Theologische Summa · Secunda Secundae · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · Kw. 57Kw. 57
Quaestio LVII

De jure in quatuor articulos divisa

Kwestie 57

Over het recht

(Vier Artikelen)

1Consequenter post prudentiam considerandum est de justitia. Circa quam quadruplex consideratio occurrit: prima est de justitia, secunda de partibus ejus, tertia de dono ad hoc pertinente, quarta de praeceptis ad justitiam pertinentibus.

1Na te hebben gehandeld over de verstandigheid, moeten wij gaan spreken over de rechtvaardigheid. Daaromtrent doet een vierdubbele beschouwing zich voor. Een eerste, over de rechtvaardigheid; een tweede, over de deelen ervan; een derde, over de gave die ermee overeenstemt; een vierde, over de voorschriften aangaande de rechtvaardigheid.1Na te hebben gehandeld over de verstandigheid, moeten wij gaan spreken over de rechtvaardigheid. Daaromtrent doet een vierdubbele beschouwing zich voor. Een eerste, over de rechtvaardigheid; een tweede, over de delen ervan; een derde, over de gave die ermee overeenstemt; een vierde, over de voorschriften aangaande de rechtvaardigheid.

Circa justitiam vero consideranda sunt quatuor: primo quidem de jure, secundo de ipsa justitia, tertio de injustitia, quarto de judicio.

Met betrekking tot de rechtvaardigheid moeten vier punten in acht genomen worden: ten eerste, het recht; ten tweede, de rechtvaardigheid zelf; ten derde, de onrechtvaardigheid; ten vierde, het oordeel.

Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum jus sit objectum justitiae. — 2. Utrum jus convenienter dividatur in jus naturale et positivum. — 3. Utrum jus gentium sit idem quod jus naturale. — 4. Utrum jus dominativum et paternum debeant specialiter distingui.

Omtrent het eerste punt worden vier vragen gesteld: 1. Is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid? 2. Is het passend het recht te verdeelen in natuurrecht en positief recht? 3. Is volkenrecht hetzelfde als natuurrecht? 4. Moet men nog een speciaal onderscheid maken tusschen het recht van den heer en dat van den vader?Omtrent het eerste punt worden vier vragen gesteld: 1. Is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid? 2. Is het passend het recht te verdelen in natuurrecht en positief recht? 3. Is volkenrecht hetzelfde als natuurrecht? 4. Moet men nog een speciaal onderscheid maken tussen het recht van de heer en dat van de vader?

Articulus I

Utrum jus sit objectum justitiae

Ie Artikel

Is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid?

antwoord 1 ↓

2Ad primum sic proceditur. Videtur, quod jus non sit objectum justitiae: dicit enim Celsus Jurisconsultus [Dig. I. 1. de Just. et Jure], quod « jus est ars boni et aequi ». Ars autem non est objectum justitiae, sed est per se virtus intellectualis. Ergo jus non est objectum justitiae.

2Bedenkingen. — Men beweert, dat recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid is. — 1. Immers, de Jurisconsult Celsus zegt dat « recht de kunst van het goede en het billijke is ». Kunst nu is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar op zichzelf een verstandsdeugd. Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.2Bedenkingen. — Men beweert, dat recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid is. — 1. Immers, de Jurisconsult Celsus zegt dat “recht de kunst van het goede en het billijke is”. Kunst nu is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar op zichzelf een verstandsdeugd. Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, lex, sicut Isidorus dicit in lib. 5. Etymol. [cap. 3.], « juris est species ». Lex autem non est objectum justitiae, sed magis prudentiae; unde et Philosophus legispositivam partem prudentiae ponit [lib. 6. Ethic. cap. 8.]. Ergo jus non est objectum justitiae.

2. Zooals Isidorus zegt, « is de wet een soort recht ». Welnu, de wet is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar veeleer van de verstandigheid: daarom wordt door den Wijsgeer het uitvaardigen van wetten bij de verstandigheid ondergebracht. Dus is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.2. Zoals Isidorus zegt, “is de wet een soort recht”. Welnu, de wet is niet het voorwerp van de rechtvaardigheid, maar veeleer van de verstandigheid: daarom wordt door de Wijsgeer het uitvaardigen van wetten bij de verstandigheid ondergebracht. Dus is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, justitia principaliter subjicit homines Deo: dicit enim Augustinus in lib. de Moribus Eccles. [cap. 15.], quod « justitia est amor Deo tantum serviens, et ob hoc bene imperans caeteris, quae homini subjecta sunt ». Sed jus non pertinet ad divina, sed solum ad humana: dicit 3enim Isidorus in lib. 5. Etymol. [cap. 2.], quod « fas lex divina est, jus autem lex humana ». Ergo jus non est objectum justitiae.

3. De rechtvaardigheid doet den mensch voornamelijk aan God onderworpen zijn. Augustinus immers zegt dat « de rechtvaardigheid liefde is die alleen God dient en daarom terecht beveelt aan de andere schepselen die den mensch onderworpen zijn ». Welnu, recht heeft geen betrekking op goddelijke 3dingen, doch enkel op menschelijke: want Isidorus zegt: « Het behoorlijke is goddelijke wet, het gerechtige daarentegen is menschelijke wet ». Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.3. De rechtvaardigheid doet de mens voornamelijk aan God onderworpen zijn. Augustinus immers zegt dat “de rechtvaardigheid liefde is die alleen God dient en daarom terecht beveelt aan de andere schepselen die de mens onderworpen zijn”. Welnu, recht heeft geen betrekking op goddelijke 3dingen, doch enkel op menselijke: want Isidorus zegt: “Het behoorlijke is goddelijke wet, het gerechtige daarentegen is menselijke wet”. Derhalve is recht niet het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Sed contra est, quod Isidorus dicit in eodem lib. [cap. 3.], quod « jus dictum est, quia est justum »; sed justum est objectum justitiae: dicit enim Philosophus in 5. Ethic. [cap. 1.], quod « omnes talem habitum volunt dicere justitiam, a quo operativi justorum sunt »; ergo jus est objectum justitiae.

Daartegenover staat echter, dat Isidorus zegt: « Iets wordt recht genoemd omdat het rechtvaardig is ». Het rechtvaardige nu is voorwerp van de rechtvaardigheid: want de Wijsgeer zegt « dat allen die hebbelijkheid, waaruit de dadigheid der rechtvaardigen ontstaat, rechtvaardigheid willen noemen ». Dus is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid.Daartegenover staat echter, dat Isidorus zegt: “Iets wordt recht genoemd omdat het rechtvaardig is”. Het rechtvaardige nu is voorwerp van de rechtvaardigheid: want de Wijsgeer zegt “dat allen die hebbelijkheid, waaruit de dadigheid van de rechtvaardigen ontstaat, rechtvaardigheid willen noemen”. Dus is recht het voorwerp van de rechtvaardigheid.

