Theologische Summa · Secunda Secundae · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · Kw. 58Kw. 58
Quaestio LVIII

De justitia in duodecim articulos divisa

Kwestie 58

Over de rechtvaardigheid

(Twaalf Artikelen)

18Deinde considerandum est de justitia.

18Hierna moeten wij handelen over de rechtvaardigheid.

Circa quam quaeruntur duodecim: 1. Quid sit justitia. — 2. Utrum justitia semper sit ad alterum. — 3. Utrum sit virtus. — 4. Utrum sit in voluntate sicut in subjecto. — 5. Utrum sit virtus generalis. — 6. Utrum secundum quod est generalis, sit idem in essentia cum omni virtute. — 7. Utrum sit aliqua justitia particularis. — 8. Utrum justitia particularis habeat propriam materiam. — 9. Utrum sit circa passiones, vel circa operationes tantum. — 10. Utrum medium justitiae sit medium rei. — 1911. Utrum actus justitiae sit reddere unicuique quod suum est. — 12. Utrum justitia sit praecipua inter omnes virtutes morales.

Hieromtrent stellen wij twaalf vragen. 1. Wat is de rechtvaardigheid? 2. Sluit rechtvaardigheid altijd verhouding tot een ander in? 3. Is zij een deugd? 4. Is zij in den wil als in haar subject? 5. Is zij een algemeene deugd? 6. Valt zij, als algemeene deugd, naar de wezenheid samen met alle andere deugden? 7. Is er een bijzondere rechtvaardigheid? 8. Heeft de bijzondere rechtvaardigheid een eigen gebied? 9. Heeft zij betrekking op de hartstochten, of alleen op de handelingen? 10. Is het midden van de rechtvaardigheid een zaak-midden? 1911. Is het de daad van de rechtvaardigheid, ieder het zijne te geven? 12. Is de rechtvaardigheid de voornaamste onder de zedelijke deugden?Hieromtrent stellen wij twaalf vragen. 1. Wat is de rechtvaardigheid? 2. Sluit rechtvaardigheid altijd verhouding tot een ander in? 3. Is zij een deugd? 4. Is zij in de wil als in haar subject? 5. Is zij een algemene deugd? 6. Valt zij, als algemene deugd, naar de wezenheid samen met alle andere deugden? 7. Is er een bijzondere rechtvaardigheid? 8. Heeft de bijzondere rechtvaardigheid een eigen gebied? 9. Heeft zij betrekking op de hartstochten, of alleen op de handelingen? 10. Is het midden van de rechtvaardigheid een zaak-midden? 1911. Is het de daad van de rechtvaardigheid, ieder het zijne te geven? 12. Is de rechtvaardigheid de voornaamste onder de zedelijke deugden?

Articulus I

Utrum convenienter diffiniatur Justitia, quod est perpetua et constans voluntas jus suum unicuique tribuens

Ie Artikel

Is het passend de rechtvaardigheid te bepalen als « de standvastige en blijvende wil om aan eenieder zijn recht te geven »?Is het passend de rechtvaardigheid te bepalen als “de standvastige en blijvende wil om aan eenieder zijn recht te geven”?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter definiatur Justitia a jurisperitis [Dig. I. 1. de Just. et Jure. 10.], quod justitia est « perpetua et constans voluntas jus suum unicuique tribuens ». Justitia enim secundum Philosophum in 5. Ethic. [cap. 1.] est « habitus, a quo sunt aliqui operativi justorum, et quo operantur et volunt justa ». Sed voluntas nominat potentiam, vel etiam actum. Ergo inconvenienter justitia dicitur esse voluntas.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid door de rechtsgeleerden niet op passende wijze bepaald wordt als « de standvastige en blijvende wil om aan eenieder zijn recht te geven ». — 1. Immers, volgens den Wijsgeer, is de rechtvaardigheid « een hebbelijkheid waardoor sommigen rechtvaardige daden kunnen stellen, en waardoor zij rechtvaardig handelen en willen ». Maar de wil duidt op het vermogen, of ook wel op de daad. Derhalve is het niet passend te zeggen: de rechtvaardigheid is de wil.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid door de rechtsgeleerden niet op passende wijze bepaald wordt als “de standvastige en blijvende wil om aan eenieder zijn recht te geven”. — 1. Immers, volgens de Wijsgeer, is de rechtvaardigheid “een hebbelijkheid waardoor sommigen rechtvaardige daden kunnen stellen, en waardoor zij rechtvaardig handelen en willen”. Maar de wil duidt op het vermogen, of ook wel op de daad. Derhalve is het niet passend te zeggen: de rechtvaardigheid is de wil.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, rectitudo voluntatis non est voluntas; alioquin, si voluntas esset sua rectitudo, sequeretur quod nulla voluntas esset perversa. Sed 20secundum Anselmum in lib. de Verit. [cap. 13.], « justitia est rectitudo ». Ergo justitia non est voluntas.

2. De rechtgeaardheid van den wil is de wil zelf niet. Anders toch, indien de wil zijn rechtgeaardheid was, zou geen enkele 20wil verdorven zijn. Welnu, volgens Anselmus « is de rechtvaardigheid de rechtgeaardheid ». Dus is de rechtvaardigheid niet de wil.2. De rechtgeaardheid van de wil is de wil zelf niet. Anders toch, indien de wil zijn rechtgeaardheid was, zou geen enkele 20wil verdorven zijn. Welnu, volgens Anselmus “is de rechtvaardigheid de rechtgeaardheid”. Dus is de rechtvaardigheid niet de wil.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sola Dei voluntas est perpetua. Si ergo justitia est perpetua voluntas, in solo Deo erit justitia.

3. Alleen Gods wil is blijvend. Indien dus de rechtvaardigheid een blijvende wil is, zou er alleen in God rechtvaardigheid bestaan.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, omne perpetuum est constans, quia est immutabile. Superflue ergo utrumque ponitur in diffinitione justitiae, et « perpetuum ». et « constans ».

4. Al het blijvende, is standvastig, daar het onveranderlijk is. Derhalve is het overbodig én « blijvend » én « standvastig » in de bepaling van de rechtvaardigheid te plaatsen.4. Al het blijvende, is standvastig, daar het onveranderlijk is. Derhalve is het overbodig én “blijvend” én “standvastig” in de bepaling van de rechtvaardigheid te plaatsen.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, reddere jus unicuique pertinet ad principem. Si ergo justitia sit unicuique jus suum tribuens, sequitur quod justitia non sit nisi in principe, quod est inconveniens.

5. Aan eenieder zijn recht geven is de taak van den vorst. Indien dus de rechtvaardigheid hierin zou bestaan, ieder het zijne te geven, zou daaruit volgen dat de rechtvaardigheid alleen in den vorst bestaat, wat niet aannemelijk is.5. Aan eenieder zijn recht geven is de taak van de vorst. Indien dus de rechtvaardigheid hierin zou bestaan, ieder het zijne te geven, zou daaruit volgen dat de rechtvaardigheid alleen in de vorst bestaat, wat niet aannemelijk is.

antwoord 6 ↓

6. Praeterea, Augustinus dicit in lib. de Moribus Eccles. [cap. 15.] quod « justitia est amor Deo tantum serviens ». Non ergo reddit unicuique quod suum est.

6. Augustinus zegt: « De rechtvaardigheid is liefde die alleen God dient ». Derhalve geeft zij niet aan ieder het zijne.6. Augustinus zegt: “De rechtvaardigheid is liefde die alleen God dient”. Derhalve geeft zij niet aan ieder het zijne.

Respondeo dicendum, quod praedicta justitiae diffinitio conveniens est, si recte intelligatur: cum enim omnis virtus sit habitus, qui est principium boni actus, necesse est quod virtus diffiniatur per actum bonum qui est 21circa ea quae ad alterum sunt, sicut circa propriam materiam virtutis. Est autem justitia circa ea quae ad alterum sunt sicut circa propriam materiam, ut infra patebit [art. seq.] ; et ideo actus justitiae per comparationem ad propriam materiam virtutis1, et objectum tangitur, cum dicitur: « Jus suum unicuique tribuens », quia, ut Isidorus dicit in lib. 10. Etymol. [ad litt. I.] : « Justus dicitur, quia jus custodit ».

Leerstelling. — Bovengenoemde bepaling van de rechtvaardigheid is juist, wanneer men haar goed begrijpt. Immers, daar iedere deugd een hebbelijkheid is, die het beginsel is van een goede daad, blijkt het noodzakelijk de deugd te bepalen 21door de goede daad met betrekking tot het eigen gebied van de deugd. Zooals verder blijken zal (2e Art.), is de rechtvaardigheid gericht op die dingen, die betrekking hebben op een ander, als op haar eigen deugdgebied. En zoo wordt de daad van de rechtvaardigheid, met betrekking tot haar eigen gebied en voorwerp, in de bepaling opgenomen door te zeggen: « die aan eenieder zijn recht geeft ». Want zooals Isidorus zegt, « wordt iemand rechtvaardig genoemd, omdat hij het recht onderhoudt ».Leerstelling. — Bovengenoemde bepaling van de rechtvaardigheid is juist, wanneer men haar goed begrijpt. Immers, daar iedere deugd een hebbelijkheid is, die het beginsel is van een goede daad, blijkt het noodzakelijk de deugd te bepalen 21door de goede daad met betrekking tot het eigen gebied van de deugd. Zoals verder blijken zal (2e Art.), is de rechtvaardigheid gericht op die dingen, die betrekking hebben op een ander, als op haar eigen deugdgebied. En zo wordt de daad van de rechtvaardigheid, met betrekking tot haar eigen gebied en voorwerp, in de bepaling opgenomen door te zeggen: “die aan eenieder zijn recht geeft”. Want zoals Isidorus zegt, “wordt iemand rechtvaardig genoemd, omdat hij het recht onderhoudt”.

Ad hoc autem quod aliquis actus circa quamcumque materiam sit virtuosus, requiritur quod sit voluntarius, et quod sit stabilis et firmus, quia Philosophus dicit in 2. Ethic. [cap. 4.], quod ad virtutis actum requiritur, primo quidem quod « operetur sciens », secundo autem quod « eligens, et propter debitum finem », tertio quod « immobiliter operetur ». Primum autem horum includitur in secundo, quia « quod per ignorantiam agitur, est involuntarium », ut dicitur in 3. Ethic. [cap. 1.], et ideo in diffinitione justitiae primo ponitur voluntas, ad ostendendum quod actus justitiae debet 22esse voluntarius. Additur autem de constantia et perpetuitate ad designandam actus firmitatem. Et ideo praedicta diffinitio est completa diffinitio justitiae, nisi quod actus ponitur pro habitu, qui per actum specificatur: habitus enim ad actum dicitur. Et si quis vellet eam2 in debitam formam diffinitionis reducere, posset sic dicere, quod « justitia est habitus, secundum quem aliquis constanti et perpetua voluntate ejus suum unicuique tribuit ». Et quasi est eadem diffinitio cum ea, quam Philosophus ponit in 5. Ethic. [cap. 5.] dicens quod « justitia est habitus, secundum quem aliquis dicitur operativus secundum electionem justi ».

Opdat nu een daad, met betrekking tot gelijk welk gebied, deugdzaam zou zijn, is het vereischt dat zij willig zou zijn, dat zij duurzaam en vast weze: want de Wijsgeer zegt: voor een daad van deugd wordt vereischt ten eerste dat zij « met kennis gesteld » wordt, ten tweede, « vrij gekozen en om het vereischte doel », ten derde, dat zij « op onveranderlijke wijze wordt gesteld ». De eerste dezer voorwaarden ligt besloten in de tweede: daar, « wat onwetend wordt gedaan, onwillens is », zooals in de Ethica wordt gezegd. Daarom komt, in de bepaling van de rechtvaardigheid, de wil op de eerste plaats, om aan te duiden, dat een daad van rechtvaardigheid willens moet worden gesteld. Hieraan worden « standvastig » en « blijvend » toegevoegd, om de vastheid van de daad te beduiden. Vandaar is de bovengenoemde bepaling een volledige bepaling van de rechtvaardigheid; 22alleen spreekt men van de daad en niet van de hebbelijkheid, die door de daad soortelijk wordt bepaald: immers spreekt men van hebbelijkheid met betrekking tot de daad. En indien iemand haar den vereischten vorm van een bepaling zou willen geven, dan zou hij kunnen zeggen: « De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid, waardoor iemand, met standvastigen en blijvenden wil aan ieder zijn recht toekent ». En zoo is zij als 't ware dezelfde bepaling als die van den Wijsgeer, waar hij zegt: « De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid, waardoor van iemand wordt gezegd, dat hij handelt naar de keuze van wat recht is ».Opdat nu een daad, met betrekking tot gelijk welk gebied, deugdzaam zou zijn, is het vereist dat zij willig zou zijn, dat zij duurzaam en vast weze: want de Wijsgeer zegt: voor een daad van deugd wordt vereist ten eerste dat zij “met kennis gesteld” wordt, ten tweede, “vrij gekozen en om het vereiste doel”, ten derde, dat zij “op onveranderlijke wijze wordt gesteld”. De eerste van deze voorwaarden ligt besloten in de tweede: daar, “wat onwetend wordt gedaan, onwillens is”, zoals in de Ethica wordt gezegd. Daarom komt, in de bepaling van de rechtvaardigheid, de wil op de eerste plaats, om aan te duiden, dat een daad van rechtvaardigheid willens moet worden gesteld. Hieraan worden “standvastig” en “blijvend” toegevoegd, om de vastheid van de daad te beduiden. Vandaar is de bovengenoemde bepaling een volledige bepaling van de rechtvaardigheid; 22alleen spreekt men van de daad en niet van de hebbelijkheid, die door de daad soortelijk wordt bepaald: immers spreekt men van hebbelijkheid met betrekking tot de daad. En indien iemand haar de vereiste vorm van een bepaling zou willen geven, dan zou hij kunnen zeggen: “De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid, waardoor iemand, met standvastigen en blijvenden wil aan ieder zijn recht toekent”. En zo is zij als 't ware dezelfde bepaling als die van de Wijsgeer, waar hij zegt: “De rechtvaardigheid is een hebbelijkheid, waardoor van iemand wordt gezegd, dat hij handelt naar de keuze van wat recht is”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod voluntas hic nominat actum, non potentiam. Est autem consuetum, quod apud auctores habitus per actus diffiniantur, sicut Augustinus dicit super Joan. [tract. 40.] quod « fides est credere quod non vides ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wil slaat hier op de daad en niet op het vermogen. Gewoonlijk immers wordt bij de schrijvers de hebbelijkheid door de daad bepaald. Zoo zegt Augustinus dat het geloof is « gelooven wat men niet ziet ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wil slaat hier op de daad en niet op het vermogen. Gewoonlijk immers wordt bij de schrijvers de hebbelijkheid door de daad bepaald. Zo zegt Augustinus dat het geloof is “geloven wat men niet ziet”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod neque etiam justitia est essentialiter rectitudo, sed causaliter tantum: est enim habitus, secundum quem aliquis recte operatur et vult.

2. Zelfs de rechtvaardigheid is niet naar het wezen de rechtgeaardheid, maar alleen oorzakelijk: zij is immers een hebbelijkheid waardoor iemand rechtvaardig handelt en wil.

↑ bedenking 3

23Ad tertium dicendum, quod voluntas potest dici perpetua dupliciter: uno modo ex parte ipsius actus, qui perpetuo durat, et sic solius Dei voluntas est perpetua; alio modo ex parte objecti, quia scilicet aliquis vult perpetuo facere aliquid, et hoc requiritur ad rationem justitiae. Non enim sufficit ad rationem justitiae, quod aliquis velit ad horam in aliquo negotio servare justitiam, quia vix invenitur aliquis, qui velit in omnibus injuste agere, sed requiritur, quod homo habeat voluntatem perpetuo et in omnibus justitiam conservandi.

233. Op twee manieren kan de wil blijvend worden genoemd. Ten eerste, van den kant van de daad zelve, die blijvend voortduurt. En op die wijze is alleen Gods wil blijvend. Ten tweede, van den kant van het voorwerp: daar iemand blijvend iets wil doen. Dit nu wordt vereischt voor het begrip rechtvaardigheid. Immers, het volstaat niet, voor het begrip rechtvaardigheid, dat iemand voor een bepaalden tijd, in een bepaalde zaak, de rechtvaardigheid wil onderhouden, want men zou maar moeilijk iemand vinden, die in alles onrechtvaardig zou willen handelen. Er wordt echter vereischt, dat de mensch den wil zou hebben om blijvend en in alles de rechtvaardigheid te onderhouden.233. Op twee manieren kan de wil blijvend worden genoemd. Ten eerste, van de kant van de daad zelve, die blijvend voortduurt. En op die wijze is alleen Gods wil blijvend. Ten tweede, van de kant van het voorwerp: daar iemand blijvend iets wil doen. Dit nu wordt vereist voor het begrip rechtvaardigheid. Immers, het volstaat niet, voor het begrip rechtvaardigheid, dat iemand voor een bepaalden tijd, in een bepaalde zaak, de rechtvaardigheid wil onderhouden, want men zou maar moeilijk iemand vinden, die in alles onrechtvaardig zou willen handelen. Er wordt echter vereist, dat de mens de wil zou hebben om blijvend en in alles de rechtvaardigheid te onderhouden.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod quia perpetuum non accipitur secundum durationem perpetuam actus voluntatis, non superflue additur constans, ut sicut per hoc, quod dicitur perpetua voluntas, designatur quod aliquis gerat in proposito perpetuo justitiam conservandi, ita etiam per hoc quod dicitur constans, designetur quod in hoc proposito firmiter perseveret.

4. Daar « blijvend » niet genomen wordt als blijvende duur van de wilsdaad, is het niet overtollig, er « standvastig » aan toe te voegen: zooals door « blijvende wil » beduid wordt, dat iemand voornemens is altijd de rechtvaardigheid te onderhouden, evenzoo wordt door « standvastig » beduid, dat hij in dit voornemen vast zal volharden.4. Daar “blijvend” niet genomen wordt als blijvende duur van de wilsdaad, is het niet overtollig, er “standvastig” aan toe te voegen: zoals door “blijvende wil” beduid wordt, dat iemand voornemens is altijd de rechtvaardigheid te onderhouden, evenzo wordt door “standvastig” beduid, dat hij in dit voornemen vast zal volharden.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod judex reddit quod suum est per modum imperantis et dirigentis, quia « judex est justum animatum », et « princeps est custos justi », ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 4. et 6.]. Sed subditi reddunt quod suum est unicuique per modum executionis.

