De restitutione in octo articulos divisa
Over de teruggave
126Deinde considerandum est de restitutione.
126Hierna moeten wij de teruggave gaan beschouwen.
Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Cujus actus sit. — 2. Utrum necesse sit ad salutem, omne ablatum restitui. — 3. Utrum oporteat illud multiplicatum restituere. — 4. Utrum oporteat restitui, quod quis non abstulit. — 5. Utrum oporteat restitui ei, a quo acceptum est. — 6. Utrum oporteat restituere eum, qui accepit. — 7. Utrum aliquem alium. — 8. Utrum sit statim restituendum.
Daaromtrent worden acht vragen gesteld. 1. Van welke deugd is zij de daad? 2. Is het noodig ter zaligheid, dat al het ontvreemde teruggegeven wordt? 3. Moet men dit vermenigvuldigd teruggeven? 4. Moet iemand datgene wat hij niet genomen heeft teruggeven? 5. Moet men aan hem teruggeven, van wien iets werd weggenomen? 6. Moet hij, die weggenomen heeft, teruggeven? 7. Of iemand anders? 8. Moet de teruggave onverwijld geschieden?Daaromtrent worden acht vragen gesteld. 1. Van welke deugd is zij de daad? 2. Is het nodig ter zaligheid, dat al het ontvreemde teruggegeven wordt? 3. Moet men dit vermenigvuldigd teruggeven? 4. Moet iemand datgene wat hij niet genomen heeft teruggeven? 5. Moet men aan hem teruggeven, van wie iets werd weggenomen? 6. Moet hij, die weggenomen heeft, teruggeven? 7. Of iemand anders? 8. Moet de teruggave onverwijld geschieden?
Utrum restitutio sit actus justitiae commutativae
Is de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid?
127Ad primum sic proceditur. Videtur, quod restitutio non sit actus justitiae commutativae: justitia enim respicit rationem debiti. Sed sicut donatio potest esse ejus, quod non debetur, ita etiam et restitutio. Ergo restitutio non est actus alicujus partis justitiae.
127Bedenkingen. — Men beweert, dat de teruggave niet een daad van de ruilrechtvaardigheid is. — 1. Rechtvaardigheid immers heeft het verschuldigde tot voorwerp. Welnu, evenals men iets kan wegschenken dat men niet verschuldigd is, evenzoo kan men ook iets teruggeven. Derhalve is de rechtvaardigheid niet een daad van een deel der rechtvaardigheid.127Bedenkingen. — Men beweert, dat de teruggave niet een daad van de ruilrechtvaardigheid is. — 1. Rechtvaardigheid immers heeft het verschuldigde tot voorwerp. Welnu, evenals men iets kan wegschenken dat men niet verschuldigd is, evenzo kan men ook iets teruggeven. Derhalve is de rechtvaardigheid niet een daad van een deel van de rechtvaardigheid.
2. Praeterea, illud quod jam transiit, et non est, restitui non potest. Sed justitia et injustitia sunt circa quasdam actiones et passiones, quae non manent, sed transeunt. Ergo restitutio non videtur esse actus alicujus partis justitiae.
2. Wat verging en niet meer is, kan niet teruggegeven worden. Welnu, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid hebben betrekking op handelen en ondergaan, wat niet blijvend is maar voorbijgaat. Dus lijkt de teruggave wel niet de daad te zijn van een deel der rechtvaardigheid.2. Wat verging en niet meer is, kan niet teruggegeven worden. Welnu, rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid hebben betrekking op handelen en ondergaan, wat niet blijvend is maar voorbijgaat. Dus lijkt de teruggave wel niet de daad te zijn van een deel van de rechtvaardigheid.
3. Praeterea, restitutio est quasi quaedam recompensatio ejus, quod subtractum est. Sed aliquid potest homini subtrahi non solum in commutatione, sed etiam in distributione, puta cum aliquis distribuens minus dat alicui, quam debeat habere. Ergo restitutio non magis est actus commutativae justitiae, quam distributivae.
3. De teruggave is als het ware een vergoeding voor datgene wat ontnomen werd. Welnu, niet alleen in den ruilhandel, maar ook in de verdeeling kan aan den mensch iets ontnomen worden, wanneer b.v. hij die verdeelt, aan iemand minder geeft dan hem verschuldigd is. Derhalve is de teruggave niet eerder een daad van de ruilrechtvaardigheid dan van de verdeelende rechtvaardigheid.3. De teruggave is als het ware een vergoeding voor datgene wat ontnomen werd. Welnu, niet alleen in de ruilhandel, maar ook in de verdeling kan aan de mens iets ontnomen worden, wanneer bv. hij die verdeelt, aan iemand minder geeft dan hem verschuldigd is. Derhalve is de teruggave niet eerder een daad van de ruilrechtvaardigheid dan van de verdelende rechtvaardigheid.
128Sed contra, restitutio ablationi opponitur. Sed ablatio rei alienae est actus injustitiae circa commutationes. Ergo restitutio ejus est actus justitiae, quae est in commutationibus directiva.
128Daartegenover staat echter, dat de teruggave aan de ontvreemding is tegengesteld. Welnu, de ontvreemding van andermans goed is een daad van onrechtvaardigheid met betrekking tot de ruilhandelingen. Derhalve is de teruggave een daad van de rechtvaardigheid die de ruilhandelingen regelt.
Respondeo dicendum, quod restituere nihil aliud esse videtur, quam iterato aliquem statuere in possessionem vel dominium rei suae. Et ita in restitutione attenditur aequalitas justitiae secundum recompensationem rei ad rem, quod pertinet ad justitiam commutativam. Et ideo restitutio est actus commutativae justitiae, quando scilicet res unius ab alio habetur, vel per voluntatem ejus, sicut in mutuo vel deposito; vel contra voluntatem ejus, sicut in rapina vel furto.
Leerstelling. — Teruggeven is niets anders dan iemand terug stellen in het bezit of den eigendom van zijn goed. En zoo wordt bij de teruggave de gelijkheid der rechtvaardigheid in acht genomen overeenkomstig de vergoeding van ding tot ding, en dat valt onder de ruilrechtvaardigheid. En bijgevolg is de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid: wanneer nl. iemand een andermans goed heeft, hetzij met zijn wil, zooals bij verbruikleening of bewaargeving, hetzij tegen zijn wil in, zooals bij roof of diefstal.Leerstelling. — Teruggeven is niets anders dan iemand terug stellen in het bezit of de eigendom van zijn goed. En zo wordt bij de teruggave de gelijkheid van de rechtvaardigheid in acht genomen overeenkomstig de vergoeding van ding tot ding, en dat valt onder de ruilrechtvaardigheid. En bijgevolg is de teruggave een daad van de ruilrechtvaardigheid: wanneer nl. iemand een andermans goed heeft, hetzij met zijn wil, zoals bij verbruiklening of bewaargeving, hetzij tegen zijn wil in, zoals bij roof of diefstal.
Ad primum ergo dicendum, quod illud quod alteri non debetur, non est proprie loquendo ejus, etsi aliquando ejus fuerit; et ideo magis videtur esse nova donatio quam restitutio, cum quis alteri reddit, quod ei non debetur. Habet tamen aliquam similitudinem restitutionis, quia res 129materialiter eadem est; non tamen est eadem secundum formalem rationem, quam respicit justitia, quod est esse suum alicujus. Unde nec proprie restitutio dicitur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Iets wat men niet verschuldigd is aan een ander, is in eigenlijken zin niet het zijne, ook al was het eens van hem. En bijgevolg, wanneer iemand aan een ander geeft wat hij hem niet verschuldigd is, lijkt dat veeleer een nieuwe schenking te zijn dan wel een teruggave. Toch lijkt 129het eenigszins op een teruggave, omdat de zaak, materieel genomen, dezelfde is. Vanuit het formeel oogpunt der rechtvaardigheid echter beschouwd, nl. het aan-iemand-toekomen, is zij niet dezelfde. Daarom is hier geen spraak van teruggave in eigenlijken zin.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Iets wat men niet verschuldigd is aan een ander, is in eigenlijke zin niet het zijne, ook al was het eens van hem. En bijgevolg, wanneer iemand aan een ander geeft wat hij hem niet verschuldigd is, lijkt dat veeleer een nieuwe schenking te zijn dan wel een teruggave. Toch lijkt 129het enigszins op een teruggave, omdat de zaak, materieel genomen, dezelfde is. Vanuit het formeel oogpunt van de rechtvaardigheid echter beschouwd, nl. het aan-iemand-toekomen, is zij niet dezelfde. Daarom is hier geen spraak van teruggave in eigenlijke zin.
Ad secundum dicendum, quod nomen restitutionis, inquantum importat iterationem quamdam, supponit rei identitatem; et ideo secundum primam impositionem nominis, restitutio videtur locum habere praecipue in rebus exterioribus, quae manentes eaedem, et secundum substantiam, et secundum jus dominii, ab uno possunt ad alium devenire. Sed sicut ab hujusmodi rebus nomen commutationis translatum est ad actiones vel passiones, quae pertinent ad reverentiam vel injuriam alicujus personae, seu nocumentum vel profectum, ita etiam nomen restitutionis ad hoc derivatur, quae licet realiter non maneat, tamen manet in effectu, vel corporali, puta cum ex percussione laeditur corpus, vel qui est in opinione hominum, sicut cum aliquis verbo opprobrioso remanet infamatus, vel etiam minoratus in suo honore.
2. Het woord teruggave, voor zoover het een herhaling insluit, veronderstelt de eenzelvigheid van het ding. En daarom lijkt de teruggave, naar de oorspronkelijke beteekenis van het woord, voornamelijk daar plaats te grijpen, waar het gaat over uitwendige dingen, die van den een op den ander kunnen overgaan, hoewel zij, zoo naar de wezenheid als naar het eigendomsrecht, dezelfde blijven. Evenals echter het woord ruiling van dergelijke dingen werd overgebracht op het handelen en ondergaan — wat betrekking heeft op eerbetuiging of beleediging van een persoon, op zijn nadeel of voordeel, — evenzoo werd het woord teruggave toegepast op datgene wat, ofschoon het niet blijft in werkelijkheid, toch blijvend is in zijn uitwerksel; dit uitwerksel kan lichamelijk zijn, b.v. wanneer het lichaam door slagen wordt gekwetst; ofwel in de meening der menschen, b.v. wanneer iemand door een lasterend woord eerloos blijft, of in zijn eer benadeeld.2. Het woord teruggave, voor zover het een herhaling insluit, veronderstelt de eenzelvigheid van het ding. En daarom lijkt de teruggave, naar de oorspronkelijke betekenis van het woord, voornamelijk daar plaats te grijpen, waar het gaat over uitwendige dingen, die van de een op de ander kunnen overgaan, hoewel zij, zo naar de wezenheid als naar het eigendomsrecht, dezelfde blijven. Evenals echter het woord ruiling van dergelijke dingen werd overgebracht op het handelen en ondergaan — wat betrekking heeft op eerbetuiging of belediging van een persoon, op zijn nadeel of voordeel, — evenzo werd het woord teruggave toegepast op datgene wat, ofschoon het niet blijft in werkelijkheid, toch blijvend is in zijn uitwerksel; dit uitwerksel kan lichamelijk zijn, bv. wanneer het lichaam door slagen wordt gekwetst; ofwel in de mening van de mensen, bv. wanneer iemand door een lasterend woord eerloos blijft, of in zijn eer benadeeld.
Ad tertium dicendum, quod recompensatio, quam facit distribuens ei, 130cui dedit minus quam debuit, fit per comparationem rei ad rem, ut si quanto minus habuit quam debuit, tanto plus ei detur, et ideo jam pertinet ad justitiam commutativam.
3. De vergoeding, die een verdeeler geeft aan iemand aan 130wien hij minder gaf dan hem toekwam, wordt bepaald door een zaakvergelijking, zoodat hem des te meer gegeven wordt, als hij minder kreeg dan hem toekwam. En daarom valt dit reeds onder de ruilrechtvaardigheid.3. De vergoeding, die een verdeler geeft aan iemand aan 130wie hij minder gaf dan hem toekwam, wordt bepaald door een zaakvergelijking, zodat hem des te meer gegeven wordt, als hij minder kreeg dan hem toekwam. En daarom valt dit reeds onder de ruilrechtvaardigheid.
Utrum sit necessarium ad salutem, quod fiat restitutio ejus quod ablatum est
Is het noodig ter zaligheid, het ontnomene terug te geven?Is het nodig ter zaligheid, het ontnomene terug te geven?
Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non sit necessarium ad salutem, quod fiat restitutio ejus quod ablatum est: quod enim est impossibile, non est de necessitate salutis. Sed aliquando impossibile est restituere id quod est ablatum, puta cum aliquis abstulit alicui membrum, vel vitam. Ergo non videtur esse de necessitate salutis, quod aliquis restituat, quod alteri abstulit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet noodig is ter zaligheid het ontnomene terug te geven. — 1. Immers, het onmogelijke is niet noodig ter zaligheid. Welnu, het is soms onmogelijk terug te geven wat ontnomen werd: b.v. wanneer iemand aan een ander een lichaamsdeel of het leven ontnam. Derhalve lijkt het niet noodzakelijk ter zaligheid, dat iemand teruggeeft wat hij heeft ontnomen.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet nodig is ter zaligheid het ontnomene terug te geven. — 1. Immers, het onmogelijke is niet nodig ter zaligheid. Welnu, het is soms onmogelijk terug te geven wat ontnomen werd: bv. wanneer iemand aan een ander een lichaamsdeel of het leven ontnam. Derhalve lijkt het niet noodzakelijk ter zaligheid, dat iemand teruggeeft wat hij heeft ontnomen.
