Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 80Kw. 80
Quaestio LXXX

De partibus potentialibus justitiae

Kwestie 80

Over wat deel heeft aan de kracht van de rechtvaardigheid

(Een Artikel)

1Deinde considerandum est de partibus potentialibus justitiae, idest de virtutibus ei annexis; et circa hoc duo sunt consideranda: primo quidem, quae virtutes justitiae annectantur: secundo considerandum est de singulis virtutibus justitiae annexis.

1Vervolgens moet datgene behandeld worden, wat deelt in de kracht van de rechtvaardigheid, nl. de daarmee verwante deugden. (Zie 61e Kw. Inl.) En wat dit betreft, moeten twee dingen worden besproken; en wel ten eerste, welke deugden met de rechtvaardigheid verwant zijn; ten tweede, ieder van de met de rechtvaardigheid verwante deugden in het bijzonder (81e Kw. en vlg.).1Vervolgens moet datgene behandeld worden, wat deelt in de kracht van de rechtvaardigheid, nl. de daarmee verwante deugden. (Zie 61. Kw. Inl.) En wat dit betreft, moeten twee dingen worden besproken; en wel ten eerste, welke deugden met de rechtvaardigheid verwant zijn; ten tweede, ieder van de met de rechtvaardigheid verwante deugden in het bijzonder (81e Kw. en vlg.).

Articulus unicus

Utrum convenienter assignentur virtutes justitiae annexae

[Infr. q. 122. a. 1; I-II, q. 60. a. 3; 3 Dist. q. 1. a. 1. qla 4. 3. dist. 33. q. 3. art. 4.]
Artikel

Worden de met de rechtvaardigheid verwante deugden goed opgegeven?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter assignentur virtutes justitiae annexae: Tullius enim [lib. 2. de Invent. c. 53] 2enumerat sex: scilicet: religionem, pietatem, gratiam, vindicationem, observantiam, veritatem: vindicatio autem videtur species esse commutativae justitiae, secundum quam illatis injuriis vindicta rependitur, ut ex supra dictis patet [q. 61. art. 4.] : non ergo debet poni inter virtutes justitiae annexas.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de met de rechtvaardigheid verwante deugden niet goed worden opgegeven. — 1. Want 2Tullius noemt er zes op, nl.: godsdienstigheid, liefde voor ouders en vaderland, dankbaarheid, verlangen naar vergelding, eerbiedigheid, waarheidsliefde. Nu schijnt het verlangen naar vergelding echter een soort ruilende rechtvaardigheid te zijn, in zoover vergelding wordt geoefend voor aangedaan onrecht, zooals uit het boven gezegde (61e Kw. 4e Art.) blijkt. Dus moet deze niet onder de aan de rechtvaardigheid alleen verwante deugden worden geplaatst.Bedenkingen. — Men beweert, dat de met de rechtvaardigheid verwante deugden niet goed worden opgegeven. — 1. Want 2Tullius noemt er zes op, nl.: godsdienstigheid, liefde voor ouders en vaderland, dankbaarheid, verlangen naar vergelding, eerbiedigheid, waarheidsliefde. Nu schijnt het verlangen naar vergelding echter een soort ruilende rechtvaardigheid te zijn, in zover vergelding wordt geoefend voor aangedaan onrecht, zoals uit het boven gezegde (61e Kw. 4e Art.) blijkt. Dus moet deze niet onder de aan de rechtvaardigheid alleen verwante deugden worden geplaatst.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Macrobius super Somn. Scip. [lib. 1. cap. 8.] ponit septem; scilicet: innocentiam, amicitiam, concordiam, pietatem, religionem, affectum, humanitatem, quarum plures a Tullio praetermittuntur; ergo videtur, insufficienter enumeratas esse virtutes justitiae adjunctas.

2. Macrobius geeft er zeven op, nl.: onschuldigheid, vriendschap, eensgezindheid, liefde tot ouders en vaderland, godsdienstigheid, meeleven, menschlievendheid, waarvan Tullius er meerdere niet noemt. Dus schijnen de aan de rechtvaardigheid verwante deugden niet goed opgegeven te worden.2. Macrobius geeft er zeven op, nl.: onschuldigheid, vriendschap, eensgezindheid, liefde tot ouders en vaderland, godsdienstigheid, meeleven, menslievendheid, waarvan Tullius er meerdere niet noemt. Dus schijnen de aan de rechtvaardigheid verwante deugden niet goed opgegeven te worden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, a quibusdam aliis ponuntur quinque partes justitiae; scilicet: obedientia respectu superioris, disciplina respectu inferioris, aequitas respectu aequalium, fides, et veritas respectu omnium; de quibus a Tullio non ponitur nisi veritas; ergo videtur insufficienter enumerasse virtutes justitiae annexas.

