De injustitia in quatuor articulos divisa
Over de onrechtvaardigheid
64Deinde considerandum est de injustitia.
64Hierna moeten wij de onrechtvaardigheid gaan beschouwen.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum injustitia sit speciale vitium. — 2. Utrum injusta agere sit proprium injusti. — 3. Utrum aliquis possit injustum pati volens. — 4. Utrum injustitia ex suo genere sit peccatum mortale.
Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd? 2. Is het eigen aan den onrechtvaardige, onrechtvaardige daden te stellen? 3. Kan iemand willens onrecht lijden? 4. Is onrechtvaardigheid uiteraard doodzonde?Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd? 2. Is het eigen aan de onrechtvaardige, onrechtvaardige daden te stellen? 3. Kan iemand willens onrecht lijden? 4. Is onrechtvaardigheid uiteraard doodzonde?
Utrum injustitia sit vitium speciale
Is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod injustitia non sit vitium 65speciale: dicitur enim 1. Joan. 3. [v. 4] : « Omne peccatum est iniquitas ». Sed iniquitas videtur idem esse quod injustitia: quia justitia est aequalitas quaedam, unde injustitia idem videtur esse quod inaequalitas, sive iniquitas. Ergo injustitia non est speciale peccatum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de onrechtvaardigheid 65geen speciale ondeugd is. — 1. In den Eersten Brief van Joannes (3. 4) wordt gezegd: « Alle zonde is ongerechtigheid ». Welnu, ongerechtigheid lijkt wel hetzelfde als onrechtvaardigheid: want rechtvaardigheid is een zekere gelijkheid, en daarom lijkt de onrechtvaardigheid hetzelfde te zijn als ongelijkheid of ongerechtigheid. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat de onrechtvaardigheid 65geen speciale ondeugd is. — 1. In de Eerste Brief van Johannes (3, 4) wordt gezegd: “Alle zonde is ongerechtigheid”. Welnu, ongerechtigheid lijkt wel hetzelfde als onrechtvaardigheid: want rechtvaardigheid is een zekere gelijkheid, en daarom lijkt de onrechtvaardigheid hetzelfde te zijn als ongelijkheid of ongerechtigheid. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.
2. Praeterea, nullum speciale peccatum opponitur omnibus virtutibus. Sed injustitia opponitur omnibus virtutibus, nam quantum ad adulterium opponitur castitati; quantum ad homicidium opponitur mansuetudini; et sic de aliis. Ergo injustitia non est speciale peccatum.
2. Geen enkele speciale zonde wordt aan alle deugden tegengesteld. Welnu, de onrechtvaardigheid wordt aan alle deugden tegengesteld: want met betrekking tot overspel staat zij tegenover de zuiverheid; met betrekking tot doodslag tegenover de zachtmoedigheid; en evenzoo voor de andere deugden. Dus is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.2. Geen enkele speciale zonde wordt aan alle deugden tegengesteld. Welnu, de onrechtvaardigheid wordt aan alle deugden tegengesteld: want met betrekking tot overspel staat zij tegenover de zuiverheid; met betrekking tot doodslag tegenover de zachtmoedigheid; en evenzo voor de andere deugden. Dus is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.
3. Praeterea, injustitia justitiae opponitur, quae in voluntate est. Sed « omne peccatum est in voluntate », ut Augustinus dicit [lib. de Duab. Animab. cap. 10.]. Ergo injustitia non est speciale peccatum.
3. De onrechtvaardigheid staat tegenover de rechtvaardigheid, die door den wil gedragen wordt. Welnu, « elke zonde is in den wil », zooals Augustinus zegt. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.3. De onrechtvaardigheid staat tegenover de rechtvaardigheid, die door de wil gedragen wordt. Welnu, “elke zonde is in de wil”, zoals Augustinus zegt. Derhalve is de onrechtvaardigheid geen speciale ondeugd.
Sed contra est, quod injustitia justitiae opponitur. Sed justitia est specialis virtus. Ergo injustitia est speciale vitium.
Daartegenover staat echter, dat de onrechtvaardigheid aan de rechtvaardigheid wordt tegengesteld. Welnu, de rechtvaardigheid is een speciale deugd. Bijgevolg is de onrechtvaardigheid een speciale ondeugd.
66Respondeo dicendum, quod injustitia est duplex: una quidem illegalis, quae opponitur legali justitiae; et haec quidem secundum essentiam est speciale vitium, inquantum respicit speciale objectum, scilicet bonum commune, quod contemnit. Sed quantum ad intentionem est vitium generale, quia per contemptum boni communis potest homo ad omnia peccata deduci; sicut etiam omnia vitia, inquantum repugnant bono communi, injustitiae habent rationem, quasi ab injustitia derivata, sicut et supra de justitia dictum est [q. 58. art. 5. et 6.].
66Leerstelling. — Er bestaat een dubbele onrechtvaardigheid. Ten eerste, de onwettelijke, die aan de wettelijke rechtvaardigheid tegengesteld is. Deze nu is, naar den aard zelf, een speciale ondeugd, voor zoover zij een speciaal voorwerp heeft, nl. het algemeen welzijn, dat zij veracht. Wat echter de bedoeling betreft is zij een algemeene ondeugd: want het verachten van het algemeen welzijn kan den mensch tot alle zonden brengen. Zoo ook zijn alle ondeugden, voor zoover zij strijdig zijn met het algemeen welzijn, in zekeren zin onrechtvaardigheid, als van de onrechtvaardigheid voortkomend, zooals boven over de rechtvaardigheid gezegd is (58e Kw. 5e en 6e Art.).66Leerstelling. — Er bestaat een dubbele onrechtvaardigheid. Ten eerste, de onwettelijke, die aan de wettelijke rechtvaardigheid tegengesteld is. Deze nu is, naar de aard zelf, een speciale ondeugd, voor zover zij een speciaal voorwerp heeft, nl. het algemeen welzijn, dat zij veracht. Wat echter de bedoeling betreft is zij een algemene ondeugd: want het verachten van het algemeen welzijn kan de mens tot alle zonden brengen. Zo ook zijn alle ondeugden, voor zover zij strijdig zijn met het algemeen welzijn, in zekeren zin onrechtvaardigheid, als van de onrechtvaardigheid voortkomend, zoals boven over de rechtvaardigheid gezegd is (58e Kw. 5e en 6e Art.).