5. Een rechter geeft aan ieder het zijne als beveler en leider: want « de rechter is het levende recht », en « de vorst is de hoeder van het recht », zooals in de Ethica wordt gezegd. De onderdanen daarentegen geven aan ieder het zijne als uitvoerders.5. Een rechter geeft aan ieder het zijne als beveler en leider: want “de rechter is het levende recht”, en “de vorst is de hoeder van het recht”, zoals in de Ethica wordt gezegd. De onderdanen daarentegen geven aan ieder het zijne als uitvoerders.

↑ bedenking 6

24Ad sextum dicendum, quod sicut in dilectione Dei includitur dilectio proximi, ut supra dictum est [q. 25. art. 1.], ita etiam in hoc quod homo servit Deo, includitur quod unicuique reddat quod debet.

246. Evenals in de liefde tot God de liefde tot den naaste besloten ligt, zooals boven gezegd is (25e Kw. 1e Art.), evenzoo ligt, in het feit dat de mensch God dient, besloten, dat hij aan eenieder geeft wat hij verschuldigd is.246. Evenals in de liefde tot God de liefde tot de naaste besloten ligt, zoals boven gezegd is (25e Kw. 1e Art.), evenzo ligt, in het feit dat de mens God dient, besloten, dat hij aan eenieder geeft wat hij verschuldigd is.

Articulus II

Utrum Justitia semper sit ad alterum

[Supr. q. 57. art. 4; 1-2. q. 113. art. 1; 5. Ethic. lect. 17.]
IIe Artikel

Sluit de rechtvaardigheid altijd verhouding tot een ander in?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod justitia non semper sit ad alterum: dicit enim Apostolus ad Rom. 3. [v. 22] quod « justitia Dei est per fidem Jesu Christi ». Sed fides non dicitur per comparationem unius hominis ad alterum. Ergo neque justitia.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet altijd verhouding tot een ander insluit. — 1. De Apostel immers zegt in den Brief aan de Romeinen (3. 22) : « De gerechtigheid Gods is, door het geloof in Jesus Christus ». Welnu, het geloof zegt niet, verhouding van den eenen mensch tot den ander. Dus ook de rechtvaardigheid niet.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet altijd verhouding tot een ander insluit. — 1. De Apostel immers zegt in de Brief aan de Romeinen (3, 22): “De gerechtigheid Gods is, door het geloof in Jesus Christus”. Welnu, het geloof zegt niet, verhouding van de ene mens tot de ander. Dus ook de rechtvaardigheid niet.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, secundum Augustinum in lib. de Moribus Eccles. [cap. 15.], ad justitiam pertinet, ob hoc quod servit Deo, « bene imperare caeteris, quae homini sunt subjecta ». Sed appetitus sensitivus est homini subjectus, ut patet in Gen. 4. [v. 7], ubi dicitur: « Subter te erit appetitus 25ejus (scilicet peccati) et tu dominaberis illius ». Ergo ad justitiam pertinet dominari proprio appetitui, et sic erit justitia ad seipsum.

2. Volgens Augustinus komt aan de rechtvaardigheid toe « op gepaste wijze te bevelen aan al wat aan den mensch onderworpen is », omdat zij God dient. Welnu, zooals blijkt uit het Boek der Schepping (4. 7), waarin wordt gezegd: « De begeerte (tot zonde) is in U, maar gij zult ze beheerschen », is het zinnelijk streefvermogen aan den mensch onderworpen. Derhalve komt 25het aan de rechtvaardigheid toe te heerschen over de eigen begeerte. En zoo bestaat er ook rechtvaardigheid met betrekking tot zichzelf.2. Volgens Augustinus komt aan de rechtvaardigheid toe “op gepaste wijze te bevelen aan al wat aan de mens onderworpen is”, omdat zij God dient. Welnu, zoals blijkt uit het Boek van de Schepping (4, 7), waarin wordt gezegd: “De begeerte (tot zonde) is in U, maar gij zult ze beheersen”, is het zinnelijk streefvermogen aan de mens onderworpen. Derhalve komt 25het aan de rechtvaardigheid toe te heersen over de eigen begeerte. En zo bestaat er ook rechtvaardigheid met betrekking tot zichzelf.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, justitia Dei est aeterna. Sed nihil aliud est Deo coaeternum. Ergo de ratione justitiae non est quod sit ad alterum.

3. Gods rechtvaardigheid is eeuwig. Welnu, niets was aan God mede-eeuwig. Dus behoort het niet tot de wezenheid van de rechtvaardigheid, verhouding tot een ander in te sluiten.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut operationes, quae sunt ad alterum, indigent rectificari, ita etiam operationes quae sunt ad seipsum. Sed per justitiam rectificantur operationes, secundum illud Prov. 11. [v. 5]: « Justitia simplicis diriget viam ejus ». Ergo justitia non est solum circa ea quae sunt ad alterum, sed etiam circa ea quae sunt ad seipsum.

4. Evenals de handelingen met betrekking tot een ander, moeten worden geregeld, evenzoo de handelingen met betrekking tot zichzelf. Welnu, door de rechtvaardigheid worden de handelingen geregeld, volgens het woord uit het Boek der Spreuken (11. 5) : « De gerechtigheid van den rechtvaardige leidt zijn weg ». Derhalve slaat de rechtvaardigheid niet alleen op datgene wat verhouding tot een ander insluit, maar tevens op datgene wat verhouding zegt tot den betrokken mensch zelf.4. Evenals de handelingen met betrekking tot een ander, moeten worden geregeld, evenzo de handelingen met betrekking tot zichzelf. Welnu, door de rechtvaardigheid worden de handelingen geregeld, volgens het woord uit het Boek van de Spreuken (11, 5): “De gerechtigheid van de rechtvaardige leidt zijn weg”. Derhalve slaat de rechtvaardigheid niet alleen op datgene wat verhouding tot een ander insluit, maar tevens op datgene wat verhouding zegt tot de betrokken mens zelf.

Sed contra est, quod Tullius dicit 1. de Offic. [cap. 7], quod justitiae « ea ratio est, qua societas hominum inter ipsos et vitae communitas continetur ». Sed hoc importat respectum ad alterum. Ergo justitia est solum circa ea quae sunt ad alterum.

Daartegenover staat dat Tullius zegt dat « die regeling waardoor de gemeenschap van menschen onder elkaar, en het gemeenschappelijk leven wordt behouden », tot de rechtvaardigheid behoort. Welnu, dit sluit verhouding tot een ander in. Dus slaat de rechtvaardigheid alleen op die dingen, die verhouding tot een ander insluiten.Daartegenover staat dat Tullius zegt dat “die regeling waardoor de gemeenschap van mensen onder elkaar, en het gemeenschappelijk leven wordt behouden”, tot de rechtvaardigheid behoort. Welnu, dit sluit verhouding tot een ander in. Dus slaat de rechtvaardigheid alleen op die dingen, die verhouding tot een ander insluiten.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. praec. art. 1.], 26cum nomen justitiae aequalitatem importet, ex sua ratione justitia habet, quod sit ad alterum; nihil enim est sibi aequale, sed alteri. Et quia ad justitiam pertinet actus humanos rectificare, ut dictum est [1-2. q. 60. art. 2. q. 61. art. 3. q. 113. art. 1.], necesse est quod aequalitas1 ista, quam requirit justitia, sit diversorum agere potentium. Actiones autem sunt suppositorum et totorum, non autem proprie loquendo partium et formarum, seu potentiarum: non enim proprie dicitur, quod manus percutiat, sed homo per manum, neque proprie dicitur, quod calor calefaciat, sed ignis per calorem, secundum tamen similitudinem quamdam haec dicuntur. Justitia ergo proprie dicta requirit diversitatem suppositorum, et ideo non est nisi unius hominis ad alium. Sed secundum similitudinem accipiuntur in uno et eodem homine diversa principia actionum, quasi diversa agentia, sicut ratio, et irascibilis, et concupiscibilis. Et ideo metaphorice in uno et eodem homine dicitur esse justitia, secundum quod ratio imperat irascibili 27et concupiscibili, et secundum quod haec obediunt rationi, et universaliter secundum quod unicuique parti hominis attribuitur quod ei convenit. Unde et Philosophus in 5. Ethic. [cap. 11.] hanc justitiam appellat « secundum metaphoram » dictam.

Leerstelling. — Daar de term « rechtvaardigheid » een 26zekere gelijkheid zegt, zooals boven (57e Kw. 1e Art.) gezegd is, behoort het tot het wezen van de rechtvaardigheid, verhouding tot een ander in te sluiten. Niets immers is gelijk aan zichzelf, maar aan een ander. En omdat het aan de rechtvaardigheid toekomt de menschelijke daden te regelen, zooals werd gezegd (I. II. 60e Kw. 2e Art.; 61e Kw. 3e Art.; 113e Kw. 1e Art.), daarom moet de gelijkheid, die door de rechtvaardigheid wordt vereischt, bestaan tusschen onderscheidene, handelende subjecten. De handelingen nu gaan uit van den persoon en van het geheel, en, in eigenlijken zin, niet van het deel, van den vorm of het vermogen. Men zegt niet, in eigenlijken zin, dat de hand slaat, maar de mensch, door de hand; ook niet dat de warmte verwarmt, maar het vuur door de warmte. Zoo iets zegt men slechts volgens een zekere gelijkenis. Rechtvaardigheid in eigenlijken zin vereischt dus onderscheiden subjecten; en daarom bestaat zij slechts van den eenen mensch tot den ander. Naar een zekere gelijkenis echter worden in een en denzelfden mensch onderscheiden beginselen van handeling opgevat als onderscheidene handelende subjecten: zooals de rede, het weerstrevend- en het begeervermogen. En derhalve wordt op overdrachtelijke wijze gezegd, dat de rechtvaardigheid bestaat in eenzelfden mensch, voor zoover de rede het 27weerstrevend- en het begeervermogen beveelt, en deze aan de rede gehoorzamen, en, in 't algemeen, voor zoover aan ieder deel van den mensch gegeven wordt wat eraan toekomt. Daarom noemt de Wijsgeer deze rechtvaardigheid, rechtvaardigheid « in overdrachtelijken zin ».Leerstelling. — Daar de term “rechtvaardigheid” een 26zekere gelijkheid zegt, zoals boven (57e Kw. 1e Art.) gezegd is, behoort het tot het wezen van de rechtvaardigheid, verhouding tot een ander in te sluiten. Niets immers is gelijk aan zichzelf, maar aan een ander. En omdat het aan de rechtvaardigheid toekomt de menselijke daden te regelen, zoals werd gezegd (1-2 60e Kw. 2e Art.; 61e Kw. 3e Art.; 113e Kw. 1e Art.), daarom moet de gelijkheid, die door de rechtvaardigheid wordt vereist, bestaan tussen onderscheidene, handelende subjecten. De handelingen nu gaan uit van de persoon en van het geheel, en, in eigenlijke zin, niet van het deel, van de vorm of het vermogen. Men zegt niet, in eigenlijke zin, dat de hand slaat, maar de mens, door de hand; ook niet dat de warmte verwarmt, maar het vuur door de warmte. Zo iets zegt men slechts volgens een zekere gelijkenis. Rechtvaardigheid in eigenlijke zin vereist dus onderscheiden subjecten; en daarom bestaat zij slechts van de ene mens tot de ander. Naar een zekere gelijkenis echter worden in een en dezelfde mens onderscheiden beginselen van handeling opgevat als onderscheidene handelende subjecten: zoals de rede, het weerstrevend- en het begeervermogen. En derhalve wordt op overdrachtelijke wijze gezegd, dat de rechtvaardigheid bestaat in eenzelfde mens, voor zover de rede het 27weerstrevend- en het begeervermogen beveelt, en deze aan de rede gehoorzamen, en, in 't algemeen, voor zover aan ieder deel van de mens gegeven wordt wat eraan toekomt. Daarom noemt de Wijsgeer deze rechtvaardigheid, rechtvaardigheid “in overdrachtelijke zin”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitia, quae fit per fidem in nobis, est per quam justificatur impius; quae quidem in ipsa debita ordinatione partium animae consistit, sicut supra dictum est [1-2. q. 113. art. 1.], cum de justificatione impii ageretur. Hoc autem pertinet ad justitiam metaphorice dictam, quae potest inveniri etiam in aliquo solitariam vitam agente.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid, die door het geloof in ons komt, is die waardoor de zondaar wordt gerechtvaardigd, en die bestaat in de vereischte ordening van de deelen der ziel, zooals boven werd gezegd waar het ging over de rechtvaardigmaking van den zondaar (I. II. 113e Kw. 1e Art.). Dit echter valt onder de rechtvaardigheid in overdrachtelijken zin, die zelfs kan bestaan in iemand die een afgezonderd leven leidt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid, die door het geloof in ons komt, is die waardoor de zondaar wordt gerechtvaardigd, en die bestaat in de vereiste ordening van de delen van de ziel, zoals boven werd gezegd waar het ging over de rechtvaardigmaking van de zondaar (1-2 113e Kw. 1e Art.). Dit echter valt onder de rechtvaardigheid in overdrachtelijke zin, die zelfs kan bestaan in iemand die een afgezonderd leven leidt.

↑ bedenking 2

Et per hoc patet responsio ad secundum

Hieruit blijkt ook het antwoord op de tweede bedenking.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod justitia Dei est ab aeterno secundum voluntatem et propositum aeternum, et in hoc praecipue justitia consistit, quamvis secundum effectum non sit ab aeterno, quia nihil est Deo coaeternum.

3. Wat den wil en het eeuwige raadsbesluit betreft, is Gods rechtvaardigheid van alle eeuwigheid: en hierin voornamelijk bestaat de rechtvaardigheid. Naar het uitwerksel nochtans is zij niet van alle eeuwigheid: want niets is mede-eeuwig aan God.3. Wat de wil en het eeuwige raadsbesluit betreft, is Gods rechtvaardigheid van alle eeuwigheid: en hierin voornamelijk bestaat de rechtvaardigheid. Naar het uitwerksel nochtans is zij niet van alle eeuwigheid: want niets is mede-eeuwig aan God.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod actiones quae sunt hominis ad seipsum, sufficienter rectificantur, rectificatis passionibus, per alias virtutes morales. 28Sed actiones, quae sunt ad alterum, indigent speciali rectificatione, non solum per comparationem ad agentem, sed etiam per comparationem ad eum, ad quem sunt. Et ideo circa eas est specialis virtus, quae est justitia.

4. De handelingen van den mensch met betrekking tot zichzelf, zijn voldoende geregeld wanneer de hartstochten door de 28zedelijke deugden geregeld zijn. De handelingen echter, die een verhouding tot een ander insluiten hebben een bijzondere regeling noodig, niet enkel met betrekking tot het handelend subject, maar tevens met betrekking tot hem tot wien zij zich verhouden. En daarom is er voor hen een speciale deugd, nl. de rechtvaardigheid.4. De handelingen van de mens met betrekking tot zichzelf, zijn voldoende geregeld wanneer de hartstochten door de 28zedelijke deugden geregeld zijn. De handelingen echter, die een verhouding tot een ander insluiten hebben een bijzondere regeling nodig, niet enkel met betrekking tot het handelend subject, maar tevens met betrekking tot hem tot wie zij zich verhouden. En daarom is er voor hen een speciale deugd, nl. de rechtvaardigheid.

Articulus III

Utrum Justitia sit virtus

[2. Dist. 17. art. 3 ad 3; 5. Ethic. lect. 2 et 3.]
IIIe Artikel

Is de rechtvaardigheid een deugd?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod justitia non sit virtus: dicitur enim Luc. 17. [v. 10]: « Cum feceritis omnia, quae praecepta sunt vobis, dicite: Servi inutiles sumus; quod debuimus facere, fecimus ». Sed non est inutile facere opus virtutis: dicit enim Ambrosius in 2. de Offic. [cap. 6.] : « Utilitatem non pecuniarii lucri aestimationem dicimus, sed acquisitionem pietatis ». Ergo facere quod quis debet facere, non est opus virtutis, est autem opus justitiae; ergo justitia non est virtus.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen deugd is. — 1. Bij Lucas (17. 10) immers staat geschreven: « Zoo moet gij ook, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar gedaan, wat wij moesten doen ». Welnu, daden van deugd stellen is niet onnuttig: want Ambrosius zegt: « Nuttig heeten wij niet datgene wat in goudwaarde wordt geschat, maar het aanwerven van de deugd ». Derhalve is doen wat men doen moet geen daad van deugd. Het is echter een daad van rechtvaardigheid. Dus is de rechtvaardigheid geen deugd.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen deugd is. — 1. Bij Lukas (17, 10) immers staat geschreven: “Zo moet gij ook, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: Wij zijn onnutte knechten; wij hebben alleen maar gedaan, wat wij moesten doen”. Welnu, daden van deugd stellen is niet onnuttig: want Ambrosius zegt: “Nuttig heten wij niet datgene wat in goudwaarde wordt geschat, maar het aanwerven van de deugd”. Derhalve is doen wat men doen moet geen daad van deugd. Het is echter een daad van rechtvaardigheid. Dus is de rechtvaardigheid geen deugd.

antwoord 2 ↓

292. Praeterea, quod fit ex necessitate, non est meritorium. Sed reddere alicui quod suum est, quod pertinet ad justitiam, est necessitatis. Ergo non est meritorium; actibus autem virtutum meremur; ergo justitia non est virtus.

292. Wat uit noodzaak gedaan wordt is niet verdienstelijk. Welnu, aan iemand geven wat het zijne is — en dat komt aan de rechtvaardigheid toe — geschiedt uit noodzaak. Derhalve is het niet verdienstelijk. Door daden van deugd echter verwerven wij verdiensten. Dus is de rechtvaardigheid geen deugd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, omnis virtus moralis est circa agibilia. Ea autem, quae exterius constituuntur, non sunt agibilia, sed factibilia, ut patet per Philosophum in 9. Metaphys. [lib. 8. cap. 8.]. Cum ergo ad justitiam pertineat exterius facere aliquod opus secundum se justum, videtur quod justitia non sit virtus moralis.

3. Elke zedelijke deugd heeft betrekking op de daad. Maar datgene wat naar buiten uit wordt gemaakt, is niet de daad maar het maaksel, zooals blijkt bij den Wijsgeer. Daar het nu aan de rechtvaardigheid toekomt een op zichzelf rechtvaardig werk naar buiten uit te maken, lijkt zij wel geen zedelijke deugd te zijn.3. Elke zedelijke deugd heeft betrekking op de daad. Maar datgene wat naar buiten uit wordt gemaakt, is niet de daad maar het maaksel, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Daar het nu aan de rechtvaardigheid toekomt een op zichzelf rechtvaardig werk naar buiten uit te maken, lijkt zij wel geen zedelijke deugd te zijn.