3. Door sommige anderen worden vijf verwante deugden opgegeven, nl.: gehoorzaamheid tegenover meerderen, liefde voor de tucht tegenover minderen, billijkheid tegenover gelijken, getrouwheid en waarheidsliefde tegenover allen; waarvan Tullius alleen de waarheidsliefde noemt. Dus schijnen de met de rechtvaardigheid verwante deugden onvolledig opgenoemd te worden.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Andronicus Peripateticus ponit (De Affectibus) novem partes justitiae annexas, scilicet: liberalitatem, benignitatem, vindicativam, eugnomosynem, eusebiam, eucharistiam, sanctitatem, bonam 3commutationem, legispositivam: ex quibus etiam Tullius manifeste non ponit nisi vindicativam; ergo videtur insufficienter enumerasse.

4. Andronicus de Peripateticus noemt negen aan de rechtvaardigheid verwante deugden, nl.: vrijgevigheid, welwillendheid, liefde voor vergelding, gezond oordeel, vroomheid, dankbaarheid, 3heiligheid, eerlijkheid, goede wetgeving, waarvan Tullius alleen de liefde tot de vergelding vermeldt. Dus is de opsomming bij hem onvolledig.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, Aristoteles in 5. Ethic. [cap. 10. n. 8] ponit epieikeiam justitiae adjunctam, de qua in nulla praemissarum assignationum videtur mentio esse facta; ergo insufficienter sunt enumeratae virtutes justitiae annexae.

5. Aristoteles noemt de evenredigheid als aan de rechtvaardigheid verwant, waarvan toch in geen van de voorafgaande opsommingen melding schijnt te zijn gemaakt. Dus schijnt het, dat de aan de rechtvaardigheid verwante deugden onvolledig zijn opgesomd.

Respondeo dicendum, quod in virtutibus, quae adjunguntur alicui principali virtuti, duo sunt consideranda: primo quidem, quod virtutes illae in aliquo cum principali virtute conveniant: secundo, quod in aliquo deficiant a perfecta ratione ipsius: quia vero justitia ad alterum est, ut ex supra dictis patet [q. 58, art. 2.], omnes virtutes, quae ad alterum sunt, possunt ratione convenienti justitiae annecti: ratio vero justitiae consistit in hoc, quod alteri reddatur quod ei debetur secundum aequalitatem, ut ex supra dictis patet [q. 58. art. 11.]; dupliciter igitur aliqua virtus ad alterum existens a ratione justitiae deficit: uno quidem modo, inquantum deficit a ratione aequalis: alio modo, inquantum deficit a ratione debiti: sunt enim 4quaedam virtutes, quae debitum quidem alteri reddunt, sed non possunt reddere aequale: et primo quidem quidquid ab homine Deo redditur, debitum est: non tamen potest esse aequale; ut scilicet tantum homo ei reddat, quantum debet secundum illud. Ps. 115. [v. 3] : « Quid retribuam Domino pro omnibus, quae retribuit mihi? » Et secundum hoc adjungitur justitiae religio, quae, ut dicit Tullius [loc. cit. in argum. 1.], « superioris cujusdam naturae, quam divinam vocant, curam caeremoniamque, vel cultum affert » : secundo parentibus non potest secundum aequalitatem recompensari quod eis debetur, ut patet per Philosophum in 8. Ethic. [cap. 14. n. 4]; et sic adjungitur justitiae pietas, per quam, ut Tullius dicit [loc. cit.], « sanguine junctis, patriaeque benevolis officium, et diligens tribuitur cultus » : tertio non potest secundum aequale praemium recompensari ab homine vertus ut patet per Philosophum in 4 Ethic. [cap. 3. n. 17] : et sic adjungitur justitiae observantia, per quam, ut Tullius dicit [loc. sup. cit.], « homines aliqua dignitate antecedentes, quodam cultu, et honore dignantur ».

