De oratione, in decem et septem articulos divisa
Over het gebed
56Deinde considerandum est de oratione.
56Vervolgens moet het gebed worden besproken (zie 82e Kw. Inl.), en daarover stellen wij ons zeventien vragen:56Vervolgens moet het gebed worden besproken (zie 82. Kw. Inl.), en daarover stellen wij ons zeventien vragen:
Et circa hoc quaeruntur decem et septem: 1. Utrum oratio sit actus appetitivae virtutis, vel cognitivae. — 2. Utrum sit conveniens orare Deum. — 3. Utrum oratio sit actus religionis. — 4. Utrum solus Deus sit orandus. — 5. Utrum in oratione sit aliquid determinate petendum. — 6. Utrum orando debeamus temporalia petere. — 7. Utrum pro aliis orare debeamus. — 8. Utrum debeamus orare pro inimicis. — 9. De septem petitionibus orationis Dominicae. — 10. Utrum orare sit proprium rationalis creaturae. — 11. Utrum Sancti in patria orent pro nobis. — 5712. Utrum oratio debeat esse vocalis. — 13. Utrum attentio requiratur ad orationem. — 14. Utrum oratio debeat esse diuturna. — 15. Utrum oratio sit efficax ad impetrandum quod petitur. — 16. Utrum peccatores orando aliquid impetrent a Deo. — 17. De speciebus orationis.
1. Is het gebed een daad van een streefdeugd of van een kendeugd? 2. Is het gepast te bidden? 3. Is het gebed een daad van godsdienstigheid? 4. Moet men alleen tot God bidden? 5. Moet men in het gebed iets bepaalds vragen? 6. Moeten wij in het gebed om tijdelijke zaken vragen? 7. Moeten wij voor anderen bidden? 8. Moeten wij voor onze vijanden bidden? 9. Over de zeven vragen van het Gebed des Heeren. 10. Is bidden aan het redelijke schepsel eigen? 11. Bidden de Heiligen in het hemelsch vaderland voor ons? 5712. Moet het gebed met den mond worden uitgesproken? 13. Is aandacht voor het gebed vereischt? 14. Moet het gebed lang duren? 15. Heeft het gebed kracht om, wat gevraagd wordt, te verkrijgen? 16. Krijgen de zondaars, als zij bidden, iets van God? 17. Over de soorten van gebed.1. Is het gebed een daad van een streefdeugd of van een kendeugd? 2. Is het gepast te bidden? 3. Is het gebed een daad van godsdienstigheid? 4. Moet men alleen tot God bidden? 5. Moet men in het gebed iets bepaalds vragen? 6. Moeten wij in het gebed om tijdelijke zaken vragen? 7. Moeten wij voor anderen bidden? 8. Moeten wij voor onze vijanden bidden? 9. Over de zeven vragen van het Gebed van de Heer. 10. Is bidden aan het redelijke schepsel eigen? 11. Bidden de Heiligen in het hemels vaderland voor ons? 5712. Moet het gebed met de mond worden uitgesproken? 13. Is aandacht voor het gebed vereist? 14. Moet het gebed lang duren? 15. Heeft het gebed kracht om, wat gevraagd wordt, te verkrijgen? 16. Krijgen de zondaars, als zij bidden, iets van God? 17. Over de soorten van gebed.
Utrum oratio sit actus appetitivae virtutis
Is het gebed een daad van een streefdeugd?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod oratio sit actus appetitivae virtutis. Orationis enim est exaudiri. Sed desiderium est quod exauditur a Deo: secundum illud Ps. 9. [v. 38] : « Desiderium pauperum exaudivit Dominus ». Ergo oratio est desiderium. Sed desiderium est actus appetitivae virtutis. Ergo et oratio.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed een daad van een streefdeugd is. — 1. Want het komt aan het gebed toe verhoord te worden. Nu is het juist het verlangen, dat door God wordt verhoord naar het psalmwoord: « Het verlangen van de armen verhoort de Heer » (Ps. 9. 38). Het gebed is dus een verlangen. En het verlangen is een daad van een streefvermogen. Dus ook het gebed.Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed een daad van een streefdeugd is. — 1. Want het komt aan het gebed toe verhoord te worden. Nu is het juist het verlangen, dat door God wordt verhoord naar het psalmwoord: “Het verlangen van de armen verhoort de Heer” (Ps. 9. 38)a. Het gebed is dus een verlangen. En het verlangen is een daad van een streefvermogen. Dus ook het gebed.
2. Praeterea, Dionysius dicit in 3. cap. de Div. Nom. [lect. 1.] : « Ante omnia ab oratione incipere est utile, sicut Deo nos ipsos tradentes 58et unientes ». Sed unio ad Deum per amorem fit, qui pertinet ad vim appetitivam. Ergo oratio ad vim appetitivam pertinet.
2. Dionysius zegt: « Het is nuttig alles met gebed te beginnen omdat we dan als 't ware onszelf aan God geven en ons met Hem 58vereenigen. » Nu geschiedt de vereeniging met God door de liefde, die tot het streefvermogen behoort. Dus komt bidden aan het streefvermogen toe.2. Dionysius zegt: “Het is nuttig alles met gebed te beginnen omdat we dan als 't ware onszelf aan God geven en ons met Hem 58verenigen.” Nu geschiedt de vereniging met God door de liefde, die tot het streefvermogen behoort. Dus komt bidden aan het streefvermogen toe.
3. Praeterea, Philosophus in 3. de Anim. [c. 6. n. 1 et 2], ponit duas operationes intellectivae partis: quarum prima est « indivisibilium intelligentia », per quam scilicet apprehendimus de unoquoque quid est; secunda vero est « compositio et divisio », per quam scilicet apprehenditur aliquid esse vel non esse. Quibus tertia additur « ratiocinari », procedendo scilicet de notis ad ignota. Sed oratio ad nullam istarum operationum reducitur. Ergo non est actus intellectivae virtutis, sed appetitivae.
3. De Wijsgeer zegt, dat het verstandelijke gedeelte in ons twee daden stelt; de eerste hiervan is het begrijpen van de ondeelbare dingen, waardoor wij nl. van elk ding begrijpen wat het is; de tweede is het samenvoegen en scheiden, waardoor nl. gekend wordt dat iets is of niet is. Als derde wordt daaraan toegevoegd het redeneeren, waardoor wij nl. van het bekende naar het onbekende gaan. Nu kan bidden tot geen van deze daden worden herleid. Dus is het geen daad van het begrijpend vermogen, maar van het streefvermogen.3. De Wijsgeer zegt, dat het verstandelijke gedeelte in ons twee daden stelt; de eerste hiervan is het begrijpen van de ondeelbare dingen, waardoor wij nl. van elk ding begrijpen wat het is; de tweede is het samenvoegen en scheiden, waardoor nl. gekend wordt dat iets is of niet is. Als derde wordt daaraan toegevoegd het redeneren, waardoor wij nl. van het bekende naar het onbekende gaan. Nu kan bidden tot geen van deze daden worden herleid. Dus is het geen daad van het begrijpend vermogen, maar van het streefvermogen.
Sed contra est quod Isidorus dicit, in lib. 10. Etymol. [ad lit. O], quod « orare idem est ac dicere ». Sed dictio pertinet ad intellectum. Ergo oratio non est actus appetitivae virtutis, sed intellectivae.
Maar daartegenover staat, dat Isidorus zegt, dat « bidden hetzelfde is als spreken. » Nu valt spreken onder het verstand. Dus is het gebed geen daad van een streefdeugd, maar van een verstandsdeugd.Maar daartegenover staat, dat Isidorus zegt, dat “bidden hetzelfde is als spreken.” Nu valt spreken onder het verstand. Dus is het gebed geen daad van een streefdeugd, maar van een verstandsdeugd.
Respondeo dicendum quod; secundum Cassiodorum [super Ps. 38.], « oratio dicitur quasi oris ratio ». Ratio autem speculativa et practica in hoc differunt quod ratio speculativa est apprehensiva solum rerum; ratio 59vero practica est non solum apprehensiva, sed etiam causativa. Est autem aliquid alterius causa dupliciter. Uno quidem modo, perfecte, necessitatem inducendo: et hoc contingit quando effectus totaliter subditur potestati causae. Alio vero modo, imperfecte, solum disponendo quando scilicet effectus non subditur potestati causae totaliter. Sic ergo et ratio dupliciter est causa aliquorum. Uno quidem modo, sicut necessitatem imponens: hoc modo ad rationem pertinet non solum imperare inferioribus potentiis et membris corporis, sed etiam hominibus subjectis, quod quidem fit imperando. Alio modo, sicut inducens et quodammodo disponens: et hoc modo ratio petit aliquid fieri ab his qui ei non subjiciuntur, sive sint aequales sive sint superiores. Utrumque autem horum, scilicet imperare et petere sive deprecari, ordinationem quamdam importat: prout scilicet homo disponit aliquid per aliud esse faciendum. Unde pertinent ad rationem, cujus est ordinare: propter quod Philosophus dicit, in 1. Ethic. [cap. ult. n. 15], quod ad optima deprecatur ratio. Sic autem nunc loquimur de oratione, prout significat quamdam deprecationem vel petitionem: secundum quod Augustinus dicit, in lib. de Verb. Dom. [Raban. de Univ. lib. 6. c. 14.], 60quod « oratio petitio quaedam est » ; et Damascenus dicit, in 3. lib. [Orth. Fid. cap. 24.], quod « oratio est petitio decentium a Deo ». Sic ergo patet quod oratio de qua nunc loquimur, est rationis actus.
Leerstelling. — Volgens Cassiodorus « spreekt men van gebed (oratio) als van rede van den mond (oris ratio) ». Nu ligt het verschil tusschen de beschouwende en de op het doen gerichte rede hierin, dat de beschouwende alleen de dingen in zich 59opneemt, terwijl de op het doen gerichte ze niet alleen waarneemt, maar ook veroorzaakt. Nu is iets op twee manieren oorzaak van iets anders. En wel vooreerst volmaakt door het noodzakelijk te maken; en dat gebeurt, als het gevolg geheel aan de macht van de oorzaak onderworpen is. Op een andere manier onvolmaakt door alleen voor te bereiden, als nl. het gevolg niet geheel en al aan de macht van de oorzaak onderworpen is. Zoo ook is de rede op twee manieren oorzaak van andere dingen. Ten eerste door ze noodzakelijk te maken; en zoo komt het aan de rede niet alleen toe over de lagere vermogens en de ledematen te heerschen, maar ook over onderworpen menschen; en dat gebeurt door het geven van bevelen. Op een andere manier door aan te zetten en als het ware voor te bereiden; en zoo vraagt de rede aan wie haar niet onderworpen zijn, hetzij gelijken of meerderen, dat iets gebeuren mag. Beide dingen echter, nl. bevelen en vragen of afsmeeken sluiten een zekere ordening in, in zoover de mensch regelt, dat iets door een ander geschiedt. Daarom vallen zij onder het verstand, waaraan het ordenen toekomt; en daarom zegt de Wijsgeer, dat « de rede tot het hoogste haar verzoek richt. » In dezen zin nu spreken wij over het gebed, in zoover het een verzoek 60of afsmeeken beteekent, naar wat Augustinus zegt, dat « het gebed een verzoek is, » en Damascenus, dat « het gebed het vragen van gepaste dingen aan God is. » Zoo blijkt, dat het gebed, waarover wij nu spreken, een daad van de rede is.Leerstelling. — Volgens Cassiodorus “spreekt men van gebed (oratio) als van rede van de mond (oris ratio)”. Nu ligt het verschil tussen de beschouwende en de op het doen gerichte rede hierin, dat de beschouwende alleen de dingen in zich 59opneemt, terwijl de op het doen gerichte ze niet alleen waarneemt, maar ook veroorzaakt. Nu is iets op twee manieren oorzaak van iets anders. En wel vooreerst volmaakt door het noodzakelijk te maken; en dat gebeurt, als het gevolg geheel aan de macht van de oorzaak onderworpen is. Op een andere manier onvolmaakt door alleen voor te bereiden, als nl. het gevolg niet geheel en al aan de macht van de oorzaak onderworpen is. Zo ook is de rede op twee manieren oorzaak van andere dingen. Ten eerste door ze noodzakelijk te maken; en zo komt het aan de rede niet alleen toe over de lagere vermogens en de ledematen te heersen, maar ook over onderworpen mensen; en dat gebeurt door het geven van bevelen. Op een andere manier door aan te zetten en als het ware voor te bereiden; en zo vraagt de rede aan wie haar niet onderworpen zijn, hetzij gelijken of meerderen, dat iets gebeuren mag. Beide dingen echter, nl. bevelen en vragen of afsmeken sluiten een zekere ordening in, in zover de mens regelt, dat iets door een ander geschiedt. Daarom vallen zij onder het verstand, waaraan het ordenen toekomt; en daarom zegt de Wijsgeer, dat “de rede tot het hoogste haar verzoek richt.” In deze zin nu spreken wij over het gebed, in zover het een verzoek 60of afsmeken betekent, naar wat Augustinus zegt, dat “het gebed een verzoek is,” en Damascenus, dat “het gebed het vragen van gepaste dingen aan God is.” Zo blijkt, dat het gebed, waarover wij nu spreken, een daad van de rede is.
Ad primum ergo dicendum quod desiderium pauperum dicitur Dominus exaudire, vel quia desiderium est causa petendi: cum petitio quodammodo sit desiderii interpres. Vel hoc dicitur ad ostendendum exauditionis velocitatem: quia scilicet dum adhuc aliquid in desiderio pauperum est, Deus exaudit, antequam orationem proponant; secundum illud Isa. 65. [v. 24] : « Eritque antequam clament, ego exaudiam eos ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van God, dat Hij het verlangen van de armen verhoort, ofwel omdat verlangen oorzaak van vragen is, daar het verzoek in zekeren zin de tolk van het verlangen is; ofwel om te wijzen op de snelheid, waarmee het vervuld wordt, omdat nl. God verhoort, terwijl iets nog maar in het verlangen van de armen bestaat, voordat zij het in het gebed voorstellen, naar het woord van Isaïas (65. 24): « En het zal zijn, dat eer zij roepen, Ik verhooren zal. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men zegt van God, dat Hij het verlangen van de armen verhoort, ofwel omdat verlangen oorzaak van vragen is, daar het verzoek in zekeren zin de tolk van het verlangen is; ofwel om te wijzen op de snelheid, waarmee het vervuld wordt, omdat nl. God verhoort, terwijl iets nog maar in het verlangen van de armen bestaat, voordat zij het in het gebed voorstellen, naar het woord van Jesaja (65, 24): “En het zal zijn, dat eer zij roepen, Ik verhoren zal.”
Ad secundum dicendum quod, sicut supra dictum est [part. 1. q. 82. art. 4. et 1-2. q. 9. art. 1. ad 3.], voluntas movet rationem ad suum finem. Unde nihil prohibet, movente voluntate, actum rationis tendere in finem charitatis, qui est Deo uniri. Tendit autem oratio in Deum quasi a voluntate charitatis mota, dupliciter. Uno quidem modo, ex parte ejus 61quod petitur: quia hoc praecipue est in oratione petendum, ut Deo uniamur; secundum illud Ps. 26. [v. 4] : « Unam petii a Domino, hanc requiram: ut inhabitem in domo Domini omnibus diebus vitae meae ». Alio modo, ex parte ipsius petentis, quem oportet accedere ad eum a quo petit: vel loco, sicut ad hominem; vel mente, sicut ad Deum. Unde dicit ibid. Dionysius [loc. cit.] quod, « quando orationibus invocamus Deum, revelata mente adsumus ipsi ». Et secundum hoc etiam Damascenus dicit [loc. sup. cit.] quod « oratio est ascensus mentis1 in Deum ».
2. Zooals vroeger (I. 82e Kw. 4e Art.; I-II. 9e Kw. 1e Art. 3e Antw.) is gezegd, beweegt de wil het verstand naar zijn doel. Daarom is er niets tegen, dat onder beweging van den wil een daad van het verstand zich op het doel van de liefde, nl. vereenigd te worden met God, richt. Maar het gebed, door de liefde in den wil bewogen, richt zich op een dubbele manier op God. Vooreerst bezien van den kant van wat gevraagd wordt, omdat wij dit vooral in het gebed moeten vragen, dat wij met God worden vereenigd, volgens het psalmwoord: « Om één ding heb ik God gesmeekt, en 61dat zal ik vragen, dat ik al de dagen van mijn leven in het huis van den Heer mag wonen. » (Ps. 26. 4). Vervolgens echter, bezien van den kant van hem die vraagt: want deze nl. moet naderen tot hem, aan wien hij iets vraagt; hetzij plaatselijk als het tot een mensch, hetzij in den geest, als het tot God is. Daarom zegt Dionysius op dezelfde plaats, dat « als wij God door gebeden aanroepen, wij met open geest in Zijn tegenwoordigheid zijn. » En in dezen zin zegt Damascenus ook, dat « het gebed een opstijgen van het verstand tot God is. »2. Zoals vroeger (1 82e Kw. 4e Art.; 1-2 9e Kw. 1e Art. 3e Antw.) is gezegd, beweegt de wil het verstand naar zijn doel. Daarom is er niets tegen, dat onder beweging van de wil een daad van het verstand zich op het doel van de liefde, nl. verenigd te worden met God, richt. Maar het gebed, door de liefde in de wil bewogen, richt zich op een dubbele manier op God. Vooreerst bezien van de kant van wat gevraagd wordt, omdat wij dit vooral in het gebed moeten vragen, dat wij met God worden verenigd, volgens het psalmwoord: “Om één ding heb ik God gesmeekt, en 61dat zal ik vragen, dat ik al de dagen van mijn leven in het huis van de Heer mag wonen.” (Ps. 26. 4)b. Vervolgens echter, bezien van de kant van hem die vraagt: want deze nl. moet naderen tot hem, aan wie hij iets vraagt; hetzij plaatselijk als het tot een mens, hetzij in de geest, als het tot God is. Daarom zegt Dionysius op dezelfde plaats, dat “als wij God door gebeden aanroepen, wij met open geest in Zijn tegenwoordigheid zijn.” En in deze zin zegt Damascenus ook, dat “het gebed een opstijgen van het verstand tot God is.”
Ad tertium dicendum quod illi tres actus pertinent ad rationem speculativam. Sed ulterius ad rationem practicam pertinet causare aliquid per modum imperii vel per modum petitionis, ut dictum est [in corp. art.].
3. Deze drie daden vallen onder het beschouwende verstand. Maar verder behoort het nog tot het op handelen gerichte verstand iets te veroorzaken door te bevelen of te vragen, zooals (in de Leerst.) gezegd is.3. Deze drie daden vallen onder het beschouwende verstand. Maar verder behoort het nog tot het op handelen gerichte verstand iets te veroorzaken door te bevelen of te vragen, zoals (in de Leerst.) gezegd is.