Respondeo dicendum, quod justitiae proprium est inter alias virtutes, ut ordinet hominem in his, quae sunt ad alterum: importat enim aequalitatem quamdam, ut ipsum nomen demonstrat; dicuntur enim vulgariter ea quae adaequantur, justari;

Leerstelling. — Onder de andere deugden bestaat het eigene van de rechtvaardigheid hierin, dat zij den mensch in die dingen ordent, die betrekking hebben op een ander. Want zooals de naam zelf aantoont, sluit zij een zekere gelijkheid in. Immers, het gelijkmaken van dingen heet in het gewone spraakgebruik « rechtmaken » (justari).Leerstelling. — Onder de andere deugden bestaat het eigene van de rechtvaardigheid hierin, dat zij de mens in die dingen ordent, die betrekking hebben op een ander. Want zoals de naam zelf aantoont, sluit zij een zekere gelijkheid in. Immers, het gelijkmaken van dingen heet in het gewone spraakgebruik “rechtmaken” (justari).

aequalitas autem ad alterum est. Aliae autem virtutes perficiunt hominem solum in his, quae ei conveniunt secundum seipsum. Sic ergo illud, quod est rectum in operibus aliarum virtutum, ad quod tendit intentio virtutis quasi in proprium objectum, non accipitur nisi per comparationem ad agentem. Rectum vero, quod est in opere justitiae, 4etiam praeter comparationem ad agentem constituitur per comparationem ad alium; illud enim in opere nostro dicitur esse justum, quod respondet secundum aliquam aequalitatem alteri, puta recompensatio mercedis debitae pro servitio impenso.

Gelijkheid nu zegt betrekking tot iets anders. De andere deugden echter vervolmaken den mensch alleen in datgene wat hem past, met betrekking tot zichzelf. Zoo wordt dan datgene wat 4gerechtig is in de daden der andere deugden — datgene waarheen de bedoeling der deugd gericht staat als naar haar eigen voorwerp —, enkel met betrekking tot den handelenden persoon verstaan. Het gerechtige echter, in een daad van rechtvaardigheid, wordt in zijn aard bepaald door zijn verhouding tot een ander, ook buiten de betrekking tot den handelenden persoon. Want datgene wat in onze daad beantwoordt aan iets anders, volgens een zekere gelijkheid, wordt gerechtig genoemd: b.v. de vergoeding van verschuldigd loon voor een bewezen dienst.Gelijkheid nu zegt betrekking tot iets anders. De andere deugden echter vervolmaken de mens alleen in datgene wat hem past, met betrekking tot zichzelf. Zo wordt dan datgene wat 4gerechtig is in de daden van de andere deugden — datgene waarheen de bedoeling van de deugd gericht staat als naar haar eigen voorwerp —, enkel met betrekking tot de handelende persoon verstaan. Het gerechtige echter, in een daad van rechtvaardigheid, wordt in zijn aard bepaald door zijn verhouding tot een ander, ook buiten de betrekking tot de handelende persoon. Want datgene wat in onze daad beantwoordt aan iets anders, volgens een zekere gelijkheid, wordt gerechtig genoemd: bv. de vergoeding van verschuldigd loon voor een bewezen dienst.

Sic ergo justum dicitur aliquid, quasi habens rectitudinem justitiae, ad quod terminatur actio justitiae, etiam non considerato qualiter ab agente fiat. Sed in aliis virtutibus non determinatur aliquid rectum, nisi secundum quod aliqualiter fit ab agente; et propter hoc specialiter justitiae prae aliis virtutibus determinatur secundum se objectum, quod vocatur justum: et hoc quidem est jus. Unde manifestum est, quod jus est objectum justitiae.

Zoo wordt dan iets gerechtig genoemd, als had het de behoorlijkheid van de rechtvaardigheid, waarop de rechtvaardige daad gericht is, ook ongeacht hoe zij door den handelenden persoon wordt gesteld. Bij de andere deugden wordt niets als gerechtig gekenmerkt, tenzij voor zoover het eenigszins van den handelenden persoon uitgaat. En hierom wordt, buiten de andere deugden, bijzonder aan de rechtvaardigheid een voorwerp bepaaldelijk toegekend, dat het gerechtige heet. En dit juist is het recht. Vandaar is recht klaarblijkelijk het voorwerp van de rechtvaardigheid.Zo wordt dan iets gerechtig genoemd, als had het de behoorlijkheid van de rechtvaardigheid, waarop de rechtvaardige daad gericht is, ook ongeacht hoe zij door de handelende persoon wordt gesteld. Bij de andere deugden wordt niets als gerechtig gekenmerkt, tenzij voor zover het enigszins van de handelende persoon uitgaat. En hierom wordt, buiten de andere deugden, bijzonder aan de rechtvaardigheid een voorwerp bepaaldelijk toegekend, dat het gerechtige heet. En dit juist is het recht. Vandaar is recht klaarblijkelijk het voorwerp van de rechtvaardigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod consuetum est, quod nomina a sui prima impositione detorqueantur ad alia significanda, sicut nomen medicinae impositum est primo ad significandum remedium, quod praestatur infirmo 5ad sanandum, deinde tractum est ad significandam artem, qua hoc fit; ita etiam hoc nomen jus primo impositum est ad significandum ipsam rem justam, postmodum autem est derivatum ad artem, qua cognoscitur quid sit justum, et ulterius ad significandum locum, in quo jus redditur, sicut dicitur aliquis comparere in jure, et ulterius dicitur etiam, quod jus1 redditur ab eo, ad cujus officium pertinet justitiam facere, licet etiam id, quod decernit, sit iniquum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het komt veel voor dat aan woorden hun eerste beteekenis wordt ontrukt om iets anders te beduiden: zooals het woord « medicina » (geneesmiddel) aanvankelijk werd aangewend om het middel te 5beduiden, dat ter genezing aan een zieke wordt toegediend, om dan later te worden gebruikt als benaming voor de kunst, waardoor dit geschiedt. Zoo ook werd het woord « jus » (recht) aanvankelijk aangewend ter beduiding van de gerechtige zaak zelf, terwijl het later werd overgebracht op de kunst waardoor men weet wat recht is; en nog later om de plaats aan te duiden waar recht wordt gedaan, zooals men zegt, dat iemand voor het gerecht verschijnt; en ten slotte noemt men ook recht datgene wat hij doet, wiens ambt het is recht te doen, ook dan wanneer het door hem besliste onrechtvaardig is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het komt veel voor dat aan woorden hun eerste betekenis wordt ontrukt om iets anders te beduiden: zoals het woord “medicina” (geneesmiddel) aanvankelijk werd aangewend om het middel te 5beduiden, dat ter genezing aan een zieke wordt toegediend, om dan later te worden gebruikt als benaming voor de kunst, waardoor dit geschiedt. Zo ook werd het woord “jus” (recht) aanvankelijk aangewend ter beduiding van de gerechtige zaak zelf, terwijl het later werd overgebracht op de kunst waardoor men weet wat recht is; en nog later om de plaats aan te duiden waar recht wordt gedaan, zoals men zegt, dat iemand voor het gerecht verschijnt; en ten slotte noemt men ook recht datgene wat hij doet, wiens ambt het is recht te doen, ook dan wanneer het door hem besliste onrechtvaardig is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut eorum, quae per artem exterius fiunt, quaedam ratio in mente artificis praeexistit, quae dicitur regula artis, ita etiam illius operis justi, quod ratio determinat, quaedam ratio praeexistit in mente, quasi quaedam prudentiae regula; et hoc si in scriptum redigatur, vocatur lex; est enim lex secundum Isidorum [lib. 5. Etymol. cap. 3.], « constitutio scripta », et ideo lex non est ipsum jus, proprie loquendo, sed aliqualis ratio juris.