Sed contra est, quod Gregorius dicit in 2. Moral. [cap. 36.], quod « in quatuor virtutibus », scilicet temperantia, prudentia, fortitudine, et justitia, « tota boni operis structura consurgit ».

Daartegenover staat echter dat Gregorius zegt: « Heel de structuur van het goede werk ontstaat door de vier deugden »: matigheid, verstandigheid, sterkte en rechtvaardigheid.Daartegenover staat echter dat Gregorius zegt: “Heel de structuur van het goede werk ontstaat door de vier deugden”: matigheid, verstandigheid, sterkte en rechtvaardigheid.

Respondeo dicendum, quod virtus humana est, « quae bonum reddit actum humanum, et ipsum hominem bonum facit » [Arist. 2. Ethic. cap. 6.]. Quod quidem convenit justitiae. Actus enim hominis bonus redditur ex hoc, quod attingit regulam rationis, secundum quam humani actus 30rectificantur. Unde cum justitia operationes humanas rectificet, manifestum est quod opus hominis bonum reddit; et, ut Tullius dicit in 1. de Officiis [cap. 7.], « ex justitia praecipue viri boni nominantur ». Unde, sicut ibidem dicit, « in ea virtutis splendor est maximus ».

Leerstelling. — De menschelijke deugd is « die welke de menschelijke daad, en ook den mensch zelf goed maakt ». Dit nu doet de rechtvaardigheid. De daad van den mensch immers wordt goed, doordat zij gesteld wordt overeenkomstig den norm der rede, waarnaar de menschelijke daden worden geregeld. 30Daar nu de rechtvaardigheid de menschelijke handelingen regelt, blijkt het dat zij het werk van den mensch goed maakt. En, zooals Tullius zegt « worden de menschen vooral om de rechtvaardigheid goed genoemd ». Daarom « is de glans van de deugd in haar het hoogst » zooals hij op dezelfde plaats zegt.Leerstelling. — De menselijke deugd is “die welke de menselijke daad, en ook de mens zelf goed maakt”. Dit nu doet de rechtvaardigheid. De daad van de mens immers wordt goed, doordat zij gesteld wordt overeenkomstig de norm van de rede, waarnaar de menselijke daden worden geregeld. 30Daar nu de rechtvaardigheid de menselijke handelingen regelt, blijkt het dat zij het werk van de mens goed maakt. En, zoals Tullius zegt “worden de mensen vooral om de rechtvaardigheid goed genoemd”. Daarom “is de glans van de deugd in haar het hoogst” zoals hij op dezelfde plaats zegt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod cum aliquis facit quod debet, non affert utilitatem lucri ei, cui facit quod debet, sed solum abstinet a damno ejus; sibi tamen facit utilitatem, inquantum spontanea et prompta voluntate facit illud quod debet, quod est virtuose agere. Unde dicitur Sap. 8. [v. 7], quod « sapientia Dei sobrietatem et justitiam docet, prudentiam et virtutem, quibus in vita nihil est utilius hominibus », scilicet virtuosis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer iemand doet wat hij moet, dan draagt hij niet bij tot het geldelijk voordeel van hem aan wien hij doet wat hij moet, maar dan onthoudt hij zich alleen ervan hem schade toe te brengen. Echter maakt hij het zichzelf ten nutte, in zoover hij met spontanen en vaardigen wil doet wat hij moet, en dat is deugdzaam handelen. Daarom wordt in het Boek der Wijsheid (8. 7) gezegd: De wijsheid Gods « leert de matigheid en de rechtvaardigheid, de verstandigheid en de sterkte; niets is, in het leven, nuttiger voor de menschen », nl. voor de deugdzamen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer iemand doet wat hij moet, dan draagt hij niet bij tot het geldelijk voordeel van hem aan wie hij doet wat hij moet, maar dan onthoudt hij zich alleen ervan hem schade toe te brengen. Echter maakt hij het zichzelf ten nutte, in zover hij met spontanen en vaardigen wil doet wat hij moet, en dat is deugdzaam handelen. Daarom wordt in het Boek van de Wijsheid (8, 7) gezegd: De wijsheid Gods “leert de matigheid en de rechtvaardigheid, de verstandigheid en de sterkte; niets is, in het leven, nuttiger voor de mensen”, nl. voor de deugdzamen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod duplex est necessitas: una coactionis, et haec quia repugnat voluntati, tollit rationem meriti. Alia autem est necessitas ex obligatione praecepti, sive ex necessitate finis, quando scilicet aliquis non potest consequi finem virtutis, nisi hoc faciat; et talis necessitas 31non excludit rationem meriti, inquantum aliquis hoc quod sic est necessarium, voluntarie agit; excludit tamen gloriam supererogationis, secundum illud 1. ad Cor. 9. [v. 16]: « Si evangelizavero, non est mihi gloria: necessitas enim mihi incumbit ».

2. Er bestaan twee soorten van noodzakelijkheid. Een eerste, uit dwang: daar deze indruischt tegen den wil, neemt zij de verdienste weg. Een tweede noodzakelijkheid ontstaat krachtens de verplichting van een voorschrift, of uit een noodzakelijk te bereiken doel, dàn nl. wanneer iemand het doel van de deugd niet bereiken kan zonder dit bepaalde te doen. Zulke 31noodzakelijkheid nu sluit de verdienste niet uit, voor zoover men willens doet wat derwijze noodzakelijk is. Toch sluit zij den roem van wat meer-dan-opgelegd-is uit, volgens het woord in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (9. 16) « Indien ik het evangelie verkondig, strekt dit mij niet tot roem: want dit is mijn plicht ».2. Er bestaan twee soorten van noodzakelijkheid. Een eerste, uit dwang: daar deze indruist tegen de wil, neemt zij de verdienste weg. Een tweede noodzakelijkheid ontstaat krachtens de verplichting van een voorschrift, of uit een noodzakelijk te bereiken doel, dàn nl. wanneer iemand het doel van de deugd niet bereiken kan zonder dit bepaalde te doen. Zulke 31noodzakelijkheid nu sluit de verdienste niet uit, voor zover men willens doet wat derwijze noodzakelijk is. Toch sluit zij de roem van wat meer-dan-opgelegd-is uit, volgens het woord in de Eerste Brief aan de Korintiërs (9, 16) “Indien ik het evangelie verkondig, strekt dit mij niet tot roem: want dit is mijn plicht”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod justitia non consistit circa exteriores res, quantum ad hoc quod est facere, quod pertinet ad artem, sed quantum ad hoc quod utitur eis ad alterum.

3. De rechtvaardigheid verhoudt zich niet tot de uiterlijke dingen, voor zoover die gemaakt worden — dat komt aan de kunst toe — maar voor zoover zij ze gebruikt met betrekking tot een ander.3. De rechtvaardigheid verhoudt zich niet tot de uiterlijke dingen, voor zover die gemaakt worden — dat komt aan de kunst toe — maar voor zover zij ze gebruikt met betrekking tot een ander.

Articulus IV

Utrum Justitia sit in voluntate sicut in subjecto

[Infr. art. 8. ad 1; 1. q. 21. art. 2. ad 1; 1-2. q. 56. art. 6; 3. Dist. 33. q. 2. art. 4. qla. 3; De Malo q. 4. art. 5. ad 4; De Virtut. q. 1. art. 5; 5. Ethic. lect. 1.]
IVe Artikel

Is de rechtvaardigheid in den wil als in haar subject?Is de rechtvaardigheid in de wil als in haar subject?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod justitia non sit in voluntate sicut in subjecto: justitia enim quandoque veritas dicitur. Sed veritas non est voluntatis, sed intellectus. Ergo justitia non est in voluntate sicut in subjecto.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet in den wil als in haar subject is. — 1. Soms wordt de rechtvaardigheid waarheid genoemd. De waarheid nu is niet iets van den wil, maar van het verstand. Derhalve is de rechtvaardigheid niet in den wil als in haar subject.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid niet in de wil als in haar subject is. — 1. Soms wordt de rechtvaardigheid waarheid genoemd. De waarheid nu is niet iets van de wil, maar van het verstand. Derhalve is de rechtvaardigheid niet in de wil als in haar subject.

antwoord 2 ↓

322. Praeterea, justitia est circa ea quae sunt ad alterum. Sed ordinare aliquid ad alterum est rationis. Justitia ergo non est in voluntate sicut in subjecto, sed magis in ratione.

322. De rechtvaardigheid slaat op die dingen, die tot een ander geordend zijn. Welnu, iets tot een ander ordenen komt aan de rede toe. De rechtvaardigheid is dus niet in den wil maar veeleer in het verstand, als in haar subject.322. De rechtvaardigheid slaat op die dingen, die tot een ander geordend zijn. Welnu, iets tot een ander ordenen komt aan de rede toe. De rechtvaardigheid is dus niet in de wil maar veeleer in het verstand, als in haar subject.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, justitia non est virtus intellectualis, cum non ordinetur ad cognitionem. Unde relinquitur, quod sit virtus moralis. Sed subjectum virtutis moralis est « rationale per participationem », quod est irascibilis et concupiscibilis, ut patet per Philosophum in 1. Ethic. [cap. 13.]. Ergo justitia non est in voluntate sicut in subjecto, sed magis in irascibili et concupiscibili.

3. De rechtvaardigheid is geen verstandelijke deugd, wijl zij niet tot het kennen geordend is. Vandaar blijft alleen, dat zij een zedelijke deugd is. Welnu, het subject van een zedelijke deugd is het « redelijke-door-deelhebbing », nl. het weerstrevend- en het begeervermogen, zooals blijkt bij den Wijsgeer. Derhalve is de rechtvaardigheid niet in den wil als in haar subject, maar veeleer in het weerstrevend- en het begeervermogen.3. De rechtvaardigheid is geen verstandelijke deugd, wijl zij niet tot het kennen geordend is. Vandaar blijft alleen, dat zij een zedelijke deugd is. Welnu, het subject van een zedelijke deugd is het “redelijke-door-deelhebbing”, nl. het weerstrevend- en het begeervermogen, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve is de rechtvaardigheid niet in de wil als in haar subject, maar veeleer in het weerstrevend- en het begeervermogen.

Sed contra est, quod Anselmus dicit [lib. de Verit. cap. 13.] quod « justitia est rectitudo voluntatis propter se servata ».

Daartegenover staat echter dat Anselmus zegt: « De rechtvaardigheid is de rechtgeordendheid van den wil, om zichzelf onderhouden ».Daartegenover staat echter dat Anselmus zegt: “De rechtvaardigheid is de rechtgeordendheid van de wil, om zichzelf onderhouden”.

Respondeo dicendum, quod illa potentia est subjectum virtutis, ad cujus potentiae actum rectificandum virtus ordinatur. Justitia autem non ordinatur ad dirigendum aliquem actum cognoscitivum: non enim dicimur justi ex hoc quod recte aliquid cognoscimus; et ideo subjectum justitiae 33non est intellectus vel ratio, quae est potentia cognoscitiva.

Leerstelling. — De deugd heeft als subject het vermogen, waarvan de akt door haar wordt geregeld. De rechtvaardigheid nu is niet geordend tot het regelen van een kenakt: wij worden immers niet rechtvaardig genoemd, door het feit dat wij iets met juistheid kennen. En daarom is het subject van de 33rechtvaardigheid niet het verstand of de rede, die een kenvermogen zijn.Leerstelling. — De deugd heeft als subject het vermogen, waarvan de act door haar wordt geregeld. De rechtvaardigheid nu is niet geordend tot het regelen van een kenakt: wij worden immers niet rechtvaardig genoemd, door het feit dat wij iets met juistheid kennen. En daarom is het subject van de 33rechtvaardigheid niet het verstand of de rede, die een kenvermogen zijn.

Sed quia justi in hoc dicimur quod aliquid recte agimus, proximum autem principium actus est vis appetitiva, necesse est quod justitia sit in aliqua vi appetitiva sicut in subjecto. Est autem duplex appetitus, scilicet voluntas, quae est in ratione, et appetitus sensitivus consequens apprehensionem sensus, qui dividitur per irascibilem et concupiscibilem, ut habitum est in part. 1. [q. 81. art. 2.].

Daar wij echter rechtvaardig genoemd worden omdat wij iets gerecht doen, en het naaste beginsel van de handeling het streefvermogen is, daarom is de rechtvaardigheid noodzakelijk in een streefvermogen als in haar subject. Er is echter een dubbel streefvermogen, nl. de wil die in de rede wortelt, en het zinnelijk streefvermogen, dat op de zintuiglijke kennis volgt, en verdeeld wordt in weerstrevend- en begeervermogen, zooals in het Eerste Deel (81e Kw. 2e Art.) gezegd is.Daar wij echter rechtvaardig genoemd worden omdat wij iets gerecht doen, en het naaste beginsel van de handeling het streefvermogen is, daarom is de rechtvaardigheid noodzakelijk in een streefvermogen als in haar subject. Er is echter een dubbel streefvermogen, nl. de wil die in de rede wortelt, en het zinnelijk streefvermogen, dat op de zintuiglijke kennis volgt, en verdeeld wordt in weerstrevend- en begeervermogen, zoals in het Eerste Deel (81e Kw. 2e Art.) gezegd is.

Reddere autem unicuique quod suum est, non potest procedere ex appetitu sensitivo, quia apprehensio sensitiva non se extendit ad hoc, quod considerare possit proportionem unius ad alterum, sed hoc est proprium rationis. Unde justitia non potest esse sicut in subjecto in irascibili vel concupiscibili, sed solum in voluntate. Et ideo Philosophus [lib. 5. Ethic. cap. 1.] definit justitiam per actum voluntatis, ut ex supra dictis patet [art. 1.].

Aan ieder geven wat hem toekomt kan echter niet uitgaan van het zinnelijk streefvermogen: want het zintuiglijk kennen reikt niet tot de beschouwing van de verhouding van het eene tot het andere, maar dit is eigen aan de rede. Daarom kan de rechtvaardigheid noch in het weerstrevend, noch in het begeervermogen zijn als in haar subject maar enkel in den wil. En daarom bepaalt de Wijsgeer de rechtvaardigheid door de wilsdaad, zooals blijkt uit wat gezegd is (1e Art.).Aan ieder geven wat hem toekomt kan echter niet uitgaan van het zinnelijk streefvermogen: want het zintuiglijk kennen reikt niet tot de beschouwing van de verhouding van het ene tot het andere, maar dit is eigen aan de rede. Daarom kan de rechtvaardigheid noch in het weerstrevend, noch in het begeervermogen zijn als in haar subject maar enkel in de wil. En daarom bepaalt de Wijsgeer de rechtvaardigheid door de wilsdaad, zoals blijkt uit wat gezegd is (1e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quia voluntas est appetitus rationalis, ideo rectitudo rationis, quae veritas dicitur, voluntati impressa propter 34propinquitatem ad rationem nomen retinet veritatis; et inde est, quod quandoque justitia veritas vocatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de wil het redelijk streefvermogen is, behoudt de rechtgeordendheid van de rede, die waarheid wordt genoemd, dezen naam, wanneer zij 34tot in den wil, om reden van zijn verwantschap met de rede, doordringt. Vandaar wordt de rechtvaardigheid soms waarheid genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de wil het redelijk streefvermogen is, behoudt de rechtgeordendheid van de rede, die waarheid wordt genoemd, deze naam, wanneer zij 34tot in de wil, om reden van zijn verwantschap met de rede, doordringt. Vandaar wordt de rechtvaardigheid soms waarheid genoemd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod voluntas fertur in suum objectum consequenter ad apprehensionem rationis; et ideo quia ratio ordinat in alterum, voluntas potest velle aliquid in ordine ad alterum, quod pertinet ad justitiam.

2. Het uitgaan van den wil naar zijn voorwerp, volgt op de kennis van de rede. En daar de rede tot iets anders ordent, daarom kan de wil iets willen met betrekking tot een ander, en dat valt onder de rechtvaardigheid.2. Het uitgaan van de wil naar zijn voorwerp, volgt op de kennis van de rede. En daar de rede tot iets anders ordent, daarom kan de wil iets willen met betrekking tot een ander, en dat valt onder de rechtvaardigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod rationale per participationem non solum est irascibile et concupiscibile1, sed « omnino appetitivum » ut dicitur in 1. Ethic. [cap. 13.], quia omnis appetitus obedit rationi. Sub appetitivo autem comprehenditur voluntas, et ideo voluntas potest esse subjectum virtutis moralis.

3. Niet alleen het weerstrevend- en het begeervermogen hebben deel aan het redelijke, maar « elk streefvermogen », zooals in de Ethica wordt gezegd: want elk streefvermogen gehoorzaamt aan de rede. De wil nu valt ook onder het streefvermogen. En bijgevolg kan de wil het subject zijn van een zedelijke deugd.3. Niet alleen het weerstrevend- en het begeervermogen hebben deel aan het redelijke, maar “elk streefvermogen”, zoals in de Ethica wordt gezegd: want elk streefvermogen gehoorzaamt aan de rede. De wil nu valt ook onder het streefvermogen. En bijgevolg kan de wil het subject zijn van een zedelijke deugd.

Articulus V

Utrum Justitia sit virtus generalis

[Ad Philipp. cap. 3. lect. 2; 5. Ethic. lect. 2 et 3.]
Ve Artikel

Is de rechtvaardigheid een algemeene deugd?Is de rechtvaardigheid een algemene deugd?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod justitia non sit virtus generalis: justitia enim condividitur aliis virtutibus, ut patet Sap. 8. [v. 7]: 35« Sobrietatem et justitiam docet, prudentiam et virtutem ». Sed generale non condividitur seu connumeratur speciebus sub illo generali contentis. Ergo justitia non est virtus generalis.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen algemeene deugd is. — 1. De rechtvaardigheid wordt samen 35met de andere deugden ingeschakeld in de verdeeling der deugden, zooals blijkt in het Boek der Wijsheid (8. 7) : (De goddelijke Wijsheid) « leert matigheid en rechtvaardigheid, verstandigheid en sterkte ». Het algemeene nu wordt niet medeverdeeld of opgesomd met de soorten die onder dat algemeene vallen. Derhalve is de rechtvaardigheid geen algemeene deugd.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid geen algemene deugd is. — 1. De rechtvaardigheid wordt samen 35met de andere deugden ingeschakeld in de verdeling van de deugden, zoals blijkt in het Boek van de Wijsheid (8, 7): (De goddelijke Wijsheid) “leert matigheid en rechtvaardigheid, verstandigheid en sterkte”. Het algemene nu wordt niet medeverdeeld of opgesomd met de soorten die onder dat algemene vallen. Derhalve is de rechtvaardigheid geen algemene deugd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut justitia ponitur virtus cardinalis, ita etiam temperantia et fortitudo. Sed temperantia vel fortitudo non ponitur virtus generalis. Ergo neque justitia debet aliquo modo poni virtus generalis.