Utrum sit conveniens orare
Is het gepast te bidden?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non sit conveniens orare. 62Oratio enim videtur esse necessaria ad hoc quod intimemus ei a quo petimus id quo indigemus. Sed, sicut dicitur Matth. 6. [v. 32], « scit Pater vester quia his omnibus indigetis ». Ergo non est conveniens orare.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet gepast is te 62bidden. — 1. Want hiertoe schijnt bidden noodig te zijn, om hem, aan wien wij iets vragen, bekend te maken, waaraan wij behoefte hebben. Nu « weet uw Vader, dat gij dat noodig hebt, » zooals bij Mattheus (6. 32) wordt gezegd. Dus is het niet gepast tot God te bidden.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet gepast is te 62bidden. — 1. Want hiertoe schijnt bidden nodig te zijn, om hem, aan wie wij iets vragen, bekend te maken, waaraan wij behoefte hebben. Nu “weet uw Vader, dat gij dat nodig hebt,” zoals bij Matteüs (6, 32) wordt gezegd. Dus is het niet gepast tot God te bidden.
2. Praeterea, per orationem flectitur animus ejus qui oratur ut faciat quod ab eo petitur. Sed animus Dei est immutabilis et inflexibilis: secundum illud 1. Regum 15. [v. 29] : « Porro triumphator in Israël non parcet, nec poenitudine flectetur ». Ergo non est conveniens quod Deum oremus.
2. Door het gebed wordt de ziel van hem tot wien gebeden wordt bewogen om te doen wat van hem wordt gevraagd. Nu is Gods geest onveranderlijk en onbuigzaam naar het woord uit het Eerste Boek der Koningen (15. 29) : « Ook zal de overwinnaar in Israël niet sparen en niet door berouw bewogen worden. » Dus is het niet gepast, dat wij tot God bidden.2. Door het gebed wordt de ziel van hem tot wie gebeden wordt bewogen om te doen wat van hem wordt gevraagd. Nu is Gods geest onveranderlijk en onbuigzaam naar het woord uit het Eerste Boek van de Koningen (15, 29)a: “Ook zal de overwinnaar in Israël niet sparen en niet door berouw bewogen worden.” Dus is het niet gepast, dat wij tot God bidden.
3. Praeterea, liberalius est dare aliquid non petenti quam dare petenti: quia, sicut Seneca dicit [lib. 2. de Benefic. cap. 1.], « nulla res carius emitur quam quae precibus empta est ». Sed Deus est liberalissimus. Ergo non videtur esse conveniens quod Deum oremus.
3. Het is vrijgeviger iets te schenken aan wie niet vraagt dan aan wie vraagt, omdat zooals Seneca zegt, « niets duurder wordt gekocht dan wat door gebeden wordt gekocht. » Nu is God in de hoogste maat vrijgevig. Dus schijnt het niet gepast, dat wij tot God bidden.3. Het is vrijgeviger iets te schenken aan wie niet vraagt dan aan wie vraagt, omdat zoals Seneca zegt, “niets duurder wordt gekocht dan wat door gebeden wordt gekocht.” Nu is God in de hoogste maat vrijgevig. Dus schijnt het niet gepast, dat wij tot God bidden.
Sed contra est quod dicitur Lucae 18. [v. 1] : « Oportet semper orare, et non deficere ».
Maar daartegenover staat, dat bij Lucas (18. 1) wordt gezegd: « Men moet bidden en niet ophouden. »Maar daartegenover staat, dat bij Lukas (18, 1) wordt gezegd: “Men moet bidden en niet ophouden.”
Respondeo dicendum quod triplex fuit circa orationem antiquorum 63error. Quidam enim posuerunt quod res humanae non reguntur divina providentia. Ex quo sequitur quod vanum sit orare, et omnino Deum colere. Et de his dicitur Malach. 3. [v. 14] : « Dixistis: Vanus est qui servit Deo ». Secunda fuit opinio ponentium omnia, etiam in rebus humanis, ex necessitate contingere: sive ex immutabilitate divinae providentiae, sive ex necessitate stellarum, sive ex connexione causarum. Et secundum hos etiam excluditur orationis utilitas. Tertia fuit opinio ponentium quidem res humanas divina providentia regi, et quod res humanae non proveniunt ex necessitate: sed dicebant similiter dispositionem divinae providentiae variabilem esse, et quod orationibus et aliis quae ad divinum cultum pertinent dispositio divinae providentiae immutatur. Haec autem omnia in 1. lib. improbata sunt [q. 22. art. 2. et 4. et q. 115. art. 6. et q. 116. art. 3.]. Et ideo oportet sic inducere orationis utilitatem ut neque rebus humanis, divinae providentiae subjectis, necessitatem imponamus; neque etiam divinam dispositionem mutabilem aestimemus.
Leerstelling. — Bij de ouden bestond er een drievoudige 63dwaling over het gebed. Sommigen nl. beweerden, dat het leven van de menschen niet door Gods voorzienigheid wordt bestuurd. Daaruit volgt, dat bidden en in het algemeen God dienen nutteloos is. En van hen zegt Malachias (3. 14) : « Dwaas is hij, die God dient, hebt gij gezegd. » Daarnaast bestond de meening van hen, die beweerden, dat alles, ook wat de mensch doet, noodzakelijkerwijze gebeurt, hetzij om de onveranderlijkheid van de goddelijke voorzienigheid, hetzij om den noodzakelijk werkenden invloed van de sterren, hetzij om den samenhang tusschen de oorzaken. En ook voor hen is nut van het gebed uitgesloten. De derde meening is die van hen, die wel hielden, dat wat met de menschen gebeurt door Gods voorzienigheid wordt geleid en niet alles met de menschen noodzakelijkerwijs geschiedt, maar die daarbij zeiden, dat de regeling van de goddelijke voorzienigheid veranderd kan worden, en dat de beschikking van de goddelijke voorzienigheid door gebeden en wat verder tot de godsvereering behoort gewijzigd wordt. — Al deze meeningen zijn echter in het Eerste Deel (22e Kw. 2e en 4e Art.; 115e Kw. 6e Art.; 116e Kw. 3e Art.) weerlegd. En daarom moeten wij het nut van het gebed zoo vaststellen, dat wij geen noodzakelijk gebeuren toekennen aan wat met de menschen geschiedt en wat aan de goddelijke voorzienigheid onderworpen is, en evenmin meenen, dat de goddelijke beschikking veranderd kan worden.Leerstelling. — Bij de ouden bestond er een drievoudige 63dwaling over het gebed. Sommigen nl. beweerden, dat het leven van de mensen niet door Gods voorzienigheid wordt bestuurd. Daaruit volgt, dat bidden en in het algemeen God dienen nutteloos is. En van hen zegt Maleachi (3, 14): “Dwaas is hij, die God dient, hebt gij gezegd.” Daarnaast bestond de mening van hen, die beweerden, dat alles, ook wat de mens doet, noodzakelijkerwijze gebeurt, hetzij om de onveranderlijkheid van de goddelijke voorzienigheid, hetzij om de noodzakelijk werkenden invloed van de sterren, hetzij om de samenhang tussen de oorzaken. En ook voor hen is nut van het gebed uitgesloten. De derde mening is die van hen, die wel hielden, dat wat met de mensen gebeurt door Gods voorzienigheid wordt geleid en niet alles met de mensen noodzakelijkerwijs geschiedt, maar die daarbij zeiden, dat de regeling van de goddelijke voorzienigheid veranderd kan worden, en dat de beschikking van de goddelijke voorzienigheid door gebeden en wat verder tot de godsverering behoort gewijzigd wordt. — Al deze meningen zijn echter in het Eerste Deel (22e Kw. 2e en 4e Art.; 115e Kw. 6e Art.; 116e Kw. 3e Art.) weerlegd. En daarom moeten wij het nut van het gebed zo vaststellen, dat wij geen noodzakelijk gebeuren toekennen aan wat met de mensen geschiedt en wat aan de goddelijke voorzienigheid onderworpen is, en evenmin menen, dat de goddelijke beschikking veranderd kan worden.
64Ad hujus ergo evidentiam, considerandum est quod ex divina providentia non solum disponitur qui effectus fiant, sed etiam ex quibus causis et quo ordine proveniant. Inter alias autem causas sunt etiam quorumdam causae actus humani. Unde oportet homines agere aliqua, non ut per suos actus divinam dispositionem immutent, sed ut per actus suos impleant quosdam effectus secundum ordinem a Deo dispositum. Et idem etiam est in naturalibus causis. Et simile est etiam de oratione. Non enim propter hoc oramus ut divinam dispositionem immutemus: sed ut id impetremus quod Deus disposuit per orationes sanctorum esse implendum; ut scilicet homines « postulando mereantur accipere quod eis Deus omnipotens ante saecula disposuit donare », ut Gregorius dicit in lib. 1. Dialog. [cap. 8.].
64Om dit duidelijk in te zien, moet men bedenken, dat door de goddelijke voorzienigheid niet alleen wordt vastgesteld, welke gevolgen er moeten plaats hebben, maar ook uit welke oorzaken en in welke orde zij moeten voortkomen. Tusschen de andere oorzaken nu zijn ook de menschelijke handelingen oorzaken van iets. Daarom moeten de menschen iets doen, niet om door hun handelingen de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om door hun handelingen gevolgen teweeg te brengen naar de door God vastgestelde orde. En het zelfde geldt ook voor de natuurlijk werkende oorzaken. En evenzoo is het met het gebed. Want wij bidden niet met het doel de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om dat te verkrijgen, waarvan God heeft vastgesteld, dat het door de gebeden der Heiligen zou geschieden, dat nl. « de menschen door gebeden verdienen te verkrijgen, wat de almachtige God voor de eeuwen vaststelde te zullen geven, » zooals Gregorius zegt.64Om dit duidelijk in te zien, moet men bedenken, dat door de goddelijke voorzienigheid niet alleen wordt vastgesteld, welke gevolgen er moeten plaats hebben, maar ook uit welke oorzaken en in welke orde zij moeten voortkomen. Tussen de andere oorzaken nu zijn ook de menselijke handelingen oorzaken van iets. Daarom moeten de mensen iets doen, niet om door hun handelingen de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om door hun handelingen gevolgen teweeg te brengen naar de door God vastgestelde orde. En het zelfde geldt ook voor de natuurlijk werkende oorzaken. En evenzo is het met het gebed. Want wij bidden niet met het doel de goddelijke beschikkingen te veranderen, maar om dat te verkrijgen, waarvan God heeft vastgesteld, dat het door de gebeden van de Heiligen zou geschieden, dat nl. “de mensen door gebeden verdienen te verkrijgen, wat de almachtige God voor de eeuwen vaststelde te zullen geven,” zoals Gregorius zegt.
Ad primum ergo dicendum quod non est necessarium nos Deo preces porrigere ut ei nostras indigentias vel desideria manifestemus: sed ut nos ipsi consideremus in his ad divinum auxilium esse recurrendum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is niet noodig onze gebeden tot God te richten om Hem onze nooden of verlangens bekend te maken, maar om zelf te bedenken, dat wij in deze dingen tot Gods hulp onze toevlucht moeten nemen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het is niet nodig onze gebeden tot God te richten om Hem onze noden of verlangens bekend te maken, maar om zelf te bedenken, dat wij in deze dingen tot Gods hulp onze toevlucht moeten nemen.
Ad secundum dicendum quod, sicut dictum est [in corp. art.], oratio 65nostra non ordinatur ad immutationem divinae dispositionis: sed ut obtineatur nostris precibus quod Deus disposuit.
2. Zooals (in de Leerst.) werd gezegd, heeft ons gebed niet 65tot doel Gods beschikkingen te veranderen, maar om door onze gebeden te verkrijgen wat God heeft vastgesteld.2. Zoals (in de Leerst.) werd gezegd, heeft ons gebed niet 65tot doel Gods beschikkingen te veranderen, maar om door onze gebeden te verkrijgen wat God heeft vastgesteld.
Ad tertium dicendum quod Deus nobis multa praestat ex sua liberalitate etiam non petita. Sed quod aliqua vult praestare nobis petentibus, hoc est propter nostram utilitatem: ut scilicet fiduciam quamdam accipiamus recurrendi ad Deum, et ut recognoscamus eum esse bonorum nostrorum auctorem. Unde Chrysostomus dicit: « Considera quanta est tibi concessa felicitas, quanta gloria attributa: orationibus fabulari cum Deo, cum Christo miscere colloquia, optare quod velis, quod desideras postulare ».
3. Door Zijn vrijgevigheid geeft God ons veel dingen, waarom wij niet hebben gevraagd. Maar dat Hij ons sommige dingen op ons gebed wil geven, strekt tot ons eigen nut, dat wij nl. vertrouwen krijgen om onze toevlucht tot God te nemen en erkennen, dat Hij de oorzaak is van wat goed voor ons is. Daarom zegt Chrysostomus: « Bedenk welk een geluk U is ten deel gevallen en welk een eer U is geschonken: in het gebed met God te spreken, U met Christus te onderhouden, te wenschen, wat gij wilt, te vragen, wat gij verlangt. »3. Door Zijn vrijgevigheid geeft God ons veel dingen, waarom wij niet hebben gevraagd. Maar dat Hij ons sommige dingen op ons gebed wil geven, strekt tot ons eigen nut, dat wij nl. vertrouwen krijgen om onze toevlucht tot God te nemen en erkennen, dat Hij de oorzaak is van wat goed voor ons is. Daarom zegt Chrysostomus: “Bedenk welk een geluk U is ten deel gevallen en welk een eer U is geschonken: in het gebed met God te spreken, U met Christus te onderhouden, te wensen, wat gij wilt, te vragen, wat gij verlangt.”
Utrum oratio sit actus religionis
Is bidden een daad van godsdienstigheid?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod oratio non sit actus religionis. Religio enim cum sit pars justitiae, est in voluntate sicut in subjecto. Sed oratio pertinet ad partem intellectivam, ut ex supra dictis patet [art. 1. 66huj. q.]. Ergo oratio non videtur esse actus religionis, sed doni intellectus, per quod mens ascendit in Deum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden geen daad van godsdienstigheid is. — 1. Want de godsdienstigheid bevindt zich als een deel der rechtvaardigheid in den wil als in haar drager. Maar het gebed valt, zooals boven gezegd is (1e Art.), onder het 66redelijke kenvermogen. Daarom schijnt het gebed geen daad van godsdienstigheid te zijn, maar van de gave van inzicht, waardoor de geest opstijgt naar God.Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden geen daad van godsdienstigheid is. — 1. Want de godsdienstigheid bevindt zich als een deel van de rechtvaardigheid in de wil als in haar drager. Maar het gebed valt, zoals boven gezegd is (1e Art.), onder het 66redelijke kenvermogen. Daarom schijnt het gebed geen daad van godsdienstigheid te zijn, maar van de gave van inzicht, waardoor de geest opstijgt naar God.
2. Praeterea, actus latriae cadit sub necessitate praecepti. Sed oratio non videtur cadere sub necessitate praecepti, sed ex mera voluntate procedere: cum nihil aliud sit quam volitorum petitio. Ergo oratio non videtur esse religionis actus.
2. Daden van godsvereering zijn krachtens een gebod noodzakelijk. Bidden echter schijnt niet krachtens een gebod noodzakelijk te zijn, maar zuiver uit den wil voort te komen, omdat het niets anders is dan vragen wat men wil. Dus schijnt bidden geen daad van godsdienstigheid te zijn.2. Daden van godsverering zijn krachtens een gebod noodzakelijk. Bidden echter schijnt niet krachtens een gebod noodzakelijk te zijn, maar zuiver uit de wil voort te komen, omdat het niets anders is dan vragen wat men wil. Dus schijnt bidden geen daad van godsdienstigheid te zijn.
3. Praeterea, ad religionem pertinere videtur ut quis « divinae naturae cultum ceremoniamque afferat ». Sed oratio non videtur aliquid Deo afferre: sed magis aliquid obtinendum ab eo petere. Ergo oratio non est religionis actus.
3. Tot de godsdienstigheid schijnt het te behooren, dat iemand « aan de goddelijke natuur door plechtigheden hulde brengt » (Tullius). Bidden schijnt echter niet iets aan God te geven, maar eerder te vragen om iets van Hem te verkrijgen. Dus is het geen daad van godsdienstigheid.3. Tot de godsdienstigheid schijnt het te behoren, dat iemand “aan de goddelijke natuur door plechtigheden hulde brengt” (Tullius). Bidden schijnt echter niet iets aan God te geven, maar eerder te vragen om iets van Hem te verkrijgen. Dus is het geen daad van godsdienstigheid.
Sed contra est quod dicitur in Ps. 140. [v. 2] : « Dirigatur oratio mea sicut insensum in conspectu tuo »: ubi dicit Glos. [Lomb. ex Cassiod.] quod « in hujus figuram, in veteri lege incensum dicebatur offerri in odorem suavem Domino ». Sed hoc pertinet ad religionem. Ergo oratio est religionis actus.
Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Psalmen (140. 2) wordt gezegd: « Moge mijn gebed als wierook voor Uw aanschijn opstijgen, » waar de Glossa aan toevoegt, dat « men als een beeld hiervan onder de Oude Wet zei, dat wierook werd opgedragen als een aangename geur voor God. » Maar dat valt onder de godsdienstigheid. Dus is bidden een daad van godsdienstigheid.Maar daartegenover staat, dat in het Boek van de Psalmen (140, 2)a wordt gezegd: “Moge mijn gebed als wierook voor Uw aanschijn opstijgen,” waar de Glossa aan toevoegt, dat “men als een beeld hiervan onder de Oude Wet zei, dat wierook werd opgedragen als een aangename geur voor God.” Maar dat valt onder de godsdienstigheid. Dus is bidden een daad van godsdienstigheid.
67Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 81. art. 2. et 4.], ad religionem proprie pertinet reverentiam et honorem Deo exhibere. Et ideo omnia illa per quae Deo reverentia exhibetur pertinent ad religionem. Per orationem autem homo Deo reverentiam exhibet: inquantum scilicet ei se subjicit, et profitetur orando se eo indigere sicut auctore suorum bonorum. Unde manifestum est quod oratio est proprie religionis actus.
67Leerstelling. — Zooals vroeger (81e Kw. 2e en 4e Art.) is gezegd, behoort het eigenlijk tot de godsdienstigheid, aan God eerbied en eerbewijzen aan te bieden. En daarom valt alles, waardoor God eerbied wordt bewezen, onder de godsdienstigheid. Nu toont de mensch door het gebed eerbied aan God, in zoover hij zichzelf aan God onderwerpt en door het gebed verklaart Hem noodig te hebben als de oorzaak van wat goed voor hem is. Het is dus duidelijk, dat het gebed eigenlijk een daad van godsdienstigheid is.67Leerstelling. — Zoals vroeger (81e Kw. 2e en 4e Art.) is gezegd, behoort het eigenlijk tot de godsdienstigheid, aan God eerbied en eerbewijzen aan te bieden. En daarom valt alles, waardoor God eerbied wordt bewezen, onder de godsdienstigheid. Nu toont de mens door het gebed eerbied aan God, in zover hij zichzelf aan God onderwerpt en door het gebed verklaart Hem nodig te hebben als de oorzaak van wat goed voor hem is. Het is dus duidelijk, dat het gebed eigenlijk een daad van godsdienstigheid is.
