De divisione justitiae in commutativam et distributivam in quatuor articulos divisa1
Over de deelen van de rechtvaardigheidOver de delen van de rechtvaardigheid
105Deinde considerandum est de partibus justitiae; et primo de partibus subjectivis, quae sunt species justitiae, scilicet distributiva et commutativa; secundo de partibus quasi integralibus; tertio de partibus quasi potentialibus, scilicet de virtutibus adjunctis.
105Hierna moeten wij de deelen van de rechtvaardigheid gaan beschouwen. Ten eerste moeten wij handelen over de subjectieve deelen, de soorten van rechtvaardigheid, nl. de verdeelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid; ten tweede, over de integreerende deelen; ten derde, over de potentieele deelen, d. i. over de aanverwante deugden.105Hierna moeten wij de delen van de rechtvaardigheid gaan beschouwen. Ten eerste moeten wij handelen over de subjectieve delen, de soorten van rechtvaardigheid, nl. de verdelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid; ten tweede, over de integrerende delen; ten derde, over de potentiële delen, d.i. over de aanverwante deugden.
Circa primum occurrit duplex consideratio: prima de ipsis justitiae partibus; secunda de vitiis oppositis; et quia restitutio videtur esse actus commutativae justitiae, primo considerandum est de distinctione justitiae commutativae et distributivae; secundo de restitutione.
Met betrekking tot het eerste punt doet zich een dubbele beschouwing voor: een eerste, over de deelen zelf van de rechtvaardigheid; een tweede, over de tegengestelde ondeugden. En daar de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid schijnt te zijn, moet onze eerste beschouwing gaan naar het onderscheid tusschen ruilrechtvaardigheid en verdeelende rechtvaardigheid; een tweede zal de teruggave tot voorwerp hebben.Met betrekking tot het eerste punt doet zich een dubbele beschouwing voor: een eerste, over de delen zelf van de rechtvaardigheid; een tweede, over de tegengestelde ondeugden. En daar de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid schijnt te zijn, moet onze eerste beschouwing gaan naar het onderscheid tussen ruilrechtvaardigheid en verdelende rechtvaardigheid; een tweede zal de teruggave tot voorwerp hebben.
106Circa primum quaeruntur quatuor: 1. Utrum sint duae species justitiae, scilicet justitia distributiva et commutativa. — 2. Utrum eodem modo in eis medium accipiatur. — 3. Utrum sit earum uniformis vel multiplex materia. — 4. Utrum secundum aliquam earum specierum justum sit idem quod contrapassum.
Omtrent die eerste beschouwing worden vier vragen gesteld: 1061. Zijn er twee soorten rechtvaardigheid: de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid? 2. Wordt in beide het midden op dezelfde wijze bepaald? 3. Hebben zij hetzelfde ofwel een verschillend gebied? 4. Is naar een van beide soorten het rechtvaardige hetzelfde als het wedervergoldene?Omtrent die eerste beschouwing worden vier vragen gesteld: 1061. Zijn er twee soorten rechtvaardigheid: de verdelende en de ruilrechtvaardigheid? 2. Wordt in beide het midden op dezelfde wijze bepaald? 3. Hebben zij hetzelfde ofwel een verschillend gebied? 4. Is naar een van beide soorten het rechtvaardige hetzelfde als het wedervergoldene?
Utrum convenienter ponantur duae species justitiae, scilicet commutativa et distributiva
Is het passend twee soorten van rechtvaardigheid te onderscheiden: de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid?Is het passend twee soorten van rechtvaardigheid te onderscheiden: de verdelende en de ruilrechtvaardigheid?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter ponantur duae species justitiae, justitia distributiva et commutativa: non enim potest esse justitiae species, quod multitudini nocet, cum justitia ad bonum commune ordinetur. Sed distribuere bona communia in multos, nocet bono communi multitudinis, tum quia exhauriuntur opes communes, tum etiam quia mores 107hominum corrumpuntur: dicit enim Tullius in lib. 2. de Offic. [cap. 15] : « Fit deterior qui accipit, et ad idem semper expectandum paratior ». Ergo distributio non pertinet ad aliquam justitiae speciem.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is twee soorten rechtvaardigheid, de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid, te onderscheiden. — 1. Wat schadelijk is voor de gemeenschap kan geen soort van rechtvaardigheid genoemd worden, daar de rechtvaardigheid op het algemeen welzijn gericht is. Welnu het verdeelen van gemeenschappelijke goederen onder velen, is schadelijk voor het algemeen welzijn van de 107gemeenschap; ten eerste, omdat daardoor de gemeenschappelijke rijkdom wordt uitgeput, en ten tweede, omdat de zeden van de menschen verderven. Tullius immers zegt: « Hij die ontvangt wordt slechter en altijd meer bereid nog dezelfde gaven te verwachten ». Derhalve valt de goederenverdeeling niet onder een van de soorten van rechtvaardigheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is twee soorten rechtvaardigheid, de verdelende en de ruilrechtvaardigheid, te onderscheiden. — 1. Wat schadelijk is voor de gemeenschap kan geen soort van rechtvaardigheid genoemd worden, daar de rechtvaardigheid op het algemeen welzijn gericht is. Welnu het verdelen van gemeenschappelijke goederen onder velen, is schadelijk voor het algemeen welzijn van de 107gemeenschap; ten eerste, omdat daardoor de gemeenschappelijke rijkdom wordt uitgeput, en ten tweede, omdat de zeden van de mensen verderven. Tullius immers zegt: “Hij die ontvangt wordt slechter en altijd meer bereid nog dezelfde gaven te verwachten”. Derhalve valt de goederenverdeling niet onder een van de soorten van rechtvaardigheid.
2. Praeterea, justitiae actus est reddere unicuique quod suum est, ut supra habitum est [q. 58. art. 11.]. Sed in distributione non redditur alicui quod suum erat, sed de novo appropriatur sibi id quod erat commune. Ergo hoc ad justitiam non pertinet.
2. Aan iedereen het zijne geven is de daad van de rechtvaardigheid, zooals boven (58e Kw. 11e Art.) gezegd is. Welnu, door verdeeling wordt niet aan eenieder het zijne gegeven, maar er wordt hem iets nieuws toegeëigend wat gemeenschappelijk was. Dit valt dus niet onder de rechtvaardigheid.2. Aan iedereen het zijne geven is de daad van de rechtvaardigheid, zoals boven (58e Kw. 11e Art.) gezegd is. Welnu, door verdeling wordt niet aan eenieder het zijne gegeven, maar er wordt hem iets nieuws toegeëigend wat gemeenschappelijk was. Dit valt dus niet onder de rechtvaardigheid.
3. Praeterea, justitia non solum est in principe, sed etiam in subditis, ut supra habitum est [q. 58. art. 6.]. Sed distribuere semper ad principem pertinet. Ergo distributiva non pertinet semper ad justitiam.
3. Zooals boven (58e Kw. 6e Art.) gezegd werd, bestaat de rechtvaardigheid niet alleen in den vorst maar tevens in de onderdanen. Welnu, verdeelen komt altijd aan den vorst toe. Derhalve valt het verdeelen niet onder de rechtvaardigheid.3. Zoals boven (58e Kw. 6e Art.) gezegd werd, bestaat de rechtvaardigheid niet alleen in de vorst maar tevens in de onderdanen. Welnu, verdelen komt altijd aan de vorst toe. Derhalve valt het verdelen niet onder de rechtvaardigheid.
4. Praeterea, « Distributivum justum est bonorum communium », ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 4.]. Sed communia pertinent ad justitiam legalem. Ergo justitia distributiva non est species justitiae particularis, sed justitiae legalis.
4. « Het verdeelende recht slaat op gemeenschappelijke goederen », zooals gezegd wordt in de Ethica. Welnu, wat gemeenschappelijk is valt onder de wettelijke rechtvaardigheid. Derhalve is de verdeelende rechtvaardigheid geen soort van de bijzondere rechtvaardigheid, maar wel van de wettelijke.4. “Het verdelende recht slaat op gemeenschappelijke goederen”, zoals gezegd wordt in de Ethica. Welnu, wat gemeenschappelijk is valt onder de wettelijke rechtvaardigheid. Derhalve is de verdelende rechtvaardigheid geen soort van de bijzondere rechtvaardigheid, maar wel van de wettelijke.
