Theologische Summa · Secunda Secundae · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · De rechtvaardigheid zelfSumma · II-II · Kw. 66Kw. 66
Quaestio LXVI

De peccatis justitiae oppositis, et primo de furto in novem articulos divisa1

Kwestie 66

Over diefstal en roof

(Negen Artikelen)

227Deinde considerandum est de peccatis justitiae oppositis, per quae infertur nocumentum proximo in rebus, scilicet, de furto et rapina.

227Hierna moeten wij die zonden van onrechtvaardigheid gaan beschouwen, waardoor nadeel wordt gedaan aan den naaste in zijn goederen, nl. diefstal en roof.227Hierna moeten wij die zonden van onrechtvaardigheid gaan beschouwen, waardoor nadeel wordt gedaan aan de naaste in zijn goederen, nl. diefstal en roof.

Et circa hoc quaeruntur novem: 1. Utrum naturalis sit homini possessio exteriorum rerum. — 2. Utrum licitum sit, quod aliquis rem aliquam possideat quasi propriam. — 3. Utrum furtum sit occulta acceptio rei alienae. — 4. Utrum rapina sit peccatum specie differens a furto. — 5. Utrum omne furtum sit peccatum. — 6. Utrum furtum sit peccatum mortale. — 7. Utrum liceat furari in necessitate. — 8. Utrum omnis 228rapina sit peccatum mortale. — 9. Utrum rapina sit gravius peccatum, quam furtum.

Hieromtrent worden negen vragen gesteld: 1. Is het overeenkomstig de natuur van den mensch, uitwendige goederen te bezitten? 2. Is het aan iemand geoorloofd, iets te bezitten als zijn eigen goed? 3. Is diefstal het bedekte nemen van andermans goed? 4. Is roof een zonde, die soortelijk van diefstal verschilt? 5. Is elke diefstal zonde? 6. Is diefstal doodzonde? 7. Mag men stelen in nood? 2288. Is elke roof doodzonde? 9. Is roof zwaardere zonde dan diefstal?Hieromtrent worden negen vragen gesteld: 1. Is het overeenkomstig de natuur van de mens, uitwendige goederen te bezitten? 2. Is het aan iemand geoorloofd, iets te bezitten als zijn eigen goed? 3. Is diefstal het bedekte nemen van andermans goed? 4. Is roof een zonde, die soortelijk van diefstal verschilt? 5. Is elke diefstal zonde? 6. Is diefstal doodzonde? 7. Mag men stelen in nood? 2288. Is elke roof doodzonde? 9. Is roof zwaardere zonde dan diefstal?

Articulus I

Utrum naturalis sit homini possessio exteriorum rerum

[3. Contr. g. cap. 22; 1. Polit. lect. 6.]
Ie Artikel

Is het overeenkomstig de natuur van den mensch, uitwendige goederen te bezitten?Is het overeenkomstig de natuur van de mens, uitwendige goederen te bezitten?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod non sit naturalis homini possessio exteriorum rerum: nullus enim debet sibi attribuere, quod Dei est. Sed dominium omnium creaturarum est proprium Dei, secundum illud Psalm. 23. [v. 1] : « Domini est terra », etc. Ergo non est naturalis homini possessio rerum exteriorum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet overeenkomstig de menschelijke natuur is, uitwendige goederen te bezitten. — 1. Niemand immers mag zich toeëigenen wat aan God toebehoort. Welnu, de heerschappij over al de schepselen is eigen aan God, naar het woord uit het Boek der Psalmen (23. 1) : « Aan den Heer behoort de aarde », enz. Dus is het bezit van goederen niet overeenkomstig de menschelijke natuur.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet overeenkomstig de menselijke natuur is, uitwendige goederen te bezitten. — 1. Niemand immers mag zich toeëigenen wat aan God toebehoort. Welnu, de heerschappij over al de schepselen is eigen aan God, naar het woord uit het Boek van de Psalmen (23, 1)a: “Aan de Heer behoort de aarde”, enz. Dus is het bezit van goederen niet overeenkomstig de menselijke natuur.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Basilius exponens verbum divitis dicentis, Luc. 12. [v. 18] : « Congregabo omnia, quae nata sunt mihi, et bona mea », dicit [in serm. sup. Luc. cap. 12.] : « Dic mihi, quae tua? unde eo sumens in vitam tulisti? » Sed illa, quae homo possidet naturaliter, potest aliquis 229convenienter dicere esse sua. Ergo homo non possidet naturaliter exteriora bona.

2. In zijn verklaring bij het woord van den rijke: « Ik zal al mijn graan en goed verzamelen » (Luc. 12. 18) zegt Basilius: « Zeg mij, wat is van u? Vanwaar hebt gij het genomen om het voor uw leven te gebruiken »? Welnu, datgene wat een mensch bezit overeenkomstig zijn natuur, mag hij terecht het 229zijne noemen. Derhalve is het bezit van uitwendige goederen niet overeenkomstig de menschelijke natuur.2. In zijn verklaring bij het woord van de rijke: “Ik zal al mijn graan en goed verzamelen” (Luk. 12. 18) zegt Basilius: “Zeg mij, wat is van u? Vanwaar hebt gij het genomen om het voor uw leven te gebruiken”? Welnu, datgene wat een mens bezit overeenkomstig zijn natuur, mag hij terecht het 229zijne noemen. Derhalve is het bezit van uitwendige goederen niet overeenkomstig de menselijke natuur.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Ambrosius dicit in lib. 1. de Trin. [lib. 1. de Fid. cap. 1.] : « Dominus nomen est potestatis ». Sed homo non habet potestatem super res exteriores: nihil enim potest circa earum naturam immutare. Ergo possessio exteriorum rerum non est homini naturalis.

3. Ambrosius zegt dat « heer een naam is, die macht beteekent ». Welnu, de mensch heeft geen macht over de uitwendige dingen: want niets kan hij aan hun natuur veranderen. Derhalve is het bezit van uitwendige dingen niet overeenkomstig de natuur van den mensch.3. Ambrosius zegt dat “heer een naam is, die macht betekent”. Welnu, de mens heeft geen macht over de uitwendige dingen: want niets kan hij aan hun natuur veranderen. Derhalve is het bezit van uitwendige dingen niet overeenkomstig de natuur van de mens.

Sed contra est, quod dicitur in Psalm. 8. [v. 8] : « Omnia subjecisti sub pedibus ejus », scilicet hominis.

Daartegenover staat echter, dat in het Boek der Psalmen (8. 8) wordt gezegd: « Alles hebt gij aan zijn voeten onderworpen », nl. aan den mensch.Daartegenover staat echter, dat in het Boek van de Psalmen (8, 8) wordt gezegd: “Alles hebt gij aan zijn voeten onderworpen”, nl. aan de mens.

Respondeo dicendum, quod res exterior potest dupliciter considerari: uno modo quantum ad ejus naturam, quae non subjacet humanae potestati, sed solum divinae, cui omnia ad nutum obediunt; alio modo quantum ad usum ipsius rei, et sic habet homo naturale dominium exteriorum rerum, quia per rationem et voluntatem potest uti rebus exterioribus ad suam utilitatem, quasi propter se factis. Semper enim imperfectiora sunt propter perfectiora, ut supra habitum est [q. 64. art. 1.], et ex hac ratione 230Philosophus probat in lib. 1. Polit. [cap. 3.], quod possessio rerum exteriorum est homini naturalis. Hoc autem naturale dominium super caeteras creaturas, quod competit homini secundum rationem, in qua imago Dei consistit, manifestatur in ipsa hominis creatione, Gen. 1. [v. 26], ubi dicitur: « Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram, et praesit piscibus maris », etc.

Leerstelling. — Een uitwendige zaak kan op twee manieren worden beschouwd. Ten eerste, naar haar natuur: die nu is niet onderworpen aan menschelijke macht maar enkel aan de goddelijke, en daaraan gehoorzaamt alles op zijn bevel. Ten tweede, naar het gebruik van de zaak. En zoo beschouwd, heeft de mensch een natuurlijke heerschappij over de uitwendige dingen: want door rede en wil kan hij de uitwendige dingen gebruiken voor zijn nut, als waren zij voor hem gemaakt; altijd immers is het onvolmaaktere voor het meer volmaakte, zooals boven gezegd is (64e Kw. 1e Art.). En hieruit bewijst de 230Wijsgeer, dat het bezit van uitwendige dingen overeenkomstig de menschelijke natuur is. Deze natuurlijke heerschappij over de andere schepselen, die aan den mensch toekomt als redelijk schepsel — en zoo is hij Gods beeld —, blijkt reeds uit het verhaal van de schepping van den mensch, in het Boek der Schepping (1. 26) waar gezegd wordt: « Laten wij den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis; en dat hij heersche over de visschen der zee », enzLeerstelling. — Een uitwendige zaak kan op twee manieren worden beschouwd. Ten eerste, naar haar natuur: die nu is niet onderworpen aan menselijke macht maar enkel aan de goddelijke, en daaraan gehoorzaamt alles op zijn bevel. Ten tweede, naar het gebruik van de zaak. En zo beschouwd, heeft de mens een natuurlijke heerschappij over de uitwendige dingen: want door rede en wil kan hij de uitwendige dingen gebruiken voor zijn nut, als waren zij voor hem gemaakt; altijd immers is het onvolmaaktere voor het meer volmaakte, zoals boven gezegd is (64e Kw. 1e Art.). En hieruit bewijst de 230Wijsgeer, dat het bezit van uitwendige dingen overeenkomstig de menselijke natuur is. Deze natuurlijke heerschappij over de andere schepselen, die aan de mens toekomt als redelijk schepsel — en zo is hij Gods beeld —, blijkt reeds uit het verhaal van de schepping van de mens, in het Boek van de Schepping (1, 26) waar gezegd wordt: “Laten wij de mens maken naar ons beeld en gelijkenis; en dat hij heerse over de vissen van de zee”, enz

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Deus habet principale dominium omnium rerum, et ipse secundum suam providentiam ordinavit quasdam res ad corporalem hominis sustentationem; et propter hoc homo habet naturale rerum dominium, quantum ad potestatem utendi ipsis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God voert de hoogste heerschappij over alle dingen. En overeenkomstig zijn Voorzienigheid, bestemde hij sommige dingen voor het lichamelijk onderhoud van den mensch. En daarom voert de mensch een natuurlijke heerschappij over de dingen, wat betreft de macht om ze te gebruiken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God voert de hoogste heerschappij over alle dingen. En overeenkomstig zijn Voorzienigheid, bestemde hij sommige dingen voor het lichamelijk onderhoud van de mens. En daarom voert de mens een natuurlijke heerschappij over de dingen, wat betreft de macht om ze te gebruiken.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod dives ille reprehenditur ex hoc, quod putabat exteriora bona esse principaliter sua, quasi non accepisset ea ab alio, scilicet a Deo.

2. Die rijke wordt verfoeid, omdat hij meende de voornaamste bezitter van de uitwendige goederen te zijn, alsof hij ze niet van een ander zou hebben ontvangen, nl. van God.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illa ratio procedit de dominio exteriorum rerum quantum ad naturas ipsarum, quod quidem dominium soli Deo convenit, ut dictum est [in corp.].

3. Die redeneering gaat uit van de heerschappij over de uitwendige dingen in hun natuur beschouwd: en die heerschappij komt alleen aan God toe, zooals gezegd is (in de Leerst.).3. Die redenering gaat uit van de heerschappij over de uitwendige dingen in hun natuur beschouwd: en die heerschappij komt alleen aan God toe, zoals gezegd is (in de Leerst.).

Articulus II

Utrum licet alicui rem aliquam quasi propriam possidere

[3. Contr. g. cap. 27; 2. Polit. lect. 4.]
IIe Artikel

Is het aan iemand geoorloofd, iets te bezitten als zijn eigen goed?

antwoord 1 ↓

231Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod non liceat alicui rem aliquam quasi propriam possidere: omne enim quod est contra jus naturale, est illicitum. Sed secundum jus naturale omnia sunt communia, cui quidem communitati contrariatur proprietas possessionum. Ergo illicitum est cuilibet homini appropriare sibi aliquam rem exteriorem.

231Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan niemand geoorloofd is, iets als zijn eigen goed te bezitten. — 1. Al wat tegen het natuurrecht indruischt, is ongeoorloofd. Welnu, volgens het natuurrecht zijn alle dingen gemeenschappelijk bezit: en met deze gemeenschappelijkheid is het eigendom van bezit in strijd. Het is dus ongeoorloofd, dat gelijk welk mensch zich een uitwendige zaak zou toeëigenen.231Bedenkingen. — Men beweert, dat het aan niemand geoorloofd is, iets als zijn eigen goed te bezitten. — 1. Al wat tegen het natuurrecht indruist, is ongeoorloofd. Welnu, volgens het natuurrecht zijn alle dingen gemeenschappelijk bezit: en met deze gemeenschappelijkheid is het eigendom van bezit in strijd. Het is dus ongeoorloofd, dat gelijk welk mens zich een uitwendige zaak zou toeëigenen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Basilius dicit, exponens praedictum verbum divitis [loc. cit. art. praec. arg. 2.] : « Sicut qui praeveniens ad spectacula prohiberet advenientes, appropriando sibi quod ad communem usum ordinatur, similes sunt divites, qui communia, quae praeoccupaverunt, aestimant sua esse ». Sed illicitum esset praecludere viam aliis ad potiendum communibus bonis. Ergo illicitum est appropriare sibi aliquam rem communem.

