Theologische Summa · Secunda Secundae · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · Kw. 60Kw. 60
Quaestio LX

De judicio in sex articulos divisa

Kwestie 60

Over het oordeel

(Zes Artikelen)

79Postea considerandum est de judicio.

79Vervolgens moet worden gehandeld over het oordeel.

Et circa hoc quaeruntur sex: 1. Utrum judicium sit actus justitiae. — 2. Utrum sit licitum judicare. — 3. Utrum per suspiciones sit judicandum. — 4. Utrum dubia sint in meliorem partem interpretanda. — 5. Utrum judicium semper sit secundum leges scriptas proferendum. — 6. Utrum judicium per usurpationem pervertatur.

Hieromtrent worden zes vragen gesteld: 1. Is oordeelen een daad van rechtvaardigheid? 2. Is oordeelen gewettigd? 3. Moet men oordeelen op verdenkingen? 4. Moeten twijfelgevallen langs den besten kant worden uitgelegd? 5. Moet het oordeel altijd uitgesproken worden overeenkomstig de geschreven wetten? 6. Ontaardt het oordeel door gezagsaanmatiging?Hieromtrent worden zes vragen gesteld: 1. Is oordelen een daad van rechtvaardigheid? 2. Is oordelen gewettigd? 3. Moet men oordelen op verdenkingen? 4. Moeten twijfelgevallen langs de beste kant worden uitgelegd? 5. Moet het oordeel altijd uitgesproken worden overeenkomstig de geschreven wetten? 6. Ontaardt het oordeel door gezagsaanmatiging?

Articulus I

Utrum judicium sit actus justitiae

Ie Artikel

Is oordeelen een daad van rechtvaardigheid?Is oordelen een daad van rechtvaardigheid?

antwoord 1 ↓

80Ad primum sic proceditur. Videtur, quod judicium non sit actus justitiae: dicit enim Philosophus in 1. Ethic. [cap. 3.], quod « unusquisque bene judicat, quae cognoscit »: et sic judicium ad vim cognoscitivam pertinere videtur. Vis autem cognoscitiva per prudentiam perficitur. Ergo judicium magis pertinet ad prudentiam, quam ad justitiam, quae est in voluntate, ut dictum est [q. 58. art. 4.].

80Bedenkingen. — Men beweert, dat oordeelen geen daad van rechtvaardigheid is. — 1. In de Ethica zegt de Wijsgeer immers: « Ieder oordeelt juist over wat hij kent »; en zoo lijkt het oordeel wel tot het kenvermogen te behooren. Het kenvermogen nu wordt vervolmaakt door de verstandigheid. Derhalve valt het oordeel eerder onder de verstandigheid dan onder de rechtvaardigheid, die in den wil is, zooals werd gezegd (58e Kw. 4e Art.).80Bedenkingen. — Men beweert, dat oordelen geen daad van rechtvaardigheid is. — 1. In de Ethica zegt de Wijsgeer immers: “Ieder oordeelt juist over wat hij kent”; en zo lijkt het oordeel wel tot het kenvermogen te behoren. Het kenvermogen nu wordt vervolmaakt door de verstandigheid. Derhalve valt het oordeel eerder onder de verstandigheid dan onder de rechtvaardigheid, die in de wil is, zoals werd gezegd (58e Kw. 4e Art.).

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Apostolus dicit, 1. Cor. 2. [v. 15]: « Spiritualis judicat omnia ». Sed homo maxime efficitur spiritualis per virtutem charitatis, quae « diffunditur in cordibus nostris per Spiritum Sanctum, qui datus est nobis », ut dicitur, Rom. 5. [v. 5]. Ergo judicium magis pertinet ad charitatem, quam ad justitiam.

2. In den Eersten Brief aan de Corinthiërs (2. 15) zegt de Apostel: « De geestelijke mensch beoordeelt alles ». Welnu, de mensch wordt allereerst vergeestelijkt door de deugd van liefde, die « is uitgestort in onze harten door den H. Geest, die ons geschonken is » zooals in den Brief aan de Romeinen (5. 5) wordt gezegd. Derhalve valt het oordeel eerder onder de liefde dan wel onder de rechtvaardigheid.2. In de Eerste Brief aan de Korintiërs (2, 15) zegt de Apostel: “De geestelijke mens beoordeelt alles”. Welnu, de mens wordt allereerst vergeestelijkt door de deugd van liefde, die “is uitgestort in onze harten door de H. Geest, die ons geschonken is” zoals in de Brief aan de Romeinen (5, 5) wordt gezegd. Derhalve valt het oordeel eerder onder de liefde dan wel onder de rechtvaardigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ad unamquamque virtutem pertinet rectum judicium 81circa propriam materiam, quia « virtuosus in singulis est regula et mensura », secundum Philosophum in lib. 3. Ethic. [cap. 4.]. Non ergo judicium magis pertinet ad justitiam, quam ad alias virtutes morales.

3. Binnen haar eigen gebied komt aan iedere deugd een juist 81oordeel toe; want « de deugdzame is in alle aangelegenheden regel en maatstaf », naar het woord van den Wijsgeer. Het oordeel valt dus niet meer onder de rechtvaardigheid dan onder de andere zedelijke deugden.3. Binnen haar eigen gebied komt aan iedere deugd een juist 81oordeel toe; want “de deugdzame is in alle aangelegenheden regel en maatstaf”, naar het woord van de Wijsgeer. Het oordeel valt dus niet meer onder de rechtvaardigheid dan onder de andere zedelijke deugden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, judicium videtur ad solos judices pertinere. Actus autem justitiae invenitur in omnibus justis. Cum ergo non soli judices sint justi, videtur quod judicium non sit actus proprius justitiae.

4. Oordeelen schijnt alleen aan de rechters toe te komen. De daad van rechtvaardigheid nu wordt bij alle rechtvaardigen gevonden. Wijl dus niet alleen de rechters rechtvaardig zijn, lijkt oordeelen wel niet de eigen daad van de rechtvaardigheid te zijn.4. Oordelen schijnt alleen aan de rechters toe te komen. De daad van rechtvaardigheid nu wordt bij alle rechtvaardigen gevonden. Wijl dus niet alleen de rechters rechtvaardig zijn, lijkt oordelen wel niet de eigen daad van de rechtvaardigheid te zijn.

Sed contra est, quod in Psalm. 93. [v. 15] dicitur: « Quoadusque justitia convertatur in judicium ».

Daartegenover staat echter, wat in het Boek der Psalmen (93. 15) gezegd wordt: « Want het oordeel zal wederkeeren tot gerechtigheid ».Daartegenover staat echter, wat in het Boek van de Psalmen (93, 15)a gezegd wordt: “Want het oordeel zal wederkeren tot gerechtigheid”.

Respondeo dicendum, quod judicium proprie nominat actum judicis, inquantum judex est. Judex autem dicitur, quasi « jus dicens ». Jus autem est objectum justitiae, ut supra habitum est [q. 57. art. 1.], et ideo judicium importat, secundum primam nominis impositionem, diffinitionem vel determinationem justi sive juris. Quod autem aliquis bene diffiniat aliquid in operibus virtuosis, proprie procedit ex habitu virtutis, sicut castus recte 82determinat ea, quae pertinent ad castitatem. Et ideo judicium, quod importat rectam determinationem ejus, quod est justum, proprie pertinet ad justitiam; propter quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 4.] dicit, quod « homines ad judicem confugiunt, sicut ad quamdam justitiam animatam ».

Leerstelling. — In eigenlijken zin noemt men oordeel de daad van den rechter als rechter. Het latijnsche woord « judex » (rechter) beduidt als 't ware « jus dicens » (recht sprekend). Recht nu is het voorwerp van de rechtvaardigheid, zooals boven (57e Kw. 1e Art.) gezegd is. En daarom behelst het oordeel, in de oorspronkelijke aanwending van het woord, de bepaling of vaststelling van wat rechtvaardig of recht is. Dat nu iemand iets juist bepaalt met betrekking tot een deugdzame handeling, komt eigenlijk voort uit de deugdzame hebbelijkheid; zoo bepaalt de 82zuivere op een juiste manier de dingen, die op de zuiverheid betrekking hebben. En bijgevolg behoort het oordeel, dat het juiste bepalen van datgene wat rechtvaardig is insluit, eigenlijk tot de rechtvaardigheid. Daarom zegt de Wijsgeer: « De menschen nemen hun toevlucht tot den rechter als tot de levende rechtvaardigheid ».Leerstelling. — In eigenlijke zin noemt men oordeel de daad van de rechter als rechter. Het Latijnse woord “judex” (rechter) beduidt als 't ware “jus dicens” (recht sprekend). Recht nu is het voorwerp van de rechtvaardigheid, zoals boven (57e Kw. 1e Art.) gezegd is. En daarom behelst het oordeel, in de oorspronkelijke aanwending van het woord, de bepaling of vaststelling van wat rechtvaardig of recht is. Dat nu iemand iets juist bepaalt met betrekking tot een deugdzame handeling, komt eigenlijk voort uit de deugdzame hebbelijkheid; zo bepaalt de 82zuivere op een juiste manier de dingen, die op de zuiverheid betrekking hebben. En bijgevolg behoort het oordeel, dat het juiste bepalen van datgene wat rechtvaardig is insluit, eigenlijk tot de rechtvaardigheid. Daarom zegt de Wijsgeer: “De mensen nemen hun toevlucht tot de rechter als tot de levende rechtvaardigheid”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod nomen judicii, quod secundum primam impositionem significat rectam determinationem justorum, ampliatum est ad significandam rectam determinationem in quibuscumque rebus, tam in speculativis, quam in practicis. In omnibus tamen ad rectum judicium duo requiruntur, quorum unum est ipsa virtus proferens judicium; et sic judicium est actus rationis: dicere enim, vel diffinire aliquid, rationis est. Aliud autem est dispositio judicantis, ex qua habet idoneitatem ad recte judicandum. Et sic in his quae pertinent ad justitiam, judicium procedit ex justitia, sicut et in his quae ad fortitudinem pertinent, ex fortitudine. Sic ergo judicium est quidam actus justitiae, sicut inclinantis ad recte judicandum, 83prudentiae autem, sicut judicium proferentis; unde et synesis, ad prudentiam pertinens, dicitur bene judicativa, ut supra habitum est [q. 51. art. 3.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord « oordeel », dat naar zijn oorspronkelijke aanwending de juiste bepaling van het recht beteekent, werd later verbreed om het juiste bepalen in gelijk welke dingen, zoowel bespiegelende als praktische, weer te geven. Opdat nu in alles het oordeel juist zou zijn, worden twee voorwaarden vereischt. Ten eerste, de deugd, die het oordeel uitspreekt. En op die wijze is het oordeel een verstandsdaad: uitspreken immers, of bepalen, is iets van de rede. Ten tweede, de gesteltenis van hem die oordeelt, waardoor hij de geschiktheid heeft om juist te oordeelen. En zoo komt het oordeel in aangelegenheden, die de rechtvaardigheid betreffen, uit de rechtvaardigheid voort, zooals ook voor dingen, die de sterkte betreffen, het oordeel uit de sterkte voortkomt. Zoo is oordeelen dus wel een daad van de rechtvaardigheid, die het subject naar het juiste oordeel toeneigt: maar ook een daad van 83de verstandigheid, die het oordeel uitspreekt. Daarom ook heet de synesis, die bij de verstandigheid hoort, vermogen van juist oordeel, zooals boven (51e Kw. 3e Art.) gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord “oordeel”, dat naar zijn oorspronkelijke aanwending de juiste bepaling van het recht betekent, werd later verbreed om het juiste bepalen in gelijk welke dingen, zowel bespiegelende als praktische, weer te geven. Opdat nu in alles het oordeel juist zou zijn, worden twee voorwaarden vereist. Ten eerste, de deugd, die het oordeel uitspreekt. En op die wijze is het oordeel een verstandsdaad: uitspreken immers, of bepalen, is iets van de rede. Ten tweede, de gesteltenis van hem die oordeelt, waardoor hij de geschiktheid heeft om juist te oordelen. En zo komt het oordeel in aangelegenheden, die de rechtvaardigheid betreffen, uit de rechtvaardigheid voort, zoals ook voor dingen, die de sterkte betreffen, het oordeel uit de sterkte voortkomt. Zo is oordelen dus wel een daad van de rechtvaardigheid, die het subject naar het juiste oordeel toeneigt: maar ook een daad van 83de verstandigheid, die het oordeel uitspreekt. Daarom ook heet de synesis, die bij de verstandigheid hoort, vermogen van juist oordeel, zoals boven (51e Kw. 3e Art.) gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod homo spiritualis ex habitu charitatis habet inclinationem ad recte judicandum de omnibus secundum regulas divinas, ex quibus judicium per donum sapientiae pronuntiat, sicut justus per virtutem prudentiae pronuntiat judicium ex regulis juris.