Alio modo dicitur injustitia secundum inaequalitatem quamdam ad alterum, prout scilicet homo vult habere plus de bonis, puta divitiis et honoribus, et minus de malis, puta laboribus et damnis; et sic injustitia habet materiam specialem, et est particulare vitium, justitiae particulari oppositum.
Ten tweede spreekt men van onrechtvaardigheid, met het oog op een ongelijkheid tegenover een ander: voor zoover nl. de mensch meer goederen wil bezitten, b.v. rijkdom en eer, en minder van het kwade te lijden wil hebben, b.v. lasten en verlies. En op die wijze heeft de onrechtvaardigheid een speciaal gebied, en is zij een speciale ondeugd, aan de bijzondere rechtvaardigheid tegengesteld.Ten tweede spreekt men van onrechtvaardigheid, met het oog op een ongelijkheid tegenover een ander: voor zover nl. de mens meer goederen wil bezitten, bv. rijkdom en eer, en minder van het kwade te lijden wil hebben, bv. lasten en verlies. En op die wijze heeft de onrechtvaardigheid een speciaal gebied, en is zij een speciale ondeugd, aan de bijzondere rechtvaardigheid tegengesteld.
Ad primum ergo dicendum, quod sicut justitia legalis dicitur per comparationem ad bonum commune humanum, ita justitia divina dicitur per 67comparationem ad bonum divinum, cui repugnat omne peccatum; et secundum hoc omne peccatum dicitur esse iniquitas.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals men van wettelijke rechtvaardigheid spreekt met betrekking tot het menschelijk algemeen welzijn, zoo ook spreekt men van goddelijke 67rechtvaardigheid met betrekking tot het goddelijk goed waarmee iedere zonde strijdig is. En daarom wordt iedere zonde een ongerechtigheid genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals men van wettelijke rechtvaardigheid spreekt met betrekking tot het menselijk algemeen welzijn, zo ook spreekt men van goddelijke 67rechtvaardigheid met betrekking tot het goddelijk goed waarmee iedere zonde strijdig is. En daarom wordt iedere zonde een ongerechtigheid genoemd.
Ad secundum dicendum, quod injustitia etiam particularis opponitur indirecte omnibus virtutibus, inquantum scilicet exteriores etiam actus pertinent et ad justitiam, et ad alias virtutes morales, licet diversimode, sicut supra dictum est [q. 58. art. 9. ad 2.].
2. Ook de bijzondere onrechtvaardigheid is onrechtstreeks strijdig met alle deugden, voor zoover nl. ook de uiterlijke daden zoowel bij de rechtvaardigheid als bij de andere deugden behooren, hoewel op verschillende wijze, zooals vroeger gezegd is (58e Kw. 9e Art. 2e Antw.).2. Ook de bijzondere onrechtvaardigheid is onrechtstreeks strijdig met alle deugden, voor zover nl. ook de uiterlijke daden zowel bij de rechtvaardigheid als bij de andere deugden behoren, hoewel op verschillende wijze, zoals vroeger gezegd is (58e Kw. 9e Art. 2e Antw.).
Ad tertium dicendum, quod voluntas, sicut et ratio se extendit ad materiam totam moralem, scilicet ad passiones et ad operationes exteriores, quae sunt ad alterum; sed justitia perficit voluntatem solum secundum quod se extendit ad operationes, quae sunt ad alterum; et similiter injustitia.
3. Evenals de rede strekt ook de wil zich uit tot heel het gebied van de zedelijkheid, d. i. tot de hartstochten en tot de uiterlijke handelingen, die zich tot een ander verhouden. De rechtvaardigheid echter vervolmaakt den wil alleen voor zoover hij zich uitstrekt tot de handelingen, die verhouding tot een ander insluiten. En zoo ook de onrechtvaardigheid.3. Evenals de rede strekt ook de wil zich uit tot heel het gebied van de zedelijkheid, d.i. tot de hartstochten en tot de uiterlijke handelingen, die zich tot een ander verhouden. De rechtvaardigheid echter vervolmaakt de wil alleen voor zover hij zich uitstrekt tot de handelingen, die verhouding tot een ander insluiten. En zo ook de onrechtvaardigheid.
Utrum aliquis dicatur injustus ex hoc, quod facit injustum
Wordt iemand onrechtvaardig genoemd omdat hij iets onrechtvaardigs doet?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod aliquis dicatur injustus 68ex hoc, quod facit injustum: habitus enim specificantur per objecta, ut ex supra dictis patet [1-2. q. 54. art. 2.]. Sed proprium objectum justitiae est justum, et proprium objectum injustitiae est injustum. Ergo et justus dicendus est aliquis ex hoc quod facit justum, et injustus hoc quod facit injustum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand onrechtvaardig genoemd wordt omdat hij iets onrechtvaardigs doet. — 1. Een 68hebbelijkheid wordt soortelijk bepaald door het voorwerp, zooals blijkt uit wat vroeger gezegd is (I. II. 54e Kw. 2e Art.). Welnu, het eigen voorwerp van de rechtvaardigheid is het recht, en het eigen voorwerp van de onrechtvaardigheid is het onrecht. Daarom moet men iemand rechtvaardig noemen, omdat hij iets rechtvaardigs doet, en onrechtvaardig omdat hij iets onrechtvaardigs doet.Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand onrechtvaardig genoemd wordt omdat hij iets onrechtvaardigs doet. — 1. Een 68hebbelijkheid wordt soortelijk bepaald door het voorwerp, zoals blijkt uit wat vroeger gezegd is (1-2 54e Kw. 2e Art.). Welnu, het eigen voorwerp van de rechtvaardigheid is het recht, en het eigen voorwerp van de onrechtvaardigheid is het onrecht. Daarom moet men iemand rechtvaardig noemen, omdat hij iets rechtvaardigs doet, en onrechtvaardig omdat hij iets onrechtvaardigs doet.