5. Praeterea, unum, et multa non diversificant speciem virtutis. Sed justitia commutativa consistit in hoc, quod aliquid redditur uni; justitia 108vero distributiva in hoc, quod aliquid datur multis. Ergo non sunt diversae species justitiae.
5. Het eene en het vele doen de deugd niet soortelijk verschillen. Welnu, de ruilrechtvaardigheid bestaat hierin, dat aan één 108iets gegeven wordt; de verdeelende rechtvaardigheid hierin, dat men aan velen iets geeft. Derhalve zijn beide geen verschillende soorten van rechtvaardigheid.5. Het ene en het vele doen de deugd niet soortelijk verschillen. Welnu, de ruilrechtvaardigheid bestaat hierin, dat aan één 108iets gegeven wordt; de verdelende rechtvaardigheid hierin, dat men aan velen iets geeft. Derhalve zijn beide geen verschillende soorten van rechtvaardigheid.
Sed contra est, quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 2.] ponit duas partes justitiae, et dicit, quod « una est directiva in distributionibus, alia in commutationibus ».
Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer twee soorten rechtvaardigheid onderscheidt en zegt dat « de eene de verdeeling regelt en de andere de ruilingen ».Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer twee soorten rechtvaardigheid onderscheidt en zegt dat “de ene de verdeling regelt en de andere de ruilingen”.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [q. 58. art. 7.], justitia particularis ordinatur ad aliquam privatam personam, quae comparatur ad communitatem, sicut pars ad totum. Potest autem ad aliquam partem duplex ordo attendi: unus quidem partis ad partem, cui similis est ordo unius privatae personae ad aliam; et hunc ordinem dirigit commutativa justitia, quae consistit in his, quae mutuo fiunt inter duas personas ad invicem. Alius ordo attenditur totius ad partes, et huic ordini assimilatur ordo ejus, quod est commune ad singulas personas; quem quidem ordinem dirigit justitia distributiva, quae est distributiva communium secundum 109proportionalitatem. Et ideo duae sunt justitiae species, scilicet commutativa et distributiva.
Leerstelling. — Zooals gezegd werd (58e Kw. 7e Art.), is de bijzondere rechtvaardigheid gericht op een privaten persoon, die tot de gemeenschap in verhouding staat, als een deel tot het geheel. Met betrekking tot het deel kan men een dubbele verhouding onderscheiden. Ten eerste, de verhouding van deel tot deel; de verhouding van enkeling tot enkeling staat hiermee gelijk. Deze verhouding nu wordt geregeld door de ruilrechtvaardigheid, die de wederzijdsche ruilingen tusschen twee personen tot voorwerp heeft. — Ten tweede, de verhouding van het geheel tot de deelen. Hiermee komt de verhouding van het gemeenschappelijke tot de enkelingen overeen. Deze verhouding wordt geregeld door de verdeelende rechtvaardigheid, die volgens evenredigheid de gemeenschappelijke goederen verdeelt. Derhalve 109zijn er twee soorten rechtvaardigheid, nl. de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (58e Kw. 7e Art.), is de bijzondere rechtvaardigheid gericht op een privaten persoon, die tot de gemeenschap in verhouding staat, als een deel tot het geheel. Met betrekking tot het deel kan men een dubbele verhouding onderscheiden. Ten eerste, de verhouding van deel tot deel; de verhouding van enkeling tot enkeling staat hiermee gelijk. Deze verhouding nu wordt geregeld door de ruilrechtvaardigheid, die de wederzijdse ruilingen tussen twee personen tot voorwerp heeft. — Ten tweede, de verhouding van het geheel tot de delen. Hiermee komt de verhouding van het gemeenschappelijke tot de enkelingen overeen. Deze verhouding wordt geregeld door de verdelende rechtvaardigheid, die volgens evenredigheid de gemeenschappelijke goederen verdeelt. Derhalve 109zijn er twee soorten rechtvaardigheid, nl. de verdelende en de ruilrechtvaardigheid.
Ad primum dicendum, quod sicut in largitionibus privatarum personarum commendatur moderatio, effusio vero culpatur, ita etiam in distributione communium bonorum est moderatio servanda, in quo dirigit justitia distributiva.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenals bij de vrijgevigheid van de enkelingen gematigdheid wordt aanbevolen en verkwisting daarentegen afgekeurd, zoo ook moet, bij de verdeeling van gemeenschappelijke goederen, die door de verdeelende rechtvaardigheid geregeld wordt, maat worden gehouden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Evenals bij de vrijgevigheid van de enkelingen gematigdheid wordt aanbevolen en verkwisting daarentegen afgekeurd, zo ook moet, bij de verdeling van gemeenschappelijke goederen, die door de verdelende rechtvaardigheid geregeld wordt, maat worden gehouden.
Ad secundum dicendum, quod sicut pars et totum quodammodo sunt idem, ita id quod est totius, quodammodo est partis. Et ita cum ex bonis communibus aliquid in singulos distribuitur, quilibet aliquo modo recipit quod suum est.
2. Zooals het deel en het geheel eenigszins hetzelfde zijn, zoo ook is datgene wat tot het geheel behoort, eenigszins van het deel. En op die wijze krijgt ieder, bij het verdeelen van gemeenschappelijk goed onder de enkelingen, in zekeren zin iets van het zijne.2. Zoals het deel en het geheel enigszins hetzelfde zijn, zo ook is datgene wat tot het geheel behoort, enigszins van het deel. En op die wijze krijgt ieder, bij het verdelen van gemeenschappelijk goed onder de enkelingen, in zekeren zin iets van het zijne.
Ad tertium dicendum, quod actus distributionis, qui est communium bonorum, pertinet solum ad praesidentem communibus bonis. Sed tamen justitia distributiva est etiam in subditis, quibus distribuitur, inquantum scilicet sunt contenti justa distributione; quamvis etiam distributio quandoque fiat bonorum communium, non quidem civitati, sed uni familiae, quorum distributio fieri potest auctoritate alicujus privatae personae.
3. De verdeeling van gemeenschappelijke goederen komt alleen toe aan hem die de gemeenschappelijke goederen beheert: toch is de verdeelende rechtvaardigheid ook in de onderdanen aan wie wordt uitgedeeld, voor zoover zij vrede nemen met een rechtvaardige verdeeling. Toch komt het ook soms voor, dat de gemeenschappelijke goederen, die niet aan den staat maar aan een familie toebehooren, worden uitgedeeld; deze verdeeling mag geschieden door het gezag van een privaten persoon.3. De verdeling van gemeenschappelijke goederen komt alleen toe aan hem die de gemeenschappelijke goederen beheert: toch is de verdelende rechtvaardigheid ook in de onderdanen aan wie wordt uitgedeeld, voor zover zij vrede nemen met een rechtvaardige verdeling. Toch komt het ook soms voor, dat de gemeenschappelijke goederen, die niet aan de staat maar aan een familie toebehoren, worden uitgedeeld; deze verdeling mag geschieden door het gezag van een privaten persoon.
110Ad quartum dicendum, quod motus accipit speciem a termino ad quem; et ideo ad justitiam legalem pertinet ordinare ea, quae sunt privatarum personarum in bonum commune. Sed ordinare e contrario bonum commune ad personas particulares per distributionem, est justitiae particularis.
1104. De beweging wordt soortelijk bepaald door den term waarheen ze gericht is. Daarom komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de bezittingen van private personen naar het algemeen welzijn te richten: maar omgekeerd, het algemeen welzijn door goederenverdeeling ordenen naar de private personen, komt aan de bijzondere rechtvaardigheid toe.1104. De beweging wordt soortelijk bepaald door de term waarheen ze gericht is. Daarom komt het aan de wettelijke rechtvaardigheid toe de bezittingen van private personen naar het algemeen welzijn te richten: maar omgekeerd, het algemeen welzijn door goederenverdeling ordenen naar de private personen, komt aan de bijzondere rechtvaardigheid toe.
Ad quintum dicendum, quod justitia distributiva et commutativa non solum distinguuntur secundum unum et multa, sed secundum diversam debiti rationem: alio enim modo debetur alicui id quod est commune, et alio modo id quod est proprium.
5. De verdeelende en de ruilrechtvaardigheid zijn niet enkel door één en veel onderscheiden, maar naar een wezenlijk verschil in de verplichting: datgene immers wat gemeenschappelijk is, en dat wat eigen is, komt aan iemand toe op verschillende wijze.5. De verdelende en de ruilrechtvaardigheid zijn niet enkel door één en veel onderscheiden, maar naar een wezenlijk verschil in de verplichting: datgene immers wat gemeenschappelijk is, en dat wat eigen is, komt aan iemand toe op verschillende wijze.