2. De geestelijke mensch is door de liefde geneigd tot een juist oordeel over alles, overeenkomstig de goddelijke bepalingen, volgens welke hij oordeelt met behulp van de gave der Wijsheid, evenals de rechtvaardige volgens de bepalingen van het recht, met behulp van de deugd van verstandigheid een oordeel uitspreekt.2. De geestelijke mens is door de liefde geneigd tot een juist oordeel over alles, overeenkomstig de goddelijke bepalingen, volgens welke hij oordeelt met behulp van de gave van de Wijsheid, evenals de rechtvaardige volgens de bepalingen van het recht, met behulp van de deugd van verstandigheid een oordeel uitspreekt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod aliae virtutes ordinant hominem in seipso, sed justitia ordinat hominem ad alium, ut ex dictis patet [q. 58. art. 2.]. Homo autem est dominus eorum, quae ad ipsum pertinent, non autem est dominus eorum, quae ad alium pertinent. Et ideo in his quae sunt secundum alias virtutes, non requiritur nisi judicium virtuosi, extenso tamen nomine judicii, ut dictum est [in resp. ad 1.]; sed in his, quae pertinent ad justitiam, requiritur ulterius judicium alicujus superioris, « qui utrumque valeat arguere et ponere manum suam in ambobus » [Job, cap. 9. v. 33]; et 84propter hoc judicium specialius pertinet ad justitiam, quam ad aliquam aliam virtutem.

3. De andere deugden regelen den mensch met betrekking tot zichzelf, maar de rechtvaardigheid regelt den mensch met betrekking tot een ander, zooals blijkt uit wat gezegd is (58e Kw. 2e Art.). Indien nu de mensch meester is over datgene wat hem toebehoort, dan is hij dat niet met betrekking tot datgene wat aan een ander toebehoort. Betreffende de dingen die onder de andere deugden vallen, volstaat dus het oordeel van den deugdzame — oordeel hier te verstaan in breederen zin, zooals gezegd is (1e Antw.). Met betrekking echter tot de dingen, die tot het gebied van de rechtvaardigheid behooren, is daarbij nog het oordeel vereischt van een overste, « die beide partijen kan berispen en zijn hand op beiden leggen » (Job 9. 33). En hierom 84hoort het oordeel op meer bijzondere wijze bij de rechtvaardigheid dan bij eenige andere deugd.3. De andere deugden regelen de mens met betrekking tot zichzelf, maar de rechtvaardigheid regelt de mens met betrekking tot een ander, zoals blijkt uit wat gezegd is (58e Kw. 2e Art.). Indien nu de mens meester is over datgene wat hem toebehoort, dan is hij dat niet met betrekking tot datgene wat aan een ander toebehoort. Betreffende de dingen die onder de andere deugden vallen, volstaat dus het oordeel van de deugdzame — oordeel hier te verstaan in bredere zin, zoals gezegd is (1e Antw.). Met betrekking echter tot de dingen, die tot het gebied van de rechtvaardigheid behoren, is daarbij nog het oordeel vereist van een overste, “die beide partijen kan berispen en zijn hand op beiden leggen” (Job 9. 33). En hierom 84hoort het oordeel op meer bijzondere wijze bij de rechtvaardigheid dan bij enige andere deugd.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod justitia in principe quidem est sicut virtus architectonica, quasi imperans et praecipiens quod justum est; in subditis autem est tamquam virtus executiva et ministrans. Et ideo judicium, quod importat diffinitionem justi, pertinet ad justitiam, secundum quod est principaliori modo in praesidente.

4. In den vorst is de rechtvaardigheid als een leidende deugd, die als 't ware beveelt en voorschrijft wat rechtvaardig is: in de onderdanen is zij als een uitvoerende en dienende deugd. En daarom komt het oordeel, dat bepaling van het rechtvaardige insluit aan de rechtvaardigheid toe, voor zoover zij op bijzondere wijze in den vorst bestaat.4. In de vorst is de rechtvaardigheid als een leidende deugd, die als 't ware beveelt en voorschrijft wat rechtvaardig is: in de onderdanen is zij als een uitvoerende en dienende deugd. En daarom komt het oordeel, dat bepaling van het rechtvaardige insluit aan de rechtvaardigheid toe, voor zover zij op bijzondere wijze in de vorst bestaat.

Articulus II

Utrum sit licitum judicare

[P. 3. q. 59. art. 1; Cont. Impugn. Relig. cap. 21; Ad Rom. cap. 2. lect. 1; cap. 14. lect. 1; 1. ad Cor. cap. 4. lect. 1.]
IIe Artikel

Is oordeelen gewettigd?Is oordelen gewettigd?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non sit licitum judicare: non enim infligitur poena nisi pro illicito. Sed judicantibus imminet poena, quam non judicantes effugiunt, secundum illud Matth. 7. [v. 1] : « Nolite judicare, ut non judicemini ». Ergo judicare est illicitum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat oordeelen niet gewettigd is. — 1. Straf wordt alleen opgelegd om een onwettige daad. Zij nu die oordeelen worden bedreigd met een straf die niet-oordeelenden ontgaan, naar het woord bij Mattheus (7. 1) : « Oordeelt niet, opdat ge niet geoordeeld wordt ». Oordeelen is derhalve onwettig.Bedenkingen. — Men beweert, dat oordelen niet gewettigd is. — 1. Straf wordt alleen opgelegd om een onwettige daad. Zij nu die oordelen worden bedreigd met een straf die niet-oordelenden ontgaan, naar het woord bij Matteüs (7, 1): “Oordeelt niet, opdat ge niet geoordeeld wordt”. Oordelen is derhalve onwettig.

antwoord 2 ↓

852. Praeterea, Rom. 14. [v. 4] dicitur: « Tu quis es, qui judicas alienum servum? suo domino stat, aut cadit ». Dominus autem omnium Deus est. Ergo nulli homini licet judicare.

852. Er staat in den Brief aan de Romeinen (14. 4) : « Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over andermans dienstknecht; of hij staat of valt, is de zaak van zijn eigen meester ». Welnu, God is Meester over allen. Derhalve mag geen enkel mensch oordeelen.852. Er staat in de Brief aan de Romeinen (14, 4): “Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over andermans dienstknecht; of hij staat of valt, is de zaak van zijn eigen meester”. Welnu, God is Meester over allen. Derhalve mag geen enkel mens oordelen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, nullus homo est sine peccato, secundum illud 1. Joann. 1. [v. 8] : « Si dixerimus, quia peccatum non habemus, nos ipsos seducimus ». Sed peccanti non licet judicare, secundum illud Rom. 2. [v. 1] : « Inexcusabilis es, o homo omnis, qui judicas: in quo enim alterum judicas, teipsum condemnas; eadem enim agis, quae judicas ». Ergo nulli est licitum judicare.

3. Geen mensch is zonder zonde, naar het woord uit den Eersten Brief van Joannes (1. 8) : « Als we beweren, geen zonde te hebben, dan misleiden we onszelf ». Welnu, een zondaar mag niet oordeelen, naar het woord uit den Brief aan de Romeinen (2. 1) : « Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mensch, die oordeelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter, ge doet immers juist hetzelfde ». Het is dus aan niemand toegelaten te oordeelen.3. Geen mens is zonder zonde, naar het woord uit de Eerste Brief van Johannes (1, 8): “Als we beweren, geen zonde te hebben, dan misleiden we onszelf”. Welnu, een zondaar mag niet oordelen, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (2, 1): “Maar dan zijt ook gij niet te verontschuldigen, gij mens, die oordelen durft, wie ge ook zijt. Want, waarin ge een ander oordeelt, veroordeelt ge uzelf; gij rechter, ge doet immers juist hetzelfde”. Het is dus aan niemand toegelaten te oordelen.

Sed contra est, quod dicitur Deut. 16. [v. 18] : « Judices et magistros constitues in omnibus portis tuis, ut judicent populum justo judicio ».

Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium (16. 18) gezegd wordt: « Rechters en meesters zult gij u stellen in al uwe poorten, dat zij het volk rechten met een oordeel van gerechtigheid ».Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium (16, 18) gezegd wordt: “Rechters en meesters zult gij u stellen in al uw poorten, dat zij het volk rechten met een oordeel van gerechtigheid”.

Respondeo dicendum, quod judicium intantum est licitum, inquantum est justitiae actus. Sicut autem ex praedictis patet [art. praec. ad 1 et 3.], 86ad hoc quod judicium sit actus justitiae, tria requiruntur: primo quidem, ut procedat ex inclinatione justitiae; secundo, quod procedat ex auctoritate praesidentis; tertio, quod proferatur secundum rectam rationem prudentiae.