2. Evenals de rechtvaardigheid, worden ook de matigheid en de sterkte als kardinale deugden aanzien. Welnu, noch de matigheid noch de sterkte worden voor algemeene deugden gehouden. Dus moet ook de rechtvaardigheid niet op een of andere wijze als algemeene deugd worden beschouwd.2. Evenals de rechtvaardigheid, worden ook de matigheid en de sterkte als kardinale deugden aanzien. Welnu, noch de matigheid noch de sterkte worden voor algemene deugden gehouden. Dus moet ook de rechtvaardigheid niet op een of andere wijze als algemene deugd worden beschouwd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, justitia est semper ad alterum, ut supra dictum est [art. 2.]. Sed peccatum, quod est in proximum, non potest esse peccatum generale, sed dividitur contra peccatum, quod peccat homo contra seipsum. Ergo etiam neque justitia est virtus generalis.

3. Rechtvaardigheid sluit altijd betrekking tot een ander in, zooals gezegd is (2e Art.). Welnu, de zonde die wordt bedreven met betrekking tot den naaste is geen algemeene zonde, maar wordt tegengesteld aan de zonde, die de mensch begaat tegen zichzelf. Derhalve is ook de rechtvaardigheid geen algemeene deugd.3. Rechtvaardigheid sluit altijd betrekking tot een ander in, zoals gezegd is (2e Art.). Welnu, de zonde die wordt bedreven met betrekking tot de naaste is geen algemene zonde, maar wordt tegengesteld aan de zonde, die de mens begaat tegen zichzelf. Derhalve is ook de rechtvaardigheid geen algemene deugd.

Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 1.] quod « justitia est omnis virtus ».

Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt dat « de rechtvaardigheid alle deugd is ».Daartegenover staat echter dat de Wijsgeer zegt dat “de rechtvaardigheid alle deugd is”.

Respondeo dicendum, quod justitia, sicut dictum est [art. 2.], 36ordinat hominem in comparatione ad alium. Quod quidem potest esse dupliciter: uno modo ad alium singulariter consideratum; alio modo ad alium in communi, secundum scilicet quod ille qui servit alicui communitati, servit omnibus hominibus, qui sub communitate illa continentur. Ad utrumque ergo se potest habere justitia secundum propriam rationem. Manifestum est autem, quod omnes, qui sub communitate aliqua continentur, comparantur ad communitatem, sicut partes ad totum; pars autem id quod est, totius est; unde et quodlibet bonum partis est ordinabile in bonum totius. Secundum hoc ergo bonum cujuslibet virtutis, sive ordinantis aliquem hominem ad seipsum, sive ordinantis ipsum ad aliquas alias personas singulares, est referibile ad bonum commune, ad quod ordinat justitia. Et secundum hoc actus omnium virtutum possunt ad justitiam pertinere, secundum quod ordinat hominem ad bonum commune; et quantum ad hoc justitia dicitur virtus generalis. Et quia ad legem pertinet ordinare in bonum commune, ut supra habitum est [1-2. q. 90. art. 2.], inde est, quod talis justitia praedicto modo generalis dicitur justitia legalis, quia scilicet 37per eam homo concordat legi ordinanti actus omnium virtutum in bonum commune.

Leerstelling. — De rechtvaardigheid regelt den mensch 36met betrekking tot een ander, zooals gezegd is (2e Art.). Dit nu kan op twee manieren voorkomen. Ofwel, tot een ander, beschouwd als eenling; ofwel, tot een ander, in 't algemeen genomen, zooals nl. hij, die een gemeenschap dient, alle menschen dient, die bij die gemeenschap behooren. Naar haar eigen aard nu beschouwd, kan de rechtvaardigheid zich tot beiden verhouden. Het is klaarblijkend, dat allen, die tot een gemeenschap behooren, tot die gemeenschap in verhouding staan als deelen tot het geheel. Het deel, als zoodanig, is iets van het geheel: vandaar ook kan elk goed van het deel tot het goed van het geheel geordend worden. In overeenstemming hiermee kan het goed van iedere deugd — laat ze dan den mensch regelen met betrekking tot zichzelf, ofwel met betrekking tot andere individueele personen — teruggebracht worden tot het algemeen welzijn waartoe de rechtvaardigheid ordent. Hiermee overeenkomstig kunnen dus de daden van alle deugden onder de rechtvaardigheid vallen, in zoover zij den mensch tot het algemeen welzijn ordent. En in dien zin wordt de rechtvaardigheid een algemeene deugd genoemd. Daar nu het ordenen tot het algemeen welzijn aan de wet toekomt, zooals boven (I. II. 90e Kw. 2e Art.) gezegd is, daarom is het, dat die algemeene rechtvaardigheid (algemeen zooals boven werd uiteengezet) wettelijke 37rechtvaardigheid wordt genoemd; want door haar handelt de mensch in overeenstemming met de wet, die de daden van alle deugden richt naar het algemeen welzijn.Leerstelling. — De rechtvaardigheid regelt de mens 36met betrekking tot een ander, zoals gezegd is (2e Art.). Dit nu kan op twee manieren voorkomen. Ofwel, tot een ander, beschouwd als eenling; ofwel, tot een ander, in 't algemeen genomen, zoals nl. hij, die een gemeenschap dient, alle mensen dient, die bij die gemeenschap behoren. Naar haar eigen aard nu beschouwd, kan de rechtvaardigheid zich tot beiden verhouden. Het is klaarblijkend, dat allen, die tot een gemeenschap behoren, tot die gemeenschap in verhouding staan als delen tot het geheel. Het deel, als zodanig, is iets van het geheel: vandaar ook kan elk goed van het deel tot het goed van het geheel geordend worden. In overeenstemming hiermee kan het goed van iedere deugd — laat ze dan de mens regelen met betrekking tot zichzelf, ofwel met betrekking tot andere individuele personen — teruggebracht worden tot het algemeen welzijn waartoe de rechtvaardigheid ordent. Hiermee overeenkomstig kunnen dus de daden van alle deugden onder de rechtvaardigheid vallen, in zover zij de mens tot het algemeen welzijn ordent. En in die zin wordt de rechtvaardigheid een algemene deugd genoemd. Daar nu het ordenen tot het algemeen welzijn aan de wet toekomt, zoals boven (1-2 90e Kw. 2e Art.) gezegd is, daarom is het, dat die algemene rechtvaardigheid (algemeen zoals boven werd uiteengezet) wettelijke 37rechtvaardigheid wordt genoemd; want door haar handelt de mens in overeenstemming met de wet, die de daden van alle deugden richt naar het algemeen welzijn.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitia condividitur, seu connumeratur aliis virtutibus, non inquantum est generalis, sed inquantum est specialis virtus, ut infra dicetur [art. 7.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid wordt niet met de andere deugden ingedeeld en opgesomd in zoover zij een algemeene, maar wel in zoover zij een speciale deugd is, zooals verder zal gezegd worden (7e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid wordt niet met de andere deugden ingedeeld en opgesomd in zover zij een algemene, maar wel in zover zij een speciale deugd is, zoals verder zal gezegd worden (7e Art.).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod temperantia et fortitudo sunt in appetitu sensitivo, idest in concupiscibili et irascibili. Hujusmodi autem vires sunt appetitivae quorumdam bonorum particularium, sicut et sensus est particularium cognoscitivus. Sed justitia est sicut in subjecto in appetitu intellectivo, qui potest esse universalis boni, cujus intellectus est apprehensivus. Et ideo justitia magis potest esse virtus generalis, quam temperantia vel fortitudo.

2. De matigheid en de sterkte zetelen in het zinnelijk streefvermogen, d. i. in het begeer- en weerstrevend vermogen. Deze vermogens streven naar sommige partikuliere goederen, zooals ook het zintuig het partikuliere kent. De rechtvaardigheid echter zetelt in het verstandelijk streefvermogen, dat kan streven naar het algemeen goede, waarvan de kennis aan het verstand toekomt. En bijgevolg kan de rechtvaardigheid veel meer een algemeene deugd zijn dan de matigheid of de sterkte.2. De matigheid en de sterkte zetelen in het zinnelijk streefvermogen, d.i. in het begeer- en weerstrevend vermogen. Deze vermogens streven naar sommige particuliere goederen, zoals ook het zintuig het particuliere kent. De rechtvaardigheid echter zetelt in het verstandelijk streefvermogen, dat kan streven naar het algemeen goede, waarvan de kennis aan het verstand toekomt. En bijgevolg kan de rechtvaardigheid veel meer een algemene deugd zijn dan de matigheid of de sterkte.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illa, quae sunt ad seipsum, sunt ordinabilia ad alterum, praecipue quantum ad bonum commune. Unde et justitia legalis, secundum quod ordinat ad bonum commune, potest dici virtus 38generalis. Et eadem ratione injustitia potest dici peccatum commune. Unde dicitur 1. Joan. 3. [v. 4], quod « omne peccatum est iniquitas ».

3. Datgene wat betrekking op onszelf heeft, kan toch tot een ander geordend worden, vooral daar waar het algemeen welzijn er bij betrokken is. Daarom kan ook de wettelijke rechtvaardigheid, voor zoover ze tot het algemeen welzijn ordent, een algemeene deugd genoemd worden; en om dezelfde reden kan de 38onrechtvaardigheid een algemeene zonde worden genoemd: daarom wordt bij Joannes (I. 3. 4) gezegd: « Alle zonde is schennis der wet ».3. Datgene wat betrekking op onszelf heeft, kan toch tot een ander geordend worden, vooral daar waar het algemeen welzijn er bij betrokken is. Daarom kan ook de wettelijke rechtvaardigheid, voor zover ze tot het algemeen welzijn ordent, een algemene deugd genoemd worden; en om dezelfde reden kan de 38onrechtvaardigheid een algemene zonde worden genoemd: daarom wordt bij Johannes (1 3. 4) gezegd: “Alle zonde is schennis van de wet”.

Articulus VI

Utrum Justitia, secundum quod est generalis, sit idem per essentiam cum omni virtute

[1-2. q. 60. art. 3. ad 2; et 3. Dist. 9. q. 1. art. 1. qla 2; De Verit. q. 28. art. 1; 5. Ethic. lect. 2. fin.]
VIe Artikel

Valt de rechtvaardigheid, als algemeene deugd, naar de wezenheid samen met alle andere deugden?Valt de rechtvaardigheid, als algemene deugd, naar de wezenheid samen met alle andere deugden?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod justitia, secundum quod est generalis, sit idem per essentiam cum omni virtute: dicit enim Philosophus in 5. Ethic. [cap. 1.] quod « virtus et justitia legalis est eadem omni virtuti, esse autem non est idem ». Sed illa quae differunt solum secundum esse vel secundum rationem, non differunt secundum essentiam. Ergo justitia est idem secundum essentiam cum omni virtute.

Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid, als algemeene deugd, naar de wezenheid samenvalt met alle andere deugden. — 1. De Wijsgeer zegt immers, dat deugd en wettelijke rechtvaardigheid « hetzelfde zijn als alle deugden, maar alleen verschillen naar het zijn ». Dingen echter die alleen naar het zijn, ofwel naar een begripsonderscheid verschillen, zijn naar de wezenheid niet onderscheiden. Derhalve valt de rechtvaardigheid, naar de wezenheid, samen met alle andere deugden.Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid, als algemene deugd, naar de wezenheid samenvalt met alle andere deugden. — 1. De Wijsgeer zegt immers, dat deugd en wettelijke rechtvaardigheid “hetzelfde zijn als alle deugden, maar alleen verschillen naar het zijn”. Dingen echter die alleen naar het zijn, ofwel naar een begripsonderscheid verschillen, zijn naar de wezenheid niet onderscheiden. Derhalve valt de rechtvaardigheid, naar de wezenheid, samen met alle andere deugden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omnis virtus, quae non est idem per essentiam cum omni virtute, est pars virtutis. Sed justitia praedicta, ut ibidem Philosophus 39dicit « non est pars virtutis, sed tota virtus ». Ergo praedicta justitia est idem essentialiter cum omni virtute.

2. Iedere deugd, die niet naar de wezenheid met elke deugd samenvalt, is een deel van de deugd. Welnu, voornoemde 39rechtvaardigheid « is geen deel van de deugd maar heel de deugd » zooals de Wijsgeer zegt. Dus valt voornoemde rechtvaardigheid naar de wezenheid samen met alle deugden.2. Iedere deugd, die niet naar de wezenheid met elke deugd samenvalt, is een deel van de deugd. Welnu, voornoemde 39rechtvaardigheid “is geen deel van de deugd maar heel de deugd” zoals de Wijsgeer zegt. Dus valt voornoemde rechtvaardigheid naar de wezenheid samen met alle deugden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, per hoc quod aliqua virtus ordinat actum suum ad altiorem finem, non diversificatur secundum essentiam habitus, sicut idem est essentialiter habitus temperantiae, etiamsi actus ejus ordinetur ad bonum divinum. Sed ad justitiam legalem pertinet, quod actus omnium virtutum ordinentur ad altiorem finem, idest ad bonum commune multitudinis, quod praeeminet bono unius singularis personae. Ergo videtur, quod justitia legalis essentialiter sit omnis virtus.

3. Een deugd verschilt, in haar natuur van hebbelijkheid, niet van de andere deugden door het feit dat zij haar daad tot een hooger doel ordent: zoo blijft de matigheid, als hebbelijkheid, wezenlijk dezelfde, ook al wordt haar daad tot het goddelijk goed geordend. Nu komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de daden van alle deugden tot een hooger doel te ordenen, nl. tot het algemeen welzijn van de gemeenschap, dat den voorrang heeft op het goed van den individueelen persoon. Derhalve lijkt de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid alle deugd te zijn.3. Een deugd verschilt, in haar natuur van hebbelijkheid, niet van de andere deugden door het feit dat zij haar daad tot een hoger doel ordent: zo blijft de matigheid, als hebbelijkheid, wezenlijk dezelfde, ook al wordt haar daad tot het goddelijk goed geordend. Nu komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de daden van alle deugden tot een hoger doel te ordenen, nl. tot het algemeen welzijn van de gemeenschap, dat de voorrang heeft op het goed van de individuele persoon. Derhalve lijkt de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid alle deugd te zijn.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, omne bonum partis ordinabile est ad bonum totius; unde si non ordinetur in illud, videtur esse vanum et frustra. Sed illud, quod est secundum virtutem, non potest esse hujusmodi. Ergo videtur, quod nullus actus possit esse alicujus virtutis, qui non pertineat ad justitiam generalem, quae ordinat in bonum commune. Et sic videtur, quod justitia generalis sit idem in essentia cum omni virtute.

4. Elk goed van het deel kan tot het goed van het geheel geordend worden: daarom lijkt het onnuttig en ijdel te zijn wanneer het er niet toe geordend wordt. Wat echter deugdzaam is kan niet onnuttig en ijdel zijn. Dus lijkt het wel dat geen enkele daad een deugddaad kan zijn, wanneer ze niet behoort tot de wettelijke rechtvaardigheid, die tot het algemeen welzijn ordent. Derhalve schijnt het wel dat de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid samenvalt met alle deugden.

40Sed contra est, quod dicit Philosophus in 5 Ethic. [cap. 1.] quod « multi in propriis quidem possunt virtute uti, in his autem, quae ad alterum sunt, non possunt ». Et in 3. Polit. [cap. 2.] dicit, quod « non est simpliciter eadem virtus boni viri, et boni civis ». Sed virtus boni civis est justitia generalis, per quam aliquis ordinatur ad bonum commune. Ergo non est eadem justitia generalis cum virtute communi, sed una potest sine alia haberi.

40Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt: « Velen kunnen deugdzaam handelen met betrekking tot hun eigen aangelegenheden, maar zij kunnen het niet met betrekking tot die dingen, die in verhouding staan tot een ander ». En in de Politica zegt hij: « De deugd van een goed man en van een goed burger zijn niet zonder meer hetzelfde ». De deugd nu van een goed burger is de wettelijke rechtvaardigheid, waardoor hij tot het algemeen welzijn geordend wordt. Derhalve is de wettelijke rechtvaardigheid niet hetzelfde als de algemeene deugd, maar men kan de een zonder de andere bezitten.40Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt: “Velen kunnen deugdzaam handelen met betrekking tot hun eigen aangelegenheden, maar zij kunnen het niet met betrekking tot die dingen, die in verhouding staan tot een ander”. En in de Politica zegt hij: “De deugd van een goed man en van een goed burger zijn niet zonder meer hetzelfde”. De deugd nu van een goed burger is de wettelijke rechtvaardigheid, waardoor hij tot het algemeen welzijn geordend wordt. Derhalve is de wettelijke rechtvaardigheid niet hetzelfde als de algemene deugd, maar men kan de een zonder de andere bezitten.

Respondeo dicendum, quod, generale dicitur aliquid dupliciter: uno modo per praedicationem, sicut animal est generale ad hominem, et equum, et ad alia hujusmodi; et hoc modo generale oportet quod sit idem essentialiter cum his, ad quae est generale, quia genus pertinet ad essentiam speciei, et cadit in diffinitione ejus. Alio modo dicitur aliquid generale secundum virtutem, sicut causa universalis est generalis ad omnes suos effectus, ut sol ad omnia corpora, quae illuminantur vel immutantur per virtutem ipsius; et hoc modo generale non oportet quod sit idem in 41essentia cum his, ad quae est generale, quia non est eadem essentia causae et effectus.