2. Evenals in het brein van den kunstenaar, voor al wat door de kunst naar buiten wordt gemaakt, een plan bestaat, dat dan regel van de kunst heet, evenzoo bestaat er voor die gerechtige daad die door de rede wordt bepaald, van tevoren een plan in den geest, als 't ware de regel van de verstandigheid. En wanneer dit op schrift wordt gesteld, wordt het wet genoemd: immers, volgens Isidorus is de wet een « schriftelijke bepaling ». En daarom is de wet, eigenlijk gesproken, niet het recht zelf, maar een plan ervan.2. Evenals in het brein van de kunstenaar, voor al wat door de kunst naar buiten wordt gemaakt, een plan bestaat, dat dan regel van de kunst heet, evenzo bestaat er voor die gerechtige daad die door de rede wordt bepaald, van tevoren een plan in de geest, als 't ware de regel van de verstandigheid. En wanneer dit op schrift wordt gesteld, wordt het wet genoemd: immers, volgens Isidorus is de wet een “schriftelijke bepaling”. En daarom is de wet, eigenlijk gesproken, niet het recht zelf, maar een plan ervan.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quia justitia aequalitatem importat, Deo 6autem non possumus aequivalens recompensare, inde est quod justum secundum perfectam rationem non possumus reddere Deo; et propter hoc non dicitur proprie jus lex divina, sed fas, quia videlicet sufficit Deo, ut impleamus quod possumus. Justitia tamen ad hoc tendit, ut homo quantum potest Deo recompenset, totaliter animam ei subjiciens.

3. Daar rechtvaardigheid gelijkheid insluit, en wij aan God niets op gelijkwaardige wijze kunnen vergelden, daarom is het 6dat wij aan God geen recht geven kunnen in den volmaakten zin van het woord. En hierom wordt de goddelijke wet niet recht genoemd in eigenlijken zin, maar behoorlijk, daar het voor God volstaat dat wij volbrengen wat wij kunnen. Toch streeft de rechtvaardigheid ernaar dat de mensch, voor zoover hem dat mogelijk is, aan God vergelding zou geven, door zijn ziel heelemaal aan Hem te onderwerpen.3. Daar rechtvaardigheid gelijkheid insluit, en wij aan God niets op gelijkwaardige wijze kunnen vergelden, daarom is het 6dat wij aan God geen recht geven kunnen in de volmaakte zin van het woord. En hierom wordt de goddelijke wet niet recht genoemd in eigenlijke zin, maar behoorlijk, daar het voor God volstaat dat wij volbrengen wat wij kunnen. Toch streeft de rechtvaardigheid ernaar dat de mens, voor zover hem dat mogelijk is, aan God vergelding zou geven, door zijn ziel helemaal aan Hem te onderwerpen.

Articulus II

Utrum jus convenienter dividatur in jus naturale et jus positivum

[Infr. q. 60. art. 5; 5. Ethic. lect. 12.]
IIe Artikel

Is het passend het recht te verdeelen in natuurrecht en positief recht?Is het passend het recht te verdelen in natuurrecht en positief recht?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod jus non convenienter dividatur in jus naturale et jus positivum: illud enim, quod est naturale, est immutabile, et idem est apud omnes. Non autem invenitur in rebus humanis aliquid tale, quia omnes regulae juris humani in aliquibus casibus deficiunt, nec habent suam virtutem ubique. Ergo non est aliquod jus naturale.

Bedenkingen. — Men beweert dat het recht niet op gepaste wijze wordt verdeeld in natuurrecht en positief recht. — 1. Immers, wat behoort tot de natuur is onveranderlijk en bij allen hetzelfde. Zooiets nu treft men niet aan in menschelijke aangelegenheden: want alle regels van het menschelijk recht zijn in sommige omstandigheden ontoereikend, en zijn niet altijd van kracht. Derhalve is er geen natuurrecht.Bedenkingen. — Men beweert dat het recht niet op gepaste wijze wordt verdeeld in natuurrecht en positief recht. — 1. Immers, wat behoort tot de natuur is onveranderlijk en bij allen hetzelfde. Zoiets nu treft men niet aan in menselijke aangelegenheden: want alle regels van het menselijk recht zijn in sommige omstandigheden ontoereikend, en zijn niet altijd van kracht. Derhalve is er geen natuurrecht.

antwoord 2 ↓

72. Praeterea, illud dicitur esse positivum, quod ex voluntate humana procedit. Sed non ideo aliquid est justum, quia a voluntate humana procedit; alioquin voluntas hominis injusta esse non posset. Ergo cum justum sit idem quod jus, videtur quod nullum sit jus positivum.

72. Datgene wordt positief genoemd, wat van den menschelijken wil uitgaat. Welnu, iets is niet gerecht, omdat het uitgaat van den menschelijken wil: anders zou de wil van den mensch niet ongerechtig kunnen zijn. Dus, daar het gerechtige hetzelfde is als recht, schijnt het wel dat er geen positief recht bestaat.72. Datgene wordt positief genoemd, wat van de menselijke wil uitgaat. Welnu, iets is niet gerecht, omdat het uitgaat van de menselijke wil: anders zou de wil van de mens niet ongerechtig kunnen zijn. Dus, daar het gerechtige hetzelfde is als recht, schijnt het wel dat er geen positief recht bestaat.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, jus divinum non est jus naturale, cum excedat naturam humanam; similiter etiam non est jus positivum, quia non innititur auctoritati humanae, sed auctoritati divinae. Ergo inconvenienter dividitur jus per naturale et positivum.

3. Het goddelijk recht is geen natuurrecht, omdat het de natuur van den mensch te boven gaat. Het is evenmin positief recht, daar het niet op menschelijk maar op goddelijk gezag steunt. Derhalve is de verdeeling van het recht in natuurrecht en positief recht niet passend.3. Het goddelijk recht is geen natuurrecht, omdat het de natuur van de mens te boven gaat. Het is evenmin positief recht, daar het niet op menselijk maar op goddelijk gezag steunt. Derhalve is de verdeling van het recht in natuurrecht en positief recht niet passend.

Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 7.], quod « politici justi hoc quidem naturale est, hoc autem legale », idest lege positum.

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt: « In het politisch recht is dit natuurlijk en dat wettelijk, d. i. door de wet vastgesteld ».Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt: “In het politiek recht is dit natuurlijk en dat wettelijk, d.i. door de wet vastgesteld”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], jus sive justum est aliquod opus adaequatum alteri secundum aliquem aequalitatis modum. Dupliciter autem potest alicui homini esse aliquid adaequatum: uno quidem modo ex ipsa natura rei: puta cum aliquis tantum dat ut 8tantumdem recipiat. Et hoc vocatur ius naturale. Alio modo aliquid est adaequatum vel commensuratum alteri ex condicto, sive ex communi placito, quando scilicet aliquis reputat se contentum, si tantum accipiat. Quod quidem potest fieri dupliciter: uno modo per aliquod privatum condictum, sicut quod firmatur aliquo pacto inter privatas personas; alio modo ex condicto publico, puta cum totus populus consentit, quod aliquid habeatur quasi adaequatum et commensuratum alteri, vel cum hoc ordinat Princeps, qui curam populi habet, et ejus personam gerit. Et hoc dicitur jus positivum.

