduntur naturali.

91Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle deugddaden onder de natuurwet vallen. — 1. Immers, zooals hierboven gezegd is (XCe Kw., 2e Art.), is het eigen aan de wet te ordenen tot het algemeen welzijn. Welnu sommige deugddaden zijn geordend tot het particulier welzijn van iemand, zooals vooral blijkt bij de daden van de matigheid. Dus vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet.91Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alle deugddaden onder de natuurwet vallen. — 1. Immers, zoals hierboven gezegd is (90e Kw., 2e Art.), is het eigen aan de wet te ordenen tot het algemeen welzijn. Welnu sommige deugddaden zijn geordend tot het particulier welzijn van iemand, zoals vooral blijkt bij de daden van de matigheid. Dus vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omnia peccata aliquibus virtuosis actibus opponuntur; si igitur omnes actus virtutum sint de lege naturae, videtur ex consequenti, quod omnia peccata sint contra naturam, quod tamen specialiter de quibusdam peccatis dicitur.

2. Alle zonden zijn aan een of andere deugddaad tegenovergesteld. Indien dus alle deugddaden onder de natuurwet zouden vallen, dan moeien alle zonden tegen de natuur zijn, wat maar van enkele zonden speciaal gezegd wordt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in his quae sunt secundum naturam, omnes conveniunt; sed in actibus virtutum non omnes conveniunt : aliquid enim est virtuosum 92uni, quod est alteri vitiosum; ergo non omnes actus virtutum sunt de lege naturae.

3. In die dingen, die overeenkomstig de natuur zijn, komen allen overeen. Maar in het stellen van deugddaden komen niet allen overeen; iets immers wat voor den een goed is, is voor een ander slecht. Dus vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet.3. In die dingen, die overeenkomstig de natuur zijn, komen allen overeen. Maar in het stellen van deugddaden komen niet allen overeen; iets immers wat voor de een goed is, is voor een ander slecht. Dus vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet.

Sed contra est, quod Damascenus dicit in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 14], quod virtutes sunt naturales; ergo et actus virtuosi subjacent legi naturae.

92Maar daartegenover staat het gezegde van Damascenus in het IIIe Boek van zijn werk Over het ware Geloof (XIVe H.), dat de deugden natuurlijk zijn. Dus zijn de deugddaden aan de natuurwet onderworpen.92Maar daartegenover staat het gezegde van Damascenus in het 3e Boek van zijn werk Over het ware Geloof (14e H.), dat de deugden natuurlijk zijn. Dus zijn de deugddaden aan de natuurwet onderworpen.

Respondeo dicendum, quod de actibus virtuosis dupliciter loqui possumus: uno modo, inquantum sunt virtuosi; alio modo, inquantum sunt tales actus in propriis speciebus considerati.

Leerstelling. — Men kan over deugddaden spreken op twee manieren : ten eerste, juist in zoover ze deugddaden zijn; ten tweede, in zoover het die bepaalde daden zijn, beschouwd in hun eigen soort.Leerstelling. — Men kan over deugddaden spreken op twee manieren: ten eerste, juist in zover ze deugddaden zijn; ten tweede, in zover het die bepaalde daden zijn, beschouwd in hun eigen soort.

Si igitur loquamur de actibus virtutum, inquantum sunt virtuosi, sic omnes actus virtuosi pertinent ad legem naturae. Dictum est enim [art. praec.], quod ad legem naturae pertinet omne illud, ad quod homo inclinatur secundum suam naturam. Inclinatur autem unumquodque naturaliter ad operationem sibi convenientem secundum suam formam, sicut ignis ad calefaciendum. Unde cum anima rationalis sit propria forma hominis, naturalis inclinatio inest 93cuilibet homini ad hoc, quod agat secundum rationem; et hoc est agere secundum virtutem. Unde secundum hoc omnes actus virtutum sunt de lege naturali : dicat enim hoc naturaliter unicuique propria ratio, ut virtuose agat.

Indien we over deugddaden spreken, juist in zoover ze deugddaden zijn, dan behooren alle deugddaden tot de natuurwet. We hebben immers (in het vorig Artikel) gezien, dat tot de natuurwet behoort al datgene, waartoe de mensch overeenkomstig zijn natuur geneigd is. Alles nu is van nature geneigd tot die werking, die met zijn wezensvorm overeenkomt, zooals het vuur tot verwarmen. Daar dus de redelijke ziel de wezensvorm van den mensch is, is er in iederen mensch een natuurlijke neiging om te handelen overeenkomstig de rede; en dit is handelen overeenkomstig de deugd. Bijgevolg vallen alle deugddaden onder de natuurwet. Ieders verstand immers schrijft van nature aan eenieder voor, dat men deugdzaam moet handelen.Indien we over deugddaden spreken, juist in zover ze deugddaden zijn, dan behoren alle deugddaden tot de natuurwet. We hebben immers (in het vorig Artikel) gezien, dat tot de natuurwet behoort al datgene, waartoe de mens overeenkomstig zijn natuur geneigd is. Alles nu is van nature geneigd tot die werking, die met zijn wezensvorm overeenkomt, zoals het vuur tot verwarmen. Daar dus de redelijke ziel de wezensvorm van de mens is, is er in iedere mens een natuurlijke neiging om te handelen overeenkomstig de rede; en dit is handelen overeenkomstig de deugd. Bijgevolg vallen alle deugddaden onder de natuurwet. Ieders verstand immers schrijft van nature aan eenieder voor, dat men deugdzaam moet handelen.

Sed si loquamur de actibus virtuosis secundum seipsos, prout scilicet in propriis speciebus considerantur, sic non omnes actus virtuosi sunt de lege naturae : multa enim secundum virtutem fiunt, ad quae natura non primo inclinat; sed per rationis inquisitionem ea homines adinvenerunt, quasi utilia ad bene vivendum.

93Maar indien men over de deugddaden spreekt op zichzelf, beschouwd in hun eigen soort, vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet. Vele daden immers vallen onder de deugd, waartoe de mensch van nature uit niet onmiddellijk geneigd is, maar die na een verstandelijk onderzoek nuttig bevonden worden om goed te leven.93Maar indien men over de deugddaden spreekt op zichzelf, beschouwd in hun eigen soort, vallen niet alle deugddaden onder de natuurwet. Vele daden immers vallen onder de deugd, waartoe de mens van nature uit niet onmiddellijk geneigd is, maar die na een verstandelijk onderzoek nuttig bevonden worden om goed te leven.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod temperantia est circa concupiscentias naturales cibi et potus et venereorum, quae quidem ordinantur ad bonum commune naturae; sicut et alia legalia ordinantur ad bonum commune morale.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De matigheid is gericht op de natuurlijke begeerte naar spijs, drank en geslachtsleven, die echter geordend zijn tot het algemeen belang van de natuur, zooals de andere wettelijke voorschriften gericht zijn op het algemeen belang in de zedelijke orde.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De matigheid is gericht op de natuurlijke begeerte naar spijs, drank en geslachtsleven, die echter geordend zijn tot het algemeen belang van de natuur, zoals de andere wettelijke voorschriften gericht zijn op het algemeen belang in de zedelijke orde.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod natura hominis potest dici vel illa, quae est propria hominis; et secundum hoc omnia peccata, inquantum sunt contra rationem, sunt etiam contra naturam, ut patet per Damascenum in 2. lib. [Orth. Fid. cap. 30.] ; vel illa, quae est communis homini et aliis 94animalibus; et secundum hoc quaedam specialia peccata dicuntur esse contra naturam, sicut contra commixtionem maris et foeminae, quae est naturalis omnibus animalibus, est concubitus masculorum, quod specialiter dicitur vitium contra naturam.