2. Praeterea, committere aliquod peccatum non est de necessitate salutis, quia sic homo esset perplexus. Sed quandoque illud quod aufertur, 131non potest restitui sine peccato, puta cum aliquis alicui famam abstulit verum dicendo. Ergo restituere ablatum non est de necessitate salutis.
2. Een zonde begaan is niet noodzakelijk ter zaligheid; want zoo zou de mensch besluiteloos zijn. Welnu, soms kan het ontnomene niet worden teruggegeven zonder te zondigen: b.v. 131wanneer iemand aan een ander zijn faam ontnam door de waarheid te zeggen. Het ontnomene teruggeven is derhalve niet noodzakelijk ter zaligheid.2. Een zonde begaan is niet noodzakelijk ter zaligheid; want zo zou de mens besluiteloos zijn. Welnu, soms kan het ontnomene niet worden teruggegeven zonder te zondigen: bv. 131wanneer iemand aan een ander zijn faam ontnam door de waarheid te zeggen. Het ontnomene teruggeven is derhalve niet noodzakelijk ter zaligheid.
3. Praeterea, quod factum est, non potest fieri ut factum non fuerit. Sed aliquando alicui aufertur honor suae personae ex hoc ipso, quod passus est ab aliquo injuste eum vituperante. Ergo non potest sibi restitui quod ablatum est, et ita non est de necessitate salutis restituere ablatum.
3. Wat gebeurd is kan men niet meer ongedaan maken. Welnu, soms wordt aan iemand de eer van zijn persoon ontnomen doordat hij op onrechtvaardige wijze door een ander gelaakt wordt. Aan hem kan dus niet worden teruggegeven wat hem ontnomen werd. En zoo is het niet noodzakelijk ter zaligheid, het ontnomene terug te geven.3. Wat gebeurd is kan men niet meer ongedaan maken. Welnu, soms wordt aan iemand de eer van zijn persoon ontnomen doordat hij op onrechtvaardige wijze door een ander gelaakt wordt. Aan hem kan dus niet worden teruggegeven wat hem ontnomen werd. En zo is het niet noodzakelijk ter zaligheid, het ontnomene terug te geven.
4. Praeterea, ille qui impedit aliquem ab aliquo bono consequendo, videtur illud ei auferre, « quia quod modicum deest, quasi nihil deesse videtur », ut Philosophus dicit in 2. Physic. [cap. 5.]. Sed cum aliquis impedit aliquem, ut non consequatur praebendam, vel aliquid hujusmodi, non videtur quod teneatur ei ad restitutionem praebendae, quia quandoque non posset. Non ergo restituere ablatum est de necessitate salutis.
4. Het lijkt wel dat hij, die een ander belet een goed te verwerven, het hem ontneemt: want, zooals de Wijsgeer zegt « wordt het weinige dat ontbreekt, als niet ontbrekend beschouwd ». Wanneer nu iemand een ander belet een prebende of iets dergelijks te verwerven, dan lijkt hij wel niet gehouden te zijn tot teruggave van die prebende, omdat hij soms niet zou kunnen. Het ontnomene teruggeven is derhalve niet noodzakelijk ter zaligheid.4. Het lijkt wel dat hij, die een ander belet een goed te verwerven, het hem ontneemt: want, zoals de Wijsgeer zegt “wordt het weinige dat ontbreekt, als niet ontbrekend beschouwd”. Wanneer nu iemand een ander belet een prebende of iets dergelijks te verwerven, dan lijkt hij wel niet gehouden te zijn tot teruggave van die prebende, omdat hij soms niet zou kunnen. Het ontnomene teruggeven is derhalve niet noodzakelijk ter zaligheid.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in Epist. ad Mac. [Ep. 54.] : « Si res aliena, propter quam peccatum est, reddi possit, et non redditur, 132poenitentia non agitur, sed simulatur. Si autem veraciter agitur, non remittitur peccatum, nisi restituatur ablatum, si (ut dixi) restitui potest »1.
Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: « Indien andermans bezit, waaraan men zich heeft bezondigd, kan worden teruggegeven en niet teruggegeven wordt, dan wordt geen boetvaardigheid gedaan maar geveinsd. Wanneer echter waarachtig 132boetvaardigheid gedaan wordt, wordt de zonde niet vergeven, tenzij het ontnomene teruggegeven wordt, indien, zooals ik gezegd heb, het ontnomene kan worden teruggegeven ».Daartegenover staat echter, dat Augustinus zegt: “Indien andermans bezit, waaraan men zich heeft bezondigd, kan worden teruggegeven en niet teruggegeven wordt, dan wordt geen boetvaardigheid gedaan maar geveinsd. Wanneer echter waarachtig 132boetvaardigheid gedaan wordt, wordt de zonde niet vergeven, tenzij het ontnomene teruggegeven wordt, indien, zoals ik gezegd heb, het ontnomene kan worden teruggegeven”.
Respondeo dicendum, quod restitutio, sicut dictum est [art. praec.], est actus justitiae commutativae, quae in quadam aequalitate consistit; et ideo restituere importat redditionem illius rei, quae injuste ablata est: sic enim per iteratam ejus exhibitionem aequalitas reparatur. Si vero juste ablatum sit, inaequalitas erit, ut ei restituatur, quia justitia in aequalitate consistit. Cum ergo conservare justitiam sit de necessitate salutis, consequens est, quod restituere id quod injuste ablatum est alicui, sit de necessitate salutis.
Leerstelling. — Zooals gezegd werd (vorig Art.), is de teruggave een daad van ruilrechtvaardigheid, welke bestaat in een zekere gelijkheid. En daarom behelst teruggave het weergeven van het ding, dat op onrechtvaardige wijze ontnomen is: zoo immers wordt door het terugbezorgen ervan de gelijkheid hersteld. Indien het echter rechtvaardig ontnomen is, zou het teruggeven ervan een ongelijkheid teweegbrengen: want de rechtvaardigheid bestaat in gelijkheid. Daar nu het onderhouden van de rechtvaardigheid noodzakelijk is ter zaligheid, volgt hieruit dat het teruggeven van wat onrechtvaardig aan iemand werd ontnomen, noodzakelijk is ter zaligheid.Leerstelling. — Zoals gezegd werd (vorig Art.), is de teruggave een daad van ruilrechtvaardigheid, welke bestaat in een zekere gelijkheid. En daarom behelst teruggave het weergeven van het ding, dat op onrechtvaardige wijze ontnomen is: zo immers wordt door het terugbezorgen ervan de gelijkheid hersteld. Indien het echter rechtvaardig ontnomen is, zou het teruggeven ervan een ongelijkheid teweegbrengen: want de rechtvaardigheid bestaat in gelijkheid. Daar nu het onderhouden van de rechtvaardigheid noodzakelijk is ter zaligheid, volgt hieruit dat het teruggeven van wat onrechtvaardig aan iemand werd ontnomen, noodzakelijk is ter zaligheid.
Ad primum ergo dicendum, quod in quibus non potest recompensari aequivalens, sufficit, quod ibi recompensetur quod possibile est, sicut patet « de honoribus, qui sunt ad Deum et ad parentes », ut Philosophus dicit in 1338. Ethic. [cap. 14.]. Et ideo quando id quod est ablatum, non est restituibile per aliquid aequale, debet fieri recompensatio qualis possibilis est, puta cum aliquis alicui abstulit membrum, debet ei recompensare vel in pecunia, vel in aliquo honore, considerata conditione utriusque personae, secundum arbitrium boni viri.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In gevallen waarin geen gelijkwaardige vergoeding kan gegeven worden, volstaat het te vergoeden wat mogelijk is: zooals blijkt « bij de eerbetuiging tegenover God en de ouders », naar het gezegde van den 133Wijsgeer. En bijgevolg, wanneer het ontnomene niet kan worden teruggegeven door iets gelijkwaardigs, moet de vergoeding geschieden voor zoover ze mogelijk is. Wanneer b.v. iemand aan een ander een lidmaat zou ontnomen hebben, moet hij hem vergoeden in geld of door eenige eerbetuiging, naar het oordeel van een rechtschapen mensch, en rekening houdend met de levensvoorwaarden van beide personen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In gevallen waarin geen gelijkwaardige vergoeding kan gegeven worden, volstaat het te vergoeden wat mogelijk is: zoals blijkt “bij de eerbetuiging tegenover God en de ouders”, naar het gezegde van de 133Wijsgeer. En bijgevolg, wanneer het ontnomene niet kan worden teruggegeven door iets gelijkwaardigs, moet de vergoeding geschieden voor zover ze mogelijk is. Wanneer bv. iemand aan een ander een lidmaat zou ontnomen hebben, moet hij hem vergoeden in geld of door enige eerbetuiging, naar het oordeel van een rechtschapen mens, en rekening houdend met de levensvoorwaarden van beide personen.
Ad secundum dicendum, quod aliquis potest alicui famam tripliciter auferre: uno modo verum dicendo, et juste, puta cum aliquis crimen alicujus prodit ordine debito servato; et tunc non tenetur ad restitutionem famae; alio modo falsum dicendo, et injuste, et tunc tenetur restituere famam, confitendo se falsum dixisse; tertio modo verum dicendo, sed injuste, puta cum aliquis prodit crimen alterius contra ordinem debitum; et tunc tenetur ad restitutionem famae, quantum potest, sine mendacio tamen, utpote quod dicat se male dixisse, vel quod injuste eum diffamaverit; vel si non possit famam restituere, debet ei aliter recompensare, sicut et in aliis dictum est [ad 1.].
2. Iemand kan andermans faam ontnemen op drie manieren. Ten eerste, door op rechtvaardige wijze de waarheid te zeggen: b.v. wanneer iemand, met inachtneming van de vereischte voorwaarden, andermans misdaad openbaar maakt. En dan is hij niet gehouden tot eerherstel. Ten tweede, door op onrechtvaardige wijze onwaarheid te zeggen. En dan is men gehouden tot eerherstel, door te bekennen onwaarheid te hebben gezegd. Ten derde, door waarheid te spreken, maar op onrechtvaardige wijze: b.v. wanneer iemand andermans misdaad openbaar maakt, zonder inachtneming van de vereischte voorwaarden. En dan is hij gehouden tot eerherstel, voor zoover het mogelijk is, zonder echter te liegen: b.v. door te zeggen dat hij zich slecht uitdrukte, of dat hij hem onrechtvaardig belasterd heeft. Ofwel, indien hij geen eerherstel kan doen, moet hij hem op een andere wijze vergoeden, zooals elders gezegd is (1e Antw.).2. Iemand kan andermans faam ontnemen op drie manieren. Ten eerste, door op rechtvaardige wijze de waarheid te zeggen: bv. wanneer iemand, met inachtneming van de vereiste voorwaarden, andermans misdaad openbaar maakt. En dan is hij niet gehouden tot eerherstel. Ten tweede, door op onrechtvaardige wijze onwaarheid te zeggen. En dan is men gehouden tot eerherstel, door te bekennen onwaarheid te hebben gezegd. Ten derde, door waarheid te spreken, maar op onrechtvaardige wijze: bv. wanneer iemand andermans misdaad openbaar maakt, zonder inachtneming van de vereiste voorwaarden. En dan is hij gehouden tot eerherstel, voor zover het mogelijk is, zonder echter te liegen: bv. door te zeggen dat hij zich slecht uitdrukte, of dat hij hem onrechtvaardig belasterd heeft. Ofwel, indien hij geen eerherstel kan doen, moet hij hem op een andere wijze vergoeden, zoals elders gezegd is (1e Antw.).
134Ad tertium dicendum, quod actio contumeliam inferentis non potest fieri ut non fuerit; potest tamen fieri, ut ejus effectus, scilicet diminutio dignitatis personae in opinione hominum, reparetur per exhibitionem reverentiae.
1343. Een beleedigende handeling kan niet ongedaan worden gemaakt. Toch kan haar gevolg, nl. de vermindering van de persoonswaardigheid in de meening van de menschen, hersteld worden door eerbetuiging.1343. Een beledigende handeling kan niet ongedaan worden gemaakt. Toch kan haar gevolg, nl. de vermindering van de persoonswaardigheid in de mening van de mensen, hersteld worden door eerbetuiging.
Ad quartum dicendum, quod aliquis potest impedire aliquem ne habeat praebendam multipliciter: uno modo juste, puta si intendens honorem Dei vel utilitatem Ecclesiae, procuret quod detur alicui personae digniori, et tunc nullo modo tenetur ad restitutionem, vel ad aliquam recompensationem faciendam; alio modo injuste; puta si intendat ejus nocumentum, quem impedit propter odium vel vindictam, aut aliquid hujusmodi; et tunc si impedit ne praebenda detur digno, consulens quod non detur, antequam sit firmatum quod ei detur, tenetur quidem ad aliquam recompensationem, pensatis conditionibus personarum et negotii secundum arbitrium sapientis; non tamen tenetur ad aequale, quia illam nondum fuerat adeptus, et poterat multipliciter impediri; si vero jam firmatum sit quod alicui detur praebenda, 135et aliquis propter indebitam causam procuret quod revocetur, idem est ac si jam habitam ei auferret, et ideo tenetur ad restitutionem aequalis, tamen secundum suam facultatem.