Leerstelling. — Zooals gezegd werd (vorig Art.), is recht of het gerechtige een werk dat evenredigheid teweegbrengt met betrekking tot iemand, naar een bepaalde wijze van gelijkheid. Met betrekking tot een mensch kan iets op tweevoudige wijze geëvenredigd zijn: ofwel krachtens de natuur der zaak zelf, b.v. wanneer iemand zooveel geeft om evenzooveel terug te 8ontvangen. Dit nu wordt natuurrecht genoemd. Ofwel is iets geëvenredigd of juist toegemeten met betrekking tot iemand, krachtens afspraak of gemeenschappelijke overeenkomst; b.v. wanneer iemand ermee tevreden is wanneer hij zooveel ontvangt. Dit nu kan op twee manieren geschieden: ten eerste, door private afspraak, zooals tusschen private personen iets wordt vastgesteld door overeenkomst. Ten tweede, door publieke afspraak, b.v. wanneer heel een volk ermee instemt iets voor geëvenredigd of juist toegemeten te houden met betrekking tot iets anders; ofwel wanneer de vorst, die met de zorg voor het volk is belast en het persoonlijk vertegenwoordigt, zooiets verordent. En dit wordt positief recht genoemd.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (vorig Art.), is recht of het gerechtige een werk dat evenredigheid teweegbrengt met betrekking tot iemand, naar een bepaalde wijze van gelijkheid. Met betrekking tot een mens kan iets op tweevoudige wijze geëvenredigd zijn: ofwel krachtens de natuur van de zaak zelf, bv. wanneer iemand zoveel geeft om evenzoveel terug te 8ontvangen. Dit nu wordt natuurrecht genoemd. Ofwel is iets geëvenredigd of juist toegemeten met betrekking tot iemand, krachtens afspraak of gemeenschappelijke overeenkomst; bv. wanneer iemand ermee tevreden is wanneer hij zoveel ontvangt. Dit nu kan op twee manieren geschieden: ten eerste, door private afspraak, zoals tussen private personen iets wordt vastgesteld door overeenkomst. Ten tweede, door publieke afspraak, bv. wanneer heel een volk ermee instemt iets voor geëvenredigd of juist toegemeten te houden met betrekking tot iets anders; ofwel wanneer de vorst, die met de zorg voor het volk is belast en het persoonlijk vertegenwoordigt, zoiets verordent. En dit wordt positief recht genoemd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illud, quod est naturale habenti naturam immutabilem, oportet quod sit semper et ubique tale. Natura autem hominis est mutabilis, et ideo id quod naturale est homini, potest aliquando deficere, sicut naturalem aequalitatem habet, ut deponenti depositum reddatur; et si ita esset, quod natura humana semper esset recta, hoc esset semper servandum; sed quia quandoque contingit, quod voluntas 9hominis depravatur, est aliquis casus, in quo depositum non est reddendum, ne homo perversam voluntatem habens, male eo utatur, ut puta si furiosus vel hostis reipublicae arma deposita reposcat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Datgene wat voor een onveranderlijke natuur natuurlijk is, moet altijd en overal hetzelfde zijn. De natuur van den mensch echter is veranderlijk. En daarom kan datgene wat voor den mensch natuurlijk is soms in gebreke blijven. Zoo bestaat er in hem een natuurlijke evenredigheid om het ter bewaring gegevene aan den bewaargever terug te geven; en in het geval dat de menschelijke natuur altijd rechtgeaard zou zijn, moest dit ook altijd worden in acht genomen. Daar het echter soms voorkomt, dat de menschelijke wil naar het verderfelijke afwijkt, doet het geval zich voor dat het 9ter bewaring gegevene niet moet worden weergegeven, opdat de mensch wiens wil verdorven is, het niet zou misbruiken: zooals b.v. wanneer een razende of een staatsvijand de wapens, die hij ter bewaring gaf, terugeischt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Datgene wat voor een onveranderlijke natuur natuurlijk is, moet altijd en overal hetzelfde zijn. De natuur van de mens echter is veranderlijk. En daarom kan datgene wat voor de mens natuurlijk is soms in gebreke blijven. Zo bestaat er in hem een natuurlijke evenredigheid om het ter bewaring gegevene aan de bewaargever terug te geven; en in het geval dat de menselijke natuur altijd rechtgeaard zou zijn, moest dit ook altijd worden in acht genomen. Daar het echter soms voorkomt, dat de menselijke wil naar het verderfelijke afwijkt, doet het geval zich voor dat het 9ter bewaring gegevene niet moet worden weergegeven, opdat de mens wiens wil verdorven is, het niet zou misbruiken: zoals bv. wanneer een razende of een staatsvijand de wapens, die hij ter bewaring gaf, terugeist.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod voluntas humana ex communi condicto potest aliquid facere justum in his, quae secundum se non habent aliquam repugnantiam ad naturalem justitiam; et in his habet locum jus positivum; unde Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 7.] quod « legale justum est, quod ex principio quidem nihil differt sic, vel aliter; quando autem ponitur, differt ». Sed si aliquid de se repugnantiam habeat ad jus naturale, non potest voluntate humana fieri justum, puta si statuatur, quod liceat furari, vel adulterium committere; unde dicitur Isa. 10. [v. 1] : « Vae qui condunt leges iniquas ».

2. In zaken, die uiteraard niet strijdig zijn met de natuurlijke rechtvaardigheid, kan de menschelijke wil, krachtens gemeenschappelijke afspraak, iets rechtvaardigs doen. En hierin krijgt het positief recht zijn plaats. Daarom zegt de Wijsgeer dat het wettenrecht « datgene is wat in zich niet insluit dat iets zóó of anders wordt gedaan, wel echter wanneer het werd vastgesteld ». Wanneer echter iets uiteraard strijdig is met het natuurrecht, kan het door den menschelijken wil niet tot iets rechtvaardigs worden gemaakt: b.v. indien zou worden vastgesteld dat stelen of overspel bedrijven geoorloofd is. Daarom wordt bij Isaïas (10. 1) gezegd: « Wee hen, die onrechtvaardige wetten maken ».2. In zaken, die uiteraard niet strijdig zijn met de natuurlijke rechtvaardigheid, kan de menselijke wil, krachtens gemeenschappelijke afspraak, iets rechtvaardigs doen. En hierin krijgt het positief recht zijn plaats. Daarom zegt de Wijsgeer dat het wettenrecht “datgene is wat in zich niet insluit dat iets zó of anders wordt gedaan, wel echter wanneer het werd vastgesteld”. Wanneer echter iets uiteraard strijdig is met het natuurrecht, kan het door de menselijke wil niet tot iets rechtvaardigs worden gemaakt: bv. indien zou worden vastgesteld dat stelen of overspel bedrijven geoorloofd is. Daarom wordt bij Jesaja (10, 1) gezegd: “Wee hen, die onrechtvaardige wetten maken”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod jus divinum dicitur, quod divinitus promulgatur; et hoc quidem partim est de his, quae sunt naturaliter justa, sed tamen eorum justitia homines latet; partim autem de his, quae fiunt justa institutione divina. Unde etiam jus divinum per haec duo distingui 10potest, sicut et jus humanum: sunt enim in lege divina quaedam praecepta, quia bona; et prohibita, quia mala; quaedam vero bona, quia praecepta; et mala, quia prohibita.