2. Praeterea, Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 9.] falsam esse opinionem quorumdam, qui aestimant in potestate hominis esse ut statim faciat injustum; et quod justus non possit minus facere injustum, quam injustus. Hoc autem non esset, nisi facere injustum esset proprium injusti. Ergo aliquis judicandus est injustus ex hoc, quod facit injustum.
2. De Wijsgeer zegt dat de meening van hen die denken dat het in het vermogen van den mensch ligt om onmiddellijk onrecht te plegen, en de rechtvaardige niet minder onrechtvaardig kan handelen dan de onrechtvaardige, valsch is. Dit nu zou niet het geval zijn indien het niet eigen was aan den onrechtvaardige onrecht te plegen. Dus moet iemand onrechtvaardig genoemd worden, door het feit dat hij onrecht pleegt.2. De Wijsgeer zegt dat de mening van hen die denken dat het in het vermogen van de mens ligt om onmiddellijk onrecht te plegen, en de rechtvaardige niet minder onrechtvaardig kan handelen dan de onrechtvaardige, vals is. Dit nu zou niet het geval zijn indien het niet eigen was aan de onrechtvaardige onrecht te plegen. Dus moet iemand onrechtvaardig genoemd worden, door het feit dat hij onrecht pleegt.
3. Praeterea, eodem modo se habet omnis virtus ad proprium actum, et eadem ratio est de vitiis oppositis. Sed quicumque facit aliquid intemperatum, dicitur intemperatus. Ergo quicumque facit aliquid injustum, dicitur injustus.
3. Alle deugden verhouden zich op dezelfde wijze tot hun eigen daad; en hetzelfde geldt voor de tegengestelde ondeugden. Welnu, alwie zich aan onmatigheid schuldig maakt wordt een onmatige genoemd. Derhalve wordt al wie een onrechtvaardigheid begaat onrechtvaardig genoemd.
Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 6.], quod « aliquis facit injustum, et injustus non est ».
Daartegenover staat echter wat de Wijsgeer zegt: « Iemand begaat een onrechtvaardigheid, en is toch geen onrechtvaardige ».Daartegenover staat echter wat de Wijsgeer zegt: “Iemand begaat een onrechtvaardigheid, en is toch geen onrechtvaardige”.
69Respondeo dicendum, quod sicut objectum justitiae est aliquid aequale in rebus exterioribus, ita etiam objectum injustitiae est aliquid inaequale, prout scilicet alicui attribuitur plus, vel minus, quam sibi competat. Ad hoc autem objectum comparatur habitus injustitiae mediante proprio actu, qui vocatur injustificatio. Potest ergo contingere, quod qui facit injustum, non est injustus, dupliciter: uno modo propter defectum comparationis ipsius operationis ad proprium objectum; quae quidem recipit speciem et nomen a per se objecto, non autem ab objecto per accidens. In his autem, quae sunt propter finem, per se dicitur aliquid, quod est intentum; per accidens autem, quod est praeter intentionem. Et ideo si aliquis faciat aliquid, quod est injustum, non intendens injustum facere, puta cum hoc facit per ignorantiam, non aestimans se injustum facere, tunc non facit injustum, per se et formaliter loquendo, sed solum per accidens, et quasi materialiter faciens id quod est injustum; unde et talis operatio non denominatur injustificatio.
69Leerstelling. — Zooals een zekere gelijkheid tusschen uiterlijke zaken voorwerp is van de rechtvaardigheid, zoo ook is het voorwerp van de onrechtvaardigheid een zekere ongelijkheid, voor zoover nl. aan iemand meer of minder wordt toegekend dan hem toekomt. Op dit voorwerp nu wordt de onrechtvaardigheid gericht door haar eigen daad, die onrecht plegen heet. Het kan dus op twee wijzen gebeuren, dat iemand, die een onrechtvaardigheid begaat, niet onrechtvaardig is: ten eerste, bij gebrek aan verhouding van de daad tot het eigen voorwerp; de daad immers wordt soortelijk bepaald door wat uiteraard haar voorwerp is, en niet door een toevallig voorwerp. In dingen nu die om een doel zijn, is datgene wat bedoeld wordt uiteraard en dat wat buiten de bedoeling valt toevallig. En bijgevolg, wanneer nu iemand iets doet dat onrechtvaardig is, maar niet bedoelt onrecht te plegen — b.v. wanneer hij dit doet uit onwetendheid en niet meent onrecht te plegen — dan begaat hij niet uiteraard en formeel gesproken een onrechtvaardigheid, maar doet alleen toevallig en in materieelen zin iets onrechtvaardigs. Zulke handeling wordt niet als onrecht plegen bestempeld.69Leerstelling. — Zoals een zekere gelijkheid tussen uiterlijke zaken voorwerp is van de rechtvaardigheid, zo ook is het voorwerp van de onrechtvaardigheid een zekere ongelijkheid, voor zover nl. aan iemand meer of minder wordt toegekend dan hem toekomt. Op dit voorwerp nu wordt de onrechtvaardigheid gericht door haar eigen daad, die onrecht plegen heet. Het kan dus op twee wijzen gebeuren, dat iemand, die een onrechtvaardigheid begaat, niet onrechtvaardig is: ten eerste, bij gebrek aan verhouding van de daad tot het eigen voorwerp; de daad immers wordt soortelijk bepaald door wat uiteraard haar voorwerp is, en niet door een toevallig voorwerp. In dingen nu die om een doel zijn, is datgene wat bedoeld wordt uiteraard en dat wat buiten de bedoeling valt toevallig. En bijgevolg, wanneer nu iemand iets doet dat onrechtvaardig is, maar niet bedoelt onrecht te plegen — bv. wanneer hij dit doet uit onwetendheid en niet meent onrecht te plegen — dan begaat hij niet uiteraard en formeel gesproken een onrechtvaardigheid, maar doet alleen toevallig en in materiële zin iets onrechtvaardigs. Zulke handeling wordt niet als onrecht plegen bestempeld.