Leerstelling. — Het oordeel is gewettigd in zoover het een daad van de rechtvaardigheid is. Zooals nu uit het voorgaande (vorig Art. 1e en 3e Antw.) blijkt, zijn er drie 86voorwaarden vereischt opdat het oordeel een daad van rechtvaardigheid zou zijn: ten eerste, dat het zou voortkomen uit een neiging van rechtvaardigheid; ten tweede, dat het zou uitgaan van het gezag van een overste; ten derde, dat het uitgesproken wordt naar het juiste inzicht van de verstandigheid.Leerstelling. — Het oordeel is gewettigd in zover het een daad van de rechtvaardigheid is. Zoals nu uit het voorgaande (vorig Art. 1e en 3e Antw.) blijkt, zijn er drie 86voorwaarden vereist opdat het oordeel een daad van rechtvaardigheid zou zijn: ten eerste, dat het zou voortkomen uit een neiging van rechtvaardigheid; ten tweede, dat het zou uitgaan van het gezag van een overste; ten derde, dat het uitgesproken wordt naar het juiste inzicht van de verstandigheid.

Quodcumque autem horum defuerit, judicium erit vitiosum et illicitum: uno quidem modo, quando est contra rectitudinem justitiae, et sic dicitur judicium perversum vel injustum; alio modo, quando homo judicat de his, in quibus non habet auctoritatem, et sic dicitur judicium usurpatum; tertio modo, quando deest certitudo rationis, puta cum aliquis de his judicat, quae sunt dubia vel occulta, propter aliquas leves conjecturas, et sic dicitur judicium suspiciosum vel temerarium.

Het oordeel nu, waaraan een dezer voorwaarden ontbreekt, is gebrekkig en ongewettigd. Ten eerste, wanneer het tegen de gaafheid van de rechtvaardigheid ingaat: dan wordt het oordeel valsch en onrechtvaardig genoemd. Ten tweede, wanneer de mensch oordeelt over zaken waarin hij geen gezag heeft: en dan heet het een aanmatigend oordeel. Ten derde, wanneer de zekerheid van de rede ontbreekt, b.v. wanneer iemand, op grond van lichte gissingen, over twijfelachtige of verborgen zaken oordeelt: en dan heet het een op vermoeden gesteund of vermetel oordeel.Het oordeel nu, waaraan een van deze voorwaarden ontbreekt, is gebrekkig en ongewettigd. Ten eerste, wanneer het tegen de gaafheid van de rechtvaardigheid ingaat: dan wordt het oordeel vals en onrechtvaardig genoemd. Ten tweede, wanneer de mens oordeelt over zaken waarin hij geen gezag heeft: en dan heet het een aanmatigend oordeel. Ten derde, wanneer de zekerheid van de rede ontbreekt, bv. wanneer iemand, op grond van lichte gissingen, over twijfelachtige of verborgen zaken oordeelt: en dan heet het een op vermoeden gesteund of vermetel oordeel.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dominus ibi prohibet judicium temerarium, quod est de intentione cordis, vel de aliis incertis, ut Augustinus dicit in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 18.], vel prohibet ibi judicium de rebus divinis, de quibus, cum sint supra nos, non debemus judicare, sed simpliciter ea credere, ut Hilarius dicit super Matth. [cap. 875.], vel prohibet judicium, quod non fit ex benevolentia, sed ex animi amaritudine, ut Chrysostomus dicit [hom. 17. in Matt. in op. imperf.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer verbiedt hier het vermetel oordeel, dat een verborgen bedoeling of iets onzekers tot voorwerp heeft, zooals Augustinus zegt. — Ofwel verbiedt hij hier te oordeelen over goddelijke aangelegenheden, waarover wij niet moeten oordeelen, maar die we eenvoudigweg moeten gelooven, omdat ze boven ons verheven zijn, zooals 87Hilarius zegt. — Ofwel verbiedt hij het oordeel, dat niet uit goedwilligheid voortkomt, maar uit een verbitterd gemoed, zooals Chrysostomus zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Heer verbiedt hier het vermetel oordeel, dat een verborgen bedoeling of iets onzekers tot voorwerp heeft, zoals Augustinus zegt. — Ofwel verbiedt hij hier te oordelen over goddelijke aangelegenheden, waarover wij niet moeten oordelen, maar die we eenvoudigweg moeten geloven, omdat ze boven ons verheven zijn, zoals 87Hilarius zegt. — Ofwel verbiedt hij het oordeel, dat niet uit goedwilligheid voortkomt, maar uit een verbitterd gemoed, zoals Chrysostomus zegt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod judex constituitur ut minister Dei; unde dicitur Deuter. 1. [v. 16] : « Quod justum est, judicate », et postea subdit [v. 17] : « Quia Dei est judicium ».

2. De rechter wordt aangesteld als Gods dienaar. Vandaar zegt het Boek Deuteronomium (1. 16) : « Oordeelt wat recht is », en verder (1. 17) : « want het is Gods oordeel ».2. De rechter wordt aangesteld als Gods dienaar. Vandaar zegt het Boek Deuteronomium (1, 16): “Oordeelt wat recht is”, en verder (1, 17): “want het is Gods oordeel”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illi qui sunt in gravibus peccatis, non debent judicare eos qui sunt in eisdem peccatis, vel minoribus, ut Chrysostomus dicit super illud Matth. 7. [v. 1] : « Nolite judicare » [hom. 24. in Matth.]. Et praecipue hoc est intelligendum, quando illa peccata sunt publica, quia ex hoc generaretur scandalum in cordibus aliorum; si autem non sunt publica, sed occulta, et necessitas judicandi immineat propter officium, potest cum humilitate et timore vel arguere, vel judicare; unde Augustinus dicit in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 19.] : « Si invenerimus nos in eodem vitio esse, congemiscamus, et ad pariter conandum invitemus ». Nec tamen propter hoc homo sic seipsum condemnat, ut novum condemnationis meritum sibi acquirat, sed quia condemnans alium, ostendit se similiter condemnabilem esse propter idem peccatum, vel simile.

3. Zij die in zware zonden leven moeten hen niet beoordeelen, die in dezelfde zonden leven, of in kleinere, zooals Chrysostomus opmerkt bij het woord van Mattheus (7. 1) : « Oordeelt niet ». Dit moet vooral worden in acht genomen wanneer die zonden openbaar zijn: want hieruit zou ergernis ontstaan in de harten van anderen. Wanneer die zonden echter niet openbaar, maar verborgen zijn, en iemand ambtshalve moet oordeelen, dan mag hij nederig en schroomvol berispen of oordeelen. Daarom zegt Augustinus: « Indien wij ervaren in dezelfde zonde te leven, laten wij dan samen zuchten, en elkaar aanzetten tot dezelfde pogingen ». Daarom veroordeelt een mensch, die oordeelt, zichzelf niet, in dien zin, dat hij een nieuwe veroordeeling oploopt; maar door een ander te veroordeelen toont hij zich evenzeer veroordeelbaar, om dezelfde zonde of om een andere.3. Zij die in zware zonden leven moeten hen niet beoordelen, die in dezelfde zonden leven, of in kleinere, zoals Chrysostomus opmerkt bij het woord van Matteüs (7, 1): “Oordeelt niet”. Dit moet vooral worden in acht genomen wanneer die zonden openbaar zijn: want hieruit zou ergernis ontstaan in de harten van anderen. Wanneer die zonden echter niet openbaar, maar verborgen zijn, en iemand ambtshalve moet oordelen, dan mag hij nederig en schroomvol berispen of oordelen. Daarom zegt Augustinus: “Indien wij ervaren in dezelfde zonde te leven, laten wij dan samen zuchten, en elkaar aanzetten tot dezelfde pogingen”. Daarom veroordeelt een mens, die oordeelt, zichzelf niet, in die zin, dat hij een nieuwe veroordeling oploopt; maar door een ander te veroordelen toont hij zich evenzeer veroordeelbaar, om dezelfde zonde of om een andere.

Articulus III

Utrum judicium ex suspicione procedens sit illicitum

[Quodl. 12. q. 22. art. 2.]
IIIe Artikel

Is een oordeel op grond van verdenking ongewettigd?

antwoord 1 ↓

88Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod judicium ex suspicione procedens non sit illicitum: suspicio enim videtur esse opinio incerta de aliquo malo; unde et Philosophus in 6. Ethic. [cap. 3.] ponit, quod suspicio se habet et ad verum, et ad falsum. Sed de singularibus contingentibus non potest haberi opinio nisi incerta. Cum ergo judicium humanum sit circa humanos actus, qui sunt in singularibus et contingentibus, videtur quod nullum judicium esset licitum, si ex suspicione judicare non liceret.

88Bedenkingen. — Men beweert, dat een oordeel, op grond van verdenking, niet ongewettigd is. — 1. Verdenking immers schijnt een onzekere meening te zijn omtrent een of ander kwaad. Daarom zegt de Wijsgeer, dat de verdenking evengoed op het ware als op het valsche betrekking heeft. Welnu, met betrekking tot singuliere en wisselvallige aangelegenheden kan men slechts een onzekere meening verwerven. Daar nu het menschelijk oordeel slaat op de menschelijke handelingen, die singulier en wisselvallig zijn, lijkt het wel, dat geen enkel oordeel gewettigd zou zijn, indien men niet mocht oordeelen op grond van verdenking.88Bedenkingen. — Men beweert, dat een oordeel, op grond van verdenking, niet ongewettigd is. — 1. Verdenking immers schijnt een onzekere mening te zijn omtrent een of ander kwaad. Daarom zegt de Wijsgeer, dat de verdenking evengoed op het ware als op het valse betrekking heeft. Welnu, met betrekking tot singuliere en wisselvallige aangelegenheden kan men slechts een onzekere mening verwerven. Daar nu het menselijk oordeel slaat op de menselijke handelingen, die singulier en wisselvallig zijn, lijkt het wel, dat geen enkel oordeel gewettigd zou zijn, indien men niet mocht oordelen op grond van verdenking.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, per judicium illicitum fit aliqua injuria proximo. Sed suspicio mala in sola opinione hominis consistit, et sic non videtur ad injuriam alterius pertinere. Ergo suspicionis judicium non est illicitum.