Ad primum ergo dicendum quod voluntas movet alias potentias animae in suum finem, sicut supra dictum est [q. 82, a. 1. ad 1.]. Et ideo religio, quae est in voluntate, ordinat actus aliarum potentiarum ad Dei reverentiam. Inter alias autem potentias animae intellectus altior est et voluntati propinquior. Et ideo post devotionem, quae pertinet ad ipsam voluntatem, oratio, quae pertinet ad partem intellectivam, est praecipua inter actus religionis, per quam religio intellectum hominis movet in Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De wil beweegt de andere zielsvermogens naar zijn doel, zooals boven (82e Kw. 1e Art. 1e Antw.) is gezegd. En daarom richt de godsdienstigheid, die zich in den wil bevindt, de daden van andere vermogens op het eeren van God. Nu is onder de andere zielsvermogens het verstand meer verheven en staat dichter bij den wil. Daarom is nà de toewijding, die in den wil zelf ligt, het gebed, dat tot het verstandelijk deel behoort, de voornaamste daad van godsdienstigheid, omdat daardoor de godsdienstigheid het verstand van den mensch naar God toe beweegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De wil beweegt de andere zielsvermogens naar zijn doel, zoals boven (82e Kw. 1e Art. 1e Antw.) is gezegd. En daarom richt de godsdienstigheid, die zich in de wil bevindt, de daden van andere vermogens op het eren van God. Nu is onder de andere zielsvermogens het verstand meer verheven en staat dichter bij de wil. Daarom is nà de toewijding, die in de wil zelf ligt, het gebed, dat tot het verstandelijk deel behoort, de voornaamste daad van godsdienstigheid, omdat daardoor de godsdienstigheid het verstand van de mens naar God toe beweegt.
Ad secundum dicendum quod non solum petere quae desideramus, sed etiam recte aliquid desiderare sub praecepto cadit. Sed desiderare quidem 68cadit sub praecepto charitatis: petere autem sub praecepto religionis. Quod quidem praeceptum ponitur Matth. 7. [v. 7], ubi dicitur: « Petite, et accipietis ».
2. Niet alleen valt vragen, wat wij verlangen, maar ook iets op de juiste manier verlangen onder een gebod. Verlangen echter valt 68onder het gebod van de liefde, maar vragen onder het gebod van de godsdienstigheid. En dat gebod vinden wij bij Mattheus (7. 7) waar gezegd wordt: « Vraagt en gij zult verkrijgen. »2. Niet alleen valt vragen, wat wij verlangen, maar ook iets op de juiste manier verlangen onder een gebod. Verlangen echter valt 68onder het gebod van de liefde, maar vragen onder het gebod van de godsdienstigheid. En dat gebod vinden wij bij Matteüs (7, 7) waar gezegd wordt: “Vraagt en gij zult verkrijgen.”
Ad tertium dicendum quod orando tradit homo mentem suam Deo, quam ei per reverentiam subjicit et quodammodo praesentat: ut patet ex auctoritate Dionysii prius inducta [art. 1. huj. q. arg. 2.]. Et ideo sicut mens humana praeeminet exterioribus vel corporalibus membris, vel exterioribus rebus quae ad Dei servitium applicantur, ita etiam oratio praeeminet aliis actibus religionis.
3. Al biddende geeft de mensch zijn geest aan God, daar hij dien dan aan Hem door eerbiedigheid onderwerpt en in zekeren zin aanbiedt, zooals uit den vroeger aangehaalden tekst van Dionysius blijkt (vgl. 1e Art. 2e Antw.). Zooals dus de menschelijke geest uitsteekt boven wat uitwendig is, hetzij ledematen, of uiterlijke zaken, die voor het dienen van God worden gebruikt, zoo overtreft ook het gebed de andere daden van godsdienstigheid.3. Al biddende geeft de mens zijn geest aan God, daar hij die dan aan Hem door eerbiedigheid onderwerpt en in zekeren zin aanbiedt, zoals uit de vroeger aangehaalden tekst van Dionysius blijkt (vgl. 1e Art. 2e Antw.). Zoals dus de menselijke geest uitsteekt boven wat uitwendig is, hetzij ledematen, of uiterlijke zaken, die voor het dienen van God worden gebruikt, zo overtreft ook het gebed de andere daden van godsdienstigheid.
Utrum solus Deus debeat orari
Moet men alleen tot God bidden?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod solus Deus debeat orari. Oratio enim est actus religionis, ut dictum est [art. praec.]. Sed solus Deus est religione colendus. Ergo solus Deus est orandus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men alleen tot God moet bidden. — 1. Want bidden is, zooals werd gezegd (vorig Art.), een daad van godsdienstigheid. Nu moet alleen God met godsdienstigheid worden geëerd. Dus moet men alleen tot God bidden.Bedenkingen. — Men beweert, dat men alleen tot God moet bidden. — 1. Want bidden is, zoals werd gezegd (vorig Art.), een daad van godsdienstigheid. Nu moet alleen God met godsdienstigheid worden geëerd. Dus moet men alleen tot God bidden.
692. Praeterea, frustra porrigitur oratio ad eum qui orationem non cognoscit. Sed solius Dei est orationem cognoscere. Tum quia plerumque oratio magis agitur interiori actu, quem solus Deus cognoscit, quam voce: secundum illud quod Apostolus dicit 1. ad Cor. 14. [v. 15] : « Orabo spiritu, orabo et mente ». Tum etiam quia, ut Augustinus dicit in libro de Cura pro mortuis agenda [cap. 13.], « nesciunt mortui, etiam sancti, quid agant vivi, etiam eorum filii ». Ergo oratio non est nisi Deo porrigenda.
692. Doelloos is het, het gebed tot iemand te richten, die niet weet, dat er gebeden wordt. Nu kan God alleen het gebed kennen, zoowel omdat het meer door een inwendige daad, die God alleen kent, dan met den mond gebeurt, naar het woord van den Apostel in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (14. 15) : « Bidden zal ik door den geest, maar bidden ook met mijn verstand »; alsook omdat naar het woord van Augustinus « de dooden en zelfs de heiligen niet weten, wat de menschen, zelfs hun zonen, doen. » Dus moet het gebed alleen tot God worden gericht.692. Doelloos is het, het gebed tot iemand te richten, die niet weet, dat er gebeden wordt. Nu kan God alleen het gebed kennen, zowel omdat het meer door een inwendige daad, die God alleen kent, dan met de mond gebeurt, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (14, 15): “Bidden zal ik door de geest, maar bidden ook met mijn verstand”; alsook omdat naar het woord van Augustinus “de doden en zelfs de heiligen niet weten, wat de mensen, zelfs hun zonen, doen.” Dus moet het gebed alleen tot God worden gericht.
3. Praeterea, si aliquibus sanctis orationem porrigimus, hoc non est nisi inquantum sunt Deo conjuncti. Sed quidam in hoc mundo viventes, vel in purgatorio etiam existentes, sunt multum Deo conjuncti per gratiam. Ad eos autem non porrigitur oratio. Ergo nec ad sanctos qui sunt in paradiso debemus orationem porrigere.
3. Als wij ons gebed tot heiligen richten, dan is dat alleen in zoover zij met God vereenigd zijn. Sommigen van hen echter, die op aarde leven of in het vagevuur zijn, zijn door de genade innig met God vereenigd. Toch worden tot hen geen gebeden gericht. Dus moeten wij ook geen gebeden richten tot de heiligen in het paradijs.3. Als wij ons gebed tot heiligen richten, dan is dat alleen in zover zij met God verenigd zijn. Sommigen van hen echter, die op aarde leven of in het vagevuur zijn, zijn door de genade innig met God verenigd. Toch worden tot hen geen gebeden gericht. Dus moeten wij ook geen gebeden richten tot de heiligen in het paradijs.
Sed contra est quod dicitur Job 5. [v. 1] : « Voca, si est qui tibi respondeat: et ad aliquem sanctorum convertere ».
Maar daartegenover staat, dat in het Boek Job (5. 1) wordt gezegd: « Roep, of er iemand is, die u antwoordt, en richt u tot een van de heiligen. »Maar daartegenover staat, dat in het Boek Job (5, 1) wordt gezegd: “Roep, of er iemand is, die u antwoordt, en richt u tot een van de heiligen.”
Respondeo dicendum quod oratio porrigitur alicui dupliciter: uno modo, 70quasi per ipsum implenda; alio modo, sicut per ipsum impetranda. Primo quidem modo soli Deo orationem porrigimus: quia omnes orationes nostrae ordinari debent ad gratiam et gloriam consequendam, quae solus Deus dat, secundum illud Ps. 83. [v. 12] : « Gratiam et gloriam dabit Dominus ». Sed secundo modo orationem porrigimus sanctis angelis et hominibus: non ut per eos Deus nostras petitiones cognoscat, sed ut eorum precibus et meritis orationes nostrae sortiantur effectum. Et ideo dicitur Apoc. 8. [v. 4] quod « ascendit fumus incensorum de orationibus sanctorum de manu angeli coram Deo ». Et hoc etiam patet ex ipso modo quo Ecclesia utitur in orando. Nam a sancta Trinitate petimus ut « nostri misereatur »: ab aliis autem sanctis quibuscumque petimus ut « orent pro nobis ».
Leerstelling. — Op twee manieren wordt een gebed tot 70iemand gericht, vooreerst als iets, wat hij vervullen, en ten tweede als iets, wat hij verkrijgen moet. En nu richten wij alleen tot God op de eerste manier onze gebeden, omdat al onze gebeden erop gericht moeten zijn om de genade en de glorie te verkrijgen, die God alleen volgens het psalmwoord geeft: « Genade en glorie zal de Heer geven » (Ps. 83. 12). Maar op de tweede manier richten wij onze gebeden tot de heilige engelen en menschen, niet opdat God door hen onze gebeden mag kennen, maar opdat onze gebeden door hun tusschenkomst en verdiensten iets mogen uitwerken. En daarom wordt er in het Boek der Openbaring (8. 4) gezegd: « De walm van de reukwerken, d. w. z. de gebeden der heiligen, steeg uit de hand van den Engel voor den Heer op. » En dat blijkt ook uit de wijze waarop de Kerk bidt. Want aan de H. Drievuldigheid vragen wij, dat zij Zich over ons ontferme, maar aan alle andere heiligen, dat zij voor ons bidden.Leerstelling. — Op twee manieren wordt een gebed tot 70iemand gericht, vooreerst als iets, wat hij vervullen, en ten tweede als iets, wat hij verkrijgen moet. En nu richten wij alleen tot God op de eerste manier onze gebeden, omdat al onze gebeden erop gericht moeten zijn om de genade en de glorie te verkrijgen, die God alleen volgens het psalmwoord geeft: “Genade en glorie zal de Heer geven” (Ps. 83. 12)a. Maar op de tweede manier richten wij onze gebeden tot de heilige engelen en mensen, niet opdat God door hen onze gebeden mag kennen, maar opdat onze gebeden door hun tussenkomst en verdiensten iets mogen uitwerken. En daarom wordt er in het Boek van de Openbaring (8, 4) gezegd: “De walm van de reukwerken, d. w. z. de gebeden van de heiligen, steeg uit de hand van de Engel voor de Heer op.” En dat blijkt ook uit de wijze waarop de Kerk bidt. Want aan de H. Drievuldigheid vragen wij, dat zij Zich over ons ontferme, maar aan alle andere heiligen, dat zij voor ons bidden.
Ad primum ergo dicendum quod illi soli impendimus orando religionis cultum a quo quaerimus obtinere quod oramus, quia in hoc protestamur eum bonorum nostrorum auctorem: non autem eis quos requirimus quasi interpellatores nostros apud Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij het gebed brengen wij de vereering van de godsdienstigheid alleen aan Hem, van wien wij vragen te verkrijgen wat wij bidden, omdat wij daarmee belijden, dat Hij de voortbrenger is van wat goed voor ons is; maar niet aan hen, aan wie wij iets vragen als onze voorsprekers bij God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij het gebed brengen wij de verering van de godsdienstigheid alleen aan Hem, van wie wij vragen te verkrijgen wat wij bidden, omdat wij daarmee belijden, dat Hij de voortbrenger is van wat goed voor ons is; maar niet aan hen, aan wie wij iets vragen als onze voorsprekers bij God.
71Ad secundum dicendum quod mortui ea quae in hoc mundo aguntur, considerata eorum naturali conditione, non cognoscunt, et praecipue interiores motus cordis. Sed beatis, ut Gregorius dicit, in 12. Moral. [cap. 14.], in Verbo manifestatur illud quod decet eos cognoscere de eis quae circa nos aguntur, etiam quantum ad interiores motus cordis. Maxime autem excellentiam eorum decet ut cognoscant petitiones ad eos factas vel voce vel corde. Et ideo petitiones quas ad eos dirigimus, Deo manifestante, cognoscunt.
712. Gezien den aard van hun natuurlijken toestand weten de dooden niet, wat hier op aarde geschiedt, en vooral kennen zij de innerlijke bewegingen van het hart niet. Maar, zooals Gregorius zegt, wordt aan de zaligen in het Woord, van alles, wat er met ons gebeurt, óók met betrekking tot de inwendige bewegingen des harten, getoond wat passend is dat zij weten. Nu past het vooral bij hun verhevenheid, dat zij de met mond of hart tot hen gerichte gebeden kennen. En daarom kennen zij, omdat God het hun bekend maakt, de gebeden, die wij tot hen richten.712. Gezien de aard van hun natuurlijken toestand weten de doden niet, wat hier op aarde geschiedt, en vooral kennen zij de innerlijke bewegingen van het hart niet. Maar, zoals Gregorius zegt, wordt aan de zaligen in het Woord, van alles, wat er met ons gebeurt, óók met betrekking tot de inwendige bewegingen van het hart, getoond wat passend is dat zij weten. Nu past het vooral bij hun verhevenheid, dat zij de met mond of hart tot hen gerichte gebeden kennen. En daarom kennen zij, omdat God het hun bekend maakt, de gebeden, die wij tot hen richten.
Ad tertium dicendum quod illi qui sunt in hoc mundo aut in purgatorio, nondum fruuntur visione Verbi, ut possint cognoscere ea quae nos cogitamus vel dicimus. Et ideo eorum suffragia non imploramus orando: sed a vivis petimus colloquendo.
3. Zij, die nog in deze wereld of in het vagevuur zijn, genieten nog niet de aanschouwing van het Woord, zoodat zij zouden kunnen weten, wat wij denken of zeggen. En daarom vragen wij hun voorspraak niet door het gebed, maar van de levenden vragen wij iets in een gesprek.3. Zij, die nog in deze wereld of in het vagevuur zijn, genieten nog niet de aanschouwing van het Woord, zodat zij zouden kunnen weten, wat wij denken of zeggen. En daarom vragen wij hun voorspraak niet door het gebed, maar van de levenden vragen wij iets in een gesprek.
Utrum in oratione debeamus aliquid determinate a Deo petere
Moeten wij in het gebed iets bepaalds aan God vragen?
Ad quintum sic proceditur. Videtur quod in oratione nihil determinate 72a Deo petere debeamus. Quia, ut Damascenus dicit [lib. 3. Fid. Orth. cap. 24], « oratio est petitio decentium a Deo ». Unde inefficax est oratio per quam petitur id quod non expedit: secundum illud Jac. 4. [v. 3] : « Petitis et non accipitis, eo quod male petatis ». Sed sicut dicitur Rom. 8. [v. 26] : « Quid oremus sicut oportet, nescimus ». Ergo non debemus aliquid orando determinate petere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat wij in het gebed niets 72bepaalds aan God moeten vragen. — 1. Want het gebed is, zooals Damascenus zegt, « het vragen van gepaste dingen aan God. » Daarom is het gebed, waarmee wij vragen, wat niet goed voor ons is, zonder kracht, naar het woord van Jacobus: « Gij hebt gevraagd en niet verkregen, omdat gij verkeerd hebt gevraagd » (Jac. 4. 3). Maar, zoo staat er in den Brief aan de Romeinen (8. 26) : « Wij weten niet, wat wij behooren te vragen. » Dus moeten wij in het gebed niet iets bepaalds vragen.Bedenkingen. — Men beweert, dat wij in het gebed niets 72bepaalds aan God moeten vragen. — 1. Want het gebed is, zoals Damascenus zegt, “het vragen van gepaste dingen aan God.” Daarom is het gebed, waarmee wij vragen, wat niet goed voor ons is, zonder kracht, naar het woord van Jacobus: “Gij hebt gevraagd en niet verkregen, omdat gij verkeerd hebt gevraagd” (Jac. 4. 3). Maar, zo staat er in de Brief aan de Romeinen (8, 26): “Wij weten niet, wat wij behoren te vragen.” Dus moeten wij in het gebed niet iets bepaalds vragen.
2. Praeterea, quicumque aliquid determinate ab alio petit nititur voluntatem ipsius inclinare ad faciendum id quod ipse vult. Non autem ad hoc tendere debemus ut Deus velit quod nos volumus, sed magis ut nos velimus quod ipse vult: ut dicit Glos. [ord. Aug.] super illud Ps. 32. [v. 1] : « Exultate, justi, in Domino ». Ergo non debemus aliquid determinate a Deo in oratione petere1.
2. Wie iets bepaalds van een ander vraagt, tracht diens wil over te halen om te doen, wat hij zelf wil. Nu mogen wij er niet naar streven, dat God zou willen, wat wij willen, maar eerder, dat wij zullen willen, wat God wil, zooals de Glossa zegt bij het psalmwoord: « Verheugt u, rechtvaardigen, in den Heer » (Ps. 32. 1). Dus moeten wij niet iets bepaalds van God vragen.2. Wie iets bepaalds van een ander vraagt, tracht diens wil over te halen om te doen, wat hij zelf wil. Nu mogen wij er niet naar streven, dat God zou willen, wat wij willen, maar eerder, dat wij zullen willen, wat God wil, zoals de Glossa zegt bij het psalmwoord: “Verheugt u, rechtvaardigen, in de Heer” (Ps. 32. 1)a. Dus moeten wij niet iets bepaalds van God vragen.
3. Praeterea, mala a Deo petenda non sunt: ad bona autem Deus nos invitat. Frustra autem ab aliquo petitur ad quod accipiendum invitatur. Ergo non est determinate aliquid a Deo in oratione petendum.
3. Het kwaad moeten wij aan God niet vragen, en tot het goede noodigt God zelf ons uit. Nu heeft het geen zin aan iemand datgene te vragen, waartoe men wordt uitgenoodigd om te ontvangen. Dus moet men in het gebed niet iets bepaalds aan God vragen.3. Het kwaad moeten wij aan God niet vragen, en tot het goede nodigt God zelf ons uit. Nu heeft het geen zin aan iemand datgene te vragen, waartoe men wordt uitgenodigd om te ontvangen. Dus moet men in het gebed niet iets bepaalds aan God vragen.
73Sed contra est, quod Dominus, Matth. 6. [v. 9 sqq.] et Luc. 11. [v. 2], docuit discipulos determinate petere ea quae continentur in petitionibus Orationis Dominicae.
73Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Mattheus (6. 9) en Lucas (11. 2) de leerlingen bepaald datgene leerde vragen, wat in de vragen van het Gebed des Heeren vervat is.73Maar daartegenover staat, dat de Heer bij Matteüs (6, 9) en Lukas (11, 2) de leerlingen bepaald datgene leerde vragen, wat in de vragen van het Gebed van de Heer vervat is.
