De mutilatione membrorum in quatuor articulos divisa1
Over de andere onrechtvaardigheden die tegen den persoon worden bedrevenOver de andere onrechtvaardigheden die tegen de persoon worden bedreven
211Deinde considerandum est de peccatis aliarum injuriarum, quae in personam committuntur.
211Hierna moeten wij de andere zonden van onrechtvaardigheid beschouwen, die tegen den persoon worden bedreven.211Hierna moeten wij de andere zonden van onrechtvaardigheid beschouwen, die tegen de persoon worden bedreven.
Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. De mutilatione membrorum. — 2. De verberatione. — 3. De incarceratione. — 4. Utrum peccatum hujusmodi injuriarum aggravetur ex hoc, quod committitur in personam conjunctam aliis.
Hieromtrent worden vier vragen gesteld: 1. Over de verminking van ledematen. 2. Over lichaamskastijding. 3. Over opsluiting. 4. Worden deze zonden van onrechtvaardigheid zwaarder, door het feit dat zij bedreven worden tegen een persoon, die met anderen verwant is?
Utrum mutilare aliquem membro suo in aliquo casu possit esse licitum
Kan het in een bepaald geval geoorloofd zijn, iemand te verminken in zijn ledematen?
212Ad primum sic proceditur. Videtur, quod mutilare aliquem membro suo in nullo casu possit esse licitum: Damascenus enim dicit in 2. libro [Ort. Fid. cap. 4. et 30. et lib. 4. cap. 20.], quod peccatum committitur per hoc, « quod receditur ab eo quod est secundum naturam, in id quod est contra naturam ». Sed secundum naturam a Deo institutam est, quod corpus hominis sit integrum membris; contra naturam autem est, quod sit membro diminutum. Ergo mutilare aliquem membro, semper videtur esse peccatum.
212Bedenkingen. — Men beweert, dat het in geen enkel geval geoorloofd kan zijn iemand te verminken in zijn ledematen. — 1. Damascenus zegt immers, dat zonde wordt bedreven doordat « men van datgene wat volgens de natuur is afwijkt, naar datgene wat tegen de natuur is ». Welnu, het is volgens de door God ingestelde natuur, dat het lichaam van den mensch al zijn ledematen zou bezitten; het is echter tegen de natuur, dat het beroofd wordt van een lidmaat. Dus schijnt het wel altijd zonde te zijn, iemand te verminken in zijn ledematen.212Bedenkingen. — Men beweert, dat het in geen enkel geval geoorloofd kan zijn iemand te verminken in zijn ledematen. — 1. Damascenus zegt immers, dat zonde wordt bedreven doordat “men van datgene wat volgens de natuur is afwijkt, naar datgene wat tegen de natuur is”. Welnu, het is volgens de door God ingestelde natuur, dat het lichaam van de mens al zijn ledematen zou bezitten; het is echter tegen de natuur, dat het beroofd wordt van een lidmaat. Dus schijnt het wel altijd zonde te zijn, iemand te verminken in zijn ledematen.
2. Praeterea, sicut se habet tota anima ad totum corpus, ita se habent partes animae ad partes corporis, ut dicitur in 2. de Anima [cap. 1.]. Sed non licet aliquem privare anima, occidendo ipsum, nisi publica potestate. 213Ergo etiam non licet aliquem mutilare membro, nisi forte secundum publicam potestatem.
2. Zooals de heele ziel zich verhoudt tot het lichaam, zoo ook verhouden zich de deelen van de ziel tot de lichaamsdeelen, zooals in De Anima gezegd is. Welnu, het is niet geoorloofd iemand van zijn ziel te berooven, door hem om het leven te brengen, tenzij aan de openbare macht. Dus is het ook niet 213geoorloofd iemand te verminken in zijn ledematen, tenzij misschien aan de openbare macht.2. Zoals de hele ziel zich verhoudt tot het lichaam, zo ook verhouden zich de delen van de ziel tot de lichaamsdelen, zoals in De Anima gezegd is. Welnu, het is niet geoorloofd iemand van zijn ziel te beroven, door hem om het leven te brengen, tenzij aan de openbare macht. Dus is het ook niet 213geoorloofd iemand te verminken in zijn ledematen, tenzij misschien aan de openbare macht.
3. Praeterea, salus animae praeferenda est saluti corporali. Sed non licet aliquem mutilare se membro propter salutem animae: puniuntur enim secundum statuta Nicaeni Concilii [part. 1. sect. 4. Can. 1.], qui se castraverunt propter castitatem servandam. Ergo propter nullam causam aliam licet aliquem membro mutilare.
3. Het heil van de ziel moet worden verkozen boven het heil van het lichaam. Welnu, het is aan niemand toegelaten een van zijn eigen ledematen te verminken tot heil van zijn ziel. Volgens de statuten van het Concilie van Nicea worden diegenen gestraft, die zich ontmanden om de zuiverheid te bewaren. Daarom is het om geen enkele reden geoorloofd, iemand te verminken in zijn ledematen.
Sed contra est, quod dicitur Exod. 21. [v. 24] : « Oculum pro oculo, dentem pro dente, manum pro manu, pedem pro pede ».
Daartegenover staat echter, dat in het Boek van den Uittocht (21. 24) gezegd wordt: « Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet ».Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Uittocht (21, 24) gezegd wordt: “Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet”.
Respondeo dicendum, quod cum membrum aliquod sit pars totius humani corporis, est propter totum, sicut imperfectum propter perfectum; unde disponendum est de membro humani corporis, secundum quod expedit toti. Membrum autem humani corporis per se quidem utile est ad bonum totius corporis; per accidens tamen potest contingere, quod sit nocivum, 214puta cum membrum putridum est totius corporis corruptivum. Si ergo membrum sanum fuerit, et in sua naturali dispositione consistens, non potest praescindi absque totius corporis detrimento. Sed quia ipse totus homo ordinatur ut ad finem, ad totam communitatem, cujus est pars, ut supra dictum est [q. 61. art. 1. et q. praec. art. 2. et 5.], potest contingere, quod abscissio membri, etsi vergat in detrimentum totius corporis, ordinatur tamen ad bonum communitatis, inquantum alicui infertur in poenam ad cohibitionem peccatorum. Et ideo sicut per publicam potestatem aliquis licite privatur totaliter vita propter aliquas majores culpas, ita etiam privatur membro propter aliquas culpas minores. Hoc autem non est licitum alicui privatae personae, etiam volente illo, cujus est membrum, quia per hoc fit injuria communitati, cujus est ipse homo, et omnes partes ejus.