2. Door een ongewettigd oordeel wordt onrecht gepleegd tegenover den naaste. Welnu, iemand van kwaad verdenken is slechts een menschelijke meening, en zoo lijkt het wel, dat daardoor geen onrecht wordt gepleegd tegenover een ander. Derhalve is oordeelen op grond van verdenking niet ongewettigd.2. Door een ongewettigd oordeel wordt onrecht gepleegd tegenover de naaste. Welnu, iemand van kwaad verdenken is slechts een menselijke mening, en zo lijkt het wel, dat daardoor geen onrecht wordt gepleegd tegenover een ander. Derhalve is oordelen op grond van verdenking niet ongewettigd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, si sit illicitum, oportet quod ad injustitiam reducatur, 89quia judicium est actus justitiae, ut dictum est [art. 1.]. Sed injustitia ex suo genere semper est peccatum mortale, ut supra habitum est [q. 59. art. 4.]. Ergo suspicionis judicium esset semper peccatum mortale, si esset illicitum. Sed hoc est falsum, quia « suspiciones vitare non possumus », ut dicit Glos. Augustini super illud 1. Cor. 4. [v. 5] : « Nolite ante tempus judicare ». Ergo judicium suspiciosum non videtur esse illicitum.

3. Is dit oordeel ongewettigd, dan moet het tot de onrechtvaardigheid worden herleid: want het oordeel is een daad van 89rechtvaardigheid, zooals gezegd is (1e Art.). Welnu, onrechtvaardigheid is uiteraard altijd doodzonde, zooals boven gebleken is (59e Kw. 4e Art.). Indien dus het oordeel op grond van verdenking onwettig is, zou het altijd doodzonde zijn. Welnu, dit is valsch: want, zooals de Glossa bij dit woord uit den Eersten Brief aan de Corinthiërs (4. 5) « Oordeelt niet vóór den tijd » opmerkt, « kunnen wij de verdenkingen niet vermijden ». Het oordeel op grond van verdenking is derhalve niet ongewettigd.3. Is dit oordeel ongewettigd, dan moet het tot de onrechtvaardigheid worden herleid: want het oordeel is een daad van 89rechtvaardigheid, zoals gezegd is (1e Art.). Welnu, onrechtvaardigheid is uiteraard altijd doodzonde, zoals boven gebleken is (59e Kw. 4e Art.). Indien dus het oordeel op grond van verdenking onwettig is, zou het altijd doodzonde zijn. Welnu, dit is vals: want, zoals de Glossa bij dit woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (4, 5) “Oordeelt niet vóór de tijd” opmerkt, “kunnen wij de verdenkingen niet vermijden”. Het oordeel op grond van verdenking is derhalve niet ongewettigd.

Sed contra est, quod Chrysostomus super illud Matth. 7. [v. 1] : « Nolite judicare », etc. [hom. 17.] dicit: « Dominus hoc mandato non prohibet, Christianos ex benevolentia alios corripere, sed ne per jactantiam justitiae suae Christiani Christianos despiciant, ex solis plerumque suspicionibus odientes caeteros et condemnantes ».

Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus bij hetzelfde woord van Mattheus opmerkt: « Door dit gebod verbiedt de Heer aan de Christenen niet de anderen te berispen uit goedwilligheid, maar enkel dat de christenen, uit een misplaatst gevoel van ijdelheid om eigen gerechtigheid, hun medechristenen niet zouden verachten, hen hatend en veroordeelend meestal op grond van loutere verdachtmaking ».Daartegenover staat echter, dat Chrysostomus bij hetzelfde woord van Matteüs opmerkt: “Door dit gebod verbiedt de Heer aan de Christenen niet de anderen te berispen uit goedwilligheid, maar enkel dat de christenen, uit een misplaatst gevoel van ijdelheid om eigen gerechtigheid, hun medechristenen niet zouden verachten, hen hatend en veroordelend meestal op grond van loutere verdachtmaking”.

Respondeo dicendum, quod, sicut Tullius dicit, suspicio importat opinionem mali, quando ex levibus indiciis procedit, et contingit ex tribus: uno quidem modo ex hoc, quod aliquis in seipso malus est, et ex hoc ipso, quasi conscius suae malitiae, faciliter de aliis malum opinatur, 90secundum illud Eccle. 10. [v. 3] : « In via stultus ambulans, cum ipse sit insipiens, omnes stultos aestimat ». Alio modo provenit ex hoc, quod aliquis male afficitur ad alterum: cum enim aliquis contemnit vel odit aliquem, aut irascitur vel invidet ei, ex levibus signis opinatur mala de ipso, quia unusquisque faciliter credit, quod appetit. Tertio modo provenit ex longa experientia, unde Philosophus dicit in 2. Rhet. [cap. 13.] quod « senes sunt maxime suspiciosi, quia multoties experti sunt aliorum defectus ».

Leerstelling. — Zooals Tullius zegt, behelst verdenking kwaad vermoeden op grond van nietige aanwijzingen. Dit nu gebeurt om drie redenen. Ten eerste, uit het feit, dat iemand slecht is in zichzelf, en hierdoor gemakkelijk kwaad vermoedt bij anderen, als 't ware bewust van eigen boosheid, naar het woord 90van den Prediker (10. 3) : « Als hij over den weg wandelt, houdt de dwaas, daar hijzelf dwaas is, allen voor dwazen ». — Ten tweede komt verdenking hieruit voort, dat iemand een ander kwaadgezind is. Immers, wanneer iemand een ander veracht of haat toedraagt, op hem vertoornd is of hem benijdt, dan vermoedt hij kwaad van hem, op grond van lichte aanwijzingen; want iedereen gelooft gemakkelijk datgene wat hij begeert. — Ten derde kan verdenking voortkomen uit langdurige ervaring: daarom zegt de Wijsgeer: « Ouderlingen zijn erg kwaaddunkend, omdat zij heel vaak de gebreken van anderen hebben ervaren ».Leerstelling. — Zoals Tullius zegt, behelst verdenking kwaad vermoeden op grond van nietige aanwijzingen. Dit nu gebeurt om drie redenen. Ten eerste, uit het feit, dat iemand slecht is in zichzelf, en hierdoor gemakkelijk kwaad vermoedt bij anderen, als 't ware bewust van eigen boosheid, naar het woord 90van de Prediker (10, 3): “Als hij over de weg wandelt, houdt de dwaas, daar hijzelf dwaas is, allen voor dwazen”. — Ten tweede komt verdenking hieruit voort, dat iemand een ander kwaadgezind is. Immers, wanneer iemand een ander veracht of haat toedraagt, op hem vertoornd is of hem benijdt, dan vermoedt hij kwaad van hem, op grond van lichte aanwijzingen; want iedereen gelooft gemakkelijk datgene wat hij begeert. — Ten derde kan verdenking voortkomen uit langdurige ervaring: daarom zegt de Wijsgeer: “Ouderlingen zijn erg kwaaddunkend, omdat zij heel vaak de gebreken van anderen hebben ervaren”.

Primae autem duae suspicionis causae manifeste pertinent ad perversitatem affectus; tertia vero causa diminuit rationem suspicionis, inquantum experientia ad certitudinem proficit, quae est contra rationem suspicionis. Et ideo suspicio vitium quoddam importat, et quanto magis procedit suspicio, tanto magis est vitiosum.

De eerste twee oorzaken van verdenking veronderstellen klaarblijkelijk de boosheid van het gemoed. De derde oorzaak echter vermindert de verdenking, voor zoover de ervaring leidt tot zekerheid, die aan de verdenking tegengesteld is. Bijgevolg behelst de verdenking een ondeugd; en hoe zwaarder de verdenking, des te grooter de ondeugd.De eerste twee oorzaken van verdenking veronderstellen klaarblijkelijk de boosheid van het gemoed. De derde oorzaak echter vermindert de verdenking, voor zover de ervaring leidt tot zekerheid, die aan de verdenking tegengesteld is. Bijgevolg behelst de verdenking een ondeugd; en hoe zwaarder de verdenking, des te groter de ondeugd.

Est autem triplex gradus suspicionis: primus quidem gradus est ut homo ex levibus indiciis de bonitate alicujus dubitare incipiat, et hoc est veniale et leve peccatum: « pertinet enim ad tentationem humanam, sine qua vita ista non ducitur », ut habetur in Gloss. [ord. Aug.] super illud 1. ad 91Cor. 4. [v. 5] : « Nolite ante tempus judicare ». Secundus gradus est, cum aliquis pro certo malitiam alterius aestimat ex levibus indiciis et hoc si sit de aliquo gravi, est peccatum mortale, inquantum non est sine contemptu proximi; unde Gloss. ibidem subdit: « Etsi ergo suspiciones vitare non possumus, quia homines sumus, judicia tamen, idest diffinitivas, firmasque sententias continere debemus ». Tertius gradus est, cum aliquis judex ex suspicione procedit ad aliquem condemnandum, et hoc directe ad injustitiam pertinet; unde est peccatum mortale.

Nu zijn er drie graden van verdenking. De eerste, wanneer een mensch, op grond van nietige aanwijzingen, aan de goedheid van een ander begint te twijfelen. Dit is een dagelijksche, een lichte zonde: want « dit valt onder de menschelijke bekoring, zonder dewelke dit leven niet geleid wordt », zooals de Glossa 91bij dit woord uit den Eersten Brief aan de Corinthiërs (4. 5) : « Oordeelt niet vóór den tijd » opmerkt. — Een tweede graad bestaat hierin, dat iemand, op grond van lichte aanwijzingen, de boosheid van een ander voor zeker aanziet. En wanneer het gaat om een belangrijke aangelegenheid, is dit doodzonde, voor zoover dit het verachten van den naaste insluit: daarom voegt de Glossa eraan toe: « Hoewel wij de verdenking niet kunnen vermijden, daar wij menschen zijn, toch moeten wij ons onthouden van te oordeelen, d. i. van vaste en onherroepelijke meeningen te vormen ». — De derde graad bestaat hierin, dat een rechter op grond van verdenking overgaat tot het veroordeelen van iemand. Dit valt rechtstreeks onder de onrechtvaardigheid, en daarom is het doodzonde.Nu zijn er drie graden van verdenking. De eerste, wanneer een mens, op grond van nietige aanwijzingen, aan de goedheid van een ander begint te twijfelen. Dit is een dagelijkse, een lichte zonde: want “dit valt onder de menselijke bekoring, zonder dewelke dit leven niet geleid wordt”, zoals de Glossa 91bij dit woord uit de Eerste Brief aan de Korintiërs (4, 5): “Oordeelt niet vóór de tijd” opmerkt. — Een tweede graad bestaat hierin, dat iemand, op grond van lichte aanwijzingen, de boosheid van een ander voor zeker aanziet. En wanneer het gaat om een belangrijke aangelegenheid, is dit doodzonde, voor zover dit het verachten van de naaste insluit: daarom voegt de Glossa eraan toe: “Hoewel wij de verdenking niet kunnen vermijden, daar wij mensen zijn, toch moeten wij ons onthouden van te oordelen, d.i. van vaste en onherroepelijke meningen te vormen”. — De derde graad bestaat hierin, dat een rechter op grond van verdenking overgaat tot het veroordelen van iemand. Dit valt rechtstreeks onder de onrechtvaardigheid, en daarom is het doodzonde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in humanis actibus invenitur aliqua certitudo, non quidem sicut in demonstrativis, sed secundum quod convenit tali materiae, puta cum aliquid per idoneos testes probatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot de menschelijke handelingen kan men tot eenige zekerheid komen, wel niet tot die, welke uit een strikte bewijsvoering volgt, maar toch tot een welke in zulke aangelegenheden past, b.v. wanneer iets bewezen wordt door geschikte getuigen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot de menselijke handelingen kan men tot enige zekerheid komen, wel niet tot die, welke uit een strikte bewijsvoering volgt, maar toch tot een welke in zulke aangelegenheden past, bv. wanneer iets bewezen wordt door geschikte getuigen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod ex hoc ipso quod aliquis malam opinionem habet de alio, sine causa sufficienti, indebite contemnit ipsum; et ideo injuriatur ei.