Respondeo dicendum quod, sicut Maximus Valerius refert [lib. 7. cap. 2. Fact. et Dict. Memor.], « Socrates nihil ultra petendum a diis immortalibus arbitrabatur quam ut bona tribuerent: quia hi demum scirent quid unicuique esset utile; nos autem plerumque id votis expetimus2 quod non impetrasse melius foret ». Quae quidem sententia aliqualiter vera est, quantum ad illa quae possunt malum eventum habere, quibus etiam homo potest male et bene uti: sicut sunt « divitiae, quae », ut ibidem dicitur, « multis exitio fuere; honores, qui complures pessumdederunt; regna, quorum exitus saepe miserabiles cernuntur, splendida conjugia, quae nonnumquam funditus domos evertunt ». Sunt tamen quaedam bona quibus homo male uti non potest, quae scilicet malum eventum habere non possunt. Haec autem sunt quibus beatificamur et quibus beatitudinem meremur. 74Quae quidem sancti orando absolute petunt: secundum illud Ps. 79. [v. 4] : « Ostende faciem tuam, et salvi erimus » ; et iterum Ps. 118. [v. 35] : « Deduc me in semitam mandatorum tuorum ».
Leerstelling. — Zooals Maximus Valerius verhaalt, « meende Socrates, dat men van de onsterfelijke goden niets anders moest vragen, dan dat zij wat goed is zouden geven; omdat zij ten slotte weten, wat voor iedereen nuttig is; terwijl wij gewoonlijk in onze gebeden datgene vragen, waarvan het beter is, dat wij het niet krijgen. » Deze meening is tot op zekere hoogte waar wat de dingen betreft, die verkeerde gevolgen kunnen hebben en die de mensch ook goed en verkeerd kan gebruiken, als « rijkdommen, die » zooals daar wordt gezegd, « velen tot ondergang hebben gestrekt; eerbewijzen, die zeer velen deden ten onder gaan; koninkrijken, waarvan wij dikwijls den treurigen ondergang zien; prachtige huwelijken, die soms huizen geheel verwoest hebben. » Maar er zijn sommige goede dingen, die de mensch niet verkeerd kan gebruiken, die nl. geen verkeerde gevolgen kunnen hebben. Dat zijn de dingen, waardoor wij zalig worden en waardoor wij de zaligheid verdienen. En dat vragen de heiligen in hun 74gebed onvoorwaardelijk naar het psalmwoord: « Toon Uw aangezicht en wij zullen gered zijn; » (Ps. 79. 4) en ook: « Leidt mij op den weg van Uw geboden. » (118. 35)Leerstelling. — Zoals Maximus Valerius verhaalt, “meende Socrates, dat men van de onsterfelijke goden niets anders moest vragen, dan dat zij wat goed is zouden geven; omdat zij ten slotte weten, wat voor iedereen nuttig is; terwijl wij gewoonlijk in onze gebeden datgene vragen, waarvan het beter is, dat wij het niet krijgen.” Deze mening is tot op zekere hoogte waar wat de dingen betreft, die verkeerde gevolgen kunnen hebben en die de mens ook goed en verkeerd kan gebruiken, als “rijkdommen, die” zoals daar wordt gezegd, “velen tot ondergang hebben gestrekt; eerbewijzen, die zeer velen deden ten onder gaan; koninkrijken, waarvan wij dikwijls de treurige ondergang zien; prachtige huwelijken, die soms huizen geheel verwoest hebben.” Maar er zijn sommige goede dingen, die de mens niet verkeerd kan gebruiken, die nl. geen verkeerde gevolgen kunnen hebben. Dat zijn de dingen, waardoor wij zalig worden en waardoor wij de zaligheid verdienen. En dat vragen de heiligen in hun 74gebed onvoorwaardelijk naar het psalmwoord: “Toon Uw aangezicht en wij zullen gered zijn;” (Ps. 79. 4)b en ook: “Leidt mij op de weg van Uw geboden.” (118, 35)
Ad primum ergo dicendum quod licet homo ex se scire non possit quid orare debeat. « Spiritus » tamen, ut ibidem dicitur, in hoc « adjuvat infirmitatem nostram » quod, inspirando nobis sancta desideria, recte postulare nos facit. Unde Dominus dicit, Joan. 4. [v. 23, 24], quod « veros adoratores adorare oportet in Spiritu et veritate ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al kan de mensch uit zichzelf niet weten, waarom hij bidden moet, dan « helpt toch de Geest, » zooals op de aangehaalde plaats gezegd wordt, hierin « onze zwakheid, » doordat Hij door ons heilige verlangens in te geven, ons op de goede manier laat vragen. Daarom zegt de Heer bij Joannes (4. 23), dat « ware aanbidders in Geest en waarheid moeten aanbidden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Al kan de mens uit zichzelf niet weten, waarom hij bidden moet, dan “helpt toch de Geest,” zoals op de aangehaalde plaats gezegd wordt, hierin “onze zwakheid,” doordat Hij door ons heilige verlangens in te geven, ons op de goede manier laat vragen. Daarom zegt de Heer bij Johannes (4, 23), dat “ware aanbidders in Geest en waarheid moeten aanbidden.”
Ad secundum dicendum quod cum orando petimus aliqua quae pertinent ad nostram salutem, conformamus voluntatem nostram voluntati Dei, de qua dicitur, 1. ad Timoth. 2. [v. 4], quod « vult omnes homines salvos fieri ».
2. Als wij in het gebed iets vragen, dat tot onze zaligheid strekt, maken wij onzen wil aan dien van God gelijk, waarvan in den Eersten Brief aan Timotheus (2. 4) wordt gezegd, dat « Hij wil, dat alle menschen zalig worden. »2. Als wij in het gebed iets vragen, dat tot onze zaligheid strekt, maken wij onze wil aan die van God gelijk, waarvan in de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 4) wordt gezegd, dat “Hij wil, dat alle mensen zalig worden.”
Ad tertium dicendum quod sic ad bona Deus nos invitat quod ad ea non passibus corporis, sed piis desideriis et devotis orationibus accedamus.
3. God noodigt ons op zoo'n wijze tot het goede uit, dat wij er niet met schreden van het lichaam, maar met vrome verlangens en toegewijde gebeden toe moeten naderen.3. God nodigt ons op zo'n wijze tot het goede uit, dat wij er niet met schreden van het lichaam, maar met vrome verlangens en toegewijde gebeden toe moeten naderen.
Utrum homo debeat temporalia petere a Deo orando
Moet de mensch in het gebed tijdelijke zaken aan God vragen?Moet de mens in het gebed tijdelijke zaken aan God vragen?
75Ad sextum sic proceditur. Videtur quod homo non debeat temporalia petere a Deo orando. Quae enim orando petimus, quaerimus. Sed temporalia non debemus quaerere: dicitur enim Matth. 6. [v. 33] : « Primum quaerite regnum Dei et justitiam ejus, et haec omnia adjicientur vobis », scilicet temporalia; quae non quaerenda dicit, sed adjicienda quaesitis. Ergo temporalia non sunt in oratione a Deo petenda.
75Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensch in het gebed geen tijdelijke dingen aan God moet vragen. — 1. Want wat wij in het gebed vragen, trachten wij te krijgen. Nu mogen wij het tijdelijke niet nastreven, omdat bij Mattheus (6. 33) gezegd wordt: « Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid en dit alles zal u worden toegeworpen, » nl. het tijdelijke, waarvan hij niet zegt, dat het nagestreefd moet worden, maar dat het toegeworpen zal worden bij wat gevraagd wordt. Dus moet men in het gebed God niet om tijdelijke dingen vragen.75Bedenkingen. — Men beweert, dat de mens in het gebed geen tijdelijke dingen aan God moet vragen. — 1. Want wat wij in het gebed vragen, trachten wij te krijgen. Nu mogen wij het tijdelijke niet nastreven, omdat bij Matteüs (6, 33) gezegd wordt: “Zoekt eerst het Rijk Gods en zijn gerechtigheid en dit alles zal u worden toegeworpen,” nl. het tijdelijke, waarvan hij niet zegt, dat het nagestreefd moet worden, maar dat het toegeworpen zal worden bij wat gevraagd wordt. Dus moet men in het gebed God niet om tijdelijke dingen vragen.
2. Praeterea, nullus petit nisi ea de quibus est solicitus. Sed de temporalibus solicitudinem habere non possumus1 ; secundum quod dicitur Matth. 6. [v. 25] : « Nolite soliciti esse animae vestrae, quid manducetis ». Ergo temporalia petere non debemus orando.
2. Niemand vraagt, tenzij datgene, waarover hij zich zorgen maakt. Nu mogen wij ons om de tijdelijke dingen geen zorg maken naar het woord van Mattheus (6. 25) : « Wees niet bekommerd voor uw leven, wat gij zult eten. » Dus moeten wij in het gebed niet om tijdelijke zaken vragen.2. Niemand vraagt, tenzij datgene, waarover hij zich zorgen maakt. Nu mogen wij ons om de tijdelijke dingen geen zorg maken naar het woord van Matteüs (6, 25): “Wees niet bekommerd voor uw leven, wat gij zult eten.” Dus moeten wij in het gebed niet om tijdelijke zaken vragen.
3. Praeterea, per orationem nostram mens debet elevari in Deum. 76Sed petendo temporalia descendit ad ea quae infra se sunt: contra id quod Apostolus dicebat 2. ad Cor. 4. [v. 18] : « Non contemplantibus nobis quae videntur, sed quae non videntur: quae enim videntur, temporalia sunt; quae autem non videntur, aeterna ». Ergo non debet homo temporalia in oratione a Deo petere.
3. Door ons gebed moet de geest zich verheffen tot God. Als 76wij echter tijdelijke dingen vragen, daalt hij naar het lagere af, tegen het woord in van den Apostel in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (4. 18) : « Wij geven geen acht op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig. » Dus moet de mensch in het gebed niet om tijdelijke dingen vragen.3. Door ons gebed moet de geest zich verheffen tot God. Als 76wij echter tijdelijke dingen vragen, daalt hij naar het lagere af, tegen het woord in van de Apostel in de Tweede Brief aan de Korintiërs (4, 18): “Wij geven geen acht op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, het onzichtbare eeuwig.” Dus moet de mens in het gebed niet om tijdelijke dingen vragen.
4. Praeterea, homo non debet petere a Deo nisi bona et utilia. Sed quandoque temporalia habita sunt nociva, non solum spiritualiter, sed etiam temporaliter. Ergo non sunt in oratione a Deo petenda.
4. De mensch moet van God alleen nuttige en goede dingen vragen. Maar soms is het bezit van tijdelijke goederen schadelijk, niet alleen voor den geest, maar ook naar het tijdelijke. Dus moet men er in het gebed God niet om vragen.4. De mens moet van God alleen nuttige en goede dingen vragen. Maar soms is het bezit van tijdelijke goederen schadelijk, niet alleen voor de geest, maar ook naar het tijdelijke. Dus moet men er in het gebed God niet om vragen.
Sed contra est quod dicitur Prov. 30. [v. 8] : « Tribue tantum victui meo necessaria ».
Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek der Spreuken (30. 8) : « Geef mij alleen wat voor mijn leven noodig is. »Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek van de Spreuken (30, 8): “Geef mij alleen wat voor mijn leven nodig is.”
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Probam, de orando Deum [ep. 121. cap. 12.], « hoc licet orare quod licet desiderare ». Temporalia autem licet desiderare: non quidem principaliter, ut in eis finem constituamus; sed sicut quaedam adminicula quibus adjuvamur ad tendendum in beatitudinem, inquantum scilicet per ea vita corporalis 77sustentatur, et inquantum nobis organice deserviunt ad actus virtutum, ut etiam Philosophus dicit, in 1. Ethic. [cap. 8. n. 15]. Et ideo pro temporalibus licet orare. Et hoc est quod Augustinus dicit, ad Probam [ep. 121. cap. 6. et 7.] : « Sufficientiam vitae non indecenter vult quisquis eam vult et non amplius. Quae quidem non appetitur propter seipsam: sed propter salutem corporis et congruentem habitum personae hominis, ut non sit inconveniens eis cum quibus vivendum est. Ista ergo, cum habentur, ut teneantur; cum non habentur, ut habeantur, orandum est ».
Leerstelling. — Zooals Augustinus zegt, « mag men vragen, wat men verlangen mag. » Nu mag men naar tijdelijke dingen verlangen, niet als naar het voornaamste, waarin wij ons doel stellen, maar als hulpmiddelen om naar de zaligheid te streven, in zoover het leven van het lichaam erdoor onderhouden wordt en in zoover zij ons als werktuigen dienen voor daden van 77deugd, zooals ook de Wijsgeer zegt. En daarom mag men om tijdelijke zaken bidden. Dat is het ook, wat Augustinus zegt: « Wie verlangt naar wat volstaat om te kunnen leven en niet naar meer, verlangt niets ongepasts. Dat nl. wordt niet om zichzelf begeerd, maar tot instandhouding van het lichaam en van den stand, die bij den persoon van iemand past, zoodat men hun, met wie men leeft, niet tot last is. Men moet dus bidden om dit te behouden, als men het heeft en te krijgen, als men het niet heeft. »Leerstelling. — Zoals Augustinus zegt, “mag men vragen, wat men verlangen mag.” Nu mag men naar tijdelijke dingen verlangen, niet als naar het voornaamste, waarin wij ons doel stellen, maar als hulpmiddelen om naar de zaligheid te streven, in zover het leven van het lichaam erdoor onderhouden wordt en in zover zij ons als werktuigen dienen voor daden van 77deugd, zoals ook de Wijsgeer zegt. En daarom mag men om tijdelijke zaken bidden. Dat is het ook, wat Augustinus zegt: “Wie verlangt naar wat volstaat om te kunnen leven en niet naar meer, verlangt niets ongepasts. Dat nl. wordt niet om zichzelf begeerd, maar tot instandhouding van het lichaam en van de stand, die bij de persoon van iemand past, zodat men hun, met wie men leeft, niet tot last is. Men moet dus bidden om dit te behouden, als men het heeft en te krijgen, als men het niet heeft.”
Ad primum ergo dicendum quod temporalia non sunt quaerenda principaliter, sed secundario. Unde Augustinus dicit, in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 16.] : « Cum dixit: Illud primo quaerendum est (scilicet regnum Dei), significavit quia hoc (scilicet temporale bonum), posterius quaerendum est, non tempore, sed dignitate: illud tamquam bonum nostrum, hoc tamquam necessarium nostrum ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tijdelijke moet men niet als het voornaamste zoeken, maar als wat op de tweede plaats komt. Daarom zegt Augustinus: « Als Hij zegt, dat dit, nl. het Rijk Gods, op de eerste plaats gezocht moet worden, laat Hij zien, dat het andere, nl. de tijdelijke goederen, daarna gezocht moet worden, niet in orde van tijd, maar van waardigheid; het eerste als wat goed voor ons is, het tweede als wat noodzakelijk voor ons is. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het tijdelijke moet men niet als het voornaamste zoeken, maar als wat op de tweede plaats komt. Daarom zegt Augustinus: “Als Hij zegt, dat dit, nl. het Rijk Gods, op de eerste plaats gezocht moet worden, laat Hij zien, dat het andere, nl. de tijdelijke goederen, daarna gezocht moet worden, niet in orde van tijd, maar van waardigheid; het eerste als wat goed voor ons is, het tweede als wat noodzakelijk voor ons is.”
Ad secundum dicendum quod non quaelibet solicitudo rerum temporalium est prohibita, sed superflua et inordinata, ut supra habitum est [q. 55. art. 6.].
2. Niet iedere bezorgdheid voor tijdelijke goederen is verboden, maar alleen het teveel en het ongeregelde, zooals vroeger (55e Kw. 6e Art.) is gezegd.2. Niet iedere bezorgdheid voor tijdelijke goederen is verboden, maar alleen het teveel en het ongeregelde, zoals vroeger (55e Kw. 6e Art.) is gezegd.
78Ad tertium dicendum quod quando mens nostra intendit temporalibus rebus ut in eis quiescat, remanet in eis depressa. Sed quando intendit eis in ordine ad beatitudinem consequendam, non ab eis deprimitur, sed magis elevatur2 sursum.
783. Als onze geest zich op tijdelijk goed richt om daarop te blijven rusten, dan blijft hij erin omlaaggedrukt. Maar houdt hij er zich mee bezig met het doel de zaligheid te verwerven, dan wordt hij er niet door omlaaggehaald, maar heft ze veeleer omhoog.
Ad quartum dicendum quod ex quo non petimus temporalia tamquam principaliter quaesita, sed in ordine ad aliud, eo tenore a Deo petimus ipsa ut nobis concedantur secundum quod expediunt ad salutem.
[De vertaling van dit vierde antwoord ontbreekt in de uitgave.]
Utrum debeamus pro aliis orare
Moeten wij voor anderen bidden?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod non debeamus pro aliis orare. In orando enim sequi debemus formam quam Dominus tradidit. Sed in oratione Dominica petitiones pro nobis facimus, non pro aliis, dicentes: « Panem nostrum quotidianum da nobis hodie, et cetera hujusmodi ». Ergo non debemus pro aliis orare.
Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet voor anderen moeten bidden. — 1. Want wij moeten bij het bidden het voorbeeld volgen, dat de Heer ons gegeven heeft. Nu vragen wij in het gebed des Heeren voor ons en niet voor anderen, als wij zeggen: « Geef ons heden ons dagelijksch brood, » e. d. Dus moeten wij niet voor anderen bidden.Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet voor anderen moeten bidden. — 1. Want wij moeten bij het bidden het voorbeeld volgen, dat de Heer ons gegeven heeft. Nu vragen wij in het gebed van de Heer voor ons en niet voor anderen, als wij zeggen: “Geef ons heden ons dagelijks brood,” e. d. Dus moeten wij niet voor anderen bidden.
2. Praeterea, ad hoc oratio fit ut1 exaudiatur. Sed una de 79conditionibus quae requiruntur ad hoc quod oratio sit exaudibilis2, est ut aliquis oret pro seipso: unde super illud Joan. 16. [v. 23] : « Si quid petieritis Patrem in nomine meo, dabit vobis », Augustinus dicit [tract. 102.] : « Exaudiuntur omnes pro seipso, non autem pro omnibus. Unde non simpliciter3 dictum est, « dabit »: sed, « dabit vobis » ». Ergo videtur quod non debeamus pro aliis orare, sed solum pro nobis.
2. Wij bidden om verhoord te worden. Maar een van de 79vereischte voorwaarden om verhoord te worden, is, dat iemand voor zichzelf bidt; daarom zegt Augustinus bij het woord van Joannes (16. 23) : « Als gij den Vader iets in Mijn Naam vraagt, zal Hij het u geven »: « Allen worden voor zichzelf verhoord, maar niet voor allen; daarom wordt er niet zonder meer gezegd: zal Hij geven, maar: zal Hij u geven. » Het schijnt dus, dat wij niet voor anderen moeten bidden, maar alleen voor onszelf.2. Wij bidden om verhoord te worden. Maar een van de 79vereiste voorwaarden om verhoord te worden, is, dat iemand voor zichzelf bidt; daarom zegt Augustinus bij het woord van Johannes (16, 23): “Als gij de Vader iets in Mijn Naam vraagt, zal Hij het u geven”: “Allen worden voor zichzelf verhoord, maar niet voor allen; daarom wordt er niet zonder meer gezegd: zal Hij geven, maar: zal Hij u geven.” Het schijnt dus, dat wij niet voor anderen moeten bidden, maar alleen voor onszelf.