Leerstelling. — Daar een lidmaat deel uitmaakt van het heele menschelijke lichaam, is het voor het geheel, zooals het onvolmaakte voor het volmaakte. Vandaar moet men over een lidmaat van het menschelijk lichaam beschikken, naar gelang het voordeelig is voor het geheel. Een lidmaat van het menschelijk lichaam nu is op zichzelf nuttig voor het welzijn van het heele lichaam: toevallig echter kan het voorkomen, dat het schadelijk 214is, b.v. wanneer een lidmaat verdorven is en het heele lichaam aansteekt. Wanneer dus een lidmaat gezond is en in normalen toestand, kan het niet worden afgesneden zonder schade voor den heelen mensch. Daar echter de geheele mensch als naar zijn doel gericht is naar de heele gemeenschap, waarvan hij deel uitmaakt, zooals boven gezegd is (61e Kw. 1e Art.; 64e Kw. 2e en 5e Art.), daarom kan het voorkomen, dat het afsnijden van een lidmaat, hoewel dat schadelijk is voor het heele lichaam, toch verband houdt met het goed van de gemeenschap, voor zoover men het iemand aandoet als straf om de zonde te beletten. En daarom, zooals iemand op wettige wijze door de openbare macht geheel beroofd wordt van zijn leven om aanzienlijke schuld, zoo ook wordt hij beroofd van een lidmaat om minder zware schuld. Dit echter is niet aan een privaat persoon geoorloofd, zelfs niet met inwilliging van hem aan wien het lidmaat toebehoort; want daardoor geschiedt onrecht aan de gemeenschap, waartoe de mensch zelf met al zijn deelen behoort.Leerstelling. — Daar een lidmaat deel uitmaakt van het hele menselijke lichaam, is het voor het geheel, zoals het onvolmaakte voor het volmaakte. Vandaar moet men over een lidmaat van het menselijk lichaam beschikken, naar gelang het voordelig is voor het geheel. Een lidmaat van het menselijk lichaam nu is op zichzelf nuttig voor het welzijn van het hele lichaam: toevallig echter kan het voorkomen, dat het schadelijk 214is, bv. wanneer een lidmaat verdorven is en het hele lichaam aansteekt. Wanneer dus een lidmaat gezond is en in normalen toestand, kan het niet worden afgesneden zonder schade voor de hele mens. Daar echter de gehele mens als naar zijn doel gericht is naar de hele gemeenschap, waarvan hij deel uitmaakt, zoals boven gezegd is (61e Kw. 1e Art.; 64e Kw. 2e en 5e Art.), daarom kan het voorkomen, dat het afsnijden van een lidmaat, hoewel dat schadelijk is voor het hele lichaam, toch verband houdt met het goed van de gemeenschap, voor zover men het iemand aandoet als straf om de zonde te beletten. En daarom, zoals iemand op wettige wijze door de openbare macht geheel beroofd wordt van zijn leven om aanzienlijke schuld, zo ook wordt hij beroofd van een lidmaat om minder zware schuld. Dit echter is niet aan een privaat persoon geoorloofd, zelfs niet met inwilliging van hem aan wie het lidmaat toebehoort; want daardoor geschiedt onrecht aan de gemeenschap, waartoe de mens zelf met al zijn delen behoort.
Si vero membrum propter putredinem sit totius corporis corruptivum, tunc licitum est de voluntate ejus, cujus est membrum, putridum membrum praescindere propter salutem totius corporis, quia unicuique commissa est 215cura propriae salutis. Et eadem ratio est, si fiat voluntate ejus, ad quem pertinet curare de salute ejus, qui habet membrum corruptivum. Aliter autem aliquem membro mutilare est omnino illicitum.
Wanneer een lidmaat, om reden van verderf, het heele lichaam zou aansteken, dan is het, met inwilliging van hem wien het lidmaat behoort, geoorloofd het verdorven lidmaat af te snijden voor het heil van het heele lichaam: want op ieder weegt de zorg voor het eigen heil. En hetzelfde geldt, wanneer het 215geschiedt door den wil van hem, die zorg moet dragen voor het heil van hem, die een verdorven lidmaat heeft. In andere gevallen echter is het heelemaal ongeoorloofd, iemand in zijn ledematen te verminken.Wanneer een lidmaat, om reden van verderf, het hele lichaam zou aansteken, dan is het, met inwilliging van hem wie het lidmaat behoort, geoorloofd het verdorven lidmaat af te snijden voor het heil van het hele lichaam: want op ieder weegt de zorg voor het eigen heil. En hetzelfde geldt, wanneer het 215geschiedt door de wil van hem, die zorg moet dragen voor het heil van hem, die een verdorven lidmaat heeft. In andere gevallen echter is het helemaal ongeoorloofd, iemand in zijn ledematen te verminken.
Ad primum ergo dicendum, quod nihil prohibet, id quod est contra particularem naturam, esse secundum naturam universalem, sicut mors et corruptio in rebus naturalibus est contra particularem naturam ejus, quod corrumpitur, cum tamen sit secundum naturam universalem. Et similiter mutilare aliquem membro, etsi sit contra naturam particularem corporis ejus qui mutilatur, est tamen secundum naturalem rationem in comparatione ad bonum commune.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets wat tegen een bepaalde natuur zou zijn, overeenkomstig de universeele natuur gebeurt: zoo is de dood en de verwording van de natuurdingen tegen de bepaalde natuur van datgene wat vergaat, hoewel het overeenkomstig de universeele natuur is. En evenzoo is het verminken van iemands lidmaat, met betrekking tot het algemeen welzijn, in overeenstemming met de natuurlijke rede, hoewel het ingaat tegen de eigen natuur van het lichaam van hem, die verminkt wordt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Er is niets op tegen, dat iets wat tegen een bepaalde natuur zou zijn, overeenkomstig de universele natuur gebeurt: zo is de dood en de verwording van de natuurdingen tegen de bepaalde natuur van datgene wat vergaat, hoewel het overeenkomstig de universele natuur is. En evenzo is het verminken van iemands lidmaat, met betrekking tot het algemeen welzijn, in overeenstemming met de natuurlijke rede, hoewel het ingaat tegen de eigen natuur van het lichaam van hem, die verminkt wordt.
Ad secundum dicendum, quod totius hominis vita non ordinatur ad aliquid proprium ipsius hominis, sed ad ipsam potius omnia, quae sunt hominis, ordinantur; et ideo privare aliquem vita in nullo casu pertinet ad aliquem, nisi ad publicam potestatem, cui committitur procuratio boni 216communis. Sed praecisio membri potest ordinari ad propriam salutem unius hominis, et ideo in aliquo casu potest ad ipsum pertinere.