2. Als de natuur van den mensch kan men aanzien, ofwel de natuur, die eigen is aan den mensch, en in zoover zijn alle zonden, juist omdat ze tegen de rede ingaan, tegennatuurlijk, zooals Damascenus zegt in het IIe Boek van zijn werk Over het ware Geloof (XXXe H.), ofwel de natuur die eigen is aan den mensch en aan de overige dieren, en in zoover zegt men van sommige zonden speciaal, dat ze tegennatuurlijk zijn, zooals het geslachtsverkeer tusschen mannen, dat speciaal een tegennatuurlijke zonde 94genoemd wordt, ingaat tegen het verkeer tusschen het mannelijk en het vrouwelijk individu, wat voor alle dieren overeenkomstig de natuur is.2. Als de natuur van de mens kan men aanzien, ofwel de natuur, die eigen is aan de mens, en in zover zijn alle zonden, juist omdat ze tegen de rede ingaan, tegennatuurlijk, zoals Damascenus zegt in het 2e Boek van zijn werk Over het ware Geloof (30e H.), ofwel de natuur die eigen is aan de mens en aan de overige dieren, en in zover zegt men van sommige zonden speciaal, dat ze tegennatuurlijk zijn, zoals het geslachtsverkeer tussen mannen, dat speciaal een tegennatuurlijke zonde 94genoemd wordt, ingaat tegen het verkeer tussen het mannelijk en het vrouwelijk individu, wat voor alle dieren overeenkomstig de natuur is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit de actibus secundum seipsos consideratis : sic enim propter diversas hominum conditiones contingit, quod aliqui actus sunt virtuosi, tamquam eis proportionati et convenientes, qui tamen sunt aliis vitiosi, tamquam eis non proportionati.

3. Die redeneering gaat uit van de daden, op zichzelf beschouwd. In dat geval immers gebeurt het, om de verschillende levensomstandigheden van de menschen, dat sommige daden voor sommigen deugdelijk zijn, in zoover ze aan hun levensomstandigheden aangepast zijn, terwijl ze voor anderen verkeerd zijn, in zoover ze aan hun levensomstandigheden niet aangepast zijn.3. Die redenering gaat uit van de daden, op zichzelf beschouwd. In dat geval immers gebeurt het, om de verschillende levensomstandigheden van de mensen, dat sommige daden voor sommigen deugdelijk zijn, in zover ze aan hun levensomstandigheden aangepast zijn, terwijl ze voor anderen verkeerd zijn, in zover ze aan hun levensomstandigheden niet aangepast zijn.

Articulus IV

Utrum lex naturae sit una apud omnes

[3. Dist. 37. art. 3. corp. et 4. Dist. 33. q. 1. art. 1. corp. et art. 2. ad 1.]
IVe Artikel

Is de natuurwet voor allen gelijk?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod lex naturae non sit una apud omnes : dicitur enim in Decretis [dist. 1, in praef. Gratiani], quod jus naturale est quod in Lege et in Evangelio continetur; sed hoc non est 95commune omnibus, quia, ut dicitur Rom. 10 [v. 16] : « Non omnes obediunt Evangelio ». Ergo lex naturalis non est una apud omnes.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet niet voor allen gelijk is. — 1. In de Decreten immers staat geschreven (Ie Deel) : « Het natuurrecht is dat, wat vervat is in de Wet en in het Evangelie ». Welnu dit is niet gelijk voor allen, want « niet 95allen gehoorzamen aan het Evangelie », zegt de Brief aan de Romeinen (10, 16). Dus is de natuurwet niet voor allen gelijk.Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet niet voor allen gelijk is. — 1. In de Decreten immers staat geschreven (1e Deel): “Het natuurrecht is dat, wat vervat is in de Wet en in het Evangelie”. Welnu dit is niet gelijk voor allen, want “niet 95allen gehoorzamen aan het Evangelie”, zegt de Brief aan de Romeinen (10, 16). Dus is de natuurwet niet voor allen gelijk.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quae sunt secundum legem, justa esse dicuntur, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.] ; sed in eodem lib. [cap. 77.] dicitur, quod nihil est ita justum apud omnes, quin apud aliquos diversificetur; ergo etiam lex naturalis non est apud omnes eadem.

2. Datgene wat overeenkomstig de wet is, wordt rechtmatig genoemd, zooals we lezen in het Ve Boek der Ethica (Ie H., Nr 12). Maar in hetzelfde Boek wordt gezegd (VIIe H., Nr 4), dat niets zóó rechtmatig is voor allen, zonder dat het voor sommigen verschilt. Dus is ook de natuurwet niet gelijk voor allen.2. Datgene wat overeenkomstig de wet is, wordt rechtmatig genoemd, zoals we lezen in het 5e Boek van de Ethica (1e H., Nr 12). Maar in hetzelfde Boek wordt gezegd (7e H., Nr 4), dat niets zó rechtmatig is voor allen, zonder dat het voor sommigen verschilt. Dus is ook de natuurwet niet gelijk voor allen.

antwoord 3 ↓

3 Praeterea, ad legem naturae pertinet id, ad quod homo secundum naturam suam inclinatur, ut supra dictum est [art. 2. huj. q.] ; sed diversi homines naturaliter ad diversa inclinatur, alii quidem ad concupiscentiam voluptatum, alii ad desideria honorum, alii ad alia; ergo non est una lex naturalis apud omnes.

3. Tot de natuurwet behoort datgene waartoe de mensch van nature geneigd is, zooals hierboven gezegd is (2e Art). Welnu verschillende menschen zijn van nature tot verschillende dingen geneigd; zoo toonen sommigen een neiging tot zingenot, anderen naar eerbejag, nog anderen naar iets anders. Dus is de natuurwet niet voor allen gelijk.3. Tot de natuurwet behoort datgene waartoe de mens van nature geneigd is, zoals hierboven gezegd is (2e Art). Welnu verschillende mensen zijn van nature tot verschillende dingen geneigd; zo tonen sommigen een neiging tot zingenot, anderen naar eerbejag, nog anderen naar iets anders. Dus is de natuurwet niet voor allen gelijk.