Leerstelling. — Iets kan algemeen worden genoemd op twee manieren. Ten eerste, als gezegde: zoo is « dier » algemeen met betrekking tot mensch, paard en dergelijke. In dezen zin moet het algemeene naar de wezenheid samenvallen met die dingen waartegenover het algemeen is: het geslacht immers hoort tot de wezenheid van de soort en wordt in zijn bepaling opgenomen. — Ten tweede wordt iets algemeen genoemd krachtens zijn vermogen: zoo is een universeele oorzaak algemeen met betrekking tot al de uitwerkselen, zooals de zon met betrekking tot al de lichamen, die door haar kracht verlicht of veranderd 41worden. In dezen zin moet het algemeene niet naar de wezenheid samenvallen met datgene waartegenover het algemeen is: oorzaak en gevolg zijn immers naar hun wezenheid niet hetzelfde.Leerstelling. — Iets kan algemeen worden genoemd op twee manieren. Ten eerste, als gezegde: zo is “dier” algemeen met betrekking tot mens, paard en dergelijke. In deze zin moet het algemene naar de wezenheid samenvallen met die dingen waartegenover het algemeen is: het geslacht immers hoort tot de wezenheid van de soort en wordt in zijn bepaling opgenomen. — Ten tweede wordt iets algemeen genoemd krachtens zijn vermogen: zo is een universele oorzaak algemeen met betrekking tot al de uitwerkselen, zoals de zon met betrekking tot al de lichamen, die door haar kracht verlicht of veranderd 41worden. In deze zin moet het algemene niet naar de wezenheid samenvallen met datgene waartegenover het algemeen is: oorzaak en gevolg zijn immers naar hun wezenheid niet hetzelfde.

Hoc autem modo, secundum praedicta [art. praec.] justitia legalis dicitur esse virtus generalis, inquantum scilicet ordinat actus aliarum virtutum ad suum finem, quod est movere per imperium omnes alias virtutes: sicut enim charitas potest dici virtus generalis, inquantum ordinat actus omnium virtutum ad bonum divinum, ita etiam justitia legalis, inquantum ordinat actus omnium virtutum ad bonum commune. Sicut ergo charitas, quae respicit bonum divinum ut proprium objectum, est quaedam specialis virtus secundum suam essentiam, ita etiam justitia legalis est quaedam specialis virtus secundum suam essentiam, secundum quod respicit commune bonum, ut proprium objectum. Et sic est in principe principaliter, et quasi architectonice, in subditis autem secundario, et quasi administrative.

Op deze wijze wordt, volgens wat gezegd is (vorig Art.), de wettelijke rechtvaardigheid een algemeene deugd genoemd, voor zoover zij nl. de daden der andere deugden naar haar einddoel ordent, en dat heet: bij wijze van bevel de andere deugden bewegen. Zooals immers de liefde een algemeene deugd kan worden genoemd, voor zoover zij de daden van alle deugden tot het goddelijke goed ordent, zoo ook de wettelijke rechtvaardigheid, in zoover zij de daden van alle deugden op het algemeen welzijn richt. Zooals dus de liefde, die op het goddelijk goed gericht is als op haar eigen voorwerp, naar de wezenheid een speciale deugd is, zoo ook is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid een speciale deugd, voor zoover zij op het algemeen welzijn gericht is als op haar eigen voorwerp. En zoo bestaat zij hoofdzakelijk in den vorst, als het plan in den bouwmeester, en secundair in de onderdanen, als in de uitvoerders.Op deze wijze wordt, volgens wat gezegd is (vorig Art.), de wettelijke rechtvaardigheid een algemene deugd genoemd, voor zover zij nl. de daden van de andere deugden naar haar einddoel ordent, en dat heet: bij wijze van bevel de andere deugden bewegen. Zoals immers de liefde een algemene deugd kan worden genoemd, voor zover zij de daden van alle deugden tot het goddelijke goed ordent, zo ook de wettelijke rechtvaardigheid, in zover zij de daden van alle deugden op het algemeen welzijn richt. Zoals dus de liefde, die op het goddelijk goed gericht is als op haar eigen voorwerp, naar de wezenheid een speciale deugd is, zo ook is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid een speciale deugd, voor zover zij op het algemeen welzijn gericht is als op haar eigen voorwerp. En zo bestaat zij hoofdzakelijk in de vorst, als het plan in de bouwmeester, en secundair in de onderdanen, als in de uitvoerders.

Potest tamen quaelibet virtus, secundum quod a praedicta virtute, speciali quidem in essentia, generali autem secundum virtutem, ordinatur ad bonum commune, dici justitia legalis; et hoc modo loquendi justitia 42legalis est idem in essentia cum omni virtute; differt autem ratione, et hoc modo loquitur Philosophus.

Toch mag iedere deugd wettelijke rechtvaardigheid genoemd worden, voor zoover zij tot het algemeen welzijn gericht wordt door de voornoemde deugd, die naar de wezenheid een speciale, maar om haar beweegkracht een algemeene deugd is. Volgens 42deze zegswijze valt de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid samen met alle deugden, en is er alleen naar het begrip van onderscheiden. In dezer voege spreekt de Wijsgeer.Toch mag iedere deugd wettelijke rechtvaardigheid genoemd worden, voor zover zij tot het algemeen welzijn gericht wordt door de voornoemde deugd, die naar de wezenheid een speciale, maar om haar beweegkracht een algemene deugd is. Volgens 42deze zegswijze valt de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid samen met alle deugden, en is er alleen naar het begrip van onderscheiden. In deze voege spreekt de Wijsgeer.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2

Unde patet responsio ad primum, et secundum.

Antwoord op de Bedenkingen. — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste twee bedenkingen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod etiam illa ratio secundum hunc modum procedit de justitia legali, secundum quod virtus imperata a justitia legali, justitia legalis dicitur.

3. Ook deze argumenteering spreekt over de wettelijke rechtvaardigheid voor zoover de deugd, die onder het bevel staat van de wettelijke rechtvaardigheid, ook wettelijke rechtvaardigheid genoemd wordt.3. Ook deze argumentering spreekt over de wettelijke rechtvaardigheid voor zover de deugd, die onder het bevel staat van de wettelijke rechtvaardigheid, ook wettelijke rechtvaardigheid genoemd wordt.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod quaelibet virtus secundum propriam rationem ordinat actum suum ad proprium finem illius virtutis. Quod autem ordinetur ad ulteriorem finem, sive semper, sive aliquando, hoc non habet ex propria ratione, sed oportet esse aliam superiorem virtutem, a qua in illum finem ordinetur. Et sic oportet esse unam virtutem superiorem, quae ordinet omnes virtutes in bonum commune, quae est justitia legalis, et est alia per essentiam ab omni virtute.

4. Iedere deugd richt, krachtens haar eigen aard, haar eigen daad op haar eigen doel. Dat zij echter ofwel altijd, ofwel soms op een hooger doel gericht wordt, komt niet voort uit haar eigen aard, maar er moet een andere hoogere deugd bestaan, waardoor zij op dat doel gericht wordt. Zoo moet er dan één hoogere deugd bestaan, die alle deugden op het algemeen welzijn richt, en dat is de wettelijke rechtvaardigheid, die naar de wezenheid van iedere deugd verschilt.4. Iedere deugd richt, krachtens haar eigen aard, haar eigen daad op haar eigen doel. Dat zij echter ofwel altijd, ofwel soms op een hoger doel gericht wordt, komt niet voort uit haar eigen aard, maar er moet een andere hogere deugd bestaan, waardoor zij op dat doel gericht wordt. Zo moet er dan één hogere deugd bestaan, die alle deugden op het algemeen welzijn richt, en dat is de wettelijke rechtvaardigheid, die naar de wezenheid van iedere deugd verschilt.

Articulus VII

Utrum sit aliqua justitia particularis praeter justitiam generalem

[1-2. q. 60. art. 3; 5. Ethic. lect. 3.]
VIIe Artikel

Bestaat er, buiten de algemeene rechtvaardigheid, nog een bijzondere rechtvaardigheid?Bestaat er, buiten de algemene rechtvaardigheid, nog een bijzondere rechtvaardigheid?

antwoord 1 ↓

43Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod non sit aliqua justitia particularis praeter justitiam generalem: in virtutibus enim nihil est superfluum, sicut nec in natura. Sed justitia generalis sufficienter ordinat hominem circa omnia, quae ad alterum sunt. Ergo non est necessaria aliqua justitia particularis.

43Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de algemeene rechtvaardigheid geen bijzondere rechtvaardigheid bestaat. — 1. Niets bij de deugden is overbodig, evenmin als in de natuur. Welnu, de algemeene rechtvaardigheid regelt op voldoende wijze den mensch, met betrekking tot die dingen, die tot een ander zich verhouden. Een bijzondere rechtvaardigheid is er dus niet noodig.43Bedenkingen. — Men beweert, dat er buiten de algemene rechtvaardigheid geen bijzondere rechtvaardigheid bestaat. — 1. Niets bij de deugden is overbodig, evenmin als in de natuur. Welnu, de algemene rechtvaardigheid regelt op voldoende wijze de mens, met betrekking tot die dingen, die tot een ander zich verhouden. Een bijzondere rechtvaardigheid is er dus niet nodig.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, unum et multa non diversificant speciem virtutis. Sed justitia legalis ordinat hominem ad alterum, secundum ea quae ad multitudinem pertinent, ut ex praedictis patet [art. 5. et 6.]. Ergo non est alia species justitiae, quae ordinet hominem ad alterum, in his quae pertinent ad unam singularem personam.

2. Het eene en het vele veroorzaken in de deugden geen soortelijk verschil. Welnu, de wettelijke rechtvaardigheid regelt den mensch in zijn verhouding tot een ander, voor al datgene wat de gemeenschap, dus de veelheid betreft, zooals blijkt uit wat vooraf gezegd is (5e en 6e Art.). Het is derhalve geen andere soort van rechtvaardigheid, die den mensch regelt in zijn verhouding tot een ander, voor die zaken, die een individueelen persoon betreffen.2. Het ene en het vele veroorzaken in de deugden geen soortelijk verschil. Welnu, de wettelijke rechtvaardigheid regelt de mens in zijn verhouding tot een ander, voor al datgene wat de gemeenschap, dus de veelheid betreft, zoals blijkt uit wat vooraf gezegd is (5e en 6e Art.). Het is derhalve geen andere soort van rechtvaardigheid, die de mens regelt in zijn verhouding tot een ander, voor die zaken, die een individuelen persoon betreffen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, inter unam singularem personam et multitudinem civitatis 44media est multitudo domestica. Si ergo est justitia alia particularis per comparationem ad unam personam praeter justitiam generalem, pari ratione debet esse alia justitia oeconomica, quae ordinet hominem ad bonum commune unius familiae; quod quidem non dicitur. Ergo nec aliqua particularis justitia est praeter justitiam legalem.

3. De huiselijke gemeenschap houdt het midden tusschen den 44enkeling en de staatsgemeenschap. Indien er dus, met betrekking tot den enkeling, buiten de algemeene rechtvaardigheid nog een bijzondere rechtvaardigheid zou bestaan, dan moet er om dezelfde reden een huiselijke rechtvaardigheid bestaan, die den mensch regelt met betrekking tot het algemeen welzijn van de familie. Dit nu wordt niet aanvaard. Derhalve bestaat er ook geen bijzondere rechtvaardigheid buiten de algemeene rechtvaardigheid.3. De huiselijke gemeenschap houdt het midden tussen de 44enkeling en de staatsgemeenschap. Indien er dus, met betrekking tot de enkeling, buiten de algemene rechtvaardigheid nog een bijzondere rechtvaardigheid zou bestaan, dan moet er om dezelfde reden een huiselijke rechtvaardigheid bestaan, die de mens regelt met betrekking tot het algemeen welzijn van de familie. Dit nu wordt niet aanvaard. Derhalve bestaat er ook geen bijzondere rechtvaardigheid buiten de algemene rechtvaardigheid.

Sed contra est, quod Chrysostomus super illud Matth. 5. [v. 6] : « Beati, qui esuriunt et sitiunt justitiam », dicit. [hom. 15.] : « Justitiam autem dicit, vel universalem virtutem, vel particularem, avaritiae contrarium ».

Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus, bij dit woord van Mattheus (5. 6) : « Zalig die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid » opmerkt: « Hij spreekt ofwel van de algemeene rechtvaardigheid, ofwel van de bijzondere, die aan de gierigheid is tegengesteld ».Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus, bij dit woord van Matteüs (5, 6): “Zalig die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid” opmerkt: “Hij spreekt ofwel van de algemene rechtvaardigheid, ofwel van de bijzondere, die aan de gierigheid is tegengesteld”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], justitia legalis non est essentialiter omnis virtus; sed oportet praeter justitiam legalem, quae ordinat hominem immediate ad bonum commune, esse alias virtutes, quae immediate ordinant hominem circa particularia bona; quae quidem possunt esse vel ad seipsum, vel ad alteram singularem personam. 45Sicut ergo praeter justitiam legalem oportet esse aliquas virtutes particulares, quae ordinant hominem in seipso, puta temperantiam et fortitudinem, ita etiam praeter justitiam legalem oportet esse particularem quamdam justitiam, quae ordinet hominem circa ea, quae sunt ad alteram singularem personam.

Leerstelling. — Zooals gezegd werd (vorig Art.), is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid niet alle deugden, maar buiten de wettelijke rechtvaardigheid, die den mensch onmiddellijk op het algemeen welzijn richt, moeten er andere deugden zijn, die den mensch onmiddellijk regelen met betrekking tot de partikuliere goederen. Deze nu kunnen ofwel onszelf betreffen, ofwel een anderen individueelen persoon. Zooals er 45dus, buiten de wettelijke rechtvaardigheid, sommige andere deugden moeten zijn, die den mensch regelen met betrekking tot zichzelf, als b.v. de matigheid en de sterkte, zoo ook moet er, buiten de wettelijke rechtvaardigheid een bijzondere rechtvaardigheid bestaan die den mensch regelt met betrekking tot die dingen, die een anderen individueelen persoon betreffen.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (vorig Art.), is de wettelijke rechtvaardigheid naar de wezenheid niet alle deugden, maar buiten de wettelijke rechtvaardigheid, die de mens onmiddellijk op het algemeen welzijn richt, moeten er andere deugden zijn, die de mens onmiddellijk regelen met betrekking tot de particuliere goederen. Deze nu kunnen ofwel onszelf betreffen, ofwel een anderen individuelen persoon. Zoals er 45dus, buiten de wettelijke rechtvaardigheid, sommige andere deugden moeten zijn, die de mens regelen met betrekking tot zichzelf, als bv. de matigheid en de sterkte, zo ook moet er, buiten de wettelijke rechtvaardigheid een bijzondere rechtvaardigheid bestaan die de mens regelt met betrekking tot die dingen, die een anderen individuelen persoon betreffen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitia legalis sufficienter quidem ordinat hominem in his quae sunt ad alterum; quantum ad commune quidem bonum, immediate; quantum autem ad bonum unius singularis personae, mediate; et ideo oportet esse aliquam particularem justitiam, quae immediate ordinet hominem ad bonum alterius singularis personae.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De wettelijke rechtvaardigheid regelt wel voldoende den mensch met betrekking tot de dingen, die zich tot een ander verhouden, wat onmiddellijk het algemeen welzijn betreft, maar alleen middellijk wat het goed van den individueelen persoon aangaat. En derhalve moet er een bijzondere rechtvaardigheid bestaan, die den mensch onmiddellijk regelt met betrekking tot het goed van een ander individueel persoon.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De wettelijke rechtvaardigheid regelt wel voldoende de mens met betrekking tot de dingen, die zich tot een ander verhouden, wat onmiddellijk het algemeen welzijn betreft, maar alleen middellijk wat het goed van de individuele persoon aangaat. En derhalve moet er een bijzondere rechtvaardigheid bestaan, die de mens onmiddellijk regelt met betrekking tot het goed van een ander individueel persoon.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod bonum commune civitatis, et bonum singulare unius personae non differunt solum secundum multum et paucum, sed secundum formalem differentiam: alia enim est ratio boni communis et boni singularis, sicut alia est ratio totius et partis; et ideo Philosophus in 1. Polit. [cap. 1.] dicit, quod « non bene dicunt, qui dicunt civitatem, 46et domum, et alia hujusmodi differre solum multitudine et paucitate, et non specie ».

2. Het algemeen welzijn van den staat en het partikuliere goed van den enkeling verschillen niet alleen naar veel of weinig, maar tusschen beide bestaat een formeel verschil: want de aard van het algemeen welzijn en van het partikuliere goed is verschillend, zooals de aard van het deel en van het geheel. Derhalve zegt de Wijsgeer: « Het is onjuist te zeggen dat de staat, het 46huisgezin en dergelijke, alleen naar de hoeveelheid, en niet soortelijk verschillen ».2. Het algemeen welzijn van de staat en het particuliere goed van de enkeling verschillen niet alleen naar veel of weinig, maar tussen beide bestaat een formeel verschil: want de aard van het algemeen welzijn en van het particuliere goed is verschillend, zoals de aard van het deel en van het geheel. Derhalve zegt de Wijsgeer: “Het is onjuist te zeggen dat de staat, het 46huisgezin en dergelijke, alleen naar de hoeveelheid, en niet soortelijk verschillen”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod domestica multitudo secundum Philosophum in 1. Polit. [cap. 2.], distinguitur secundum tres conjugationes, scilicet « uxoris et viri, patris et filii, domini et servi »; quarum personarum una est quasi aliquid alterius; et ideo ad hujusmodi personas non est simpliciter justitia, sed quaedam justitiae species, scilicet oeconomica, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 6.].

3. Volgens den Wijsgeer wordt in de huiselijke gemeenschap een driedubbele verbondenheid onderscheiden: nl. « die van man en vrouw, die van vader en zoon, die van heer en slaaf »; van die twee personen is de een telkens als iets van den ander. Tegenover zulken persoon bestaat er dus geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een soort rechtvaardigheid, nl. de « gezinsrechtvaardigheid », zooals in de Ethica gezegd wordt.3. Volgens de Wijsgeer wordt in de huiselijke gemeenschap een driedubbele verbondenheid onderscheiden: nl. “die van man en vrouw, die van vader en zoon, die van heer en slaaf”; van die twee personen is de een telkens als iets van de ander. Tegenover zulken persoon bestaat er dus geen rechtvaardigheid zonder meer, maar een soort rechtvaardigheid, nl. de “gezinsrechtvaardigheid”, zoals in de Ethica gezegd wordt.

Articulus VIII

Utrum justitia particularis habeat materiam specialem

[1-2. q. 60. art. 2; 3. Dist. 33. q. 2. art. 2. qla. 3; q. 3. art. 4. qla. 1; 5. Ethic. lect. 3.]
VIIIe Artikel

Heeft de bijzondere rechtvaardigheid een eigen gebied?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod justitia particularis non habeat materiam specialem: quia super illud Gen. 2. [v. 14] : « Fluvius quartus ipse est Euphrates », dicit Glos. [ordin. Aug.] : « Euphrates frugifer interpretatur; nec dicitur contra quos vadat, quia justitia ad omnes 47animae partes pertinet ». Hoc autem non esset, si haberet materiam specialem quia quaelibet materia specialis ad aliquam specialem potentiam pertinet. Ergo justitia particularis non habet materiam specialem.