2 Het leven van den geheelen mensch is niet geordend naar iets dat eigen is aan den mensch zelf: maar al wat van den mensch is, is veeleer geordend naar dat leven zelf. En daarom komt het in geen enkel geval aan iemand toe, iemand het leven te ontnemen, tenzij aan de openbare macht, aan wie de bevordering van het algemeen welzijn wordt toevertrouwd. Het afsnijden echter van een lidmaat kan geordend worden naar het 216eigen heil van een mensch. En daarom kan het in een bepaald geval voor hem geoorloofd zijn.2 Het leven van de gehele mens is niet geordend naar iets dat eigen is aan de mens zelf: maar al wat van de mens is, is veeleer geordend naar dat leven zelf. En daarom komt het in geen enkel geval aan iemand toe, iemand het leven te ontnemen, tenzij aan de openbare macht, aan wie de bevordering van het algemeen welzijn wordt toevertrouwd. Het afsnijden echter van een lidmaat kan geordend worden naar het 216eigen heil van een mens. En daarom kan het in een bepaald geval voor hem geoorloofd zijn.
Ad tertium dicendum, quod membrum non est praescindendum propter corporalem salutem totius, nisi quando aliter toti subveniri non potest. Saluti autem spirituali semper potest aliter subveniri, quam per membri praecisionem, quia peccatum subjacet voluntati, et ideo in nullo casu licet membrum praescindere propter quodcumque peccatum vitandum. Unde Chrysostomus [hom. 63.] exponens illud Matth. 19. [v. 12] : « Sunt eunuchi, qui seipsos castraverunt propter regnum coelorum », dicit: « Non per membrorum abscissionem, sed malarum cogitationum interemptionem; maledictioni enim est obnoxius, qui membrum abscindit, etenim qui homicidae sunt, talia praesumunt ». Et postea subdit: « Neque concupiscentia mansuetior ita fit, sed molestior: aliunde enim habet fontes sperma, quod in nobis est, et praecipue a proposito incontinenti, et mente negligente; nec ita abscissio membri comprimit tentationes, ut cogitationis fraenum ».
3. Een lidmaat moet niet worden afgesneden voor het lichamelijk heil van het geheel, tenzij men het geheel op geen andere wijze kan ter hulp komen. Aan het geestelijk heil echter kan men altijd op een andere wijze ter hulp komen, dan door het afnemen van een lidmaat: want de zonde hangt af van den wil. En bijgevolg is het in geen enkel geval geoorloofd een lichaamsdeel af te snijden, om welke zonde ook te vluchten. Daarom zegt Chrysostomus, waar hij dit woord van Mattheus (19. 12) : « Er zijn onhuwbaren, die zichzelf ontmanden om het rijk der hemelen » verklaart: « Het gaat hier niet over het afsnijden van een lidmaat, maar over de bestrijding van slechte gedachten. Want hij, die een lichaamsdeel afsnijdt, stelt zich bloot aan vervloeking: immers, iets dergelijks verrichten is doen wat moordenaars eigen is ». En verder voegt hij eraan toe: « Daardoor wordt ook de begeerlijkheid niet verstild, maar zij wordt lastiger. De kiem, die in ons is, vindt haar bronnen elders, en wel voornamelijk in onzuivere voorstellingen en de onwaakzaamheid van den geest: noch onderdrukt de afsnijding van een lidmaat de bekoringen, zooals de beteugeling van de gedachten wel doet ».3. Een lidmaat moet niet worden afgesneden voor het lichamelijk heil van het geheel, tenzij men het geheel op geen andere wijze kan ter hulp komen. Aan het geestelijk heil echter kan men altijd op een andere wijze ter hulp komen, dan door het afnemen van een lidmaat: want de zonde hangt af van de wil. En bijgevolg is het in geen enkel geval geoorloofd een lichaamsdeel af te snijden, om welke zonde ook te vluchten. Daarom zegt Chrysostomus, waar hij dit woord van Matteüs (19, 12): “Er zijn onhuwbaren, die zichzelf ontmanden om het rijk van de hemelen” verklaart: “Het gaat hier niet over het afsnijden van een lidmaat, maar over de bestrijding van slechte gedachten. Want hij, die een lichaamsdeel afsnijdt, stelt zich bloot aan vervloeking: immers, iets dergelijks verrichten is doen wat moordenaars eigen is”. En verder voegt hij eraan toe: “Daardoor wordt ook de begeerlijkheid niet verstild, maar zij wordt lastiger. De kiem, die in ons is, vindt haar bronnen elders, en wel voornamelijk in onzuivere voorstellingen en de onwaakzaamheid van de geest: noch onderdrukt de afsnijding van een lidmaat de bekoringen, zoals de beteugeling van de gedachten wel doet”.
Utrum liceat patribus verberare filios, aut dominis servos
Mogen de vaders hun kinderen, of de meesters hun slaven kastijden?
217Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod liceat patribus verberare filios, aut dominis servos: dicit enim Apostolus ad Ephes. 6.: [v. 4] : « Vos patres nolite ad iracundiam provocare filios vestros », et infra subdit [v. 9] : « Et vos domini eadem facite servis, remittentes minas ». Sed propter verbera aliqui ad iracundiam provocantur, et sunt etiam minis graviora. Ergo neque patres filios, neque domini servos debent verberare.
217Bedenkingen. — Men beweert, dat vaders hun kinderen en meesters hun slaven niet mogen kastijden. — 1. Immers, in zijn Brief aan de Ephesiërs (6. 4) zegt de Apostel: « En gij vaders, verbittert uw kinderen niet ». En verder voegt hij eraan toe (6. 9) : « En gij meesters, behandelt hen op dezelfde wijze, en laat het dreigen achterwege ». Welnu, door tuchtiging worden sommigen tot toorn opgehitst. Want tuchtiging is nog erger dan bedreiging. Derhalve mogen noch vaders hun kinderen, noch meesters hun slaven tuchtigen.217Bedenkingen. — Men beweert, dat vaders hun kinderen en meesters hun slaven niet mogen kastijden. — 1. Immers, in zijn Brief aan de Efesiërs (6, 4) zegt de Apostel: “En gij vaders, verbittert uw kinderen niet”. En verder voegt hij eraan toe (6, 9): “En gij meesters, behandelt hen op dezelfde wijze, en laat het dreigen achterwege”. Welnu, door tuchtiging worden sommigen tot toorn opgehitst. Want tuchtiging is nog erger dan bedreiging. Derhalve mogen noch vaders hun kinderen, noch meesters hun slaven tuchtigen.