Leerstelling. — Bij de met een hoofddeugd verwante deugden moet men twee dingen in aanmerking nemen: ten eerste, dat die deugden in eenig opzicht met die hoofddeugd overeenkomen; en ten tweede, dat zij in een ander opzicht den volledigen aard ervan niet hebben. Omdat de rechtvaardigheid nu, zooals uit het vroeger (58e Kw. 2e Art.) gezegde blijkt, zich op een anderen persoon richt, kunnen alle op een ander ingestelde deugden om die overeenkomst met de rechtvaardigheid verwant zijn. De eigen aard van de rechtvaardigheid nu ligt, zooals uit het vroeger gezegde (58e Kw. 11e Art.) duidelijk is, hierin, dat zij aan een ander geeft, waarop hij krachtens de eischen van de gelijkheid recht heeft. In twee punten kan dus een op een ander 4gerichte deugd den eigen aard van de rechtvaardigheid missen: ten eerste, in zoover zij geen gelijkheid geeft, en ten tweede, in zoover zij niet met een recht te maken heeft. Want er zijn deugden, die wel aan een ander geven waarop hij recht heeft, maar die niet naar gelijkheid kunnen geven. En ten eerste is alles, wat door een mensch aan God wordt gegeven, een plicht, maar het kan geen gelijkheid bezitten, dat de mensch Hem nl. zooveel geeft als hij moet, naar het psalmwoord: « Wat zal ik den Heer teruggeven voor alles, wat Hij mij gegeven heeft? » (Ps. 115. 3) En onder dit opzicht is de godsdienstigheid aan de rechtvaardigheid verwant, die volgens Tullius, « zorgt voor de plechtigheden ter eere van de hoogere natuur, die men goddelijk noemt. » — Ten tweede kan men aan zijn ouders niet volgens gelijkheid datgene teruggeven, waarop zij recht hebben, zooals de Wijsgeer zegt. En zoo is de liefde tot ouders en vaderland aan de rechtvaardigheid verwant, « waardoor wij, » zooals Tullius zegt, « tegenover hen, die door het bloed met ons verwant zijn en het vaderland beminnen, onze plicht vervullen en ijverig eerbetoon brengen. » — Ten derde kan de mensch aan de deugd geen gelijkwaardig loon geven, zooals de Wijsgeer aantoont. En zoo is de eerbiedigheid aan de rechtvaardigheid verwant, « waardoor wij, » volgens Tullius, « in waardigheid hooger staande menschen door eerbewijzen en huldebetoon verheffen. »Leerstelling. — Bij de met een hoofddeugd verwante deugden moet men twee dingen in aanmerking nemen: ten eerste, dat die deugden in enig opzicht met die hoofddeugd overeenkomen; en ten tweede, dat zij in een ander opzicht de volledige aard ervan niet hebben. Omdat de rechtvaardigheid nu, zoals uit het vroeger (58e Kw. 2e Art.) gezegde blijkt, zich op een anderen persoon richt, kunnen alle op een ander ingestelde deugden om die overeenkomst met de rechtvaardigheid verwant zijn. De eigen aard van de rechtvaardigheid nu ligt, zoals uit het vroeger gezegde (58e Kw. 11e Art.) duidelijk is, hierin, dat zij aan een ander geeft, waarop hij krachtens de eisen van de gelijkheid recht heeft. In twee punten kan dus een op een ander 4gerichte deugd de eigen aard van de rechtvaardigheid missen: ten eerste, in zover zij geen gelijkheid geeft, en ten tweede, in zover zij niet met een recht te maken heeft. Want er zijn deugden, die wel aan een ander geven waarop hij recht heeft, maar die niet naar gelijkheid kunnen geven. En ten eerste is alles, wat door een mens aan God wordt gegeven, een plicht, maar het kan geen gelijkheid bezitten, dat de mens Hem nl. zoveel geeft als hij moet, naar het psalmwoord: “Wat zal ik de Heer teruggeven voor alles, wat Hij mij gegeven heeft?” (Ps. 115. 3)a En onder dit opzicht is de godsdienstigheid aan de rechtvaardigheid verwant, die volgens Tullius, “zorgt voor de plechtigheden ter ere van de hogere natuur, die men goddelijk noemt.” — Ten tweede kan men aan zijn ouders niet volgens gelijkheid datgene teruggeven, waarop zij recht hebben, zoals de Wijsgeer zegt. En zo is de liefde tot ouders en vaderland aan de rechtvaardigheid verwant, “waardoor wij,” zoals Tullius zegt, “tegenover hen, die door het bloed met ons verwant zijn en het vaderland beminnen, onze plicht vervullen en ijverig eerbetoon brengen.” — Ten derde kan de mens aan de deugd geen gelijkwaardig loon geven, zoals de Wijsgeer aantoont. En zo is de eerbiedigheid aan de rechtvaardigheid verwant, “waardoor wij,” volgens Tullius, “in waardigheid hoger staande mensen door eerbewijzen en huldebetoon verheffen.”