2. Door het feit zelf dat iemand, zonder voldoende reden, over een ander kwaad denkt, veracht hij hem op onrechtmatige wijze, en doet hem bijgevolg onrecht aan.

↑ bedenking 3

92Ad tertium dicendum, quod quia justitia et injustitia, est circa exteriores operationes, ut dictum est [q. 58. art. 8 et 10 et 11; q. 59. art. 1. ad 3.], tunc judicium suspiciosum directe ad injustitiam pertinet, quando ad actum exteriorem procedit; et tunc est peccatum mortale, ut dictum est [in corp. art.]. Judicium autem interius pertinet ad justitiam, secundum quod comparatur ad exterius judicium, ut actus interior ad exteriorem, sicut concupiscentia ad fornicationem, et ira ad homicidium.

923. Daar de rechtvaardigheid en de onrechtvaardigheid betrekking hebben op uiterlijke behandelingen, zooals gezegd is (58e Kw. 8e, 10e en 11e Art.; 59e Kw. 1e Art. 3e Antw.), valt het vermetel oordeel rechtstreeks dàn onder de onrechtvaardigheid, wanneer het overgaat tot de uiterlijke handeling. In dat geval is het doodzonde, zooals gezegd is (Leerst.). Het innerlijk oordeel echter valt onder de rechtvaardigheid, voor zoover het in verhouding staat tot het uiterlijk oordeel, als een innerlijke daad tot de uiterlijke; evenals de begeerte zich verhoudt tot de ontucht, en gramschap tot doodslag.923. Daar de rechtvaardigheid en de onrechtvaardigheid betrekking hebben op uiterlijke behandelingen, zoals gezegd is (58e Kw. 8e, 10e en 11e Art.; 59e Kw. 1e Art. 3e Antw.), valt het vermetel oordeel rechtstreeks dàn onder de onrechtvaardigheid, wanneer het overgaat tot de uiterlijke handeling. In dat geval is het doodzonde, zoals gezegd is (Leerst.). Het innerlijk oordeel echter valt onder de rechtvaardigheid, voor zover het in verhouding staat tot het uiterlijk oordeel, als een innerlijke daad tot de uiterlijke; evenals de begeerte zich verhoudt tot de ontucht, en gramschap tot doodslag.

Articulus IV

Utrum dubia sint in meliorem partem interpretanda

IVe Artikel

Moeten twijfelgevallen langs den besten kant worden uitgelegd?Moeten twijfelgevallen langs de beste kant worden uitgelegd?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod dubia non sint in meliorem partem interpretanda: judicium enim magis debet esse de eo, quod in pluribus accidit. Sed in pluribus accidit, quod aliqui male agant, quia « stultorum infinitus est numerus », ut dicitur Eccle. 1. [v. 15] : « Proni enim sunt sensus hominis ad malum ab adolescentia sua », ut dicitur 93Gen. 8. [v. 21]. Ergo dubia magis debemus interpretari in malum, quam in bonum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat twijfelgevallen niet langs den besten kant moeten worden uitgelegd. — 1. Het oordeel moet gelijkvormig zijn aan datgene wat in de meeste gevallen voorkomt. Welnu, het komt in de meeste gevallen voor dat men boos handelt: want « het getal der dwazen is oneindig », zooals we lezen bij den Prediker (1. 15) ; en in het Boek der 93Schepping (8. 21) wordt gezegd: « Want de zinnen van den mensch hellen tot het kwaad, vanaf zijn jeugd ». Twijfelgevallen dus moeten eer in slechten dan in goeden zin worden uitgelegd.Bedenkingen. — Men beweert, dat twijfelgevallen niet langs de beste kant moeten worden uitgelegd. — 1. Het oordeel moet gelijkvormig zijn aan datgene wat in de meeste gevallen voorkomt. Welnu, het komt in de meeste gevallen voor dat men boos handelt: want “het getal van de dwazen is oneindig”, zoals we lezen bij de Prediker (1, 15); en in het Boek van de 93Schepping (8, 21) wordt gezegd: “Want de zinnen van de mens hellen tot het kwaad, vanaf zijn jeugd”. Twijfelgevallen dus moeten eer in slechten dan in goeden zin worden uitgelegd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit [lib. 1. de Doctr. Christ. cap. 27.], quod « ille pie et juste vivit, qui rerum integer est aestimator », in neutram partem declinando. Sed ille qui interpretatur in melius quod dubium est, declinat in alteram partem. Ergo hoc non est faciendum.

2. Augustinus zegt dat « hij die de dingen gaaf weet te beoordeelen, goed en rechtvaardig leeft », want hij helt niet over naar een van beide kanten. Welnu, hij die een twijfelgeval langs den besten kant uitlegt, helt naar een van beide kanten over. Derhalve mag men dit niet doen.2. Augustinus zegt dat “hij die de dingen gaaf weet te beoordelen, goed en rechtvaardig leeft”, want hij helt niet over naar een van beide kanten. Welnu, hij die een twijfelgeval langs de beste kant uitlegt, helt naar een van beide kanten over. Derhalve mag men dit niet doen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, homo debet diligere proximum, sicut seipsum. Sed circa seipsum homo debet dubia interpretari in pejorem partem, secundum illud Job 9. [v. 28] : « Verebar omnia opera mea ». Ergo videtur, quod ea quae sunt dubia circa proximos, sint in pejorem partem interpretanda.

3. De mensch moet zijn naaste liefhebben gelijk zichzelf. Welnu, met betrekking tot zichzelf moet de mensch de twijfelgevallen langs den slechtsten kant uitleggen, naar het woord uit het Boek Job (9. 28) : « Ik was bevreesd in al mijn werken ». Derhalve lijkt het wel, dat twijfelgevallen, met betrekking tot den naaste, langs den slechtsten kant moeten worden uitgelegd.3. De mens moet zijn naaste liefhebben gelijk zichzelf. Welnu, met betrekking tot zichzelf moet de mens de twijfelgevallen langs de slechtste kant uitleggen, naar het woord uit het Boek Job (9, 28): “Ik was bevreesd in al mijn werken”. Derhalve lijkt het wel, dat twijfelgevallen, met betrekking tot de naaste, langs de slechtste kant moeten worden uitgelegd.

Sed contra est, quod Rom. 14. [v. 3] super illud: « Qui non manducat, manducantem non judicet », dicit Gloss. [ord. Aug.] : « Dubia in meliorem partem sunt interpretanda ».

Daartegenover staat echter, dat de Glossa bij dit woord uit den Brief aan de Romeinen (14. 3) « Wie niet eet, moet geen oordeel vellen over hem die wel eet » doet opmerken dat « twijfelgevallen langs den besten kant moeten worden uitgelegd ».Daartegenover staat echter, dat de Glossa bij dit woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 3) “Wie niet eet, moet geen oordeel vellen over hem die wel eet” doet opmerken dat “twijfelgevallen langs de beste kant moeten worden uitgelegd”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec., ad 2.], ex hoc ipso quod aliquis habet malam opinionem de alio absque sufficienti 94causa, injuriatur ei, et contemnit ipsum. Nullus autem debet alium contemnere, vel nocumentum quodcumque inferre absque causa cogente. Et ideo ubi non apparent manifesta indicia de malitia alicujus, debemus eum ut bonum habere, in meliorem partem interpretando quod dubium est.

Leerstelling. — Door het feit, dat iemand, zonder voldoende reden, kwaad denkt over iemand, doet hij hem onrecht 94en veracht hij hem, zooals gezegd werd (vorig Art. 2e Antw.). Niemand nu mag, zonder dwingende reden, iemand verachten, of hem gelijk welk letsel toebrengen. En daar waar geen klaarblijkende teekenen zijn van iemands boosheid, moeten wij goed over hem denken en wat twijfelachtig is langs den besten kant uitleggen.Leerstelling. — Door het feit, dat iemand, zonder voldoende reden, kwaad denkt over iemand, doet hij hem onrecht 94en veracht hij hem, zoals gezegd werd (vorig Art. 2e Antw.). Niemand nu mag, zonder dwingende reden, iemand verachten, of hem gelijk welk letsel toebrengen. En daar waar geen klaarblijkende tekenen zijn van iemands boosheid, moeten wij goed over hem denken en wat twijfelachtig is langs de beste kant uitleggen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod potest contingere, quod ille qui in meliorem partem interpretatur, frequentius fallitur. Sed melius est, quod aliquis frequenter fallatur, habens bonam opinionem de aliquo malo homine, quam quod rarius fallatur, habens malam opinionem de aliquo homine bono, quia ex hoc fit injuria alicui, non autem ex primo.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het kan voorkomen dat hij, die alles ten beste uitlegt, zich zeer dikwijls vergist. Maar het is beter, dat iemand zich dikwijls vergist door een goede meening te hebben over een boos mensch, dan dat hij zich minder vaak zou vergissen, wijl hij van een goed mensch kwaad denkt: want in dit laatste wordt onrecht aangedaan aan iemand, niet echter in het eerste.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het kan voorkomen dat hij, die alles ten beste uitlegt, zich zeer dikwijls vergist. Maar het is beter, dat iemand zich dikwijls vergist door een goede mening te hebben over een boos mens, dan dat hij zich minder vaak zou vergissen, wijl hij van een goed mens kwaad denkt: want in dit laatste wordt onrecht aangedaan aan iemand, niet echter in het eerste.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod aliud est judicare de rebus, et aliud de hominibus. In judicio enim, in quo de rebus judicamus, non attenditur bonum vel malum ex parte ipsius rei, de qua judicamus, cui nihil nocet qualitercumque judicemus de ipsa, sed attenditur ibi solum bonum judicantis, si vere judicet, vel malum, si falso, quia « verum est bonum intellectus, falsum autem est malum ipsius », ut dicitur in 6. Ethic. [cap. 2. et lib. 4. 95Metaphys. cap. 4.]. Et ideo unusquisque debet niti ad hoc quod de rebus judicet, secundum quod sunt. Sed in judicio, quo judicamus de hominibus, praecipue attenditur bonum et malum ex parte ejus, de quo judicatur, qui hoc ipso honorabilis habetur, quod bonus judicatur, ut contemptibilis, si judicetur malus. Et ideo ad hoc potius tendere debemus in tali judicio, quod hominem judicemus bonum, nisi manifesta ratio in contrarium appareat. Ipsi autem homini judicanti falsum, judicium quo bene judicat de alio, non pertinet ad malum intellectus ipsius, sicut nec ad ejus perfectionem pertinet secundum se cognoscere veritatem singularium contingentium, sed magis pertinet ad bonum affectum.