2. Praeterea. Philosophus dicit in 10. Ethic. [cap. 9], quod « sermo paternus habet solum admonitionem, non autem coactionem ». Sed quaedam coactio est per verbera. Ergo parentibus non licet filios verberare.
2. De Wijsgeer zegt: « Het vaderlijke woord heeft enkel vermanende, geen dwingende kracht ». Tuchtiging nu is een vorm van dwang. Derhalve mogen de ouders hun kinderen niet tuchtigen.2. De Wijsgeer zegt: “Het vaderlijke woord heeft enkel vermanende, geen dwingende kracht”. Tuchtiging nu is een vorm van dwang. Derhalve mogen de ouders hun kinderen niet tuchtigen.
3. Praeterea, unicuique licet alteri disciplinam impendere: hoc enim pertinet ad eleemosynas spirituales, ut supra dictum est [q. 32. a. 2.]. Si ergo parentibus licet propter disciplinam filios verberare, pari ratione 218cuilibet licebit quemlibet verberare, quod patet esse falsum. Ergo et primum.
3. Het komt aan eenieder toe een ander terecht te wijzen: dit immers valt onder de geestelijke aalmoezen, zooals vroeger gezegd is (32e Kw. 2e Art.). Indien het dus aan ouders geoorloofd is hun kinderen te tuchtigen, dan is het evengoed aan iedereen 218toegelaten ieder ander te tuchtigen. Dit nu is klaarblijkelijk valsch. Dus ook het eerste.3. Het komt aan eenieder toe een ander terecht te wijzen: dit immers valt onder de geestelijke aalmoezen, zoals vroeger gezegd is (32e Kw. 2e Art.). Indien het dus aan ouders geoorloofd is hun kinderen te tuchtigen, dan is het evengoed aan iedereen 218toegelaten ieder ander te tuchtigen. Dit nu is klaarblijkelijk vals. Dus ook het eerste.
Sed contra est, quod dicitur Prov. 13. [v. 24] : « Qui parcit virgae, odit filium suum », et infra 23. [v. 13-14] : « Noli subtrahere a puero disciplinam: si enim percusseris eum virga, non morietur. Tu virga percuties eum, et animam ejus de inferno liberabis », et Eccli. 33. [v. 28] dicitur: « Servo malevolo tortura et compedes ».
Daartegenover staat echter dat in het Boek der Spreuken (13. 24) gezegd wordt: « Die de roede spaart, haat zijn zoon ». En verder (23. 13, 14) : « Onthoud de tuchtiging niet aan het kind. Hij zal er niet van sterven, als gij hem met de roede slaat. Gij slaat hem met de roede, maar redt zijne ziel uit de hel ». En in het Boek Ecclesiasticus (33. 28) wordt gezegd: « Pijniging en voetboeien voor den kwaadwilligen slaaf ».Daartegenover staat echter dat in het Boek van de Spreuken (13, 24) gezegd wordt: “Die de roede spaart, haat zijn zoon”. En verder (23, 13, 14): “Onthoud de tuchtiging niet aan het kind. Hij zal er niet van sterven, als gij hem met de roede slaat. Gij slaat hem met de roede, maar redt zijn ziel uit de hel”. En in het Boek Sirach (33, 28) wordt gezegd: “Pijniging en voetboeien voor de kwaadwillige slaaf”.
Respondeo dicendum, quod per verberationem nocumentum quoddam infertur corpori ejus, qui verberatur, aliter tamen, quam in mutilatione, nam mutilatio tollit corporis integritatem, verberatio vero tantummodo afficit sensum dolore; unde multo minus nocumentum est, quam mutilatio membri. Nocumentum autem inferre alicui non licet, nisi per modum poenae, propter justitiam; nullus autem juste punit aliquem, nisi sit ejus jurisdictioni subjectus; et ideo verberare aliquem non licet, nisi habenti 219potestatem aliquam super illum, qui verberatur, et quia filius subditur potestati patris, et servus potestati domini, licite potest verberare pater filium, et dominus servum causa correctionis et disciplinae.
Leerstelling. — Door tuchtiging wordt aan het lichaam van hem, die getuchtigd wordt, wel eenige schade toegebracht, hoewel anders dan bij de verminking: want verminking neemt de gaafheid van het lichaam weg, terwijl tuchtiging enkel het gevoel pijnlijk aandoet. Daarom is de schade veel kleiner dan bij verminking. Iemand schade aandoen nu is enkel geoorloofd bij wijze van straf, omwille van de rechtvaardigheid. Niemand echter kan rechtvaardig iemand straffen, tenzij hij aan zijn gezag onderworpen is. En daarom is het niet toegelaten iemand te tuchtigen, tenzij aan hem, die eenig gezag heeft over hem, die getuchtigd 219wordt. En daar een kind onderworpen is aan het gezag van den vader, en een slaaf aan het gezag van den meester, is het den vader geoorloofd zijn zoon, en den meester zijn slaaf te tuchtigen, om reden van terechtwijzing en tucht.Leerstelling. — Door tuchtiging wordt aan het lichaam van hem, die getuchtigd wordt, wel enige schade toegebracht, hoewel anders dan bij de verminking: want verminking neemt de gaafheid van het lichaam weg, terwijl tuchtiging enkel het gevoel pijnlijk aandoet. Daarom is de schade veel kleiner dan bij verminking. Iemand schade aandoen nu is enkel geoorloofd bij wijze van straf, omwille van de rechtvaardigheid. Niemand echter kan rechtvaardig iemand straffen, tenzij hij aan zijn gezag onderworpen is. En daarom is het niet toegelaten iemand te tuchtigen, tenzij aan hem, die enig gezag heeft over hem, die getuchtigd 219wordt. En daar een kind onderworpen is aan het gezag van de vader, en een slaaf aan het gezag van de meester, is het de vader geoorloofd zijn zoon, en de meester zijn slaaf te tuchtigen, om reden van terechtwijzing en tucht.