5A ratione vero debiti justitiae defectus potest attendi, secundum quod est duplex debitum; scilicet morale et legale; unde et Philosophus in 8. Ethicor. [cap. 13. n. 5], secundum hoc duplex justum assignat: debitum quidem legale est, ad quod reddendum aliquis lege adstringitur; et tale debitum proprie attendit justitia quae est principalis virtus: debitum autem morale est, quod aliquis debet ex honestate virtutis; et quia debitum necessitatem importat, ideo tale debitum habet duplicem gradum: quoddam enim est sic necessarium, ut sine eo honestas morum conservari non possit: et hoc habet plus de ratione debiti: et potest hoc debitum attendi ex parte ipsius debentis; et sic ad hoc debitum pertinet, quod homo talem se exhibeat alteri in verbis, et in factis, qualis est; et ita adjungitur justitiae veritas, per quam, ut Tullius dicit [loc. cit.], « immutata ea quae sunt, aut fuerunt, aut futura sunt, dicuntur » : potest etiam attendi ex parte ejus, cui debetur; prout scilicet aliquis recompensat alicui secundum ea quae fecit: 6quandoque quidem in bonis: et sic adjungitur justitiae gratia; in qua, ut Tullius dicit (ibid.), « amicitiarum, et officiorum alterius memoria, remunerandi voluntas continetur alterius » : quandoque autem in malis: et sic adjungitur justitiae vindicatio, per quam, ut Tullius dicit (ibid.), « vis, aut injuria, et omnino quidquid obscurum est, defendendo, aut ulciscendo propulsatur » : aliud vero debitum est necessarium, sicut conferens ad majorem honestatem, sine quo tamen honestas conservari potest: quod quidem debitum attendit liberalitas, affabilitas, sive amicitia, aut alia hujusmodi, quae Tullius praetermittit in praedicta enumeratione; quia parum habent de ratione debiti.