Sed contra est, quod Isidorus dicit in lib. 5 Etymologiarum [cap. 4.] : « Jus naturale est commune omni nationi ».

Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in het Ve Boek van zijn Etymologieën (IVe H.) : « Het natuurrecht is aan ieder volk gemeen ».Maar daartegenover staat het gezegde van Isidorus in het 5e Boek van zijn Etymologieën (4e H.): “Het natuurrecht is aan ieder volk gemeen”.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 2. huj. q.], ad legem naturae pertinent ea, ad quae homo naturaliter inclinatur, inter quae 96homini proprium est, ut inclinetur ad agendum secundum rationem. Ad rationem autem pertinet ex communibus ad propria procedere, ut patet ex 1. Physicor. [cap. 1.] ; aliter tamen circa hoc se habet ratio speculativa, et aliter practica. Quia enim ratio speculativa praecipue negotiatur circa necessaria, quae impossibile est aliter se habere, absque aliquo defectu invenitur veritas in conclusionibus propriis, sicut et in principiis communibus. Sed ratio practica negotiatur circa contingentia, in quibus sunt operationes humanae: et ideo, si in communibus sit aliqua necessitas, quanto magis ad propria descenditur, tanto magis invenitur defectus.

Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (2e Art.), behooren die dingen tot de natuurwet, waartoe de mensch van 96nature geneigd is. Daaronder valt ook, wat dan eigen is aan den mensch, dat hij geneigd is te handelen volgens de rede. Welnu het is eigen aan de rede, van het algemeene over te gaan op het bijzondere, zooals blijkt uit het Ie Boek der Physica (Ie H.). Hiertoe echter verhoudt zich het beschouwend verstand anders dan het practisch verstand. Immers daar het voorwerp van het beschouwend verstand het noodzakelijke is, dat onmogelijk anders kan zijn, wordt de waarheid zonder afwijking gevonden, zoowel in de gevolgtrekkingen als in de algemeene beginselen. Het voorwerp van het practisch verstand is integendeel het wisselvallige, waarop de handelingen van den mensch zich betrekken. Daaruit volgt, dat, hoewel er in de algemeene beginselen eenige noodzakelijkheid is, deze vermindert, naarmate men tot het bijzondere afdaalt.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (2e Art.), behoren die dingen tot de natuurwet, waartoe de mens van 96nature geneigd is. Daaronder valt ook, wat dan eigen is aan de mens, dat hij geneigd is te handelen volgens de rede. Welnu het is eigen aan de rede, van het algemene over te gaan op het bijzondere, zoals blijkt uit het 1e Boek van de Fysica (1e H.). Hiertoe echter verhoudt zich het beschouwend verstand anders dan het praktisch verstand. Immers daar het voorwerp van het beschouwend verstand het noodzakelijke is, dat onmogelijk anders kan zijn, wordt de waarheid zonder afwijking gevonden, zowel in de gevolgtrekkingen als in de algemene beginselen. Het voorwerp van het praktisch verstand is integendeel het wisselvallige, waarop de handelingen van de mens zich betrekken. Daaruit volgt, dat, hoewel er in de algemene beginselen enige noodzakelijkheid is, deze vermindert, naarmate men tot het bijzondere afdaalt.

Sic igitur in speculativis est eadem veritas apud omnes tam in principiis, quam in conclusionibus, licet veritas non apud omnes cognoscatur in conclusionibus, sed solum in principiis, quae dicuntur communes conceptiones. In operativis autem non est eadem veritas vel rectitudo pratica apud omnes quantum ad propria, sed solum quantum ad communia; et apud illos, apud quos est eadem rectitudo in propriis, non est aequaliter omnibus nota.

Wat het beschouwend verstand betreft, is dus dezelfde waarheid voor allen, zoowel met betrekking tot de beginselen als met betrekking tot de gevolgtrekkingen, hoewel zij niet door allen gekend zijn met betrekking tot de gevolgtrekkingen, maar alleen met betrekking tot de beginselen die algemeen genoemd worden. Wat echter het practisch verstand betreft, is niet dezelfde 97waarheid of practische rechtgeordendheid voor allen, met betrekking tot de bijzondere stellingen, maar alleen met betrekking tot de algemeene; en die dingen, waarin de rechtgeordendheid met betrekking tot de bijzondere stellingen voor allen dezelfde is, zijn niet door allen op dezelfde manier gekend.Wat het beschouwend verstand betreft, is dus dezelfde waarheid voor allen, zowel met betrekking tot de beginselen als met betrekking tot de gevolgtrekkingen, hoewel zij niet door allen gekend zijn met betrekking tot de gevolgtrekkingen, maar alleen met betrekking tot de beginselen die algemeen genoemd worden. Wat echter het praktisch verstand betreft, is niet dezelfde 97waarheid of praktische rechtgeordendheid voor allen, met betrekking tot de bijzondere stellingen, maar alleen met betrekking tot de algemene; en die dingen, waarin de rechtgeordendheid met betrekking tot de bijzondere stellingen voor allen dezelfde is, zijn niet door allen op dezelfde manier gekend.

97Sic igitur patet, quod quantum ad communia principia rationis sive speculativae, sive praticae, est eadem veritas seu rectitudo apud omnes, et aequaliter nota. Quantum vero ad proprias conclusiones rationis speculativae est eadem veritas apud omnes, non tamen aequaliter omnibus nota : apud omnes enim verum est, quod triangulus habet tres angulos aequales duobus rectis, quamvis hoc non sit omnibus notum. Sed quantum ad proprias conclusiones rationis praticae, nec est eadem veritas seu rectitudo apud omnes, nec etiam apud quos est eadem, est aequaliter nota. Apud omnes enim hoc rectum est et verum, ut secundum rationem agatur. Et hoc autem principio sequitur quasi conclusio propria, quod deposita sint reddenda; et hoc quidem ut in pluribus verum est, sed potest in aliquo casu contingere, quod sit damnosum, et per consequens irrationabile, si deposita reddantur; puta si aliquis petat ad impugnandam patriam. Et hoc tanto magis invenitur deficere, quanto magis ad particularia descenditur, puta si dicatur, quod deposita sunt reddenda cum tali cautione, vel tali modo : quanto enim 98plures conditiones particulares aponuntur, tanto pluribus modis poterit deficere, ut non sit rectum, vel in reddendo, vel non reddendo.