Ad primum ergo dicendum, quod cum ira sit appetitus vindictae, praecipue concitatur ira, cum aliquis se reputat laesum injuste, ut patet per Philosophum in 2. Rhet. [cap. 3.]; et ideo per hoc quod patribus interdicitur ne filios ad iracundiam provocent, non prohibetur quin filios verberent causa disciplinae, sed quod non immoderate eos affligant verberibus. Quod vero indicitur dominis, quod remittant servis minas, potest dupliciter intelligi: uno modo, ut remisse minis utantur, quod pertinet ad moderationem disciplinae; alio modo, ut aliquis non semper impleat quod comminatus est, quod pertinet ad hoc, quod judicium, quo quis comminatus est poenam, quandoque per remissionis misericordiam temperetur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar gramschap de zucht is naar wraak, wordt zij voornamelijk dàn opgewekt, wanneer iemand zich onrechtvaardig gekrenkt voelt: zooals blijkt bij den Wijsgeer. Wanneer daarom aan de vaders verboden wordt hun kinderen tot gramschap op te wekken, wordt hun daardoor niet verboden hun kinderen te kastijden omwille van de tucht: maar wel, dat zij hen niet overmatig zouden tuchtigen. Wat echter aan de meesters wordt aanbevolen, nl. dat zij bedreigingen zouden achterwege laten, kan op twee manieren worden verstaan. Ten eerste, dat zij een matig gebruik zouden maken van bedreigingen, en dat behoort tot de matigheid in de tucht. Ten tweede, dat iemand niet altijd zijn bedreiging zou ten uitvoer brengen: het oordeel waardoor iemand met straf dreigt, dient soms door barmhartigheid en vergevensgezindheid te worden getemperd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar gramschap de zucht is naar wraak, wordt zij voornamelijk dàn opgewekt, wanneer iemand zich onrechtvaardig gekrenkt voelt: zoals blijkt bij de Wijsgeer. Wanneer daarom aan de vaders verboden wordt hun kinderen tot gramschap op te wekken, wordt hun daardoor niet verboden hun kinderen te kastijden omwille van de tucht: maar wel, dat zij hen niet overmatig zouden tuchtigen. Wat echter aan de meesters wordt aanbevolen, nl. dat zij bedreigingen zouden achterwege laten, kan op twee manieren worden verstaan. Ten eerste, dat zij een matig gebruik zouden maken van bedreigingen, en dat behoort tot de matigheid in de tucht. Ten tweede, dat iemand niet altijd zijn bedreiging zou ten uitvoer brengen: het oordeel waardoor iemand met straf dreigt, dient soms door barmhartigheid en vergevensgezindheid te worden getemperd.
Ad secundum dicendum, quod major potestas majorem debet habere coactionem; sicut autem civitas est perfecta communitas, ita princeps 220civitatis habet perfectam potestatem coercendi; et ideo potest infligere poenas irreparabiles, scilicet occisionis, vel mutilationis. Pater autem et dominus, qui praesunt familiae domesticae, quae est imperfecta communitas, habent imperfectam potestatem coercendi, secundum leviores poenas, quae non inferunt irreparabile nocumentum, et hujusmodi est verberatio.
2. Een grooter gezag moet over een grootere dwingende macht beschikken. Gelijk nu de staat een volmaakte gemeenschap is, 220zoo heeft ook de vorst in den staat een volmaakte dwingende macht: en bijgevolg kan hij onherstelbare straffen opleggen, nl. doodstraf of verminking. De vader echter en de meester, die aan het hoofd staan van een huisgezin, van een onvolmaakte gemeenschap dus, hebben een onvolmaakte dwingende macht en mogen daarom enkel lichtere straffen opleggen, die geen onherstelbaar nadeel toebrengen. En daaronder wordt de tuchtiging gerekend.2. Een groter gezag moet over een grotere dwingende macht beschikken. Gelijk nu de staat een volmaakte gemeenschap is, 220zo heeft ook de vorst in de staat een volmaakte dwingende macht: en bijgevolg kan hij onherstelbare straffen opleggen, nl. doodstraf of verminking. De vader echter en de meester, die aan het hoofd staan van een huisgezin, van een onvolmaakte gemeenschap dus, hebben een onvolmaakte dwingende macht en mogen daarom enkel lichtere straffen opleggen, die geen onherstelbaar nadeel toebrengen. En daaronder wordt de tuchtiging gerekend.
Ad tertium dicendum, quod exhibere disciplinam volenti, cuilibet licet; sed disciplinam nolenti adhibere, est solum ejus, cui alterius cura committitur, et ad hoc pertinet aliquem verberibus castigare.
3. Het is aan eenieder geoorloofd iemand tucht op te leggen, die dat wil. Maar tucht opleggen aan iemand, die daar niet mee instemt, komt enkel toe aan dengene, wien de zorg voor hem is toevertrouwd. En hieronder valt de kastijding door slagen.3. Het is aan eenieder geoorloofd iemand tucht op te leggen, die dat wil. Maar tucht opleggen aan iemand, die daar niet mee instemt, komt enkel toe aan dengene, wie de zorg voor hem is toevertrouwd. En hieronder valt de kastijding door slagen.
Utrum liceat aliquem hominem incarcerare
Is het toegelaten een mensch te kerkeren?Is het toegelaten een mens te kerkeren?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non liceat aliquem hominem incarcerare: actus enim est malus ex genere, qui cadit supra indebitam materiam, ut supra dictum est [1-2. q. 18. art. 2.]. Sed homo habens 221naturalem arbitrii libertatem est indebita materia incarcerationis, quae libertati repugnat. Ergo illicitum est aliquem incarcerare.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet geoorloofd is een mensch te kerkeren. — 1. Een handeling immers, die slaat op een ongepast voorwerp, is slecht in haar soort zelf, zooals blijkt uit het vroeger gezegde (I. II. 18e Kw. 2e Art.). Welnu, 221de mensch die van nature vrij is, is een ongepast voorwerp voor gevangenschap, die strijdig is met de vrijheid. Het is dus niet geoorloofd iemand gevangen te zetten.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet geoorloofd is een mens te kerkeren. — 1. Een handeling immers, die slaat op een ongepast voorwerp, is slecht in haar soort zelf, zoals blijkt uit het vroeger gezegde (1-2 18e Kw. 2e Art.). Welnu, 221de mens die van nature vrij is, is een ongepast voorwerp voor gevangenschap, die strijdig is met de vrijheid. Het is dus niet geoorloofd iemand gevangen te zetten.
2. Praeterea, humana justitia regulari debet ex divina. Sed, sicut dicitur Eccli. 15. [v. 14] : « Deus reliquit hominem in manu consilii sui ». Ergo videtur quod non est aliquis coercendus vinculis, vel carcere.
2. De menschelijke rechtvaardigheid moet worden geregeld overeenkomstig de Goddelijke Rechtvaardigheid. Welnu, zooals in het Boek Ecclesiasticus (15. 14) wordt gezegd: « heeft God den mensch in de hand van zijn eigen goeddunken gelaten ». Derhalve lijkt het, dat niemand mag worden gedwongen door boeien of kerker.2. De menselijke rechtvaardigheid moet worden geregeld overeenkomstig de Goddelijke Rechtvaardigheid. Welnu, zoals in het Boek Sirach (15, 14) wordt gezegd: “heeft God de mens in de hand van zijn eigen goeddunken gelaten”. Derhalve lijkt het, dat niemand mag worden gedwongen door boeien of kerker.