4. Op velerlei wijzen kan iemand een ander beletten een prebende te ontvangen. Ten eerste, op rechtvaardige wijze: b.v. als hij bewerkt, dat ze gegeven wordt aan een waardiger persoon, en daarbij enkel de eer van God of het nut van de kerk op het oog heeft. En in dat geval is hij geenszins gehouden tot teruggave of tot welke vergoeding ook. — Ten tweede, op onrechtvaardige wijze: b.v. wanneer hij om reden van haat, of wraak, of iets dergelijks, het nadeel van den betrokken persoon beoogt. En indien hij in dit geval belet, dat de prebende aan een waardig persoon gegeven wordt, door aan te raden ze hem niet te geven, alvorens vastgesteld werd dat ze hem zal worden gegeven, is hij gehouden tot een zekere vergoeding, met inachtneming van de waardigheid der personen en der zaak, naar het oordeel van een wijze; toch is hij niet gehouden tot een gelijkwaardige vergoeding, omdat de belanghebbende de prebende nog niet had verworven, en er op velerlei wijzen beletselen konden ontstaan. — Indien het echter reeds vastgesteld was aan wien de prebende zou worden verleend, en iemand om een 135onvoldoende reden, bewerkt dat de zaak herroepen wordt, dan ware dat hetzelfde of hij zou hem zijn bezit ontnemen. En bijgevolg is hij gehouden tot gelijkwaardige vergoeding, echter naar zijn vermogen.4. Op velerlei wijzen kan iemand een ander beletten een prebende te ontvangen. Ten eerste, op rechtvaardige wijze: bv. als hij bewerkt, dat ze gegeven wordt aan een waardiger persoon, en daarbij enkel de eer van God of het nut van de kerk op het oog heeft. En in dat geval is hij geenszins gehouden tot teruggave of tot welke vergoeding ook. — Ten tweede, op onrechtvaardige wijze: bv. wanneer hij om reden van haat, of wraak, of iets dergelijks, het nadeel van de betrokken persoon beoogt. En indien hij in dit geval belet, dat de prebende aan een waardig persoon gegeven wordt, door aan te raden ze hem niet te geven, alvorens vastgesteld werd dat ze hem zal worden gegeven, is hij gehouden tot een zekere vergoeding, met inachtneming van de waardigheid van de personen en van de zaak, naar het oordeel van een wijze; toch is hij niet gehouden tot een gelijkwaardige vergoeding, omdat de belanghebbende de prebende nog niet had verworven, en er op velerlei wijzen beletselen konden ontstaan. — Indien het echter reeds vastgesteld was aan wie de prebende zou worden verleend, en iemand om een 135onvoldoende reden, bewerkt dat de zaak herroepen wordt, dan ware dat hetzelfde of hij zou hem zijn bezit ontnemen. En bijgevolg is hij gehouden tot gelijkwaardige vergoeding, echter naar zijn vermogen.
Utrum sufficiat restituere simplum, quod injuste ablatum est
Is het voldoende enkel datgene terug te geven, wat onrechtvaardig werd ontnomen?
Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non sufficiat restituere simplum, quod injuste ablatum est: dicitur enim Exod. 22. [v. 1] : « Si quis furatus fuerit bovem aut ovem, et occiderit vel vendiderit, quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove ». Sed quilibet tenetur mandata divinae legis observare. Ergo ille qui furatur, tenetur restituere quadruplum, vel quintuplum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet volstaat enkel datgene terug te geven wat onrechtvaardig ontnomen werd. — 1. In het Boek van den Uittocht (22. 1) wordt immers gezegd: « Indien iemand een rund of een schaap steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap ». Welnu, iedereen is gehouden het gebod van de goddelijke wet na te leven. Derhalve is hij die steelt gehouden tot een vier- of vijfdubbele teruggave.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet volstaat enkel datgene terug te geven wat onrechtvaardig ontnomen werd. — 1. In het Boek van de Uittocht (22, 1) wordt immers gezegd: “Indien iemand een rund of een schaap steelt en het slacht of verkoopt, moet hij vijf runderen vergoeden voor het rund, en vier schapen voor het schaap”. Welnu, iedereen is gehouden het gebod van de goddelijke wet na te leven. Derhalve is hij die steelt gehouden tot een vier- of vijfdubbele teruggave.
2. Praeterea, « ea quae scripta sunt, ad nostram doctrinam scripta sunt », ut dicitur ad Rom. 15. [v. 4]. Sed, Lucae 19. [v. 8], Zachaeus 136dixit ad Dominum: « Si quem defraudavi, reddo quadruplum ». Ergo homo debet restituere multiplicatum id quod injuste accepit.
2. « Al wat vroeger geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven », zooals in den Brief aan de Romeinen (15. 4) gezegd wordt. Welnu, bij Lucas (19. 8) zegt Zachaeus tot den 136Heer: « Zoo ik iemand te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel terug ». Derhalve moet de mensch bij de teruggave vermenigvuldigen wat hij op onrechtvaardige wijze ontnam.2. “Al wat vroeger geschreven werd, is tot onze onderrichting geschreven”, zoals in de Brief aan de Romeinen (15, 4) gezegd wordt. Welnu, bij Lukas (19, 8) zegt Zacheüs tot de 136Heer: “Zo ik iemand te kort heb gedaan, geef ik het vierdubbel terug”. Derhalve moet de mens bij de teruggave vermenigvuldigen wat hij op onrechtvaardige wijze ontnam.
3. Praeterea, nulli potest juste auferri id, quod dare non debet. Sed judex juste aufert ab eo qui furatus est, plus quam furatus est, pro emenda. Ergo homo debet illud solvere, et ita non sufficit reddere simplum.
3. Aan niemand kan men rechtvaardig ontnemen wat hij niet gehouden was te geven. Welnu, de rechter ontneemt op rechtvaardige wijze aan hem die gestolen heeft, meer dan hij heeft gestolen, als straf. Dus is de mensch verplicht dit te voldoen. En zoo volstaat het niet, enkel het ontnomene terug te geven.3. Aan niemand kan men rechtvaardig ontnemen wat hij niet gehouden was te geven. Welnu, de rechter ontneemt op rechtvaardige wijze aan hem die gestolen heeft, meer dan hij heeft gestolen, als straf. Dus is de mens verplicht dit te voldoen. En zo volstaat het niet, enkel het ontnomene terug te geven.
Sed contra est, quod restitutio reducit ad aequalitatem, quod inaequaliter ablatum est. Sed aliquis reddendo quod accepit, simplum, reducit ad aequalitatem. Ergo solum tenetur restituere tantum, quantum accepit.
Daartegenover staat echter, dat de ongelijkheid, die door ontvreemding ontstaat, door teruggave tot gelijkheid wordt teruggebracht. Welnu, wanneer iemand het ontvreemde enkelvoudig teruggeeft, herstelt hij de gelijkheid. Derhalve is hij enkel gehouden zooveel terug te geven als hij ontvreemd heeft.Daartegenover staat echter, dat de ongelijkheid, die door ontvreemding ontstaat, door teruggave tot gelijkheid wordt teruggebracht. Welnu, wanneer iemand het ontvreemde enkelvoudig teruggeeft, herstelt hij de gelijkheid. Derhalve is hij enkel gehouden zoveel terug te geven als hij ontvreemd heeft.
Respondeo dicendum, quod cum aliquis injuste accipit rem alienam, duo sunt ibi consideranda: quorum unum est inaequalitas ex parte rei, quae quandoque est sine injustitia, ut patet in mutuis; aliud autem est injustitiae culpa, quae potest esse etiam cum aequalitate rei, puta cum aliquis intendit inferre violentiam, sed non praevalet. Quantum ergo ad 137primum, adhibetur remedium per restitutionem, inquantum per eam aequalitas reparatur; ad quod sufficit quod restituat tantum, quantum habuerit de alieno; sed quantum ad culpam, adhibetur remedium per poenam, cujus inflictio pertinet ad judicem, et ideo antequam sit condemnatus per judicem, non tenetur restituere plus quam accepit; sed postquam condemnatus est, tenetur poenam solvere.
Leerstelling. — Wanneer iemand op onrechtvaardige wijze zich andermans bezit toeëigent, moet men twee dingen in acht nemen. Het eerste is de ongelijkheid van den kant der zaak, ongelijkheid, die soms voorkomt zonder onrechtvaardigheid, zooals blijkt bij verbruikleeningen. Het tweede is de zonde van onrechtvaardigheid, die ook kan samengaan met gelijkheid van den kant der zaak, b.v. als iemand een ander geweld wil aandoen 137zonder dat het hem echter gelukt. Wat het eerste betreft: daaraan wordt verholpen door de teruggave, voor zoover hierdoor de gelijkheid hersteld wordt: en daartoe volstaat het evenveel terug te geven als men van een ander had. Wat echter de zonde betreft: daaraan wordt verholpen door een straf, die door den rechter moet worden opgelegd. En bijgevolg is men, vóór de veroordeeling van het gerecht niet gehouden om meer terug te geven dan men ontnam; nà de veroordeeling echter, is men tot het ondergaan der straf gehouden.Leerstelling. — Wanneer iemand op onrechtvaardige wijze zich andermans bezit toeëigent, moet men twee dingen in acht nemen. Het eerste is de ongelijkheid van de kant van de zaak, ongelijkheid, die soms voorkomt zonder onrechtvaardigheid, zoals blijkt bij verbruikleningen. Het tweede is de zonde van onrechtvaardigheid, die ook kan samengaan met gelijkheid van de kant van de zaak, bv. als iemand een ander geweld wil aandoen 137zonder dat het hem echter gelukt. Wat het eerste betreft: daaraan wordt verholpen door de teruggave, voor zover hierdoor de gelijkheid hersteld wordt: en daartoe volstaat het evenveel terug te geven als men van een ander had. Wat echter de zonde betreft: daaraan wordt verholpen door een straf, die door de rechter moet worden opgelegd. En bijgevolg is men, vóór de veroordeling van het gerecht niet gehouden om meer terug te geven dan men ontnam; nà de veroordeling echter, is men tot het ondergaan van de straf gehouden.
Et per hoc patet responsio ad primum, quia lex illa determinativa est poenae per judicem infligendae: et quamvis ad observantiam judicialis praecepti nullus teneatur post Christi adventum, ut supra habitum est [1-2. q. 104. art. 3.], potest tamen idem vel simile statui in lege humana; de qua erit eadem ratio.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking, daar die wet de straf bepaalt, die door den rechter moet worden opgelegd. En hoewel na de komst van Christus niemand gehouden is tot het naleven van de rechterlijke voorschriften (uit het Oude Verbond), zooals boven gezegd is (I. II. 104e Kw. 3e Art.), toch kan hetzelfde of iets dergelijks, vastgesteld zijn door de menschelijke wet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking, daar die wet de straf bepaalt, die door de rechter moet worden opgelegd. En hoewel na de komst van Christus niemand gehouden is tot het naleven van de rechterlijke voorschriften (uit het Oude Verbond), zoals boven gezegd is (1-2 104e Kw. 3e Art.), toch kan hetzelfde of iets dergelijks, vastgesteld zijn door de menselijke wet.
Ad secundum dicendum, quod Zachaeus id dixit, quasi supererogare volens; unde et praemiserat: « Ecce dimidium bonorum meorum do pauperibus ».
2. Zachaeus spreekt daar als iemand, die meer wil doen dan wordt geëischt. Daarom zeide hij ook vooraf: « Zie Heer, de helft van mijn vermogen schenk ik aan de armen ».2. Zacheüs spreekt daar als iemand, die meer wil doen dan wordt geëist. Daarom zeide hij ook vooraf: “Zie Heer, de helft van mijn vermogen schenk ik aan de armen”.
Ad tertium dicendum, quod judex, condemnando, juste potest accipere 138aliquid amplius, loco emendae, quod tamen, antequam condemnaretur, non debebatur.
3. De rechter mag, in zijn veroordeeling, op rechtmatige wijze 138iets meer opeischen, als straf: hoewel hiertoe vóór de veroordeeling geen verplichting bestond.3. De rechter mag, in zijn veroordeling, op rechtmatige wijze 138iets meer opeisen, als straf: hoewel hiertoe vóór de veroordeling geen verplichting bestond.