2. In zijn verklaring bij het zooeven aangehaalde woord van den rijke zegt Basilius: « De rijken, die de gemeenschappelijke goederen éérst in bezit namen en ze houden voor de hunne, zijn gelijk aan hen, die als eersten bij de schouwspelen aankomen, en de andere toeschouwers zouden beletten te zien, zich toeëigenend wat voor het gemeenschappelijk gebruik bestemd is ». Welnu, het zou ongeoorloofd zijn aan anderen den weg af te sluiten, om te genieten van de gemeenschappelijke goederen. Derhalve is het ongeoorloofd zich een gemeenschappelijke zaak toe te eigenen.2. In zijn verklaring bij het zoeven aangehaalde woord van de rijke zegt Basilius: “De rijken, die de gemeenschappelijke goederen éérst in bezit namen en ze houden voor de hunne, zijn gelijk aan hen, die als eersten bij de schouwspelen aankomen, en de andere toeschouwers zouden beletten te zien, zich toeëigenend wat voor het gemeenschappelijk gebruik bestemd is”. Welnu, het zou ongeoorloofd zijn aan anderen de weg af te sluiten, om te genieten van de gemeenschappelijke goederen. Derhalve is het ongeoorloofd zich een gemeenschappelijke zaak toe te eigenen.

antwoord 3 ↓

2323. Praeterea, Ambrosius dicit [serm. 64. de Temp.], et habetur in Decret. Dist. 47. [cap.: Sicut hi] : « Proprium nemo dicat, quod est commune »; appellat autem commune res exteriores, sicut patet ex his quae praemittit. Ergo videtur illicitum esse, quod aliquis appropriet sibi aliquam rem exteriorem.

2323. Ambrosius zegt, en het werd opgenomen in de Decretalen: « Niemand noeme iets wat gemeenschappelijk is, zijn eigendom ». Welnu, hij noemt hier gemeenschappelijk de uitwendige dingen, zooals blijkt uit wat hij vooraf zegt. Derhalve lijkt het ongeoorloofd, dat iemand zich een uitwendige zaak toeëigent.2323. Ambrosius zegt, en het werd opgenomen in de Decretalen: “Niemand noeme iets wat gemeenschappelijk is, zijn eigendom”. Welnu, hij noemt hier gemeenschappelijk de uitwendige dingen, zoals blijkt uit wat hij vooraf zegt. Derhalve lijkt het ongeoorloofd, dat iemand zich een uitwendige zaak toeëigent.

Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Haeres. [haeres. 40.] : « Apostolici dicuntur, qui se hoc nomine arrogantissime vocaverunt, eo quod in suam communionem non acciperent utentes conjugibus et res proprias possidentes, quales habet Catholica Ecclesia et monachos, et clericos plurimos ». Sed ideo isti haeretici sunt, quia se ab Ecclesia separantes, nullam spem putant eos habere, qui utuntur his rebus, quibus ipsi carent. Est ergo erroneum dicere, quod non liceat homini propria possidere.

Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: « Men noemt diegenen apostolisch, die zich op de meest aanmatigende wijze dien naam toeëigenen, omdat zij in hun gemeenschap geen lieden opnamen, die gebruik maakten van het huwelijk en eigen goederen bezaten, zooals vele monniken en geestelijken in de Katholieke Kerk ». Welnu, deze lieden zijn ketters omdat zij, afgescheiden van de Kerk, alle hoop ontzeggen aan hen, die dingen gebruiken, welke zij zelf ontberen. Het is dus een dwaling te beweren, dat het den mensch niet geoorloofd is eigendom te bezitten.Daartegenover staat echter dat Augustinus zegt: “Men noemt diegenen apostolisch, die zich op de meest aanmatigende wijze die naam toeëigenen, omdat zij in hun gemeenschap geen lieden opnamen, die gebruik maakten van het huwelijk en eigen goederen bezaten, zoals vele monniken en geestelijken in de Katholieke Kerk”. Welnu, deze lieden zijn ketters omdat zij, afgescheiden van de Kerk, alle hoop ontzeggen aan hen, die dingen gebruiken, welke zij zelf ontberen. Het is dus een dwaling te beweren, dat het de mens niet geoorloofd is eigendom te bezitten.

Respondeo dicendum, quod circa rem exteriorem duo competunt homini: quorum unum est potestas procurandi et dispensandi; et quantum ad hoc licitum est, quod homo propria possideat, et est etiam necessarium 233ad humanam vitam, propter tria. Primo quidem, quia magis solicitus est unusquisque ad procurandum aliquid, quod sibi soli competit, quam id quod est commune omnium, vel multorum, quia unusquisque laborem fugiens, relinquit alteri id, quod pertinet ad commune, sicut accidit in multitudine ministrorum. Alio modo, quia ordinatius res humanae tractantur, si singulis immineat propria cura alicujus rei procurandae; esset autem confusio si quilibet indistincte quaelibet procuraret. Tertio, quia per hoc magis pacificus status hominum conservatur, dum unusquisque re sua contentus est; unde videmus, quod inter eos qui communiter et ex indiviso aliquid possident, frequentuis jurgia oriuntur.

Leerstelling. — Met betrekking tot een uitwendige zaak komen aan den mensch twee dingen toe. Een daarvan is de macht om te beheeren en te verdeelen. Overeenkomstig hiermee is het aan den mensch geoorloofd eigendom te bezitten. Ook is dit 233noodzakelijk voor het menschelijk leven, om drie redenen. Ten eerste, omdat iedereen meer begaan is met het beheer van iets, dat hem alleen toebehoort, dan van iets, dat gemeenschappelijk is aan allen of aan velen: want iedereen schuwt den last en laat aan anderen de zorg voor het gemeenschappelijke over; zooals zich voordoet waar een groot aantal dienaars zijn. — Ten tweede, omdat de menschelijke aangelegenheden ordelijker worden behandeld, wanneer aan elk afzonderlijk de zorg wordt toevertrouwd om iets te beheeren: er zou echter verwarring ontstaan als iedereen zonder onderscheid alles ging beheeren. — Ten derde, omdat hierdoor een vreedzamer toestand onder de menschen wordt bewaard, wijl iedereen tevreden is met zijn eigendom. Daarom zien wij dat dikwijls twist ontstaat onder hen, die gemeenschappelijk en onverdeeld iets bezitten.Leerstelling. — Met betrekking tot een uitwendige zaak komen aan de mens twee dingen toe. Een daarvan is de macht om te beheren en te verdelen. Overeenkomstig hiermee is het aan de mens geoorloofd eigendom te bezitten. Ook is dit 233noodzakelijk voor het menselijk leven, om drie redenen. Ten eerste, omdat iedereen meer begaan is met het beheer van iets, dat hem alleen toebehoort, dan van iets, dat gemeenschappelijk is aan allen of aan velen: want iedereen schuwt de last en laat aan anderen de zorg voor het gemeenschappelijke over; zoals zich voordoet waar een groot aantal dienaars zijn. — Ten tweede, omdat de menselijke aangelegenheden ordelijker worden behandeld, wanneer aan elk afzonderlijk de zorg wordt toevertrouwd om iets te beheren: er zou echter verwarring ontstaan als iedereen zonder onderscheid alles ging beheren. — Ten derde, omdat hierdoor een vreedzamer toestand onder de mensen wordt bewaard, wijl iedereen tevreden is met zijn eigendom. Daarom zien wij dat dikwijls twist ontstaat onder hen, die gemeenschappelijk en onverdeeld iets bezitten.

Aliud vero, quod competit homini circa res exteriores, est usus ipsarum; et quantum ad hoc non debet homo habere res exteriores ut proprias, sed ut communes, ut scilicet de facili aliquis eas communicet in necessitate aliorum: unde Apostolus dicit 1. ad Timoth. ult. [v. 17-18] : « Divitibus hujus saeculi praecipe facile tribuere, communicare ».

Iets anders nog wat, met betrekking tot de uitwendige dingen, aan den mensch toekomt is het gebruik ervan. En wat dit betreft moet de mensch de uitwendige dingen niet in eigendom bezitten, maar als gemeenschapsgoed, zoo nl., dat iemand er gemakkelijk van meedeelt ten behoeve van de anderen. Daarom zegt de Apostel, in zijn Eersten Brief aan Timotheus (6. 17, 18) : « Vermaan de rijken dezer wereld, vrijgevig te zijn en mededeelzaam ».Iets anders nog wat, met betrekking tot de uitwendige dingen, aan de mens toekomt is het gebruik ervan. En wat dit betreft moet de mens de uitwendige dingen niet in eigendom bezitten, maar als gemeenschapsgoed, zo nl., dat iemand er gemakkelijk van meedeelt ten behoeve van de anderen. Daarom zegt de Apostel, in zijn Eersten Brief aan Timoteüs (6, 17, 18): “Vermaan de rijken van deze wereld, vrijgevig te zijn en mededeelzaam”.

↑ bedenking 1

234Ad primum ergo dicendum, quod communitas rerum attribuitur juri naturali, non quia jus naturale dictet omnia esse possidenda communiter, et nihil esse quasi proprium possidendum, sed quia secundum jus naturale non est distinctio possessionum, sed magis secundum humanum condictum, quod pertinet ad jus positivum, ut supra dictum est [q. 57. art. 2 et 3.]. Unde proprietas possessionum non est contra jus naturale, sed juri naturali superadditur per adinventionem rationis humanae.

234Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De gemeenschappelijkheid van de goederen wordt tot het natuurrecht gerekend, niet omdat het natuurrecht voorschrijft, dat alles gemeenschappelijk bezit moet zijn en men niets als eigendom mag bezitten: maar omdat volgens het natuurrecht geen onderscheid van bezittingen bestaat, maar veeleer volgens menschelijke overeenkomst, en dat behoort tot het positieve recht, zooals vroeger gezegd is (57e Kw. 2e en 3e Art.). Daarom is het eigendom van bezittingen niet tegen het natuurrecht; maar het wordt door besluit van de menschelijke rede aan het natuurrecht toegevoegd.234Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De gemeenschappelijkheid van de goederen wordt tot het natuurrecht gerekend, niet omdat het natuurrecht voorschrijft, dat alles gemeenschappelijk bezit moet zijn en men niets als eigendom mag bezitten: maar omdat volgens het natuurrecht geen onderscheid van bezittingen bestaat, maar veeleer volgens menselijke overeenkomst, en dat behoort tot het positieve recht, zoals vroeger gezegd is (57e Kw. 2e en 3e Art.). Daarom is het eigendom van bezittingen niet tegen het natuurrecht; maar het wordt door besluit van de menselijke rede aan het natuurrecht toegevoegd.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod si ille qui praeveniens ad spectacula praepararet aliis viam, non illicite ageret, sed ex hoc illicite agit, quod alios prohibet. Et similiter dives non illicite agit, si praeoccupans possessionem rei, quae a principio erat communis, aliis etiam communicet; peccat autem, si alios ab usu illius rei indiscrete prohibeat; unde Basilius ibidem dicit: « Cur tu abundas, ille vero mendicat, nisi ut tu bonae dispensationis merita consequaris, ille vero patientiae praemiis coronetur? »

2. Hij die het eerst bij een schouwspel zou komen en den weg voor de anderen voorbereiden, zou geen ongeoorloofde handeling stellen; maar hij handelt juist onwettig door de anderen te beletten. En eveneens handelt iemand niet onwettig, wanneer hij als eerste bezit neemt van een zaak, die aanvankelijk gemeenschappelijk was, en ze aan de anderen meedeelt: hij zondigt echter wanneer hij willekeurig anderen berooft van het gebruik der zaak. Daarom zegt Basilius: « Waarom hebt gij overvloed, en moet hij bedelen, tenzij opdat gij de verdiensten van een liefdevol meedeelen zoudt verwerven, en hij zou worden beloond met den prijs voor zijn geduld »?2. Hij die het eerst bij een schouwspel zou komen en de weg voor de anderen voorbereiden, zou geen ongeoorloofde handeling stellen; maar hij handelt juist onwettig door de anderen te beletten. En eveneens handelt iemand niet onwettig, wanneer hij als eerste bezit neemt van een zaak, die aanvankelijk gemeenschappelijk was, en ze aan de anderen meedeelt: hij zondigt echter wanneer hij willekeurig anderen berooft van het gebruik van de zaak. Daarom zegt Basilius: “Waarom hebt gij overvloed, en moet hij bedelen, tenzij opdat gij de verdiensten van een liefdevol meedelen zoudt verwerven, en hij zou worden beloond met de prijs voor zijn geduld”?