3. Praeterea, nullus est coercendus nisi ab opere malo, a quo quilibet potest alium licite impedire. Si ergo incarcerare aliquem esset licitum, ad hoc quod cohiberetur a malo, cuilibet esset licitum aliquem incarcerare; quod patet esse falsum. Ergo et primum.
3. Niemand mag door dwang van iets worden teruggehouden tenzij van een slecht werk: daarvan mag elkeen een ander afhouden. Indien het dus geoorloofd zou zijn iemand gevangen te zetten om hem van het kwade af te houden, dan zou het aan iedereen toegelaten zijn een ander gevangen te zetten. Dit nu is klaarblijkelijk valsch. Dus ook het eerste.3. Niemand mag door dwang van iets worden teruggehouden tenzij van een slecht werk: daarvan mag elkeen een ander afhouden. Indien het dus geoorloofd zou zijn iemand gevangen te zetten om hem van het kwade af te houden, dan zou het aan iedereen toegelaten zijn een ander gevangen te zetten. Dit nu is klaarblijkelijk vals. Dus ook het eerste.
Sed contra est, quod Levit. 24. [v. 11-12] legitur, quemdam missum fuisse in carcerem propter peccatum blasphemiae.
Daartegenover staat echter, dat wij lezen in het Boek Leviticus (24. 11, 12), dat iemand werd gevangen gezet om de zonde van godslastering.Daartegenover staat echter, dat wij lezen in het Boek Leviticus (24, 11, 12), dat iemand werd gevangen gezet om de zonde van godslastering.
Respondeo dicendum, quod in bonis corporis tria per ordinem considerantur: primo quidem integritas corporalis substantiae; cui detrimentum 222affertur per occisionem vel mutilationem. Secundo delectatio vel quies sensus; cui opponitur verberatio, vel quodlibet sensum dolore afficiens. Tertio motus, et usus membrorum; qui impeditur per ligationem vel incarcerationem, seu quamcumque detentionem. Et ideo incarcerare aliquem, vel qualitercumque detinere est illicitum, nisi fiat secundum ordinem justitiae, aut in poenam, aut ad cautelam alicujus mali vitandi.
Leerstelling. — Bij de lichamelijke goederen moeten drie dingen in de volgende orde beschouwd worden. Ten eerste, de gaafheid van de lichamelijke zelfstandigheid: hieraan wordt 222schade toegebracht door doodslag of verminking. Ten tweede, het welbehagen of de rust der zinnen: hiertegenover staat de tuchtiging, of wat ook het gevoel smartelijk aandoet. Ten derde, de beweging en het gebruik van de ledematen: en die worden verhinderd door de boeien, of gevangenschap, of door welke vasthouding ook. Iemand kerkeren, of op gelijk welke wijze vasthouden, is daarom ongeoorloofd, tenzij wanneer het gebeurt overeenkomstig de orde van de rechtvaardigheid, hetzij als straf, hetzij als voorzorg om een of ander kwaad te vermijden.Leerstelling. — Bij de lichamelijke goederen moeten drie dingen in de volgende orde beschouwd worden. Ten eerste, de gaafheid van de lichamelijke zelfstandigheid: hieraan wordt 222schade toegebracht door doodslag of verminking. Ten tweede, het welbehagen of de rust van de zinnen: hiertegenover staat de tuchtiging, of wat ook het gevoel smartelijk aandoet. Ten derde, de beweging en het gebruik van de ledematen: en die worden verhinderd door de boeien, of gevangenschap, of door welke vasthouding ook. Iemand kerkeren, of op gelijk welke wijze vasthouden, is daarom ongeoorloofd, tenzij wanneer het gebeurt overeenkomstig de orde van de rechtvaardigheid, hetzij als straf, hetzij als voorzorg om een of ander kwaad te vermijden.
Ad primum ergo dicendum, quod homo qui abutitur potestate sibi data, meretur eam amittere; et ideo homini, qui peccando abusus est libero usu suorum membrorum, conveniens est incarcerationis materia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een mensch, die de hem toevertrouwde macht misbruikt, verdient ze te verliezen. En daarom is de mensch, die misbruik heeft gemaakt van het vrije gebruik zijner ledematen, wel een gepast voorwerp voor gevangenzetting.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Een mens, die de hem toevertrouwde macht misbruikt, verdient ze te verliezen. En daarom is de mens, die misbruik heeft gemaakt van het vrije gebruik van zijn ledematen, wel een gepast voorwerp voor gevangenzetting.
Ad secundum dicendum, quod Deus quandoque secundum ordinem suae sapientiae peccatores cohibet, ne possint peccata implere, secundum illud Job 5. [v. 12] : « Qui dissipat cogitationes malignorum, ne possint implere manus eorum, quod coeperant ». Quandoque vero eos permittit quod voluerint agere; et similiter secundum humanam justitiam non pro qualibet culpa homines incarcerantur, sed pro aliquibus.
2. Naar de regeling van zijn Wijsheid belet God soms de zondaars om zonde te bedrijven, naar het woord uit het Boek Job (5. 12) : « Die de gedachten der boosaardigen verijdelt, opdat hun handen niet kunnen volvoeren wat zij begonnen zijn ». Soms echter laat hij hun toe, datgene te doen wat zij willen. En zoo ook worden volgens de menschelijke rechtvaardigheid de menschen niet voor gelijk welk misdrijf gevangen gezet, maar voor sommige misdaden.2. Naar de regeling van zijn Wijsheid belet God soms de zondaars om zonde te bedrijven, naar het woord uit het Boek Job (5, 12): “Die de gedachten van de boosaardigen verijdelt, opdat hun handen niet kunnen volvoeren wat zij begonnen zijn”. Soms echter laat hij hun toe, datgene te doen wat zij willen. En zo ook worden volgens de menselijke rechtvaardigheid de mensen niet voor gelijk welk misdrijf gevangen gezet, maar voor sommige misdaden.
223Ad tertium dicendum, quod detinere hominem ad horam ab aliquo opere illicito statim perpetrando, cuilibet licet, sicut cum aliquis detinet aliquem, ne se praecipitet, vel ne alium feriat. Sed simpliciter aliquem includere, vel ligare, ad eum solum pertinet, qui habet disponere universaliter de actibus et vita alterius, quia per hoc impeditur non solum a malis faciendis, sed etiam a bonis agendis.