Bedenkingen. — Men beweert dat de bijzondere rechtvaardigheid geen eigen gebied heeft. — 1. Bij dit woord van het Boek der Schepping (2. 14) : « De vierde stroom is de Euphraat », maakt de Glossa van Augustinus deze bemerking: « Euphraat beteekent vruchtdragend; en er wordt niet gezegd 47waar hij heenvloeit, omdat de rechtvaardigheid behoort tot al de deelen van de ziel ». Dit nu zou niet zijn, indien zij een speciaal gebied had: want ieder speciaal gebied wijst op een speciaal vermogen. Dus heeft de bijzondere rechtvaardigheid geen speciaal gebied.Bedenkingen. — Men beweert dat de bijzondere rechtvaardigheid geen eigen gebied heeft. — 1. Bij dit woord van het Boek van de Schepping (2, 14): “De vierde stroom is de Eufraat”, maakt de Glossa van Augustinus deze bemerking: “Eufraat betekent vruchtdragend; en er wordt niet gezegd 47waar hij heenvloeit, omdat de rechtvaardigheid behoort tot al de delen van de ziel”. Dit nu zou niet zijn, indien zij een speciaal gebied had: want ieder speciaal gebied wijst op een speciaal vermogen. Dus heeft de bijzondere rechtvaardigheid geen speciaal gebied.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 61.], quod « quatuor sunt animae virtutes, quibus in hac vita spiritualiter vivitur, scilicet temperantia, prudentia, fortitudo, et justitia ». Et dicit, quod quarta est justitia, « quae per omnes diffunditur ». Ergo justitia particularis, quae est una de quatuor virtutibus cardinalibus, non habet specialem materiam.

2. Augustinus zegt: « Er zijn vier deugden in de ziel, waardoor wij in dit leven geestelijk leven, nl. de verstandigheid, de matigheid, de sterkte en de rechtvaardigheid ». En hij voegt eraan toe dat « de vierde de rechtvaardigheid is die alle doordringt ». Derhalve heeft de bijzondere rechtvaardigheid, die een der vier kardinale deugden is, geen speciaal gebied.2. Augustinus zegt: “Er zijn vier deugden in de ziel, waardoor wij in dit leven geestelijk leven, nl. de verstandigheid, de matigheid, de sterkte en de rechtvaardigheid”. En hij voegt eraan toe dat “de vierde de rechtvaardigheid is die alle doordringt”. Derhalve heeft de bijzondere rechtvaardigheid, die een van de vier kardinale deugden is, geen speciaal gebied.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, justitia dirigit hominem sufficienter in his, quae sunt ad alterum. Sed per omnia, quae sunt hujus vitae, homo potest ordinari ad alterum. Ergo materia justitiae est generalis, et non specialis.

3. De rechtvaardigheid richt op voldoende wijze den mensch met betrekking tot die dingen, die tot een ander in verhouding staan. Alles nu wat in dit leven voorkomt kan de mensch tot een ander richten. Derhalve is het gebied van de rechtvaardigheid algemeen, en niet speciaal.3. De rechtvaardigheid richt op voldoende wijze de mens met betrekking tot die dingen, die tot een ander in verhouding staan. Alles nu wat in dit leven voorkomt kan de mens tot een ander richten. Derhalve is het gebied van de rechtvaardigheid algemeen, en niet speciaal.

Sed contra est, quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 2.] ponit justitiam particularem circa ea specialiter, quae pertinent ad communicationem vitae.

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer een bijzondere rechtvaardigheid erkent, speciaal met betrekking tot die dingen, die het samenleven van de menschen betreffen.Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer een bijzondere rechtvaardigheid erkent, speciaal met betrekking tot die dingen, die het samenleven van de mensen betreffen.

48Respondeo dicendum, quod omnia quaecumque rectificari possunt per rationem, sunt materia virtutis moralis, quae diffinitur per rationem rectam, ut patet per Philosophum in 2. Ethic. [cap. 6.]. Possunt autem per rationem rectificari et interiores animae passiones, et exteriores actiones, et res exteriores, quae in usum hominis veniunt. Sed tamen per exteriores actiones et per exteriores res, quibus sibi invicem homines communicare possunt, attenditur ordinatio unius hominis ad alterum; secundum autem interiores passiones, consideratur rectificatio hominis in seipso. Et ideo cum justitia ordinetur ad alterum, non est circa totam materiam virtutis moralis, sed solum circa exteriores actiones et res, secundum quamdam rationem objecti specialem, prout scilicet secundum eas unus homo alteri coordinatur.

48Leerstelling. — Al wat door de rede kan worden geregeld valt binnen het gebied der zedelijke deugd, die, zooals blijkt bij den Wijsgeer, bepaald wordt door de geordende rede. Door de rede nu kunnen én de innerlijke hartstochten van de ziel, én de uiterlijke daden én uitwendige dingen, die door den mensch worden gebruikt, geregeld worden. Toch wordt de ordening van den eenen mensch tot den ander beschouwd met betrekking tot de uiterlijke handelingen en de uitwendige zaken waardoor de menschen onder elkaar gemeenschap hebben; naar de innerlijke hartstochten echter beschouwt men de ordening van den mensch in zichzelf. En daar nu de rechtvaardigheid verhouding tot een ander insluit, is niet heel het gebied der zedelijke deugden haar gebied, maar alleen de uiterlijke handelingen, en de dingen in het licht van een speciaal voorwerp, voor zoover nl. door hen de eene mensch tot den ander wordt geordend.48Leerstelling. — Al wat door de rede kan worden geregeld valt binnen het gebied van de zedelijke deugd, die, zoals blijkt bij de Wijsgeer, bepaald wordt door de geordende rede. Door de rede nu kunnen én de innerlijke hartstochten van de ziel, én de uiterlijke daden én uitwendige dingen, die door de mens worden gebruikt, geregeld worden. Toch wordt de ordening van de ene mens tot de ander beschouwd met betrekking tot de uiterlijke handelingen en de uitwendige zaken waardoor de mensen onder elkaar gemeenschap hebben; naar de innerlijke hartstochten echter beschouwt men de ordening van de mens in zichzelf. En daar nu de rechtvaardigheid verhouding tot een ander insluit, is niet heel het gebied van de zedelijke deugden haar gebied, maar alleen de uiterlijke handelingen, en de dingen in het licht van een speciaal voorwerp, voor zover nl. door hen de ene mens tot de ander wordt geordend.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitia pertinet quidem essentialiter ad unam partem animae, in qua est sicut in subjecto, scilicet ad voluntatem; quae quidem movet per suum imperium omnes alias animae partes, et sic 49justitia non directe, sed quasi per quamdam redundantiam ad omnes alias animae partes pertinet.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid behoort essentieel bij dat deel van de ziel, waarin zij zetelt, nl. bij den wil, die door zijn bevel al de andere deelen van de ziel beweegt. En op die wijze behoort de rechtvaardigheid niet 49rechtstreeks, maar als door terugwerkende kracht tot al de deelen van de ziel.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De rechtvaardigheid behoort essentieel bij dat deel van de ziel, waarin zij zetelt, nl. bij de wil, die door zijn bevel al de andere delen van de ziel beweegt. En op die wijze behoort de rechtvaardigheid niet 49rechtstreeks, maar als door terugwerkende kracht tot al de delen van de ziel.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 61. art. 3 et 4.], virtutes cardinales dupliciter accipiuntur: uno modo, secundum quod sunt speciales virtutes habentes determinatas materias; alio modo, secundum quod significant quosdam generales modos virtutis; et hoc modo loquitur ibi Augustinus: dicit enim, quod prudentia est « cognitio rerum appetendarum et fugiendarum »; temperantia est « refraenatio cupiditatis ab his, quae temporaliter delectant »; fortitudo est « firmitas animi adversus ea, quae temporaliter molesta sunt »; justitia est, « quae per caeteras diffunditur, dilectio Dei, et proximi », quae scilicet est communis radix totius ordinis ad alterum.

2. Zooals vroeger gezegd is (I. II. 61e Kw. 3e en 4e Art.), kunnen de kardinale deugden op een dubbele wijze worden opgevat. Ofwel, voor zoover zij soortelijk-bepaalde deugden zijn met een eigen gebied; ofwel, voor zoover zij sommige algemeene wijzen van deugd beteekenen. In dezen zin spreekt Augustinus. Immers, hij zegt dat « de verstandigheid de kennis is van datgene wat begeerd en gemeden moet worden; de matigheid is de beteugeling van de begeerte naar die dingen, die tijdelijk genot verschaffen; de sterkte is de kracht van de ziel tegenover die dingen, die tijdelijk onaangenaam zijn; de rechtvaardigheid is die deugd, die alle andere doordringt, nl. de liefde tot God en tot den naaste », en die is de gemeenschappelijke wortel van heel de orde met betrekking tot anderen.2. Zoals vroeger gezegd is (1-2 61e Kw. 3e en 4e Art.), kunnen de kardinale deugden op een dubbele wijze worden opgevat. Ofwel, voor zover zij soortelijk-bepaalde deugden zijn met een eigen gebied; ofwel, voor zover zij sommige algemene wijzen van deugd betekenen. In deze zin spreekt Augustinus. Immers, hij zegt dat “de verstandigheid de kennis is van datgene wat begeerd en gemeden moet worden; de matigheid is de beteugeling van de begeerte naar die dingen, die tijdelijk genot verschaffen; de sterkte is de kracht van de ziel tegenover die dingen, die tijdelijk onaangenaam zijn; de rechtvaardigheid is die deugd, die alle andere doordringt, nl. de liefde tot God en tot de naaste”, en die is de gemeenschappelijke wortel van heel de orde met betrekking tot anderen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod passiones interiores, quae sunt pars materiae moralis, secundum se non ordinantur ad alterum, quod pertinet ad specialem rationem justitiae; sed earum effectus sunt ad alterum ordinabiles, scilicet operationes exteriores. Unde non sequitur, quod materia justitiae sit generalis.

3. De innerlijke hartstochten, die deel uitmaken van het gebied der zedelijkheid, zijn uiteraard niet tot een ander geordend; dit immers behoort tot het specifieke begrip van de rechtvaardigheid: hun uitwerkselen echter, nl. de uiterlijke handelingen, kunnen tot een ander worden geordend. Daarom volgt daar niet uit, dat het gebied van de rechtvaardigheid enkel algemeen is.3. De innerlijke hartstochten, die deel uitmaken van het gebied van de zedelijkheid, zijn uiteraard niet tot een ander geordend; dit immers behoort tot het specifieke begrip van de rechtvaardigheid: hun uitwerkselen echter, nl. de uiterlijke handelingen, kunnen tot een ander worden geordend. Daarom volgt daar niet uit, dat het gebied van de rechtvaardigheid enkel algemeen is.

Articulus IX

Utrum justitia sit circa passiones

[3. Dist. 33. q. 3. art. 4 qla. 1; 4. Dist. 15. q. 1. art. 1. qla. 2. ad 2; 5. Ethic. lect. 1 et 3.]
IXe Artikel

Heeft de rechtvaardigheid betrekking op de hartstochten?

antwoord 1 ↓

50Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod justitia sit circa passiones: dicit enim Philosophus in 2. Ethic. [cap. 3.] quod « circa voluptates et tristitias est moralis virtus ». Voluptas autem, idest delectatio, et tristitia sunt passiones quaedam, ut supra habitum est [1-2. q. 23. art. 4.], cum de passionibus ageretur. Ergo justitia, cum sit virtus moralis, erit circa passiones.

50Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid betrekking heeft op de hartstochten. — 1. De Wijsgeer zegt immers: « De zedelijke deugd heeft betrekking op de lusten en de droefheden ». De lust nu, d. i. het genot, en de droefheid zijn hartstochten, zooals boven gezegd is (I. II. 23e Kw. 4e Art.), waar over de hartstochten werd gehandeld. Daar nu de rechtvaardigheid een zedelijke deugd is, heeft zij bijgevolg betrekking op de hartstochten.50Bedenkingen. — Men beweert dat de rechtvaardigheid betrekking heeft op de hartstochten. — 1. De Wijsgeer zegt immers: “De zedelijke deugd heeft betrekking op de lusten en de droefheden”. De lust nu, d.i. het genot, en de droefheid zijn hartstochten, zoals boven gezegd is (1-2 23e Kw. 4e Art.), waar over de hartstochten werd gehandeld. Daar nu de rechtvaardigheid een zedelijke deugd is, heeft zij bijgevolg betrekking op de hartstochten.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, per justitiam rectificantur operationes, quae sunt ad alterum. Sed operationes hujusmodi rectificari non possunt, nisi passiones sint rectificatae; quia ex inordinatione passionum provenit inordinatio in praedictis operationibus: propter concupiscentiam enim venereorum proceditur ad adulterium, et propter superfluum amorem pecuniae proceditur ad furtum. Ergo oportet, quod justitia sit circa passiones.

2. Door de rechtvaardigheid worden die handelingen geregeld, die tot een ander zijn. Deze handelingen nu kunnen niet worden geregeld tenzij de hartstochten geregeld zijn: want uit de ongeregeldheid van de hartstochten komt, in bovengenoemde handelingen, wanorde voort; immers, het is door de begeerte van geslachtelijk genot, dat men overgaat tot overspel, en door de overdreven liefde voor het geld komt men tot diefstal. Bijgevolg moet de rechtvaardigheid betrekking hebben op de hartstochten.

antwoord 3 ↓

513. Praeterea, sicut justitia particularis est ad alterum, ita etiam et justitia legalis. Sed justitia legalis est circa passiones; alioquin non se extenderet ad omnes virtutes, quarum quaedam sunt manifeste circa passiones. Ergo justitia est circa passiones.

513. Evenals de bijzondere rechtvaardigheid sluit ook de wettelijke rechtvaardigheid verhouding tot een ander in. Welnu, de wettelijke rechtvaardigheid heeft betrekking op de hartstochten, want zonder dat zou zij zich niet uitstrekken tot al de deugden, waaronder sommige klaarblijkelijk betrekking hebben op de hartstochten. Derhalve heeft de rechtvaardigheid betrekking op de hartstochten.

Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 1.] quod est circa operationes.

Daartegenover staat echter het woord van den Wijsgeer, dat zij betrekking heeft op de handelingen.Daartegenover staat echter het woord van de Wijsgeer, dat zij betrekking heeft op de handelingen.

Respondeo dicendum, quod hujus quaestionis veritas ex duobus apparet: primo quidem ex ipso subjecto justitiae, quod est voluntas; cujus motus vel actus non sunt passiones, ut supra habitum est [1-2. q. 22. art. 3. et q. 59. art. 4.] ; sed solum motus appetitus sensitivi passiones dicuntur, et ideo justitia non est circa passiones, sicut temperantia et fortitudo, quae sunt irascibilis et concupiscibilis, sunt circa passiones. Alio modo ex parte materiae, quia justitia est circa ea quae sunt ad alterum; 52non autem per passiones interiores immediate ad alterum ordinamur, et ideo justitia circa passiones non est.

Leerstelling. — De waarheid in deze kwestie blijkt uit twee dingen. Ten eerste, uit het subject zelf van de rechtvaardigheid, nl. den wil, wiens bewegingen of daden geen hartstochten zijn, zooals boven gezegd werd (I. II. 22e Kw. 3e Art.; 59e Kw. 4e Art.) ; alleen de bewegingen van het zinnelijk streefvermogen worden hartstochten genoemd. Bijgevolg heeft de rechtvaardigheid geen betrekking op de hartstochten, zooals de matigheid en de sterkte, die door het weerstrevend- en het begeervermogen gedragen worden. Ten tweede, van den kant van het gebied der deugd, daar de rechtvaardigheid betrekking heeft op die dingen, die tot een ander in verhouding staan. Door de innerlijke 52hartstochten nu zijn wij niet onmiddellijk tot een ander geordend. Derhalve heeft de rechtvaardigheid geen betrekking op de hartstochten.Leerstelling. — De waarheid in deze kwestie blijkt uit twee dingen. Ten eerste, uit het subject zelf van de rechtvaardigheid, nl. de wil, wiens bewegingen of daden geen hartstochten zijn, zoals boven gezegd werd (1-2 22e Kw. 3e Art.; 59e Kw. 4e Art.); alleen de bewegingen van het zinnelijk streefvermogen worden hartstochten genoemd. Bijgevolg heeft de rechtvaardigheid geen betrekking op de hartstochten, zoals de matigheid en de sterkte, die door het weerstrevend- en het begeervermogen gedragen worden. Ten tweede, van de kant van het gebied van de deugd, daar de rechtvaardigheid betrekking heeft op die dingen, die tot een ander in verhouding staan. Door de innerlijke 52hartstochten nu zijn wij niet onmiddellijk tot een ander geordend. Derhalve heeft de rechtvaardigheid geen betrekking op de hartstochten.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod non quaelibet virtus moralis est circa voluptates et tristitias, sicut circa materiam, nam fortitudo est circa timores et audacias; sed omnis virtus moralis ordinatur ad delectationem et tristitiam, sicut ad quosdam fines consequentes, quia, ut Philosophus dicit in 7. Ethic. [cap. 11.] « delectatio et tristitia est finis principalis, ad quem respicientes, unumquodque hoc quidem malum, hoc quidem bonum dicimus ». Et hoc modo pertinent etiam ad justitiam, quia « non est justus, qui non gaudet justis operationibus », ut dicitur in 1. Ethic. [cap. 8.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet iedere zedelijke deugd heeft lust en droefheid tot eigen gebied: de sterkte immers heeft betrekking op de vrees en de dapperheid. Alle zedelijke deugden echter verhouden zich tot het behagen en de droefheid als tot een doeleinde, dat er het gevolg van is. Want, zoo zegt de Wijsgeer: « Het behagen en de droefheid zijn het voornaamste doel, en overeenkomstig daarmee noemen wij het eene goed, het andere kwaad »; en zoo hooren ze tot de rechtvaardigheid, want « geen rechtvaardige die niet verblijd is door rechtvaardige handelingen », zooals in de Ethica gezegd wordt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet iedere zedelijke deugd heeft lust en droefheid tot eigen gebied: de sterkte immers heeft betrekking op de vrees en de dapperheid. Alle zedelijke deugden echter verhouden zich tot het behagen en de droefheid als tot een doeleinde, dat er het gevolg van is. Want, zo zegt de Wijsgeer: “Het behagen en de droefheid zijn het voornaamste doel, en overeenkomstig daarmee noemen wij het ene goed, het andere kwaad”; en zo horen ze tot de rechtvaardigheid, want “geen rechtvaardige die niet verblijd is door rechtvaardige handelingen”, zoals in de Ethica gezegd wordt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod operationes exteriores mediae sunt quodammodo inter res exteriores, quae sunt earum materia, et inter passiones interiores, quae sunt earum principia. Contingit autem quandoque esse defectum in uno eorum, sine hoc quod sit defectus in alio, sicut si aliquis surripiat rem alterius, non cupiditate habendi, sed voluntate nocendi; vel e converso si aliquis alterius rem concupiscat, quam tamen surripere non 53velit. Rectificatio ergo operationum, secundum quod ad exteriora terminantur, pertinet ad justitiam; sed rectificatio earum, secundum quod a passionibus oriuntur, pertinet ad alias virtutes morales, quae sunt circa passiones. Unde surreptionem alienae rei justitia impedit, inquantum est contra aequalitatem in exterioribus constituendam; liberalitas vero, inquantum procedit ab immoderata concupiscentia divitiarum. Sed quia operationes exteriores non habent speciem ab interioribus passionibus, sed magis a rebus exterioribus, sicut ex objectis, ideo per se loquendo operationes exteriores magis sunt materia justitiae, quam aliarum virtutum moralium.