3. Praeterea, pro aliis, si sint mali, prohibemur orare: secundum illud Hieremiae 7. [v. 16] : « Tu ergo noli orare pro populo hoc, et non obsistas mihi: quia non exaudiam te ». Pro bonis autem non oportet orare: quia ipsi pro se ipsis orantes exaudiuntur. Ergo videtur quod non debeamus pro aliis orare.
3. Als anderen slecht zijn, wordt ons verboden voor hen te bidden naar het woord van Jeremias (7. 16) : « Wil dus niet voor dit volk bidden en weersta Mij niet, want Ik zal u niet verhooren. » Nu behoeven wij voor de goeden niet te bidden, omdat zij verhoord worden, als zij voor zichzelf bidden. Het schijnt dus, dat wij niet voor anderen moeten bidden.3. Als anderen slecht zijn, wordt ons verboden voor hen te bidden naar het woord van Jeremia (7, 16): “Wil dus niet voor dit volk bidden en weersta Mij niet, want Ik zal u niet verhoren.” Nu behoeven wij voor de goeden niet te bidden, omdat zij verhoord worden, als zij voor zichzelf bidden. Het schijnt dus, dat wij niet voor anderen moeten bidden.
Sed contra est quod dicitur Jacobi 5. [v. 16] : « Orate pro invicem, ut salvemini ».
Maar daartegenover staat het woord van Jacobus: « Bidt voor elkander, dat gij zalig moogt worden. » (Jac. 5. 16)Maar daartegenover staat het woord van Jacobus: “Bidt voor elkander, dat gij zalig moogt worden.” (Jac. 5. 16)
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], illud debemus orando petere quod debemus desiderare. Desiderare autem debemus 80bona non solum nobis, sed etiam aliis: hoc enim pertinet ad rationem dilectionis, quam proximi debemus impendere, ut ex supra dictis patet [q. 25. et 27.]. Et ideo charitas hoc requirit, ut pro aliis oremus. Unde Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 4. in Op. Imperf.] : « Pro se orare necessitas cogit: pro altero autem charitas fraternitatis hortatur. Dulcior autem ante Deum est oratio, non quam necessitas transmittit, sed quam charitas fraternitatis commendat ».
Leerstelling. — Zooals (in het vorige Art.) is gezegd, moeten wij in het gebed datgene vragen, waarnaar wij moeten 80verlangen. Nu moeten wij niet alleen voor onszelf het goede verlangen, maar ook voor anderen; want dat behoort tot het wezen van de liefde, die wij voor de naasten moeten hebben, zooals uit het vroeger gezegde (25e Kw. 1e en 12e Art.) blijkt. En daarom eischt de liefde, dat wij voor anderen bidden. Daarom zegt Chrysostomus: « De noodzakelijkheid dwingt voor onszelf te bidden, de broederlijke liefde spoort ons aan het voor een ander te doen. Maar voor God is niet het gebed het aangenaamst, waartoe de noodzakelijkheid ons brengt, maar dat de broederlijke liefde aanbeveelt. »Leerstelling. — Zoals (in het vorige Art.) is gezegd, moeten wij in het gebed datgene vragen, waarnaar wij moeten 80verlangen. Nu moeten wij niet alleen voor onszelf het goede verlangen, maar ook voor anderen; want dat behoort tot het wezen van de liefde, die wij voor de naasten moeten hebben, zoals uit het vroeger gezegde (25e Kw. 1e en 12e Art.) blijkt. En daarom eist de liefde, dat wij voor anderen bidden. Daarom zegt Chrysostomus: “De noodzakelijkheid dwingt voor onszelf te bidden, de broederlijke liefde spoort ons aan het voor een ander te doen. Maar voor God is niet het gebed het aangenaamst, waartoe de noodzakelijkheid ons brengt, maar dat de broederlijke liefde aanbeveelt.”
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Cyprianus dicit, in libro de Oratione Dominica [inter princ. et med.], « ideo non dicimus: Pater meus, sed: noster; nec: Da mihi, sed: da nobis, quia unitatis magister noluit privatim precem fieri, ut scilicet quis pro se tantum precetur. Unum enim orare pro omnibus voluit, quoniam4 in uno omnes ipse portavit ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Cyprianus zegt, « zeggen wij hierom niet: mijn, maar: onze Vader; niet: geef mij, maar: geef ons; omdat de leermeester van de eenheid niet wilde dat er afzonderlijk gebeden werd in dezen zin, dat iemand alleen voor zichzelf zou bidden. Want Hij wilde, dat een mensch voor allen zou bidden, zooals Hij in één persoon allen had gedragen. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Cyprianus zegt, “zeggen wij hierom niet: mijn, maar: onze Vader; niet: geef mij, maar: geef ons; omdat de leermeester van de eenheid niet wilde dat er afzonderlijk gebeden werd in deze zin, dat iemand alleen voor zichzelf zou bidden. Want Hij wilde, dat een mens voor allen zou bidden, zoals Hij in één persoon allen had gedragen.”
Ad secundum dicendum quod pro se orare ponitur conditio orationis, non quidem necessaria ad effectum merendi, sed sicut necessaria ad 81indeficientiam impetrandi. Contingit enim quandoque quod oratio pro alio facta non impetrat, etiamsi fiat pie et perseveranter et de pertinentibus ad salutem, propter impedimentum quod est ex parte ejus pro quo oratur: secundum illud Hieremiae 15. [v. 1] : « Si steterint Moyses et Samuel coram me, non est anima mea ad populum istum ». Nihilominus tamen oratio meritoria erit oranti, qui ex charitate orat: secundum illud Psal. 34. [v. 13] : « Oratio mea in sinu meo convertetur ». Glos. [interl.] « idest: Etsi non eis prosit5, ergo tamen non sum frustratus mea mercede ».
2. Voor zichzelf bidden wordt als een voorwaarde voor het gebed opgegeven, niet als iets noodzakelijks om ermee te verdienen, maar als noodzakelijk om onverhinderd te verkrijgen. 81Want af en toe krijgt men niets, als men voor anderen bidt, zelfs als het vroom en volhardend gebeurt en gaat over dingen, die tot de zaligheid behooren, om een beletsel van den kant van hem voor wien gebeden wordt, naar het woord van Jeremias (15. 1) : « Al stonden Moses en Samuel voor Mij, Mijn hart gaat niet uit naar dit volk. » Toch is het gebed wel verdienstelijk voor wie bidt, als hij uit liefde bidt, naar het psalmwoord: « Mijn gebed keert in mijn gemoed terug, » (Ps. 34. 13) en de Glossa: « d. w. z. ook al heeft het dan voor hen geen nut, ik ben toch niet van mijn verdienste beroofd. »2. Voor zichzelf bidden wordt als een voorwaarde voor het gebed opgegeven, niet als iets noodzakelijks om ermee te verdienen, maar als noodzakelijk om onverhinderd te verkrijgen. 81Want af en toe krijgt men niets, als men voor anderen bidt, zelfs als het vroom en volhardend gebeurt en gaat over dingen, die tot de zaligheid behoren, om een beletsel van de kant van hem voor wie gebeden wordt, naar het woord van Jeremia (15, 1): “Al stonden Moses en Samuel voor Mij, Mijn hart gaat niet uit naar dit volk.” Toch is het gebed wel verdienstelijk voor wie bidt, als hij uit liefde bidt, naar het psalmwoord: “Mijn gebed keert in mijn gemoed terug,” (Ps. 34. 13)a en de Glossa: “d. w. z. ook al heeft het dan voor hen geen nut, ik ben toch niet van mijn verdienste beroofd.”
Ad tertium dicendum quod etiam pro peccatoribus orandum est, ut convertantur: et pro justis, ut perseverent et proficiant. Orantes tamen non pro omnibus peccatoribus exaudiuntur, sed pro quibusdam: exaudiuntur enim pro praedestinatis, non autem pro praescitis ad mortem. Sicut etiam correctio qua fratres corrigimus, effectum habet in praedestinatis, non in reprobatis: secundum illud Eccle. [v. 14] : « Nemo potest corrigere quem Deus despexerit ». Et ideo dicitur 1. Joan. 5. [v. 16] : « Qui scit fratrem suum peccare peccato non ad mortem, petat, et dabitur ei vita peccanti 82non ad mortem ». Sed sicut nulli, quamdiu vivit hic, subtrahendum est correctionis beneficium, quia non possumus praedestinatos distinguere a reprobatis, ut Augustinus dicit, in lib. de Corrept. et Gratia [cap. 15.] ; ita etiam nulli est negandum6 orationis suffragium. Pro justis etiam est orandum, triplici ratione. Primo quidem, quia multorum preces facilius exaudiuntur. Unde super illud, Rom. 15. [v. 30] : « Adjuvetis me in orationibus vestris », dicit Glos. [Lomb. sub nom. Ambr.] « Bene rogat Apostolus minores pro se orare. Multi enim minimi, dum congregantur unanimes, fiunt magni: et multorum preces impossibile est quod non impetrent », illud scilicet quod est impetrabile. Secundo, ut ex multis gratia agatur Deo de beneficiis quae conferuntur justis, quae etiam in utilitatem multorum vergunt: ut patet per Apostolum 2. ad Cor. 1. [v. 11]. Tertio, ut majores non superbiant, dum considerant se minorum suffragiis indigere.
3. Ook voor de zondaars moet gebeden worden, dat zij zich bekeeren, en voor de rechtvaardigen, dat zij volharden en vooruitgaan. Zij echter, die bidden, worden niet voor alle zondaars verhoord, maar voor eenigen; want zij worden verhoord voor de voorbestemden, maar niet voor hen, van wie de (geestelijke) dood tevoren bekend is. Evenzoo heeft de berisping, waarmee wij onze broeders berispen, resultaat bij de voorbestemden, maar niet bij de verworpenen, naar het woord van den Prediker (7. 14) : « Niemand kan hem verbeteren, op wien God in toorn neerziet. » En daarom wordt er in den Eersten Brief van Joannes (5. 16) gezegd: « Indien iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven, 82die geen doodzonde is, dan moet hij bidden; en het leven zal gegeven worden aan hem, die niet doodelijk zondigt. » Maar zooals niemand zoolang hij hier leeft de weldaad van de berisping onthouden moet worden, omdat wij de voorbestemden niet van de verworpenen kunnen onderscheiden, zooals Augustinus zegt, mag men ook aan niemand de hulp van het gebed weigeren. Om drie redenen moet ook voor de rechtvaardigen worden gebeden. Ten eerste omdat het gebed van velen gemakkelijker wordt verhoord. Daarom zegt de Glossa bij den tekst uit den Brief aan de Romeinen (15. 30) : « Helpt mij in uwe gebeden »: « Terecht vraagt de Apostel, dat minderen voor hem bidden. Want vele kleinsten, als zij zich eensgezind vereenigen, worden groot; en het is onmogelijk, dat het gebed van velen niet zou verkrijgen », nl. wat verkregen kan worden. Ten tweede, dat door velen God dank wordt gebracht voor de weldaden, die aan de rechtvaardigen bewezen worden en die ook weer velen tot nut strekken, zooals de Apostel in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (1. 11) bewijst. Ten derde, dat de hooger staanden niet trotsch worden, als zij bedenken, dat zij de hulp van het gebed van de geringeren noodig hebben.3. Ook voor de zondaars moet gebeden worden, dat zij zich bekeren, en voor de rechtvaardigen, dat zij volharden en vooruitgaan. Zij echter, die bidden, worden niet voor alle zondaars verhoord, maar voor enigen; want zij worden verhoord voor de voorbestemden, maar niet voor hen, van wie de (geestelijke) dood tevoren bekend is. Evenzo heeft de berisping, waarmee wij onze broeders berispen, resultaat bij de voorbestemden, maar niet bij de verworpenen, naar het woord van de Prediker (7, 14): “Niemand kan hem verbeteren, op wie God in toorn neerziet.” En daarom wordt er in de Eerste Brief van Johannes (5, 16) gezegd: “Indien iemand zijn broeder een zonde ziet bedrijven, 82die geen doodzonde is, dan moet hij bidden; en het leven zal gegeven worden aan hem, die niet dodelijk zondigt.” Maar zoals niemand zolang hij hier leeft de weldaad van de berisping onthouden moet worden, omdat wij de voorbestemden niet van de verworpenen kunnen onderscheiden, zoals Augustinus zegt, mag men ook aan niemand de hulp van het gebed weigeren. Om drie redenen moet ook voor de rechtvaardigen worden gebeden. Ten eerste omdat het gebed van velen gemakkelijker wordt verhoord. Daarom zegt de Glossa bij de tekst uit de Brief aan de Romeinen (15, 30): “Helpt mij in uw gebeden”: “Terecht vraagt de Apostel, dat minderen voor hem bidden. Want vele kleinsten, als zij zich eensgezind verenigen, worden groot; en het is onmogelijk, dat het gebed van velen niet zou verkrijgen”, nl. wat verkregen kan worden. Ten tweede, dat door velen God dank wordt gebracht voor de weldaden, die aan de rechtvaardigen bewezen worden en die ook weer velen tot nut strekken, zoals de Apostel in de Tweede Brief aan de Korintiërs (1, 11) bewijst. Ten derde, dat de hoger staanden niet trots worden, als zij bedenken, dat zij de hulp van het gebed van de geringeren nodig hebben.
Utrum debeamus pro inimicis orare
Moeten wij voor onze vijanden bidden?
83Ad octavum sic proceditur. Videtur quod non debeamus pro inimicis orare. Quia, ut dicitur Rom. 15. [v. 4] : « Quaecumque scripta sunt ad nostram doctrinam scripta sunt ». Sed in Sacra Scriptura inducuntur multae imprecationes contra inimicos: dicitur enim in Ps. 6. [v. 11] : « Erubescant et conturbentur omnes inimici mei: convertantur et erubescant valde velociter ». Ergo et nos debemus orare contra inimicos nostros1, magis quam pro eis.
83Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet voor onze vijanden moeten bidden. — 1. Want zooals in den Brief aan de Romeinen (15. 4) staat: « werd alles, wat geschreven is, tot onze onderrichting geschreven. » Nu vinden wij in de H. Schrift vele vervloekingen tegen vijanden; want in het Boek der Psalmen wordt gezegd (6. 11) : « Mogen al mijn vijanden beschaamd en verward worden; mogen zij zeer spoedig beschaamd en verward worden. » Dus moeten wij ook eerder tegen dan voor onze vijanden bidden.83Bedenkingen. — Men beweert, dat wij niet voor onze vijanden moeten bidden. — 1. Want zoals in de Brief aan de Romeinen (15, 4) staat: “werd alles, wat geschreven is, tot onze onderrichting geschreven.” Nu vinden wij in de H. Schrift vele vervloekingen tegen vijanden; want in het Boek van de Psalmen wordt gezegd (6. 11): “Mogen al mijn vijanden beschaamd en verward worden; mogen zij zeer spoedig beschaamd en verward worden.” Dus moeten wij ook eerder tegen dan voor onze vijanden bidden.
2. Praeterea, vindicare de inimicis in malum inimicorum cedit. Sed sancti vindictam de inimicis petunt: secundum illud Apoc. 6. [v. 10] : « Usquequo non vindicas sanguinem nostrum de his qui habitant in terra? » Unde et de vindicta impiorum laetantur: secundum illud Ps. 57. [v. 11] : 84« Laetabitur justus cum viderit vindictam ». Ergo non est orandum pro inimicis, sed magis contra eos.
2. Op zijn vijanden gewroken worden komt op iets kwaads voor de vijanden neer. Nu vragen de heiligen om wraak op hun vijanden volgens het Boek der Openbaring (6. 10) : « Tot wanneer wreekt Gij ons bloed niet op de bewoners der aarde? » Daarom ook verheugen zij zich over de wraak op de goddeloozen naar het psalmwoord: « De rechtvaardige zal zich verheugen, als 84hij de wraak zal zien. » (Ps. 57. 11). Dus moeten wij niet voor, maar eerder tegen onze vijanden bidden.2. Op zijn vijanden gewroken worden komt op iets kwaads voor de vijanden neer. Nu vragen de heiligen om wraak op hun vijanden volgens het Boek van de Openbaring (6, 10): “Tot wanneer wreekt Gij ons bloed niet op de bewoners van de aarde?” Daarom ook verheugen zij zich over de wraak op de goddelozen naar het psalmwoord: “De rechtvaardige zal zich verheugen, als 84hij de wraak zal zien.” (Ps. 57. 11)a. Dus moeten wij niet voor, maar eerder tegen onze vijanden bidden.
3. Praeterea, operatio hominis et ejus oratio non debet esse contraria. Sed homines quandoque licite impugnant inimicos: alioquin omnia bella essent illicita, quod est contra supra dicta [q. 40. art. 1.]. Ergo nos non debemus orare pro inimicis.
3. Tusschen het handelen en het bidden van een mensch mag geen tegenspraak zijn. Nu is het soms den menschen geoorloofd hun vijanden te bestrijden, want anders zouden alle oorlogen ongeoorloofd zijn, wat tegen het vroeger gezegde (40e Kw. 1e Art.) is. Dus moeten wij niet bidden voor onze vijanden.3. Tussen het handelen en het bidden van een mens mag geen tegenspraak zijn. Nu is het soms de mensen geoorloofd hun vijanden te bestrijden, want anders zouden alle oorlogen ongeoorloofd zijn, wat tegen het vroeger gezegde (40e Kw. 1e Art.) is. Dus moeten wij niet bidden voor onze vijanden.
Sed contra est quod dicitur Matth. 5. [v. 44] : « Orate pro persequentibus et calumniantibus vos ».
Maar daartegenover staat het woord van Mattheus (5. 44) : « Bidt voor wie u vervolgen en lasteren. »Maar daartegenover staat het woord van Matteüs (5, 44): “Bidt voor wie u vervolgen en lasteren.”
Respondeo dicendum quod orare pro alio charitatis est, sicut dictum est [art. praec.]. Unde eodem modo quo tenemur diligere inimicos, tenemur pro inimicis orare. Qualiter autem teneamur inimicos diligere supra habitum est, in tractatu de charitate [q. 25. art. 8. et 9.] : ut scilicet in eis diligamus naturam, non culpam; et quod diligere inimicos in generali est in praecepto, in speciali autem non est in praecepto nisi secundum praeparationem animi, ut scilicet homo esset paratus etiam specialiter inimicum 85diligere et eum juvare in necessitatis articulo, vel si veniam peteret; sed in speciali absolute inimicos diligere et eos juvare perfectionis est. Et similiter necessitatis est ut in communibus nostris orationibus quas pro aliis facimus, inimicos non excludamus. Quod autem pro eis specialiter oremus, perfectionis est, non necessitatis, nisi in aliquo casu speciali.