Alio modo potest contingere propter defectum comparationis 70ipsius operationis ad habitum: potest enim injustificatio procedere, quandoque quidem ex aliqua passione, puta irae, vel concupiscentiae; quandoque autem ex electione, quando scilicet ipsa injustificatio per se placet; et tunc proprie procedit ab habitu, quia unicuique habenti aliquem habitum est secundum se acceptum, quod convenit illi habitui. Facere ergo injustum ex intentione et electione est proprium injusti, secundum quod injustus dicitur, qui habet injustitiae habitum; sed facere injustum praeter intentionem vel ex passione potest aliquis absque habitu injustitiae.
Ten tweede kan zooiets gebeuren, bij gebrek aan verhouding van de handeling tot de hebbelijkheid. Onrecht plegen kan immers soms voortkomen uit een of andere hartstocht, b.v. uit 70gramschap of begeerlijkheid; soms echter uit vrije keuze, dan nl. wanneer onrecht plegen uiteraard behaagt; en in dat geval komt de handeling in eigenlijken zin voort uit de hebbelijkheid, want voor hem die een hebbelijkheid bezit is al wat met die hebbelijkheid in overeenstemming is, uiteraard behaaglijk. — Met bedoeling en uit vrije keuze onrechtvaardigheid plegen is derhalve eigen aan den onrechtvaardige, omdat men hem onrechtvaardig noemt, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid bezit. Maar onrechtvaardigheid plegen zonder bedoeling, of uit hartstocht, kan ook iemand, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid niet heeft.Ten tweede kan zoiets gebeuren, bij gebrek aan verhouding van de handeling tot de hebbelijkheid. Onrecht plegen kan immers soms voortkomen uit een of andere hartstocht, bv. uit 70gramschap of begeerlijkheid; soms echter uit vrije keuze, dan nl. wanneer onrecht plegen uiteraard behaagt; en in dat geval komt de handeling in eigenlijke zin voort uit de hebbelijkheid, want voor hem die een hebbelijkheid bezit is al wat met die hebbelijkheid in overeenstemming is, uiteraard behaaglijk. — Met bedoeling en uit vrije keuze onrechtvaardigheid plegen is derhalve eigen aan de onrechtvaardige, omdat men hem onrechtvaardig noemt, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid bezit. Maar onrechtvaardigheid plegen zonder bedoeling, of uit hartstocht, kan ook iemand, die de hebbelijkheid van onrechtvaardigheid niet heeft.
Ad primum ergo dicendum, quod objectum per se et formaliter acceptum specificat habitum; non autem prout accipitur materialiter et per accidens.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat uiteraard en formeel, niet echter wat in materieelen zin en toevallig voorwerp is, geeft aan de hebbelijkheid haar soortelijke bepaling.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wat uiteraard en formeel, niet echter wat in materiële zin en toevallig voorwerp is, geeft aan de hebbelijkheid haar soortelijke bepaling.
Ad secundum dicendum, quod non est facile cuiquam facere injustum ex electione, quasi aliquid per se placens, et non propter aliud; sed hoc proprium est habentis habitum, ut ibidem Philosophus dicit.
2. Het is voor iedereen niet gemakkelijk uit vrije keuze onrecht te plegen, als iets waar men uiteraard en niet om een andere reden behagen in vindt; dit is echter eigen aan hem die de ondeugd van onrechtvaardigheid bezit, zooals de Wijsgeer zegt.2. Het is voor iedereen niet gemakkelijk uit vrije keuze onrecht te plegen, als iets waar men uiteraard en niet om een andere reden behagen in vindt; dit is echter eigen aan hem die de ondeugd van onrechtvaardigheid bezit, zoals de Wijsgeer zegt.
Ad tertium dicendum, quod objectum temperantiae non est aliquid exterius constitutum, sicut objectum justitiae, sed objectum temperantiae, 71idest temperatum, accipitur solum in comparatione ad ipsum hominem; et ideo quod est per accidens et praeter intentionem, non potest dici temperatum, nec materialiter, nec formaliter; et similiter neque intemperatum. Et quantum ad hoc est dissimile in justitia et in aliis virtutibus moralibus; sed quantum ad comparationem operationis ad habitum, in omnibus similiter se habet.
3. Het voorwerp van de matigheid is niet een uitwendig bestaande zaak, zooals het voorwerp van de rechtvaardigheid; maar het voorwerp van de matigheid, nl. het matige, is alleen 71denkbaar met betrekking tot den mensch zelf. En daarom kan datgene wat toevallig is en buiten de bedoeling ligt noch in materieelen, noch in formeelen zin matig worden genoemd; en hetzelfde geldt voor het onmatige. Met betrekking hiertoe is er verschil tusschen de rechtvaardigheid en de andere zedelijke deugden. De verhouding echter van de daad tot de hebbelijkheid is voor alle deugden dezelfde.3. Het voorwerp van de matigheid is niet een uitwendig bestaande zaak, zoals het voorwerp van de rechtvaardigheid; maar het voorwerp van de matigheid, nl. het matige, is alleen 71denkbaar met betrekking tot de mens zelf. En daarom kan datgene wat toevallig is en buiten de bedoeling ligt noch in materiëlen, noch in formelen zin matig worden genoemd; en hetzelfde geldt voor het onmatige. Met betrekking hiertoe is er verschil tussen de rechtvaardigheid en de andere zedelijke deugden. De verhouding echter van de daad tot de hebbelijkheid is voor alle deugden dezelfde.