Utrum aliquis debeat restituere quod non abstulit
Moet iemand teruggeven wat hij niet ontvreemd heeft?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod aliquis debeat restituere quod non abstulit: ille enim qui damnum infert alicui, tenetur damnum removere. Sed quandoque aliquis damnificat aliquem ultra id quod accepit, puta cum aliquis effodit semina, damnificat eum qui seminavit in tota messe futura, et sic videtur, quod teneatur ad ejus restitutionem. Ergo aliquis tenetur ad restitutionem ejus quod non abstulit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand moet teruggeven wat hij niet ontvreemd heeft. — 1. Hij immers, die iemand nadeel doet, is gehouden dat nadeel te herstellen. Welnu, het gebeurt soms, dat iemand een ander meer nadeel doet dan wat hij ontvreemdt: b.v. wanneer iemand zaad uitgraaft, benadeelt hij hem, die gezaaid heeft, in heel den komenden oogst; en zoo lijkt het dat hij tot teruggave gehouden is. Derhalve kan iemand gehouden zijn tot teruggave van iets wat hij niet heeft ontvreemd.Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand moet teruggeven wat hij niet ontvreemd heeft. — 1. Hij immers, die iemand nadeel doet, is gehouden dat nadeel te herstellen. Welnu, het gebeurt soms, dat iemand een ander meer nadeel doet dan wat hij ontvreemdt: bv. wanneer iemand zaad uitgraaft, benadeelt hij hem, die gezaaid heeft, in heel de komende oogst; en zo lijkt het dat hij tot teruggave gehouden is. Derhalve kan iemand gehouden zijn tot teruggave van iets wat hij niet heeft ontvreemd.
2. Praeterea, ille qui detinet pecuniam creditoris ultra terminum praefixum, videtur eum damnificare in toto eo, quod lucrari de pecunia posset, quod tamen ipse non aufert. Ergo videtur, quod aliquis teneatur restituere quod non abstulit.
2. Hij die geld van een schuldeischer langer behoudt dan den vooraf vastgestelden termijn, schijnt hem nadeel te doen in al datgene wat hij door dat geld had kunnen winnen. En toch ontvreemdt hij dit niet. Derhalve lijkt het dat iemand gehouden is, terug te geven wat hij niet ontvreemde.2. Hij die geld van een schuldeiser langer behoudt dan de vooraf vastgestelden termijn, schijnt hem nadeel te doen in al datgene wat hij door dat geld had kunnen winnen. En toch ontvreemdt hij dit niet. Derhalve lijkt het dat iemand gehouden is, terug te geven wat hij niet ontvreemde.
1393. Praeterea, justitia humana derivatur a justitia divina. Sed Deo debet aliquis restituere plus, quam accepit ab eo, secundum illud Matth. 25. [v. 26] : « Sciebas, quod meto ubi non semino, et congrego ubi non sparsi ». Ergo justum est, ut etiam restituat homini aliquid quod non accepit.
1393. De menschelijke rechtvaardigheid vloeit voort uit de goddelijke rechtvaardigheid. Welnu, aan God moet men meer terug geven dan men van hem heeft ontvangen, naar het woord bij Mattheus (25. 26) : « Ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik verzamel, waar ik niet heb uitgestrooid ». Het is dus rechtvaardig, dat de mensch ook datgene teruggeeft wat hij niet heeft ontnomen.1393. De menselijke rechtvaardigheid vloeit voort uit de goddelijke rechtvaardigheid. Welnu, aan God moet men meer terug geven dan men van hem heeft ontvangen, naar het woord bij Matteüs (25, 26): “Ge wist dat ik maai, waar ik niet heb gezaaid, en dat ik verzamel, waar ik niet heb uitgestrooid”. Het is dus rechtvaardig, dat de mens ook datgene teruggeeft wat hij niet heeft ontnomen.
Sed contra est, quod recompensatio ad justitiam pertinet, inquantum aequalitatem facit. Sed si aliquis restitueret quod non accepit, hoc non esset aequale. Ergo talis restitutio non est justum quod fiat.
Daartegenover staat echter, dat de vergoeding onder de rechtvaardigheid valt, voor zoover deze gelijkheid bewerkstelligt. Welnu, er zou geen gelijkheid zijn, indien iemand teruggaf wat hij niet ontnomen heeft. Derhalve is het niet rechtvaardig, dat zulke teruggave geschiedt.Daartegenover staat echter, dat de vergoeding onder de rechtvaardigheid valt, voor zover deze gelijkheid bewerkstelligt. Welnu, er zou geen gelijkheid zijn, indien iemand teruggaf wat hij niet ontnomen heeft. Derhalve is het niet rechtvaardig, dat zulke teruggave geschiedt.
Respondeo dicendum, quod quicumque damnificat aliquem, videtur ei auferre id, in quo ipsum damnificat: damnum enim dicitur ex eo, quod aliquis minus habet, quam debet habere, secundum Philosophum in 5. Ethic. [cap. 4.]. Et ideo homo tenetur ad restitutionem ejus, in quo aliquem damnificavit. Sed aliquis damnificatur dupliciter: uno modo, quia aufertur ei id, quod actu habebat; et tale damnum est semper restituendum secundum recompensationem aequalis, puta si aliquis damnificet aliquem diruens 140domum ejus, tenetur ad tantum, quantum valet domus; alio modo, si damnificet aliquem, impediendo ne adipiscatur quod erat in via habendi; et tale damnum non oportet recompensare ex aequo, quia minus est habere aliquid in virtute, quam habere actu; qui autem est in via adipiscendi aliquid, habet illud solum secundum virtutem vel potestatem, et ideo si redderetur ei, ut haberet hoc in actu, restitueretur ei quod est ablatum, non simplum, sed multiplicatum, quod non est de necessitate restitutionis, ut dictum est [art. praec.]; tenetur tamen aliquam recompensationem facere secundum conditionem personarum et negotiorum.
Leerstelling. — Het blijkt dat alwie een ander nadeel doet, hem datgene ontneemt waarin hij hem benadeelt. Naar het woord van den Wijsgeer immers spreekt men van nadeel, door het feit dat iemand minder heeft dan hij moet hebben. En bijgevolg is de mensch gehouden tot teruggave van datgene waarin hij iemand benadeeld heeft. Iemand nu wordt op een dubbele wijze benadeeld. Ten eerste, omdat hem dat ontnomen wordt 140wat hij metterdaad bezat. En zulk nadeel moet altijd worden hersteld door een gelijkwaardige vergoeding: b.v. wanneer iemand een ander benadeelt door zijn woning te vernietigen, is hij gehouden zooveel terug te geven als het huis waard is. — Ten tweede benadeelt iemand een ander, door te beletten dat hij datgene verwerft wat hij op weg was te bezitten. Zulk nadeel moet niet op gelijkwaardige wijze worden vergoed. Want iets hebben in vermogen is minder, dan daadwerkelijk te bezitten. Hij nu die op weg is een goed te bekomen, bezit het alleen in vermogen of in aanleg. En indien het hem bijgevolg zou worden teruggegeven alsof hij het reeds metterdaad bezat, dan zou het ontnomene hem niet enkelvoudig, maar veelvuldig worden teruggegeven, iets wat niet onder de noodzakelijkheid van de teruggave valt, zooals reeds werd gezegd (vorig Art.). Toch is hij gehouden tot een zekere teruggave, met inachtneming van persoons- en zaakvoorwaarden.Leerstelling. — Het blijkt dat alwie een ander nadeel doet, hem datgene ontneemt waarin hij hem benadeelt. Naar het woord van de Wijsgeer immers spreekt men van nadeel, door het feit dat iemand minder heeft dan hij moet hebben. En bijgevolg is de mens gehouden tot teruggave van datgene waarin hij iemand benadeeld heeft. Iemand nu wordt op een dubbele wijze benadeeld. Ten eerste, omdat hem dat ontnomen wordt 140wat hij metterdaad bezat. En zulk nadeel moet altijd worden hersteld door een gelijkwaardige vergoeding: bv. wanneer iemand een ander benadeelt door zijn woning te vernietigen, is hij gehouden zoveel terug te geven als het huis waard is. — Ten tweede benadeelt iemand een ander, door te beletten dat hij datgene verwerft wat hij op weg was te bezitten. Zulk nadeel moet niet op gelijkwaardige wijze worden vergoed. Want iets hebben in vermogen is minder, dan daadwerkelijk te bezitten. Hij nu die op weg is een goed te bekomen, bezit het alleen in vermogen of in aanleg. En indien het hem bijgevolg zou worden teruggegeven alsof hij het reeds metterdaad bezat, dan zou het ontnomene hem niet enkelvoudig, maar veelvuldig worden teruggegeven, iets wat niet onder de noodzakelijkheid van de teruggave valt, zoals reeds werd gezegd (vorig Art.). Toch is hij gehouden tot een zekere teruggave, met inachtneming van persoons- en zaakvoorwaarden.
Et per hoc patet responsio ad primum et secundum, nam ille qui semen sparsit in agro, nondum habet messem in actu, sed solum in virtute; et similiter ille qui habet pecuniam, nondum habet lucrum in actu, sed solum in virtute; et utraque potest multipliciter impediri.
Antwoord op de Bedenkingen. — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste en tweede bedenking. Want hij, die op zijn akker zaad uitstrooit, bezit nog niet metterdaad den oogst, maar alleen in vermogen; en evenzoo hij, die geld bezit, heeft nog niet metterdaad de winst, maar alleen in mogelijkheid; en aan beiden kunnen op veelvuldige wijze beletselen worden gesteld.Antwoord op de Bedenkingen. — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste en tweede bedenking. Want hij, die op zijn akker zaad uitstrooit, bezit nog niet metterdaad de oogst, maar alleen in vermogen; en evenzo hij, die geld bezit, heeft nog niet metterdaad de winst, maar alleen in mogelijkheid; en aan beiden kunnen op veelvuldige wijze beletselen worden gesteld.
141Ad tertium dicendum, quod Deus nihil requirit ab homine nisi bonum quod ipse in nobis seminavit; et ideo verbum illud, vel intelligitur secundum pravam existimationem servi pigri, qui existimavit se ab alio non accepisse, vel intelligitur quantum ad hoc, quod Deus requirit a nobis fructus donorum, qui sunt et ab eo et a nobis, quamvis ipsa dona a Deo sint sine nobis.
1413. God eischt van den mensch niets anders op, dan het goede waarvan Hijzelf in ons het zaad heeft neergelegd. En daarom moet dat woord worden verklaard met betrekking tot den slechten dienaar, die dacht niets van een ander te hebben ontvangen. Ofwel moet men het zoo verstaan, dat God van ons de vrucht opeischt van de gaven, die zoowel van Hem als van ons is: hoewel de gaven van God komen, zonder ons.1413. God eist van de mens niets anders op, dan het goede waarvan Hijzelf in ons het zaad heeft neergelegd. En daarom moet dat woord worden verklaard met betrekking tot de slechte dienaar, die dacht niets van een ander te hebben ontvangen. Ofwel moet men het zo verstaan, dat God van ons de vrucht opeist van de gaven, die zowel van Hem als van ons is: hoewel de gaven van God komen, zonder ons.
Utrum oporteat semper restitutionem facere ei, a quo acceptum est aliquid
Moet de teruggave altijd geschieden aan hem, van wien men iets genomen heeft?Moet de teruggave altijd geschieden aan hem, van wie men iets genomen heeft?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod non oporteat semper restitutionem facere ei, a quo acceptum est aliquid: nulli enim debemus nocere. Sed aliquando esset in nocumentum hominis, si redderetur quod ab eo acceptum est, vel etiam in nocumentum aliorum, puta si aliquis redderet gladium depositum furioso. Ergo non semper est restituendum ei, a quo acceptum est.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de teruggave niet altijd moet geschieden aan hem van wien men iets genomen heeft. — 1. Wij mogen aan niemand schade doen. Welnu, soms zou het voor iemand schadelijk zijn, hem terug te geven wat men van hem heeft ontvangen; of zelfs schadelijk voor anderen, wanneer men een in bewaring ontvangen zwaard aan een waanzinnige zou teruggeven. Derhalve moet de teruggave niet altijd geschieden aan hem, van wien men iets heeft genomen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de teruggave niet altijd moet geschieden aan hem van wie men iets genomen heeft. — 1. Wij mogen aan niemand schade doen. Welnu, soms zou het voor iemand schadelijk zijn, hem terug te geven wat men van hem heeft ontvangen; of zelfs schadelijk voor anderen, wanneer men een in bewaring ontvangen zwaard aan een waanzinnige zou teruggeven. Derhalve moet de teruggave niet altijd geschieden aan hem, van wie men iets heeft genomen.
1422. Praeterea, ille qui illicite aliquid dedit, non meretur illud recuperare. Sed quandoque aliquis illicite dat, quod alius etiam illicite accepit, sicut apparet in dante et recipiente aliquid simoniace. Ergo non semper restituendum est ei, a quo acceptum est.
1422. Hij die op onwettige wijze iets gaf, verdient niet het terug te ontvangen. Welnu, het gebeurt soms, dat iemand iets op onwettige wijze weggeeft, dat ook door een ander op onwettige wijze ontvangen wordt: zooals blijkt in het geval van simonie. Derhalve moet men iets niet altijd teruggeven aan hem, van wien men het nam.1422. Hij die op onwettige wijze iets gaf, verdient niet het terug te ontvangen. Welnu, het gebeurt soms, dat iemand iets op onwettige wijze weggeeft, dat ook door een ander op onwettige wijze ontvangen wordt: zoals blijkt in het geval van simonie. Derhalve moet men iets niet altijd teruggeven aan hem, van wie men het nam.
3. Praeterea, nullus tenetur ad impossibile. Sed quandoque est impossibile restituere ei, a quo acceptum est, vel quia est mortuus, vel quia nimis distat, vel quia est ignotus. Ergo non semper facienda est restitutio ei, a quo acceptum est.