Leerstelling. — Zooals boven werd gezegd (vorig Art.) valt het bidden voor anderen onder de liefde. Dus moeten wij precies zooals wij onze vijanden moeten beminnen, ook voor hen bidden. Nu is vroeger in het tractaat over de liefde (25e Kw. 8e en 9e Art.) uiteengezet, hoe wij hen moeten beminnen: dat wij nl. in hen de natuur en niet de schuld moeten beminnen; en dat het onder het gebod valt de vijanden in het algemeen te beminnen; maar hen afzonderlijk beminnen, valt alleen wat de zielsgesteldheid betreft onder het gebod: de mensch moet nl. bereid zijn een vijand ook bijzonder te beminnen en hem te helpen in geval van 85nood of als hij om vergeving vraagt; maar hen zonder meer in het bijzonder te beminnen en te helpen, valt onder de volmaaktheid. En zoo is het ook noodzakelijk om in onze algemeene gebeden voor anderen de vijanden niet uit te sluiten. Maar in het bijzonder voor hen te bidden, behalve in een bijzonder geval, behoort tot de volmaaktheid, niet tot datgene, wat men moet doen.Leerstelling. — Zoals boven werd gezegd (vorig Art.) valt het bidden voor anderen onder de liefde. Dus moeten wij precies zoals wij onze vijanden moeten beminnen, ook voor hen bidden. Nu is vroeger in het traktaat over de liefde (25e Kw. 8e en 9e Art.) uiteengezet, hoe wij hen moeten beminnen: dat wij nl. in hen de natuur en niet de schuld moeten beminnen; en dat het onder het gebod valt de vijanden in het algemeen te beminnen; maar hen afzonderlijk beminnen, valt alleen wat de zielsgesteldheid betreft onder het gebod: de mens moet nl. bereid zijn een vijand ook bijzonder te beminnen en hem te helpen in geval van 85nood of als hij om vergeving vraagt; maar hen zonder meer in het bijzonder te beminnen en te helpen, valt onder de volmaaktheid. En zo is het ook noodzakelijk om in onze algemene gebeden voor anderen de vijanden niet uit te sluiten. Maar in het bijzonder voor hen te bidden, behalve in een bijzonder geval, behoort tot de volmaaktheid, niet tot datgene, wat men moet doen.
Ad primum ergo dicendum quod imprecationes quae in Sacra Scriptura ponuntur quadrupliciter possunt intelligi. Primo, secundum quod « prophetae solent in figura imprecantis futura praedicere », ut Augustinus dicit in lib. 1. de Serm. Dom. in monte [cap. 21.]. Secundo, prout quaedam temporalia mala peccatoribus quandoque a Deo in correctionem mittuntur. Tertio, quia intelliguntur petere non contra ipsos homines, sed contra regnum peccati: ut scilicet correctione hominum peccata destruantur. Quarto, conformando voluntatum suam divinae justitiae circa damnationem perseverantium in peccato.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vervloekingen, die in de H. Schrift staan, kunnen op vier manieren worden opgevat. Ten eerste in zoover « de profeten gewoonlijk onder den vorm van vervloekingen de toekomst voorzeggen », zooals Augustinus zegt. — Dan in zoover tijdelijk kwaad soms door God den zondaars wordt overgezonden ter verbetering. — Ten derde, als men het opvat, dat zij niets tegen de menschen zelf vragen, maar tegen het rijk van de zonde, dat de zonde nl. door de bestraffing van de menschen wordt vernietigd. — Ten vierde door hun wil aan de goddelijke rechtvaardigheid gelijkvormig te maken wat het bestraffen betreft van wie in zonden verhard blijven.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vervloekingen, die in de H. Schrift staan, kunnen op vier manieren worden opgevat. Ten eerste in zover “de profeten gewoonlijk onder de vorm van vervloekingen de toekomst voorzeggen”, zoals Augustinus zegt. — Dan in zover tijdelijk kwaad soms door God de zondaars wordt overgezonden ter verbetering. — Ten derde, als men het opvat, dat zij niets tegen de mensen zelf vragen, maar tegen het rijk van de zonde, dat de zonde nl. door de bestraffing van de mensen wordt vernietigd. — Ten vierde door hun wil aan de goddelijke rechtvaardigheid gelijkvormig te maken wat het bestraffen betreft van wie in zonden verhard blijven.
Ad secundum dicendum quod, sicut in eodem lib. [cap. 22.] Augustinus dicit, « vindicta martyrum est ut evertatur regnum peccati, quo 86regnante tanta perpessi sunt ». Vel, sicut dicitur in libro de QQ. V. et N. T. [q. 68.], « postulant se vindicari non voce, sed ratione: sicut sanguis Abel clamavit de terra ». Laetantur autem de vindicta non propter eam, sed propter divinam justitiam.
2. Zooals Augustinus zegt, « ligt de wraak van de martelaars in de vernietiging van het rijk der zonde, onder welks heerschappij zij zooveel hebben geleden. » Of, zooals hij elders zegt, « vragen 86zij niet met den mond om wraak, maar uit den aard der zaak, zooals het bloed van Abel van de aarde riep. » Over de wraak op zichzelf verheugen zij zich echter niet, maar om de goddelijke rechtvaardigheid.2. Zoals Augustinus zegt, “ligt de wraak van de martelaars in de vernietiging van het rijk van de zonde, onder welks heerschappij zij zoveel hebben geleden.” Of, zoals hij elders zegt, “vragen 86zij niet met de mond om wraak, maar uit de aard van de zaak, zoals het bloed van Abel van de aarde riep.” Over de wraak op zichzelf verheugen zij zich echter niet, maar om de goddelijke rechtvaardigheid.
Ad tertium dicendum quod licitum est impugnare inimicos ut compescantur a peccatis: quod cedit in bonum eorum et aliorum. Et sic etiam licet orando petere aliqua temporalia mala inimicorum ut corrigantur. Et sic oratio et operatio non erunt contraria.
3. Vijanden bestrijden is geoorloofd om hen van het kwaad af te houden, wat hun en anderen tot nut is. En zoo mag men ook in het gebed tijdelijk kwaad voor de vijanden vragen om hen te beteren. Zoo is er geen tegenstrijdigheid tusschen bidden en handelen.3. Vijanden bestrijden is geoorloofd om hen van het kwaad af te houden, wat hun en anderen tot nut is. En zo mag men ook in het gebed tijdelijk kwaad voor de vijanden vragen om hen te beteren. Zo is er geen tegenstrijdigheid tussen bidden en handelen.
Utrum convenienter septem petitiones Orationis Dominicae assignentur
Worden de zeven vragen van het Gebed des Heeren op gepaste manier opgegeven?Worden de zeven vragen van het Gebed van de Heer op gepaste manier opgegeven?
Ad nonum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter septem petitiones Orationis Dominicae assignentur. Vanum enim est petere sanctificari illud quod semper est sanctum. Sed nomen Dei semper est sanctum: secundum illud Luc. 1. [v. 49] : « Sanctum nomen ejus ». Regnum etiam ejus est 87sempiternum: secundum illud Ps. 144. [v. 13] : « Regnum tuum, Domine, regnum omnium saeculorum ». Voluntas etiam Dei semper impletur: secundum illud Isa. 46. [v. 10] : « Omnis voluntas mea fiet ». Vanum ergo est petere quod « nomen Dei sanctificetur », quod « regnum ejus adveniat », et quod « voluntas ejus fiat ».
Bedenkingen. — Men beweert, dat de zeven vragen van het Gebed des Heeren niet op gepaste manier worden opgegeven. — 1. Want het is nutteloos te vragen om wat er altijd is. Nu is de naam van den Heer altijd heilig naar het woord van Lucas (1. 49) : « Heilig is Zijn naam. » Ook is Zijn Rijk eeuwig naar 87het psalmwoord: « Uw Rijk, o Heer, is een Rijk van alle eeuwen. » (Ps. 144. 13). Gods wil wordt ook altijd vervuld naar het woord van Isaïas (46. 10) : « Alles wat Ik wil zal geschieden. » Het is dus nutteloos te vragen, dat Gods naam worde geheiligd, dat Zijn Rijk kome, en dat Zijn wil geschiede.Bedenkingen. — Men beweert, dat de zeven vragen van het Gebed van de Heer niet op gepaste manier worden opgegeven. — 1. Want het is nutteloos te vragen om wat er altijd is. Nu is de naam van de Heer altijd heilig naar het woord van Lukas (1, 49): “Heilig is Zijn naam.” Ook is Zijn Rijk eeuwig naar 87het psalmwoord: “Uw Rijk, o Heer, is een Rijk van alle eeuwen.” (Ps. 144. 13)a. Gods wil wordt ook altijd vervuld naar het woord van Jesaja (46, 10): “Alles wat Ik wil zal geschieden.” Het is dus nutteloos te vragen, dat Gods naam worde geheiligd, dat Zijn Rijk kome, en dat Zijn wil geschiede.
2. Praeterea, prius est recedere a malo quam consequi bonum. Inconvenienter ergo videntur praeordinari petitiones quae pertinent ad consequendum bonum, petitionibus, quae pertinent ad amotionem mali.
2. Afwijken van het kwaad komt vóór het bereiken van het goede. Het schijnt dus niet gepast de vragen, die op het bereiken van eenig goed slaan te plaatsen vóór de vragen, die op het wegnemen van het kwaad betrekking hebben.2. Afwijken van het kwaad komt vóór het bereiken van het goede. Het schijnt dus niet gepast de vragen, die op het bereiken van enig goed slaan te plaatsen vóór de vragen, die op het wegnemen van het kwaad betrekking hebben.
3. Praeterea, ad hoc aliquid petitur ut donetur. Sed praecipuum donum Dei est Spiritus Sanctus, et ea quae nobis per ipsum dantur. Ergo videntur inconvenienter poni petitiones, cum non respondeant donis Spiritus Sancti.
3. Iets wordt gevraagd, opdat het gegeven zal worden. Nu is Gods voornaamste gave den H. Geest en wat ons door Hem gegeven wordt. Daarom schijnen de vragen niet goed opgesteld te zijn, daar zij niet aan de gaven van den H. Geest beantwoorden.3. Iets wordt gevraagd, opdat het gegeven zal worden. Nu is Gods voornaamste gave de H. Geest en wat ons door Hem gegeven wordt. Daarom schijnen de vragen niet goed opgesteld te zijn, daar zij niet aan de gaven van de H. Geest beantwoorden.
4. Praeterea, secundum Lucam in oratione Dominica ponuntur solum quinque petitiones, ut patet Luc. 11. [v. 2 sqq.]. Superfluum ergo fuit quod secundum Matthaeum septem petitiones ponuntur.
4. Volgens Lucas (11. 2) worden maar vijf vragen van het Gebed des Heeren opgegeven. Het schijnt daarom overbodig, dat er volgens Mattheus (6. 9) zeven worden opgesteld.4. Volgens Lukas (11, 2) worden maar vijf vragen van het Gebed van de Heer opgegeven. Het schijnt daarom overbodig, dat er volgens Matteüs (6, 9) zeven worden opgesteld.
5. Praeterea, vanum videtur captare benevolentiam ejus qui benevolentia sua nos praevenit. Sed Deus sua benevolentia nos praevenit: quia « ipse prior dilexit nos », ut dicitur 1. Joan. 4. [v. 10]. Superflue ergo 88praemittitur petitionibus, « Pater noster, qui es in coelis », quod videtur ad benevolentiam captandam pertinere.
5. Het schijnt overbodig te trachten iemands welwillendheid te winnen, die ons door zijn welwillendheid voorkomt. Nu voorkomt God ons door Zijn welwillendheid, omdat « Hij ons het eerst heeft bemind, » zooals in den Eersten Brief van Joannes (4. 10) 88staat. Het schijnt dus overbodig aan de vragen: « Onze Vader, die in den hemel zijt, » vooraf te laten gaan, wat dient om welwillendheid te winnen.5. Het schijnt overbodig te trachten iemands welwillendheid te winnen, die ons door zijn welwillendheid voorkomt. Nu voorkomt God ons door Zijn welwillendheid, omdat “Hij ons het eerst heeft bemind,” zoals in de Eerste Brief van Johannes (4, 10) 88staat. Het schijnt dus overbodig aan de vragen: “Onze Vader, die in de hemel zijt,” vooraf te laten gaan, wat dient om welwillendheid te winnen.
Sed in contrarium sufficit auctoritas Christi Orationem instituentis.
Maar als tegenbewijs is het gezag van Christus, die het gebed instelde, voldoende.
Respondeo dicendum quod Oratio Dominica perfectissima est: quia, sicut Augustinus dicit, ad Probam [epis. 130. al. 121. cap. 12.], « si recte et congruenter oramus, nihil aliud dicere possumus quam quod in ista Oratione Dominica positum est ». Quia enim oratio est quodammodo desiderii nostri interpres apud Deum, illa recte solum orando petimus quae recte desiderare valemus. In oratione autem Dominica non solum petuntur omnia quae recte desiderare possumus, sed etiam eo ordine quo desideranda sunt: ut sic haec Oratio non solum instruat postulare, sed etiam sit informativa totius nostri affectus. Manifestum est autem quod primo cadit in desiderio nostro finis; deinde ea quae sunt ad finem. Finis autem noster Deus est. In quem noster affectus tendit dupliciter: uno quidem modo, prout volumus gloriam Dei; alio modo, secundum quod volumus frui gloria 89ejus. Quorum primum pertinet ad dilectionem qua Deum in seipso diligimus: secundum vero pertinet ad dilectionem, qua diligimus nos in Deo. Et ideo prima petitio ponitur: « Sanctificetur nomen tuum », per quam petimus gloriam Dei. Secunda vero ponitur: « Adveniat regnum tuum », per quam petimus ad gloriam regni ejus pervenire.
Leerstelling. — Het Gebed des Heeren is allervolmaaktst, omdat, zooals Augustinus zegt, « wij, als wij goed en gepast bidden, niets anders kunnen zeggen dan wat in dit Gebed des Heeren staat. » Omdat het gebed nl. in zekeren zin de tolk van ons verlangen bij God is, vragen wij in het gebed alleen maar goed, wat wij goed kunnen verlangen. Nu wordt in het Gebed des Heeren niet alleen slechts datgene gevraagd, wat wij goed kunnen verlangen, [De vertaling van «sed etiam eo ordine quo desideranda sunt» ontbreekt in de uitgave.] zoodat dit gebed ons niet alleen leert vragen, maar ook den juisten vorm aan al onze gevoelens geeft. Het is toch duidelijk, dat eerst het doel en dan wat tot het doel leidt onder ons verlangen valt. Nu is God ons doel. Op twee manieren gaat ons verlangen naar Hem uit, vooreerst in zoover wij Gods verheerlijking willen, en dan in zoover wij van Zijn 89heerlijkheid willen genieten. Het eerste hiervan valt onder de liefde, waarmee wij God in Hemzelf beminnen, en het tweede tot de liefde, waarmee wij onszelf in God beminnen. Daarom wordt als eerste vraag opgesteld: « Uw naam worde geheiligd, » waarmee wij om Gods verheerlijking vragen; en als tweede: « Uw Rijk kome, » waarmee wij vragen tot de heerlijkheid van Zijn Rijk te komen.Leerstelling. — Het Gebed van de Heer is allervolmaaktst, omdat, zoals Augustinus zegt, “wij, als wij goed en gepast bidden, niets anders kunnen zeggen dan wat in dit Gebed van de Heer staat.” Omdat het gebed nl. in zekeren zin de tolk van ons verlangen bij God is, vragen wij in het gebed alleen maar goed, wat wij goed kunnen verlangen. Nu wordt in het Gebed van de Heer niet alleen slechts datgene gevraagd, wat wij goed kunnen verlangen, [De vertaling van “sed etiam eo ordine quo desideranda sunt” ontbreekt in de uitgave.] zodat dit gebed ons niet alleen leert vragen, maar ook de juiste vorm aan al onze gevoelens geeft. Het is toch duidelijk, dat eerst het doel en dan wat tot het doel leidt onder ons verlangen valt. Nu is God ons doel. Op twee manieren gaat ons verlangen naar Hem uit, vooreerst in zover wij Gods verheerlijking willen, en dan in zover wij van Zijn 89heerlijkheid willen genieten. Het eerste hiervan valt onder de liefde, waarmee wij God in Hemzelf beminnen, en het tweede tot de liefde, waarmee wij onszelf in God beminnen. Daarom wordt als eerste vraag opgesteld: “Uw naam worde geheiligd,” waarmee wij om Gods verheerlijking vragen; en als tweede: “Uw Rijk kome,” waarmee wij vragen tot de heerlijkheid van Zijn Rijk te komen.
Ad finem autem praedictum nos ordinat aliquid dupliciter: uno modo, per se; alio modo, per accidens. Per se quidem, bonum quod est utile in finem. Est autem aliquid utile in finem beatitudinis dupliciter. Uno modo, directe et principaliter, secundum meritum quo beatitudinem meremur Deo obediendo. Et quantum ad hoc ponitur: « Fiat voluntas tua, sicut in coelo, et in terra ». Alio modo, instrumentaliter et quasi coadjuvans nos ad merendum. Et ad hoc pertinet quod dicitur: « Panem nostrum quotidianum da nobis hodie ». Sive hoc intelligatur de pane sacramentali, cujus quotidianus usus proficit homini, in quo etiam intelliguntur omnia alia sacramenta; sive etiam intelligatur de pane corporali, ut per panem intelligatur « omnis sufficientia victus », sicut dicit Augustinus, ad Probam [cap. 9011.] ; quia et Eucharistia est praecipuum Sacramentum, et panis est praecipuus cibus: unde in Evangelio Matthaei scriptum est: « Supersubstantialem », idest « praecipuum », ut Hieronymus exponit [super cap. 6. Matth.]. Per accidens autem ordinamur in beatitudinem per remotionem prohibentis. Tria autem sunt quae nos a beatitudine prohibent. Primo quidem, peccatum, quod directe excludit a Regno: secundum illud 1. ad Cor. 6. [v. 9, 10] : « Neque fornicarii, neque idolis servientes, etc. regnum Dei possidebunt ». Et ad hoc pertinet quod dicitur: « Dimitte nobis debita nostra ». Secundo, tentatio, quae nos impedit ab observantia divinae voluntatis. Et ad hoc pertinet quod dicitur: « Et ne nos inducas in tentationem »: per quod non petimus ut non tentemur, sed ut a tentatione non vincamur, quod est in tentationem induci. Tertio, poenalitas praesens, ut quae impedit sufficientiam vitae. Et quantum ad hoc dicitur: « Libera nos a malo ».