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod cum dicit Ambrosius: « Nemo proprium 235dicat, quod est commune », loquitur de proprietate quantum ad usum; unde subdit: « Plus quam sufficeret sumptui, violenter obtentum est ».

3. Wanneer Ambrosius zegt: « Niemand noeme zijn eigendom wat gemeenschappelijk is », dan spreekt hij van den 235eigendom met betrekking tot het gebruik. Daarom voegt hij eraan toe: « Wat men meer heeft dan voor het gebruik noodig is, werd gewelddadig verkregen ».3. Wanneer Ambrosius zegt: “Niemand noeme zijn eigendom wat gemeenschappelijk is”, dan spreekt hij van de 235eigendom met betrekking tot het gebruik. Daarom voegt hij eraan toe: “Wat men meer heeft dan voor het gebruik nodig is, werd gewelddadig verkregen”.

Articulus III

Utrum sit de ratione furti occulte accipere rem alienam

IIIe Artikel

Behoort het heimelijk wegnemen van andermans goed, tot het wezen van diefstal?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod non sit de ratione furti occulte accipere rem alienam: illud enim quod diminuit peccatum, non videtur ad rationem peccati pertinere. Sed in occulte peccare pertinet ad diminutionem peccati, sicut e contrario ad exaggerandum peccatum quorumdam dicitur Isa. 3. [v. 9] : « Peccatum suum quasi Sodoma praedicaverunt, nec absconderunt ». Ergo non est de ratione furti occulta acceptio rei alienae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal behoort. — 1. Immers, datgene wat de zonde vermindert, lijkt wel niet tot het wezen van de zonde te behooren. Maar bedekt zondigen is een omstandigheid, die de zonde vermindert: in tegenstelling hiermee toont Isaïas (3, 9) de grootheid van de zonde van sommigen aan, door dit woord: « Hunne zonde doen zij kond als Sodoma, en zij verbergen ze niet ». Dus behoort het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal.Bedenkingen. — Men beweert, dat het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal behoort. — 1. Immers, datgene wat de zonde vermindert, lijkt wel niet tot het wezen van de zonde te behoren. Maar bedekt zondigen is een omstandigheid, die de zonde vermindert: in tegenstelling hiermee toont Jesaja (3, 9) de grootheid van de zonde van sommigen aan, door dit woord: “Hun zonde doen zij kond als Sodoma, en zij verbergen ze niet”. Dus behoort het heimelijk wegnemen van andermans goed, niet tot het wezen van diefstal.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Ambrosius dicit [serm. 64. de Temp.], et habetur in Decret Dist. 47. [cap.: Sicut hi] : « Non minus est criminis habenti 236tollere, quam cum possis et abundans sis, indigentibus denegare ». Ergo sicut furtum consistit in acceptione rei alienae, ita etiam in detentione ipsius.

2. Wij lezen in de Decretalen dit woord van Ambrosius: « Het is niet minder misdadig aan iemand die bezit, iets te ontnemen, dan aan noodlijdenden te weigeren, wanneer gij 236overvloed hebt en kunt geven ». Daarom bestaat diefstal evengoed in het behouden van andermans goed als in het wegnemen ervan.2. Wij lezen in de Decretalen dit woord van Ambrosius: “Het is niet minder misdadig aan iemand die bezit, iets te ontnemen, dan aan noodlijdenden te weigeren, wanneer gij 236overvloed hebt en kunt geven”. Daarom bestaat diefstal evengoed in het behouden van andermans goed als in het wegnemen ervan.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, homo potest furtim ab alio accipere etiam quod suum est, puta rem quam apud alium deposuit, vel quae est ab eo injuste ablata. Non est ergo de ratione furti, quod sit occulta acceptio rei alienae.

3. Een mensch mag heimelijk aan een ander ontnemen wat van hemzelf is: b.v. een zaak die hij aan een ander in bewaring gaf, of die hem door een ander onrechtvaardig werd ontnomen. Het heimelijk wegnemen van andermans goed, behoort derhalve niet tot het wezen van diefstal.3. Een mens mag heimelijk aan een ander ontnemen wat van hemzelf is: bv. een zaak die hij aan een ander in bewaring gaf, of die hem door een ander onrechtvaardig werd ontnomen. Het heimelijk wegnemen van andermans goed, behoort derhalve niet tot het wezen van diefstal.

Sed contra est, quod Isidorus dicit in lib. 10. Etymol. [lib. 10. ad litt. F.] : « Fur a furvo dictus est, idest a fusco: nam noctis utitur tempore ».

Daartegenover staat echter dat Isidorus zegt: « Het woord « fur » (dief) is afgeleid van « furvus » (duister), d. i. van « fuscus » (donker) : want hij maakt gebruik van het nachtelijk uur ».Daartegenover staat echter dat Isidorus zegt: “Het woord ‘fur’ (dief) is afgeleid van ‘furvus’ (duister), d.i. van ‘fuscus’ (donker): want hij maakt gebruik van het nachtelijk uur”.

Respondeo dicendum, quod ad rationem furti tria concurrunt: quorum primum convenit sibi, secundum quod contrariatur justitiae, quae unicuique tribuit quod suum est; et ex hoc competit ei, quod usurpat alienum; secundum vero pertinet ad rationem furti, prout distinguitur a peccatis, quae sunt contra personam, sicut ab homicidio, et adulterio; et secundum hoc competit furto, quod sit circa rem possessam: si quis enim accipiat id 237quod est alterius, non quasi possessio, sed quasi pars, sicut si amputet membrum, vel sicut persona conjuncta, ut si auferat filiam, vel uxorem, non habet proprie rationem furti; tertia differentia est, quae complet rationem furti, ut scilicet occulte usurpetur alienum, et secundum hoc, propria ratio furti est, ut sit occulta acceptio rei alienae.

Leerstelling. — In het begrip diefstal komen drie bestanddeelen samen. Een daarvan is de strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne toekent. Hierom is diefstal de wederrechtelijke toeëigening van andermans goed. Het tweede bestanddeel in den diefstal is datgene, waardoor hij onderscheiden wordt van de zonden, die tegen den persoon bedreven worden, zooals doodslag en echtbreuk. En overeenkomstig hiermee slaat diefstal op datgene wat iemand in eigendom heeft. Immers, 237wanneer iemand aan een ander iets ontneemt, wat niet wordt beschouwd als zijn bezit, maar als een deel, b.v. wanneer iemand een ander een lichaamsdeel afzet, of als verwante persoon, b.v. wanneer men iemands dochter of echtgenoote schaakt, dan is dat geen diefstal in eigenlijken zin. Het derde differencieerend bestanddeel van den diefstal is het bedekt wegnemen van andermans goed, en dat vervolledigt het begrip van diefstal. En overeenkomstig hiermee bestaat het eigenlijke wezen van den diefstal in « het heimelijk wegnemen van andermans goed ».Leerstelling. — In het begrip diefstal komen drie bestanddelen samen. Een daarvan is de strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne toekent. Hierom is diefstal de wederrechtelijke toeëigening van andermans goed. Het tweede bestanddeel in de diefstal is datgene, waardoor hij onderscheiden wordt van de zonden, die tegen de persoon bedreven worden, zoals doodslag en echtbreuk. En overeenkomstig hiermee slaat diefstal op datgene wat iemand in eigendom heeft. Immers, 237wanneer iemand aan een ander iets ontneemt, wat niet wordt beschouwd als zijn bezit, maar als een deel, bv. wanneer iemand een ander een lichaamsdeel afzet, of als verwante persoon, bv. wanneer men iemands dochter of echtgenote schaakt, dan is dat geen diefstal in eigenlijke zin. Het derde differentiërend bestanddeel van de diefstal is het bedekt wegnemen van andermans goed, en dat vervolledigt het begrip van diefstal. En overeenkomstig hiermee bestaat het eigenlijke wezen van de diefstal in “het heimelijk wegnemen van andermans goed”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod occultatio quandoque quidem est causa peccati, puta cum quis utitur occultatione ad peccandum, sicut accidit in fraude et dolo; et hoc modo non diminuit, sed constituit speciem peccati; et ita est in furto. Alio modo occultatio est simplex circumstantia peccati; et sic diminuit peccatum, tum quia signum verecundiae est, tum quia tollit scandalum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het verduiken is soms oorzaak van zonde: b.v. wanneer iemand daarvan gebruik maakt om te zondigen, zooals voorkomt bij list en bedrog. Op die wijze vermindert het de zonde niet, maar stelt een nieuwe soort zonde daar. En zoo is het voor den diefstal. In andere gevallen is de verduiking enkel een omstandigheid van de zonde. En zoo vermindert zij de zonde, én omdat zij een teeken is van schaamte, én omdat zij alle ergernis uitsluit.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het verduiken is soms oorzaak van zonde: bv. wanneer iemand daarvan gebruik maakt om te zondigen, zoals voorkomt bij list en bedrog. Op die wijze vermindert het de zonde niet, maar stelt een nieuwe soort zonde daar. En zo is het voor de diefstal. In andere gevallen is de verduiking enkel een omstandigheid van de zonde. En zo vermindert zij de zonde, én omdat zij een teken is van schaamte, én omdat zij alle ergernis uitsluit.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod detinere id quod alteri debetur, eamdem rationem nocumenti habet cum acceptione injusta; et ideo sub injusta acceptione intelligitur etiam injusta detentio.

2. Behouden wat aan een ander toekomt is, onder oogpunt van schade toebrengen, hetzelfde als het wegnemen. En daarom verstaat men door onrechtvaardig wegnemen ook onrechtvaardig behouden.

↑ bedenking 3

238Ad tertium dicendum, quod nihil prohibet, id quod est simpliciter unius, secundum quid esse alterius, sicut res deposita est simpliciter quidem deponentis, sed est ejus, apud quem deponitur, quantum ad custodiam. Et id quod est per rapinam ablatum est rapientis, non simpliciter, sed quantum ad detentionem.

2383. Er is niets op tegen, dat iets wat zonder meer het eigendom is van den een, onder een bepaald opzicht van een ander is. Zoo is een zaak die in bewaring wordt gegeven, zonder meer van den bewaargever, maar wat de bewaring betreft, is zij van den bewaarnemer. En datgene wat door roof werd ontnomen is van den roover, niet zonder meer, maar voor wat het houden ervan betreft.2383. Er is niets op tegen, dat iets wat zonder meer het eigendom is van de een, onder een bepaald opzicht van een ander is. Zo is een zaak die in bewaring wordt gegeven, zonder meer van de bewaargever, maar wat de bewaring betreft, is zij van de bewaarnemer. En datgene wat door roof werd ontnomen is van de rover, niet zonder meer, maar voor wat het houden ervan betreft.

Articulus IV

Utrum furtum et rapina sint peccata differentia specie

IVe Artikel

Zijn diefstal en roof soortelijk onderscheiden zonden?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod furtum et rapina non sint peccata differentia specie; furtum enim et rapina differunt secundum occultum et manifestum: furtum enim importat occultam acceptionem; rapina vero violentam et manifestam. Sed in aliis generibus peccatorum occultum et manifestum non diversificant speciem. Ergo furtum et rapina non sunt peccata specie diversa.

Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal en roof geen soortelijk onderscheiden zonden zijn. — 1. Immers, diefstal en roof verschillen enkel hierin, dat de eerste op bedekte wijze gebeurt, de tweede openlijk: diefstal immers bestaat in het heimelijk wegnemen, roof echter gebeurt op gewelddadige en openlijke wijze. Welnu, bij de andere klassen van zonden maken openlijk en verborgen geen soortelijk verschil. Dus zijn diefstal en roof geen soortelijk onderscheiden zonden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, moralia recipiunt speciem a fine, ut supra dictum est 239[1-2. q. 1. art. 3. et q. 18. art. 6.]. Sed furtum et rapina ordinantur ad eumdem finem, scilicet ad habendum aliena. Ergo non differunt specie.

2. Het zedelijke wordt in zijn soort bepaald door het doeleinde, 239zooals vroeger gezegd is (I. II. 1e Kw. 3e Art.; 18e Kw. 6e Art.). Welnu, diefstal en roof zijn geordend tot een en hetzelfde doel, nl. tot het hebben van andermans goed. Derhalve zijn zij niet soortelijk onderscheiden.2. Het zedelijke wordt in zijn soort bepaald door het doeleinde, 239zoals vroeger gezegd is (1-2 1e Kw. 3e Art.; 18e Kw. 6e Art.). Welnu, diefstal en roof zijn geordend tot een en hetzelfde doel, nl. tot het hebben van andermans goed. Derhalve zijn zij niet soortelijk onderscheiden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut rapitur aliquid ad possidendum, ita rapitur mulier ad delectandum; unde et Isidorus dicit in lib. 10. Etymol. [Lib. 10. ad litt. R.] quod « Raptor dicitur corruptor, et rapta dicitur corrupta ». Sed raptus dicitur, sive mulier auferatur publice, sive occulte. Ergo et res possessa rapi dicitur, sive occulte, sive publice rapiatur. Ergo non differunt furtum et rapina.