Utrum medium eodem modo accipiatur in justitia distributiva et commutativa
Wordt het midden in denzelfden zin opgevat in de verdeelende en in de ruilrechtvaardigheid?Wordt het midden in dezelfde zin opgevat in de verdelende en in de ruilrechtvaardigheid?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod medium eodem modo accipiatur in justitia distributiva et commutativa: utraque enim sub justitia particulari continetur, ut dictum est [art. praec.]. Sed in omnibus 111temperantiae vel fortitudinis partibus accipitur uno modo medium. Ergo etiam eodem modo medium est accipiendum in justitia distributiva et commutativa.
Bedenkingen. — Men beweert, dat in de verdeelende en in de ruilrechtvaardigheid het midden in denzelfden zin wordt opgevat. — 1. Beide immers vallen onder de bijzondere rechtvaardigheid, zooals gezegd is (vorig Art.). Welnu, voor al de 111deelen van de matigheid en de sterkte wordt het midden in denzelfden zin opgevat. Derhalve moet ook voor de verdeelende en voor de ruilrechtvaardigheid het midden in denzelfden zin worden opgevat.Bedenkingen. — Men beweert, dat in de verdelende en in de ruilrechtvaardigheid het midden in dezelfde zin wordt opgevat. — 1. Beide immers vallen onder de bijzondere rechtvaardigheid, zoals gezegd is (vorig Art.). Welnu, voor al de 111delen van de matigheid en de sterkte wordt het midden in dezelfde zin opgevat. Derhalve moet ook voor de verdelende en voor de ruilrechtvaardigheid het midden in dezelfde zin worden opgevat.
2. Praeterea, forma virtutis moralis in medio consistit, quod secundum rationem determinatur. Cum ergo unius virtutis sit una forma, videtur quod in utraque sit eodem modo medium accipiendum.
2. De vorm van de zedelijke deugd is het door-de-rede-bepaalde midden. Daar nu de vorm van een deugd één is, lijkt het wel, dat in beide het midden in denzelfden zin moet worden opgevat.2. De vorm van de zedelijke deugd is het door-de-rede-bepaalde midden. Daar nu de vorm van een deugd één is, lijkt het wel, dat in beide het midden in dezelfde zin moet worden opgevat.
3. Praeterea, in justitia distributiva accipitur medium attendendo diversam dignitatem personarum. Sed dignitas personarum attenditur etiam in commutativa justitia, sicut in punitionibus: plus enim punitur qui percutit principem, quam qui percutit privatam personam. Ergo eodem modo accipitur medium in utraque justitia.
3. In de verdeelende rechtvaardigheid wordt het midden bepaald met het oog op het waardigheidsverschil van de personen. Welnu, ook in de ruilrechtvaardigheid wordt rekening gehouden met de waardigheid van de personen: zoo b.v. met betrekking tot de straffen; hij die den vorst slaat wordt immers zwaarder gestraft dan hij die een privaat persoon slaat. Derhalve moet in beide het midden op dezelfde wijze worden bepaald.3. In de verdelende rechtvaardigheid wordt het midden bepaald met het oog op het waardigheidsverschil van de personen. Welnu, ook in de ruilrechtvaardigheid wordt rekening gehouden met de waardigheid van de personen: zo bv. met betrekking tot de straffen; hij die de vorst slaat wordt immers zwaarder gestraft dan hij die een privaat persoon slaat. Derhalve moet in beide het midden op dezelfde wijze worden bepaald.
Sed contra est, quod Philosophus dicit in 5. Ethic. [cap. 3.] quod in justitia distributiva accipitur medium secundum geometricam proportionalitatem; in commutativa autem secundum arithmeticam.
Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat in de verdeelende rechtvaardigheid het midden naar meetkundige verhouding bepaald wordt, in de ruilrechtvaardigheid echter naar rekenkundige evenredigheid.Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer zegt, dat in de verdelende rechtvaardigheid het midden naar meetkundige verhouding bepaald wordt, in de ruilrechtvaardigheid echter naar rekenkundige evenredigheid.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], in 112distributiva justitia datur aliquid alicui privatae personae, inquantum id quod est totius, est debitum parti; quod quidem tanto majus est, quanto ipsa pars majorem principalitatem habet in toto. Et ideo in distributiva justitia tanto plus alicui de bonis communibus datur, quanto illa persona majorem habet principalitatem in communitate. Quae quidem principalitas in aristocratica communitate attenditur secundum virtutem; in olicratia1 secundum divitias; in democratia2 secundum libertatem, et in aliis aliter. Et ideo in justitia distributiva non accipitur medium secundum aequalitatem rei ad rem, sed secundum proportionem rerum ad personas, ut scilicet sicut una persona excedit aliam, ita etiam res quae datur uni personae, excedat rem quae datur alii. Et ideo dicit Philosophus [lib. 5. Ethic. cap. 3.], quod tale medium est secundum geometricam proportionalitatem, in qua attenditur aequale non secundum quantitatem, sed secundum proportionem, sicut si dicamus, quod sicut se habent sex ad quatuor, ita se 113habent tria ad duo, quia utrobique est sesquialtera proportio in qua majus habet totum minus, et mediam partem ejus; non autem est aequalitas excessus secundum quantitatem, quia sex excedunt quatuor in duobus, tria vero excedunt duo in uno.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (vorig Art.), wordt in 112de verdeelende rechtvaardigheid aan den privaten persoon iets gegeven voor zoover dat wat van het geheel is, aan het deel toekomt. Dit nu is aanzienlijker naar gelang het deel zelf in het geheel een voornamere plaats inneemt. En zoo wordt door de verdeelende rechtvaardigheid aan een persoon een aanzienlijker deel van de gemeenschappelijke goederen gegeven, naar gelang die persoon in de gemeenschap een voornamere plaats bekleedt. In een regeering nu van voornamen en edelen wordt die voorrang bepaald naar de deugd, in een regeering van rijken naar hun bezit, in een volksregeering naar de vrijheid, en in andere regeeringen anders. Daarom wordt in de verdeelende rechtvaardigheid het midden niet bepaald naar de gelijkheid tusschen zaken, maar naar de evenredigheid van de zaken tot de personen; en evenals de eene persoon den ander overtreft, evenzoo moet het goed dat aan den een wordt gegeven, datgene overtreffen wat aan den ander wordt toegekend. Daarom zegt de Wijsgeer, dat dit midden bepaald wordt naar meetkundige evenredigheid, waarin niet de gelijkheid in de hoegrootheid in acht genomen wordt, maar wel de gelijkheid in de verhouding. Zoo zeggen wij ook dat, evenals zes zich tot vier verhoudt, zoo ook drie tot twee, want in beide verhoudingen is de eerste term anderhalf maal 113zoo groot als de tweede, en houdt dus de grootste term heel den kleineren in en nog de helft ervan: en toch is er geen gelijkheid tusschen de grootste termen, kwantitatief genomen, want zes is twee meer dan vier, terwijl drie maar een meer is dan twee.Leerstelling. — Zoals gezegd is (vorig Art.), wordt in 112de verdelende rechtvaardigheid aan de private persoon iets gegeven voor zover dat wat van het geheel is, aan het deel toekomt. Dit nu is aanzienlijker naar gelang het deel zelf in het geheel een voornamere plaats inneemt. En zo wordt door de verdelende rechtvaardigheid aan een persoon een aanzienlijker deel van de gemeenschappelijke goederen gegeven, naar gelang die persoon in de gemeenschap een voornamere plaats bekleedt. In een regering nu van voornamen en edelen wordt die voorrang bepaald naar de deugd, in een regering van rijken naar hun bezit, in een volksregering naar de vrijheid, en in andere regeringen anders. Daarom wordt in de verdelende rechtvaardigheid het midden niet bepaald naar de gelijkheid tussen zaken, maar naar de evenredigheid van de zaken tot de personen; en evenals de ene persoon de ander overtreft, evenzo moet het goed dat aan de een wordt gegeven, datgene overtreffen wat aan de ander wordt toegekend. Daarom zegt de Wijsgeer, dat dit midden bepaald wordt naar meetkundige evenredigheid, waarin niet de gelijkheid in de hoegrootheid in acht genomen wordt, maar wel de gelijkheid in de verhouding. Zo zeggen wij ook dat, evenals zes zich tot vier verhoudt, zo ook drie tot twee, want in beide verhoudingen is de eerste term anderhalf maal 113zo groot als de tweede, en houdt dus de grootste term heel de kleineren in en nog de helft ervan: en toch is er geen gelijkheid tussen de grootste termen, kwantitatief genomen, want zes is twee meer dan vier, terwijl drie maar een meer is dan twee.