Op twee manieren nu richt iets ons op het genoemde doel: vooreerst uiteraard en ten tweede als iets bijkomstigs. En wel uiteraard het goede, wat voor dat doel nuttig is. Nu kan iets op twee manieren nuttig zijn voor het doel, de zaligheid. Ten eerste onmiddellijk en als het voornaamste, naar de verdienste, waarmee wij door aan God te gehoorzamen de zaligheid verdienen. En wat dat betreft wordt opgesteld: « Uw wil geschiede op aarde zooals in den hemel. » Op een andere manier bij wijze van werktuig en ons als het ware helpend om te verdienen. En hierop slaat, wat dan gezegd wordt: « Geef ons heden ons dagelijksch brood, » hetzij dat nu wordt opgevat van het sacramenteele brood, waarvan het dagelijksch gebruik den mensch vooruithelpt en waaronder ook alle andere Sacramenten worden begrepen; of dat het wordt verstaan van het brood van het lichaam, zoodat onder brood wordt verstaan « alles wat voor het levensonderhoud voldoende is, » 90zooals Augustinus zegt. Want evenzeer is de Eucharistie het voornaamste Sacrament, als het brood het voornaamste voedsel is; en daarom staat ook in het Evangelie van Mattheus: « meer dan zelfstandig », d. w. z. « het voornaamste », zooals Hieronymus uitlegt. Op bijkomstige manier worden wij op de zaligheid gericht door het wegnemen van wat in den weg staat. Nu zijn er drie dingen, die ons van de zaligheid afhouden. En wel vooreerst de zonde, die rechtstreeks van het Rijk uitsluit volgens den Eersten brief aan de Corinthiërs (6. 9, 10) : « Noch ontuchtigen, noch afgodendienaars, enz. zullen het Rijk Gods bezitten. » En daarop slaat wat wordt gezegd: « Vergeef ons onze schulden. » Ten tweede de bekoring die ons belet Gods wil te onderhouden. En daarop slaat het gezegde: « En leid ons niet in bekoring, » waarmee wij niet vragen niet bekoord te worden, maar in de bekoring niet overwonnen te worden, wat in bekoring geleid worden is. Ten derde de nu heerschende straf, die ons niet genoeg geeft om te leven. En wat dat betreft wordt gezegd: « Verlos ons van het kwade. »Op twee manieren nu richt iets ons op het genoemde doel: vooreerst uiteraard en ten tweede als iets bijkomstigs. En wel uiteraard het goede, wat voor dat doel nuttig is. Nu kan iets op twee manieren nuttig zijn voor het doel, de zaligheid. Ten eerste onmiddellijk en als het voornaamste, naar de verdienste, waarmee wij door aan God te gehoorzamen de zaligheid verdienen. En wat dat betreft wordt opgesteld: “Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel.” Op een andere manier bij wijze van werktuig en ons als het ware helpend om te verdienen. En hierop slaat, wat dan gezegd wordt: “Geef ons heden ons dagelijks brood,” hetzij dat nu wordt opgevat van het sacramentele brood, waarvan het dagelijks gebruik de mens vooruithelpt en waaronder ook alle andere Sacramenten worden begrepen; of dat het wordt verstaan van het brood van het lichaam, zodat onder brood wordt verstaan “alles wat voor het levensonderhoud voldoende is,” 90zoals Augustinus zegt. Want evenzeer is de Eucharistie het voornaamste Sacrament, als het brood het voornaamste voedsel is; en daarom staat ook in het Evangelie van Matteüs: “meer dan zelfstandig”, d. w. z. “het voornaamste”, zoals Hieronymus uitlegt. Op bijkomstige manier worden wij op de zaligheid gericht door het wegnemen van wat in de weg staat. Nu zijn er drie dingen, die ons van de zaligheid afhouden. En wel vooreerst de zonde, die rechtstreeks van het Rijk uitsluit volgens de Eerste brief aan de Korintiërs (6, 9, 10): “Noch ontuchtigen, noch afgodendienaars, enz. zullen het Rijk Gods bezitten.” En daarop slaat wat wordt gezegd: “Vergeef ons onze schulden.” Ten tweede de bekoring die ons belet Gods wil te onderhouden. En daarop slaat het gezegde: “En leid ons niet in bekoring,” waarmee wij niet vragen niet bekoord te worden, maar in de bekoring niet overwonnen te worden, wat in bekoring geleid worden is. Ten derde de nu heersende straf, die ons niet genoeg geeft om te leven. En wat dat betreft wordt gezegd: “Verlos ons van het kwade.”
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 5. in fin.], cum dicimus « Sanctificetur nomen 91tuum », « non hoc petitur, quasi non sit sanctum nomen Dei: sed ut sanctum ab hominibus habeatur » ; quod pertinet ad Dei gloriam in hominibus propagandam. Quod autem dicitur: « Adveniat regnum tuum », « non ita dictum est quasi Deus nunc non regnet »: sed, sicut Augustinus dicit, ad Probam [loc. nunc cit.], « desiderium nostrum ad illud regnum excitamus, ut illud nobis veniat, atque in eo regnemus ». Quod autem dicitur: « Fiat voluntas tua », recte intelligitur: Obediatur praeceptis tuis. « Sicut in coelo et in terra », idest, sicut ab angelis, ita ab hominibus. Unde hae tres petitiones perfecte complebuntur in vita futura: aliae vero quatuor pertinent ad necessitatem vitae praesentis, sicut Augustinus dicit in Enchir. [cap. 115.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt, vragen wij, als wij zeggen: « Uw naam worde geheiligd », « dit niet, alsof Gods naam niet heilig zou zijn, maar dat hij door 91de menschen als heilig worde beschouwd, » wat valt onder het verbreiden van Gods heerlijkheid onder de menschen. Dat er gezegd wordt: « Uw Rijk kome », « is niet gezegd, alsof God nu niet zou heerschen, » maar zooals Augustinus zegt, « dat wij ons verlangen naar dat Rijk opwekken, dat het tot ons kome en wij erin heerschen. » Maar als gezegd wordt: « Uw wil geschiede, » dan is dat goed verstaan: moge aan Uw bevelen gehoorzaamd worden, zooals in den hemel, zoo ook op aarde, d. w. z. zooals door de engelen, zoo ook door de menschen. » Daarom zullen deze drie vragen volmaakt worden vervuld in het toekomstige leven; maar de andere vier hebben betrekking op wat voor dit leven noodig is, zooals Augustinus zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt, vragen wij, als wij zeggen: “Uw naam worde geheiligd”, “dit niet, alsof Gods naam niet heilig zou zijn, maar dat hij door 91de mensen als heilig worde beschouwd,” wat valt onder het verbreiden van Gods heerlijkheid onder de mensen. Dat er gezegd wordt: “Uw Rijk kome”, “is niet gezegd, alsof God nu niet zou heersen,” maar zoals Augustinus zegt, “dat wij ons verlangen naar dat Rijk opwekken, dat het tot ons kome en wij erin heersen.” Maar als gezegd wordt: “Uw wil geschiede,” dan is dat goed verstaan: moge aan Uw bevelen gehoorzaamd worden, zoals in de hemel, zo ook op aarde, d. w. z. zoals door de engelen, zo ook door de mensen.” Daarom zullen deze drie vragen volmaakt worden vervuld in het toekomstige leven; maar de andere vier hebben betrekking op wat voor dit leven nodig is, zoals Augustinus zegt.
Ad secundum dicendum quod, cum oratio sit interpres desiderii, ordo petitionum non respondet ordini executionis, sed ordini desiderii sive intentionis, in quo prius est finis quam ea quae sunt ad finem, et consecutio boni quam remotio mali.
2. Daar het gebed de tolk van het verlangen is, beantwoordt de volgorde van de vragen niet aan de orde in het uitvoeren, maar aan de orde van het verlangen of het plan, waarin het doel aan wat tot het doel leidt voorafgaat en het bereiken van het goede aan het wegnemen van het kwaad.
Ad tertium dicendum quod Augustinus, in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 11.], adaptat septem petitiones donis et beatitudinibus, dicens: « Si timor Dei est quo beati sunt pauperes spiritu, petamus ut sanctificetur 92nomen Dei in hominibus timore casto. Si pietas est qua beati sunt mites, petamus ut veniat regnum ejus, ut mitescamus, nec ei resistamus. Si scientia est qua beati sunt qui lugent, oremus ut fiat voluntas ejus: et sic non lugebimus. Si fortitudo est qua beati sunt qui esuriunt, oremus ut panis noster quotidianus detur nobis. Si consilium est quo beati sunt misericordes, debita dimittamus, ut nobis nostra dimittantur. Si intellectus est quo beati sunt mundo corde, oremus ne habeamus duplex cor, temporalia sectando, de quibus tentationes fiunt in nobis. Si sapientia est qua beati sunt pacifici quoniam filii Dei vocabuntur, oremus ut liberemur a malo: ipsa enim liberatio liberos nos faciet filios Dei ».
3. Augustinus brengt de zeven vragen in overeenstemming met de gaven en de zaligheden, als hij zegt: « Als het door de vreeze Gods is, dat de armen van geest zalig zijn, laten wij dan vragen, 92dat door een kuische vrees Gods naam onder de menschen mag worden geheiligd. Als het door de godsvrucht is, dat de zachtmoedigen zalig zijn, laten wij dan vragen, dat Zijn Rijk kome, waardoor wij zachtmoedig worden en Hem niet weerstaan. Als het door de wetenschap is, dat zij die treuren zalig zijn, laten wij dan vragen, dat Zijn wil geschiede, omdat wij dan niet zullen treuren. Als het de sterkte is, waardoor zij, die hongeren, zalig zijn, laten wij dan bidden, dat ons dagelijksch brood ons mag worden gegeven. Als het de raad is, waardoor de barmhartigen zalig zijn, laten wij dan de schulden vergeven, opdat de onzen ons worden vergeven. Als het het inzicht is, waardoor de zuiveren van hart zalig zijn, laten wij dan bidden, dat wij niet dubbelhartig mogen zijn door het tijdelijke te zoeken, waarvandaan ons de bekoringen komen. Als het de wijsheid is, waardoor de vreedzamen zalig zijn, omdat zij kinderen van God zullen worden genoemd, laten wij vragen, dat wij van het kwaad worden verlost, omdat de verlossing zelf ons vrije kinderen van God maakt. »3. Augustinus brengt de zeven vragen in overeenstemming met de gaven en de zaligheden, als hij zegt: “Als het door de vreze Gods is, dat de armen van geest zalig zijn, laten wij dan vragen, 92dat door een kuise vrees Gods naam onder de mensen mag worden geheiligd. Als het door de godsvrucht is, dat de zachtmoedigen zalig zijn, laten wij dan vragen, dat Zijn Rijk kome, waardoor wij zachtmoedig worden en Hem niet weerstaan. Als het door de wetenschap is, dat zij die treuren zalig zijn, laten wij dan vragen, dat Zijn wil geschiede, omdat wij dan niet zullen treuren. Als het de sterkte is, waardoor zij, die hongeren, zalig zijn, laten wij dan bidden, dat ons dagelijks brood ons mag worden gegeven. Als het de raad is, waardoor de barmhartigen zalig zijn, laten wij dan de schulden vergeven, opdat de onze ons worden vergeven. Als het het inzicht is, waardoor de zuiveren van hart zalig zijn, laten wij dan bidden, dat wij niet dubbelhartig mogen zijn door het tijdelijke te zoeken, waarvandaan ons de bekoringen komen. Als het de wijsheid is, waardoor de vreedzamen zalig zijn, omdat zij kinderen van God zullen worden genoemd, laten wij vragen, dat wij van het kwaad worden verlost, omdat de verlossing zelf ons vrije kinderen van God maakt.”
Ad quartum dicendum quod, sicut Augustinus dicit in Enchir. [cap. 116.], « Lucas in oratione Dominica petitiones non septem, sed quinque complexus est. Ostendens enim tertiam petitionem duarum praemissarum esse quodammodo repetitionem, praetermittendo eam magis facit intelligi »: quia scilicet ad hoc praecipue voluntas Dei tendit ut ejus sanctitatem 93cognoscamus, et cum ipso regnemus. « Quod etiam Matthaeus in ultima posuit, « Libera nos a malo », Lucas non posuit, ut sciat unusquisque in eo se liberari a malo quod non infertur in tentationem ».
4. Zooals Augustinus zegt, « geeft Lucas in het Gebed des Heeren geen zeven, maar vijf vragen op. Want daar hij laat zien, dat de derde in zekeren zin de herhaling van de twee voorafgaanden is, laat hij haar door haar over te slaan beter begrijpen », omdat nl. Gods wil vooral dit bedoelt, dat wij Zijn heiligheid kennen en met Hem heerschen. « En ook wat Mattheus als het laatste 93opgeeft: Verlos ons van het kwaad, heeft Lucas niet genoemd, opdat iedereen zou weten, dat hij hierdoor van het kwaad wordt verlost, dat hij niet in bekoring wordt geleid. »4. Zoals Augustinus zegt, “geeft Lukas in het Gebed van de Heer geen zeven, maar vijf vragen op. Want daar hij laat zien, dat de derde in zekeren zin de herhaling van de twee voorafgaanden is, laat hij haar door haar over te slaan beter begrijpen”, omdat nl. Gods wil vooral dit bedoelt, dat wij Zijn heiligheid kennen en met Hem heersen. “En ook wat Matteüs als het laatste 93opgeeft: Verlos ons van het kwaad, heeft Lukas niet genoemd, opdat iedereen zou weten, dat hij hierdoor van het kwaad wordt verlost, dat hij niet in bekoring wordt geleid.”
Ad quintum dicendum quod oratio non porrigitur Deo ut ipsum flectamus: sed ut in nobis ipsis fiduciam excitemus postulandi. Quae quidem praecipue excitatur in nobis considerando ejus charitatem ad nos, qua bonum nostrum vult, et ideo dicimus, « Pater noster » ; et ejus excellentiam, qua potest, et ideo dicimus, « Qui es in coelis ».
5. Wij richten onze gebeden niet tot God om Hem van plan te doen veranderen, maar om in onszelf vertrouwen om te vragen op te wekken. En dat wordt in ons vooral opgewekt door Zijn liefde voor ons te beschouwen, waardoor Hij wil, wat goed voor ons is; en daarom zeggen wij: Onze Vader; en Zijn verhevenheid, waardoor Hij het ons kan geven; en daarom zeggen wij: Die in den hemel zijt.5. Wij richten onze gebeden niet tot God om Hem van plan te doen veranderen, maar om in onszelf vertrouwen om te vragen op te wekken. En dat wordt in ons vooral opgewekt door Zijn liefde voor ons te beschouwen, waardoor Hij wil, wat goed voor ons is; en daarom zeggen wij: Onze Vader; en Zijn verhevenheid, waardoor Hij het ons kan geven; en daarom zeggen wij: Die in de hemel zijt.
Utrum orare sit proprium rationalis creaturae
Is bidden aan het redelijke schepsel eigen?
Ad decimum sic proceditur. Videtur quod orare non sit proprium rationalis creaturae. Ejusdem enim videtur esse petere et accipere. Sed accipere convenit etiam personis increatis, scilicet Filio, et Spiritui Sancto. Ergo etiam eis convenit orare: nam et Filius dicit, Joan. 14. [v. 16] : « Ergo 94rogabo Patrem meum » ; et de Spiritu Sancto dicit Apostolus [Rom. 8. v. 26] : « Spiritus postulat pro nobis ».
Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden niet eigen is aan het redelijke schepsel. — 1. Want dezelfde is het die vraagt en ontvangt. Nu komt het ook aan ongeschapen Personen toe te ontvangen, nl. aan den Zoon en den H. Geest. Dus komt ook bidden Hun toe; want de Zoon zegt bij Joannes (14. 16) : « Ik 94zal den Vader vragen, » en van den H. Geest zegt de Apostel: « De Geest vraagt voor ons. » (Rom. 8. 26)Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden niet eigen is aan het redelijke schepsel. — 1. Want dezelfde is het die vraagt en ontvangt. Nu komt het ook aan ongeschapen Personen toe te ontvangen, nl. aan de Zoon en de H. Geest. Dus komt ook bidden Hun toe; want de Zoon zegt bij Johannes (14, 16): “Ik 94zal de Vader vragen,” en van de H. Geest zegt de Apostel: “De Geest vraagt voor ons.” (Rom. 8. 26)
2. Praeterea, angeli sunt supra rationales creaturas: cum sint intellectuales substantiae. Sed ad angelos pertinet orare: unde in Ps. 96. [v. 7] dicitur: « Adorate eum omnes angeli ejus ». Ergo orare non est proprium rationalis creaturae.
2. De Engelen staan boven de redelijke schepselen, daar zij zelfstandigheden met inzicht zijn. Nu komt ook bidden aan de engelen toe naar het psalmwoord: « Aanbidt Hem, al Zijn engelen. » (Ps. 96. 7) Dus is bidden niet iets eigens van het redelijke schepsel.2. De Engelen staan boven de redelijke schepselen, daar zij zelfstandigheden met inzicht zijn. Nu komt ook bidden aan de engelen toe naar het psalmwoord: “Aanbidt Hem, al Zijn engelen.” (Ps. 96. 7)a Dus is bidden niet iets eigens van het redelijke schepsel.
3. Praeterea, ejusdem est orare cujus est invocare Deum, quod praecipue fit orando. Sed brutis animalibus convenit invocare Deum: secundum illud Ps. 146. [v. 9] : « Qui dat jumentis escam ipsorum, et pullis corvorum invocantibus eum ». Ergo orare non est proprium rationalis creaturae.
3. Bidden komt aan dezelfden toe als God aanroepen, wat vooral door het gebed gebeurt. Nu komt het ook aan de dieren toe God aan te roepen naar het psalmwoord: « Die aan lastdieren hun eten geeft en aan de jonge raven, die hem aanroepen. » (Ps. 146. 9) Dus is bidden niet eigen aan het redelijke schepsel.3. Bidden komt aan dezelfden toe als God aanroepen, wat vooral door het gebed gebeurt. Nu komt het ook aan de dieren toe God aan te roepen naar het psalmwoord: “Die aan lastdieren hun eten geeft en aan de jonge raven, die hem aanroepen.” (Ps. 146. 9)b Dus is bidden niet eigen aan het redelijke schepsel.
Sed contra, oratio est actus rationis, ut supra habitum est [art. 1. huj. q.]. Sed rationalis creatura a ratione dicitur. Ergo orare est proprium rationalis creaturae.
Maar daartegenover staat, dat bidden, zooals vroeger gezegd is (1e Art.), een daad is van het verstand. Nu heet het redelijke schepsel zoo naar de rede. Dus is bidden eigen aan het redelijke schepsel.Maar daartegenover staat, dat bidden, zoals vroeger gezegd is (1e Art.), een daad is van het verstand. Nu heet het redelijke schepsel zo naar de rede. Dus is bidden eigen aan het redelijke schepsel.
Respondeo dicendum quod, sicut ex supra dictis patet [ibid.], oratio est actus rationis per quem aliquis superiorem deprecatur, sicut imperium 95est actus rationis quo inferior ad aliquid ordinatur. Illi ergo proprie competit orare cui convenit rationem habere, et superiorem quem deprecari possit. Divinis autem personis nihil est superius: bruta autem animalia non habent rationem. Unde neque divinis Personis neque brutis animalibus convenit orare, sed proprium est rationalis creaturae.