3. Zooals een goed geroofd wordt om het te bezitten, zoo wordt een vrouw geroofd om te genieten; daarom ook zegt Isidorus dat « een roover een verderver wordt genoemd, en de geroofde verdorven ». Welnu, men spreekt van roof, ongeacht of een vrouw openlijk of op heimelijke wijze geschaakt wordt. Dus zegt men ook dat andermans goed geroofd wordt, laat het dan op heimelijke wijze gebeuren, of openlijk. Derhalve verschillen diefstal en roof niet.3. Zoals een goed geroofd wordt om het te bezitten, zo wordt een vrouw geroofd om te genieten; daarom ook zegt Isidorus dat “een rover een verderver wordt genoemd, en de geroofde verdorven”. Welnu, men spreekt van roof, ongeacht of een vrouw openlijk of op heimelijke wijze geschaakt wordt. Dus zegt men ook dat andermans goed geroofd wordt, laat het dan op heimelijke wijze gebeuren, of openlijk. Derhalve verschillen diefstal en roof niet.

Sed contra est, quod Philosophus in 5. Ethic. [cap. 2.] distinguit furtum a rapina, ponens furtum occultum, rapinam vero violentam.

Daartegenover staat echter, dat de Wijsgeer diefstal van roof onderscheidt, waar hij vaststelt, dat diefstal op heimelijke wijze gebeurt, roof echter op gewelddadige wijze.

Respondeo dicendum, quod furtum et rapina sunt vitia justitiae opposita, inquantum aliquis alteri facit injustum. « Nullus autem patitur injustum volens », ut probatur in 5. Ethic. [cap. 9.], et ideo furtum et rapina ex hoc habent rationem peccati, quod acceptio est involuntaria ex parte ejus, cui 240aliquid subtrahitur. Involuntarium autem dupliciter dicitur, scilicet per ignorantiam, et violentiam, ut habetur in 3. Ethic. [cap. 1.]; et ideo aliam rationem peccati habet rapina, et aliam furtum; ergo propter hoc differunt specie.

Leerstelling. — Diefstal en roof zijn zonden, die in strijd zijn met de rechtvaardigheid, voor zoover iemand tegen een ander onrecht begaat. « Niemand » echter « ondergaat willens onrecht »: zooals in de Ethica wordt bewezen. En daarom hebben diefstal en roof een zondig karakter, want het ontnemen 240gebeurt tegen den wil van hem, aan wien iets wordt ontnomen. Op twee wijzen nu kan iets ingaan tegen den wil van iemand: nl. door onwetendheid en door gewelddadigheid, zooals in de Ethica gezegd is. En daarom heeft roof een anderen zondigen aard dan diefstal. En hierom zijn zij soortelijk onderscheiden.Leerstelling. — Diefstal en roof zijn zonden, die in strijd zijn met de rechtvaardigheid, voor zover iemand tegen een ander onrecht begaat. “Niemand” echter “ondergaat willens onrecht”: zoals in de Ethica wordt bewezen. En daarom hebben diefstal en roof een zondig karakter, want het ontnemen 240gebeurt tegen de wil van hem, aan wie iets wordt ontnomen. Op twee wijzen nu kan iets ingaan tegen de wil van iemand: nl. door onwetendheid en door gewelddadigheid, zoals in de Ethica gezegd is. En daarom heeft roof een anderen zondigen aard dan diefstal. En hierom zijn zij soortelijk onderscheiden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod in aliis generibus peccatorum non attenditur ratio peccati ex aliquo involuntario, sicut attenditur in peccatis oppositis justitiae; et ideo ubi occurrit diversa ratio involuntarii, est diversa species peccati.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de andere klassen van zonden komt de zondigheid niet voort uit de onwilligheid, zooals in de zonden tegen de rechtvaardigheid. En daarom is er soortelijk verschil van zonde waar een verschil in de niet-willigheid zich voordoet.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In de andere klassen van zonden komt de zondigheid niet voort uit de onwilligheid, zoals in de zonden tegen de rechtvaardigheid. En daarom is er soortelijk verschil van zonde waar een verschil in de niet-willigheid zich voordoet.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod finis remotus rapinae et furti idem est; sed hoc non sufficit ad identitatem speciei, quia est diversitas in finibus proximis: raptor enim vult per propriam potestatem obtinere; fur vero per astutiam.

2. Het verwijderde doeleinde van roof en diefstal is een en hetzelfde: maar dit volstaat niet voor de soortelijke identiteit, want er is onderscheidenheid in de naaste doeleinden. Een roover immers wil door eigen macht iets bekomen, een dief echter door arglistigheid.2. Het verwijderde doeleinde van roof en diefstal is een en hetzelfde: maar dit volstaat niet voor de soortelijke identiteit, want er is onderscheidenheid in de naaste doeleinden. Een rover immers wil door eigen macht iets bekomen, een dief echter door arglistigheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod raptus mulieris non potest esse occultus ex parte mulieris, quae rapitur; et ideo etiam si sit occultus ex parte aliorum, a quibus rapitur, adhuc remanet ratio rapinae ex parte mulieris cui violentia infertur.

3. Het rooven van een vrouw kan niet op heimelijke wijze gebeuren met betrekking tot de vrouw zelf, die geroofd wordt. En ook al zou die daad bedekt zijn met betrekking tot de anderen, aan wie wordt ontroofd, dan blijft zij toch nog haar karakter van roof behouden met betrekking tot de vrouw, aan wie gewelddadigheid wordt gepleegd.3. Het roven van een vrouw kan niet op heimelijke wijze gebeuren met betrekking tot de vrouw zelf, die geroofd wordt. En ook al zou die daad bedekt zijn met betrekking tot de anderen, aan wie wordt ontroofd, dan blijft zij toch nog haar karakter van roof behouden met betrekking tot de vrouw, aan wie gewelddadigheid wordt gepleegd.

Articulus V

Utrum furtum semper sit peccatum

Ve Artikel

Is diefstal altijd zonde?

antwoord 1 ↓

241Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod furtum non semper sit peccatum: nullum enim peccatum cadit sub praecepto divino, dicitur enim Eccli. 15. [v. 21] : « Nemini mandavit impie agere ». Sed Deus invenitur praecepisse furtum: dicitur enim Exod. 12. [v. 35-36] : « Fecerunt filii Israël, sicut praeceperat Dominus Moysi, et exspoliaverunt Aegyptios ». Ergo furtum non semper est peccatum.

241Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal niet altijd zonde is. — 1. Geen enkele zonde immers valt onder het goddelijk gebod; want in het Boek Ecclesiasticus wordt gezegd (15. 21) : « Aan niemand heeft hij bevolen goddeloos te handelen ». Welnu, God heeft den diefstal bevolen: want in het Boek van den Uittocht (12. 35, 36) wordt gezegd: « En de kinderen van Israël deden gelijk de Heer aan Moses bevolen had, en zij plunderden de Egyptenaren ». Derhalve is diefstal niet altijd zonde.241Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal niet altijd zonde is. — 1. Geen enkele zonde immers valt onder het goddelijk gebod; want in het Boek Sirach wordt gezegd (15, 21): “Aan niemand heeft hij bevolen goddeloos te handelen”. Welnu, God heeft de diefstal bevolen: want in het Boek van de Uittocht (12, 35, 36) wordt gezegd: “En de kinderen van Israël deden gelijk de Heer aan Moses bevolen had, en zij plunderden de Egyptenaren”. Derhalve is diefstal niet altijd zonde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ille qui invenit rem non suam, si eam accipiat, videtur furtum committere, quia accipit rem alienam. Sed hoc videtur esse licitum secundum naturalem aequitatem, ut juristae dicunt [Dig. I. 8. De Rerum Divis.]. Ergo videtur, quod furtum non semper sit peccatum.

2. Hij die een zaak vindt, die niet de zijne is, schijnt diefstal te bedrijven wanneer hij ze neemt: want hij neemt het goed van een ander. Welnu, dit lijkt geoorloofd te zijn volgens de natuurlijke billijkheid, zooals de juristen beweren. Dus lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.2. Hij die een zaak vindt, die niet de zijne is, schijnt diefstal te bedrijven wanneer hij ze neemt: want hij neemt het goed van een ander. Welnu, dit lijkt geoorloofd te zijn volgens de natuurlijke billijkheid, zoals de juristen beweren. Dus lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, ille qui accipit rem suam, non videtur peccare, cum non agat contra justitiam, cujus aequalitatem non tollit. Sed furtum commititur, 242etiam si aliquis rem suam occulte accipiat ab altero detentam, vel custoditam. Ergo videtur, quod furtum non semper sit peccatum.

3. Hij, die zijn eigen goed in bezit neemt, schijnt niet te zondigen: want hij handelt niet tegen de rechtvaardigheid, daar hij de gelijkheid ervan niet schaadt. Welnu, er wordt diefstal 242bedreven, ook wanneer iemand zijn eigen goed op bedekte wijze ontneemt aan hem die het houdt of in bewaring heeft. Zoo lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.3. Hij, die zijn eigen goed in bezit neemt, schijnt niet te zondigen: want hij handelt niet tegen de rechtvaardigheid, daar hij de gelijkheid ervan niet schaadt. Welnu, er wordt diefstal 242bedreven, ook wanneer iemand zijn eigen goed op bedekte wijze ontneemt aan hem die het houdt of in bewaring heeft. Zo lijkt het wel, dat diefstal niet altijd zonde is.

Sed contra est, quod dicitur Exod. 20. [v. 15] : « Non furtum facies ».

Daartegenover staat echter dat in het Boek van den Uittocht (20. 15) gezegd wordt: « Gij zult niet stelen ».Daartegenover staat echter dat in het Boek van de Uittocht (20, 15) gezegd wordt: “Gij zult niet stelen”.

Respondeo dicendum, quod si aliquis consideret furti rationem, duas rationes peccati in eo inveniet: primo quidem propter contrarietatem ad justitiam, quae reddit unicuique quod suum est; et sic furtum justitiae opponitur, inquantum furtum est acceptio rei alienae. Secundo ratione doli seu fraudis, quam fur committit, occulte, et quasi ex insidiis rem alienam usurpando. Unde manifestum est, quod omne furtum est peccatum.

Leerstelling. — Wanneer iemand het wezen van den diefstal beschouwt, dan zal hij daarin twee zondige karaktertrekken vinden. Ten eerste, om reden van zijn strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne geeft. En zoo is diefstal strijdig met de rechtvaardigheid, voor zoover hij het wegnemen van andersmans goed beteekent. Ten tweede, om reden van de arglistigheid of het bedrog, welke de dief pleegt op bedekte wijze, door als 't ware zich op verraderlijke manier van andermans goed meester te maken. Daarom is het klaarblijkend, dat elke diefstal zonde is.Leerstelling. — Wanneer iemand het wezen van de diefstal beschouwt, dan zal hij daarin twee zondige karaktertrekken vinden. Ten eerste, om reden van zijn strijdigheid met de rechtvaardigheid, die aan iedereen het zijne geeft. En zo is diefstal strijdig met de rechtvaardigheid, voor zover hij het wegnemen van andersmans goed betekent. Ten tweede, om reden van de arglistigheid of het bedrog, welke de dief pleegt op bedekte wijze, door als 't ware zich op verraderlijke manier van andermans goed meester te maken. Daarom is het klaarblijkend, dat elke diefstal zonde is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod accipere rem alienam, vel occulte, vel manifeste, auctoritate judicis hoc decernentis, non est furtum: quia jam fit sibi debitum per hoc, quod sententialiter sibi est adjudicatum. Unde 243multo minus furtum fuit, quod filii Israël tulerunt spolia Aegyptiorum, ex praecepto Domini hoc decernentis, pro afflictionibus quibus Aegyptii eos sine causa afflixerant; et ideo signanter dicitur Sap. 10. [v. 19] : « Justi tulerunt spolia impiorum ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op gezag van den rechter, die het beveelt, andermans goed bedekt of openlijk wegnemen, is geen diefstal: omdat een zaak, die ons door het oordeel van den rechter wordt toegezegd, ons werkelijk toekomt. Daarom 243was het nog veel minder een diefstal wanneer de kinderen van Israël op Gods bevel het goed van de Egyptenaren buit maakten; want de Heer zegde het hun toe als vergoeding voor de kwellingen, die zij zonder reden van de Egyptenaren hadden te verduren gehad. Daarom wordt in het Boek der Wijsheid (10. 19) uitdrukkelijk gezegd: « De rechtvaardigen namen den buit van de ongeloovigen ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Op gezag van de rechter, die het beveelt, andermans goed bedekt of openlijk wegnemen, is geen diefstal: omdat een zaak, die ons door het oordeel van de rechter wordt toegezegd, ons werkelijk toekomt. Daarom 243was het nog veel minder een diefstal wanneer de kinderen van Israël op Gods bevel het goed van de Egyptenaren buit maakten; want de Heer zegde het hun toe als vergoeding voor de kwellingen, die zij zonder reden van de Egyptenaren hadden te verduren gehad. Daarom wordt in het Boek van de Wijsheid (10, 19) uitdrukkelijk gezegd: “De rechtvaardigen namen de buit van de ongelovigen”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod circa res inventas est distinguendum: quaedam enim sunt, quae numquam fuerunt in bonis alicujus, sicut lapilli et gemmae, quae inveniuntur in litore maris; et talia occupanti conceduntur. Et eadem ratio est de thesauris antiquo tempore sub terra occultatis, quorum non extat aliquis possessor, nisi quod secundum leges civiles tenetur inventor dare medietatem domino agri, si in alieno agro invenerit, propter quod in parabola Evangelii dicitur, Matth. 13. [v. 44], de inventore « thesauri absconditi in agro », quod « emit agrum » quasi ut haberet jus possidendi totum thesaurum.