2233. Het is iedereen geoorloofd voor korten tijd een mensch vast te houden om hem terug te houden van een ongeoorloofd werk, dat hij op het punt is te verrichten: zoo, wanneer iemand een ander zou vasthouden, opdat hij zich niet in een afgrond zou storten, of een ander zou slaan. Maar zonder meer iemand opsluiten of binden, komt alleen aan hem toe, die in 't algemeen te beschikken heeft over de handelingen of het leven van een ander: want daardoor belet men hem niet alleen het kwade te doen, maar ook het goede.2233. Het is iedereen geoorloofd voor korten tijd een mens vast te houden om hem terug te houden van een ongeoorloofd werk, dat hij op het punt is te verrichten: zo, wanneer iemand een ander zou vasthouden, opdat hij zich niet in een afgrond zou storten, of een ander zou slaan. Maar zonder meer iemand opsluiten of binden, komt alleen aan hem toe, die in 't algemeen te beschikken heeft over de handelingen of het leven van een ander: want daardoor belet men hem niet alleen het kwade te doen, maar ook het goede.
Utrum peccatum aggravetur ex hoc, quod praedictae injuriae inferuntur in personas aliis conjunctas
Is het zwaardere zonde, wanneer voornoemde onrechtvaardigheden begaan worden tegen een persoon, die met anderen verwant is?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod peccatum non aggravetur ex hoc, quod praedictae injuriae inferuntur in personas aliis conjunctas: hujusmodi enim injuriae habent rationem peccati, prout nocumentum alicui infertur contra ejus voluntatem. Sed magis est contra hominis voluntatem 224malum, quod in propriam personam infertur, quam quod infertur in personam conjunctam. Ergo injuria illata in personam conjunctam est minor.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het geen zwaardere zonde is, wanneer voornoemde onrechtvaardigheden begaan worden tegen personen, die met anderen verwant zijn. — 1. Deze onrechtvaardigheden immers zijn zondig voor zoover zij iemand schade toebrengen tegen zijn wil in. Welnu, het kwaad, dat den 224eigen persoon wordt aangedaan, is meer in strijd met den wil van den mensch, dan het kwaad dat aan een verwanten persoon wordt aangedaan. Derhalve is de onrechtvaardigheid, die tegen een verwanten persoon begaan wordt, kleiner.Bedenkingen. — Men beweert, dat het geen zwaardere zonde is, wanneer voornoemde onrechtvaardigheden begaan worden tegen personen, die met anderen verwant zijn. — 1. Deze onrechtvaardigheden immers zijn zondig voor zover zij iemand schade toebrengen tegen zijn wil in. Welnu, het kwaad, dat de 224eigen persoon wordt aangedaan, is meer in strijd met de wil van de mens, dan het kwaad dat aan een verwanten persoon wordt aangedaan. Derhalve is de onrechtvaardigheid, die tegen een verwanten persoon begaan wordt, kleiner.
2. Praeterea, in Sacra Scriptura praecipue reprehenduntur, qui pupillis et viduis injurias inferunt; unde dicitur Eccli. 35. [v. 17] : « Non despiciet preces pupilli, nec viduam, si effundat loquelam gemitus ». Sed vidua et pupillus non sunt personae aliis conjunctae. Ergo ex hoc quod infertur injuria personis conjunctis, non aggravatur peccatum.
2. In de H. Schrift worden vooral diegenen terechtgewezen, die onrechtvaardig zijn tegenover weezen en weduwen: daarom wordt in het Boek Ecclesiasticus (35. 17) gezegd: « Het smeeken van een weeskind versmaadt hij niet, noch de weduwvrouw, als zij zuchtend tot hem klaagt ». Welnu, een weduwe en een weeskind zijn geen met-anderen-verwante personen. Derhalve wordt de zonde niet zwaarder door het feit, dat een onrechtvaardigheid wordt begaan tegen verwante personen.2. In de H. Schrift worden vooral diegenen terechtgewezen, die onrechtvaardig zijn tegenover wezen en weduwen: daarom wordt in het Boek Sirach (35, 17) gezegd: “Het smeken van een weeskind versmaadt hij niet, noch de weduwvrouw, als zij zuchtend tot hem klaagt”. Welnu, een weduwe en een weeskind zijn geen met-anderen-verwante personen. Derhalve wordt de zonde niet zwaarder door het feit, dat een onrechtvaardigheid wordt begaan tegen verwante personen.
3. Praeterea, persona conjuncta habet propriam voluntatem, sicut et principalis persona: potest enim aliquid ei esse voluntarium, quod est contra voluntatem principalis personae, ut patet in adulterio, quod placet uxori, et displicet viro. Sed hujusmodi injuriae habent rationem peccati, prout consistunt in voluntaria1 commutatione. Ergo hujusmodi injuriae minus habent de ratione peccati.
3. Een verwante persoon heeft een eigen wil, zooals de voornaamste persoon. Dus kan voor den verwanten persoon iets willig zijn, wat strijdig is met den wil van den voornaamsten persoon: zooals blijkt bij overspel, dat aan de echtgenoote behaagt, en mishaagt aan den echtgenoot. Welnu, voornoemde onrechtvaardigheden zijn zondig, voor zoover zij een onwillige ruilhandeling veronderstellen. Derhalve zijn deze onrechtvaardigheden minder zondig.3. Een verwante persoon heeft een eigen wil, zoals de voornaamste persoon. Dus kan voor de verwante persoon iets willig zijn, wat strijdig is met de wil van de voornaamste persoon: zoals blijkt bij overspel, dat aan de echtgenote behaagt, en mishaagt aan de echtgenoot. Welnu, voornoemde onrechtvaardigheden zijn zondig, voor zover zij een onwillige ruilhandeling veronderstellen. Derhalve zijn deze onrechtvaardigheden minder zondig.
Sed contra est quod Deut. 28. [v. 32] ad quamdam exaggerationem 225dicitur: « Filii tui, et filiae tuae tradentur alteri populo, videntibus oculis tuis ».
Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium 225(28. 32) op eenigszins overdreven wijze gezegd wordt: « Uw zonen en uw dochters zullen overgeleverd worden aan een vreemd volk, uw oogen zullen het zien ».Daartegenover staat echter, dat in het Boek Deuteronomium 225(28, 32) op enigszins overdreven wijze gezegd wordt: “Uw zonen en uw dochters zullen overgeleverd worden aan een vreemd volk, uw ogen zullen het zien”.