2. Oordeelen over zaken is niet hetzelfde als oordeelen over menschen. In het oordeel, dat wij over zaken uitspreken, komt het goed of het kwaad van de zaak zelf waarover wij oordeelen niet in aanmerking — het schaadt immers niet aan die zaak, hoe wij ook erover oordeelen — maar wat belang heeft is hier enkel het goed van hem die oordeelt, indien zijn oordeel waar is, of het kwaad, indien zijn oordeel valsch is: want « de waarheid is het goede van het verstand, het valsche echter is er het kwade 95van » zooals gezegd wordt in de Ethica. En daarom moet iedereen er naar trachten over de zaken te oordeelen zooals ze zijn. — In het oordeel echter, dat wij over menschen uitspreken, komt vooral het goede of het kwaad van hem over wien wij oordeelen in aanmerking, want het is eervol voor hem, dat hij als goed beoordeeld wordt, en verachtelijk indien men slecht over hem oordeelt. En daarom moeten wij, in zulk oordeel, er eerder naar streven om den mensch als goed te beoordeelen, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt. Voor hem nu die oordeelt is het valsche oordeel waardoor hij iemand als goed beoordeelt, geen kwaad voor zijn verstand, evenmin als het uiteraard tot zijn volmaaktheid behoort de waarheid van de singuliere wisselvalligheden te kennen. Zulk oordeel is veeleer het teeken van een goed gemoed.2. Oordelen over zaken is niet hetzelfde als oordelen over mensen. In het oordeel, dat wij over zaken uitspreken, komt het goed of het kwaad van de zaak zelf waarover wij oordelen niet in aanmerking — het schaadt immers niet aan die zaak, hoe wij ook erover oordelen — maar wat belang heeft is hier enkel het goed van hem die oordeelt, indien zijn oordeel waar is, of het kwaad, indien zijn oordeel vals is: want “de waarheid is het goede van het verstand, het valse echter is er het kwade 95van” zoals gezegd wordt in de Ethica. En daarom moet iedereen er naar trachten over de zaken te oordelen zoals ze zijn. — In het oordeel echter, dat wij over mensen uitspreken, komt vooral het goede of het kwaad van hem over wie wij oordelen in aanmerking, want het is eervol voor hem, dat hij als goed beoordeeld wordt, en verachtelijk indien men slecht over hem oordeelt. En daarom moeten wij, in zulk oordeel, er eerder naar streven om de mens als goed te beoordelen, tenzij het tegendeel duidelijk blijkt. Voor hem nu die oordeelt is het valse oordeel waardoor hij iemand als goed beoordeelt, geen kwaad voor zijn verstand, evenmin als het uiteraard tot zijn volmaaktheid behoort de waarheid van de singuliere wisselvalligheden te kennen. Zulk oordeel is veeleer het teken van een goed gemoed.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod interpretari aliquid in deteriorem vel meliorem partem, contingit dupliciter; uno modo per quamdam suppositionem, et sic, cum debemus aliquibus malis adhibere remedium, sive nostris, sive alienis, expedit ad hoc ut securius remedium apponatur, quod supponatur id quod est deterius, quia remedium, quod est efficax contra majus malum, multo magis est efficax contra minus malum. Alio modo 96interpretamur aliquid in bonum, vel malum, diffiniendo sive determinando, et sic in rerum judicio debet aliquis niti ad hoc ut interpretetur unumquodque, secundum quod est; in judicio autem personarum, ut interpretetur in melius, sicut dictum est [in corp. art. et ad 2.].

3. Iets langs den goeden of den slechten kant uitleggen gebeurt op twee manieren. Ten eerste, door veronderstelling. Wanneer wij b.v. voor sommige ziekten — laat ze dan de onze zijn of die van een ander — een geneesmiddel moeten aanwenden, dan is het voordeelig de ziekte erger te veronderstellen dan zij is, want een geneesmiddel, dat krachtdadig inwerkt op een zwaardere ziekte, zal voor een lichtere ongesteldheid nog veel meer afdoende zijn. — Ten tweede kunnen wij door bepaling of 96vaststelling, iets langs den goeden of den slechten kant uitleggen. En zoo moet men, in zijn oordeel over zaken, trachten naar een verklaring overeenkomstig met wat is; in de persoonsbeoordeeling echter, naar den besten uitleg, zooals gezegd is (in de Leerst. en 2e Antw.).3. Iets langs de goeden of de slechte kant uitleggen gebeurt op twee manieren. Ten eerste, door veronderstelling. Wanneer wij bv. voor sommige ziekten — laat ze dan de onze zijn of die van een ander — een geneesmiddel moeten aanwenden, dan is het voordelig de ziekte erger te veronderstellen dan zij is, want een geneesmiddel, dat krachtdadig inwerkt op een zwaardere ziekte, zal voor een lichtere ongesteldheid nog veel meer afdoende zijn. — Ten tweede kunnen wij door bepaling of 96vaststelling, iets langs de goeden of de slechte kant uitleggen. En zo moet men, in zijn oordeel over zaken, trachten naar een verklaring overeenkomstig met wat is; in de persoonsbeoordeling echter, naar de beste uitleg, zoals gezegd is (in de Leerst. en 2e Antw.).

Articulus V

Utrum sit semper secundum leges scriptas judicandum

Ve Artikel

Moet men altijd overeenkomstig de geschreven wetten oordeelen?Moet men altijd overeenkomstig de geschreven wetten oordelen?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod non sit semper secundum leges scriptas judicandum: semper enim vitandum est injustum judicium. Sed quandoque leges scriptae continent injustitiam, secundum illud Isa. 10. [v. 1] : « Vae qui condunt leges iniquas, et scribentes injustitiam scripserunt ». Ergo non semper est secundum leges scriptas judicandum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten moet geoordeeld worden. — 1. Het onrechtvaardig oordeel moet altijd vermeden worden. Soms echter bevatten de geschreven wetten een onrechtvaardigheid, naar het woord van Isaïas (10. 1) : « Wee hun, die onrechtvaardige wetten maken, en als zij schrijven, ongerechtigheid schrijven ». Derhalve moet niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten geoordeeld worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten moet geoordeeld worden. — 1. Het onrechtvaardig oordeel moet altijd vermeden worden. Soms echter bevatten de geschreven wetten een onrechtvaardigheid, naar het woord van Jesaja (10, 1): “Wee hun, die onrechtvaardige wetten maken, en als zij schrijven, ongerechtigheid schrijven”. Derhalve moet niet altijd overeenkomstig de geschreven wetten geoordeeld worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, judicium oportet esse de singularibus eventibus. Sed nulla lex scripta potest omnes singulares eventus comprehendere, ut patet 97per Philosophum in 5. Ethic. [cap. 10.]. Ergo videtur, quod non semper sit secundum leges scriptas judicandum.

2. Het oordeel slaat op afzonderlijke gebeurtenissen. Welnu, geen enkele geschreven wet kan alle afzonderlijke 97gebeurtenissen omvatten, zooals blijkt bij den Wijsgeer. Derhalve schijnt men niet altijd te moeten oordeelen overeenkomstig de geschreven wetten.2. Het oordeel slaat op afzonderlijke gebeurtenissen. Welnu, geen enkele geschreven wet kan alle afzonderlijke 97gebeurtenissen omvatten, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Derhalve schijnt men niet altijd te moeten oordelen overeenkomstig de geschreven wetten.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, lex ad hoc scribitur, ut sententia legislatoris manifestetur. Sed quandoque contingit, quod si ipse legislator praesens esset, aliter judicaret. Ergo non est semper secundum leges scriptas judicandum.

3. De wet wordt neergeschreven om de beslissing van den wetgever te openbaren. Nu gebeurt het soms dat de wetgever zelf, indien hij tegenwoordig was geweest, anders zou hebben geoordeeld. Dus moet men niet altijd overeenkomstig de geschreven wet oordeelen.3. De wet wordt neergeschreven om de beslissing van de wetgever te openbaren. Nu gebeurt het soms dat de wetgever zelf, indien hij tegenwoordig was geweest, anders zou hebben geoordeeld. Dus moet men niet altijd overeenkomstig de geschreven wet oordelen.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Ver. Relig. [cap. 31.] : « In istis temporalibus legibus, quamquam de his homines judicent, cum eas instituerint, tamen cum fuerint institutae et firmatae, non licebit judicibus de ipsis judicare, sed secundum ipsas ».

Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Hoewel de menschen over tijdelijke wetten mogen oordeelen wanneer zij ze invoeren, toch mogen de rechters, wanneer zij eenmaal ingevoerd zijn, die wetten niet meer beoordeelen, maar enkel in overeenstemming ermee hun oordeel vellen ».Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Hoewel de mensen over tijdelijke wetten mogen oordelen wanneer zij ze invoeren, toch mogen de rechters, wanneer zij eenmaal ingevoerd zijn, die wetten niet meer beoordelen, maar enkel in overeenstemming ermee hun oordeel vellen”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. 1.], judicium nihil aliud est, quam quaedam diffinitio vel determinatio ejus quod justum est. Fit autem aliquid justum dupliciter: uno modo ex ipsa natura rei, quod dicitur jus naturale; alio modo ex quodam condicto inter homines, quod dicitur jus positivum, ut supra habitum est [q. 57. art. 2.]. Leges 98autem scribuntur ad utriusque juris declarationem, aliter tamen, et aliter, nam legis scriptura jus quidem naturale continet, sed non instituit: non enim habet robur ex lege, sed ex natura; jus autem positivum scriptura legis et continet, et instituit, dans ei auctoritatis robur. Et ideo necesse est, quod judicium fiat secundum legis scripturam, alioquin judicium deficeret vel a justo naturali, vel a justo positivo.