Uit bovenstaande blijkt dus, dat met betrekking tot de algemeene beginselen zoowel van het beschouwend verstand als van het practisch verstand, de waarheid en de rechtgeordendheid voor allen dezelfde zijn, en ook door allen op gelijke wijze gekend zijn. De bijzondere conclusies echter van het beschouwend verstand zijn voor allen even waar, hoewel ze niet door allen op gelijke wijze gekend zijn. Zoo is het b. v. voor allen even waar, dat de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechte hoeken, ofschoon allen dit niet weten. Maar de bijzondere conclusies van het practisch verstand zijn voor allen niet even waar of rechtgeordend, en voor wie ze wel even waar zijn, zijn ze niet op gelijke wijze gekend. Immers voor allen is het even waar en rechtgeordend, dat men volgens de rede moet handelen. Uit dit beginsel volgt bij wijze van bijzondere conclusie, dat het geleende teruggeven moet worden. Dit nu is in de meeste gevallen waar, 98hoewel het in een bijzonder geval kan voorkomen, dat het schadelijk en dus onredelijk is, het geleende terug te geven, b. v. indien iemand het terug zou vragen, om tegen zijn vaderland te strijden. Naarmate men nu meer tot het bijzondere afdaalt, vindt men meer afwijkingen, b. v. indien men zegt, dat het geleende teruggegeven moet worden onder bepaalde voorzorgen of op bepaalde wijze. Immers hoe meer bijzondere voorwaarden men er bij voegt, des te talrijker zullen de afwijkingen zijn, zoodat het niet rechtgeordend is, terug te geven of niet.Uit bovenstaande blijkt dus, dat met betrekking tot de algemene beginselen zowel van het beschouwend verstand als van het praktisch verstand, de waarheid en de rechtgeordendheid voor allen dezelfde zijn, en ook door allen op gelijke wijze gekend zijn. De bijzondere conclusies echter van het beschouwend verstand zijn voor allen even waar, hoewel ze niet door allen op gelijke wijze gekend zijn. Zo is het bv. voor allen even waar, dat de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechte hoeken, ofschoon allen dit niet weten. Maar de bijzondere conclusies van het praktisch verstand zijn voor allen niet even waar of rechtgeordend, en voor wie ze wel even waar zijn, zijn ze niet op gelijke wijze gekend. Immers voor allen is het even waar en rechtgeordend, dat men volgens de rede moet handelen. Uit dit beginsel volgt bij wijze van bijzondere conclusie, dat het geleende teruggeven moet worden. Dit nu is in de meeste gevallen waar, 98hoewel het in een bijzonder geval kan voorkomen, dat het schadelijk en dus onredelijk is, het geleende terug te geven, bv. indien iemand het terug zou vragen, om tegen zijn vaderland te strijden. Naarmate men nu meer tot het bijzondere afdaalt, vindt men meer afwijkingen, bv. indien men zegt, dat het geleende teruggegeven moet worden onder bepaalde voorzorgen of op bepaalde wijze. Immers hoe meer bijzondere voorwaarden men er bij voegt, des te talrijker zullen de afwijkingen zijn, zodat het niet rechtgeordend is, terug te geven of niet.

Sic igitur dicendum est, quod lex naturae, quantum ad prima principia communia, est eadem apud omnes, et secundum rectitudinem, et secundum notitiam. Sed quantum ad quaedam propria, quae sunt quasi conclusiones principiorum communium, est eadem apud omnes etiam ut in pluribus, et secundum rectitudinem, et secundum notitiam, sed ut in paucioribus potest deficere, et quantum ad rectitudinem, propter aliqua particularia impedimenta [sicut etiam naturae generabiles et corruptibiles deficiunt ut in paucioribus propter impedimenta], et etiam quantum ad notitiam. Et hoc propter hoc, quod aliqui habent depravatam rationem ex passione, seu ex mala consuetudine, seu ex mala habitudine naturae; sicut apud Germanos olim latrocinium non reputabatur iniquum, cum tamen sit expresse contra legem naturae, ut refert Julius Caesar in lib. 6. de Bello Gallico [cap. 23.].

Na al het voorgaande moet men dus besluiten, dat de natuurwet wat de eerste algemeene beginselen betreft, voor allen dezelfde is, zoowel met betrekking tot de rechtgeordendheid, als met betrekking tot de kennis. Maar wat sommige bijzondere gevallen betreft, die als 't ware conclusies zijn van de algemeene beginselen, is zij voor allen in de meeste gevallen hetzelfde, zoowel met betrekking tot de rechtgeordendheid als met betrekking tot de kennis. In sommige gevallen echter laat zij een afwijking toe, én met betrekking tot de rechtgeordendheid, wegens sommige bijzondere hindernissen (zooals men soms ook in het ontstaan en vergaan der natuurdingen door hindernissen afwijkingen vindt), én met betrekking tot de kennis, en dit daar 99sommigen een door de hartstocht, of door slechte gewoonte, of door verkeerde natuursgesteltenis verduisterde rede hebben. Zoo werd b. v. vroeger bij de Germanen roof niet voor onrechtvaardig gehouden, ofschoon het uitdrukelijk tegen de natuurwet is. Dit verhaalt Julius Caesar in het VIe Boek Over den gallischen Oorlog (XXIIIe H.).Na al het voorgaande moet men dus besluiten, dat de natuurwet wat de eerste algemene beginselen betreft, voor allen dezelfde is, zowel met betrekking tot de rechtgeordendheid, als met betrekking tot de kennis. Maar wat sommige bijzondere gevallen betreft, die als 't ware conclusies zijn van de algemene beginselen, is zij voor allen in de meeste gevallen hetzelfde, zowel met betrekking tot de rechtgeordendheid als met betrekking tot de kennis. In sommige gevallen echter laat zij een afwijking toe, én met betrekking tot de rechtgeordendheid, wegens sommige bijzondere hindernissen (zoals men soms ook in het ontstaan en vergaan van de natuurdingen door hindernissen afwijkingen vindt), én met betrekking tot de kennis, en dit daar 99sommigen een door de hartstocht, of door slechte gewoonte, of door verkeerde natuursgesteltenis verduisterde rede hebben. Zo werd bv. vroeger bij de Germanen roof niet voor onrechtvaardig gehouden, ofschoon het uitdrukelijk tegen de natuurwet is. Dit verhaalt Julius Caesar in het 6e Boek Over de Gallische Oorlog (23e H.).