5Een tekort aan rechtvaardigheidsverplichting laat zich bepalen, als men let op een tweevoudige verplichting, nl. de zedelijkheidsverplichting en de wettelijke verplichting. Vandaar dan ook dat de Wijsgeer laat zien, dat er twee manieren zijn, waarop iets rechtvaardig is. Een wetsplicht nu is datgene, wat iemand moet doen omdat hij door de wet daartoe verplicht wordt. En dat is de plicht waarvoor de eigenlijke rechtvaardigheid, die de hoofddeugd is, heeft te zorgen. Maar het zedelijk verplichte is datgene, wat iemand moet doen om de eigen betamelijkheid van de deugd. En waar nu verplichting noodzakelijkheid insluit, heeft dit soort verplicht-zijn twee graden. Want sommige dingen zijn zóó noodzakelijk, dat zonder hen geen betamelijk zedelijk gedrag kan blijven bestaan; en die dingen hebben dan ook meer verplichting. Dit verplichte kan men beschouwen van den kant van hem, die er toe verplicht is. En zoo valt onder dit soort verplicht-zijn, dat de mensch zich in woorden en daden zoo tegenover een ander gedraagt, als hij in werkelijkheid is. Zoo dan is de waarheidsliefde aan de rechtvaardigheid verwant, « waardoor, » zooals Tullius zegt, « datgene wat is, of was, of zal zijn verteld wordt, zonder er iets aan te veranderen. » — Men kan het ook beschouwen van den kant van hem, tegenover wien de verplichting bestaat, dat men nl. iemand beloont naar wat hij gedaan heeft. En wel soms in het goede. En zoo valt de dankbaarheid onder de rechtvaardigheid, 6waarin volgens Tullius, « de herinnering aan de vriendschap en de diensten van een ander, en de bereidwilligheid om hem te beloonen liggen opgesloten. » — In andere gevallen echter in het kwade. En zoo is het verlangen naar vergelding aan de rechtvaardigheid verwant, « waardoor, » zooals Tullius zegt, « geweld of onrecht en in het algemeen al wat slecht is, door verzet of vergelding wordt afgeweerd. » Andere verplichtingen zijn echter noodzakelijk, in zoover ze de goedheid van de deugd grooter maken, al kan deze ook zonder dat blijven bestaan. En voor dit soort verplichte dingen zorgt de vrijgevigheid, de vriendelijkheid of voorkomenheid en andere dergelijke deugden. In de boven gegeven opsomming heeft Tullius ze echter niet vermeld, omdat zij maar heel weinig omvatten, van wat het begrip plicht eigenlijk inhoudt.5Een tekort aan rechtvaardigheidsverplichting laat zich bepalen, als men let op een tweevoudige verplichting, nl. de zedelijkheidsverplichting en de wettelijke verplichting. Vandaar dan ook dat de Wijsgeer laat zien, dat er twee manieren zijn, waarop iets rechtvaardig is. Een wetsplicht nu is datgene, wat iemand moet doen omdat hij door de wet daartoe verplicht wordt. En dat is de plicht waarvoor de eigenlijke rechtvaardigheid, die de hoofddeugd is, heeft te zorgen. Maar het zedelijk verplichte is datgene, wat iemand moet doen om de eigen betamelijkheid van de deugd. En waar nu verplichting noodzakelijkheid insluit, heeft dit soort verplicht-zijn twee graden. Want sommige dingen zijn zó noodzakelijk, dat zonder hen geen betamelijk zedelijk gedrag kan blijven bestaan; en die dingen hebben dan ook meer verplichting. Dit verplichte kan men beschouwen van de kant van hem, die er toe verplicht is. En zo valt onder dit soort verplicht-zijn, dat de mens zich in woorden en daden zo tegenover een ander gedraagt, als hij in werkelijkheid is. Zo dan is de waarheidsliefde aan de rechtvaardigheid verwant, “waardoor,” zoals Tullius zegt, “datgene wat is, of was, of zal zijn verteld wordt, zonder er iets aan te veranderen.” — Men kan het ook beschouwen van de kant van hem, tegenover wie de verplichting bestaat, dat men nl. iemand beloont naar wat hij gedaan heeft. En wel soms in het goede. En zo valt de dankbaarheid onder de rechtvaardigheid, 6waarin volgens Tullius, “de herinnering aan de vriendschap en de diensten van een ander, en de bereidwilligheid om hem te belonen liggen opgesloten.” — In andere gevallen echter in het kwade. En zo is het verlangen naar vergelding aan de rechtvaardigheid verwant, “waardoor,” zoals Tullius zegt, “geweld of onrecht en in het algemeen al wat slecht is, door verzet of vergelding wordt afgeweerd.” Andere verplichtingen zijn echter noodzakelijk, in zover ze de goedheid van de deugd groter maken, al kan deze ook zonder dat blijven bestaan. En voor dit soort verplichte dingen zorgt de vrijgevigheid, de vriendelijkheid of voorkomenheid en andere dergelijke deugden. In de boven gegeven opsomming heeft Tullius ze echter niet vermeld, omdat zij maar heel weinig omvatten, van wat het begrip plicht eigenlijk inhoudt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod vindicta, quae fit auctoritate publicae potestatis, secundum sententiam judicis, pertinet ad justitiam commutativam: sed vindicta, quam quis facit proprio motu, non tamen contra legem, vel quam quis a judice requirit, pertinet ad virtutem justitiae adjunctam.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vergelding, die op gezag van de openbare macht volgens het vonnis van den rechter geschiedt, valt onder de ruilende rechtvaardigheid. Maar de vergelding die iemand op eigen initiatief, doch niet tegen de wet, uitoefent of van den rechter vraagt, valt onder een aan de rechtvaardigheid verwante deugd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vergelding, die op gezag van de openbare macht volgens het vonnis van de rechter geschiedt, valt onder de ruilende rechtvaardigheid. Maar de vergelding die iemand op eigen initiatief, doch niet tegen de wet, uitoefent of van de rechter vraagt, valt onder een aan de rechtvaardigheid verwante deugd.

↑ bedenking 2

7Ad secundum dicendum, quod Macrobius videtur attendisse ad duas partes integrales justitiae; scilicet: declinare a malo, ad quod pertinet innocentia; et facere bonum, ad quod pertinent sex alia: quorum duo videntur pertinere ad aequales; scilicet: amicitia in exteriori convictu, et concordia interius: duo vero ad superiores; scilicet: pietas ad parentes, et religio ad Deum: duo vero ad inferiores; scilicet: affectus, inquantum placent bona eorum; et humanitas, per quam subvenitur eorum defectibus: dicit enim Isidorus in lib. 12. Etymol. [ad. lit. H.] quod humanus dicitur aliquis, « quia habeat circa hominem amorem, et miserationis affectum; unde humanitas dicta est, qua nos invicem tuemur »; et secundum hoc amicitia sumitur, prout ordinat exteriorem convictum, sicut de ea Philosophus tractat in 4. Ethic. [cap. 6.] : potest etiam amicitia sumi, secundum quod proprie respicit affectum, prout determinatur a Philosopho in 8. et 9. Ethic.; et sic ad amicitiam pertinent tria; scilicet: benevolentia, quae hic dicitur affectus, et concordia et beneficentia, quae hic vocatur humanitas: haec 8autem Tullius praetermisit, quia parum habent de ratione debiti, ut dictum est [in corp. art.].