Utrum aliquis possit pati injustum volens
Kan iemand willens onrecht lijden?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod aliquis possit pati injustum volens: injustum enim est inaequale, ut dictum est [art. praec.]. Sed aliquis laedendo seipsum recedit ab aequalitate, sicut et laedendo alium. Ergo aliquis potest sibi ipsi facere injustum, sicut et alteri. Sed quicumque facit sibi injustum, volens facit. Ergo aliquis volens potest pati injustum, maxime a seipso.
Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand willens onrecht kan lijden. — 1. Onrecht immers is iets ongelijks, zooals gezegd is (vorig Art.). Iemand nu die zichzelf schade doet wijkt van de gelijkheid af, evenals wanneer hij iemand anders schade berokkent. Dus kan iemand onrecht plegen tegenover zichzelf, evengoed als tegenover een ander. Welnu, alwie onrecht pleegt doet het willens. Dus kan iemand, voornamelijk door zichzelf, willens onrecht lijden.Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand willens onrecht kan lijden. — 1. Onrecht immers is iets ongelijks, zoals gezegd is (vorig Art.). Iemand nu die zichzelf schade doet wijkt van de gelijkheid af, evenals wanneer hij iemand anders schade berokkent. Dus kan iemand onrecht plegen tegenover zichzelf, evengoed als tegenover een ander. Welnu, alwie onrecht pleegt doet het willens. Dus kan iemand, voornamelijk door zichzelf, willens onrecht lijden.
722. Praeterea, nullus secundum legem civilem punitur, nisi propter hoc quod facit aliquam injustitiam. Sed illi qui interimunt seipsos, puniuntur, secundum leges civitatum in hoc, quod privabantur antiquitus honore sepulturae, ut patet per Philosophum in 5. Ethic. [cap. 11.]. Ergo aliquis potest facere sibi ipsi injustum, et ita contingit, quod aliquis injustum patiatur volens.
722. Niemand wordt door de burgerlijke wet gestraft tenzij om het plegen van onrecht. Welnu, zij die zichzelf het leven benemen worden door de staatswetten gestraft, in dien zin, dat men, in de oudheid, hun de eer der begrafenis ontzegde, zooals blijkt bij den Wijsgeer. Dus kan iemand zichzelf onrecht aandoen. En zoo komt het voor, dat iemand willens onrecht lijdt.722. Niemand wordt door de burgerlijke wet gestraft tenzij om het plegen van onrecht. Welnu, zij die zichzelf het leven benemen worden door de staatswetten gestraft, in die zin, dat men, in de oudheid, hun de eer van de begrafenis ontzegde, zoals blijkt bij de Wijsgeer. Dus kan iemand zichzelf onrecht aandoen. En zo komt het voor, dat iemand willens onrecht lijdt.
3. Praeterea, nullus facit injustum, nisi alicui patienti injustum. Sed contingit, quod aliquis faciat injustum alicui hoc volenti, puta si vendat ei rem carius, quam valeat. Ergo contingit aliquem volentem aliquid injustum pati.
3. Niemand pleegt onrecht, tenzij tegenover iemand die dat onrecht lijdt. Welnu, het gebeurt dat iemand onrecht pleegt tegenover een ander, die daarmee instemt, b.v. wanneer hij hem iets verkoopt boven de waarde. Derhalve komt het voor dat iemand willens onrecht lijdt.3. Niemand pleegt onrecht, tenzij tegenover iemand die dat onrecht lijdt. Welnu, het gebeurt dat iemand onrecht pleegt tegenover een ander, die daarmee instemt, bv. wanneer hij hem iets verkoopt boven de waarde. Derhalve komt het voor dat iemand willens onrecht lijdt.
Sed contra est, quod injustum pati est oppositum ei, quod est injustum facere. Sed nullus facit injustum nisi volens. Ergo per oppositum nullus patitur injustum nisi nolens.
Daartegenover staat echter, dat onrecht lijden het tegenovergestelde is van onrecht plegen. Welnu, niemand pleegt onrecht tenzij willens. In tegenovergestelden zin dus kan niemand onrecht lijden tenzij onwillens.Daartegenover staat echter, dat onrecht lijden het tegenovergestelde is van onrecht plegen. Welnu, niemand pleegt onrecht tenzij willens. In tegenovergestelde zin dus kan niemand onrecht lijden tenzij onwillens.
Respondeo dicendum, quod actio de sui ratione procedit ab agente; passio autem secundum propriam rationem est ab alio; unde non potest esse idem secundum idem agens et patiens, ut dicitur in 3. Physic. 73[cap. 1.] et in 8. [cap. 5.]. Principium autem proprium agendi in hominibus est voluntas, et ideo illud proprie et per se homo facit, quod volens facit; et e contrario illud proprie homo patitur, quod praeter voluntatem suam patitur, quia inquantum est volens, principium est ex seipso; et ideo, inquantum est hujusmodi, magis est agens, quam patiens.