↑ bedenking 1

99Ad primum ergo dicendum, quod verbum illud non est sic intelligendum, quasi omnia, quae in lege et in Evangelio continentur, sint de lege naturae, cum multa tradantur ibi supra naturam. Sed ea, quae sunt de lege naturae, plenarie ibi traduntur; unde cum dixisset Gratianus, quod jus naturale est, quod in Lege et Evangelio continetur, statim exemplificando subjunxit : « quisque jubetur1 alii facere, quod sibi vult fieri. »

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde moet niet zoo verstaan worden, alsof alles, wat in de Wet en het Evangelie vervat is, tot de natuurwet zou behooren. Vele dingen immers, die er in vervat zijn, zijn boven de natuur. Maar die dingen, die tot de natuurwet behooren, worden daar in hun volheid gevonden. Vandaar laat Gratianus op zijn gezegde, dat het natuurrecht in de Wet en het Evangelie vervat ligt, onmiddellijk volgen: « Waardoor het aan allen opgelegd wordt, aan een ander te doen, wat hij wil, dat hem geschiedt, en niet te doen, wat hij niet wil, dat hem geschiedt ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit gezegde moet niet zo verstaan worden, alsof alles, wat in de Wet en het Evangelie vervat is, tot de natuurwet zou behoren. Vele dingen immers, die er in vervat zijn, zijn boven de natuur. Maar die dingen, die tot de natuurwet behoren, worden daar in hun volheid gevonden. Vandaar laat Gratianus op zijn gezegde, dat het natuurrecht in de Wet en het Evangelie vervat ligt, onmiddellijk volgen: “Waardoor het aan allen opgelegd wordt, aan een ander te doen, wat hij wil, dat hem geschiedt, en niet te doen, wat hij niet wil, dat hem geschiedt”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod verbum Philosophi est intelligendum de his, quae sunt naturaliter justa, non sicut principia communia, sed sicut quaedam conclusiones ex his derivatae; quae ut in pluribus habent rectitudinem, et ut in paucioribus deficiunt.

2. Het gezegde van den Wijsgeer moet verstaan worden van die dingen, die van nature rechtmatig zijn, niet als algemeene beginselen, maar als daaruit afgeleide gevolgtrekkingen, die in 100de meeste gevallen rechtgeordend zijn, maar in sommige gevallen niet.2. Het gezegde van de Wijsgeer moet verstaan worden van die dingen, die van nature rechtmatig zijn, niet als algemene beginselen, maar als daaruit afgeleide gevolgtrekkingen, die in 100de meeste gevallen rechtgeordend zijn, maar in sommige gevallen niet.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod sicut ratio in homine dominatur et imperat aliis potentiis; ita oportet quod omnes inclinationes naturales ad alias potentias pertinentes ordinentur secundum rationem; unde hoc est apud omnes 100communiter receptum, ut secundum rationem dirigantur omnes hominum inclinationes.

3. Evenals de rede in den mensch de andere vermogens beheerscht en beveelt, zoo ook moeten alle natuurlijke neigingen der andere vermogens geregeld worden overeenkomstig de rede. Vandaar is dit voor allen in het algemeen rechtmatig, dat alle neigingen van de menschen geregeld worden door de rede.3. Evenals de rede in de mens de andere vermogens beheerst en beveelt, zo ook moeten alle natuurlijke neigingen van de andere vermogens geregeld worden overeenkomstig de rede. Vandaar is dit voor allen in het algemeen rechtmatig, dat alle neigingen van de mensen geregeld worden door de rede.

Articulus V

Utrum lex naturae mutari possit

[Supr. art. 4. corp. et ad 2. et infr. q. 97. art. 1. ad 1. et Dist. 37. art. 3. corp. et 4. Dist. 33. q. 1. corp. et art. 2. ad 1.].
Ve Artikel

Kan de natuurwet veranderd worden?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod lex naturae mutari possit, quia super illud Eccli. 17 [v. 9] : « Addidit eis disciplinam, et legem vitae », ut dicit Glossa [ordin.], « legem literae, quantum ad correctionem legis naturalis, scribi voluit ». Sed illud, quod corrigitur, mutatur; ergo lex naturalis potest mutari.

Bedenkingen. — Men beweert dat de natuurwet veranderd kan worden. — 1. Immers op het woord van het Boek Ecclesiasticus (17, 9) : « Gegeven heeft hij hun levenstucht en een levenswet », laat de gewone Glossa volgen : « Om de natuurwet te verbeteren heeft hij een geschreven wet gewild. » Welnu datgene, wat verbeterd wordt, verandert. Dus kan de natuurwet veranderd worden.Bedenkingen. — Men beweert dat de natuurwet veranderd kan worden. — 1. Immers op het woord van het Boek Sirach (17, 9): “Gegeven heeft hij hun levenstucht en een levenswet”, laat de gewone Glossa volgen: “Om de natuurwet te verbeteren heeft hij een geschreven wet gewild.” Welnu datgene, wat verbeterd wordt, verandert. Dus kan de natuurwet veranderd worden.

antwoord 2 ↓

1012. Praeterea, contra legem naturalem est occisio innocentis, et etiam adulterium et furtum; sed ista inveniuntur esse mutata a Deo, puta cum Deus praecepit Abrahae, quod occideret filium innocentem, ut habetur Gen. 22 [v. 2], et cum praecepit Judaeis, ut mutuata Aegyptiorum vasa subriperent, ut habetur Exod. 12 [v. 35 s. q. q.], et cum praecepit Oseae, ut uxorem fornicariam acciperet, ut habetur Oseae 1 [v. 2] ; ergo lex naturalis potest mutari.

1012. Tegen de natuurwet is het dooden van een onschuldige, overspel en diefstal. Welnu die dingen heeft God veranderd nl. toen Hij aan Abraham beval zijn onschuldigen zoon te dooden (Genesis, 22, 2), en toen de Joden het geleende vaatwerk van de Egyptenaren moesten stelen (Exodus, 12, 35 v. v.), en toen Hij Osee beval een overspelige vrouw te nemen (Osee, 1, 2). Dus kan de natuurwet veranderd worden.1012. Tegen de natuurwet is het doden van een onschuldige, overspel en diefstal. Welnu die dingen heeft God veranderd nl. toen Hij aan Abraham beval zijn onschuldigen zoon te doden (Genesis, 22, 2), en toen de Joden het geleende vaatwerk van de Egyptenaren moesten stelen (Exodus, 12, 35 v. v.), en toen Hij Hosea beval een overspelige vrouw te nemen (Hosea, 1, 2). Dus kan de natuurwet veranderd worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Isidorus dicit in lib. 5 Etymolog. [cap. 4.], quod communis omnium possessio, et una libertas est de jure naturali; sed haec videmus esse mutata per leges humanas; ergo videtur, quod lex naturalis sit mutabilis.

3. Isidorus zegt in het Ve Boek van zijn Etymologieën (IVe H.) : « Het gemeenschappelijk bezit van alles en de persoonlijke vrijheid vallen onder het natuurrecht ». Maar die dingen zien we door menschelijke wetten veranderd worden. Dus kan de natuurwet veranderd worden.3. Isidorus zegt in het 5e Boek van zijn Etymologieën (4e H.): “Het gemeenschappelijk bezit van alles en de persoonlijke vrijheid vallen onder het natuurrecht”. Maar die dingen zien we door menselijke wetten veranderd worden. Dus kan de natuurwet veranderd worden.