Sed in commutationibus redditur aliquid alicui singulari personae propter rem ejus, quae accepta est, ut maxime patet in emptione et venditione, in quibus primo invenitur ratio commutationis; et ideo oportet adaequare rem rei, ut quanto iste plus habet quam suum sit, de eo quod est alterius, tantumdem restituat ei cujus est. Et sic fit aequalitas secundum arithmeticam medietatem, quae attenditur secundum parem quantitatis excessum, sicut quinque est medium inter sex et quatuor: in unitate enim excedit et exceditur. Si ergo a principio uterque habebat quinque, et unus eorum accepit unum de eo quod est alterius, unus (scilicet accipiens) habebit sex, et alii relinquentur quatuor. Erit ergo justitia, si uterque reducatur ad medium, ut accipiatur unum ab eo qui habet sex, et detur ei qui habet quatuor: sic enim uterque habebit quinque, quod est medium.
In den ruilhandel nu wordt iets aan een enkeling gegeven om een van hem ontvangen zaak, zooals voornamelijk blijkt bij koop en verkoop, waarin op de eerste plaats het begrip ruiling verwerkelijkt wordt. Daarom moet men voor een zaak een gelijkwaardige zaak weergeven, opdat deze, die meer heeft dan hem toekomt van datgene wat aan een ander behoort, evenzooveel zou teruggeven aan hem wien het toekomt. En zoo bekomt men een gelijkheid overeenkomstig het rekenkundig midden, dat bepaald wordt tusschen twee hoegrootheden, die evenver van het midden afwijken, zooals vijf het midden houdt tusschen zes en vier, omdat beiden er een eenheid van afwijken. Wanneer nu twee personen aanvankelijk elk vijf hadden, en een van beiden van den ander een ontving, dan zal hij, die ontvangt, zes hebben, en zal er voor den ander slechts vier overblijven. De rechtvaardigheid zal dus hersteld zijn, als voor beiden het midden weer hersteld wordt, door één te ontnemen aan hem, die zes heeft, en te geven aan hem, die maar vier bezit: zoo immers zullen beide vijf hebben, dat het midden is.In de ruilhandel nu wordt iets aan een enkeling gegeven om een van hem ontvangen zaak, zoals voornamelijk blijkt bij koop en verkoop, waarin op de eerste plaats het begrip ruiling verwerkelijkt wordt. Daarom moet men voor een zaak een gelijkwaardige zaak weergeven, opdat deze, die meer heeft dan hem toekomt van datgene wat aan een ander behoort, evenzoveel zou teruggeven aan hem wie het toekomt. En zo bekomt men een gelijkheid overeenkomstig het rekenkundig midden, dat bepaald wordt tussen twee hoegrootheden, die evenver van het midden afwijken, zoals vijf het midden houdt tussen zes en vier, omdat beiden er een eenheid van afwijken. Wanneer nu twee personen aanvankelijk elk vijf hadden, en een van beiden van de ander een ontving, dan zal hij, die ontvangt, zes hebben, en zal er voor de ander slechts vier overblijven. De rechtvaardigheid zal dus hersteld zijn, als voor beiden het midden weer hersteld wordt, door één te ontnemen aan hem, die zes heeft, en te geven aan hem, die maar vier bezit: zo immers zullen beide vijf hebben, dat het midden is.
114Ad primum ergo dicendum, quod in aliis virtutibus moralibus accipitur medium secundum rationem, et non secundum rem. Sed in justitia accipitur medium rei. Et ideo secundum diversitatem rerum diversimode medium accipitur.
114Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Voor de andere zedelijke deugden wordt het midden overeenkomstig de rede en niet overeenkomstig de zaak bepaald. Het midden van de rechtvaardigheid echter is een zaakmidden; en bijgevolg zal het midden op verschillende wijze bepaald worden, overeenkomstig het verschil der zaken.114Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Voor de andere zedelijke deugden wordt het midden overeenkomstig de rede en niet overeenkomstig de zaak bepaald. Het midden van de rechtvaardigheid echter is een zaakmidden; en bijgevolg zal het midden op verschillende wijze bepaald worden, overeenkomstig het verschil van de zaken.
Ad secundum dicendum, quod generalis forma justitiae est aequalitas, in qua convenit justitia distributiva cum commutativa; in una tamen invenitur aequalitas secundum proportionalitatem geometricam, in alia secundum arithmeticam.
2. Het algemeen bepalend beginsel van de rechtvaardigheid is de gelijkheid, waarin verdeelende rechtvaardigheid en ruilrechtvaardigheid overeenkomen. In de eene echter wordt die gelijkheid naar meetkundige, in de andere naar rekenkundige evenredigheid bepaald.2. Het algemeen bepalend beginsel van de rechtvaardigheid is de gelijkheid, waarin verdelende rechtvaardigheid en ruilrechtvaardigheid overeenkomen. In de ene echter wordt die gelijkheid naar meetkundige, in de andere naar rekenkundige evenredigheid bepaald.
Ad tertium dicendum, quod in actionibus et passionibus conditio personae facit ad quantitatem rei: major enim est injuria, si percutiatur princeps quam si percutiatur privata persona; et ideo conditio personae in distributiva justitia attenditur secundum se; in commutativa autem, secundum quod per hoc diversificatur res.
3. Met betrekking tot handelen en ondergaan draagt de waardigheid van den persoon bij tot de hoegrootheid van de zaak: den vorst slaan is immers grooter onrecht dan een privaat persoon te slaan. Zoo wordt dan in de verdeelende rechtvaardigheid de waardigheid van den persoon beschouwd in zichzelf, terwijl de ruilrechtvaardigheid er rekening mee houdt voor zoover daardoor de zaak verandert.3. Met betrekking tot handelen en ondergaan draagt de waardigheid van de persoon bij tot de hoegrootheid van de zaak: de vorst slaan is immers groter onrecht dan een privaat persoon te slaan. Zo wordt dan in de verdelende rechtvaardigheid de waardigheid van de persoon beschouwd in zichzelf, terwijl de ruilrechtvaardigheid er rekening mee houdt voor zover daardoor de zaak verandert.
Utrum materia utriusque justitiae sit diversa
Bestrijken de twee soorten rechtvaardigheid een verschillend gebied?
115Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod materia utriusque justitiae non sit diversa: diversitas enim materiae facit diversitatem virtutis, ut patet in temperantia et fortitudine. Si ergo distributivae justitiae et commutativae sit diversa materia, videtur quod non contineantur sub una virtute, scilicet sub justitia.
115Bedenkingen. — Men beweert, dat de twee soorten rechtvaardigheid geen verschillend gebied bestrijken. — 1. Een onderscheiden gebied immers geeft een onderscheiden deugd, zooals blijkt bij de matigheid en de sterkte. Bestrijken dus de verdeelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid een onderscheiden gebied, dan lijkt het wel dat ze niet te herleiden zijn tot één deugd, nl. tot de rechtvaardigheid.115Bedenkingen. — Men beweert, dat de twee soorten rechtvaardigheid geen verschillend gebied bestrijken. — 1. Een onderscheiden gebied immers geeft een onderscheiden deugd, zoals blijkt bij de matigheid en de sterkte. Bestrijken dus de verdelende rechtvaardigheid en de ruilrechtvaardigheid een onderscheiden gebied, dan lijkt het wel dat ze niet te herleiden zijn tot één deugd, nl. tot de rechtvaardigheid.
2. Praeterea, distributio, quae pertinet ad justitiam distributivam, est « pecuniae, vel honoris, vel aliorum, quaecumque dispartiri possunt inter eos, qui civitate communicant », ut dicitur in 5. Ethic. [cap. 2.], quorum etiam est commutatio inter personas ad invicem, quae pertinet ad commutativam justitiam. Ergo non est diversa materia distributivae et commutativae justitiae.