3. Niemand is tot het onmogelijke gehouden. Welnu, het is soms onmogelijk iets terug te geven aan hem, van wien men het genomen heeft: ofwel omdat hij gestorven is, ofwel omdat hij te ver weg is, ofwel omdat hij onbekend is. Dus moet men niet altijd teruggeven aan hem, van wien men iets genomen heeft.3. Niemand is tot het onmogelijke gehouden. Welnu, het is soms onmogelijk iets terug te geven aan hem, van wie men het genomen heeft: ofwel omdat hij gestorven is, ofwel omdat hij te ver weg is, ofwel omdat hij onbekend is. Dus moet men niet altijd teruggeven aan hem, van wie men iets genomen heeft.
4. Praeterea, magis debet homo recompensare ei, a quo majus beneficium accepit. Sed ab aliis personis homo plus accepit beneficii quam ab illo qui mutuavit vel deposuit, sicut a parentibus. Ergo magis subveniendum est quandoque alicui personae alteri, quam restituendum ei, a quo acceptum est.
4. Een mensch moet meer vergoeden aan hem van wien hij een grootere weldaad ontving. Welnu, van sommige personen ontving de mensch meer weldaden dan van hem, die hem iets leende of in bewaring gaf: b.v. van zijn ouders. Derhalve moet men soms eerder een andere persoon bijstaan dan hem, van wien men iets ontvangen heeft.4. Een mens moet meer vergoeden aan hem van wie hij een grotere weldaad ontving. Welnu, van sommige personen ontving de mens meer weldaden dan van hem, die hem iets leende of in bewaring gaf: bv. van zijn ouders. Derhalve moet men soms eerder een andere persoon bijstaan dan hem, van wie men iets ontvangen heeft.
5. Praeterea, vanum est restituere illud, quod ad manum restituentis per restitutionem pervenit. Sed si praelatus injuste aliquid Ecclesiae subtraxit, et ei restituat, ad manus ejus deveniet, quia ipse est rerum Ecclesiae 143conservator. Ergo non debet restituere Ecclesiae, a qua abstulit, et sic non semper restituendum est ei a quo est ablatum.
5. Het is nutteloos datgene terug te geven, wat door teruggave weer in de handen komt van hem die teruggeeft. Welnu, wanneer een kerkelijke overheid op onrechtvaardige wijze iets aan de kerk onttrokken heeft en dan teruggeeft, komt het teruggegevene weer in zijn handen: want hij is de bewaarder van het 143kerkelijk bezit. Derhalve moet hij aan de kerk niet teruggeven, wat hij haar ontnomen heeft. En op die wijze moet men niet altijd teruggeven aan hem, van wien men iets ontving.5. Het is nutteloos datgene terug te geven, wat door teruggave weer in de handen komt van hem die teruggeeft. Welnu, wanneer een kerkelijke overheid op onrechtvaardige wijze iets aan de kerk onttrokken heeft en dan teruggeeft, komt het teruggegevene weer in zijn handen: want hij is de bewaarder van het 143kerkelijk bezit. Derhalve moet hij aan de kerk niet teruggeven, wat hij haar ontnomen heeft. En op die wijze moet men niet altijd teruggeven aan hem, van wie men iets ontving.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 13. [v. 7] : « Reddite omnibus debita, cui tributum, tributum; cui vectigal, vectigal ».
Daartegenover staat echter, dat in den Brief aan de Romeinen (13. 7) gezegd wordt: « Geeft dus aan allen wat hun toekomt; belasting aan wien ge belasting, tol aan wien ge tol zijt verschuldigd ».Daartegenover staat echter, dat in de Brief aan de Romeinen (13, 7) gezegd wordt: “Geeft dus aan allen wat hun toekomt; belasting aan wie ge belasting, tol aan wie ge tol zijt verschuldigd”.
Respondeo dicendum, quod per restitutionem fit reductio ad aequalitatem commutativae justitiae, quae consistit in rerum adaequatione, sicut dictum est [art. 2; q. 58. art. 10.]. Hujusmodi autem rerum adaequatio fieri non posset, nisi ei, qui minus habet quam quod suum est, suppleretur quod deest; et ad hanc suppletionem faciendam, necesse est ut ei fiat restitutio, a quo acceptum est.
Leerstelling. — De teruggave herstelt de gelijkheid van de ruilrechtvaardigheid die bestaat in een zekere gelijkmaking van de dingen, zooals gezegd is (2e Art.; 58e Kw. 10e Art.). Deze gelijkmaking van dingen nu kan niet geschieden, tenzij aan hem, die minder bezit dan hem toekomt, het tekort wordt vergoed. En tot zulk een vergoeding is het noodzakelijk, dat de teruggave geschiedt aan hem, van wien men iets genomen heeft.Leerstelling. — De teruggave herstelt de gelijkheid van de ruilrechtvaardigheid die bestaat in een zekere gelijkmaking van de dingen, zoals gezegd is (2e Art.; 58e Kw. 10e Art.). Deze gelijkmaking van dingen nu kan niet geschieden, tenzij aan hem, die minder bezit dan hem toekomt, het tekort wordt vergoed. En tot zulk een vergoeding is het noodzakelijk, dat de teruggave geschiedt aan hem, van wie men iets genomen heeft.
Ad primum ergo dicendum, quod quando res restituenda apparet esse graviter nociva ei, cui restitutio facienda est, vel alteri, non ei debet tunc restitui, quia restitutio ordinatur ad utilitatem ejus, cui restituitur: omnia 144enim quae possidentur, sub ratione utilis cadunt. Nec tamen debet ille qui detinet rem alienam, sibi appropriare, sed vel reservare, ut congruo tempore restituat, vel etiam alibi tradere tutius conservandam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer de zaak, die moet worden teruggegeven, zeer schadelijk blijkt te zijn voor hem aan wien zij moet worden teruggegeven, of voor een ander, dan moet zij niet worden teruggegeven: de teruggave immers 144heeft tot doel het nut van hem aan wien iets teruggegeven wordt; want alle bezit wordt als nuttig aanzien. Toch moet hij, die iets van een ander heeft, het zich niet toeëigenen: maar wel bewaren om het te rechter tijd terug te geven, ofwel het aan een ander toevertrouwen in verzekerde bewaring.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wanneer de zaak, die moet worden teruggegeven, zeer schadelijk blijkt te zijn voor hem aan wie zij moet worden teruggegeven, of voor een ander, dan moet zij niet worden teruggegeven: de teruggave immers 144heeft tot doel het nut van hem aan wie iets teruggegeven wordt; want alle bezit wordt als nuttig aanzien. Toch moet hij, die iets van een ander heeft, het zich niet toeëigenen: maar wel bewaren om het te rechter tijd terug te geven, ofwel het aan een ander toevertrouwen in verzekerde bewaring.
Ad secundum dicendum, quod aliquis dupliciter aliquid illicite dat: uno modo, quia ipsa datio est illicita et contra legem, sicut patet in eo, qui simoniace aliquid dedit; et talis meretur amittere, quod dedit; unde non debet ei restitutio fieri de his; et quia etiam ille qui accepit, contra legem accepit, non debet sibi retinere, sed debet in pios usus convertere. Alio modo aliquis illicite dat, quia propter rem illicitam dat, licet ipsa datio non sit illicita, sicut cum quis dat meretrici propter fornicationem; unde et mulier potest sibi retinere, quod ei datum est; sed si superflue aliquid per fraudem vel dolum extorsisset, tenetur eidem restituere.
2. Men kan iets op onwettige wijze geven op twee manieren. Ten eerste, omdat het geven zelf ongeoorloofd is en tegen de wet: zooals blijkt bij iemand, die op simonistische wijze iets geeft. Zoo iemand verdient te verliezen wat hij geeft: daarom moet hem hiervoor niets worden teruggegeven. En daar ook hij, die ontving, tegen de wet in ontving, mag hij het ontvangene niet voor zich behouden, maar moet het gebruiken voor goede werken. Ten tweede geeft iemand iets op onwettige wijze, omdat hij geeft voor een onwettige zaak, hoewel het geven zelf niet onwettig is: zooals wanneer iemand aan een lichtekooi den prijs voor ontucht betaalt. Daarom mag die vrouw voor zich houden wat haar gegeven werd: doch wanneer zij door bedrog of list te veel aftroggelde, is zij verplicht tot teruggave aan den betrokken persoon.2. Men kan iets op onwettige wijze geven op twee manieren. Ten eerste, omdat het geven zelf ongeoorloofd is en tegen de wet: zoals blijkt bij iemand, die op simonistische wijze iets geeft. Zo iemand verdient te verliezen wat hij geeft: daarom moet hem hiervoor niets worden teruggegeven. En daar ook hij, die ontving, tegen de wet in ontving, mag hij het ontvangene niet voor zich behouden, maar moet het gebruiken voor goede werken. Ten tweede geeft iemand iets op onwettige wijze, omdat hij geeft voor een onwettige zaak, hoewel het geven zelf niet onwettig is: zoals wanneer iemand aan een lichtekooi de prijs voor ontucht betaalt. Daarom mag die vrouw voor zich houden wat haar gegeven werd: doch wanneer zij door bedrog of list te veel aftroggelde, is zij verplicht tot teruggave aan de betrokken persoon.
Ad tertium dicendum, quod si ille, cui debet fieri restitutio, sit omnino ignotus, debet homo restituere, secundum quod potest, scilicet dando in eleemosynas pro salute ipsius, sive sit mortuus, sive sit vivus, praemissa 145tamen diligenti inquisitione de persona ejus, cui est restitutio facienda. Si vero sit mortuus ille, cui est restitutio facienda, debet restitui haeredi ejus, qui computatur quasi una persona cum ipso; si vero ille sit multum distans, debet sibi transmitti quod ei debetur, et praecipue si sit res magni valoris, et possit commode transmitti; alioquin debet in aliquo loco tuto deponi, ut pro eo conservetur, et domino significari.
3. Wanneer de persoon aan wien iets moet worden teruggegeven heelemaal onbekend is, dan moet men teruggeven voor zoover dat mogelijk is, nl. door het als aalmoes weg te geven voor de zaligheid van den bezitter, hetzij hij gestorven is, hetzij 145hij leeft; toch moet een nauwkeurig onderzoek omtrent den persoon aan wien moet worden teruggegeven, voorafgaan. — Wanneer hij aan wien de teruggave moest worden gedaan gestorven is, dan moet zij geschieden aan zijn erfgenaam, die beschouwd wordt als één persoon met hem uit te maken. Wanneer hij veraf is, dan moet hem worden overgemaakt wat hem verschuldigd is, vooral wanneer het gaat om een zaak van groote waarde, en zij gemakkelijk kan worden overgemaakt. Anders moet zij op een verzekerde plaats worden gebracht om voor hem te worden bewaard, en hiervan moet aan den eigenaar kennis worden gegeven.3. Wanneer de persoon aan wie iets moet worden teruggegeven helemaal onbekend is, dan moet men teruggeven voor zover dat mogelijk is, nl. door het als aalmoes weg te geven voor de zaligheid van de bezitter, hetzij hij gestorven is, hetzij 145hij leeft; toch moet een nauwkeurig onderzoek omtrent de persoon aan wie moet worden teruggegeven, voorafgaan. — Wanneer hij aan wie de teruggave moest worden gedaan gestorven is, dan moet zij geschieden aan zijn erfgenaam, die beschouwd wordt als één persoon met hem uit te maken. Wanneer hij veraf is, dan moet hem worden overgemaakt wat hem verschuldigd is, vooral wanneer het gaat om een zaak van grote waarde, en zij gemakkelijk kan worden overgemaakt. Anders moet zij op een verzekerde plaats worden gebracht om voor hem te worden bewaard, en hiervan moet aan de eigenaar kennis worden gegeven.
Ad quartum dicendum, quod aliquis de hoc, quod est sibi proprium, debet magis satisfacere parentibus, vel his, a quibus accepit majora beneficia; non autem debet aliquis recompensare benefactori de alieno, quod contingeret, si quod debet uni, alteri restitueret, nisi forte in casu extremae necessitatis, in quo posset et deberet aliquis etiam auferre aliena, ut patri subveniret.
4. Van hetgeen iemand in eigendom bezit, moet hij meer vergelden aan zijn ouders of aan hen van wie hij groote weldaden heeft ontvangen. Toch moet niemand aan een weldoener vergoeden van andermans bezit, wat zou gebeuren als hij aan den een geeft wat hij aan den ander verschuldigd is; tenzij misschien in geval van uitersten nood, waarin iemand andermans bezit zou mogen en moeten ontvreemden, om zijn vader voort te helpen.4. Van hetgeen iemand in eigendom bezit, moet hij meer vergelden aan zijn ouders of aan hen van wie hij grote weldaden heeft ontvangen. Toch moet niemand aan een weldoener vergoeden van andermans bezit, wat zou gebeuren als hij aan de een geeft wat hij aan de ander verschuldigd is; tenzij misschien in geval van uitersten nood, waarin iemand andermans bezit zou mogen en moeten ontvreemden, om zijn vader voort te helpen.