Sed contra est, quod dicitur in Decretis, dist 5. [seu in praeludio] : « Naturale jus ab exordio rationalis creaturae; nec variatur tempore, sed immutabile permanet ».

Maar daartegenover staat het gezegde in de Decreten (Ve D.) : « Het natuurrecht is bij de schepping van het redelijk schepsel begonnen, en is gedurende den tijd niet veranderd, maar duurt onveranderlijk voort ».Maar daartegenover staat het gezegde in de Decreten (5e D.): “Het natuurrecht is bij de schepping van het redelijk schepsel begonnen, en is gedurende de tijd niet veranderd, maar duurt onveranderlijk voort”.

102Respondeo dicendum, quod lex naturalis potest intelligi mutari dupliciter. Uno modo per hoc quod aliquid ei addatur, et sic nihil prohibet, legem naturalem mutari. Multa enim supra legem naturalem superaddita sunt ad humanam vitam utilia tam per legem divinam, quam etiam per leges humanas. Alio modo potest intelligi mutatio legis naturalis per modum subtractionis, ut scilicet aliquid desinat esse de lege naturali, quod prius fuit secundum legem naturalem.

Leerstelling. — Dat de natuurwet veranderd wordt, kan men op twee manieren verstaan; ten eerste zóó, dat er iets aan 102toegevoegd wordt, en zoo is er niets tegen, dat de natuurwet, veranderd wordt; vele dingen immers, die voor het menschelijk leven goed zijn, zijn aan de natuurwet toegevoegd, zoowel door de goddelijke wet als door de menschelijke wet. Op een andere manier kan de verandering der natuurwet nog door onttrekking verstaan worden, nl. wanneer iets ophoudt tot de natuurwet te behooren, wat er te voren toe behoorde.Leerstelling. — Dat de natuurwet veranderd wordt, kan men op twee manieren verstaan; ten eerste zó, dat er iets aan 102toegevoegd wordt, en zo is er niets tegen, dat de natuurwet, veranderd wordt; vele dingen immers, die voor het menselijk leven goed zijn, zijn aan de natuurwet toegevoegd, zowel door de goddelijke wet als door de menselijke wet. Op een andere manier kan de verandering van de natuurwet nog door onttrekking verstaan worden, nl. wanneer iets ophoudt tot de natuurwet te behoren, wat er te voren toe behoorde.

Et sic, quantum ad prima principia legis naturae, lex naturae est omnino immutabilis; quantum autem ad secunda praecepta, quae diximus esse quasi quasdam proprias conclusiones propinquas primis principiis, sic lex naturalis non immutatur, quin ut in pluribus sit rectum semper, quod lex naturalis habet, potest tamen mutari et in aliquo particulari, et in paucioribus, propter aliquas speciales causas impedientes observantiam talium praeceptorum, ut supra dictum est [art. praec.].

Met betrekking tot de eerste beginselen van de natuurwet, is ze absoluut onveranderlijk. Met betrekking echter tot de afgeleide voorschriften, die eigen en onmiddellijke gevolgtrekkingen van de eerste beginselen zijn, wordt de natuurwet niet in die mate veranderd, dat het niet meer in de meeste gevallen rechtmatig zou zijn, wat de natuurwet behelst; echter kan zij in een bijzonder geval en bij wijze van uitzondering, wegens speciale oorzaken, die de onderhouding van dergelijke voorschriften verhinderen, veranderd worden, zooals hierboven gezegd is (4e Art.).Met betrekking tot de eerste beginselen van de natuurwet, is ze absoluut onveranderlijk. Met betrekking echter tot de afgeleide voorschriften, die eigen en onmiddellijke gevolgtrekkingen van de eerste beginselen zijn, wordt de natuurwet niet in die mate veranderd, dat het niet meer in de meeste gevallen rechtmatig zou zijn, wat de natuurwet behelst; echter kan zij in een bijzonder geval en bij wijze van uitzondering, wegens speciale oorzaken, die de onderhouding van dergelijke voorschriften verhinderen, veranderd worden, zoals hierboven gezegd is (4e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod lex scripta dicitur esse data ad correctionem legis naturalis, vel quia per legem scriptam suppletum est, quod 103legi naturae deerat, vel quia lex naturae in aliquorum cordibus quantum ad aliqua corrupta erat, intantum ut existimarent esse bona, quae naturaliter sunt mala : et talis corruptio correctione indigebat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt, dat de geschreven wet gegeven is tot verbetering van de natuurwet, ofwel 103omdat door de geschreven wet aangevuld wordt wat aan de natuurwet ontbreekt, ofwel omdat de natuurwet in de harten van sommigen met betrekking tot sommige voorschriften bedorven was, zoodat zij dachten dat iets wat van nature verkeerd was, goed was. Die verbetering was noodig voor dergelijke verdorvenheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt, dat de geschreven wet gegeven is tot verbetering van de natuurwet, ofwel 103omdat door de geschreven wet aangevuld wordt wat aan de natuurwet ontbreekt, ofwel omdat de natuurwet in de harten van sommigen met betrekking tot sommige voorschriften bedorven was, zodat zij dachten dat iets wat van nature verkeerd was, goed was. Die verbetering was nodig voor dergelijke verdorvenheid.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod naturali morte moriuntur omnes communiter tam nocentes, quam innocentes. Quae quidem naturalis mors divina potestate inducitur propter peccatum originale, secundum illud 1. Reg. 2 [v. 6] : « Dominus mortificat et vivificat ». Et ideo absque aliqua injustitia secundum mandatum Dei potest infligi mors cuicumque homini, vel nocenti, vel innocenti. Similiter etiam adulterium est concubitus cum uxore aliena, quae quidem est ei deputata secundum legem Dei divinitus traditam; unde ad quamcumque mulierem aliquis accedat ex mandato divino, non est adulterium, nec fornicatio. Et eadem ratio est de furto, quod est acceptio rei alienae : quidquid enim accipit aliquis ex mandato Dei, qui est Dominus universorum, non accipit absque voluntate domini; quod est furari. Nec solum in rebus humanis quidquid a Deo mandatur, hoc ipso est debitum, sed etiam 104in rebus naturalibus a Deo fit, est naturale quodammodo, ut in 1. dictum est [q. 105. art. 6. ad 1.].