72. Macrobius schijnt twee voor de volledigheid van de rechtvaardigheid vereischte onderdeelen meegeteld te hebben, nl. het nalaten van het kwaad, waaronder de onschuldigheid valt; en het doen van het goede, waaronder de zes anderen vallen. Twee daarvan schijnen de verhouding onder gelijken te verzorgen, nl. de vriendelijkheid in den uiterlijken omgang en de eensgezindheid voor het innerlijke. Twee die tegenover hoogeren, nl. liefde voor de ouders en godsdienstigheid tegenover God. En twee die tegenover minderen, nl. meeleven, als men behagen heeft in wat goed voor hen is, en menschlievendheid, als men hen te hulp komt, als zij ergens gebrek aan hebben. Want Isidorus zegt dat iemand humaan wordt genoemd, « omdat hij voor een mensch liefde en gevoel van medelijden heeft; en daarom noemen wij datgene menschlievend, waardoor wij elkander beschermen. » In dezen uitleg vat men vriendelijkheid op in dien zin, dat zij den uiterlijken omgang regelt; en zoo behandelt de Wijsgeer haar ook. Men kan haar echter ook in zoover beschouwen, als zij eigenlijk het gevoel regelt, zooals de Wijsgeer haar elders nader omschrijft. En zoo vallen er drie dingen onder de vriendschappelijkheid, nl. de welwillendheid die hier meeleven wordt genoemd; en de eensgezindheid, en de weldadigheid, die hier menschlievendheid wordt genoemd. — Tullius heeft ze echter overgeslagen, 8omdat zij slechts heel weinig hebben, zooals (in de Leerstelling) gezegd is, van wat het begrip plicht eigenlijk inhoudt.72. Macrobius schijnt twee voor de volledigheid van de rechtvaardigheid vereiste onderdelen meegeteld te hebben, nl. het nalaten van het kwaad, waaronder de onschuldigheid valt; en het doen van het goede, waaronder de zes anderen vallen. Twee daarvan schijnen de verhouding onder gelijken te verzorgen, nl. de vriendelijkheid in de uiterlijke omgang en de eensgezindheid voor het innerlijke. Twee die tegenover hogeren, nl. liefde voor de ouders en godsdienstigheid tegenover God. En twee die tegenover minderen, nl. meeleven, als men behagen heeft in wat goed voor hen is, en menslievendheid, als men hen te hulp komt, als zij ergens gebrek aan hebben. Want Isidorus zegt dat iemand humaan wordt genoemd, “omdat hij voor een mens liefde en gevoel van medelijden heeft; en daarom noemen wij datgene menslievend, waardoor wij elkander beschermen.” In deze uitleg vat men vriendelijkheid op in die zin, dat zij de uiterlijke omgang regelt; en zo behandelt de Wijsgeer haar ook. Men kan haar echter ook in zover beschouwen, als zij eigenlijk het gevoel regelt, zoals de Wijsgeer haar elders nader omschrijft. En zo vallen er drie dingen onder de vriendschappelijkheid, nl. de welwillendheid die hier meeleven wordt genoemd; en de eensgezindheid, en de weldadigheid, die hier menslievendheid wordt genoemd. — Tullius heeft ze echter overgeslagen, 8omdat zij slechts heel weinig hebben, zoals (in de Leerstelling) gezegd is, van wat het begrip plicht eigenlijk inhoudt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod obedientia includitur in observantia, quam Tullius ponit: nam praecellentibus personis debetur et reverentia honoris, et obedientia: « fides » autem, « per quam fiunt dicta », includitur in veritate quantum ad observantiam promissorum: « veritas » autem in plus se habet, ut infra patebit [q. 109.] : « disciplina » autem non debetur ex debito necessitatis; quia inferiori non est aliquis obligatus, inquantum est inferior: potest tamen aliquis superior obligari, ut inferioribus provideat, secundum illud Matth. 24. [v. 45] : « Fidelis servus, et prudens, quem constituit Dominus super familiam suam »; et ideo a Tullio praetermittitur: potest autem contineri sub humanitate, quam Macrobius ponit: aequitas vero sub epieicheia, vel amicitia.