Leerstelling. — Het handelen komt uiteraard voort van het handelend subject; het ondergaan echter, in eigenlijken zin genomen, komt van een ander voort; daarom kan eenzelfde subject, ten opzichte van hetzelfde, niet tegelijk handelend 73optreden en ondergaan, zooals in de Physica gezegd wordt. In den mensch nu is de wil het eigenlijk beginsel van handeling. En daarom doet de mensch, in eigenlijken zin en uiteraard, datgene wat hij willens doet: en omgekeerd ondergaat de mensch, in eigenlijken zin, datgene wat hij buiten zijn wil om ondergaat; want voor zoover hij willens handelt, is het beginsel van handeling iets in hem; en daarom is hij, als zoodanig veeleer handelend dan lijdend subject.Leerstelling. — Het handelen komt uiteraard voort van het handelend subject; het ondergaan echter, in eigenlijke zin genomen, komt van een ander voort; daarom kan eenzelfde subject, ten opzichte van hetzelfde, niet tegelijk handelend 73optreden en ondergaan, zoals in de Fysica gezegd wordt. In de mens nu is de wil het eigenlijk beginsel van handeling. En daarom doet de mens, in eigenlijke zin en uiteraard, datgene wat hij willens doet: en omgekeerd ondergaat de mens, in eigenlijke zin, datgene wat hij buiten zijn wil om ondergaat; want voor zover hij willens handelt, is het beginsel van handeling iets in hem; en daarom is hij, als zodanig veeleer handelend dan lijdend subject.
Dicendum est ergo, quod injustum, per se et formaliter loquendo, nullus potest facere nisi volens, nec pati nisi nolens; per accidens autem, et quasi materialiter loquendo, potest aliquis id, quod est de se injustum, vel facere nolens, sicut cum quis praeter intentionem operatur, vel pati volens, sicut cum aliquis plus alteri dat sua voluntate, quam debeat.
Daarom moet men zeggen, dat niemand iets uiteraard en formeel onrechtvaardigs kan begaan, tenzij willens, en evenmin ondergaan tenzij buiten zijn wil om. Toevallig echter en in materieelen zin, kan iemand iets uiteraard onrechtvaardigs doen buiten zijn wil om, zooals b.v. wanneer iemand iets doet zonder bedoeling; ofwel willens ondergaan, zooals b.v. wanneer iemand willens aan een ander meer geeft dan hij hem verschuldigd is.Daarom moet men zeggen, dat niemand iets uiteraard en formeel onrechtvaardigs kan begaan, tenzij willens, en evenmin ondergaan tenzij buiten zijn wil om. Toevallig echter en in materiële zin, kan iemand iets uiteraard onrechtvaardigs doen buiten zijn wil om, zoals bv. wanneer iemand iets doet zonder bedoeling; ofwel willens ondergaan, zoals bv. wanneer iemand willens aan een ander meer geeft dan hij hem verschuldigd is.
Ad primum ergo dicendum, quod cum aliquis sua voluntate dat alicui id, quod ei non debet, non facit nec injustitiam, nec inaequalitatem: homo enim per suam voluntatem possidet res; et ita non est praeter proportionem, si ei aliquid subtrahatur secundum propriam voluntatem, vel a seipso, vel ab alio.
Antwoord op de Bedenkingen. — Wanneer iemand willens aan een ander iets geeft wat hij hem niet schuldig is, pleegt hij noch onrecht noch ongelijkheid. Door zijn wil immers bezit de mensch eigendom: en zoodoende is het niet onevenredig wanneer hem willens iets wordt ontnomen, hetzij door hemzelf, hetzij door een ander.Antwoord op de Bedenkingen. — Wanneer iemand willens aan een ander iets geeft wat hij hem niet schuldig is, pleegt hij noch onrecht noch ongelijkheid. Door zijn wil immers bezit de mens eigendom: en zodoende is het niet onevenredig wanneer hem willens iets wordt ontnomen, hetzij door hemzelf, hetzij door een ander.
74Ad secundum dicendum, quod aliqua persona singularis potest dupliciter considerari: uno modo secundum se, et sic si sibi aliquod nocumentum inferat, potest quidem habere rationem alterius peccati, puta intemperantiae, vel imprudentiae, non tamen rationem injustitiae, quia sicut justitia semper est ad alterum, ita et injustitia. Alio modo potest considerari aliquis homo, inquantum est aliquid civitatis, scilicet pars; vel inquantum est aliquid Dei, scilicet creatura et imago; et sic qui seipsum occidit, injuriam quidem facit, non sibi, sed civitati et Deo, et ideo punitur tam secundum legem divinam, quam secundum legem humanam, sicut et de fornicatore Apostolus dicit [1. Cor. 3. v. 17] : « Si quis templum Dei violaverit, disperdet ipsum Deus ».
742. Men kan den enkeling op twee manieren beschouwen. Ten eerste, op zichzelf. Wanneer hij, aldus beschouwd, zichzelf eenig letsel toebrengt, kan dit wel een andere zonde zijn, b.v. van onmatigheid of onbezonnenheid, maar niet een zonde van onrechtvaardigheid: want evenals de rechtvaardigheid, heeft ook de onrechtvaardigheid altijd betrekking op een ander. — Ten tweede kan men een mensch beschouwen als deel van den staat, ofwel als schepsel en beeld van God. En op die wijze doet hij, die zichzelf doodt, zichzelf geen onrecht aan, maar den staat en God. En bijgevolg wordt hij zoowel volgens de goddelijke als volgens de menschelijke wet gestraft, zooals de Apostel over den ontuchtige zegt: « Zoo iemand Gods tempel ten verderve brengt, dan zal God ook hem verderven » (1. Cor. 3. 17).742. Men kan de enkeling op twee manieren beschouwen. Ten eerste, op zichzelf. Wanneer hij, aldus beschouwd, zichzelf enig letsel toebrengt, kan dit wel een andere zonde zijn, bv. van onmatigheid of onbezonnenheid, maar niet een zonde van onrechtvaardigheid: want evenals de rechtvaardigheid, heeft ook de onrechtvaardigheid altijd betrekking op een ander. — Ten tweede kan men een mens beschouwen als deel van de staat, ofwel als schepsel en beeld van God. En op die wijze doet hij, die zichzelf doodt, zichzelf geen onrecht aan, maar de staat en God. En bijgevolg wordt hij zowel volgens de goddelijke als volgens de menselijke wet gestraft, zoals de Apostel over de ontuchtige zegt: “Zo iemand Gods tempel ten verderve brengt, dan zal God ook hem verderven” (1. Kor. 3. 17).