3. Wat door God wordt afgekondigd wordt goddelijk recht genoemd. En dit slaat gedeeltelijk op de dingen die van nature uit rechtvaardig zijn, maar waarvan de rechtvaardigheid voor de menschen verborgen blijft; gedeeltelijk echter op die dingen die rechtvaardig worden uit kracht van hun goddelijke instelling. Vandaar kan ook het goddelijk recht, evenals het menschelijk recht, in die twee soorten worden onderscheiden. Immers, in de 10goddelijke wet zijn sommige dingen voorgeschreven omdat zij goed zijn, en verboden omdat zij slecht zijn; andere echter zijn goed omdat zij voorgeschreven, en kwaad omdat zij verboden zijn.3. Wat door God wordt afgekondigd wordt goddelijk recht genoemd. En dit slaat gedeeltelijk op de dingen die van nature uit rechtvaardig zijn, maar waarvan de rechtvaardigheid voor de mensen verborgen blijft; gedeeltelijk echter op die dingen die rechtvaardig worden uit kracht van hun goddelijke instelling. Vandaar kan ook het goddelijk recht, evenals het menselijk recht, in die twee soorten worden onderscheiden. Immers, in de 10goddelijke wet zijn sommige dingen voorgeschreven omdat zij goed zijn, en verboden omdat zij slecht zijn; andere echter zijn goed omdat zij voorgeschreven, en kwaad omdat zij verboden zijn.

Articulus III

Utrum jus gentium sit idem cum jure naturali

[1-2. q. 95. art. 4. ad 1; 5. Eth. lect. 12.]
IIIe Artikel

Is volkenrecht hetzelfde als natuurrecht?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod jus gentium sit idem cum jure naturali: non enim omnes homines conveniunt, nisi in eo quod est eis naturale. Sed in jure gentium omnes homines conveniunt: dicit enim Jurisconsultus [Dig. I. 1. de just. et Jure], quod « jus gentium est, quo gentes humanae utuntur ». Ergo jus gentium est jus naturale.

Bedenkingen. — Men beweert dat volkenrecht en natuurrecht hetzelfde zijn. — 1. Immers, alle menschen komen enkel overeen in datgene wat hun krachtens de natuur toekomt. Welnu, in het volkenrecht komen allen overeen; een Jurisconsult toch zegt: « Het volkenrecht is datgene wat door alle volkeren wordt gebruikt ». Derhalve is volkenrecht het natuurrecht.Bedenkingen. — Men beweert dat volkenrecht en natuurrecht hetzelfde zijn. — 1. Immers, alle mensen komen enkel overeen in datgene wat hun krachtens de natuur toekomt. Welnu, in het volkenrecht komen allen overeen; een Jurisconsult toch zegt: “Het volkenrecht is datgene wat door alle volkeren wordt gebruikt”. Derhalve is volkenrecht het natuurrecht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, servitus inter homines est naturalis: quidam enim sunt naturaliter servi, ut Philosophus probat in 1. Polit. [cap. 2.]. Sed « servitutes pertinent ad jus gentium », ut Isidorus dicit [lib. 5. Etymol. cap. 4.]. Ergo jus gentium est jus naturale.

2. Dienstbaarheid is natuurlijk onder de menschen; want sommigen zijn slaven van nature uit, zooals de Wijsgeer bewijst. Welnu, de wetten der dienstbaarheid vallen onder het volkenrecht, zooals Isidorus zegt. Dus is het volkenrecht natuurrecht.2. Dienstbaarheid is natuurlijk onder de mensen; want sommigen zijn slaven van nature uit, zoals de Wijsgeer bewijst. Welnu, de wetten van de dienstbaarheid vallen onder het volkenrecht, zoals Isidorus zegt. Dus is het volkenrecht natuurrecht.

antwoord 3 ↓

113. Praeterea, jus, ut dictum est [art. praec.], dividitur per jus naturale et positivum. Sed jus gentium non est jus positivum: non enim omnes gentes unquam convenerunt, ut ex communi condicto aliquid statuerent. Ergo jus gentium est jus naturale.

113. Zooals gezegd is (vorig Art.), wordt het recht verdeeld in natuurrecht en positief recht. Welnu, het volkenrecht is geen positief recht; want nooit zijn alle volkeren samengekomen om bij gemeenschappelijke afspraak iets vast te stellen. Het volkenrecht is dus natuurrecht.113. Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt het recht verdeeld in natuurrecht en positief recht. Welnu, het volkenrecht is geen positief recht; want nooit zijn alle volkeren samengekomen om bij gemeenschappelijke afspraak iets vast te stellen. Het volkenrecht is dus natuurrecht.

Sed contra est, quod Isidorus dicit [lib. 5. Etymol. cap. 4.], quod « jus aut naturale est, aut civile, aut gentium »; et ita jus gentium distinguitur a jure naturali.

Daartegenover staat echter dat Isidorus zegt: « Recht is ofwel natuurrecht, ofwel burgerrecht, ofwel volkenrecht », en op die wijze wordt het volkenrecht van het natuurrecht onderscheiden.Daartegenover staat echter dat Isidorus zegt: “Recht is ofwel natuurrecht, ofwel burgerrecht, ofwel volkenrecht”, en op die wijze wordt het volkenrecht van het natuurrecht onderscheiden.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], jus, sive justum naturale est, quod ex sui natura est adaequatum vel commensuratum alteri. Hoc autem potest contingere dupliciter: uno modo secundum absolutam sui considerationem, sicut masculus ex sui ratione habet commensurationem ad foeminam, ut ex ea generet, et parens ad filium, ut eum nutriat; alio modo aliquid est naturaliter alteri commensuratum, non secundum absolutam sui rationem, sed secundum aliquid, quod ex ipso sequitur, puta proprietas possessionum: si enim consideretur iste ager 12absolute, non habet unde magis sit hujus, quam illius, sed si consideretur ad opportunitatem colendi et ad pacificum usum agri, secundum hoc habet quamdam commensurationem ad hoc quod sit unius, et non alterius, ut patet per Philosophum 2. Polit. [cap. 2.].