Ad quintum dicendum, quod praelatus potest rem Ecclesiae surripere tripliciter: uno modo, si rem Ecclesiae non sibi deputatam, sed alteri, sibi usurparet, puta si Episcopus usurparet sibi rem Capituli; et tunc planum est, quod debet restituere, ponendo in manus eorum, ad quos de jure 146pertinet. Alio modo, si rem Ecclesiae suae custodiae deputatam in alterius dominium transferat, puta consanguinei vel amici; et tunc debet restituere Ecclesiae, et sub sua cura habere, ut ad successorem perveniat. Tertio modo potest praelatus surripere rem Ecclesiae solo animo, dum scilicet incipit habere animum possidendi eam ut suam, et non nomine Ecclesiae; et tunc debet restituere, talem animum deponendo.
5. Een prelaat kan op driedubbele wijze het goed van de kerk ontvreemden. Ten eerste, wanneer hij zich een kerkelijk goed, voor een ander bestemd, wederrechtelijk zou toeëigenen: b.v. wanneer een bisschop zich het goed van het kapittel zou toeëigenen. In dit geval is het duidelijk, dat hij het moet teruggeven 146door het over te leveren in de handen van hen, aan wie het in rechte toekomt. — Ten tweede, door een kerkelijk goed, dat aan zijn zorgen was toevertrouwd, aan een ander over te maken: b.v. aan een familielid of aan een vriend. En in dit geval moet hij het aan de kerk teruggeven, en er zelf voor zorgen, dat het aan zijn opvolger overgaat. — Ten derde kan een prelaat een kerkelijk goed enkel in den geest ontvreemden, wanneer hij nl. begint te verlangen het goed in eigendom te bezitten, en niet in naam van de kerk. En dan moet de teruggave geschieden door het afleggen van dat verlangen.5. Een prelaat kan op driedubbele wijze het goed van de kerk ontvreemden. Ten eerste, wanneer hij zich een kerkelijk goed, voor een ander bestemd, wederrechtelijk zou toeëigenen: bv. wanneer een bisschop zich het goed van het kapittel zou toeëigenen. In dit geval is het duidelijk, dat hij het moet teruggeven 146door het over te leveren in de handen van hen, aan wie het in rechte toekomt. — Ten tweede, door een kerkelijk goed, dat aan zijn zorgen was toevertrouwd, aan een ander over te maken: bv. aan een familielid of aan een vriend. En in dit geval moet hij het aan de kerk teruggeven, en er zelf voor zorgen, dat het aan zijn opvolger overgaat. — Ten derde kan een prelaat een kerkelijk goed enkel in de geest ontvreemden, wanneer hij nl. begint te verlangen het goed in eigendom te bezitten, en niet in naam van de kerk. En dan moet de teruggave geschieden door het afleggen van dat verlangen.
Utrum teneatur semper restituere ille qui accepit
Is het altijd hij die ontvangen heeft, die moet teruggeven?
Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod non teneatur semper restituere ille qui accepit: per restitutionem enim reparatur aequalitas justitiae, quae consistit in hoc, quod subtrahatur ei qui plus habet et detur ei qui minus habet. Sed contingit quandoque, quod ille qui rem aliquam subtraxit alicui, 147non habet eam, sed devenit ad manus alterius. Ergo non tenetur ille restituere qui accepit, sed alius qui rem habet.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet altijd hij die ontvangen heeft, moet teruggeven. — 1. Door de teruggave immers wordt de gelijkheid van de rechtvaardigheid hersteld, die hierin bestaat, dat aan hem, die te veel heeft, ontnomen wordt en gegeven aan hem die te weinig heeft. Soms komt het echter voor, dat hij die aan een ander iets ontnam, het niet heeft, maar het 147in andere handen overgaf. Dus niet hij die ontnam is tot teruggave gehouden, maar de andere, die de zaak heeft.
2. Praeterea, nullus tenetur crimen suum detegere. Sed aliquando aliquis restitutionem faciendo, crimen suum detegit, ut patet in furto. Ergo non semper tenetur ille qui abstulit restituere.
2. Niemand is gehouden zijn misdrijf kenbaar te maken. Welnu, soms maakt iemand zijn misdrijf bekend door terug te geven; zooals blijkt bij diefstal. Dus is niet altijd hij die iets ontvreemdde, tot teruggave gehouden.2. Niemand is gehouden zijn misdrijf kenbaar te maken. Welnu, soms maakt iemand zijn misdrijf bekend door terug te geven; zoals blijkt bij diefstal. Dus is niet altijd hij die iets ontvreemdde, tot teruggave gehouden.
3. Praeterea, ejusdem rei non est multoties restitutio facienda. Sed quandoque multi simul rem aliquam surripiunt, et unus eorum eam integre restituit. Ergo non semper ille qui accepit, tenetur ad restituendum.
3. Men is niet verplicht dezelfde zaak verscheidene malen terug te geven. Welnu, het gebeurt dat velen tegelijk een zaak ontstelen, en dat een van hen de zaak in haar geheel teruggeeft. Dus is niet altijd hij die ontving, tot teruggave gehouden.
Sed contra, ille, qui peccavit, tenetur satisfacere. Sed restitutio ad satisfactionem pertinet. Ergo ille, qui abstulit, tenetur restituere.
Daartegenover staat echter, dat hij die zondigde tot voldoening gehouden is. Welnu, de teruggave valt onder de voldoening. Dus hij die ontnomen heeft, is tot teruggave gehouden.
Respondeo dicendum, quod circa illum, qui rem alienam accepit, duo sunt consideranda, scilicet, ipsa res accepta, et ipsa acceptio. Ratione autem rei tenetur eam restituere, quamdiu eam apud se habet, quia quod habet ultra id quod suum est, debet ei subtrahi, et dari ei cui deest, secundum formam commutativae justitiae.
Leerstelling. — Met betrekking tot hem, die andermans goed ontvreemdde, moeten twee dingen in acht genomen worden: nl. de verworven zaak, en het verwerven zelf. Om de zaak zelf is hij gehouden tot teruggave ervan, zoolang hij haar bij zich heeft: want datgene wat iemand meer heeft dan hem toekomt, moet hem ontnomen worden, en gegeven aan hem wien 148het ontbreekt, overeenkomstig den aard van de ruilrechtvaardigheid.Leerstelling. — Met betrekking tot hem, die andermans goed ontvreemdde, moeten twee dingen in acht genomen worden: nl. de verworven zaak, en het verwerven zelf. Om de zaak zelf is hij gehouden tot teruggave ervan, zolang hij haar bij zich heeft: want datgene wat iemand meer heeft dan hem toekomt, moet hem ontnomen worden, en gegeven aan hem wie 148het ontbreekt, overeenkomstig de aard van de ruilrechtvaardigheid.
148Sed ipsa acceptio rei alienae potest tripliciter se habere. Quandoque enim est injuriosa, scilicet contra voluntatem existens ejus, qui est rei dominus, ut patet in furto et rapina; et tunc tenetur ad restitutionem, non solum ratione rei, sed etiam ratione injuriosae actionis, etiamsi res apud ipsum non remaneat. Sicut enim qui percutit aliquem, tenetur recompensare injuriam passo, quamvis apud ipsum nihil maneat, ita etiam qui furatur vel rapit, tenetur ad recompensationem damni illati, etiam si nihil inde habeat; et ulterius pro injuria illata debet puniri.
Het ontnemen zelf van andermans goed kan op drieërlei wijze gebeuren. Soms immers is het ontnemen wederrechtelijk, d. i. tegen den wil in van den bezitter der zaak: zooals blijkt bij diefstal en roof. En dan is men tot teruggave gehouden, niet alleen om wille van de zaak, maar tevens om wille van de wederrechtelijke handelwijze, ook al behoudt men de zaak niet bij zich. Zoo immers is hij, die iemand slaat, gehouden tot vergoeding aan hem, die onrecht leed, hoewel niets bij hem blijft; zoo ook is iemand die steelt of rooft, gehouden tot vergoeding van de toegebrachte schade, ook wanneer hij er niets aan heeft; en verder moet hij voor het aangedaan onrecht worden gestraft.Het ontnemen zelf van andermans goed kan op drieërlei wijze gebeuren. Soms immers is het ontnemen wederrechtelijk, d.i. tegen de wil in van de bezitter van de zaak: zoals blijkt bij diefstal en roof. En dan is men tot teruggave gehouden, niet alleen om wille van de zaak, maar tevens om wille van de wederrechtelijke handelwijze, ook al behoudt men de zaak niet bij zich. Zo immers is hij, die iemand slaat, gehouden tot vergoeding aan hem, die onrecht leed, hoewel niets bij hem blijft; zo ook is iemand die steelt of rooft, gehouden tot vergoeding van de toegebrachte schade, ook wanneer hij er niets aan heeft; en verder moet hij voor het aangedaan onrecht worden gestraft.
Alio modo aliquis accipit rem alterius in utilitatem suam absque injuria, cum voluntate scilicet ejus, cujus est res, sicut patet in mutuis; et tunc ille qui accepit, tenetur ad restitutionem ejus quod accepit, non solum ratione rei, sed etiam ratione acceptionis, etiam si rem amiserit; tenetur enim recompensare ei, qui gratiam fecit: quod non fiet, si per hoc damnum incurrat.
Ten tweede verkrijgt iemand andermans goed voor zijn eigen nut, niet op wederrechtelijke wijze, maar met de instemming van hem aan wien het goed behoort, zooals blijkt bij leeningen. En in dit geval is degene, die ontving tot teruggave van het ontvangene gehouden, niet alleen om wille van de zaak, maar ook om wille van het ontvangen, ook dan wanneer hij de zaak zou hebben verloren: hij is immers gehouden tot vergoeding aan hem, die de weldaad bewees, wat niet zou gebeuren als deze hierdoor schade zou lijden.Ten tweede verkrijgt iemand andermans goed voor zijn eigen nut, niet op wederrechtelijke wijze, maar met de instemming van hem aan wie het goed behoort, zoals blijkt bij leningen. En in dit geval is degene, die ontving tot teruggave van het ontvangene gehouden, niet alleen om wille van de zaak, maar ook om wille van het ontvangen, ook dan wanneer hij de zaak zou hebben verloren: hij is immers gehouden tot vergoeding aan hem, die de weldaad bewees, wat niet zou gebeuren als deze hierdoor schade zou lijden.
149Tertio modo aliquis accipit rem alterius absque injuria, non pro sua utilitate, sicut patet in depositis; et ideo ille qui sic accepit, in nullo tenetur ratione acceptionis, quinimmo accipiendo impendit obsequium; tenetur autem ratione rei; et propter hoc si ei subtrahatur res absque sua culpa, non tenetur ad restitutionem. Secus autem esset, si cum magna sua culpa rem depositam amitteret.
149Ten derde ontvangt iemand het goed van een ander niet op wederrechtelijke wijze, en niet voor zijn eigen nut: zooals blijkt bij het in-bewaring-geven. En bijgevolg is hij, die ontving, heelemaal niet tot teruggave gehouden krachtens het ontvangen, want door het ontvangen bewijst hij veeleer een dienst: om wille van de zaak echter is hij gehouden. En hierom is hij niet gehouden tot teruggave wanneer de zaak hem wordt ontnomen buiten zijn eigen schuld. Anders ware het, wanneer hij de in bewaring ontvangen zaak door eigen, groote schuld zou verliezen.149Ten derde ontvangt iemand het goed van een ander niet op wederrechtelijke wijze, en niet voor zijn eigen nut: zoals blijkt bij het in-bewaring-geven. En bijgevolg is hij, die ontving, helemaal niet tot teruggave gehouden krachtens het ontvangen, want door het ontvangen bewijst hij veeleer een dienst: om wille van de zaak echter is hij gehouden. En hierom is hij niet gehouden tot teruggave wanneer de zaak hem wordt ontnomen buiten zijn eigen schuld. Anders ware het, wanneer hij de in bewaring ontvangen zaak door eigen, grote schuld zou verliezen.
Ad primum ergo dicendum, quod restitutio non ordinatur principaliter ad hoc, quod ille qui plus habet quam debet, habere desinat, sed ad hoc, quod illi qui minus habet, suppleatur; unde in his rebus, quae unus potest ab alio accipere sine ejus detrimento, non habet locum restitutio, puta cum aliquis accipit lumen a candela alterius. Et ideo quamvis ille qui abstulit, non habeat id quod accepit, sed in alium sit translatum, quia tamen alter privatur re sua, tenetur ei ad restitutionem et ille qui rem abstulit, ratione injuriosae actionis, et ille qui rem habet, ratione ipsius rei.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doel van de teruggave bestaat niet voornamelijk hierin, dat hij die meer heeft dan hem toekomt zou ophouden dat te bezitten: maar wel dat aan hem die minder heeft, bijgegeven wordt. Daarom heeft er geen teruggave plaats bij die dingen, die de een kan ontvangen van den ander zonder dat deze er schade door lijdt; zoo b.v. wanneer iemand licht krijgt van een andermans kandelaar. En bijgevolg is hij die ontnam — hoewel hij het ontnomene niet meer heeft, daar hij het aan een ander overliet — toch tot teruggave gehouden, omdat de andere van zijn goed beroofd wordt: hij die de zaak ontnam is tot teruggave verplicht, om wille van zijn wederrechtelijke daad; en hij die de zaak heeft, om wille van de zaak zelf.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het doel van de teruggave bestaat niet voornamelijk hierin, dat hij die meer heeft dan hem toekomt zou ophouden dat te bezitten: maar wel dat aan hem die minder heeft, bijgegeven wordt. Daarom heeft er geen teruggave plaats bij die dingen, die de een kan ontvangen van de ander zonder dat deze er schade door lijdt; zo bv. wanneer iemand licht krijgt van een andermans kandelaar. En bijgevolg is hij die ontnam — hoewel hij het ontnomene niet meer heeft, daar hij het aan een ander overliet — toch tot teruggave gehouden, omdat de andere van zijn goed beroofd wordt: hij die de zaak ontnam is tot teruggave verplicht, om wille van zijn wederrechtelijke daad; en hij die de zaak heeft, om wille van de zaak zelf.