2. De verdeeling, die onder de verdeelende rechtvaardigheid valt, heeft tot voorwerp « het geld of de eer of iets anders wat verdeelbaar is onder de leden van een gemeenschap », zooals in de Ethica gezegd wordt. Ook de ruilhandel, die onder de ruilrechtvaardigheid valt, heeft die dingen tot voorwerp. Derhalve bestrijken verdeelende en ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied.2. De verdeling, die onder de verdelende rechtvaardigheid valt, heeft tot voorwerp “het geld of de eer of iets anders wat verdeelbaar is onder de leden van een gemeenschap”, zoals in de Ethica gezegd wordt. Ook de ruilhandel, die onder de ruilrechtvaardigheid valt, heeft die dingen tot voorwerp. Derhalve bestrijken verdelende en ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied.
3. Praeterea, si sit alia materia distributivae justitiae, et alia materia 116commutativae, propter hoc quod differunt specie, ubi non erit differentia speciei, non debebit esse materiae diversitas. Sed Philosophus [loc. cit.], ponit unam speciem commutativae justitiae, quae tamen habet multiplicem materiam. Non ergo videtur esse multiplex materia harum specierum.
3. Indien de verdeelende rechtvaardigheid en de 116ruilrechtvaardigheid, om reden van hun soortelijk verschil een onderscheiden gebied bestrijken, zal daar waar geen soortelijk verschil bestaat, geen verschillend gebied moeten zijn. Welnu, de Wijsgeer neemt slechts één soort van ruilrechtvaardigheid aan, die toch onderscheiden gebieden bestrijkt. Derhalve schijnt het gebied van beide soorten rechtvaardigheid wel niet onderscheiden te zijn.3. Indien de verdelende rechtvaardigheid en de 116ruilrechtvaardigheid, om reden van hun soortelijk verschil een onderscheiden gebied bestrijken, zal daar waar geen soortelijk verschil bestaat, geen verschillend gebied moeten zijn. Welnu, de Wijsgeer neemt slechts één soort van ruilrechtvaardigheid aan, die toch onderscheiden gebieden bestrijkt. Derhalve schijnt het gebied van beide soorten rechtvaardigheid wel niet onderscheiden te zijn.
Sed in contrarium est, quod dicitur in 5. Ethic. [loc. cit.], quod « una species justitiae est directiva in distributionibus, et alia in commutationibus ».
Daartegenover staat echter, dat in de Ethica wordt gezegd: « De eene soort rechtvaardigheid regelt de verdeeling, de andere den ruilhandel ».Daartegenover staat echter, dat in de Ethica wordt gezegd: “De ene soort rechtvaardigheid regelt de verdeling, de andere de ruilhandel”.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [q. 58. art. 8. et 10.], justitia est circa quasdam operationes exteriores, scilicet distributionem et commutationem; quae quidem sunt usus quorumdam exteriorum, vel rerum, vel personarum, vel etiam operum: rerum quidem, sicut cum aliquis vel aufert vel restituit alteri suam rem; personarum autem, sicut cum aliquis in ipsam personam hominis injuriam facit, puta percutiendo vel conviciando; aut etiam cum irreverentiam exhibet; operum autem, sicut cum aliquis juste ab alio exigit, vel alteri reddit aliquod opus. Si ergo 117accipiamus ut materiam utriusque justitiae ea, quorum operationes sunt usus, eadem est materia distributivae et commutativae justitiae, nam et res distribui possunt a communi in singulos, et commutari de uno in alium. Et etiam est quaedam distributio laboriosorum operum et recompensatio.
Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (58e Kw. 8e en 10e Art.), heeft de rechtvaardigheid sommige uitwendige handelingen tot voorwerp, nl. de verdeeling en den ruilhandel; deze nu bestaan in het gebruiken van uiterlijke zaken, personen en ook werken; gebruik van zaken, wanneer b.v. iemand aan een ander een zaak ontneemt of teruggeeft, die hem toebehoort; gebruik van personen, wanneer b.v. iemand aan den persoon zelf van een mensch onrecht doet, door hem te slaan of te smaden, of ook wanneer hij hem eerbied betuigt; gebruik van werken, wanneer iemand op rechtmatige wijze van een ander een dienst 117vraagt of hem een dienst bewijst. Wanneer wij dus aanvaarden dat die dingen, die bij de handelingen worden gebruikt, tot het gebied van beide soorten rechtvaardigheid behooren, dan bestrijken de verdeelende en de ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied. Want de zaken kunnen, door verdeeling, van het gemeenschappelijk bezit, overgaan op private personen, en tusschen den een en den ander worden ingeruild; ook bestaat er een zekere verdeeling van en vergoeding voor het zwaardere werk.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (58e Kw. 8e en 10e Art.), heeft de rechtvaardigheid sommige uitwendige handelingen tot voorwerp, nl. de verdeling en de ruilhandel; deze nu bestaan in het gebruiken van uiterlijke zaken, personen en ook werken; gebruik van zaken, wanneer bv. iemand aan een ander een zaak ontneemt of teruggeeft, die hem toebehoort; gebruik van personen, wanneer bv. iemand aan de persoon zelf van een mens onrecht doet, door hem te slaan of te smaden, of ook wanneer hij hem eerbied betuigt; gebruik van werken, wanneer iemand op rechtmatige wijze van een ander een dienst 117vraagt of hem een dienst bewijst. Wanneer wij dus aanvaarden dat die dingen, die bij de handelingen worden gebruikt, tot het gebied van beide soorten rechtvaardigheid behoren, dan bestrijken de verdelende en de ruilrechtvaardigheid hetzelfde gebied. Want de zaken kunnen, door verdeling, van het gemeenschappelijk bezit, overgaan op private personen, en tussen de een en de ander worden ingeruild; ook bestaat er een zekere verdeling van en vergoeding voor het zwaardere werk.
Si autem accipiamus ut materiam utriusque justitiae actiones ipsas principales, quibus utimur personis, rebus, et operibus, sic invenitur utrobique alia materia, nam distributiva justitia est directiva distributionum, commutativa vero justitia est directiva commutationum, quae attendi possunt inter duas personas;
Nemen wij echter aan, dat alleen de voornaamste handelingen, waardoor wij gebruik maken van personen, zaken en werken, het gebied van beide soorten rechtvaardigheid uitmaken, dan komt aan beide een speciaal gebied toe. Immers, de verdeelende rechtvaardigheid regelt de verdeelingen; de ruilrechtvaardigheid echter de ruilhandelingen, die tusschen twee personen zich kunnen voordoen.Nemen wij echter aan, dat alleen de voornaamste handelingen, waardoor wij gebruik maken van personen, zaken en werken, het gebied van beide soorten rechtvaardigheid uitmaken, dan komt aan beide een speciaal gebied toe. Immers, de verdelende rechtvaardigheid regelt de verdelingen; de ruilrechtvaardigheid echter de ruilhandelingen, die tussen twee personen zich kunnen voordoen.
quarum quaedam sunt involuntariae, quaedam vero voluntariae. Involuntariae quidem, quando aliquis utitur re alterius, vel persona, vel opere, eo invito; quod quidem contingit quandoque occulte per fraudem, quandoque etiam manifeste per violentiam: utrumque autem contingit, aut in rem, aut in personam propriam, aut in personam conjunctam: in rem quidem, si occulte unus rem alterius accipiat, et vocatur 118furtum; si autem manifeste, vocatur rapina; in personam autem propriam, vel quantum ad ipsam consistentiam personae, vel quantum ad dignitatem ipsius: si autem quantum ad consistentiam personae, sic laeditur aliquis occulte per dolosam occisionem seu percussionem, et per veneni exhibitionem; manifeste autem per manifestam occisionem, aut per incarcerationem, aut verberationem, seu membri mutilationem. Quantum autem ad dignitatem personae laeditur aliquis, occulte quidem per falsa testimonia seu detractiones, quibus aliquis aufert famam suam, et per alia hujusmodi; manifeste autem per accusationem in judicio, seu per convicii illationem. Quantum autem ad personam conjunctam, laeditur aliquis in uxore ut in pluribus occulte per adulterium; in servo autem, cum aliquis servum seducit, ita ut a domino discedat; et haec etiam manifeste fieri possunt. Et eadem ratio est de aliis personis conjunctis, in quas etiam possunt omnibus modis injuriae committi, sicut et in personam principalem. Sed adulterium et servi 119seductio sunt propriae injuriae circa has personas. Tamen quia servus est possessio quaedam, hoc refertur ad furtum.