2. Met betrekking tot gevonden voorwerpen moet men een onderscheid maken. Sommige zaken waren nooit in iemands bezit, zooals edelsteenen en parels, die aan het strand van de zee gevonden worden: zulke dingen behooren toe aan hen, die ze zich toeëigenen. En hetzelfde geldt voor schatten, die sinds langen tijd in de aarde verborgen werden, en waarvan niemand bezitter is: tenzij de vinder, naar de voorschriften van de burgerlijke wet, zou gehouden zijn de helft ervan te geven aan den eigenaar van den akker, indien hij den schat op andermans grond vindt. Daarom wordt in de parabel van het Evangelie (Matth. 13. 44) over den vinder « van een schat, die in het veld verborgen is » gezegd, dat « hij den akker koopt », als 't ware om het recht te hebben den geheelen schat te bezitten.2. Met betrekking tot gevonden voorwerpen moet men een onderscheid maken. Sommige zaken waren nooit in iemands bezit, zoals edelstenen en parels, die aan het strand van de zee gevonden worden: zulke dingen behoren toe aan hen, die ze zich toeëigenen. En hetzelfde geldt voor schatten, die sinds langen tijd in de aarde verborgen werden, en waarvan niemand bezitter is: tenzij de vinder, naar de voorschriften van de burgerlijke wet, zou gehouden zijn de helft ervan te geven aan de eigenaar van de akker, indien hij de schat op andermans grond vindt. Daarom wordt in de parabel van het Evangelie (Matt. 13. 44) over de vinder “van een schat, die in het veld verborgen is” gezegd, dat “hij de akker koopt”, als 't ware om het recht te hebben de gehele schat te bezitten.

Quaedam vero res inventae fuerunt de propinquo in alicujus bonis, et tunc si quis eas accipiat non animo retinendi, sed animo restituendi domino, qui eas pro derelictis non habet, non committit furtum. Et similiter si 244proderelictis habeantur, et hoc credat inventor, licet sibi eas retineat, non committit furtum; alias autem committitur peccatum furti. Unde Augustinus dicit in quadam Homil. [serm. 19. de Verb. Apost. cap. 8.], et habetur 14. q. 5. [cap. 6.] : « Si quid invenisti, et non reddidisti, rapuisti ».

Sommige voorwerpen echter worden gevonden, die kort te voren nog tot andermans goed behoorden. En wanneer iemand dergelijke zaken neemt, 244niet met den wil ze te behouden, maar met den wil ze aan den eigenaar terug te geven, die ze nog niet in den steek heeft gelaten, dan maakt hij zich niet schuldig aan diefstal. Eveneens wanneer die zaken worden beschouwd als door hun bezitter in den steek gelaten, en de vinder ze als zoodanig beschouwt, dan begaat hij geen diefstal, ook al houdt hij ze voor zich. In andere gevallen echter maakt men zich aan diefstal schuldig. Daarom zegt Augustinus: « Wanneer gij iets hebt gevonden, en het niet teruggeeft, dan hebt gij gestolen ».Sommige voorwerpen echter worden gevonden, die kort te voren nog tot andermans goed behoorden. En wanneer iemand dergelijke zaken neemt, 244niet met de wil ze te behouden, maar met de wil ze aan de eigenaar terug te geven, die ze nog niet in de steek heeft gelaten, dan maakt hij zich niet schuldig aan diefstal. Eveneens wanneer die zaken worden beschouwd als door hun bezitter in de steek gelaten, en de vinder ze als zodanig beschouwt, dan begaat hij geen diefstal, ook al houdt hij ze voor zich. In andere gevallen echter maakt men zich aan diefstal schuldig. Daarom zegt Augustinus: “Wanneer gij iets hebt gevonden, en het niet teruggeeft, dan hebt gij gestolen”.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ille qui furtim accipit rem suam apud alium depositam, gravat depositarium, quia tenetur ad restituendum, vel ad ostendendum se esse innoxium. Unde manifestum est, quod peccat, et tenetur ad relevandum gravamen depositarii. Qui vero furtim accipit rem suam apud alium injuste detentam, peccat quidem, non quia gravet eum qui detinet, et ideo non tenetur ad restituendum aliquid, vel ad recompensandum; sed peccat contra communem justitiam, dum ipse sibi usurpat suae rei judicium, juris ordine praetermisso; et ideo tenetur Deo satisfacere, et dare operam, ut scandalum proximorum, si inde exortum fuerit, sedetur.

3. Hij die heimelijk zijn bezit wegneemt bij een ander aan wien hij het in bewaring gaf, brengt den bewaarnemer in moeilijkheden: want deze is tot teruggave gehouden of tot het aantoonen van zijn onschuld. Daarom is het klaarblijkend, dat hij zondigt: en hij is verplicht het aan den bewaarnemer toegebrachte nadeel te vergoeden. Hij echter die heimelijk zijn bezit ontneemt aan hem, die het wederrechtelijk onder zich houdt, zondigt niet omdat hij nadeel doet aan hem, die zijn goed behoudt: en daarom is hij niet gehouden iets terug te geven of te vergoeden; maar hij zondigt tegen de wettelijke rechtvaardigheid, daar hij zich een oordeel over zijn bezit aanmatigt, zonder inachtneming van de orde der rechtvaardigheid. Daarom is hij gehouden voldoening te geven aan God, en moet hij zich inspannen om de ergernis van den naaste te doen ophouden, indien er uit zijn handelwijze is gevolgd.3. Hij die heimelijk zijn bezit wegneemt bij een ander aan wie hij het in bewaring gaf, brengt de bewaarnemer in moeilijkheden: want deze is tot teruggave gehouden of tot het aantonen van zijn onschuld. Daarom is het klaarblijkend, dat hij zondigt: en hij is verplicht het aan de bewaarnemer toegebrachte nadeel te vergoeden. Hij echter die heimelijk zijn bezit ontneemt aan hem, die het wederrechtelijk onder zich houdt, zondigt niet omdat hij nadeel doet aan hem, die zijn goed behoudt: en daarom is hij niet gehouden iets terug te geven of te vergoeden; maar hij zondigt tegen de wettelijke rechtvaardigheid, daar hij zich een oordeel over zijn bezit aanmatigt, zonder inachtneming van de orde van de rechtvaardigheid. Daarom is hij gehouden voldoening te geven aan God, en moet hij zich inspannen om de ergernis van de naaste te doen ophouden, indien er uit zijn handelwijze is gevolgd.

Articulus VI

Utrum furtum sit peccatum mortale

[2. Dist. 42. q. 1. art. 4; De Malo q. 10. art. 2; q. 15. art. 2.]
VIe Artikel

Is diefstal doodzonde?

antwoord 1 ↓

245Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod furtum non sit peccatum mortale: dicitur enim Prov. 6. [v. 30] : « Non grandis est culpae, cum quis furatus fuerit ». Sed omne peccatum mortale est grandis culpae. Ergo furtum non est peccatum mortale.

245Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal geen doodzonde is. — 1. Immers, in het Boek der Spreuken (6. 30) wordt gezegd: « Groote schuld is het niet als iemand steelt ». Welnu, elke doodzonde is een groote schuld. Derhalve is diefstal geen doodzonde.245Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal geen doodzonde is. — 1. Immers, in het Boek van de Spreuken (6, 30) wordt gezegd: “Grote schuld is het niet als iemand steelt”. Welnu, elke doodzonde is een grote schuld. Derhalve is diefstal geen doodzonde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, peccato mortali mortis poena debetur. Sed pro furto non infligitur in lege poena mortis, sed solum poena damni, secundum illud Exod. 22. [v. 1] : « Si quis furatus fuerit bovem, aut ovem..., quinque boves pro uno bove restituet, et quatuor oves pro una ove ». Ergo furtum non est peccatum mortale.

2. Voor doodzonde is men de doodstraf schuldig. Welnu, voor diefstal wordt in de wet geen doodstraf opgelegd, maar alleen boete: naar het woord van het Boek van den Uittocht (22. 1) : « Indien iemand een rund of een schaap gestolen heeft, zal hij vijf runderen voor één rund, en vijf schapen voor één schaap weergeven ». Derhalve is diefstal geen doodzonde.2. Voor doodzonde is men de doodstraf schuldig. Welnu, voor diefstal wordt in de wet geen doodstraf opgelegd, maar alleen boete: naar het woord van het Boek van de Uittocht (22, 1): “Indien iemand een rund of een schaap gestolen heeft, zal hij vijf runderen voor één rund, en vijf schapen voor één schaap weergeven”. Derhalve is diefstal geen doodzonde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, furtum potest committi in parvis rebus, sicut et in magnis. Sed inconveniens videtur, quod pro furto alicujus parvae rei, puta unius acus, vel unius pennae, aliquis puniatur morte aeterna. Ergo furtum non est peccatum mortale.

3. Diefstal kan zoowel in kleine als in groote zaken worden gepleegd. Welnu, het lijkt onzinnig dat iemand, om het stelen van een kleine zaak, b.v. een naald of een veder, met den eeuwigen dood zou worden gestraft. Derhalve is diefstal geen doodzonde.3. Diefstal kan zowel in kleine als in grote zaken worden gepleegd. Welnu, het lijkt onzinnig dat iemand, om het stelen van een kleine zaak, bv. een naald of een veder, met de eeuwige dood zou worden gestraft. Derhalve is diefstal geen doodzonde.

246Sed contra est, quod nullus damnatur secundum divinum judicium, nisi pro peccato mortali. Condemnatur autem aliquis pro furto, secundum illud Zach. 5. [v. 3] : « Haec est maledictio, quae egreditur super faciem omnis terrae, quia omnis fur, sicut ibi scriptum est, judicabitur ». Ergo furtum est peccatum mortale.

246Daartegenover staat echter, dat niemand door het goddelijk oordeel wordt verdoemd tenzij om doodzonde. Welnu, voor diefstal wordt iemand veroordeeld, naar het woord van Zacharias (5. 3) : « Dit is de vloek, die uitgaat over het aanschijn van geheel het land; want alwie steelt zal, gelijk het daar geschreven staat, veroordeeld worden ». Derhalve is diefstal doodzonde.246Daartegenover staat echter, dat niemand door het goddelijk oordeel wordt verdoemd tenzij om doodzonde. Welnu, voor diefstal wordt iemand veroordeeld, naar het woord van Zacharias (5, 3): “Dit is de vloek, die uitgaat over het aanschijn van geheel het land; want alwie steelt zal, gelijk het daar geschreven staat, veroordeeld worden”. Derhalve is diefstal doodzonde.

Respondeo dicendum, quod, sicut supra habitum est [q. 59. art. 4, et 1-2. q. 72. art. 5.], peccatum mortale est, quod contrariatur charitati, secundum quod est spiritualis animae vita. Charitas autem consistit principaliter quidem in dilectione Dei, secundario vero in dilectione proximi, ad quam pertinet, ut proximo bonum velimus et operemur. Per furtum autem homo infert nocumentum proximo in suis rebus, et si passim homines sibi invicem furarentur, periret humana societas. Unde furtum, tamquam contrarium charitati, est peccatum mortale.

Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd werd (59e Kw. 4e Art.; I. II. 72e Kw. 5e Art.), is datgene doodzonde, wat strijdig is met de liefde, waardoor de ziel geestelijk leeft. De liefde nu bestaat voornamelijk in het beminnen van God, maar op de tweede plaats in het beminnen van den naaste; en dat bestaat hierin, dat wij goed willen en doen aan den naaste. Door diefstal nu berokkent de mensch schade aan zijn naaste, in zijn bezit; en wanneer de menschen elkaar almaardoor zouden bestelen, dan zou de menschelijke gemeenschap ten onder gaan. Daarom is diefstal, als in strijd met de liefde, doodzonde.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd werd (59e Kw. 4e Art.; 1-2 72e Kw. 5e Art.), is datgene doodzonde, wat strijdig is met de liefde, waardoor de ziel geestelijk leeft. De liefde nu bestaat voornamelijk in het beminnen van God, maar op de tweede plaats in het beminnen van de naaste; en dat bestaat hierin, dat wij goed willen en doen aan de naaste. Door diefstal nu berokkent de mens schade aan zijn naaste, in zijn bezit; en wanneer de mensen elkaar almaardoor zouden bestelen, dan zou de menselijke gemeenschap ten onder gaan. Daarom is diefstal, als in strijd met de liefde, doodzonde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod furtum dicitur non esse grandis culpae, duplici ratione: primo quidem propter necessitatem inducentem ad 247furandum, quae diminuit vel totaliter tollit culpam, ut infra patebit [art. seq.]; unde subditur: « Furatur enim, ut esurientem impleat animam ». Alio modo dicitur furtum non esse grandis culpae per comparationem ad reatum adulterii, quod punitur morte [Levit. cap. 20. v. 10] unde subditur [Deut. cap. 22. v. 31-32] de fure, quod « deprehensus reddet septuplum; qui autem adulter est, perdet animam suam ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Om twee redenen wordt gezegd dat diefstal geen groote schuld meebrengt. Ten eerste, om reden van nood, die tot stelen leidt, en die de schuld 247vermindert of heelemaal wegneemt, zooals verder zal blijken (7e Art.). Daarom wordt eraan toegevoegd: « Hij steelt immers om zijn hongerige ziel te verzadigen ». — Ten tweede wordt diefstal niet als groote zonde beschouwd, in vergelijking met de schuld van echtbreuk, die met den dood wordt gestraft (Lev. 20. 10). Daarom wordt er ook aan toegevoegd over den dief: « Wordt hij betrapt, dan moet hij zevenvoudig vergelden: de overspelige echter zal zijn leven verliezen » (Deut. 22. 31, 32).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Om twee redenen wordt gezegd dat diefstal geen grote schuld meebrengt. Ten eerste, om reden van nood, die tot stelen leidt, en die de schuld 247vermindert of helemaal wegneemt, zoals verder zal blijken (7e Art.). Daarom wordt eraan toegevoegd: “Hij steelt immers om zijn hongerige ziel te verzadigen”. — Ten tweede wordt diefstal niet als grote zonde beschouwd, in vergelijking met de schuld van echtbreuk, die met de dood wordt gestraft (Lev. 20. 10). Daarom wordt er ook aan toegevoegd over de dief: “Wordt hij betrapt, dan moet hij zevenvoudig vergelden: de overspelige echter zal zijn leven verliezen” (Deut. 22. 31, 32).

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod poenae praesentis vitae magis sunt medicinales, quam retributivae: retributio enim reservatur divino judicio, quod est secundum veritatem in peccantes; et ideo secundum judicium praesentis vitae, non pro quolibet peccato mortali infligitur poena mortis, sed solum pro illis, quae inferunt irreparabile nocumentum, vel etiam pro illis, quae habent aliquam horribilem deformitatem. Et ideo pro furto, quod irreparabile damnum non infert, non infligitur secundum praesens judicium, poena mortis, nisi ut furtum aggravatur per aliquam gravem circumstantiam, sicut patet de sacrilegio, quod est furtum rei sacrae, et de peculatu, quod est furtum rei communis, ut patet per Augustinum super Joan. [tract. 24850.], et de plagio, quod est furtum hominis, pro quo quis morte punitur, ut patet Exod. 21. [v. 16].

2. De straffen van het tegenwoordige leven zijn veeleer als geneesmiddel, dan wel als vergelding bedoeld: de vergelding is immers voorbehouden aan het goddelijk oordeel, dat naar waarheid de zondaars treft. En daarom wordt, door het oordeel van het tegenwoordige leven, niet voor iedere doodzonde de doodstraf toegepast, maar alleen voor die, welke een onherstelbare schade toebrengen, of ook nog voor die, welke een afschuwelijke ontaarding vertoonen. En daarom wordt voor diefstal, die een herstelbare schade toebrengt, volgens het oordeel van het tegenwoordige leven geen doodstraf opgelegd, tenzij de diefstal verzwaard wordt door een bezwarende omstandigheid: zooals blijkt bij heiligschennis, die diefstal is van een heilige zaak, en bij ontrouw beheer, de diefstal nl. van een gemeenschappelijk goed, zooals blijkt bij Augustinus, en het stelen van een mensch, wat 248door de wet met den dood wordt gestraft, zooals blijkt uit het Boek van den Uittocht (21. 16).2. De straffen van het tegenwoordige leven zijn veeleer als geneesmiddel, dan wel als vergelding bedoeld: de vergelding is immers voorbehouden aan het goddelijk oordeel, dat naar waarheid de zondaars treft. En daarom wordt, door het oordeel van het tegenwoordige leven, niet voor iedere doodzonde de doodstraf toegepast, maar alleen voor die, welke een onherstelbare schade toebrengen, of ook nog voor die, welke een afschuwelijke ontaarding vertonen. En daarom wordt voor diefstal, die een herstelbare schade toebrengt, volgens het oordeel van het tegenwoordige leven geen doodstraf opgelegd, tenzij de diefstal verzwaard wordt door een bezwarende omstandigheid: zoals blijkt bij heiligschennis, die diefstal is van een heilige zaak, en bij ontrouw beheer, de diefstal nl. van een gemeenschappelijk goed, zoals blijkt bij Augustinus, en het stelen van een mens, wat 248door de wet met de dood wordt gestraft, zoals blijkt uit het Boek van de Uittocht (21, 16).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod illud quod modicum est, ratio apprehendit quasi nihil; et ideo in his, quae minima sunt, homo non reputat sibi nocumentum inferri; et ille qui accipit, potest praesumere hoc non esse contra voluntatem ejus, cujus est res. Et pro tanto si quis furtive hujusmodi res minimas accipiat, potest excusari a peccato mortali. Si tamen habet animum furandi et inferendi nocumentum proximo, etiam in talibus minimis potest esse peccatum mortale, sicut et in solo cogitatu per consensum.

3. Het weinige wordt door de rede als niets aanzien. En daarom meent de mensch niet, dat hem schade wordt toegebracht, wanneer het gaat om kleine dingen: en hij, die zoo iets wegneemt, mag veronderstellen, dat het niet tegen den wil is van den bezitter. En in zoover kan iemand, die heimelijk zulke kleine dingen wegneemt, van doodzonde vrij geacht worden. Wanneer hij echter de bedoeling heeft te stelen en aan den naaste schade toe te brengen, kan er ook in zulke kleine dingen doodzonde zijn, zooals ook alleen al in gedachten, door toestemming.3. Het weinige wordt door de rede als niets aanzien. En daarom meent de mens niet, dat hem schade wordt toegebracht, wanneer het gaat om kleine dingen: en hij, die zo iets wegneemt, mag veronderstellen, dat het niet tegen de wil is van de bezitter. En in zover kan iemand, die heimelijk zulke kleine dingen wegneemt, van doodzonde vrij geacht worden. Wanneer hij echter de bedoeling heeft te stelen en aan de naaste schade toe te brengen, kan er ook in zulke kleine dingen doodzonde zijn, zoals ook alleen al in gedachten, door toestemming.

Articulus VII

Utrum liceat alicui furari propter necessitatem

[Supr. q. 32. art. 7. ad 3; 4. Dist. 15. q. 2. art. 1. qla. 4. ad 2; Quodl. 5. q. 9. art. 1. ad 1.]
VIIe Artikel

Is het toegelaten te stelen uit nood?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod non liceat alicui furari propter necessitatem: non enim imponitur poenitentia nisi peccanti. Sed 249Extra, de Furtis [cap. si quis] dicitur: « Si quis per necessitatem famis aut nuditatis furatus fuerit cibaria, vestem, vel pecus, poeniteat per hebdomadas tres ». Ergo non licet furari propter necessitatem.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet toegelaten is te stelen uit nood. — 1. Immers, er wordt geen boete opgelegd, tenzij aan den zondaar. Welnu, in de voorschriften van de 249Decretalen wordt gezegd: « Wanneer iemand door honger of naaktheid gedwongen voedsel, kleeding of vee heeft gestolen, dan zal hij boeten gedurende drie weken ». Dus mag men ook uit nood niet stelen.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet toegelaten is te stelen uit nood. — 1. Immers, er wordt geen boete opgelegd, tenzij aan de zondaar. Welnu, in de voorschriften van de 249Decretalen wordt gezegd: “Wanneer iemand door honger of naaktheid gedwongen voedsel, kleding of vee heeft gestolen, dan zal hij boeten gedurende drie weken”. Dus mag men ook uit nood niet stelen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Philosophus dicit, in 2. Ethic. [cap. 6.], quod « quaedam, confestim nominata, convoluta sunt cum malitia », inter quae ponit furtum. Sed illud quod est secundum se malum, non potest propter aliquem bonum finem bonum fieri. Ergo non potest aliquis licite furari, ut necessitati suae subveniat.

2. De Wijsgeer zegt: « Er zijn dingen waarvan de naam reeds vol boosheid is », en daaronder rekent hij den diefstal. Welnu, datgene wat uiteraard slecht is, kan niet goed worden ook al wordt het met een goed doeleinde gedaan. Derhalve mag niemand stelen om in zijn nood te voorzien.2. De Wijsgeer zegt: “Er zijn dingen waarvan de naam reeds vol boosheid is”, en daaronder rekent hij de diefstal. Welnu, datgene wat uiteraard slecht is, kan niet goed worden ook al wordt het met een goed doeleinde gedaan. Derhalve mag niemand stelen om in zijn nood te voorzien.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, homo debet diligere proximum, sicut seipsum. Sed non licet furari ad hoc, quod aliquis per eleemosynam proximo subveniat, ut Augustinus dicit in lib. contra Mend. [cap. 7.]. Ergo etiam non licet furari ad subveniendum propriae necessitati.

3. De mensch moet zijn naaste beminnen zooals zichzelf. Welnu, het is niet geoorloofd te stelen om den naaste door aalmoezen te kunnen helpen, zooals Augustinus zegt. Derhalve is het ook niet toegelaten te stelen om in eigen nood te voorzien.3. De mens moet zijn naaste beminnen zoals zichzelf. Welnu, het is niet geoorloofd te stelen om de naaste door aalmoezen te kunnen helpen, zoals Augustinus zegt. Derhalve is het ook niet toegelaten te stelen om in eigen nood te voorzien.

Sed contra est, quod in necessitate sunt omnia communia; et ita non videtur esse peccatum, si aliquis rem alterius accipiat propter necessitatem sibi factam communem.

Daartegenover staat echter, dat in nood alle dingen gemeenschappelijk zijn. En zoo schijnt het wel geen zonde te zijn, indien iemand andermans goed ontneemt, dat door den nood gemeenschappelijk geworden is.Daartegenover staat echter, dat in nood alle dingen gemeenschappelijk zijn. En zo schijnt het wel geen zonde te zijn, indien iemand andermans goed ontneemt, dat door de nood gemeenschappelijk geworden is.

Respondeo dicendum, quod ea quae sunt juris humani, non possunt 250derogare juri naturali, vel juri divino. Secundum autem naturalem ordinem, ex divina providentia institutum, res inferiores sunt ordinatae ad hoc, quod ex his subveniatur hominum necessitati. Et ideo per rerum divisionem et appropriationem, ex jure humano procedentem, non impeditur quin hominis necessitati sit subveniendum ex hujusmodi rebus; et ideo res, quas aliqui superabundanter habent, ex naturali jure debentur pauperum sustentationi; unde Ambrosius dicit [serm. 64. de Temp.], et habetur in Decret. Dist. 47. [cap.: Sicut hi] : « Esurientium panis est, quem tu detines; nudorum indumentum est, quod tu recludis; miserorum redemptio et absolutio est pecunia, quam tu in terram defodis ». Sed quia multi sunt necessitatem patientes, et non potest ex eadem re omnibus subveniri, committitur arbitrio uniuscujusque dispensatio propriarum rerum, ut ex eis subveniat necessitatem patientibus. Si tamen adeo sit evidens et urgens necessitas, ut manifestum sit instanti necessitati de rebus occurrentibus esse subveniendum, puta cum imminet personae periculum, et aliter subveniri non potest; tunc licite potest 251aliquis ex rebus alienis suae necessitati subvenire, sive manifeste, sive occulte sublatis; nec hoc proprie habet rationem furti vel rapinae.