3. De gehoorzaamheid ligt in de eerbiedigheid, die door Tullius vermeld wordt, opgesloten, omdat hoogstaande personen zoowel op eerbiedige hulde als op gehoorzaamheid recht hebben. — Getrouwheid, « waardoor wat gezegd is, geschiedt, » ligt opgesloten in de waarheidsliefde, wat het houden van beloften betreft. Want die strekt zich tot meerdere dingen uit, zooals later (109e Kw.) zal blijken. — Liefde tot de tucht is niet verplicht als iets noodzakelijks, want niemand heeft tegenover een lager staande precies als lagere verplichtingen; maar wél kan een hoogere tegenover iemand de verplichting hebben, van voor hem te moeten zorgen, naar het woord van Mattheus (24. 45) : « De getrouwe en voorzichtige dienstknecht, dien de heer over zijn huisgezin heeft gesteld. » En daarom heeft Tullius haar overgeslagen. Maar zij kan ook in de menschlievendheid opgesloten liggen, die Macrobius opgeeft. Billijkheid valt echter onder de evenredigheid of vriendschappelijkheid.3. De gehoorzaamheid ligt in de eerbiedigheid, die door Tullius vermeld wordt, opgesloten, omdat hoogstaande personen zowel op eerbiedige hulde als op gehoorzaamheid recht hebben. — Getrouwheid, “waardoor wat gezegd is, geschiedt,” ligt opgesloten in de waarheidsliefde, wat het houden van beloften betreft. Want die strekt zich tot meerdere dingen uit, zoals later (109e Kw.) zal blijken. — Liefde tot de tucht is niet verplicht als iets noodzakelijks, want niemand heeft tegenover een lager staande precies als lagere verplichtingen; maar wél kan een hogere tegenover iemand de verplichting hebben, van voor hem te moeten zorgen, naar het woord van Matteüs (24, 45): “De getrouwe en voorzichtige dienstknecht, die de heer over zijn huisgezin heeft gesteld.” En daarom heeft Tullius haar overgeslagen. Maar zij kan ook in de menslievendheid opgesloten liggen, die Macrobius opgeeft. Billijkheid valt echter onder de evenredigheid of vriendschappelijkheid.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod in illa enumeratione ponuntur quaedam pertinentia ad particularem justitiam, quaedam autem ad legalem: ad particularem quidem bona commutatio; de qua dicit, quod est « habitus in 9commutationibus aequalitatem custodiens: » ad legalem autem justitiam, quantum ad ea quae communiter sunt observanda, ponitur « legispositiva »; quae, ut ipse dicit, est « scientia commutationum politicarum ad communitatem relatarum »: quantum vero ad ea, quae quandoque particulariter agenda occurrunt, praeter communes leges, ponitur « eugnomosyne », quasi « bona gnome », quae est in talibus directiva, ut supra habitum est [q. 51. art. 4.], in tractatu de prudentia; et ideo dicit de ea, quod est « voluntaria justificatio », quia scilicet ex proprio arbitrio, id quod justum est, homo secundum eam servat, non secundum legem scriptam: attribuuntur autem haec duo prudentiae secundum directionem; justitiae vero secundum executionem: « eusebia » vero dicitur, quasi « bonus cultus »; unde est idem quod « religio »; ideo de ea dicit, quod est « scientia Dei famulatus »: et loquitur secundum modum, quo Socrates dicebat, omnes virtutes esse scientias; et ad idem reducitur « sanctitas », ut postea dicetur [q. seq. art. 8.]; eucharistia autem est idem bona gratia, quam Tullius ponit sicut 10et vindicativam: « benignitas » autem videtur esse idem cum affectu, quem ponit Macrobius; unde et Isidorus dicit in lib. 10 Etymol. [ad lit. B] quod « benignus est vir sponte ad bene faciendum paratus, et dulcis ad eloquium »; et ipse Andronicus dicit, quod « benignitas est habitus voluntarie benefactivus »: « liberalitas » autem videtur ad « humanitatem » pertinere.