150Ad secundum dicendum, quod homo etsi non teneatur crimen suum detegere hominibus, tenetur tamen crimen suum detegere Deo in confessione; et ita per Sacerdotem, cui confitetur, potest restitutionem facere rei alienae.
1502. Hoewel de mensch niet verplicht is zijn misdrijf aan de menschen bekend te maken, toch is hij gehouden dat misdrijf aan God te openbaren in de biecht. En zoo mag hij de teruggave van andermans goed volbrengen door den priester, aan wien hij zijn biecht spreekt.1502. Hoewel de mens niet verplicht is zijn misdrijf aan de mensen bekend te maken, toch is hij gehouden dat misdrijf aan God te openbaren in de biecht. En zo mag hij de teruggave van andermans goed volbrengen door de priester, aan wie hij zijn biecht spreekt.
Ad tertium dicendum, quod quia restitutio principaliter ordinatur ad removendum damnum ejus, a quo est aliquid injuste ablatum, ideo postquam ei restitutio sufficiens facta est per unum, alii non tenentur ei ulterius restituere, sed magis refusionem facere ei, qui restituit; qui tamen potest condonare.
3. Daar de teruggave voornamelijk tot doel heeft, de schade te herstellen van hem aan wien op onrechtvaardige wijze iets werd ontnomen, daarom zijn de anderen niet meer verplicht terug te geven wanneer één reeds op voldoende wijze teruggaf; veeleer zijn zij gehouden tot uitkeering aan hem die teruggaf, hoewel die mag kwijtschelden.3. Daar de teruggave voornamelijk tot doel heeft, de schade te herstellen van hem aan wie op onrechtvaardige wijze iets werd ontnomen, daarom zijn de anderen niet meer verplicht terug te geven wanneer één reeds op voldoende wijze teruggaf; veeleer zijn zij gehouden tot uitkering aan hem die teruggaf, hoewel die mag kwijtschelden.
Utrum illi, qui non acceperunt, teneantur restituere
Zijn zij die niet ontvingen, tot teruggave verplicht?
Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod illi, qui non acceperunt, non teneantur restituere: restitutio enim quaedam poena est accipientis. Sed 151nullus debet puniri, nisi qui peccavit. Ergo nullus debet restituere, nisi qui accepit.
Bedenkingen. — Men beweert, dat zij die niet ontvingen, niet tot teruggave verplicht zijn. — 1. De teruggave immers is een zekere straf voor hem die ontnam. Welnu, niemand moet 151worden gestraft tenzij hij zondigde. Derhalve moet niemand teruggeven, dan alleen hij die ontnomen heeft.
2. Praeterea, justitia non obligat aliquem ad hoc, quod rem alterius augeat. Sed si ad restitutionem teneretur non solum ille qui accepit, sed etiam illi qui qualitercumque cooperantur, augeretur ex hoc res illius, cui est aliquid subtractum, tum quia sibi multoties restitutio fieret, tum etiam quia quandoque aliqui operam dant ad hoc, quod aliqua res alicui auferatur, quae tamen non ei aufertur. Ergo non tenentur alii ad restitutionem.
2. De rechtvaardigheid verplicht niemand tot het vermeerderen van andermans goed. Welnu, wanneer niet alleen hij, die ontnam, tot teruggave zou verplicht zijn, maar ook zij die, hoe dan ook, hebben meegewerkt, zou daardoor het goed van hem aan wien iets werd ontnomen, vermeerderd worden: én omdat het ontnomene hem meerdere malen zou worden teruggegeven, én tevens omdat sommigen soms hulp verleenen opdat aan iemand een zaak zou worden ontnomen, hoewel zij hem niet ontnomen wordt. Dus zijn de anderen niet tot teruggave verplicht.2. De rechtvaardigheid verplicht niemand tot het vermeerderen van andermans goed. Welnu, wanneer niet alleen hij, die ontnam, tot teruggave zou verplicht zijn, maar ook zij die, hoe dan ook, hebben meegewerkt, zou daardoor het goed van hem aan wie iets werd ontnomen, vermeerderd worden: én omdat het ontnomene hem meerdere malen zou worden teruggegeven, én tevens omdat sommigen soms hulp verlenen opdat aan iemand een zaak zou worden ontnomen, hoewel zij hem niet ontnomen wordt. Dus zijn de anderen niet tot teruggave verplicht.
3. Praeterea, nullus tenetur se periculo exponere, ad hoc quod rem alterius salvet. Sed aliquando manifestando latronem, vel ei resistendo, aliquis periculo mortis se exponeret. Non ergo tenetur aliquis ad restitutionem propter hoc, quod non manifestat latronem, vel non ei resistit.
3. Niemand is verplicht zich in gevaar te stellen om het goed van een ander te redden. Welnu, soms zou iemand zich aan doodsgevaar blootstellen, door een roover bekend te maken of hem te weerstaan. Derhalve is niemand verplicht tot teruggave, omdat hij den roover niet bekend maakt of hem niet weerstaat.3. Niemand is verplicht zich in gevaar te stellen om het goed van een ander te redden. Welnu, soms zou iemand zich aan doodsgevaar blootstellen, door een rover bekend te maken of hem te weerstaan. Derhalve is niemand verplicht tot teruggave, omdat hij de rover niet bekend maakt of hem niet weerstaat.
Sed contra est, quod dicitur Rom. 1. [v. 32] : « Digni sunt morte, non solum qui faciunt, sed etiam qui consentiunt facientibus ». Ergo pari ratione etiam consentientes debent restituere.
Daartegenover staat echter het woord uit den Brief aan de Romeinen (1. 32) : « Niet enkel zij die dergelijke dingen doen verdienen den dood, maar ook zij die instemmen met hen die ze doen ». Om gelijke reden dus zijn zij die instemmen tot teruggave verplicht.Daartegenover staat echter het woord uit de Brief aan de Romeinen (1, 32): “Niet enkel zij die dergelijke dingen doen verdienen de dood, maar ook zij die instemmen met hen die ze doen”. Om gelijke reden dus zijn zij die instemmen tot teruggave verplicht.
152Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], ad restitutionem tenetur aliquis, non solum ratione rei alienae, quam accepit, sed etiam ratione injuriosae acceptionis; et ideo quicumque est causa injustae acceptionis, tenetur ad restitutionem.
152Leerstelling. — Zooals gezegd werd (vorig Art.), is iemand tot teruggave verplicht, niet alleen om reden van de zaak die hij ontnam, maar ook om wille van de wederrechtelijke ontvreemding. En bijgevolg is ieder, die oorzaak is van een wederrechtelijke ontvreemding, tot teruggave verplicht.152Leerstelling. — Zoals gezegd werd (vorig Art.), is iemand tot teruggave verplicht, niet alleen om reden van de zaak die hij ontnam, maar ook om wille van de wederrechtelijke ontvreemding. En bijgevolg is ieder, die oorzaak is van een wederrechtelijke ontvreemding, tot teruggave verplicht.
Quod quidem contingit dupliciter, directe scilicet et indirecte. Directe quidem, quando inducit aliquis alium ad accipiendum; et hoc quidem tripliciter: primo quidem modo ex parte acceptionis, movendo ad ipsam acceptionem, quod quidem fit praecipiendo, consulendo, consentiendo expresse, et laudando aliquem quasi strenuum de hoc, quod aliena accepit; alio modo ex parte ipsius accipientis, quia scilicet eum receptat, vel qualitercumque ei auxilium fert; tertio modo ex parte rei acceptae, quia scilicet particeps est furti vel rapinae, quasi socius maleficii.
Dit nu kan zich op tweeërlei wijze voordoen: rechtstreeks en onrechtstreeks. Rechtstreeks, wanneer iemand een ander aanzet tot ontvreemding. En dit weer op drieërlei wijze. Ten eerste, door hem tot de ontvreemding te bewegen: dit nu geschiedt door gebod, door aanraden, door uitdrukkelijke instemming, door hem hoog te prijzen omdat hij andermans goed ontvreemdt. Ten tweede, van den kant van den ontvreemder zelf: omdat hij hem nl. een schuilplaats aanbiedt of hem hoe dan ook helpt. Ten derde, van den kant van de ontvreemde zaak: omdat hij deel neemt aan den diefstal of den roof, als gezel van den misdadiger.Dit nu kan zich op tweeërlei wijze voordoen: rechtstreeks en onrechtstreeks. Rechtstreeks, wanneer iemand een ander aanzet tot ontvreemding. En dit weer op drieërlei wijze. Ten eerste, door hem tot de ontvreemding te bewegen: dit nu geschiedt door gebod, door aanraden, door uitdrukkelijke instemming, door hem hoog te prijzen omdat hij andermans goed ontvreemdt. Ten tweede, van de kant van de ontvreemder zelf: omdat hij hem nl. een schuilplaats aanbiedt of hem hoe dan ook helpt. Ten derde, van de kant van de ontvreemde zaak: omdat hij deel neemt aan de diefstal of de roof, als gezel van de misdadiger.
Indirecte vero, quando aliquis non impedit, cum possit et debeat impedire, vel quia subtrahit praeceptum, sive consilium impediens furtum vel rapinam, vel quia subtrahit suum auxilium, quo posset obsistere, vel quia occultat post factum. Quae his versibus comprehenduntur: 153Jussio, consilium, consensus, palpo, recursus. / Participans, mutus, non obstans, non manifestans.
Onrechtstreeks echter, wanneer iemand niet belet, wanneer hij zou kunnen en moeten beletten: hetzij omdat hij een gebod of raadgeving intrekt, die den diefstal of den roof zouden beletten; hetzij door het feit te verduiken. Dit alles is samengevat in het volgende vers: 153Bevel, daad, instemming, vleierij, bescherming: / Deelname, verzwijgend, niet belettend, niet aanklagend.Onrechtstreeks echter, wanneer iemand niet belet, wanneer hij zou kunnen en moeten beletten: hetzij omdat hij een gebod of raadgeving intrekt, die de diefstal of de roof zouden beletten; hetzij door het feit te verduiken. Dit alles is samengevat in het volgende vers: 153Bevel, daad, instemming, vleierij, bescherming: / Deelname, verzwijgend, niet belettend, niet aanklagend.
Sciendum tamen, quod quinque praemissorum semper obligant ad restitutionem: primo jussio, quia scilicet ille qui jubet, est principaliter movens: unde ipse principaliter tenetur ad restituendum. Secundo consensus, in eo scilicet, sine quo rapina fieri non potest. Tertio recursus, quando scilicet aliquis est receptator latronum, et eis patrocinium praestat. Quarto participatio, quando scilicet aliquis participat in crimine latrocinii, et in praeda. Quinto tenetur ille qui non obstat, cum obstare teneatur, sicut principes, qui tenentur custodire justitiam in terra, si per eorum defectum latrones increscant, ad restitutionem tenentur, quia redditus, quos habent, sunt quasi stipendia ad hoc instituta, ut justitiam conservent in terra.
Nu moet men in acht nemen, dat vijf der genoemde manieren tot teruggave verplichten. Ten eerste, het bevel: want hij die beveelt is de voornaamste beweger; daarom is hij voornamelijk tot teruggave verplicht. Ten tweede, de instemming: nl. met datgene zonder hetwelk de roof geen plaats zou kunnen hebben. Ten derde, de bescherming: wanneer nl. iemand de roovers opneemt en ze beschermt. Ten vierde, de deelname: wanneer nl. iemand deelneemt aan een roofmisdrijf en deelt van den buit. Ten vijfde is hij, die niet belet, wanneer hij moet beletten, tot teruggave verplicht: zoo zijn de vorsten, die de verplichting hebben de rechtvaardigheid op aarde te bewaren, als door hun tekortkomingen de roovers aangroeien, tot teruggave verplicht; want de wedde, die zij ontvangen is als 't ware een bezoldiging, die hun werd toegekend, opdat zij zouden waken over de rechtvaardigheid op aarde.Nu moet men in acht nemen, dat vijf van de genoemde manieren tot teruggave verplichten. Ten eerste, het bevel: want hij die beveelt is de voornaamste beweger; daarom is hij voornamelijk tot teruggave verplicht. Ten tweede, de instemming: nl. met datgene zonder hetwelk de roof geen plaats zou kunnen hebben. Ten derde, de bescherming: wanneer nl. iemand de rovers opneemt en ze beschermt. Ten vierde, de deelname: wanneer nl. iemand deelneemt aan een roofmisdrijf en deelt van de buit. Ten vijfde is hij, die niet belet, wanneer hij moet beletten, tot teruggave verplicht: zo zijn de vorsten, die de verplichting hebben de rechtvaardigheid op aarde te bewaren, als door hun tekortkomingen de rovers aangroeien, tot teruggave verplicht; want de wedde, die zij ontvangen is als 't ware een bezoldiging, die hun werd toegekend, opdat zij zouden waken over de rechtvaardigheid op aarde.