Leerstelling. — Wat behoort tot het menschelijk recht, 250mag geen inbreuk maken op het natuurrecht, of het goddelijk recht. Volgens de natuurlijke orde nu, die door de Goddelijke Voorzienigheid werd ingesteld, zijn de lagere dingen bestemd om ter hulp te komen aan den menschelijken nood. En daarom wordt door de verdeeling en de toeëigening der dingen, die voortkomt van het menschelijk recht, niet weggenomen, dat juist door die dingen in den menschelijken nood moet worden voorzien. En daarom moeten de goederen, die sommigen in overvloed hebben, overeenkomstig het natuurrecht aan de ondersteuning van de armen worden besteed. Daarom zegt Ambrosius, en het staat in de Decretalen: « Het is het brood van de hongerigen, dat gij vasthoudt; het is het kleed van de naakten, dat gij wegsluit; het geld, dat gij in den grond begraaft, is de loskooping en de vrijmaking van de ongelukkigen ». Daar er nu echter veel noodlijdenden zijn, en allen niet uit een en hetzelfde bezit kunnen geholpen worden, wordt het uitdeelen van het eigen bezit aan ieders oordeel overgelaten, opdat men daarvan de noodlijdenden zou tegemoet komen. Indien echter de nood zoo dringend en klaarblijkend is, dat het overduidelijk wordt hem te moeten lenigen door dingen, die voor de hand liggen — b.v. wanneer een persoon in gevaar verkeert en men het niet op een andere manier 251kan afweren —, dan mag iemand zijn eigen nood lenigen uit andermans bezit, door het openlijk of bedekt te nemen. En dit is geen eigenlijke diefstal of roof.Leerstelling. — Wat behoort tot het menselijk recht, 250mag geen inbreuk maken op het natuurrecht, of het goddelijk recht. Volgens de natuurlijke orde nu, die door de Goddelijke Voorzienigheid werd ingesteld, zijn de lagere dingen bestemd om ter hulp te komen aan de menselijke nood. En daarom wordt door de verdeling en de toeëigening van de dingen, die voortkomt van het menselijk recht, niet weggenomen, dat juist door die dingen in de menselijke nood moet worden voorzien. En daarom moeten de goederen, die sommigen in overvloed hebben, overeenkomstig het natuurrecht aan de ondersteuning van de armen worden besteed. Daarom zegt Ambrosius, en het staat in de Decretalen: “Het is het brood van de hongerigen, dat gij vasthoudt; het is het kleed van de naakten, dat gij wegsluit; het geld, dat gij in de grond begraaft, is de loskoping en de vrijmaking van de ongelukkigen”. Daar er nu echter veel noodlijdenden zijn, en allen niet uit een en hetzelfde bezit kunnen geholpen worden, wordt het uitdelen van het eigen bezit aan ieders oordeel overgelaten, opdat men daarvan de noodlijdenden zou tegemoet komen. Indien echter de nood zo dringend en klaarblijkend is, dat het overduidelijk wordt hem te moeten lenigen door dingen, die voor de hand liggen — bv. wanneer een persoon in gevaar verkeert en men het niet op een andere manier 251kan afweren —, dan mag iemand zijn eigen nood lenigen uit andermans bezit, door het openlijk of bedekt te nemen. En dit is geen eigenlijke diefstal of roof.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Decretalis illa loquitur in casu, in quo non est urgens necessitas.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het aangehaalde Decretaal handelt over een geval, waarbij geen spraak is van dringenden nood.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het aangehaalde Decretaal handelt over een geval, waarbij geen spraak is van dringende nood.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod uti re aliena occulte accepta in casu necessitatis extremae, non habet rationem furti, proprie loquendo, quia per talem necessitatem efficitur suum id, quod quis accipit ad sustentandum propriam vitam.

2. In eigenlijken zin gesproken, is het gebruiken van andermans goed, dat men in uitersten nood bedekt ontnomen heeft, geen diefstal. Want in zulken nood wordt datgene, wat iemand tot behoud van zijn eigen leven wegneemt, het zijne.2. In eigenlijke zin gesproken, is het gebruiken van andermans goed, dat men in uitersten nood bedekt ontnomen heeft, geen diefstal. Want in zulke nood wordt datgene, wat iemand tot behoud van zijn eigen leven wegneemt, het zijne.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in casu similis necessitatis etiam potest aliquis occulte rem alienam accipere, ut subveniat proximo sic indigenti.

3. In het geval van denzelfden nood mag iemand ook bedekt andermans goed wegnemen, om aan een op die manier hulpbehoevenden naaste, tegemoet te komen.3. In het geval van dezelfde nood mag iemand ook bedekt andermans goed wegnemen, om aan een op die manier hulpbehoevenden naaste, tegemoet te komen.

Articulus VIII

Utrum rapina possit fieri sine peccato

[4. Dist. 15. q. 2. art. 1. qla. 4. ad 2.]
VIIIe Artikel

Kan roof geschieden zonder zonde?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod rapina possit fieri sine 252peccato: praeda enim per violentiam accipitur, quod videtur ad rationem rapinae pertinere, secundum praedicta [art. 4.]. Sed praedam accipere ab hostibus licitum est: dicit enim Ambrosius in lib. de Patriarchis [lib. 1. de Abraham, cap. 3.] : « Cum praeda fuerit in potestate victoris, decet militarem disciplinam, ut regi serventur omnia », scilicet ad distribuendum. Ergo rapina in aliquo casu est licita.

Bedenkingen. — Men beweert, dat roof zonder zonde kan 252geschieden. — 1. Door geweld immers wordt iets tot buit gemaakt; en dat schijnt, overeenkomstig wat boven gezegd is, het karakter van roof te hebben. Welnu, iets op een vijand buit maken is geoorloofd: Ambrosius immers zegt: « Wanneer de buit in handen van den overwinnaar is, eischt de legertucht, dat alles in handen van den koning komt », nl. ter verdeeling. Dus is roof in sommige gevallen geoorloofd.Bedenkingen. — Men beweert, dat roof zonder zonde kan 252geschieden. — 1. Door geweld immers wordt iets tot buit gemaakt; en dat schijnt, overeenkomstig wat boven gezegd is, het karakter van roof te hebben. Welnu, iets op een vijand buit maken is geoorloofd: Ambrosius immers zegt: “Wanneer de buit in handen van de overwinnaar is, eist de legertucht, dat alles in handen van de koning komt”, nl. ter verdeling. Dus is roof in sommige gevallen geoorloofd.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, licitum est auferre ab aliquo id, quod non est ejus. Sed res, quas infideles habent, non sunt eorum: dicit enim Augustinus in epistola ad Vinc. Donat. [93. al. 48.] : « Res falso appellatis vestras, quas nec juste possidetis, et secundum leges terrenorum regum amittere jussi estis ». Ergo videtur, quod ab infidelibus aliquis licite rapere possit.

2. Het is geoorloofd aan iemand datgene te ontnemen, wat niet van hem is. Welnu, de goederen, die de ongeloovigen hebben, zijn niet van hen: want Augustinus zegt: « Valschelijk noemt gij die dingen de uwe, die gij niet rechtmatig bezit en die gij, overeenkomstig de wetten van de aardsche koningen, moet afstaan ». Het lijkt dus wel, dat iemand de ongeloovigen op wettige wijze zou kunnen berooven.2. Het is geoorloofd aan iemand datgene te ontnemen, wat niet van hem is. Welnu, de goederen, die de ongelovigen hebben, zijn niet van hen: want Augustinus zegt: “Valselijk noemt gij die dingen de uwe, die gij niet rechtmatig bezit en die gij, overeenkomstig de wetten van de aardse koningen, moet afstaan”. Het lijkt dus wel, dat iemand de ongelovigen op wettige wijze zou kunnen beroven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, terrarum principes multa a suis subditis violenter extorquent, quod videtur ad rationem rapinae pertinere. Grave autem videtur dicere, quod in hoc peccent, quia sic fere omnes principes damnarentur. Ergo rapina in aliquo casu est licita.

3. De vorsten der aarde ontrukken met geweld veel aan hun onderdanen; en dit schijnt wel roof te zijn. Het lijkt echter zeer erg te zeggen, dat zij daardoor zondigen: want zoo zouden bijna alle vorsten worden veroordeeld. Derhalve is roof in sommige gevallen wel geoorloofd.3. De vorsten van de aarde ontrukken met geweld veel aan hun onderdanen; en dit schijnt wel roof te zijn. Het lijkt echter zeer erg te zeggen, dat zij daardoor zondigen: want zo zouden bijna alle vorsten worden veroordeeld. Derhalve is roof in sommige gevallen wel geoorloofd.

Sed contra est, quod de quolibet licite accepto potest fieri Deo 253sacrificium, vel oblatio; non autem potest fieri de rapina, secundum illud Isa. 61. [v. 8] : « Ego Dominus diligens judicium, et odio habens rapinam in holocaustum ». Ergo per rapinam aliquid accipere non est licitum.

Daartegenover staat echter, dat van alles wat men op 253geoorloofde wijze heeft verworven, men aan God een sacrificie of een gave mag brengen. Men mag echter geen roofbuit offeren, naar het woord van Isaïas (61. 8) : « Want ik, de Heer, heb het recht lief en haat den roof in het brandoffer ». Iets in bezit nemen door roof is derhalve niet geoorloofd.Daartegenover staat echter, dat van alles wat men op 253geoorloofde wijze heeft verworven, men aan God een sacrificie of een gave mag brengen. Men mag echter geen roofbuit offeren, naar het woord van Jesaja (61, 8): “Want ik, de Heer, heb het recht lief en haat de roof in het brandoffer”. Iets in bezit nemen door roof is derhalve niet geoorloofd.

Respondeo dicendum, quod rapina quamdam violentiam et coactionem importat, per quam contra justitiam alicui aufertur quod suum est. In societate autem hominum nullus habet coactionem nisi per publicam potestatem. Et ideo quicumque per violentiam aliquid alteri aufert, si sit privata persona, non utens publica potestate, illicite agit, et rapinam committit, sicut patet in latronibus.

Leerstelling. — Roof sluit een zeker gewelddadigheid, een zekeren dwang in, waardoor, in strijd met de rechtvaardigheid, aan iemand ontnomen wordt wat het zijne is. In de menschelijke maatschappij nu, heeft niemand het recht tot dwingen, tenzij de openbare macht. En daarom handelt hij, nl. een privaat persoon, die over geen openbare macht beschikt, onwettig wanneer hij aan een ander met geweld iets ontneemt, en maakt hij zich schuldig aan roof: zooals blijkt bij de roovers.Leerstelling. — Roof sluit een zeker gewelddadigheid, een zekeren dwang in, waardoor, in strijd met de rechtvaardigheid, aan iemand ontnomen wordt wat het zijne is. In de menselijke maatschappij nu, heeft niemand het recht tot dwingen, tenzij de openbare macht. En daarom handelt hij, nl. een privaat persoon, die over geen openbare macht beschikt, onwettig wanneer hij aan een ander met geweld iets ontneemt, en maakt hij zich schuldig aan roof: zoals blijkt bij de rovers.

Principibus vero potestas publica committitur ad hoc, quod sint justitiae custodes. Et ideo non licet eis violentia et coactione uti nisi secundum justitiae tenorem, et hoc vel contra hostes, pugnando, vel contra cives, malefactores puniendo. Et quod per talem violentiam aufertur, non habet rationem rapinae, cum non sit contra justitiam; si vero contra 254justitiam aliqui per publicam potestatem violenter abstulerint res aliorum, illicite agunt, et rapinam committunt, et ad restitutionem tenentur.