Leerstelling. — Zooals gezegd werd (1e Art.) is het oordeel niets anders dan een bepalen of vaststellen van wat recht is. Het recht nu wordt op twee manieren bepaald: ten eerste, uit de natuur van de zaak zelf, en dit noemt men natuurrecht; ten tweede, krachtens een of andere overeenkomst tusschen de menschen, en dit noemt men positief recht, zooals boven (57e Kw. 982e Art.) gezegd is. Wetten nu worden neergeschreven ter verklaring van dat dubbele recht, hoewel niet op dezelfde manier. Immers, de geschreven wet omvat wel het natuurrecht, maar stelt het niet in: want het ontleent zijn kracht niet aan de wet, maar aan de natuur. Het positief recht echter is in de geschreven wet bevat, wordt er door ingesteld en ontleent er zijn gezag aan. Bijgevolg moet het oordeel noodzakelijk in overeenstemming zijn met de geschreven wet, want zonder dat zou het ofwel van het natuurrecht, ofwel van het positief recht afwijken.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (1e Art.) is het oordeel niets anders dan een bepalen of vaststellen van wat recht is. Het recht nu wordt op twee manieren bepaald: ten eerste, uit de natuur van de zaak zelf, en dit noemt men natuurrecht; ten tweede, krachtens een of andere overeenkomst tussen de mensen, en dit noemt men positief recht, zoals boven (57e Kw. 982e Art.) gezegd is. Wetten nu worden neergeschreven ter verklaring van dat dubbele recht, hoewel niet op dezelfde manier. Immers, de geschreven wet omvat wel het natuurrecht, maar stelt het niet in: want het ontleent zijn kracht niet aan de wet, maar aan de natuur. Het positief recht echter is in de geschreven wet bevat, wordt er door ingesteld en ontleent er zijn gezag aan. Bijgevolg moet het oordeel noodzakelijk in overeenstemming zijn met de geschreven wet, want zonder dat zou het ofwel van het natuurrecht, ofwel van het positief recht afwijken.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod lex scripta, sicut non dat robur juri naturali, ita nec potest ejus robur minuere vel auferre, quia nec voluntas hominis potest immutare naturam. Et ideo si scriptura legis contineat aliquid contra jus naturale, injusta est, nec habet vim obligandi: ibi enim jus positivum locum habet, ubi quantum ad jus naturale « nihil differt, utrum sic vel aliter fiat », sicut supra habitum est [ibid. ad 2.]. Et ideo nec tales scripturae leges dicuntur, sed potius legis corruptiones, ut supra dictum est [1-2. q. 95. art. 2.] ; et ideo secundum eas non est judicandum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenmin als de geschreven wet aan het natuurrecht zijn kracht geeft, evenmin vermindert of ontneemt zij die kracht, want de wil van den mensch kan de natuur niet veranderen. En wanneer bijgevolg de geschreven wet iets bevat wat strijdig is met het natuurrecht, is zij onrechtvaardig en heeft zij geen kracht van verplichting. Immers, dààr alleen kan sprake zijn van positief recht, waar het, met betrekking tot het natuurrecht « onverschillig is of iets zoo of anders gebeurt », zooals boven (57e Kw. 2e Art. 2e Antw.) gezegd is. Daarom heeten zulke geschriften geen wetten, maar veeleer vervalschingen van de wet, zooals boven (I. II. 95e Kw. 2e Art.) gezegd is. Hierom mag men overeenkomstig daarmee niet oordeelen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenmin als de geschreven wet aan het natuurrecht zijn kracht geeft, evenmin vermindert of ontneemt zij die kracht, want de wil van de mens kan de natuur niet veranderen. En wanneer bijgevolg de geschreven wet iets bevat wat strijdig is met het natuurrecht, is zij onrechtvaardig en heeft zij geen kracht van verplichting. Immers, dààr alleen kan sprake zijn van positief recht, waar het, met betrekking tot het natuurrecht “onverschillig is of iets zo of anders gebeurt”, zoals boven (57e Kw. 2e Art. 2e Antw.) gezegd is. Daarom heten zulke geschriften geen wetten, maar veeleer vervalsingen van de wet, zoals boven (1-2 95e Kw. 2e Art.) gezegd is. Hierom mag men overeenkomstig daarmee niet oordelen.

↑ bedenking 2

99Ad secundum dicendum, quod, sicut leges iniquae secundum se contrariantur juri naturali, vel semper, vel ut in pluribus, ita etiam leges, quae sunt recte positae, in aliquibus casibus deficiunt, in quibus si servarentur, essent contra jus naturale.

992. Zooals onrechtvaardige wetten uiteraard altijd of in de meeste gevallen strijdig zijn met het natuurrecht, evenzoo kunnen rechtvaardig-gestelde wetten in sommige gevallen te kort schieten, zoodat, indien ze onderhouden werden, dit strijdig zou zijn met het natuurrecht.992. Zoals onrechtvaardige wetten uiteraard altijd of in de meeste gevallen strijdig zijn met het natuurrecht, evenzo kunnen rechtvaardig-gestelde wetten in sommige gevallen te kort schieten, zodat, indien ze onderhouden werden, dit strijdig zou zijn met het natuurrecht.

Et ideo in talibus non est secundum litteram legis judicandum, sed recurrendum ad aequitatem, quam intendit legislator. Unde Jurisperitus dicit [Dig. I. 3. De Lege; Senatus-cons. 25.] : « Nulla ratio juris aut aequitatis benignitas patitur, ut quae salubriter pro utilitate hominum introducuntur, ea nos duriore interpretatione contra ipsorum commodum producamus ad severitatem ». Et in talibus etiam legislator aliter judicaret; et si considerasset, lege determinasset.

Bijgevolg moet men in zulke gevallen niet naar de letter van de wet oordeelen, maar zijn toevlucht nemen tot de billijkheid, die door den wetgever bedoeld werd. Daarom zegt de Rechtsgeleerde: « Noch de natuur van het recht, noch de goedwillige rechtgeaardheid dulden, dat wij datgene, wat tot het welzijn van de menschen heilzaam werd ingevoerd, door een te harde verklaring, in hun nadeel tot gestrengheid zouden opdrijven ». In dergelijke aangelegenheden zou ook de wetgever anders oordeelen, en indien hij eraan had gedacht zou hij het door de wet bepaald hebben.Bijgevolg moet men in zulke gevallen niet naar de letter van de wet oordelen, maar zijn toevlucht nemen tot de billijkheid, die door de wetgever bedoeld werd. Daarom zegt de Rechtsgeleerde: “Noch de natuur van het recht, noch de goedwillige rechtgeaardheid dulden, dat wij datgene, wat tot het welzijn van de mensen heilzaam werd ingevoerd, door een te harde verklaring, in hun nadeel tot gestrengheid zouden opdrijven”. In dergelijke aangelegenheden zou ook de wetgever anders oordelen, en indien hij eraan had gedacht zou hij het door de wet bepaald hebben.

↑ bedenking 3

Et per hoc patet responsio ad tertium.

Hieruit blijkt ook het antwoord op de derde bedenking.

Articulus VI

Utrum judicium per usurpationem reddatur perversum

[Infr. q. 67. art. 1; Ad Rom. cap. 14. lect. 1.]
VIe Artikel

Ontaardt het oordeel door gezagsaanmatiging?

antwoord 1 ↓

100Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod judicium per usurpationem non reddatur perversum: justitia enim est rectitudo quaedam in agendis. Sed nihil deperit veritati, a quocumque dicatur, sed a quocumque est accipienda. Ergo etiam nihil deperit justitiae, a quocumque justum determinetur, quod pertinet ad rationem judicii.

100Bedenkingen. — Men beweert, dat het oordeel door gezagsaanmatiging niet ontaardt. — 1. Rechtvaardigheid immers behelst een zekere rechtgeordenheid in de handelingen. Welnu, de waarheid wordt niet verminderd door hem die ze uitspreekt, wie hij ook zij, maar van gelijk wien moet men ze aanvaarden. Derhalve wordt ook de rechtvaardigheid niet verminkt door hem die het recht bepaalt, wie hij ook weze: en dat behoort tot de natuur van het oordeel.100Bedenkingen. — Men beweert, dat het oordeel door gezagsaanmatiging niet ontaardt. — 1. Rechtvaardigheid immers behelst een zekere rechtgeordenheid in de handelingen. Welnu, de waarheid wordt niet verminderd door hem die ze uitspreekt, wie hij ook zij, maar van gelijk wie moet men ze aanvaarden. Derhalve wordt ook de rechtvaardigheid niet verminkt door hem die het recht bepaalt, wie hij ook weze: en dat behoort tot de natuur van het oordeel.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, peccata punire ad judicium pertinet. Sed aliqui laudabiliter leguntur peccata punisse, qui tamen auctoritatem non habebant super illos, quos puniebant, sicut Moyses occidendo Aegyptium, ut habetur Exod. 2. [v. 11], et Phinees filius Eleazari Zambri filium Salumi, ut legitur Num. 25. [v. 7], « et reputatum est ei ad justitiam », ut 101dicitur in Psal. 105. [v. 31]. Ergo usurpatio judicii non pertinet ad injustitiam.

2. De zonde straffen valt onder het oordeel. Welnu, van sommigen lezen wij, in lovende bewoordingen, dat zij de zonden straften, hoewel zij toch geen gezag hadden over hen die zij straften: zoo wordt Moses geloofd omdat hij den Egyptenaar had gedood, zooals het Boek van den Uittocht (2. 11) verhaalt; en Phineës, zoon van Eleazar, wijl hij Zamri, zoon van Salu het leven benam, zooals wij lezen in het Boek der Getallen (25. 7) ; « en dit werd hem aangerekend tot gerechtigheid » gelijk 101het Boek der Psalmen (105. 31) zegt. Zich een oordeel aanmatigen is dus geen onrechtvaardigheid.2. De zonde straffen valt onder het oordeel. Welnu, van sommigen lezen wij, in lovende bewoordingen, dat zij de zonden straften, hoewel zij toch geen gezag hadden over hen die zij straften: zo wordt Moses geloofd omdat hij de Egyptenaar had gedood, zoals het Boek van de Uittocht (2, 11) verhaalt; en Pinechas, zoon van Eleazar, wijl hij Zamri, zoon van Salu het leven benam, zoals wij lezen in het Boek van de Getallen (25, 7); “en dit werd hem aangerekend tot gerechtigheid” gelijk 101het Boek van de Psalmen (105, 31)a zegt. Zich een oordeel aanmatigen is dus geen onrechtvaardigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, potestas spiritualis distinguitur a temporali. Sed quandoque Praelati habentes spiritualem potestatem intromittunt se de his, quae pertinent ad saecularem potestatem. Ergo usurpatum judicium non est illicitum.

3. De geestelijke macht is van de tijdelijke onderscheiden. Nu komt het soms voor dat kerkelijke oversten die geestelijke macht bezitten, zich inmengen in aangelegenheden, die onder de tijdelijke macht vallen. Derhalve is het aangematigd oordeel niet onwettig.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, sicut ad recte judicandum requiritur auctoritas, ita etiam et justitia judicantis, et scientia, ut ex supradictis patet [art. 1. ad 1 et 3; art. 2.]. Sed non dicitur judicium esse injustum, si aliquis judicet non habens habitum justitiae, vel non habens scientiam juris. Ergo etiam neque judicium usurpatum, quod fit per defectum auctoritatis, semper erit injustum.