In aliis autem casibus enumeratis non semper obligatur aliquis ad restituendum: non enim semper consilium, vel adulatio, vel aliquid hujusmodi est efficax causa rapinae; unde tunc solum tenetur consiliator, aut palpo, 154idest adulator, ad restitutionem, quando probabiliter aestimari potest, quod ex hujusmodi causis fuerit injusta acceptio subsecuta.
In de andere aangevoerde gevallen is men niet altijd tot teruggave verplicht. Raadgeving immers en vleierij of iets dergelijks, zijn niet altijd afdoende oorzaken van roof. Daarom is de 154raadgever of de vleier enkel tot teruggave verplicht, wanneer men met waarschijnlijkheid kan gissen, dat uit die oorzaken de wederrechtelijke ontvreemding gevolgd is.In de andere aangevoerde gevallen is men niet altijd tot teruggave verplicht. Raadgeving immers en vleierij of iets dergelijks, zijn niet altijd afdoende oorzaken van roof. Daarom is de 154raadgever of de vleier enkel tot teruggave verplicht, wanneer men met waarschijnlijkheid kan gissen, dat uit die oorzaken de wederrechtelijke ontvreemding gevolgd is.
Ad primum ergo dicendum, quod non solum peccat ille, qui peccatum exequitur, sed etiam qui quocumque modo peccati est causa, sive consiliando, sive praecipiendo, sive quovis alio modo.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Niet alleen zondigt hij, die de zonde bedrijft, maar ook hij, die op gelijk welke wijze oorzaak van de zonde is, hetzij door raadgeving, hetzij door bevel, hetzij op een andere wijze.
Ad secundum dicendum, quod principaliter tenetur restituere ille, qui est principalis in facto; principaliter quidem praecipiens, secundario vero exequens, et consequenter alii per ordinem. Uno tamen restituente illi, qui passus est damnum, alius eidem restituere non tenetur; sed illi, qui sunt principales in facto, et ad quos res pervenit, tenentur aliis restituere, qui restituerunt. Quando autem aliquis praecipit injustam acceptionem, quae non subsequitur, non est restitutio facienda, cum restitutio principaliter ordinetur ad reintegrandam rem ejus, qui injuste est damnificatus.
2. Hij die feitelijk de voornaamste oorzaak is, is voornamelijk verplicht tot teruggave: eerst en vooral hij die beveelt, daarna de uitvoerder, en vervolgens de anderen in rangorde. Wanneer echter één de teruggave aan hem die schade leed op zich neemt, is geen ander nog verplicht aan denzelfde iets terug te geven: maar zij, die de voornaamste oorzaken zijn in feite, en die de zaak in hun bezit hebben, zijn tot teruggave verplicht aan hen die restitutie deden. Wanneer echter iemand een wederrechtelijke ontvreemding beveelt, die dan toch niet volgt, is hij niet tot teruggave verplicht: want de teruggave heeft voornamelijk als doel, een zaak terug te bezorgen aan hem, die op onrechtvaardige wijze schade leed.
Ad tertium dicendum, quod non semper ille qui non manifestat latronem, tenetur ad restitutionem, aut qui non obstat, vel qui non reprehendit; 155sed solum quando incumbit alicui ex officio, sicut principibus terrae, quibus ex hoc non multum imminet periculum: propter hoc enim potestate publica potiuntur, ut sint justitiae custodes.
3. Niet altijd is hij, die den roover niet aanklaagt, of den roof niet belet, of den roover niet terechtwijst, tot teruggave verplicht; 155maar alleen wanneer hem dat van ambtswege toekomt, zooals aan de vorsten dezer aarde. Voor hen dreigt hierin niet veel gevaar: zij worden immers met openbare macht begiftigd, opdat zij bewakers van de rechtvaardigheid zouden zijn.3. Niet altijd is hij, die de rover niet aanklaagt, of de roof niet belet, of de rover niet terechtwijst, tot teruggave verplicht; 155maar alleen wanneer hem dat van ambtswege toekomt, zoals aan de vorsten van deze aarde. Voor hen dreigt hierin niet veel gevaar: zij worden immers met openbare macht begiftigd, opdat zij bewakers van de rechtvaardigheid zouden zijn.
Utrum quis teneatur statim restituere, an vero possit restitutionem differre
Is iemand tot onverwijlde teruggave verplicht, of kan de teruggave wettig verdaagd worden?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod non teneatur aliquis restituere statim, sed potius licite possit restitutionem differre: praecepta enim affirmativa non obligant ad semper. Sed necessitas restituendi imminet ex praecepto affirmativo. Ergo non obligatur homo ad statim restituendum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand niet tot onverwijlde teruggave verplicht is, maar dat hij eerder op wettige wijze de teruggave zou kunnen verdagen. — 1. Immers, gebiedende voorschriften verplichten niet altijd en overal. Welnu, de noodzakelijkheid van de teruggave vloeit voort uit een gebiedend voorschrift. Dus is de mensch niet verplicht tot onverwijlde teruggave.Bedenkingen. — Men beweert, dat iemand niet tot onverwijlde teruggave verplicht is, maar dat hij eerder op wettige wijze de teruggave zou kunnen verdagen. — 1. Immers, gebiedende voorschriften verplichten niet altijd en overal. Welnu, de noodzakelijkheid van de teruggave vloeit voort uit een gebiedend voorschrift. Dus is de mens niet verplicht tot onverwijlde teruggave.
2. Praeterea, nullus tenetur ad impossibile. Sed quandoque aliquis non potest statim restituere. Ergo nullus tenetur ad statim restituendum.
2. Niemand is tot het onmogelijke gehouden. Welnu, soms kan iemand niet onmiddellijk teruggeven. Dus is niemand verplicht tot onverwijlde teruggave.
3. Praeterea, restitutio est quidam actus virtutis, scilicet justitiae. 156Tempus autem est una de circumstantiis, quae requiruntur ad actus virtutum. Cum ergo aliae circumstantiae non sint determinatae in actibus virtutum, sed determinabiles secundum rationem prudentiae, videtur quod nec in restitutione sit tempus determinatum, ut scilicet aliquis teneatur ad statim restituendum.
3. De teruggave is een daad van deugd, nl. van 156rechtvaardigheid. De gepaste tijd nu is een van de omstandigheden, die tot de deugddaden vereischt zijn. Daar nu de andere omstandigheden niet bepaald zijn voor de deugddaden, maar bepaalbaar overeenkomstig de verstandigheid, daarom lijkt het wel dat ook bij de teruggave de tijd niet bepaald is, nl. dat iemand zou verplicht zijn tot onverwijlde teruggave.3. De teruggave is een daad van deugd, nl. van 156rechtvaardigheid. De gepaste tijd nu is een van de omstandigheden, die tot de deugddaden vereist zijn. Daar nu de andere omstandigheden niet bepaald zijn voor de deugddaden, maar bepaalbaar overeenkomstig de verstandigheid, daarom lijkt het wel dat ook bij de teruggave de tijd niet bepaald is, nl. dat iemand zou verplicht zijn tot onverwijlde teruggave.
Sed contra est, quod eadem ratio esse videtur in omnibus, quae sunt restituenda. Sed ille, qui conducit opera mercenarii non potest differre restitutionem, ut patet per illud quod habetur Levit. 19. [v. 13] : « Non morabitur opus mercenarii tui apud te usque mane ». Ergo neque in aliis restitutionibus faciendis potest fieri dilatio, sed statim restituere oportet.
Daartegenover staat echter, dat voor alle gevallen van teruggave dezelfde regeling dient getroffen te worden. Welnu, hij die den arbeid van een daglooner huurt mag de teruggave niet verdagen: zooals blijkt uit wat gezegd wordt in het Boek Leviticus (19. 13) : « Het arbeidsloon van den daglooner zal bij u niet vernachten tot aan den morgen ». Dus is verdaging ook bij andere teruggaven niet geoorloofd, maar men moet onmiddellijk teruggeven.Daartegenover staat echter, dat voor alle gevallen van teruggave dezelfde regeling dient getroffen te worden. Welnu, hij die de arbeid van een dagloner huurt mag de teruggave niet verdagen: zoals blijkt uit wat gezegd wordt in het Boek Leviticus (19, 13): “Het arbeidsloon van de dagloner zal bij u niet vernachten tot aan de morgen”. Dus is verdaging ook bij andere teruggaven niet geoorloofd, maar men moet onmiddellijk teruggeven.
Respondeo dicendum, quod sicut accipere rem alienam est peccatum contra justitiam, ita etiam detinere eam, quia per hoc quod aliquis detinet rem alienam invito domino, impedit eum ab usu rei suae, et sic ei facit injuriam. Manifestum est autem, quod nec per modicum tempus licet in 157peccato morari, sed quilibet tenetur peccatum statim deserere, secundum illud Eccli. 21. [v. 2] : « Quasi a facie colubri fuge peccatum ». Et ideo quilibet tenetur statim restituere, si potest, vel petere dilationem ab eo, qui potest usum rei concedere.
Leerstelling. — Evenals het een zonde tegen de rechtvaardigheid is, andermans goed te ontvreemden, zoo ook dat goed te behouden. Want doordat iemand andermans goed behoudt tegen den wil van den eigenaar in, belet hij hem zijn goed te gebruiken, en zoo doet hij hem onrecht. Nu is het klaarblijkend, dat men zelfs niet gedurende een korten tijd in zonde mag 157blijven, maar iedereen is verplicht onmiddellijk de zonde af te leggen, naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (21. 2) : « Vlucht de zonde als het aangezicht van de slang ». En bijgevolg is iedereen verplicht onmiddellijk terug te geven, of uitstel te vragen aan hem, die het gebruik van de zaak kan toestaan.Leerstelling. — Evenals het een zonde tegen de rechtvaardigheid is, andermans goed te ontvreemden, zo ook dat goed te behouden. Want doordat iemand andermans goed behoudt tegen de wil van de eigenaar in, belet hij hem zijn goed te gebruiken, en zo doet hij hem onrecht. Nu is het klaarblijkend, dat men zelfs niet gedurende een korten tijd in zonde mag 157blijven, maar iedereen is verplicht onmiddellijk de zonde af te leggen, naar het woord van het Boek Sirach (21, 2): “Vlucht de zonde als het aangezicht van de slang”. En bijgevolg is iedereen verplicht onmiddellijk terug te geven, of uitstel te vragen aan hem, die het gebruik van de zaak kan toestaan.
Ad primum ergo dicendum, quod praeceptum de restitutione facienda quamvis secundum formam sit affirmativum, implicat tamen in se negativum praeceptum, quo prohibemur rem alterius detinere.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hoewel het voorschrift over de verplichting van teruggave gebiedend is naar zijn vorm, sluit het toch een verbiedend gebod in, waardoor het ons verboden wordt het goed van een ander te behouden.
Ad secundum dicendum, quod quando aliquis non potest statim restituere, ipsa impotentia absolvit eum ab instanti restitutione facienda, sicut etiam totaliter a restitutione absolvitur, si omnino sit impotens; debet tamen remissionem vel dilationem petere ab eo, cui debet, aut per se, aut per alium.
2. Wanneer iemand niet in staat is onmiddellijk restitutie te doen, ontslaat die onmacht zelf hem van de onmiddellijke teruggave: evenals hij heelemaal van teruggave ontslagen is, wanneer hij heelemaal onmachtig is. Toch moet hij zelf, of door een ander, kwijtschelding of verdaging vragen aan hem aan wien hij verplichting heeft.2. Wanneer iemand niet in staat is onmiddellijk restitutie te doen, ontslaat die onmacht zelf hem van de onmiddellijke teruggave: evenals hij helemaal van teruggave ontslagen is, wanneer hij helemaal onmachtig is. Toch moet hij zelf, of door een ander, kwijtschelding of verdaging vragen aan hem aan wie hij verplichting heeft.
Ad tertium dicendum, quod quia cujuscumque circumstantiae omissio contrariatur virtuti, pro determinata est habenda, et oportet illam 158circumstantiam observare. Et quia per dilationem restitutionis committitur peccatum injustae detentionis, quod justitiae opponitur, ideo necesse est tempus esse determinatum, ut statim restitutio fiat.
3. Daar het verwaarloozen van gelijk welke omstandigheid in strijd is met de deugd moet zij als bepaald beschouwd worden, en moet die omstandigheid worden in acht genomen. En daar 158door het verdagen van de teruggave, de zonde van onrechtvaardig-behouden wordt bedreven, wat met de deugd van rechtvaardigheid in strijd is, is het noodzakelijk dat de tijd bepaald is, zoodat de teruggave onmiddellijk moet gebeuren.3. Daar het verwaarlozen van gelijk welke omstandigheid in strijd is met de deugd moet zij als bepaald beschouwd worden, en moet die omstandigheid worden in acht genomen. En daar 158door het verdagen van de teruggave, de zonde van onrechtvaardig-behouden wordt bedreven, wat met de deugd van rechtvaardigheid in strijd is, is het noodzakelijk dat de tijd bepaald is, zodat de teruggave onmiddellijk moet gebeuren.