Hieronder zijn er die zich onwillens voordoen, en andere willens. Onwillens, wanneer iemand een zaak, den persoon of het werk van een ander gebruikt tegen zijn wil in. Dit nu gebeurt soms in het verborgen door bedrog, en soms ook openlijk, door geweld. Beide gevallen nu doen zich voor met betrekking ofwel tot een zaak, ofwel tot de eigen persoon van iemand, ofwel tot de persoon van een ander, die met hem verbonden is. Ten eerste, met betrekking tot een zaak: wanneer iemand op bedekte wijze 118zich een andermans zaak toeëigent, heet dit diefstal; indien het echter openlijk gebeurt noemt men het roof. — Met betrekking tot de eigen persoon van iemand moet men nog twee gevallen onderscheiden; ofwel wordt die persoon aangetast in haar bestaan zelf ofwel in hare waardigheid. Iemand wordt in het bestaan zelf van zijn persoon aangetast op bedekte wijze door listige vermoording of slagen, en door toedienen van vergift; openlijk echter door doodslag in het openbaar, of door opsluiting ofwel door stokslagen of door verminking van een lidmaat. — In de waardigheid van zijn persoon wordt iemand op bedekte wijze aangetast door valsche getuigenissen of kwaadsprekerij waardoor men iemand zijn faam ontneemt, en door andere dingen van dien aard; openlijk echter door beschuldiging voor het gerecht of door verspreiding van laster. — Met betrekking tot een met zich verbonden persoon wordt iemand benadeeld in zijn vrouw, meestal op bedekte wijze, door overspel; in zijn slaaf, wanneer iemand dezen aanzet om zijn heer te verlaten; deze laatste gevallen kunnen zich ook openlijk voordoen. Hetzelfde geldt ook voor de personen, die nog op andere wijze verbonden zijn met iemand, want ook tegen hen kan op allerlei wijze onrecht worden gepleegd, evenals tegenover de voornaamste persoon. Overspel en verleiden van een dienaar echter is eigenlijk onrecht ten aanzien van de betrokken personen zelf: wijl echter 119een slaaf beschouwd wordt als het bezit van zijn heer, wordt dit tot diefstal herleid.Hieronder zijn er die zich onwillens voordoen, en andere willens. Onwillens, wanneer iemand een zaak, de persoon of het werk van een ander gebruikt tegen zijn wil in. Dit nu gebeurt soms in het verborgen door bedrog, en soms ook openlijk, door geweld. Beide gevallen nu doen zich voor met betrekking ofwel tot een zaak, ofwel tot de eigen persoon van iemand, ofwel tot de persoon van een ander, die met hem verbonden is. Ten eerste, met betrekking tot een zaak: wanneer iemand op bedekte wijze 118zich een andermans zaak toeëigent, heet dit diefstal; indien het echter openlijk gebeurt noemt men het roof. — Met betrekking tot de eigen persoon van iemand moet men nog twee gevallen onderscheiden; ofwel wordt die persoon aangetast in haar bestaan zelf ofwel in haar waardigheid. Iemand wordt in het bestaan zelf van zijn persoon aangetast op bedekte wijze door listige vermoording of slagen, en door toedienen van vergift; openlijk echter door doodslag in het openbaar, of door opsluiting ofwel door stokslagen of door verminking van een lidmaat. — In de waardigheid van zijn persoon wordt iemand op bedekte wijze aangetast door valse getuigenissen of kwaadsprekerij waardoor men iemand zijn faam ontneemt, en door andere dingen van die aard; openlijk echter door beschuldiging voor het gerecht of door verspreiding van laster. — Met betrekking tot een met zich verbonden persoon wordt iemand benadeeld in zijn vrouw, meestal op bedekte wijze, door overspel; in zijn slaaf, wanneer iemand deze aanzet om zijn heer te verlaten; deze laatste gevallen kunnen zich ook openlijk voordoen. Hetzelfde geldt ook voor de personen, die nog op andere wijze verbonden zijn met iemand, want ook tegen hen kan op allerlei wijze onrecht worden gepleegd, evenals tegenover de voornaamste persoon. Overspel en verleiden van een dienaar echter is eigenlijk onrecht ten aanzien van de betrokken personen zelf: wijl echter 119een slaaf beschouwd wordt als het bezit van zijn heer, wordt dit tot diefstal herleid.
Voluntariae autem commutationes dicuntur, quando aliquis voluntarie transfert rem suam in alterum, et si quidem simpliciter in alterum transferat rem suam absque debito, sicut in donatione, non est actus justitiae, sed liberalitatis; intantum autem ad justitiam voluntaria translatio pertinet, inquantum est ibi aliquid de ratione debiti; quod quidem contingit multipliciter: uno modo, quando quis transfert simpliciter rem suam in alterum pro recompensatione alterius rei, sicut accidit in venditione et emptione; alio modo, quando aliquis tradit rem suam alteri, concedens ei usum rei cum debito recuperandi rem; et si quidem gratis concedit usum rei, vocatur usus fructus in rebus, quae aliquid fructificant, vel simpliciter mutuum seu accommodatum in rebus, quae non fructificant, sicut sunt denarii, vasa, et hujusmodi. Si vero nec ipse usus gratis conceditur, vocatur locatio et conductio. Tertio modo aliquis tradit rem suam ut recuperandam, non ratione usus, sed vel ratione conservationis, sicut in deposito, vel ratione 120obligationis, sicut cum quis rem suam pignori obligat, seu cum aliquis pro alio fidejubet.
Die ruilhandelingen echter worden willens genoemd, wanneer iemand willens iets aan een ander overlaat. En indien hij zonder meer zijn bezit aan een ander overlaat, zonder verplichting, zooals bij het wegschenken, dan is dat geen daad van rechtvaardigheid, maar van vrijgevigheid. Het vrijwillig overlaten valt slechts onder de rechtvaardigheid in zooverre daar een verplichting mee samengaat. Dit nu komt voor op drie verschillende manieren. Ten eerste, wanneer iemand zijn bezit zonder meer aan een ander overlaat, als vergelding voor een andere zaak, zooals gebeurt bij verkoop en aankoop. Ten tweede, wanneer iemand zijn zaak aan een ander geeft, en hem het gebruik ervan toestaat, met de verplichting van teruggave. En wanneer hij het gebruik van de zaak om niet afstaat heet men dat, bij dingen die vrucht opleveren, vruchtgebruik; bij dingen die geen vrucht afwerpen, zooals geld, werktuigen en dergelijke, wordt het zonder meer verbruikleening of bruikleening genoemd. Wanneer echter zelfs het gebruik niet om niet wordt toegestaan, spreekt men van huur en verhuur. Ten derde laat iemand zijn zaak over om ze terug te krijgen, niet om reden van gebruik, maar ofwel ter bewaring, zooals bij de bewaargeving; ofwel om reden van verplichting, 120zooals wanneer iemand zijn goed tot pand geeft, of wanneer iemand voor een ander borg blijft.Die ruilhandelingen echter worden willens genoemd, wanneer iemand willens iets aan een ander overlaat. En indien hij zonder meer zijn bezit aan een ander overlaat, zonder verplichting, zoals bij het wegschenken, dan is dat geen daad van rechtvaardigheid, maar van vrijgevigheid. Het vrijwillig overlaten valt slechts onder de rechtvaardigheid in zoverre daar een verplichting mee samengaat. Dit nu komt voor op drie verschillende manieren. Ten eerste, wanneer iemand zijn bezit zonder meer aan een ander overlaat, als vergelding voor een andere zaak, zoals gebeurt bij verkoop en aankoop. Ten tweede, wanneer iemand zijn zaak aan een ander geeft, en hem het gebruik ervan toestaat, met de verplichting van teruggave. En wanneer hij het gebruik van de zaak om niet afstaat heet men dat, bij dingen die vrucht opleveren, vruchtgebruik; bij dingen die geen vrucht afwerpen, zoals geld, werktuigen en dergelijke, wordt het zonder meer verbruiklening of bruiklening genoemd. Wanneer echter zelfs het gebruik niet om niet wordt toegestaan, spreekt men van huur en verhuur. Ten derde laat iemand zijn zaak over om ze terug te krijgen, niet om reden van gebruik, maar ofwel ter bewaring, zoals bij de bewaargeving; ofwel om reden van verplichting, 120zoals wanneer iemand zijn goed tot pand geeft, of wanneer iemand voor een ander borg blijft.
In omnibus autem hujusmodi actionibus, sive voluntariis, sive involuntariis, est eadem ratio accipiendi medium secundum aequalitatem recompensationis. Et ideo omnes istae actiones ad unam speciem justitiae pertinent, scilicet ad commutativam.