Respondeo dicendum, quod quanto aliqua injuria in plures redundat, caeteris paribus, tanto gravius est peccatum; et inde est quod gravius est peccatum, si aliquis percutiat principem, quam si personam privatam, quia redundat in injuriam totius multitudinis, ut supra dictum est [1-2. q. 73. art. 9.]. Cum autem infertur injuria in aliquam personam conjunctam alteri qualitercumque, illa injuria pertinet ad duas personas; et ideo, caeteris paribus, ex hoc ipso aggravatur peccatum. Potest tamen contingere, quod secundum aliquas circumstantias sit gravius peccatum, quod fit contra personam nulli conjunctam, vel propter dignitatem personae, vel propter magnitudinem nocumenti.
Leerstelling. — Een zonde is zwaarder naar mate de onrechtvaardigheid, bij overigens gelijke omstandigheden, meerdere personen wordt aangedaan. En daarom is het zwaardere zonde, wanneer iemand een vorst slaat, dan wanneer hij een privaat persoon slaat: want dat wordt een onrechtvaardigheid tegenover de geheele gemeenschap, zooals boven gezegd is (I. II. 73e Kw. 9e Art.). Wanneer echter onrecht wordt aangedaan aan een persoon, die op welke wijze ook met een ander verwant is, dan valt dat onrecht op twee personen. En daarom wordt de zonde hierdoor verzwaard, gesteld dat al de overige omstandigheden gelijk zijn. Het kan echter voorkomen dat, om reden van sommige omstandigheden, de zonde die bedreven wordt tegen een persoon, die met niemand verwant is, zwaarder is: hetzij om de waardigheid van den persoon, hetzij om de aanzienlijkheid van de schade.Leerstelling. — Een zonde is zwaarder naar mate de onrechtvaardigheid, bij overigens gelijke omstandigheden, meerdere personen wordt aangedaan. En daarom is het zwaardere zonde, wanneer iemand een vorst slaat, dan wanneer hij een privaat persoon slaat: want dat wordt een onrechtvaardigheid tegenover de gehele gemeenschap, zoals boven gezegd is (1-2 73e Kw. 9e Art.). Wanneer echter onrecht wordt aangedaan aan een persoon, die op welke wijze ook met een ander verwant is, dan valt dat onrecht op twee personen. En daarom wordt de zonde hierdoor verzwaard, gesteld dat al de overige omstandigheden gelijk zijn. Het kan echter voorkomen dat, om reden van sommige omstandigheden, de zonde die bedreven wordt tegen een persoon, die met niemand verwant is, zwaarder is: hetzij om de waardigheid van de persoon, hetzij om de aanzienlijkheid van de schade.
Ad primum ergo dicendum, quod injuria illata in personam conjunctam 226minus est nociva personae, cui conjungitur, quam si in ipsam immediate inferretur, et ex hac parte est minus peccatum; sed hoc totum quod pertinet ad injuriam personae, cui conjungitur, superadditur peccato, quod aliquis incurrit ex eo quod aliam personam secundum se laedit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het onrecht, dat een verwanten persoon wordt aangedaan, is minder schadelijk 226voor hem met wien de persoon verwant is, dan het onrecht, dat hem onmiddellijk zou worden aangedaan: en van dezen kant beschouwd, is de zonde minder zwaar. Maar heel dit onrecht tegenover den verwanten persoon, wordt toegevoegd aan de zonde, die iemand bedrijft, door het feit, dat hij een persoon in zichzelf benadeelt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het onrecht, dat een verwanten persoon wordt aangedaan, is minder schadelijk 226voor hem met wie de persoon verwant is, dan het onrecht, dat hem onmiddellijk zou worden aangedaan: en van deze kant beschouwd, is de zonde minder zwaar. Maar heel dit onrecht tegenover de verwante persoon, wordt toegevoegd aan de zonde, die iemand bedrijft, door het feit, dat hij een persoon in zichzelf benadeelt.
Ad secundum dicendum, quod injuriae illatae in viduas et pupillos magis exaggerantur, tum quia magis opponuntur misericordiae, tum quia idem nocumentum hujusmodi personis inflictum est eis gravius, quia non habent relevantem.
2. Het onrecht dat tegenover weduwen en weeskinderen wordt bedreven, wordt grooter geacht, én omdat het meer strijdig is met de barmhartigheid, en omdat dezelfde schade, die aan dergelijke personen wordt aangedaan, voor hen zwaarder is, want zij hebben niemand die hen omhoog helpt.2. Het onrecht dat tegenover weduwen en weeskinderen wordt bedreven, wordt groter geacht, én omdat het meer strijdig is met de barmhartigheid, en omdat dezelfde schade, die aan dergelijke personen wordt aangedaan, voor hen zwaarder is, want zij hebben niemand die hen omhoog helpt.
Ad tertium dicendum, quod per hoc, quod uxor voluntarie consentit in adulterium, minoratur quidem peccatum et injuria ex parte ipsius mulieris: gravius enim esset, si adulter violenter eam opprimeret; non tamen propter hoc tollitur injuria ex parte viri, quia « uxor non habet potestatem sui corporis, sed vir », ut dicitur 1. ad Cor. 7. [v. 4]. Et eadem ratio est de similibus. De adulterio tamen, quia non solum justitiae, sed etiam castitati opponitur, erit locus infra agendi in tractatu de temperantia [q. 154. art. 8.].
3. Wanneer een echtgenoote vrijwillig toestemt in overspel, wordt de zonde en het onrecht, dat aan die vrouw wordt aangedaan, verminderd: het zou immers erger zijn wanneer de overspelige haar met geweld zou nemen. Toch wordt daardoor het onrecht, dat aan den echtgenoot wordt aangedaan, niet weggenomen: want « de vrouw heeft geen vrije beschikking over haar eigen lichaam, maar de man », zooals in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (7. 4) gezegd wordt. Hetzelfde geldt voor al dergelijke gevallen. Over de zonde van overspel, die niet alleen strijdig is met de rechtvaardigheid, maar tevens met de zuiverheid, zal verder worden gehandeld in het traktaat over de Matigheid (154e Kw. 8e Art.).3. Wanneer een echtgenote vrijwillig toestemt in overspel, wordt de zonde en het onrecht, dat aan die vrouw wordt aangedaan, verminderd: het zou immers erger zijn wanneer de overspelige haar met geweld zou nemen. Toch wordt daardoor het onrecht, dat aan de echtgenoot wordt aangedaan, niet weggenomen: want “de vrouw heeft geen vrije beschikking over haar eigen lichaam, maar de man”, zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (7, 4) gezegd wordt. Hetzelfde geldt voor al dergelijke gevallen. Over de zonde van overspel, die niet alleen strijdig is met de rechtvaardigheid, maar tevens met de zuiverheid, zal verder worden gehandeld in het traktaat over de Matigheid (154e Kw. 8e Art.).