4. Evenals gezag zijn ook rechtvaardigheid en kennis vereischt om juist te oordeelen, zooals blijkt uit het voorgaande (1e Art. 1e en 3e Antw.; 2e Art.). Nu wordt het oordeel niet onrechtvaardig genoemd wanneer hij die oordeelt noch de deugd van rechtvaardigheid, noch de kennis van het recht bezit. Derhalve zal ook een aanmatigend oordeel, dat gemis aan gezag veronderstelt, niet altijd onrechtvaardig zijn.4. Evenals gezag zijn ook rechtvaardigheid en kennis vereist om juist te oordelen, zoals blijkt uit het voorgaande (1e Art. 1e en 3e Antw.; 2e Art.). Nu wordt het oordeel niet onrechtvaardig genoemd wanneer hij die oordeelt noch de deugd van rechtvaardigheid, noch de kennis van het recht bezit. Derhalve zal ook een aanmatigend oordeel, dat gemis aan gezag veronderstelt, niet altijd onrechtvaardig zijn.

Sed contra est, quod dicitur Rom. 14. [v. 4] : « Tu quis es, qui judicas alienum servum? »

Daartegenover staat echter het woord uit den Brief aan de Romeinen (14. 4) « Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over een andermans dienstknecht ».Daartegenover staat echter het woord uit de Brief aan de Romeinen (14, 4) “Wie zijt ge dan wel, die een oordeel velt over een andermans dienstknecht”.

Respondeo dicendum, quod cum judicium sit ferendum secundum leges scriptas, ut dictum est [art. praec.], ille qui judicium fert, legis dictum 102quodammodo interpretatur, applicando ipsum ad particulare negotium. Cum autem ejusdem auctoritatis sit legem interpretari, et legem condere, sicut lex condi non potest nisi publica auctoritate, ita nec judicium ferri potest nisi publica auctoritate; quae quidem se extendit ad eos, qui communitati subduntur. Et ideo sicut injustum esset, ut aliquis constringeret alium ad legem servandam, quae non esset publica auctoritate sancita, ita etiam injustum est, si quis compellat aliquem ferre judicium, quod publica auctoritate non fertur.

Leerstelling. — Daar een oordeel moet geveld worden overeenkomstig de geschreven wetten, zooals gezegd is (vorig 102Art.), verklaart hij die een oordeel velt eenigszins het woord van de wet, door haar toe te passen op een bijzondere aangelegenheid. Aan hetzelfde gezag komt het toe de wet te verklaren en uit te vaardigen. Zooals dus de wet niet kan worden uitgevaardigd tenzij door het openbaar gezag, zoo ook kan een oordeel alleen worden geveld door het openbaar gezag, dat zich ten andere uitstrekt tot allen, die aan de gemeenschap onderworpen zijn. En evenals het onrechtvaardig zou zijn wanneer iemand een ander zou dwingen tot het naleven van een wet, die niet door het openbaar gezag bekrachtigd is, evenzoo is het onrechtvaardig wanneer iemand een ander zou dwingen tot het ondergaan van een oordeel, dat niet door het openbaar gezag uitgesproken is.Leerstelling. — Daar een oordeel moet geveld worden overeenkomstig de geschreven wetten, zoals gezegd is (vorig 102Art.), verklaart hij die een oordeel velt enigszins het woord van de wet, door haar toe te passen op een bijzondere aangelegenheid. Aan hetzelfde gezag komt het toe de wet te verklaren en uit te vaardigen. Zoals dus de wet niet kan worden uitgevaardigd tenzij door het openbaar gezag, zo ook kan een oordeel alleen worden geveld door het openbaar gezag, dat zich ten andere uitstrekt tot allen, die aan de gemeenschap onderworpen zijn. En evenals het onrechtvaardig zou zijn wanneer iemand een ander zou dwingen tot het naleven van een wet, die niet door het openbaar gezag bekrachtigd is, evenzo is het onrechtvaardig wanneer iemand een ander zou dwingen tot het ondergaan van een oordeel, dat niet door het openbaar gezag uitgesproken is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod pronuntiatio veritatis non importat compulsionem ad hoc quod suscipiatur, sed liberum est unicuique eam recipere vel non recipere, prout vult. Sed judicium importat quamdam impulsionem et ideo injustum est, quod aliquis judicetur ab eo, qui publicam auctoritatem non habet.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het uitspreken van een waarheid sluit geen dwang in tot het aanvaarden ervan, maar het staat iedereen vrij haar naar goeddunken aan te nemen of niet. Het oordeel echter sluit een zekeren dwang in. En daarom is het onrechtvaardig, dat iemand beoordeeld wordt door hem, die geen drager is van openbaar gezag.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod Moyses videtur Aegyptium occidisse, quasi ex inspiratione divina auctoritatem adeptus, ut videtur per hoc quod dicitur Act. 7. [v. 25] quod « percusso Aegyptio, aestimabat Moyses 103intelligere fratres suos, quoniam Dominus per manum ipsius daret salutem Israël », vel potest dici, quod Moyses occidit Aegyptium, defendendo eum qui injuriam patiebatur, cum moderamine inculpatae tutelae, unde Ambrosius dicit in lib. 1. de Off. [cap. 36.], quod « qui non repellit injuriam a socio, cum potest, tam est in vitio, quam ille qui facit », et inducit exemplum Moysi; vel potest dici, sicut dicit Augustinus in QQ. Exodi [lib. 2. q. 2.], quod « sicut terra ante utilia semina herbarum inutilium fertilitate laudatur, sic illud Moysi factum vitiosum quidem fuit, sed magnae fertilitatis signum gerebat », inquantum scilicet erat signum virtutis ejus, qua populum liberaturus erat.

2. Het lijkt wel dat Moses den Egyptenaar doodde, als had hij bij goddelijke ingeving gezag hiertoe ontvangen, zooals de Handelingen der Apostelen (7. 25) schijnen te zeggen in dit 103woord: « Door den Egyptenaar neer te slaan meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God aan Israël redding bracht door zijn hand ». — Ook kan men zeggen dat Moses den Egyptenaar doodde om iemand die onrecht leed te verdedigen naar de eischen van een gematigde rechtvaardige bescherming. Daarom zegt Ambrosius dat « hij die zijn makker niet beschermt tegen onrecht, wanneer het hem mogelijk is, even schuldig is als hij die het onrecht pleegt », en dan haalt hij het voorbeeld van Moses aan. — Men kan ook nog met Augustinus zeggen dat « evenals de aarde, vóór het ontvangen van nuttig zaad, geprezen wordt om haar vruchtbaarheid in het voortbrengen van onnuttig gewas, evenzoo was die daad van Moses zondig, maar tevens een teeken van groote vruchtbaarheid », voor zoover zij nl. teeken was van de kracht, waardoor hij zijn volk zou verlossen.2. Het lijkt wel dat Moses de Egyptenaar doodde, als had hij bij goddelijke ingeving gezag hiertoe ontvangen, zoals de Handelingen van de Apostelen (7, 25) schijnen te zeggen in dit 103woord: “Door de Egyptenaar neer te slaan meende hij, dat de broeders zouden begrijpen, dat God aan Israël redding bracht door zijn hand”. — Ook kan men zeggen dat Moses de Egyptenaar doodde om iemand die onrecht leed te verdedigen naar de eisen van een gematigde rechtvaardige bescherming. Daarom zegt Ambrosius dat “hij die zijn makker niet beschermt tegen onrecht, wanneer het hem mogelijk is, even schuldig is als hij die het onrecht pleegt”, en dan haalt hij het voorbeeld van Moses aan. — Men kan ook nog met Augustinus zeggen dat “evenals de aarde, vóór het ontvangen van nuttig zaad, geprezen wordt om haar vruchtbaarheid in het voortbrengen van onnuttig gewas, evenzo was die daad van Moses zondig, maar tevens een teken van grote vruchtbaarheid”, voor zover zij nl. teken was van de kracht, waardoor hij zijn volk zou verlossen.

De Phinees autem dicendum est, quod ex inspiratione divina zelo Dei commotus hoc fecit, vel quia licet nondum esset summus Sacerdos, erat tamen filius summi Sacerdotis; et ad eum hoc judicium pertinebat, sicut et ad alios Judices, quibus hoc erat praeceptum.

Over Phineës echter moet men zeggen, dat hij handelde door goddelijke ingeving, aangezet door zijn ijver voor God. — Ofwel dat hij de zoon was van den hoogepriester (hoewel hij zelf nog geen hoogepriester was), en dat het oordeel hem toekwam zooals aan de andere rechters aan wie dit opgelegd was.Over Pinechas echter moet men zeggen, dat hij handelde door goddelijke ingeving, aangezet door zijn ijver voor God. — Ofwel dat hij de zoon was van de hogepriester (hoewel hij zelf nog geen hogepriester was), en dat het oordeel hem toekwam zoals aan de andere rechters aan wie dit opgelegd was.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod potestas saecularis subditur spirituali, sicut corpus animae, et ideo non est usurpatum judicium, si spiritualis praelatus 104se intromittat de temporalibus quantum ad ea, in quibus subditur ei saecularis potestas, vel quae ei a saeculari potestate relinquuntur.

3. De wereldlijke macht is aan de geestelijke onderworpen zooals de ziel aan het lichaam. En daarom is er geen sprake van aangematigd oordeel wanneer een geestelijke overste zich inmengt 104in tijdelijke zaken, met betrekking tot die aangelegenheden waarin de wereldlijke macht hem onderworpen is, of die door de wereldlijke macht aan hem overgelaten worden.3. De wereldlijke macht is aan de geestelijke onderworpen zoals de ziel aan het lichaam. En daarom is er geen sprake van aangematigd oordeel wanneer een geestelijke overste zich inmengt 104in tijdelijke zaken, met betrekking tot die aangelegenheden waarin de wereldlijke macht hem onderworpen is, of die door de wereldlijke macht aan hem overgelaten worden.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod habitus scientiae et justitiae sunt perfectiones singularis personae, et ideo per eorum defectum non dicitur usurpatum judicium, sicut per defectum publicae auctoritatis, ex qua judicium vim coactivam habet.

4. Kennis en rechtvaardigheid zijn volmaaktheden van den enkeling; en daarom is er, bij gebrek er aan, geen sprake van aangematigd oordeel, zooals bij gebrek aan openbaar gezag waaraan het oordeel zijn dwingende kracht ontleent.4. Kennis en rechtvaardigheid zijn volmaaktheden van de enkeling; en daarom is er, bij gebrek er aan, geen sprake van aangematigd oordeel, zoals bij gebrek aan openbaar gezag waaraan het oordeel zijn dwingende kracht ontleent.