Leerstelling. — Zooals gezegd werd (vorig Art.), is het natuurrecht of het natuurlijk rechtvaardige datgene wat krachtens zijn natuur, met betrekking tot een ander evenredig of juist toegemeten is. Dit nu kan op een dubbele wijze zich voordoen: eenerzijds overeenkomstig zijn absolute beschouwing; zooals de man uiteraard aangepast is aan de vrouw, opdat hij uit haar zou teelen; en de ouder aan den zoon om hem op te voeden. Anderzijds is iets van nature uit aangepast aan een ander, niet krachtens zijn natuur absoluut genomen, maar beschouwd naar iets wat uit haar voortvloeit, b.v. de eigendom van bezittingen: immers, wanneer men dezen akker absoluut beschouwt, is er niets in hem 12waardoor hij meer aan dezen dan aan genen zou toebehooren; wanneer hij echter beschouwd wordt met betrekking tot de gunstige gelegenheid om bebouwd te worden, en tot het vredige gebruik ervan, dan is er in hem wel eenige aangepastheid om aan den een toe te behooren en niet aan den ander, zooals blijkt bij den Wijsgeer.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (vorig Art.), is het natuurrecht of het natuurlijk rechtvaardige datgene wat krachtens zijn natuur, met betrekking tot een ander evenredig of juist toegemeten is. Dit nu kan op een dubbele wijze zich voordoen: enerzijds overeenkomstig zijn absolute beschouwing; zoals de man uiteraard aangepast is aan de vrouw, opdat hij uit haar zou telen; en de ouder aan de zoon om hem op te voeden. Anderzijds is iets van nature uit aangepast aan een ander, niet krachtens zijn natuur absoluut genomen, maar beschouwd naar iets wat uit haar voortvloeit, bv. de eigendom van bezittingen: immers, wanneer men deze akker absoluut beschouwt, is er niets in hem 12waardoor hij meer aan deze dan aan genen zou toebehoren; wanneer hij echter beschouwd wordt met betrekking tot de gunstige gelegenheid om bebouwd te worden, en tot het vredige gebruik ervan, dan is er in hem wel enige aangepastheid om aan de een toe te behoren en niet aan de ander, zoals blijkt bij de Wijsgeer.

Absolute autem apprehendere aliquid non solum convenit homini, sed etiam aliis animalibus, et ideo jus, quod dicitur naturale, secundum primum modum; commune est nobis et aliis animalibus. A jure autem naturali sic dicto recedit jus gentium, ut Jurisconsultus dicit [Dig., loc. cit.], quia illud omnibus animalibus, hoc solum hominibus inter se commune est. Considerare autem aliquid, comparando ad id quod ex ipso sequitur, est proprium rationis; et ideo hoc idem est naturale homini secundum rationem naturalem, quae hoc dictat. Et ideo dicit Cajus Jurisconsultus [ibid. 9.] : « Quod naturalis ratio inter omnes homines constituit, id apud omnes gentes custoditur, vocaturque jus gentium ».

Iets absoluut opvatten komt echter niet alleen aan den mensch, maar ook aan de andere dieren toe. En daarom is het recht, dat natuurrecht heet volgens de eerste wijze van beschouwen, aan ons en aan de andere dieren gemeenschappelijk. « Van het aldus bepaalde natuurrecht verschilt het volkenrecht », zooals de Jurisconsult zegt: want « het eerste is aan alle dieren gemeen, het laatste echter is alleen aan de menschen onder elkaar gemeenschappelijk ». Iets beschouwen nu met betrekking tot datgene wat eruit volgt, is eigen aan de rede. En hierom is juist dit natuurlijk voor den mensch volgens de natuurlijke rede, die dit voorschrijft. En daarom zegt de Jurisconsult Gaius: « Wat de natuurlijke rede onder de menschen vaststelt, dat wordt bij allen nageleefd en volkenrecht genoemd ».Iets absoluut opvatten komt echter niet alleen aan de mens, maar ook aan de andere dieren toe. En daarom is het recht, dat natuurrecht heet volgens de eerste wijze van beschouwen, aan ons en aan de andere dieren gemeenschappelijk. “Van het aldus bepaalde natuurrecht verschilt het volkenrecht”, zoals de Jurisconsult zegt: want “het eerste is aan alle dieren gemeen, het laatste echter is alleen aan de mensen onder elkaar gemeenschappelijk”. Iets beschouwen nu met betrekking tot datgene wat eruit volgt, is eigen aan de rede. En hierom is juist dit natuurlijk voor de mens volgens de natuurlijke rede, die dit voorschrijft. En daarom zegt de Jurisconsult Gaius: “Wat de natuurlijke rede onder de mensen vaststelt, dat wordt bij allen nageleefd en volkenrecht genoemd”.

↑ bedenking 1

Et per hoc patet responsio ad primum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking.

↑ bedenking 2

13Ad secundum dicendum, quod hunc hominem esse servum, absolute considerando, magis quam alium, non habet rationem naturalem, sed solum secundum aliquam utilitatem consequentem, inquantum utile est huic quod regatur a sapientiori, et illi quod ab hoc juvetur, ut dicitur in 1. Polit. [cap. 2.] ; et ideo servitus pertinens ad jus gentium est naturalis secundo modo, sed non primo modo.

132. Het ligt niet in de menschelijke natuur zelf, absoluut beschouwd, dat deze mensch meer dienstbaar zou zijn dan een ander: maar enkel om een zeker nut dat daaruit volgt, voor zoover het voor den een nuttiger is door een wijzere te worden geleid, en voor den ander door hem te worden bijgestaan, zooals gezegd wordt in de Politica. Vandaar is de dienstbaarheid, die onder het volkenrecht valt, natuurlijk op de tweede wijze en niet op de eerste.132. Het ligt niet in de menselijke natuur zelf, absoluut beschouwd, dat deze mens meer dienstbaar zou zijn dan een ander: maar enkel om een zeker nut dat daaruit volgt, voor zover het voor de een nuttiger is door een wijzere te worden geleid, en voor de ander door hem te worden bijgestaan, zoals gezegd wordt in de Politica. Vandaar is de dienstbaarheid, die onder het volkenrecht valt, natuurlijk op de tweede wijze en niet op de eerste.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quia ea quae sunt juris gentium, naturalis ratio dictat, puta ex propinquo habentia aequitatem, inde est quod non indigent aliqua speciali institutione, sed ipsa naturalis ratio ea instituit, ut dictum est in auctoritate inducta [in corp. art.].

3. Daar de natuurlijke rede datgene voorschrijft wat tot het volkenrecht behoort, als iets wat de rechtvaardigheid zeer dicht nabijkomt, daarom behoeft het geen bijzondere bepaling, maar de natuurlijke rede zelf stelt het vast, zooals gezegd is in den aangehaalden gezagstekst.3. Daar de natuurlijke rede datgene voorschrijft wat tot het volkenrecht behoort, als iets wat de rechtvaardigheid zeer dicht nabijkomt, daarom behoeft het geen bijzondere bepaling, maar de natuurlijke rede zelf stelt het vast, zoals gezegd is in de aangehaalde gezagstekst.

Articulus IV

Utrum debeat specialiter distingui jus paternum et dominativum

[Infr. q. 58. art. 7. ad 3; 2. Dist. 44, q. 2. art. 1; 3. Dist. 9. q. 1. art. 1. qla. 5; 5. Eth. lect. 11.]
IVe Artikel

Moet een speciaal onderscheid worden gemaakt tusschen het recht van den vader en dat van den heer?Moet een speciaal onderscheid worden gemaakt tussen het recht van de vader en dat van de heer?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod non debeat specialiter 14distingui jus paternum et dominativum: ad justitiam enim pertinet reddere unicuique quod suum est, ut dicit Ambrosius in 1. de Officiis [cap. 24.]. Sed jus est objectum justitiae, sicut dictum est [art. 1.]. Ergo jus ad unumquemque aequaliter pertinet, et sic non debet distingui specialiter jus patris et domini.