2. De uitwendige handelingen houden als 't ware het midden tusschen de uiterlijke dingen, die tot haar gebied behooren, en de innerlijke hartstochten, die haar beginsel zijn. Nu kan in een van beiden een tekort zijn, zonder daarom ook voor te komen in het andere; zoo b.v. wanneer iemand aan een ander een ding ontvreemdt, niet uit begeerte om het te bezitten, maar met den wil om te benadeelen; of andersom, wanneer iemand iets van 53een ander begeert, zonder het daarom te willen ontvreemden. De regeling dus van de handelingen, die een uiterlijke zaak tot term hebben, komt aan de rechtvaardigheid toe; maar de regeling van diezelfde handelingen, voor zoover zij ontstaan door de hartstochten, behoort tot de andere zedelijke deugden, die betrekking hebben op de hartstochten. Vandaar belet de rechtvaardigheid het ontvreemden van eens anders eigendom, in zoover dit ingaat tegen de gelijkheid, die moet bestaan met betrekking tot de uiterlijke dingen; de vrijgevigheid daarentegen voor zoover het voortkomt uit een ongeregelde begeerte naar rijkdom. Daar nu de uiterlijke handelingen niet soortelijk bepaald worden door de inwendige hartstochten, maar veeleer door de uiterlijke dingen, als door haar object, daarom behooren de uiterlijke handelingen uiteraard eerder tot het gebied van de rechtvaardigheid dan van de andere zedelijke deugden.2. De uitwendige handelingen houden als 't ware het midden tussen de uiterlijke dingen, die tot haar gebied behoren, en de innerlijke hartstochten, die haar beginsel zijn. Nu kan in een van beiden een tekort zijn, zonder daarom ook voor te komen in het andere; zo bv. wanneer iemand aan een ander een ding ontvreemdt, niet uit begeerte om het te bezitten, maar met de wil om te benadelen; of andersom, wanneer iemand iets van 53een ander begeert, zonder het daarom te willen ontvreemden. De regeling dus van de handelingen, die een uiterlijke zaak tot term hebben, komt aan de rechtvaardigheid toe; maar de regeling van diezelfde handelingen, voor zover zij ontstaan door de hartstochten, behoort tot de andere zedelijke deugden, die betrekking hebben op de hartstochten. Vandaar belet de rechtvaardigheid het ontvreemden van eens anders eigendom, in zover dit ingaat tegen de gelijkheid, die moet bestaan met betrekking tot de uiterlijke dingen; de vrijgevigheid daarentegen voor zover het voortkomt uit een ongeregelde begeerte naar rijkdom. Daar nu de uiterlijke handelingen niet soortelijk bepaald worden door de inwendige hartstochten, maar veeleer door de uiterlijke dingen, als door haar object, daarom behoren de uiterlijke handelingen uiteraard eerder tot het gebied van de rechtvaardigheid dan van de andere zedelijke deugden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod bonum commune est finis singularium personarum in communitate existentium, sicut bonum totius finis est cujuslibet partium; bonum autem unius personae singularis non est finis alterius. Et ideo justitia legalis, quae ordinatur ad bonum commune, magis se potest extendere ad intentiores passiones, quibus homo aliqualiter disponitur in seipso, quam justitia particularis, quae ordinatur ad bonum alterius 54singularis personae, quamvis justitia legalis principalius se extendat ad alias virtutes quantum ad exteriores operationes earum, inquantum scilicet « praecipit lex fortis opera facere, et quae temperati, et quae mansueti », ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.].

3. Het algemeen welzijn is het doeleinde van de enkelingen, die in gemeenschap leven, zooals het goed van het geheel doeleinde is van elk der deelen. Het goed echter van een enkeling is voor den anderen enkeling geen doeleinde. En daarom kan veeleer de wettelijke rechtvaardigheid, die op het algemeen welzijn gericht is, zich uitstrekken tot de innerlijke hartstochten, waardoor de mensch eenigszins in zichzelf bepaald is, dan de bijzondere rechtvaardigheid, die gericht is op het goed van een 54anderen enkeling: hoewel de wettelijke rechtvaardigheid zich in de eerste plaats uitstrekt tot de andere deugden, met betrekking tot hun uiterlijke handelingen, voor zoover nl. « de wet aan den sterke, aan den matige en den zachtmoedige de passende werken oplegt », zooals in de Ethica gezegd wordt.3. Het algemeen welzijn is het doeleinde van de enkelingen, die in gemeenschap leven, zoals het goed van het geheel doeleinde is van elk van de delen. Het goed echter van een enkeling is voor de andere enkeling geen doeleinde. En daarom kan veeleer de wettelijke rechtvaardigheid, die op het algemeen welzijn gericht is, zich uitstrekken tot de innerlijke hartstochten, waardoor de mens enigszins in zichzelf bepaald is, dan de bijzondere rechtvaardigheid, die gericht is op het goed van een 54anderen enkeling: hoewel de wettelijke rechtvaardigheid zich in de eerste plaats uitstrekt tot de andere deugden, met betrekking tot hun uiterlijke handelingen, voor zover nl. “de wet aan de sterke, aan de matige en de zachtmoedige de passende werken oplegt”, zoals in de Ethica gezegd wordt.

Articulus X

Utrum medium justitiae sit medium rei

[1-2. q. 64. art. 2; 3. Dist. 33. q. 1. art. 3. qla. 2; De Virtut. q. 1. art. 13. ad 7. 12; Quodl. 6. q. 5. art. 4.]
Xe Artikel

Is het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden?

antwoord 1 ↓

Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod medium justitiae non sit medium rei: ratio enim generis salvatur in omnibus speciebus. Sed virtus moralis in 2. Ethic. [cap. 6.] diffinitur esse « habitus electivus in medietate existens determinata ratione quoad nos ». Ergo et in justitia est medium rationis, non rei.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden is. — 1. De natuur van het geslacht moet in alle soorten worden behouden. Welnu, in de Ethica wordt de zedelijke deugd bepaald als « een kiezende hebbelijkheid, die in het midden bestaat, dat door de rede met betrekking tot ons bepaald is ». Derhalve is ook het midden van de rechtvaardigheid een redemidden en niet een zaakmidden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden is. — 1. De natuur van het geslacht moet in alle soorten worden behouden. Welnu, in de Ethica wordt de zedelijke deugd bepaald als “een kiezende hebbelijkheid, die in het midden bestaat, dat door de rede met betrekking tot ons bepaald is”. Derhalve is ook het midden van de rechtvaardigheid een redemidden en niet een zaakmidden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in his, quae simpliciter sunt bona, non est accipere superfluum et diminutum, et per consequens nec medium, sicut patet de 55virtutibus, ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 6.]. Sed justitia est circa simpliciter bona, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.]. Ergo in justitia non est medium rei.

2. In de dingen, die goed zijn zonder meer, is het te veel of te weinig, en bijgevolg ook het midden niet denkbaar: zooals 55blijkt bij de deugden, gelijk in de Ethica gezegd is. Welnu, de rechtvaardigheid heeft betrekking op de dingen, die goed zijn zonder meer, zooals gezegd wordt in de Ethica. Derhalve is het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden.2. In de dingen, die goed zijn zonder meer, is het te veel of te weinig, en bijgevolg ook het midden niet denkbaar: zoals 55blijkt bij de deugden, gelijk in de Ethica gezegd is. Welnu, de rechtvaardigheid heeft betrekking op de dingen, die goed zijn zonder meer, zoals gezegd wordt in de Ethica. Derhalve is het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, in aliis virtutibus ideo dicitur esse medium rationis, et non rei, quia diversimode accipitur per comparationem ad diversas personas, quia quod uni est multum, alteri est parum, ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 6.]. Sed hoc etiam observatur in justitia, non enim eadem poena punitur, qui percutit principem, et qui percutit privatam personam. Ergo etiam justitia non habet medium rei, sed medium rationis.

3. Men zegt, dat het midden van de andere deugden een redemidden en niet een zaakmidden is, omdat het met betrekking tot verschillende personen kan worden gewijzigd: want wat voor den een veel is, is voor den ander weinig, zooals in de Ethica gezegd wordt. Met betrekking tot de rechtvaardigheid nu, wordt hetzelfde in acht genomen: want hij die den vorst slaat krijgt niet dezelfde straf als hij die een privaat persoon slaat. Derhalve is ook het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden maar een redemidden.3. Men zegt, dat het midden van de andere deugden een redemidden en niet een zaakmidden is, omdat het met betrekking tot verschillende personen kan worden gewijzigd: want wat voor de een veel is, is voor de ander weinig, zoals in de Ethica gezegd wordt. Met betrekking tot de rechtvaardigheid nu, wordt hetzelfde in acht genomen: want hij die de vorst slaat krijgt niet dezelfde straf als hij die een privaat persoon slaat. Derhalve is ook het midden van de rechtvaardigheid geen zaakmidden maar een redemidden.

Sed contra est, quod Philosophus in 2. Ethic. [cap. 4. et lib. 5. cap. 3. et 4.] assignat medium justitiae secundum proportionalitatem arithmeticam, quod est medium rei.

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer het midden van de rechtvaardigheid bepaalt naar arithmetische verhouding, en dat is een zaakmidden.Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer het midden van de rechtvaardigheid bepaalt naar aritmetische verhouding, en dat is een zaakmidden.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [art. 2. ad 4; art. 8; 1-2. q. 60. art. 2.], aliae virtutes morales principaliter consistunt 56circa passiones; quarum rectificatio non attenditur nisi secundum comparationem ad ipsum hominem, cujus sunt passiones, secundum scilicet quod irascitur et concupiscit, prout debet, secundum diversas circumstantias; et ideo medium talium virtutum non accipitur secundum proportionem unius rei ad alteram, sed solum secundum comparationem ad ipsum virtuosum. Et propter hoc in ipsis est medium solum secundum rationem quoad nos. Sed materia justitiae est exterior operatio, secundum quod ipsa, vel res, cujus est usus, debitam proportionem habet ad aliam personam. Et ideo medium justitiae consistit in quadam proportionis aequalitate rei exterioris ad personam exteriorem; aequale autem est realiter medium inter majus et minus, ut dicitur in 10. Metaphys. [lib. 9. cap. 5.]. Unde justitia habet medium rei.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd werd (2e Art. 4e Antw.; 8e Art.; I. II. 60e Kw. 2e Art.), hebben de andere zedelijke deugden voornamelijk betrekking op de hartstochten, 56wier regeling alleen geschiedt met het oog op den mensch zelf, het subject van die hartstochten, en wel zoo dat hij toornt en begeert zooals het past in verschillende omstandigheden. Bijgevolg wordt het midden bij zulke deugden niet bepaald volgens de verhouding van de eene zaak tot de andere, maar enkel met betrekking tot den deugdzame zelf. En daarom is het midden van die deugden alleen een redemidden met betrekking tot ons. Het gebied echter van de rechtvaardigheid sluit alleen de uiterlijke handeling in, voor zoover zijzelf, of de zaak die zij gebruikt, de passende verhouding heeft tot een anderen persoon. En bijgevolg bestaat het midden van de rechtvaardigheid in de verhoudingsgelijkheid van een uiterlijke zaak aan een anderen persoon. De gelijkheid nu houdt werkelijk het midden tusschen het meer en het minder, zooals in de Metaphysica geleerd wordt. Derhalve is het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden.Leerstelling. — Zoals boven gezegd werd (2e Art. 4e Antw.; 8e Art.; 1-2 60e Kw. 2e Art.), hebben de andere zedelijke deugden voornamelijk betrekking op de hartstochten, 56wier regeling alleen geschiedt met het oog op de mens zelf, het subject van die hartstochten, en wel zo dat hij toornt en begeert zoals het past in verschillende omstandigheden. Bijgevolg wordt het midden bij zulke deugden niet bepaald volgens de verhouding van de ene zaak tot de andere, maar enkel met betrekking tot de deugdzame zelf. En daarom is het midden van die deugden alleen een redemidden met betrekking tot ons. Het gebied echter van de rechtvaardigheid sluit alleen de uiterlijke handeling in, voor zover zijzelf, of de zaak die zij gebruikt, de passende verhouding heeft tot een anderen persoon. En bijgevolg bestaat het midden van de rechtvaardigheid in de verhoudingsgelijkheid van een uiterlijke zaak aan een anderen persoon. De gelijkheid nu houdt werkelijk het midden tussen het meer en het minder, zoals in de Metafysica geleerd wordt. Derhalve is het midden van de rechtvaardigheid een zaakmidden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod hoc medium rei est etiam medium rationis; et ideo in justitia salvatur ratio virtutis moralis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dit zaakmidden is ook een redemidden, en daarom is de rechtvaardigheid een zedelijke deugd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod bonum simpliciter dupliciter dicitur. Uno modo, quod est omnibus modis bonum, sicut virtutes sunt bonae; et 57sic in his, quae sunt bona simpliciter, non est accipere medium et extrema. Alio modo dicitur aliquid simpliciter bonum, quia est absolute bonum, scilicet secundum suam naturam consideratum, quamvis per abusum possit fieri malum, sicut patet de divitiis et honoribus; et in talibus potest accipi superfluum, diminutum, et medium quantum ad homines, qui possunt eis uti vel bene, vel male; et sic circa simpliciter bona dicitur esse justitia.

2. Het goede zonder meer kan op twee manieren worden verstaan. Ten eerste, als datgene wat onder alle opzichten goed 57is: zooals de deugden goed zijn. Zoo is er in die dingen, die zonder meer goed zijn, geen sprake van midden en uitersten. Ten tweede wordt iets zonder meer goed genoemd, omdat het volstrekt goed is, nl. naar zijn natuur beschouwd, hoewel het door misbruik slecht zou kunnen worden, zooals blijkt voor rijkdommen en eer. En in zulke dingen kan er, met betrekking tot de menschen, die ze goed kunnen gebruiken ofwel misbruiken, sprake zijn van te veel, te weinig en midden. En op die wijze heeft de rechtvaardigheid betrekking op het goede zonder meer.2. Het goede zonder meer kan op twee manieren worden verstaan. Ten eerste, als datgene wat onder alle opzichten goed 57is: zoals de deugden goed zijn. Zo is er in die dingen, die zonder meer goed zijn, geen sprake van midden en uitersten. Ten tweede wordt iets zonder meer goed genoemd, omdat het volstrekt goed is, nl. naar zijn natuur beschouwd, hoewel het door misbruik slecht zou kunnen worden, zoals blijkt voor rijkdommen en eer. En in zulke dingen kan er, met betrekking tot de mensen, die ze goed kunnen gebruiken ofwel misbruiken, sprake zijn van te veel, te weinig en midden. En op die wijze heeft de rechtvaardigheid betrekking op het goede zonder meer.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod injuria illata aliam proportionem habet ad principem, et aliam ad personam privatam; et ideo oportet aliter adaequare utramque injuriam per vindictam, quod pertinet ad diversitatem rei, et non solum ad diversitatem rationis.

3. De toegebrachte smaad staat tot den vorst in een andere verhouding dan tot een privaat persoon. Daarom is de gelijkheid, die door de straf moet hersteld worden in beide gevallen niet dezelfde. Dit sluit een zaakverschil en niet alleen een redeverschil in.3. De toegebrachte smaad staat tot de vorst in een andere verhouding dan tot een privaat persoon. Daarom is de gelijkheid, die door de straf moet hersteld worden in beide gevallen niet dezelfde. Dit sluit een zaakverschil en niet alleen een redeverschil in.

Articulus XI

Utrum actus justitiae sit reddere unicuique quod suum est

XIe Artikel

Is het de daad van de rechtvaardigheid, aan ieder het zijne te geven?

antwoord 1 ↓

Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod actus justitiae non sit 58reddere unicuique quod suum est: Augustinus enim 14. de Trin. [cap. 9.] attribuit justitiae « subvenire miseris ». Sed in subveniendo miseris non tribuimus eis quae sunt eorum, sed magis quae sunt nostra. Ergo justitiae actus non est tribuere unicuique quod suum est.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet de daad van 58de rechtvaardigheid is, aan ieder het zijne te geven. — 1. Augustinus schrijft het « te hulp komen van ongelukkigen » aan de rechtvaardigheid toe. Welnu, wanneer wij de ongelukkigen te hulp komen, geven wij hun niet het hunne, maar veeleer het onze. Derhalve is aan ieder het zijne geven, niet de daad van de rechtvaardigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet de daad van 58de rechtvaardigheid is, aan ieder het zijne te geven. — 1. Augustinus schrijft het “te hulp komen van ongelukkigen” aan de rechtvaardigheid toe. Welnu, wanneer wij de ongelukkigen te hulp komen, geven wij hun niet het hunne, maar veeleer het onze. Derhalve is aan ieder het zijne geven, niet de daad van de rechtvaardigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Tullius in lib. 1. de Offic. [cap. 7.] dicit, quod « beneficentia, quam benignitatem vel liberalitatem appellare licet, ad justitiam pertinet ». Sed liberalitatis est de proprio dare alicui, non de eo quod est ejus. Ergo justitiae actus non est reddere unicuique quod suum est.