Bij al dergelijke handelingen, laten zij dan willens of onwillens gebeuren, moet het midden op dezelfde wijze worden bepaald, nl. naar gelijkheid van vergoeding. En hierom vallen al deze handelingen onder dezelfde soort rechtvaardigheid, nl. onder de ruilrechtvaardigheid.
Utrum justum sit simpliciter idem quod contrapassum
Is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod justum sit simpliciter idem, quod contrapassum: judicium enim divinum est simpliciter justum. Sed haec est forma divini judicii, ut secundum quod aliquis fecit, patiatur, secundum illud Matth. 7. [v. 2] : « In quo judicio judicaveritis, 121judicabimini; et in qua mensura mensi fueritis, remetietur vobis ». Ergo justum est simpliciter idem quod contrapassum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het rechtvaardige zonder meer hetzelfde is als het wedervergoldene. — 1. Het goddelijk oordeel immers is rechtvaardig zonder meer. Welnu, een van de vormen van het goddelijk oordeel bestaat hierin, dat iemand zelf moet ondergaan wat hij een ander heeft aangedaan, naar het woord bij Mattheus (7. 2) : « Naar het oordeel 121waarmee gij oordeelt zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal men ook meten voor u ». Derhalve is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.Bedenkingen. — Men beweert, dat het rechtvaardige zonder meer hetzelfde is als het wedervergoldene. — 1. Het goddelijk oordeel immers is rechtvaardig zonder meer. Welnu, een van de vormen van het goddelijk oordeel bestaat hierin, dat iemand zelf moet ondergaan wat hij een ander heeft aangedaan, naar het woord bij Matteüs (7, 2): “Naar het oordeel 121waarmee gij oordeelt zult gij geoordeeld worden; en met de maat waarmee gij meet, zal men ook meten voor u”. Derhalve is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.
2. Praeterea, in utraque justitiae specie datur aliquid alicui secundum quamdam aequalitatem: in respectu quidem ad dignitatem personae, in justitia distributiva, quae quidem personae dignitas maxime videtur attendi secundum opera, quibus aliqui communitati serviunt1, in respectu autem ad rem, in qua quis damnificatus est, in justitia commutativa. Secundum autem utramque aequalitatem aliquis contrapatitur, secundum quod fecit. Ergo videtur, quod justum simpliciter sit idem quod contrapassum.
2. In beide soorten van rechtvaardigheid wordt aan iemand iets gegeven naar een zekere gelijkheid: in de verdeelende rechtvaardigheid, overeenkomstig de persoonswaardigheid, die voornamelijk geschat wordt naar de diensten, die iemand aan de gemeenschap heeft bewezen; in de ruilrechtvaardigheid, overeenkomstig de zaak waarin iemand benadeeld is. Naar beide soorten van gelijkheid nu wordt iemand wedervergolden wat hij een ander aandeed. Derhalve lijkt het wel dat het rechtvaardige hetzelfde is als het wedervergoldene.2. In beide soorten van rechtvaardigheid wordt aan iemand iets gegeven naar een zekere gelijkheid: in de verdelende rechtvaardigheid, overeenkomstig de persoonswaardigheid, die voornamelijk geschat wordt naar de diensten, die iemand aan de gemeenschap heeft bewezen; in de ruilrechtvaardigheid, overeenkomstig de zaak waarin iemand benadeeld is. Naar beide soorten van gelijkheid nu wordt iemand wedervergolden wat hij een ander aandeed. Derhalve lijkt het wel dat het rechtvaardige hetzelfde is als het wedervergoldene.
3. Praeterea, maxime videtur, quod non oporteat aliquem contrapati, secundum quod fecit, propter differentiam voluntarii et involuntarii: qui enim involuntarie fecit injuriam, minus punitur. Sed voluntarium et involuntarium, quae accipiuntur ex parte nostra, non diversificant medium justitiae, quod est medium rei, et non quoad nos. Ergo justum simpliciter videtur esse idem quod contrapassum.
3. De reden waarom aan iemand niet zou moeten wedervergolden worden, wat hij gedaan heeft, zoo vooral gelegen zijn in het verschil tusschen willens en onwillens: immers, iemand die onwillens onrecht aandoet, wordt minder gestraft. Maar willens en onwillens beteekenen iets met betrekking tot ons, en wijzigen het midden van de rechtvaardigheid niet, dat een zaakmidden is, en niet op ons slaat. Dus is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.3. De reden waarom aan iemand niet zou moeten wedervergolden worden, wat hij gedaan heeft, zo vooral gelegen zijn in het verschil tussen willens en onwillens: immers, iemand die onwillens onrecht aandoet, wordt minder gestraft. Maar willens en onwillens betekenen iets met betrekking tot ons, en wijzigen het midden van de rechtvaardigheid niet, dat een zaakmidden is, en niet op ons slaat. Dus is het rechtvaardige, zonder meer hetzelfde als het wedervergoldene.
122Sed contra est, quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 5.] probat non quodlibet justum esse contrapassum.
122Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer aantoont, dat niet in alle gevallen het rechtvaardige hetzelfde is als het wedervergoldene.
Respondeo dicendum, quod hoc quod dicitur contrapassum, importat aequalem recompensationem passionis ad actionem praecedentem; quod quidem propriissime dicitur in passionibus et actionibus2 injuriosis, quibus aliquis personam proximi laedit, puta si percutit, quod repercutiatur. Et hoc quidem justum determinatur in lege Exod. 21. [v. 23 sqq.] : « Reddet animam pro anima, oculum pro oculo » etc. Et quia etiam auferre rem alterius est quoddam injustum3 facere, ideo secundario etiam in his dicitur contrapassum, prout scilicet aliquis qui damnum intulit, in re sua etiam ipse damnificatur. Et hoc etiam justum damnum4 continetur in lege Exod. 22. [v. 1] : « Si quis furatus fuerit bovem aut ovem, et occiderit vel vendiderit, quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove ». Tertio vero transfertur nomen contrapassi ad voluntarias 123commutationes, in quibus utrinque est actio et passio; sed voluntarium diminuit de ratione passionis, ut dictum est [q. 59. art. 3.].
Leerstelling. — Het wedervergoldene zegt gelijkheid tusschen de vergelding, die men ondergaat, en de bedreven daad. Dit wordt in den meest eigenlijken zin gezegd, waar het gaat om een onrechtvaardig lijden, dat den persoon van den naaste treft; b.v. als iemand slaat, zal hij teruggeslagen worden. En dit recht wordt bepaald in het Boek van den Uittocht (21. 23 vlg.) : « Hij zal leven voor leven geven, en oog voor oog » enz. — Omdat nu ook andermans goed wegnemen een zeker handelen is, daarom wordt, in de tweede plaats, ook bij zulke gevallen van vergelding gesproken: aldus zal iemand, die schade aanrichtte, ook in zijn eigen goed schade berokkend worden. En ook dit recht is vervat in de Wet, in het woord van het Boek van den Uittocht (22. 1) : « Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap ». — Ten derde, wordt de naam wedervergelding overgedragen op 123vrijwillige ruilingen, waarbij handelen en ondergaan betrokken is; maar het vrijwillige vermindert het karakter van ondergaan, zooals gezegd is (59e Kw. 3e Art.).Leerstelling. — Het wedervergoldene zegt gelijkheid tussen de vergelding, die men ondergaat, en de bedreven daad. Dit wordt in de meest eigenlijken zin gezegd, waar het gaat om een onrechtvaardig lijden, dat de persoon van de naaste treft; bv. als iemand slaat, zal hij teruggeslagen worden. En dit recht wordt bepaald in het Boek van de Uittocht (21, 23 vlg.): “Hij zal leven voor leven geven, en oog voor oog” enz. — Omdat nu ook andermans goed wegnemen een zeker handelen is, daarom wordt, in de tweede plaats, ook bij zulke gevallen van vergelding gesproken: aldus zal iemand, die schade aanrichtte, ook in zijn eigen goed schade berokkend worden. En ook dit recht is vervat in de Wet, in het woord van het Boek van de Uittocht (22, 1): “Wanneer iemand een rund of een schaap steelt, en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap”. — Ten derde, wordt de naam wedervergelding overgedragen op 123vrijwillige ruilingen, waarbij handelen en ondergaan betrokken is; maar het vrijwillige vermindert het karakter van ondergaan, zoals gezegd is (59e Kw. 3e Art.).