Bedenkingen. — Men beweert dat het recht van den vader 14niet op speciale wijze moet worden onderscheiden van dat van den heer. — 1. Zooals Ambrosius zegt, komt het aan de rechtvaardigheid toe « aan ieder het zijne te geven ». Welnu, het recht is voorwerp van de rechtvaardigheid, zooals gezegd is (1e Art.). Derhalve staat het recht in gelijke verhouding tot eenieder. En zoo moet men niet op speciale wijze het recht van den vader en dat van den heer onderscheiden.Bedenkingen. — Men beweert dat het recht van de vader 14niet op speciale wijze moet worden onderscheiden van dat van de heer. — 1. Zoals Ambrosius zegt, komt het aan de rechtvaardigheid toe “aan ieder het zijne te geven”. Welnu, het recht is voorwerp van de rechtvaardigheid, zoals gezegd is (1e Art.). Derhalve staat het recht in gelijke verhouding tot eenieder. En zo moet men niet op speciale wijze het recht van de vader en dat van de heer onderscheiden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ratio justi est lex, ut dictum est [art. 1. ad 2.]. Sed lex respicit commune bonum civitatis et regni, ut supra habitum est [1-2. q. 90. art. 2.]. Non autem respicit bonum privatum unius personae, aut etiam unius familiae. Non ergo debet esse aliquod speciale jus, vel justum dominativum vel paternum, cum dominus et pater pertineant ad domum, ut dicitur in 1. Polit. [cap. 2.].

2. De regel van het rechtvaardige is de wet, zooals gezegd is (1e Art. 2e Antw.). Welnu, de wet beoogt het algemeen welzijn van de gemeenschap en van het rijk, zooals vroeger gezegd werd (I. II. 90e Kw. 2e Art.) ; niet echter het private welzijn van een persoon of zelfs van een familie. Derhalve moet er geen speciaal recht van heer en vader bestaan, daar heer en vader betrekking zeggen tot het gezin, zooals in de Politica wordt gezegd.2. De regel van het rechtvaardige is de wet, zoals gezegd is (1e Art. 2e Antw.). Welnu, de wet beoogt het algemeen welzijn van de gemeenschap en van het rijk, zoals vroeger gezegd werd (1-2 90e Kw. 2e Art.); niet echter het private welzijn van een persoon of zelfs van een familie. Derhalve moet er geen speciaal recht van heer en vader bestaan, daar heer en vader betrekking zeggen tot het gezin, zoals in de Politica wordt gezegd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, multae aliae sunt differentiae graduum in hominibus, ut puta quod quidam sunt milites, quidam sacerdotes, quidam principes. Ergo ad eos debet aliquod speciale jus, vel justum determinari.

3. Onder de menschen bestaan nog veel andere graadverschillen: zoo zijn sommigen soldaten, anderen priesters, weer anderen vorsten. Dus moet ook voor ieder van hen een bijzonder recht worden bepaald.3. Onder de mensen bestaan nog veel andere graadverschillen: zo zijn sommigen soldaten, anderen priesters, weer anderen vorsten. Dus moet ook voor ieder van hen een bijzonder recht worden bepaald.

Sed contra est, quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 6.] specialiter 15a justo politico distinguit dominativum et paternum, et alia hujusmodi.

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer het recht van den 15vader, het recht van den meester en dergelijke, van het landsrecht onderscheidt.Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer het recht van de 15vader, het recht van de meester en dergelijke, van het landsrecht onderscheidt.

Respondeo dicendum, quod jus, sive justum dicitur per commensurationem ad alterum; alterum autem potest dici dupliciter: uno modo, quod simpliciter est alterum, sicut quod est omnino distinctum, sicut apparet in duobus hominibus, quorum unus non est sub altero, sed ambo sunt sub uno principe civitatis; et inter tales secundum Philosophum in 5. Ethic. [cap. 6.] est simpliciter justum. Alio modo dicitur aliquid alterum, non simpliciter, sed quasi aliquid ejus existens; et hoc modo in rebus humanis filius est aliquid patris, quia quodammodo est pars ejus, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 12.], et servus est aliquid domini, quia est instrumentum ejus, ut dicitur in 1. Polit. [cap. 2.], et ideo patris ad filium non est comparatio, sicut ad simpliciter alterum, et propter hoc non est ibi simpliciter justum, sed quoddam justum, scilicet paternum. Et eadem ratione nec inter dominum et servum, sed est inter eos dominativum justum.

Leerstelling. — Recht of het rechtvaardige noemt men datgene wat geëvenredigd is aan een ander. « Ander » nu kan op twee manieren worden verstaan: ofwel, als « ander » zonder meer, als iets wat heelemaal onderscheiden is: zooals blijkt bij twee menschen waarvan de een niet ondergeschikt is aan den ander, maar beiden aan het eene opperhoofd van de gemeenschap. Tusschen dezulken bestaat recht zonder meer, volgens den Wijsgeer. Ofwel wordt iets niet zonder meer « ander » genoemd, maar als 't ware een deel van iets. Op die wijze is de zoon, met betrekking tot menschelijke aangelegenheden, iets van den vader, omdat hij op eenigerlei wijze een deel van hem is zooals in de Ethica gezegd wordt; en de slaaf is iets van den meester, daar hij zijn werktuig is, zooals gezegd wordt in de Politica. Daarom verhoudt de vader zich niet tot den zoon als tot iets « anders » zonder meer, en hierom bestaat daar ook geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een zekere rechtvaardigheid, nl. het vaderlijk recht. En om dezelfde reden ook niet tusschen heer en slaaf: maar tusschen hen bestaat er dominatief recht.Leerstelling. — Recht of het rechtvaardige noemt men datgene wat geëvenredigd is aan een ander. “Ander” nu kan op twee manieren worden verstaan: ofwel, als “ander” zonder meer, als iets wat helemaal onderscheiden is: zoals blijkt bij twee mensen waarvan de een niet ondergeschikt is aan de ander, maar beiden aan het ene opperhoofd van de gemeenschap. Tussen dezulken bestaat recht zonder meer, volgens de Wijsgeer. Ofwel wordt iets niet zonder meer “ander” genoemd, maar als 't ware een deel van iets. Op die wijze is de zoon, met betrekking tot menselijke aangelegenheden, iets van de vader, omdat hij op enigerlei wijze een deel van hem is zoals in de Ethica gezegd wordt; en de slaaf is iets van de meester, daar hij zijn werktuig is, zoals gezegd wordt in de Politica. Daarom verhoudt de vader zich niet tot de zoon als tot iets “anders” zonder meer, en hierom bestaat daar ook geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een zekere rechtvaardigheid, nl. het vaderlijk recht. En om dezelfde reden ook niet tussen heer en slaaf: maar tussen hen bestaat er dominatief recht.