2. Tullius zegt dat « de weldadigheid, die ook wel goedwillendheid of vrijgevigheid mag worden genoemd » onder de rechtvaardigheid valt. Welnu, de vrijgevige schenkt het zijne aan anderen, en niet van wat hun toebehoort. Dus is het niet de daad van de rechtvaardigheid, aan anderen te geven wat hun toekomt.2. Tullius zegt dat “de weldadigheid, die ook wel goedwillendheid of vrijgevigheid mag worden genoemd” onder de rechtvaardigheid valt. Welnu, de vrijgevige schenkt het zijne aan anderen, en niet van wat hun toebehoort. Dus is het niet de daad van de rechtvaardigheid, aan anderen te geven wat hun toekomt.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad justitiam pertinet non solum res dispensare debito modo, sed etiam injuriosas actiones cohibere, puta homicidia, adulteria, et alia hujusmodi. Sed reddere quod suum est, videtur solum ad dispensationem rerum pertinere. Ergo non sufficienter per hoc notificatur actus justitiae, quod dicitur actus ejus esse, reddere unicuique quod suum est.

3. Onder de rechtvaardigheid valt niet alleen het verdeelen van de dingen op gepaste wijze, maar evenzeer het beletten van smadelijke handelingen, zooals doodslag, overspel en dergelijke. Welnu, aan ieder geven wat hem toekomt schijnt alleen te vallen onder de verdeeling van de goederen. Derhalve wordt de daad van de rechtvaardigheid niet voldoende gekenschetst door te zeggen, dat zij aan ieder geeft wat hem toekomt.3. Onder de rechtvaardigheid valt niet alleen het verdelen van de dingen op gepaste wijze, maar evenzeer het beletten van smadelijke handelingen, zoals doodslag, overspel en dergelijke. Welnu, aan ieder geven wat hem toekomt schijnt alleen te vallen onder de verdeling van de goederen. Derhalve wordt de daad van de rechtvaardigheid niet voldoende gekenschetst door te zeggen, dat zij aan ieder geeft wat hem toekomt.

Sed contra est, quod Ambrosius dicit in 1. de Offic. [cap. 24.] : 59« Justitia est, quae unicuique quod suum est, tribuit; alienum non vindicat; utilitatem propriam negligit, ut communem aequitatem custodiat ».

Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: « De 59rechtvaardigheid is, welke aan ieder geeft wat hem toekomt, andermans goed niet ontvreemdt, het eigen nut verwaarloost om de algemeene gerechtigheid te bewaren ».Daartegenover staat echter, dat Ambrosius zegt: “De 59rechtvaardigheid is, welke aan ieder geeft wat hem toekomt, andermans goed niet ontvreemdt, het eigen nut verwaarloost om de algemene gerechtigheid te bewaren”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 8. et 10.], materia justitiae est operatio exteriorum secundum quod ipsa, vel res, qua per eam utimur, proportionatur alteri personae, ad quam per justitiam ordinamur. Hoc autem dicitur esse suum unicuique personae, quod ei secundum proportionis aequalitatem debetur; et ideo proprius actus justitiae nihil aliud est, quam reddere unicuique quod suum est.

Leerstelling. — Zooals reeds gezegd werd (8e en 10e Art.) behoort tot het gebied van de rechtvaardigheid de uitwendige handeling, voor zoover zij zelf, of het ding dat wij door die handeling gebruiken, in juiste verhouding staat tot een ander persoon, op wien wij door de rechtvaardigheid gericht zijn. Wat nu aan iederen persoon, volgens een gelijkheidsverhouding toekomt, dat wordt het zijne genoemd. En bijgevolg is de eigen daad van de rechtvaardigheid niets anders dan aan ieder geven wat hem toekomt.Leerstelling. — Zoals reeds gezegd werd (8e en 10e Art.) behoort tot het gebied van de rechtvaardigheid de uitwendige handeling, voor zover zij zelf, of het ding dat wij door die handeling gebruiken, in juiste verhouding staat tot een ander persoon, op wie wij door de rechtvaardigheid gericht zijn. Wat nu aan iedere persoon, volgens een gelijkheidsverhouding toekomt, dat wordt het zijne genoemd. En bijgevolg is de eigen daad van de rechtvaardigheid niets anders dan aan ieder geven wat hem toekomt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod justitiae, cum sit virtus cardinalis, quaedam aliae virtutes secundariae adjunguntur, sicut misericordia, liberalitas, et aliae hujusmodi virtutes, ut infra patebit [q. 80.] ; et ideo subvenire miseris, quod pertinet ad misericordiam sive pietatem, et liberaliter benefacere, quod pertinet ad liberalitatem, per quamdam reductionem attribuitur justitiae, sicut principali virtuti.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de rechtvaardigheid een kardinale deugd is, worden haar sommige tweederangsdeugden toegevoegd, zooals de barmhartigheid, de vrijgevigheid en andere deugden van dien aard, zooals verder blijken zal (80e Kw.). En daarom wordt het te hulp komen van ongelukkigen — wat onder de barmhartigheid of naastenliefde valt — en het vrijgevig weldoen — wat tot de vrijgevigheid behoort — door herleiding toegeschreven aan de rechtvaardigheid, als aan de voornamere deugd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de rechtvaardigheid een kardinale deugd is, worden haar sommige tweederangsdeugden toegevoegd, zoals de barmhartigheid, de vrijgevigheid en andere deugden van die aard, zoals verder blijken zal (80e Kw.). En daarom wordt het te hulp komen van ongelukkigen — wat onder de barmhartigheid of naastenliefde valt — en het vrijgevig weldoen — wat tot de vrijgevigheid behoort — door herleiding toegeschreven aan de rechtvaardigheid, als aan de voornamere deugd.

↑ bedenking 2

60Et per hoc patet responsio ad secundum.

602. Hieruit blijkt het antwoord op de tweede bedenking.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod, sicut Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 4.], omne superfluum in his quae ad justitiam pertinent, lucrum extenso nomine vocatur, sicut et omne quod minus est, vocatur damnum;

3. Zooals de Wijsgeer zegt in de Ethica wordt, door uitbreiding van de beteekenis, al het te veel « winst » genoemd, in dingen die betrekking hebben op de rechtvaardigheid: evenals elk te weinig « verlies » genoemd wordt.3. Zoals de Wijsgeer zegt in de Ethica wordt, door uitbreiding van de betekenis, al het te veel “winst” genoemd, in dingen die betrekking hebben op de rechtvaardigheid: evenals elk te weinig “verlies” genoemd wordt.

et hoc ideo, quia justitia prius est exercita, et communius exercitatur in voluntariis commutationibus rerum, puta emptione et venditione, in quibus proprie haec nomina dicuntur; et exinde derivantur haec nomina ad omnia, circa quae potest esse justitia; et eadem ratio est de hoc quod est reddere unicuique quod suum est.

De reden hiervan is, dat de rechtvaardigheid éérst beoefend werd, en 't meest beoefend wordt bij vrijen ruilhandel, zooals bij koop en verkoop, waar die woorden (winst en verlies) in eigenlijken zin worden gebruikt; daarvandaan worden die woorden gebruikt voor al wat op de rechtvaardigheid betrekking heeft. Hetzelfde geldt voor het aan eenieder geven wat hem toekomt.De reden hiervan is, dat de rechtvaardigheid éérst beoefend werd, en 't meest beoefend wordt bij vrijen ruilhandel, zoals bij koop en verkoop, waar die woorden (winst en verlies) in eigenlijke zin worden gebruikt; daarvandaan worden die woorden gebruikt voor al wat op de rechtvaardigheid betrekking heeft. Hetzelfde geldt voor het aan eenieder geven wat hem toekomt.

Articulus XII

Utrum justitia praeemineat inter omnes virtutes morales

[Infr. q. 123. art. 12; q. 141. art. 8; 1-2. q. 66. art. 4; 3. Dist. 35. q. 1. art. 3. qla. 1; 4. Dist. 33. q. 3. art. 3; 5. Ethic. lect. 2.]
XIIe Artikel

Is de rechtvaardigheid de voornaamste onder de zedelijke deugden?

antwoord 1 ↓

Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod justitia non praeemineat 61inter omnes virtutes morales: ad justitiam enim pertinet reddere alteri quod suum est; ad liberalitatem autem pertinet de proprio dare, quod virtuosius est. Ergo liberalitas est major virtus, quam justitia.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtvaardigheid niet de voornaamste is onder de zedelijke deugden. — 1. Aan 61een ander geven wat hem toekomt valt onder de rechtvaardigheid. Aan de vrijgevigheid komt het toe, van het eigene te geven, en dat is deugdzamer. Derhalve is de vrijgevigheid een grootere deugd dan de rechtvaardigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat de rechtvaardigheid niet de voornaamste is onder de zedelijke deugden. — 1. Aan 61een ander geven wat hem toekomt valt onder de rechtvaardigheid. Aan de vrijgevigheid komt het toe, van het eigene te geven, en dat is deugdzamer. Derhalve is de vrijgevigheid een grotere deugd dan de rechtvaardigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nihil ornatur nisi per aliquid dignius se. Sed « magnanimitas est ornamentum et justitiae, et omnium virtutum », ut dicitur in 4. Ethic. [cap. 3.]. Ergo magnanimitas est nobilior, quam justitia.

2. Niets wordt versierd dan alleen door iets waardigers. Welnu, « de grootmoedigheid is het sieraad, zoowel van de rechtvaardigheid als van alle deugden », zooals gezegd wordt in de Ethica. Derhalve is de grootmoedigheid edeler dan de rechtvaardigheid.2. Niets wordt versierd dan alleen door iets waardigers. Welnu, “de grootmoedigheid is het sieraad, zowel van de rechtvaardigheid als van alle deugden”, zoals gezegd wordt in de Ethica. Derhalve is de grootmoedigheid edeler dan de rechtvaardigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, virtus est circa difficile et bonum, ut dicitur in 2. Ethic. [cap. 3.]. Sed fortitudo est circa magis difficilia, quam justitia, idest circa pericula mortis, ut dicitur in 3. Ethic. [cap. 6.]. Ergo fortitudo est nobilior justitia.

3. De deugd heeft betrekking op het moeilijke en het goede, zooals gezegd wordt in de Ethica. Welnu, de sterkte heeft betrekking op moeilijkere dingen dan de rechtvaardigheid, nl. op het doodsgevaar, zooals blijkt uit de Ethica. Derhalve is de sterkte edeler dan de rechtvaardigheid.3. De deugd heeft betrekking op het moeilijke en het goede, zoals gezegd wordt in de Ethica. Welnu, de sterkte heeft betrekking op moeilijkere dingen dan de rechtvaardigheid, nl. op het doodsgevaar, zoals blijkt uit de Ethica. Derhalve is de sterkte edeler dan de rechtvaardigheid.

Sed contra est, quod Tullius dicit in 1. Offic. [cap. 7.] : « In justitia virtutis splendor est maximus, ex qua boni viri nominantur ».

Daartegenover staat echter, dat Tullius zegt: « De glans der deugd is het grootst in de rechtvaardigheid, want om haar worden de menschen eerlijk genoemd ».Daartegenover staat echter, dat Tullius zegt: “De glans van de deugd is het grootst in de rechtvaardigheid, want om haar worden de mensen eerlijk genoemd”.

Respondeo dicendum, quod si loquamur de justitia legali, manifestum est, quod ipsa est praeclarior inter omnes virtutes morales, inquantum 62bonum commune praeeminet bono singulari unius personae; et secundum hoc Philosophus in 5. Ethic. [cap. 1.] dicit, quod « praeclarissima virtutum videtur esse justitia, et neque est Hesperus neque Lucifer ita admirabilis ».

Leerstelling. — Wanneer het om de wettelijke rechtvaardigheid gaat, is het klaarblijkend, dat zij onder al de zedelijke 62deugden de heerlijkste is, in zoover het algemeen welzijn voornamer is dan het partikuliere goed van een enkeling. Overeenkomstig hiermee zegt de Wijsgeer: « De heerlijkste onder de deugden schijnt wel de rechtvaardigheid te zijn, en noch de avondster, noch de morgenster zijn zoo bewonderenswaardig ».Leerstelling. — Wanneer het om de wettelijke rechtvaardigheid gaat, is het klaarblijkend, dat zij onder al de zedelijke 62deugden de heerlijkste is, in zover het algemeen welzijn voornamer is dan het particuliere goed van een enkeling. Overeenkomstig hiermee zegt de Wijsgeer: “De heerlijkste onder de deugden schijnt wel de rechtvaardigheid te zijn, en noch de avondster, noch de morgenster zijn zo bewonderenswaardig”.

Sed etiam si loquamur de justitia particulari, praecellit inter alias virtutes morales, duplici ratione; quarum prima potest sumi ex parte subjecti, quia scilicet est in nobiliori parte animae, idest in appetitu rationali, scilicet in voluntate, aliis virtutibus moralibus existentibus in appetitu sensitivo, ad quem pertinent passiones, quae sunt materia aliarum virtutum moralium. Secunda ratio sumitur ex parte objecti, nam aliae virtutes laudantur solum secundum bonum ipsius virtuosi, justitia autem laudatur secundum quod virtuosus ad alium bene se habet; et sic justitia quodammodo est bonum alterius, ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 1.]. Et propter hoc Philosophus dicit in 1. Rhetor. [cap. 9.] : « Necesse est maximas virtutes esse eas, quae sunt aliis honestissimae siquidem est virtus potentia benefactiva; propter hoc 63et fortes et justos maxime honorant, quoniam fortitudo est utilis aliis in bello; justitia autem et in bello, et in pace ».

Zelfs wanneer het gaat om de bijzondere rechtvaardigheid, munt ook zij uit onder de andere zedelijke deugden, en wel om een dubbele reden. De eerste reden is het subject: de rechtvaardigheid immers zetelt in een edeler deel van de ziel, nl. het redelijk streefvermogen, den wil; terwijl de andere zedelijke deugden zetelen in het zinnelijk streefvermogen, waartoe de hartstochten behooren, die het gebied uitmaken van de andere zedelijke deugden. Een tweede reden wordt aangevoerd van den kant van het voorwerp. Want de roem van de andere deugden steunt enkel op het goed van den deugdzamen mensch zelf, terwijl de rechtvaardigheid wordt geroemd om de goede verhouding van den deugdzamen mensch tot anderen; en op die wijze is de rechtvaardigheid eenigszins het goed van den andere, zooals in de Ethica gezegd wordt. En hierom zegt de Wijsgeer: « De grootste deugden zijn noodzakelijk die welke aan anderen weldoen, tenminste indien de deugd het vermogen is om wel te doen. Daarom wordt aan de sterken en de rechtvaardigen het 63meest eer bewezen: want de sterkte is nuttig voor anderen in den oorlog, de rechtvaardigheid echter én in oorlog én in vredestijd ».Zelfs wanneer het gaat om de bijzondere rechtvaardigheid, munt ook zij uit onder de andere zedelijke deugden, en wel om een dubbele reden. De eerste reden is het subject: de rechtvaardigheid immers zetelt in een edeler deel van de ziel, nl. het redelijk streefvermogen, de wil; terwijl de andere zedelijke deugden zetelen in het zinnelijk streefvermogen, waartoe de hartstochten behoren, die het gebied uitmaken van de andere zedelijke deugden. Een tweede reden wordt aangevoerd van de kant van het voorwerp. Want de roem van de andere deugden steunt enkel op het goed van de deugdzame mens zelf, terwijl de rechtvaardigheid wordt geroemd om de goede verhouding van de deugdzame mens tot anderen; en op die wijze is de rechtvaardigheid enigszins het goed van de andere, zoals in de Ethica gezegd wordt. En hierom zegt de Wijsgeer: “De grootste deugden zijn noodzakelijk die welke aan anderen weldoen, tenminste indien de deugd het vermogen is om wel te doen. Daarom wordt aan de sterken en de rechtvaardigen het 63meest eer bewezen: want de sterkte is nuttig voor anderen in de oorlog, de rechtvaardigheid echter én in oorlog én in vredestijd”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod liberalitas etsi de suo det, tamen hoc facit, inquantum in hoc considerat propriae virtutis bonum; justitia autem dat alteri quod suum est, quasi considerans bonum commune; et propterea1 justitia observatur ad omnes; liberalitas autem ad omnes se extendere non potest; et iterum liberalitas, quae de suo dat, supra justitiam fundatur, per quam unicuique quod suum est, tribuitur2.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de vrijgevigheid van het hare geeft, toch doet zij dat voor zoover zij daarin haar eigen goed ziet. De rechtvaardigheid geeft aan een ander wat hem toekomt, als 't ware met het oog op het algemeen welzijn. — Daarbij wordt de rechtvaardigheid onderhouden tegenover allen, terwijl de vrijgevigheid niet tot allen kan uitgaan. — Te meer nog, de vrijgevigheid, die van het hare meedeelt, is gegrondvest op de rechtvaardigheid, die aan ieder het zijne waarborgt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel de vrijgevigheid van het hare geeft, toch doet zij dat voor zover zij daarin haar eigen goed ziet. De rechtvaardigheid geeft aan een ander wat hem toekomt, als 't ware met het oog op het algemeen welzijn. — Daarbij wordt de rechtvaardigheid onderhouden tegenover allen, terwijl de vrijgevigheid niet tot allen kan uitgaan. — Te meer nog, de vrijgevigheid, die van het hare meedeelt, is gegrondvest op de rechtvaardigheid, die aan ieder het zijne waarborgt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod magnanimitas, quando supervenit justitiae, auget ejus bonitatem; quae tamen sine justitia nec virtutis rationem haberet.

2. De grootmoedigheid verhoogt de waarde van de rechtvaardigheid, voor zoover zij eraan toegevoegd is. Toch zou zij zonder de rechtvaardigheid zelfs geen deugd zijn.2. De grootmoedigheid verhoogt de waarde van de rechtvaardigheid, voor zover zij eraan toegevoegd is. Toch zou zij zonder de rechtvaardigheid zelfs geen deugd zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod fortitudo etsi consistat circa difficiliora, non tamen est circa meliora, cum sit solum in bello utilis, justitia autem et in bello, et in pace, sicut dictum est [in corp.].

3. De sterkte heeft betrekking op moeilijke aangelegenheden, niet echter op het beste, wijl zij enkel in den oorlog van nut is: de rechtvaardigheid daarentegen zoowel in oorlog als in vredestijd, zooals gezegd is (in de Leerst.).3. De sterkte heeft betrekking op moeilijke aangelegenheden, niet echter op het beste, wijl zij enkel in de oorlog van nut is: de rechtvaardigheid daarentegen zowel in oorlog als in vredestijd, zoals gezegd is (in de Leerst.).