Ad tertium dicendum, quod passio est effectus actionis exterioris. In hoc autem quod est facere et pati injustum, id quod materiale est, attenditur secundum id quod exterius agitur, prout in se consideratur, ut dictum est [art. praec.] ; id autem quod est ibi formale et per se, attenditur secundum voluntatem agentis et patientis, ut ex dictis patet [in corp. et art. praec.]. Dicendum est ergo, quod aliquem facere injustum, et alium 75pati injustum, materialiter loquendo, semper se concomitantur; sed si formaliter loquamur, facere aliquis potest injustum, intendens injustum facere. Tamen alius non patietur injustum, quia volens patietur; et e converso potest aliquis pati injustum, si nolens id quod est injustum, patiatur. Et tamen ille qui hoc facit ignorans, non faciet injustum formaliter, sed materialiter tantum.
3. Het ondergaan is uitwerksel van een uitwendige handeling. Bij het onrecht plegen nu en het onrecht lijden wordt het materieele genomen naar de uiterlijke handeling, voor zoover die op zichzelf wordt beschouwd, zooals gezegd is (vorig Art.) : dat echter wat uiteraard en formeel is wordt genomen met betrekking tot den wil van het handelend en van het lijdend subject, zooals blijkt uit wat gezegd is (Leerst. en vorig Art.). Dus materieel 75gesproken gaan onrecht plegen en onrecht lijden altijd samen. Als men echter formeel spreekt, is het mogelijk, dat de een met bedoeling onrecht pleegt, terwijl de ander toch geen onrecht lijdt, omdat hij het willens ondergaat. En omgekeerd kan iemand onrecht lijden, indien hij het buiten zijn wil ondergaat, terwijl hij die onwetend handelt, niet formeel onrecht pleegt, maar enkel in materieelen zin.3. Het ondergaan is uitwerksel van een uitwendige handeling. Bij het onrecht plegen nu en het onrecht lijden wordt het materiële genomen naar de uiterlijke handeling, voor zover die op zichzelf wordt beschouwd, zoals gezegd is (vorig Art.): dat echter wat uiteraard en formeel is wordt genomen met betrekking tot de wil van het handelend en van het lijdend subject, zoals blijkt uit wat gezegd is (Leerst. en vorig Art.). Dus materieel 75gesproken gaan onrecht plegen en onrecht lijden altijd samen. Als men echter formeel spreekt, is het mogelijk, dat de een met bedoeling onrecht pleegt, terwijl de ander toch geen onrecht lijdt, omdat hij het willens ondergaat. En omgekeerd kan iemand onrecht lijden, indien hij het buiten zijn wil ondergaat, terwijl hij die onwetend handelt, niet formeel onrecht pleegt, maar enkel in materiële zin.
Utrum quicumque facit injustum, peccet mortaliter
Bedrijft al wie onrecht pleegt doodzonde?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod non quicumque facit injustum, peccet mortaliter: peccatum enim veniale mortali opponitur. Sed quandoque veniale peccatum est, quod aliquis faciat injustum: dicit enim Philosophus in 5. Ethic. [cap. 8.] de injusta agentibus loquens: « Quaecumque non solum ignorantes, sed et propter ignorantiam peccant, venialia sunt ». Ergo non quicumque facit injustum, mortaliter peccat.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet ieder die onrecht pleegt doodzonde bedrijft. — 1. Tegenover de doodzonde staat de dagelijksche zonde. Welnu, in sommige gevallen is onrecht plegen alleen dagelijksche zonde. Sprekend over hen die onrecht plegen, zegt de Wijsgeer immers: « Allen die zondigen, niet enkel onwetend, maar ook uit onwetendheid, bedrijven dagelijksche zonde ». Niet ieder dus die onrecht pleegt, bedrijft doodzonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet ieder die onrecht pleegt doodzonde bedrijft. — 1. Tegenover de doodzonde staat de dagelijkse zonde. Welnu, in sommige gevallen is onrecht plegen alleen dagelijkse zonde. Sprekend over hen die onrecht plegen, zegt de Wijsgeer immers: “Allen die zondigen, niet enkel onwetend, maar ook uit onwetendheid, bedrijven dagelijkse zonde”. Niet ieder dus die onrecht pleegt, bedrijft doodzonde.
762. Praeterea, qui in aliquo parvo injustitiam facit, parum a medio declinat. Sed hoc videtur esse tolerabile, et inter minima malorum computendam, ut patet per Philosophum in 2. Ethic. [cap. 9.]. Non ergo quicumque facit injustum, peccat mortaliter.
762. Wie in iets kleins onrecht pleegt, wijkt slechts een weinig af van het midden. Welnu, dit schijnt duldbaar, en tot het allerkleinste kwaad gerekend te moeten worden, zooals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt. Niet ieder dus die onrecht pleegt bedrijft doodzonde.762. Wie in iets kleins onrecht pleegt, wijkt slechts een weinig af van het midden. Welnu, dit schijnt duldbaar, en tot het allerkleinste kwaad gerekend te moeten worden, zoals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt. Niet ieder dus die onrecht pleegt bedrijft doodzonde.
3. Praeterea, charitas est mater omnium virtutum, ex cujus contrarietate aliquod peccatum dicitur mortale. Sed non omnia peccata opposita aliis virtutibus sunt mortalia. Ergo etiam neque facere injustum semper est peccatum mortale.
3. De liefde is de moeder van alle deugden, en in tegenstrijdigheid met haar wordt een zonde doodzonde genoemd. Welnu, niet alle zonden die aan de andere deugden tegengesteld zijn, zijn doodzonde. Derhalve is ook onrecht plegen niet altijd doodzonde.