4. In deze opsomming worden sommige deugden vermeld, die tot de bijzondere rechtvaardigheid behooren, en andere, die tot de wettelijke rechtvaardigheid behooren. Tot de bijzondere rechtvaardigheid behoort de eerlijkheid, waarvan hij zegt, dat zij 9« een gewoonte is, die bij het ruilen de gelijkheid doet bewaren. » — Onder de wettelijke rechtvaardigheid, wat de dingen, die in het algemeen door iedereen onderhouden moeten worden, betreft, wordt de goede wetgeving gerekend, die, zooals hij zelf zegt, « de wetenschap is van de verwisselingen in de staat in hun verhouding tot de gemeenschap. » Wat echter datgene betreft, wat iedereen op zichzelf soms buiten de wetten om moet doen, wordt het gezonde oordeel (eugnomosyna) in de beteekenis van goed oordeel aangenomen, dat bij dergelijke dingen leiding geeft, zooals vroeger in de verhandeling over de voorzichtigheid (51e Kw. 4e Art.) is gezegd. En daarom zegt hij ervan, dat het een rechtvaardiging uit eigen beweging is, omdat, dank zij dat gezonde oordeel de mensch wat rechtvaardig is in acht neemt uit eigen beweging, en dan niet handelt volgens een geschreven wet. Deze twee dingen schrijft men, wat de leiding betreft, aan de voorzichtigheid, maar wat het uitvoeren betreft aan de rechtvaardigheid toe. — Van vroomheid (eusebia) spreekt men in de beteekenis van goede godsvereering. En daarom is zij hetzelfde als de godsdienstigheid. Daarom zegt hij ook van haar, dat zij de wetenschap van het dienen van God is; (en dan spreekt hij in denzelfden zin als waarin Socrates zei, dat « alle deugden wetenschappen zijn. ») En de heiligheid wordt tot hetzelfde herleid, zooals later (81e Kw. 8e Art.) zal worden behandeld. — Dankbaarheid (eucharistia) 10is hetzelfde als goede dank; en deze geeft Tullius ook op, evenals het verlangen naar vergelding. — Welwillendheid weer schijnt hetzelfde te zijn als fijngevoeligheid, die Macrobius noemt. Daarom ook zegt Isidorus, dat « die man welwillend is, die klaar staat om uit eigen beweging wel te doen en vriendelijk is in het spreken. » En Andronicus zelf zegt, dat « welwillendheid een gewoonte is, die uit eigen beweging weldoet. » — Vrijgevigheid echter schijnt onder de menschlievendheid te vallen.4. In deze opsomming worden sommige deugden vermeld, die tot de bijzondere rechtvaardigheid behoren, en andere, die tot de wettelijke rechtvaardigheid behoren. Tot de bijzondere rechtvaardigheid behoort de eerlijkheid, waarvan hij zegt, dat zij 9“een gewoonte is, die bij het ruilen de gelijkheid doet bewaren.” — Onder de wettelijke rechtvaardigheid, wat de dingen, die in het algemeen door iedereen onderhouden moeten worden, betreft, wordt de goede wetgeving gerekend, die, zoals hij zelf zegt, “de wetenschap is van de verwisselingen in de staat in hun verhouding tot de gemeenschap.” Wat echter datgene betreft, wat iedereen op zichzelf soms buiten de wetten om moet doen, wordt het gezonde oordeel (eugnomosyna) in de betekenis van goed oordeel aangenomen, dat bij dergelijke dingen leiding geeft, zoals vroeger in de verhandeling over de voorzichtigheid (51e Kw. 4e Art.) is gezegd. En daarom zegt hij ervan, dat het een rechtvaardiging uit eigen beweging is, omdat, dank zij dat gezonde oordeel de mens wat rechtvaardig is in acht neemt uit eigen beweging, en dan niet handelt volgens een geschreven wet. Deze twee dingen schrijft men, wat de leiding betreft, aan de voorzichtigheid, maar wat het uitvoeren betreft aan de rechtvaardigheid toe. — Van vroomheid (eusebia) spreekt men in de betekenis van goede godsverering. En daarom is zij hetzelfde als de godsdienstigheid. Daarom zegt hij ook van haar, dat zij de wetenschap van het dienen van God is; (en dan spreekt hij in dezelfde zin als waarin Socrates zei, dat “alle deugden wetenschappen zijn.”) En de heiligheid wordt tot hetzelfde herleid, zoals later (81e Kw. 8e Art.) zal worden behandeld. — Dankbaarheid (eucharistia) 10is hetzelfde als goede dank; en deze geeft Tullius ook op, evenals het verlangen naar vergelding. — Welwillendheid weer schijnt hetzelfde te zijn als fijngevoeligheid, die Macrobius noemt. Daarom ook zegt Isidorus, dat “die man welwillend is, die klaar staat om uit eigen beweging wel te doen en vriendelijk is in het spreken.” En Andronicus zelf zegt, dat “welwillendheid een gewoonte is, die uit eigen beweging weldoet.” — Vrijgevigheid echter schijnt onder de menslievendheid te vallen.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod « epieikeia » non adjungitur justitiae particulari, sed legali; et videtur esse idem cum ea, quae dicta est « eugnomosyna ».

5. De evenredigheid (epieikeia) is niet verwant met de bijzondere rechtvaardigheid, maar met de wettelijke. En het schijnt hetzelfde te zijn als wat gezond oordeel is genoemd.