2. Een natuurlijken dood sterven allen, zoowel schuldigen als onschuldigen. Die natuurlijke dood is door Gods macht aan de menschen opgelegd om de erfzonde, volgens het woord uit het Ie Boek Koningen (2, 6) : « De Heer doodt, en maakt levend. » Daarom kan zonder eenige onrechtvaardigheid op bevel van God ieder mensch gedood worden, hetzij hij schuldig is of niet. Echtbreuk is geslachtelijke omgang met iemand, die volgens de door God gestelde wet de vrouw is van een ander. Wanneer bijgevolg iemand op bevel van God geslachtsomgang heeft met welke vrouw ook, is dat geen echtbreuk noch ontucht. Dezelfde redeneering gaat ook op voor diefstal, wat een toeeigening is van iets wat toebehoort aan een ander. Want al wat iemand zich toeeigent op bevel van God, die de Heer is van alles, eigent hij zich niet toe zonder den wil van den bezitter, en dat alleen is stelen. Want niet alleen in de menschelijke samenleving is dat, wat door God bevolen 104wordt, daardoor alleen plicht, maar ook is in de natuurdingen al wat door God gedaan wordt in een zekeren zin natuurlijk, zooals we gezegd hebben in het Ie Deel (CVe Kw., 6e Art., antw. op de Ie Bed.).2. Een natuurlijken dood sterven allen, zowel schuldigen als onschuldigen. Die natuurlijke dood is door Gods macht aan de mensen opgelegd om de erfzonde, volgens het woord uit het 1e Boek Koningen (2, 6)a: “De Heer doodt, en maakt levend.” Daarom kan zonder enige onrechtvaardigheid op bevel van God ieder mens gedood worden, hetzij hij schuldig is of niet. Echtbreuk is geslachtelijke omgang met iemand, die volgens de door God gestelde wet de vrouw is van een ander. Wanneer bijgevolg iemand op bevel van God geslachtsomgang heeft met welke vrouw ook, is dat geen echtbreuk noch ontucht. Dezelfde redenering gaat ook op voor diefstal, wat een toe-eigening is van iets wat toebehoort aan een ander. Want al wat iemand zich toeeigent op bevel van God, die de Heer is van alles, eigent hij zich niet toe zonder de wil van de bezitter, en dat alleen is stelen. Want niet alleen in de menselijke samenleving is dat, wat door God bevolen 104wordt, daardoor alleen plicht, maar ook is in de natuurdingen al wat door God gedaan wordt in een zekeren zin natuurlijk, zoals we gezegd hebben in het 1e Deel (105e Kw., 6e Art., antw. op de 1e Bed.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod aliquid dicitur esse de jure naturali dupliciter : uno modo, quia ad hoc natura inclinat, sicut non esse injuriam alteri faciendam; alio modo, quia natura non inducit contrarium, sicut possemus dicere, quod hominem esse nudum est de jure naturali, quia natura non dedit ei vestitum, sed ars adinvenit. Et hoc modo communis omnium possessio, et omnium una libertas dicitur esse de jure naturali, quia scilicet distinctio possessionum, et servitus non sunt inductae a natura, sed per hominum rationem ad utilitatem humanae vitae. Et sic etiam in hoc lex naturae non est mutata nisi per additionem.

3. Om twee redenen kan men zeggen, dat iets onder het natuurrecht valt : ten eerste, omdat de natuur er een neiging toe heeft, zooals : men mag een ander geen onrecht aandoen; ten tweede, omdat de natuur het tegenovergestelde niet ingevoerd heeft. Zoo zouden we kunnen zeggen, dat het overeenkomstig het natuurrecht is. dat de mensch naakt is, omdat de natuur hem geen kleeding gegeven heeft, maar ze door de kunstvaardigheid is uitgedacht. In dien zin nu zegt men, dat het gemeenschappelijk persoonlijk bezit en de persoonlijke vrijheid vallen onder het natuurrecht, omdat het onderscheid in bezit, en de slavernij niet door de natuur zijn ingevoerd, maar door het menschelijk verstand uitgedacht, ten nutte van de menschelijke samenleving. Ook hierin verandert de natuurwet niet, tenzij door bijvoeging.3. Om twee redenen kan men zeggen, dat iets onder het natuurrecht valt: ten eerste, omdat de natuur er een neiging toe heeft, zoals: men mag een ander geen onrecht aandoen; ten tweede, omdat de natuur het tegenovergestelde niet ingevoerd heeft. Zo zouden we kunnen zeggen, dat het overeenkomstig het natuurrecht is. dat de mens naakt is, omdat de natuur hem geen kleding gegeven heeft, maar ze door de kunstvaardigheid is uitgedacht. In die zin nu zegt men, dat het gemeenschappelijk persoonlijk bezit en de persoonlijke vrijheid vallen onder het natuurrecht, omdat het onderscheid in bezit, en de slavernij niet door de natuur zijn ingevoerd, maar door het menselijk verstand uitgedacht, ten nutte van de menselijke samenleving. Ook hierin verandert de natuurwet niet, tenzij door bijvoeging.

Articulus VI

Utrum lex naturae possit a corde hominis aboleri

[Infr. q. 99. art. 2. ad 2.].
VIe Artikel

Kan de natuurwet uit de harten der menschen uitgewischt worden?Kan de natuurwet uit de harten van de mensen uitgewist worden?

antwoord 1 ↓

105Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod lex naturae possit a corde hominis aboleri : quia Rom. 2. [v. 14] super illud : « Cum gentes, quae legem non habent » etc. dicit Glossa [ordin.], quod in interiori homine per gratiam innovato lex justitiae inscribitur, quam deleverat culpa; sed lex justitiae est lex naturae; ergo lex naturae potest deleri.

105Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet uit de harten der menschen kan uitgewischt worden. — 1. Immers de gewone Glossa laat op het gezegde uit den Brief aan de Romeinen (2. 14) : «Wanneer de volken, die geen wet hebben» enz., volgen, dat de wet der gerechtigheid, die de schuld uitgewischt had, in het hart van den mensch geschreven wordt, zoodra hij door de genade vernieuwd wordt. Maar de wet der gerechtigheid is de natuurwet. Dus kan de natuurwet uitgewischt worden.105Bedenkingen. — Men beweert, dat de natuurwet uit de harten van de mensen kan uitgewist worden. — 1. Immers de gewone Glossa laat op het gezegde uit de Brief aan de Romeinen (2, 14): “Wanneer de volken, die geen wet hebben” enz., volgen, dat de wet van de gerechtigheid, die de schuld uitgewist had, in het hart van de mens geschreven wordt, zodra hij door de genade vernieuwd wordt. Maar de wet van de gerechtigheid is de natuurwet. Dus kan de natuurwet uitgewist worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex gratiae est efficacior, quam lex naturae; sed lex gratiae deletur per culpam; ergo multo magis lex naturae potest deleri.

2. De wet der genade is sterker dan de natuurwet Welnu, de wet der genade wordt door schuld uitgewischt. Dus veel meer ook de natuurwet.2. De wet van de genade is sterker dan de natuurwet Welnu, de wet van de genade wordt door schuld uitgewist. Dus veel meer ook de natuurwet.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud quod lege statuitur, inducitur quasi justum; sed multa sunt ab hominibus statuta contra legem naturae; ergo lex naturae potest a cordibus hominum aboleri.