Sed contra, quidquid est contra legem Dei, est peccatum mortale. Sed quicumque facit injustum, facit contra praeceptum legis Dei, quia vel reducitur ad furtum, vel ad adulterium, vel ad homicidium, vel ad aliquid hujusmodi, ut ex sequentibus patebit [q. 64. et seqq.]. Ergo quicumque facit injustum, peccat mortaliter.
Daartegenover staat echter, dat al wat tegen Gods wet ingaat, doodzonde is. Welnu, hij die onrecht pleegt, handelt tegen het gebod van Gods wet in; want zijn handeling wordt herleid ofwel tot diefstal, ofwel tot overspel, ofwel tot doodslag, of tot iets anders van dien aard, zooals verder zal blijken (64e Kw. en vlg.). Derhalve bedrijft ieder die onrecht pleegt doodzonde.Daartegenover staat echter, dat al wat tegen Gods wet ingaat, doodzonde is. Welnu, hij die onrecht pleegt, handelt tegen het gebod van Gods wet in; want zijn handeling wordt herleid ofwel tot diefstal, ofwel tot overspel, ofwel tot doodslag, of tot iets anders van die aard, zoals verder zal blijken (64e Kw. en vlg.). Derhalve bedrijft ieder die onrecht pleegt doodzonde.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 72. art. 5.], cum de differentia peccatorum ageretur, peccatum mortale est, quod 77contrariatur charitati, per quam est animae vita. Omne autem nocumentum alteri illatum ex se charitati repugnat, quae movet ad volendum bonum alterius; et ideo cum injustitia semper consistat in nocumento alterius, manifestum est, quod facere injustum ex genere suo est peccatum mortale.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (I. II. 72e Kw. 5e Art.), waar het ging over het verschil tusschen de zonden, is de doodzonde tegengesteld aan de liefde, door welke de ziel leeft. Welnu, 77ieder nadeel, dat aan een ander wordt toegebracht, is uiteraard strijdig met de liefde die aanzet om het goed van een ander te willen. En daar de onrechtvaardigheid altijd bestaat in het benadeelen van een ander, is het klaarblijkend, dat onrecht plegen uiteraard doodzonde is.Leerstelling. — Zoals gezegd is (1-2 72e Kw. 5e Art.), waar het ging over het verschil tussen de zonden, is de doodzonde tegengesteld aan de liefde, door welke de ziel leeft. Welnu, 77ieder nadeel, dat aan een ander wordt toegebracht, is uiteraard strijdig met de liefde die aanzet om het goed van een ander te willen. En daar de onrechtvaardigheid altijd bestaat in het benadelen van een ander, is het klaarblijkend, dat onrecht plegen uiteraard doodzonde is.
Ad primum ergo dicendum, quod illud verbum Philosophi intelligitur de ignorantia facit, quam ipse vocat « ignorantiam particularium circumstantiarum », quae meretur veniam; non autem de ignorantia juris, quae non excusat. Qui autem ignorans facit injustum, non facit injustum nisi per accidens, ut supra dictum est [art. 2.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord van den Wijsgeer moet worden begrepen als doelend op de onwetendheid-van-de-feiten, die hijzelf « de onwetendheid betreffende de bijzondere omstandigheden noemt », en die kwijtschelding verdient; niet echter als doelend op de onwetendheid-van-het-recht, waarvoor geen verontschuldiging is. Wie echter uit onwetendheid onrecht pleegt, begaat alleen op toevallige wijze onrecht, zooals boven gezegd is (2e Art.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het woord van de Wijsgeer moet worden begrepen als doelend op de onwetendheid-van-de-feiten, die hijzelf “de onwetendheid betreffende de bijzondere omstandigheden noemt”, en die kwijtschelding verdient; niet echter als doelend op de onwetendheid-van-het-recht, waarvoor geen verontschuldiging is. Wie echter uit onwetendheid onrecht pleegt, begaat alleen op toevallige wijze onrecht, zoals boven gezegd is (2e Art.).
Ad secundum dicendum, quod ille qui in parvis facit injustitiam, deficit a perfecta ratione ejus quod est injustum facere, inquantum potest reputari non esse omnino contra voluntatem ejus, qui hoc patitur, puta si auferat aliquis alicui unum pomum, vel aliquid tale, de quo probabile sit quod ille inde non laedatur, nec ei displiceat,
2. Hij, die in kleine zaken onrecht pleegt, wijkt van den volkomen natuur der onrechtvaardigheid af, voor zoover zulke daad kan doorgaan als niet heelemaal strijdig met den wil van hem, die dat onrecht lijdt, b.v. als iemand aan een ander een appel ontsteelt of iets van dien aard, waarvan het waarschijnlijk is dat hij niet benadeeld wordt, noch dat het hem zal mishagen.2. Hij, die in kleine zaken onrecht pleegt, wijkt van de volkomen natuur van de onrechtvaardigheid af, voor zover zulke daad kan doorgaan als niet helemaal strijdig met de wil van hem, die dat onrecht lijdt, bv. als iemand aan een ander een appel ontsteelt of iets van die aard, waarvan het waarschijnlijk is dat hij niet benadeeld wordt, noch dat het hem zal mishagen.
Ad tertium dicendum, quod peccata, quae sunt contra alias virtutes, 78non semper sunt in nocumentum alterius, sed important inordinationem quamdam circa passiones humanas; unde non est similis ratio.
3. De zonden, die met andere deugden strijdig zijn, benadeelen 78niet altijd een ander, maar sluiten een ongeregeldheid in met betrekking tot de menschelijke hartstochten. Daarom gaat dit argument niet op.3. De zonden, die met andere deugden strijdig zijn, benadelen 78niet altijd een ander, maar sluiten een ongeregeldheid in met betrekking tot de menselijke hartstochten. Daarom gaat dit argument niet op.