Aan de vorsten echter wordt openbare macht opgedragen, opdat zij de hoeders van het recht zouden zijn. En daarom is het hun niet geoorloofd gebruik te maken van geweld of dwang, tenzij naar de eischen van de rechtvaardigheid: en wel tegen vijanden door te strijden, ofwel tegen de burgers door de misdadigers te straffen. En wat door geweld van dien aard wordt ontnomen is geen roof: want het is niet strijdig met de rechtvaardigheid. Wanneer echter sommigen, tegen de 254rechtvaardigheid in, door openbare macht het goed van anderen met geweld zouden ontnemen, dan handelen zij onrechtvaardig, maken zich schuldig aan roof en zijn tot teruggave gehouden.Aan de vorsten echter wordt openbare macht opgedragen, opdat zij de hoeders van het recht zouden zijn. En daarom is het hun niet geoorloofd gebruik te maken van geweld of dwang, tenzij naar de eisen van de rechtvaardigheid: en wel tegen vijanden door te strijden, ofwel tegen de burgers door de misdadigers te straffen. En wat door geweld van die aard wordt ontnomen is geen roof: want het is niet strijdig met de rechtvaardigheid. Wanneer echter sommigen, tegen de 254rechtvaardigheid in, door openbare macht het goed van anderen met geweld zouden ontnemen, dan handelen zij onrechtvaardig, maken zich schuldig aan roof en zijn tot teruggave gehouden.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod circa praedam distinguendum est, quia si illi qui depraedantur hostes, habeant bellum justum, ea quae per violentiam in bello acquirunt, eorum efficiuntur; et hoc non habet rationem rapinae; unde nec ad restitutionem tenentur, quamvis possint in acceptione praedae justum bellum habentes peccare per cupiditatem ex prava intentione, si scilicet non propter justitiam, sed propter praedam principaliter pugnent: dicit enim Augustinus in lib. de Verb. Dom. [serm. 19.], quod « propter praedam militare peccatum est ». Si vero illi, qui praedam accipiunt, habent bellum injustum, rapinam committunt, et ad restitutionem tenentur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot buit gemaakte goederen moet men onderscheid maken. Want wanneer zij, die buit maken op den vijand, een rechtvaardigen oorlog voeren, dan wordt het goed, dat zij in dien oorlog met geweld veroveren, het hunne. En dit is geen roof: en daarom zijn zij niet tot teruggave gehouden. Toch kunnen zij, ook in een rechtvaardigen oorlog, zondigen door buit te maken uit een boos inzicht en gedreven door hebzucht, nl. wanneer zij niet omwille van de rechtvaardigheid, maar voornamelijk om buit oorlog voeren. Augustinus zegt immers: « Strijden om buit is zonde ». Wanneer echter zij die buit maken, een onrechtvaardigen oorlog voeren, dan maken zij zich schuldig aan roof, en zijn tot teruggave gehouden.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot buit gemaakte goederen moet men onderscheid maken. Want wanneer zij, die buit maken op de vijand, een rechtvaardigen oorlog voeren, dan wordt het goed, dat zij in die oorlog met geweld veroveren, het hunne. En dit is geen roof: en daarom zijn zij niet tot teruggave gehouden. Toch kunnen zij, ook in een rechtvaardigen oorlog, zondigen door buit te maken uit een boos inzicht en gedreven door hebzucht, nl. wanneer zij niet omwille van de rechtvaardigheid, maar voornamelijk om buit oorlog voeren. Augustinus zegt immers: “Strijden om buit is zonde”. Wanneer echter zij die buit maken, een onrechtvaardigen oorlog voeren, dan maken zij zich schuldig aan roof, en zijn tot teruggave gehouden.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod intantum aliqui infideles res suas injuste possident, inquantum eas « secundum leges terrenorum principum amittere jussi sunt ». Et ideo ab eis possunt per violentiam subtrahi, non privata auctoritate, sed publica.

2. Sommige ongeloovigen bezitten hun goed op onrechtvaardige wijze, in zoover zij die « overeenkomstig de wetten van de aardsche vorsten moeten afstaan ». En daarom mag men hun die goederen met geweld ontnemen, niet echter op privaat maar op openbaar gezag.2. Sommige ongelovigen bezitten hun goed op onrechtvaardige wijze, in zover zij die “overeenkomstig de wetten van de aardse vorsten moeten afstaan”. En daarom mag men hun die goederen met geweld ontnemen, niet echter op privaat maar op openbaar gezag.

↑ bedenking 3

255Ad tertium dicendum, quod si principes a subditis exigant, quod eis secundum justitiam debetur, propter bonum commune conservandum, etiamsi violentia adhibeatur, non est rapina. Si vero aliquid principes indebite extorqueant per violentiam, rapina est, sicut et latrocinium; unde dicit Augustinus in 4. de Civ. Dei [cap. 4.] : « Remota justitia, quid sunt regna, nisi magna latrocinia? quia et latrocinia quid sunt nisi parva regna? » Et Ezech. 22. [v. 27] dicitur: « Principes ejus in medio ejus, quasi lupi rapientes praedam ». Unde ad restitutionem tenentur, sicut et latrones. Et tanto gravius peccant quam latrones, quanto periculosius et communius contra publicam justitiam agunt, cujus custodes sunt positi.

2553. Wanneer de vorsten datgene afeischen van hun onderdanen, wat hun krachtens de rechtvaardigheid toekomt, om het algemeen welzijn te bewaren, dan is dat geen roof, ook al wordt daarbij geweld gebruikt. Wanneer echter de vorsten iets met geweld afpersen wat men hun niet verschuldigd is, is dat roof, en ook dieverij. Daarom zegt Augustinus: « Wat zijn koninkrijken zonder rechtvaardigheid anders dan groote rooversholen? Want wat zijn rooversholen anders dan kleine koninkrijken »? En bij Ezechiël (22. 27) wordt gezegd: « Haar vorsten zijn in haar midden als wolven, die buit rooven ». Daarom zijn zij tot teruggave gehouden, evenals roovers. En zooveel zwaarder zondigen zij dan roovers, als zij gevaarvoller en algemeener ingaan tegen de openbare rechtvaardigheid, waarvan zij als de bewakers zijn aangesteld.2553. Wanneer de vorsten datgene afeisen van hun onderdanen, wat hun krachtens de rechtvaardigheid toekomt, om het algemeen welzijn te bewaren, dan is dat geen roof, ook al wordt daarbij geweld gebruikt. Wanneer echter de vorsten iets met geweld afpersen wat men hun niet verschuldigd is, is dat roof, en ook dieverij. Daarom zegt Augustinus: “Wat zijn koninkrijken zonder rechtvaardigheid anders dan grote roversholen? Want wat zijn roversholen anders dan kleine koninkrijken”? En bij Ezechiël (22, 27) wordt gezegd: “Haar vorsten zijn in haar midden als wolven, die buit roven”. Daarom zijn zij tot teruggave gehouden, evenals rovers. En zoveel zwaarder zondigen zij dan rovers, als zij gevaarvoller en algemener ingaan tegen de openbare rechtvaardigheid, waarvan zij als de bewakers zijn aangesteld.

Articulus IX

Utrum furtum sit gravius peccatum, quam rapina

[Infr. q. 73. art. 3. ad 2; q. 116. art. 2. ad 1; q. 144. art. 2. ad 4: 5. Ethic. lect. 4.]
IXe Artikel

Is diefstal zwaardere zonde dan roof?

antwoord 1 ↓

Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod furtum sit gravius peccatum, 256quam rapina: furtum enim super acceptionem rei alienae habet adjunctam fraudem et dolum, quod non est in rapina. Sed fraus et dolus de se habent rationem peccati, ut supra habitum est [q. 55. art. 4. et 5.]. Ergo furtum est gravius peccatum, quam rapina.

Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal zwaardere 256zonde is dan roof. — 1. Immers, diefstal sluit, behalve het wegnemen van andermans goed, ook nog bedrog en list in, wat bij roof niet het geval is. Welnu, bedrog en list zijn in zichzelf zonde, zooals boven gezegd is (55e Kw. 4e en 5e Art.). Derhalve lijkt diefstal zwaardere zonde te zijn dan roof.Bedenkingen. — Men beweert, dat diefstal zwaardere 256zonde is dan roof. — 1. Immers, diefstal sluit, behalve het wegnemen van andermans goed, ook nog bedrog en list in, wat bij roof niet het geval is. Welnu, bedrog en list zijn in zichzelf zonde, zoals boven gezegd is (55e Kw. 4e en 5e Art.). Derhalve lijkt diefstal zwaardere zonde te zijn dan roof.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, verecundia est timor de turpi actu, ut dicitur in 4. Ethic. [cap. 9.]. Sed magis verecundantur homines de furto, quam de rapina. Ergo furtum est turpius, quam rapina.

2. Schaamte is de vrees voor een slechte handeling, zooals in de Ethica gezegd is. Welnu, de menschen schamen zich meer voor diefstal dan voor roof. Dus is diefstal boosaardiger dan roof.2. Schaamte is de vrees voor een slechte handeling, zoals in de Ethica gezegd is. Welnu, de mensen schamen zich meer voor diefstal dan voor roof. Dus is diefstal boosaardiger dan roof.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quanto aliquod peccatum pluribus nocet, tanto gravius esse videtur. Sed per furtum potest nocumentum inferri et magnis et parvis, per rapinam autem solum impotentibus, quibus potest violentia inferri. Ergo gravius videtur esse peccatum furti, quam rapinae.

3. Een zonde is zwaarder naarmate zij meer menschen benadeelt. Welnu, door diefstal kan schade worden toegebracht aan grooten en aan kleinen: door roof echter enkel aan de onmachtigen, tegenover wie men geweld kan plegen. Derhalve lijkt diefstal wel zwaardere zonde te zijn dan roof.3. Een zonde is zwaarder naarmate zij meer mensen benadeelt. Welnu, door diefstal kan schade worden toegebracht aan groten en aan kleinen: door roof echter enkel aan de onmachtigen, tegenover wie men geweld kan plegen. Derhalve lijkt diefstal wel zwaardere zonde te zijn dan roof.

Sed contra est, quod secundum leges gravius punitur rapina, quam furtum.

Daartegenover staat echter, dat krachtens de wetten roof zwaarder wordt gestraft dan diefstal.

Respondeo dicendum, quod rapina et furtum habent rationem peccati, sicut supra dictum est [art. 4.], propter involuntarium, quod est ex parte ejus, cui aliquid aufertur, ita tamen quod in furto est involuntarium 257per ignorantiam, in rapina autem est involuntarium per violentiam. Magis est autem aliquid involuntarium per violentiam, quam per ignorantiam, quia violentia directius opponitur voluntati, quam ignorantia, et ideo rapina est gravius peccatum quam furtum.

Leerstelling. — Zooals boven gezegd is (4e Art.), zijn roof en diefstal zondig, omdat zij ingaan tegen den wil van hem, aan wien iets ontnomen wordt; zóó echter, dat bij diefstal het tegenwillige steunt op onwetendheid bij den bestolene, bij roof 257echter op geweld. Welnu, iets wat door geweld geschiedt, is meer tegenwillig dan datgene wat geschiedt in onwetendheid: want geweld is meer rechtstreeks in strijd met den wil dan onwetendheid. En bijgevolg is roof een zwaardere zonde dan diefstal.Leerstelling. — Zoals boven gezegd is (4e Art.), zijn roof en diefstal zondig, omdat zij ingaan tegen de wil van hem, aan wie iets ontnomen wordt; zó echter, dat bij diefstal het tegenwillige steunt op onwetendheid bij de bestolene, bij roof 257echter op geweld. Welnu, iets wat door geweld geschiedt, is meer tegenwillig dan datgene wat geschiedt in onwetendheid: want geweld is meer rechtstreeks in strijd met de wil dan onwetendheid. En bijgevolg is roof een zwaardere zonde dan diefstal.

Est et alia ratio, quia per rapinam non solum infertur alicui damnum in rebus, sed etiam vergit in quamdam personae ignominiam, sive injuriam, et hoc praeponderat fraudi, vel dolo, quae pertinent ad furtum.

Er is ook nog een andere reden. Want door roof wordt iemand niet alleen in zijn bezit schade berokkend, maar ook aan den persoon wordt smaad of onrecht aangedaan. En dit is erger dan bedrog of arglist, die bij diefstal worden aangewend.Er is ook nog een andere reden. Want door roof wordt iemand niet alleen in zijn bezit schade berokkend, maar ook aan de persoon wordt smaad of onrecht aangedaan. En dit is erger dan bedrog of arglist, die bij diefstal worden aangewend.

↑ bedenking 1

Unde patet responsio ad primum.

Antwoord op de Bedenkingen. — Hieruit blijkt het antwoord op de eerste bedenking.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod homines sensibilibus inhaerentes, magis gloriantur de virtute exteriori, quae manifestatur in rapina, quam de virtute interiori, quae tollitur per peccatum: et ideo minus verecundantur de rapina, quam de furto.

2. De menschen, die vastzitten aan het zintuiglijke, beroemen zich meer op de uitwendige kracht, die zich bij roof ontplooit, dan op de inwendige deugd, die door de zonde wordt weggenomen. En daarom schamen zij zich minder over roof dan over diefstal.2. De mensen, die vastzitten aan het zintuiglijke, beroemen zich meer op de uitwendige kracht, die zich bij roof ontplooit, dan op de inwendige deugd, die door de zonde wordt weggenomen. En daarom schamen zij zich minder over roof dan over diefstal.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod licet pluribus possit noceri per furtum, quam per rapinam, tamen graviora nocumenta possunt inferri per rapinam, quam per furtum; unde etiam ex hoc rapina est detestabilior.

3. Hoewel door diefstal aan meer menschen schade kan worden toegebracht dan door roof, kan toch door roof grootere schade worden toegebracht dan door diefstal. Daarom is roof ook op grond hiervan verachtelijker.3. Hoewel door diefstal aan meer mensen schade kan worden toegebracht dan door roof, kan toch door roof grotere schade worden toegebracht dan door diefstal. Daarom is roof ook op grond hiervan verachtelijker.