3. Wat door de wet wordt vastgesteld, wordt als iets rechtvaardigs opgelegd. Maar vele dingen worden door de menschen vastgesteld tegen de natuurwet. Dus kan de natuurwet uit de harten uitgewischt worden.3. Wat door de wet wordt vastgesteld, wordt als iets rechtvaardigs opgelegd. Maar vele dingen worden door de mensen vastgesteld tegen de natuurwet. Dus kan de natuurwet uit de harten uitgewist worden.

106Sed contra est, quod Augustinus dicit in 2. Confess. [cap. 4.] : « Lex tua scripta est in cordibus hominum, quam nec ulla quidem delet iniquitas ». Sed lex scripta in cordibus hominum est lex naturalis; ergo lex naturalis deleri non potest.

106Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in het IIe Boek van zijn Belijdenissen (IVe H.) : « Uw wet is in de harten der menschen geschreven, en kan door geen enkele ongerechtigheid verwoest worden ». Maar de wet, die in de harten geschreven is, is de natuurwet. Dus kan de natuurwet niet uitgewischt worden.106Maar daartegenover staat het gezegde van Augustinus in het 2e Boek van zijn Belijdenissen (4e H.): “Uw wet is in de harten van de mensen geschreven, en kan door geen enkele ongerechtigheid verwoest worden”. Maar de wet, die in de harten geschreven is, is de natuurwet. Dus kan de natuurwet niet uitgewist worden.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 4. et 5.], ad legem naturalem pertinent, primo quidem quaedam praecepta communissima, quae sunt omnibus nota; secundario autem quaedam secundaria praecepta magis propria, quae sunt quasi conclusiones propinquae principiis.

Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (4e en 5e Art.), behooren op de eerste plaats tot de natuurwet sommige zeer algemeene voorschriften, die door allen gekend zijn; op de tweede plaats, enkele secundaire voorschriften, die als conclusies zijn, die aan de algemeene beginselen nog zeer nabij zijn.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (4e en 5e Art.), behoren op de eerste plaats tot de natuurwet sommige zeer algemene voorschriften, die door allen gekend zijn; op de tweede plaats, enkele secundaire voorschriften, die als conclusies zijn, die aan de algemene beginselen nog zeer nabij zijn.

Quantum ergo ad illa principia communia, lex naturalis nullo modo potest a cordibus hominum deleri in universali; deletur tamen in particulari operabili, secundum quod ratio impeditur applicare commune principium ad particulare operabile, propter concupiscentiam vel aliquam aliam passionem, ut supra dictum est [q. 77. art. 2.]. Quantum vero ad alia praecepta secundaria, potest lex naturalis deleri de cordibus hominum, vel propter malas persuasiones, 107eo modo quo etiam in speculativis errores contingunt circa conclusiones necessarias, vel etiam propter pravas consuetudines et habitus corruptos, sicut apud quosdam non reputabantur latrocinia peccata, vel etiam vitia contra naturam, ut etiam Apostolus dicit Rom. 1. [v. 24 sqq.].

Met betrekking tot die algemeene beginselen, kan de natuurwet onmogelijk volkomen uit de harten der menschen uitgewischt worden; wel kan zij in een bijzonder geval uitgewischt worden, in zoover het verstand door de begeerlijkheid of een andere hartstocht verhinderd wordt een algemeen beginsel toe te passen op een bijzonder geval, zooals vroeger gezegd is (LXXVIIe Kw., 2e Art.). Met betrekking tot de andere, secundaire beginselen kan de natuurwet uit de harten der menschen uitgewischt worden, 107ofwel door verkeerde overreding (op dezelfde manier, waardoor ook in de beschouwende wetenschap dwalingen voorkomen met betrekking tot noodzakelijke conclusies), of ook wel door verkeerde gewoonten en bedorven hebbelijkheden, zooals bij sommigen roof of zonden tegen de natuur niet voor verkeerd werden gehouden. (Vgl. 4e Art.). Daarover spreekt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (1, 24 vv.).Met betrekking tot die algemene beginselen, kan de natuurwet onmogelijk volkomen uit de harten van de mensen uitgewist worden; wel kan zij in een bijzonder geval uitgewist worden, in zover het verstand door de begeerlijkheid of een andere hartstocht verhinderd wordt een algemeen beginsel toe te passen op een bijzonder geval, zoals vroeger gezegd is (77e Kw., 2e Art.). Met betrekking tot de andere, secundaire beginselen kan de natuurwet uit de harten van de mensen uitgewist worden, 107ofwel door verkeerde overreding (op dezelfde manier, waardoor ook in de beschouwende wetenschap dwalingen voorkomen met betrekking tot noodzakelijke conclusies), of ook wel door verkeerde gewoonten en bedorven hebbelijkheden, zoals bij sommigen roof of zonden tegen de natuur niet voor verkeerd werden gehouden. (Vgl. 4e Art.). Daarover spreekt de Apostel in zijn Brief aan de Romeinen (1, 24 vv.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod culpa delet legem naturae in particulari, non autem in universali, nisi forte quantum ad secunda praecepta legis naturae, eo modo quo dictum est [in corp.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De schuld wischt de natuurwet uit met betrekking tot een particulier geval, niet met betrekking tot alle gevallen, tenzij voor de secundaire voorschriften der natuurwet, op de manier waarop we dat (in de Leerstelling) verklaard hebben.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De schuld wist de natuurwet uit met betrekking tot een particulier geval, niet met betrekking tot alle gevallen, tenzij voor de secundaire voorschriften van de natuurwet, op de manier waarop we dat (in de Leerstelling) verklaard hebben.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod gratia etsi sit efficacior quam natura, [Hier zijn in de Latijnsche tekst van de uitgave enkele woorden weggevallen.] essentialior est homini, et ideo magis permanens.

2. Ofschoon de genade krachtdadiger werkt dan de natuur, is toch de natuur meer wezenlijk in den mensch en dus meer blijvend.2. Ofschoon de genade krachtdadiger werkt dan de natuur, is toch de natuur meer wezenlijk in de mens en dus meer blijvend.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit de secundis praeceptis legis naturae, contra quae aliqui legislatores statuta aliqua fecerunt, quae sunt iniqua.

3. Die redeneering gaat uit van de secundaire voorschriften van de natuurwet, waartegen sommige wetgevers enkele voorschriften gemaakt hebben, die onrechtvaardig zijn.3. Die redenering gaat uit van de secundaire voorschriften van de natuurwet, waartegen sommige wetgevers enkele voorschriften gemaakt hebben, die onrechtvaardig zijn.