Uxor 16autem, quamvis sit aliquid viri, quia comparatur ad eum, sicut ad proprium corpus, ut patet per Apostolum ad Ephes. 5. [v. 28], tamen magis distinguitur a viro, quam filius a patre, vel servus a domino: assumitur enim in quamdam socialem vitam matrimonii, et ideo, ut Philosophus dicit [lib. 5. Ethic. cap. 6.], inter virum et uxorem plus est de ratione justi, quam inter patrem et filium, vel dominum et servum, quia cum1 vir et uxor habeant immediatam relationem ad domesticam communitatem, ut patet in 1. Polit. [cap. 2. et 5.], ideo inter eos non est etiam simpliciter politicum justum, sed magis justum oeconomicum.

Ofschoon nu de vrouw iets van den man is, daar hij zich tot 16haar verhoudt als tot zijn eigen lichaam, zooals blijkt bij den Apostel in den Brief aan de Ephesiërs (5. 28), toch is zij meer onderscheiden van den man, dan de zoon van den vader of de slaaf van den meester: want zij werd opgenomen in het sociale leven van het huwelijk. En hierom is er, zooals de Wijsgeer zegt in de Politica, meer recht in eigenlijken zin tusschen man en vrouw, dan wel tusschen vader en zoon of tusschen heer en slaaf. Omdat echter man en vrouw zich onmiddellijk verhouden tot de huiselijke gemeenschap, zooals blijkt uit de Politica, bestaat er tusschen hen ook geen politiek recht zonder meer, maar eerder gezinsrecht.Ofschoon nu de vrouw iets van de man is, daar hij zich tot 16haar verhoudt als tot zijn eigen lichaam, zoals blijkt bij de Apostel in de Brief aan de Efesiërs (5, 28), toch is zij meer onderscheiden van de man, dan de zoon van de vader of de slaaf van de meester: want zij werd opgenomen in het sociale leven van het huwelijk. En hierom is er, zoals de Wijsgeer zegt in de Politica, meer recht in eigenlijke zin tussen man en vrouw, dan wel tussen vader en zoon of tussen heer en slaaf. Omdat echter man en vrouw zich onmiddellijk verhouden tot de huiselijke gemeenschap, zoals blijkt uit de Politica, bestaat er tussen hen ook geen politiek recht zonder meer, maar eerder gezinsrecht.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod ad justitiam pertinet reddere jus suum unicuique, supposita tamen diversitate unius ad alterum: si quis enim sibi det quod sibi debetur, non proprie vocatur hoc justum; et quia quod est filii, est patris, et quod est servi, est domini, ideo non est proprie justitia patris ad filium, vel domini ad servum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het komt aan de rechtvaardigheid toe ieder het zijne te geven, in de veronderstelling dat de een van den ander onderscheiden is. Want indien iemand aan zichzelf geeft wat hem toekomt, wordt dit niet in eigenlijken zin rechtvaardig genoemd. En aangezien datgene wat van den zoon is, van den vader, en wat van den slaaf, van den meester is, bestaat er geen eigenlijke rechtvaardigheid van vader tot zoon en van heer tot slaaf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het komt aan de rechtvaardigheid toe ieder het zijne te geven, in de veronderstelling dat de een van de ander onderscheiden is. Want indien iemand aan zichzelf geeft wat hem toekomt, wordt dit niet in eigenlijke zin rechtvaardig genoemd. En aangezien datgene wat van de zoon is, van de vader, en wat van de slaaf, van de meester is, bestaat er geen eigenlijke rechtvaardigheid van vader tot zoon en van heer tot slaaf.

↑ bedenking 2

17Ad secundum dicendum, quod filius, inquantum filius, est aliquid patris; et similiter servus, inquantum servus, est aliquid domini. Uterque tamen, prout consideratur ut quidam homo, est aliquid secundum se subsistens ab aliis distinctum. Et ideo, inquantum uterque est homo, aliquo modo ad eos est justitia; et propter hoc etiam aliquae leges dantur de his quae sunt patris ad filium, vel domini ad servum.

172. De zoon, als zoon, is iets van den vader, en de slaaf, als slaaf, iets van den meester. Voor zoover beiden echter beschouwd worden als mensch, zijn zij iets op zichzelf bestaands, van anderen onderscheiden. En bijgevolg, voor zoover beiden mensch zijn, bestaat er tegenover hen een zekere rechtvaardigheid. En hierom bestaan er ook sommige wetten met betrekking tot de verhoudingen van vader tot zoon en van heer tot slaaf.172. De zoon, als zoon, is iets van de vader, en de slaaf, als slaaf, iets van de meester. Voor zover beiden echter beschouwd worden als mens, zijn zij iets op zichzelf bestaands, van anderen onderscheiden. En bijgevolg, voor zover beiden mens zijn, bestaat er tegenover hen een zekere rechtvaardigheid. En hierom bestaan er ook sommige wetten met betrekking tot de verhoudingen van vader tot zoon en van heer tot slaaf.

Sed inquantum uterque est aliquid alterius, secundum hoc deficit ibi perfecta ratio justi, vel juris.

Maar voor zoover beiden iets van den ander zijn, in zoover ontbreekt hier het volmaakte begrip van recht of rechtvaardigheid.Maar voor zover beiden iets van de ander zijn, in zover ontbreekt hier het volmaakte begrip van recht of rechtvaardigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod omnes aliae diversitates personarum, quae sunt in civitate, habent immediatam relationem ad communitatem civitatis, et ad principem ipsius, et ideo ad eos est justum secundum perfectam rationem justitiae. Distinguitur tamen istud justum secundum diversa officia; unde dicitur jus militare, vel jus magistratuum, aut sacerdotum, non propter defectum a simpliciter justo, sicut dicitur jus paternum et dominativum, sed propter hoc quod unicuique conditioni personae secundum proprium officium aliquid proprium debetur.

3. Alle andere verschillen tusschen personen die in den staat zijn, staan in onmiddellijk verband met de staatsgemeenschap en met haar opperhoofd. En daarom bestaat er met betrekking tot hen recht overeenkomstig het volmaakte begrip van rechtvaardigheid. Toch wordt echter dit recht onderscheiden overeenkomstig de onderscheiden ambten. En daarom spreekt men van soldatenrecht, magistratenrecht en priesterrecht, niet omdat zij afwijken van het recht-zonder-meer, zooals het vaderrecht en het meesterrecht, maar omdat men aan iederen persoon, overeenkomstig zijn eigen ambt, iets bijzonders verschuldigd is.3. Alle andere verschillen tussen personen die in de staat zijn, staan in onmiddellijk verband met de staatsgemeenschap en met haar opperhoofd. En daarom bestaat er met betrekking tot hen recht overeenkomstig het volmaakte begrip van rechtvaardigheid. Toch wordt echter dit recht onderscheiden overeenkomstig de onderscheiden ambten. En daarom spreekt men van soldatenrecht, magistratenrecht en priesterrecht, niet omdat zij afwijken van het recht-zonder-meer, zoals het vaderrecht en het meesterrecht, maar omdat men aan iedere persoon, overeenkomstig zijn eigen ambt, iets bijzonders verschuldigd is.