In omnibus autem his debet fieri, secundum rationem justitiae commutativae, recompensatio secundum aequalitatem, ut scilicet passio recompensata sit aequalis actioni. Non autem semper esset aequalis, si idem specie aliquis pateretur, quod fecit, nam primo quidem cum aliquis injuriose laedit alterius personam majorem, major est actio quam passio ejusdem speciei, quam ipse pateretur; et ideo ille qui percutit principem, non solum repercutitur, sed multo gravius punitur. Similiter etiam cum quis aliquem involuntarium in re sua damnificat, major est actio quam esset passio, si nihil damnificaretur; et ideo punitur in hoc, quod multiplicius restituat, quia etiam non solum damnificavit personam privatam, sed rempublicam, ejus tutelae securitatem infringendo. Similiter etiam nec in commutationibus 124voluntariis esset semper aequalis passio, si quis daret rem suam accipiens rem alterius, quia forte res alterius est multo major quam sua, et ideo oportet secundum quamdam proportionatam commensurationem adaequare passionem actioni in commutationibus, ad quod inventa sunt numismata [cf. Arist. loc. cit.]. Et sic contrapassum est commutativum justum.
In al deze gevallen echter moet de vergoeding, volgens den eigen aard van de ruilrechtvaardigheid, naar gelijkheid geschieden, zoodat nl. wat men ondergaat gelijk is aan wat men heeft gedaan. Die gelijkheid zou echter niet altijd bewaard blijven, wanneer iemand soortelijk hetzelfde onderging van wat hij heeft aangedaan. Want vooreerst, wanneer iemand een hoogergeplaatst persoon beleedigt, is de misdaad grooter dan het lijden-in-dezelfde-soort, dat de beleediger zou ondergaan. En daarom wordt hij, die een vorst slaat, niet slechts teruggeslagen, maar hij wordt veel zwaarder gestraft. — Evenzoo, wanneer iemand een ander, tegen zijn wil in, in zijn goed benadeelt; ook in dit geval is de misdaad grooter dan het lijden zou zijn, indien hem alleen maar dit ding ontnomen werd: aldus immers, zou hij die schade berokkende, in niets geschaad worden. En daarom wordt hij gestraft door de verplichting om een veelvoud van het ontnomene terug te geven: dit ook, omdat hij niet alleen een privaat persoon benadeeld heeft, maar ook het gemeenebest, door een inbreuk op de veiligheid van zijn bescherming. — Zelfs in vrijwillige ruilingen zou de vergoeding niet steeds de vereischte gelijkheid bereiken, wanneer iemand een zaak die hem toebehoort, in de plaats zou geven voor iets wat een ander toebehoort: want 124misschien is het ding van dien andere veel grooter dan het zijne. — En daarom moet bij de ruilingen de gelijkheid berekend worden naar verhouding, en daartoe zijn de munten uitgevonden. En aldus is het wedervergoldene hetzelfde als het ruil-rechtvaardige.In al deze gevallen echter moet de vergoeding, volgens de eigen aard van de ruilrechtvaardigheid, naar gelijkheid geschieden, zodat nl. wat men ondergaat gelijk is aan wat men heeft gedaan. Die gelijkheid zou echter niet altijd bewaard blijven, wanneer iemand soortelijk hetzelfde onderging van wat hij heeft aangedaan. Want vooreerst, wanneer iemand een hogergeplaatst persoon beledigt, is de misdaad groter dan het lijden-in-dezelfde-soort, dat de belediger zou ondergaan. En daarom wordt hij, die een vorst slaat, niet slechts teruggeslagen, maar hij wordt veel zwaarder gestraft. — Evenzo, wanneer iemand een ander, tegen zijn wil in, in zijn goed benadeelt; ook in dit geval is de misdaad groter dan het lijden zou zijn, indien hem alleen maar dit ding ontnomen werd: aldus immers, zou hij die schade berokkende, in niets geschaad worden. En daarom wordt hij gestraft door de verplichting om een veelvoud van het ontnomene terug te geven: dit ook, omdat hij niet alleen een privaat persoon benadeeld heeft, maar ook het gemenebest, door een inbreuk op de veiligheid van zijn bescherming. — Zelfs in vrijwillige ruilingen zou de vergoeding niet steeds de vereiste gelijkheid bereiken, wanneer iemand een zaak die hem toebehoort, in de plaats zou geven voor iets wat een ander toebehoort: want 124misschien is het ding van die andere veel groter dan het zijne. — En daarom moet bij de ruilingen de gelijkheid berekend worden naar verhouding, en daartoe zijn de munten uitgevonden. En aldus is het wedervergoldene hetzelfde als het ruil-rechtvaardige.
Quod in distributiva justitia locum non habet, quia in distributiva justitia non attenditur aequalitas secundum proportionem rei ad rem, vel passionis ad actionem, unde dicitur contrapassum, sed secundum proportionalitatem rerum ad personas, ut supra dictum est [art. 2.].
In de verdeelende rechtvaardigheid gaat dit evenwel niet op. In de verdeelende rechtvaardigheid immers, wordt niet gelet op de gelijkheid in de verhouding van ding tot ding, of van doen tot ondergaan — waarop de benaming wedervergelding steunt —; maar er wordt gelet op gelijkheid volgens de verhouding van de dingen tot de personen, zooals gezegd is (2e Art.).In de verdelende rechtvaardigheid gaat dit evenwel niet op. In de verdelende rechtvaardigheid immers, wordt niet gelet op de gelijkheid in de verhouding van ding tot ding, of van doen tot ondergaan — waarop de benaming wedervergelding steunt —; maar er wordt gelet op gelijkheid volgens de verhouding van de dingen tot de personen, zoals gezegd is (2e Art.).
Ad primum ergo dicendum, quod illa forma divini judicii attenditur secundum rationem commutativae justitiae, prout scilicet recompensat, praemia meritis et supplicia peccatis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vorm van het goddelijk oordeel beantwoordt aan het begrip van de ruilrechtvaardigheid, voor zoover Hij nl. de verdiensten met belooning, « en de zonden met straf » vergeldt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vorm van het goddelijk oordeel beantwoordt aan het begrip van de ruilrechtvaardigheid, voor zover Hij nl. de verdiensten met beloning, “en de zonden met straf” vergeldt.
Ad secundum dicendum, quod si alicui, qui communitati servisset, retribueretur aliquid pro servitio impenso, non esset hoc distributivae justitiae, sed commutativae: in distributiva enim justitia non attenditur aequalitas 125ejus quod quis accipit, ad id quod ipse impendit, sed ad id quod alius accipit, secundum modum utriusque personae.
2. Wanneer aan iemand, die de gemeenschap dient, iets gegeven werd voor bewezen diensten, zou dit niet tot de verdeelende maar tot de ruilrechtvaardigheid behooren. Immers, in de verdeelende rechtvaardigheid, wordt niet gelet op de gelijkheid tusschen dat wat men ontvangt en wat men presteerde, maar op 125de evenredigheid tusschen dat wat men ontvangt en dat wat een ander ontving; en dit met inachtname van de condities der beide personen.2. Wanneer aan iemand, die de gemeenschap dient, iets gegeven werd voor bewezen diensten, zou dit niet tot de verdelende maar tot de ruilrechtvaardigheid behoren. Immers, in de verdelende rechtvaardigheid, wordt niet gelet op de gelijkheid tussen dat wat men ontvangt en wat men presteerde, maar op 125de evenredigheid tussen dat wat men ontvangt en dat wat een ander ontving; en dit met inachtname van de condities van de beide personen.
Ad tertium dicendum, quod quando actio injuriosa est voluntaria, excedit injuria, et sic accipitur ut major res. Unde oportet majorem poenam ei recompensari, non secundum differentiam quoad nos, sed secundum differentiam rei.
3. Wanneer een onrechtvaardige daad vrijwillig geschiedt, wordt het onrecht grooter, en wordt het als een grootere zaak beschouwd. Dus moet het door een grootere straf vergoed worden, die berekend wordt, niet naar het verschil met betrekking tot ons, maar naar het verschil in de zaak.3. Wanneer een onrechtvaardige daad vrijwillig geschiedt, wordt het onrecht groter, en wordt het als een grotere zaak beschouwd. Dus moet het door een grotere straf vergoed worden, die berekend wordt, niet naar het verschil met betrekking tot ons, maar naar het verschil in de zaak.