Leerstelling. — Zooals uit het boven gezegde (1e Art.) blijkt, is bidden een daad van de rede, waardoor iemand een hoogere iets vraagt, zooals het bevel een daad van de rede is, 95waardoor een lagere zijn doel krijgt. Daarom komt bidden eigenlijk aan diengene toe, die verstand heeft en iemand die boven hem staat, waaraan hij iets vragen kan. Nu is er niets hoogers dan de goddelijke Personen, terwijl de dieren geen rede bezitten. Daarom komt bidden noch aan de goddelijke Personen, noch aan de dieren toe, maar is eigen aan het redelijke schepsel.Leerstelling. — Zoals uit het boven gezegde (1e Art.) blijkt, is bidden een daad van de rede, waardoor iemand een hogere iets vraagt, zoals het bevel een daad van de rede is, 95waardoor een lagere zijn doel krijgt. Daarom komt bidden eigenlijk aan diengene toe, die verstand heeft en iemand die boven hem staat, waaraan hij iets vragen kan. Nu is er niets hogers dan de goddelijke Personen, terwijl de dieren geen rede bezitten. Daarom komt bidden noch aan de goddelijke Personen, noch aan de dieren toe, maar is eigen aan het redelijke schepsel.
Ad primum ergo dicendum quod divinis Personis convenit accipere per naturam: orare autem est accipientis per gratiam. Dicitur autem Filius rogare, vel orare, secundum naturam assumptam, scilicet humanam: non secundum divinam. Spiritus autem Sanctus dicitur postulare, quia postulantes nos facit.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan de goddelijke Personen komt het krachtens de natuur toe te ontvangen, maar bidden doet hij, die krachtens genade ontvangt. Van den Zoon wordt gezegd, dat Hij bidt of vraagt krachtens de aangenomen, nl. de menschelijke natuur, maar niet om de goddelijke. Van den H. Geest wordt gezegd, dat Hij vraagt, omdat Hij ons doet vragen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Aan de goddelijke Personen komt het krachtens de natuur toe te ontvangen, maar bidden doet hij, die krachtens genade ontvangt. Van de Zoon wordt gezegd, dat Hij bidt of vraagt krachtens de aangenomen, nl. de menselijke natuur, maar niet om de goddelijke. Van de H. Geest wordt gezegd, dat Hij vraagt, omdat Hij ons doet vragen.
Ad secundum dicendum quod intellectus et ratio non sunt in nobis diversae potentiae, ut in 1. habitum est [q. 79. art. 8.] : differunt autem secundum perfectum, et imperfectum. Et ideo quandoque intellectuales creaturae, quae sunt angeli, distinguuntur a rationalibus: quandoque autem sub rationalibus comprehenduntur. Et hoc modo dicitur orare esse proprium rationalis creaturae.
2. Rede en verstand zijn in ons niet verschillende vermogens, zooals in het eerste deel is uiteengezet (79e Kw. 8e Art.) ; maar zij verschillen als het volmaakte en het onvolmaakte. En daarom maakt men soms onderscheid tusschen de verstandelijke schepselen, nl. de engelen en de redelijke, maar soms verstaat men beiden onder de term redelijk. En zoo zegt men ook, dat het gebed aan het redelijke schepsel eigen is.2. Rede en verstand zijn in ons niet verschillende vermogens, zoals in het eerste deel is uiteengezet (79e Kw. 8e Art.); maar zij verschillen als het volmaakte en het onvolmaakte. En daarom maakt men soms onderscheid tussen de verstandelijke schepselen, nl. de engelen en de redelijke, maar soms verstaat men beiden onder de term redelijk. En zo zegt men ook, dat het gebed aan het redelijke schepsel eigen is.
96Ad tertium dicendum quod pulli corvorum dicuntur invocare Deum, propter naturale desiderium quo omnia suo modo desiderant consequi bonitatem divinam. Sic etiam bruta animalia dicuntur Deo obedire, propter naturalem instinctum quo a Deo moventur.
963. Men zegt, dat de jonge raven God aanroepen om het natuurlijke verlangen, waarmee alle dingen Gods goedheid op hun manier willen ontvangen. Zoo zegt men ook dat de dieren aan God gehoorzamen om het natuurlijke instinct, waardoor zij door God worden bewogen.963. Men zegt, dat de jonge raven God aanroepen om het natuurlijke verlangen, waarmee alle dingen Gods goedheid op hun manier willen ontvangen. Zo zegt men ook dat de dieren aan God gehoorzamen om het natuurlijke instinct, waardoor zij door God worden bewogen.
Utrum sancti qui sunt in patria, orent pro nobis
Bidden de heiligen in het hemelsch vaderland voor ons?Bidden de heiligen in het hemels vaderland voor ons?
Ad undecimum sic proceditur. Videtur quod sancti qui sunt in patria non orent pro nobis. Actus enim alicujus magis est meritorius sibi quam aliis. Sed sancti qui sunt in patria non merentur sibi, nec pro se orant: quia jam sunt in termino constituti. Ergo etiam neque pro nobis orant.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de heiligen in het hemelsch vaderland niet voor ons bidden. — 1. Want een daad van iemand heeft meer verdiensten voor hemzelf dan voor anderen. Nu verdienen de heiligen in het hemelsch vaderland niet meer voor zichzelf en bidden ook niet meer voor zichzelf, omdat zij het einddoel hebben bereikt. Dus bidden zij ook niet voor ons.Bedenkingen. — Men beweert, dat de heiligen in het hemels vaderland niet voor ons bidden. — 1. Want een daad van iemand heeft meer verdiensten voor hemzelf dan voor anderen. Nu verdienen de heiligen in het hemels vaderland niet meer voor zichzelf en bidden ook niet meer voor zichzelf, omdat zij het einddoel hebben bereikt. Dus bidden zij ook niet voor ons.
2. Praeterea, sancti perfecte suam voluntatem Deo conformant, ut non velint nisi quod Deus vult. Sed illud quod Deus vult semper impletur. Ergo frustra sancti pro nobis orarent.
2. De heiligen maken hun wil volkomen aan dien van God gelijk, zoodat zij niets anders willen dan wat God wil. Nu gebeurt altijd wat God wil. Dus heeft het geen zin als de heiligen voor ons zouden bidden.2. De heiligen maken hun wil volkomen aan die van God gelijk, zodat zij niets anders willen dan wat God wil. Nu gebeurt altijd wat God wil. Dus heeft het geen zin als de heiligen voor ons zouden bidden.
973. Praeterea, sicut sancti qui sunt in patria sunt superiores nobis, ita et illi qui sunt in purgatorio: quia jam peccare non possunt. Sed illi qui sunt in purgatorio non orant pro nobis, sed magis nos pro eis. Ergo nec sancti qui sunt in patria pro nobis orant.
973. Zooals de heiligen in het vaderland boven ons staan, zoo ook zij, die in het vagevuur zijn, omdat zij niet meer kunnen zondigen. Maar zij, die in het vagevuur zijn, bidden niet voor ons, maar wij eerder voor hen. Dus bidden ook de heiligen in den hemel niet voor ons.973. Zoals de heiligen in het vaderland boven ons staan, zo ook zij, die in het vagevuur zijn, omdat zij niet meer kunnen zondigen. Maar zij, die in het vagevuur zijn, bidden niet voor ons, maar wij eerder voor hen. Dus bidden ook de heiligen in de hemel niet voor ons.
4. Praeterea, si sancti qui sunt in patria pro nobis orarent, superiorum sanctorum esset efficacior oratio. Non ergo deberet implorari suffragium orationum sanctorum inferiorum, sed solum superiorum.
4. Als de heiligen in den hemel voor ons zouden bidden, zou het gebed van grootere heiligen meer uitwerken. Dus zouden wij niet de hulp van de mindere heiligen moeten vragen, maar alleen van de grootere heiligen.4. Als de heiligen in de hemel voor ons zouden bidden, zou het gebed van grotere heiligen meer uitwerken. Dus zouden wij niet de hulp van de mindere heiligen moeten vragen, maar alleen van de grotere heiligen.
5. Praeterea, anima Petri non est Petrus. Si ergo animae sanctorum pro nobis orarent quamdiu sunt a corpore separatae, non deberemus interpellare sanctum Petrum ad orandum pro nobis, sed animam ejus. Cujus contrarium Ecclesia facit. Non ergo sancti, ad minus, ante resurrectionem, orant pro nobis.
5. De ziel van Petrus is Petrus niet. Als dus de zielen van de heiligen voor ons zouden bidden, zoolang zij van het lichaam gescheiden zijn, moesten wij den H. Petrus niet aanroepen om voor ons te bidden, maar zijn ziel. Nu doet de Kerk het tegenovergestelde. Dus bidden de heiligen minstens vóór de verrijzenis niet voor ons.5. De ziel van Petrus is Petrus niet. Als dus de zielen van de heiligen voor ons zouden bidden, zolang zij van het lichaam gescheiden zijn, moesten wij de H. Petrus niet aanroepen om voor ons te bidden, maar zijn ziel. Nu doet de Kerk het tegenovergestelde. Dus bidden de heiligen minstens vóór de verrijzenis niet voor ons.
Sed contra est quod dicitur 2. Machab. ult. [v. 14] : « Hic est qui multum orat pro populo et universa sancta civitate, Hieremias, propheta Dei ».
Maar daartegenover staat, dat in het Tweede Boek der Machabeën (15. 14) staat: « Deze is het, die veel voor het volk en de geheele heilige stad bidt, Jeremias, de profeet van God. »Maar daartegenover staat, dat in het Tweede Boek van de Machabeën (15, 14) staat: “Deze is het, die veel voor het volk en de gehele heilige stad bidt, Jeremia, de profeet van God.”
Respondeo dicendum quod, sicut Hieronymus dicit [lib. cont. Vigilant, 98n. 6], Vigilantii error fuit quod, « dum vivimus, mutuo pro nobis orare possumus; postquam autem mortui fuerimus, nullius pro alio sit exaudienda oratio: praesertim cum Martyres, ultionem sui sanguinis obsecrantes, impetrare nequeant1 ». Sed hoc est omnino falsum. Quia cum oratio pro aliis facta ex charitate proveniat, ut dictum est [art. 7. et 8. huj. q.], quanto sancti qui sunt in patria sunt perfectioris charitatis, tanto magis orant pro viatoribus, qui orationibus juvari possunt: et quanto sunt Deo conjunctiores, tanto eorum orationes sunt magis efficaces. Habet enim hoc divinus ordo, ut ex superiorum excellentia in inferiora refundatur, sicut ex claritate solis in aërem. Unde et de Christo dicitur Hebr. 7. [v. 25] : « Accedens per semetipsum ad Deum ad interpellandum pro nobis ». Et propter hoc Hieronymus contra Vigilantium [loc. sup. cit.] dicit: « Si Apostoli, et martyres adhuc in corpore constituti2, quando pro se adhuc debent esse soliciti pro aliis orant3, quanto magis post coronas, victorias et triumphos! »
Leerstelling. — Volgens Hieronymus was het de dwaling 98van Vigilantius, dat « wij, zoolang wij leven, voor elkander kunnen bidden; maar nadat wij gestorven zijn, kan niemands gebed voor een ander worden verhoord, vooral omdat de martelaars, die wraak voor hun bloed vroegen, dat niet konden verkrijgen. » Maar dat is geheel en al onjuist. Want daar bidden voor anderen uit de liefde voortkomt, bidden de heiligen in den hemel naarmate zij een meer volmaakte liefde hebben meer voor hen, die nog pelgrims zijn en door het gebed kunnen geholpen worden; en naarmate zij meer met God verbonden zijn, heeft hun gebed meer uitwerking. De goddelijke orde immers sluit dit in, dat de verhevenheid van hoogeren op minderen overvloeit als de glans van de zon op de lucht. Daarom wordt in den Brief aan de Hebreën (7. 25) van Christus gezegd: « Door Zichzelf tot God gaand om voor ons te bidden. » Daarom zegt ook Hieronymus: « Als de apostelen en martelaars, zoolang zij nog in leven zijn, voor anderen kunnen bidden, terwijl zij nog voor zichzelf bezorgd moeten zijn, hoeveel te meer dan na de bekroning, overwinning en zegepraal! »Leerstelling. — Volgens Hieronymus was het de dwaling 98van Vigilantius, dat “wij, zolang wij leven, voor elkander kunnen bidden; maar nadat wij gestorven zijn, kan niemands gebed voor een ander worden verhoord, vooral omdat de martelaars, die wraak voor hun bloed vroegen, dat niet konden verkrijgen.” Maar dat is geheel en al onjuist. Want daar bidden voor anderen uit de liefde voortkomt, bidden de heiligen in de hemel naarmate zij een meer volmaakte liefde hebben meer voor hen, die nog pelgrims zijn en door het gebed kunnen geholpen worden; en naarmate zij meer met God verbonden zijn, heeft hun gebed meer uitwerking. De goddelijke orde immers sluit dit in, dat de verhevenheid van hogeren op minderen overvloeit als de glans van de zon op de lucht. Daarom wordt in de Brief aan de Hebreën (7, 25) van Christus gezegd: “Door Zichzelf tot God gaand om voor ons te bidden.” Daarom zegt ook Hieronymus: “Als de apostelen en martelaars, zolang zij nog in leven zijn, voor anderen kunnen bidden, terwijl zij nog voor zichzelf bezorgd moeten zijn, hoeveel te meer dan na de bekroning, overwinning en zegepraal!”
99Ad primum ergo dicendum quod sanctis qui sunt in patria, cum sint beati, nihil deest beatitudinis4, nisi gloria corporis, pro qua orant. Orant autem pro nobis, quibus deest beatitudinis ultima perfectio. Et eorum orationes habent efficaciam impetrandi ex praecedentibus eorum meritis, et ex divina acceptione.
99Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de heiligen in den hemel zalig zijn, ontbreekt hun niets meer dan de heerlijkheid van het lichaam, waarvoor zij bidden. Maar zij bidden voor ons, die de laatste vervolmaking van de zaligheid missen. En hun gebeden hebben het vermogen om iets te verkrijgen door hun verdiensten van vroeger en doordat God ze aanneemt.99Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Daar de heiligen in de hemel zalig zijn, ontbreekt hun niets meer dan de heerlijkheid van het lichaam, waarvoor zij bidden. Maar zij bidden voor ons, die de laatste vervolmaking van de zaligheid missen. En hun gebeden hebben het vermogen om iets te verkrijgen door hun verdiensten van vroeger en doordat God ze aanneemt.
Ad secundum dicendum quod sancti impetrant illud quod Deus vult fieri per orationes eorum. Et hoc petunt quod aestimant eorum orationibus implendum secundum Dei voluntatem.
2. De heiligen verkrijgen datgene, waarvan God wil, dat het door hun gebeden zal geschieden. En datgene vragen zij, wat zij denken dat naar Gods wil door hun gebeden vervuld zal worden.
Ad tertium dicendum quod illi qui sunt in purgatorio, etsi sint superiores nobis propter impeccabilitatem, sunt tamen inferiores quantum ad poenas, quas patiuntur. Et secundum hoc non sunt in statu orandi, sed magis ut oretur pro eis.
3. Al staan zij, die in het vagevuur zijn, hooger dan wij, omdat zij niet kunnen zondigen, toch staan zij om de straffen, die zij ondergaan, weer beneden ons. En in dit opzicht zijn zij niet in een toestand om te bidden, maar waarin eerder voor hen gebeden moet worden.3. Al staan zij, die in het vagevuur zijn, hoger dan wij, omdat zij niet kunnen zondigen, toch staan zij om de straffen, die zij ondergaan, weer beneden ons. En in dit opzicht zijn zij niet in een toestand om te bidden, maar waarin eerder voor hen gebeden moet worden.
Ad quartum dicendum quod Deus vult inferiora per omnia superiora juvari. Et ideo oportet non solum superiores, sed etiam inferiores sanctos implorare. Alioquin esset solius Dei misericordia imploranda. Contingit tamen quandoque quod imploratio inferioris sancti efficacior sit: vel quia devotius imploratur, vel quia Deus vult ejus sanctitatem declarare.
4. God wil, dat het lagere door al het hoogere wordt geholpen. En daarom moeten niet alleen de grootere, maar ook de minder heiligen bidden. Anders zou men alleen Gods barmhartigheid moeten aanroepen. Soms gebeurt het echter, dat het aanroepen van een minder heilige meer uitwerking heeft, hetzij omdat zij met meer toewijding worden aangeroepen, of omdat God hun heiligheid bekend wil maken.4. God wil, dat het lagere door al het hogere wordt geholpen. En daarom moeten niet alleen de grotere, maar ook de minder heiligen bidden. Anders zou men alleen Gods barmhartigheid moeten aanroepen. Soms gebeurt het echter, dat het aanroepen van een minder heilige meer uitwerking heeft, hetzij omdat zij met meer toewijding worden aangeroepen, of omdat God hun heiligheid bekend wil maken.
100Ad quintum dicendum quod quia sancti viventes meruerunt ut pro nobis orarent, ideo invocamus eos nominibus quibus hic vocabantur, quibus etiam nobis magis innotescunt. Et iterum propter fidem resurrectionis insinuandam: sicut legitur Exod. 3. [v. 6] : « Ego sum Deus Abraham », etc.
1005. Daar de heiligen bij hun leven verdiend hebben voor ons te bidden, roepen wij hen aan met de namen, die zij hier droegen, waaronder zij ons ook meer bekend zijn. En ook om het geloof in de verrijzenis aan te geven, zooals wij in het Boek van den Uittocht (3. 6) lezen: « Ik ben de God van Abraham, » enz.1005. Daar de heiligen bij hun leven verdiend hebben voor ons te bidden, roepen wij hen aan met de namen, die zij hier droegen, waaronder zij ons ook meer bekend zijn. En ook om het geloof in de verrijzenis aan te geven, zoals wij in het Boek van de Uittocht (3, 6) lezen: “Ik ben de God van Abraham,” enz.
Utrum oratio debeat esse vocalis
Moet het gebed een mondgebed zijn?
Ad duodecimum sic proceditur. Videtur quod oratio non debeat esse vocalis. Oratio enim, sicut ex dictis patet [art. 4. huj. q.], principaliter Deo porrigitur. Deus autem locutionem cordis cognoscit. Frustra ergo vocalis oratio adhibetur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed geen mondgebed moet zijn. — 1. Want zooals uit het gezegde (4e Art.) blijkt, richten wij het gebed vooral tot God. Nu kent God de woorden van ons hart. Dus heeft het geen nut mondgebeden te gebruiken.Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed geen mondgebed moet zijn. — 1. Want zoals uit het gezegde (4e Art.) blijkt, richten wij het gebed vooral tot God. Nu kent God de woorden van ons hart. Dus heeft het geen nut mondgebeden te gebruiken.
2. Praeterea, per orationem mens hominis debet in Deum ascendere, ut dictum est [art. 1. huj. q. ad 2.]: Sed voces retrahunt homines ab ascensu contemplationis in Deum: sicut et alia sensibilia. Ergo in orationibus non est vocibus utendum.
2. Zooals werd gezegd (1e Art. 2e Antw.), moet de geest van den mensch door het gebed tot God opstijgen. Nu trekken woorden evenals al het zintuiglijke de menschen ervan af in de beschouwing omhoog te stijgen naar God. Dus moet men bij het bidden geen woorden gebruiken.2. Zoals werd gezegd (1e Art. 2e Antw.), moet de geest van de mens door het gebed tot God opstijgen. Nu trekken woorden evenals al het zintuiglijke de mensen ervan af in de beschouwing omhoog te stijgen naar God. Dus moet men bij het bidden geen woorden gebruiken.
1013. Praeterea, oratio debet offerri Deo in occulto: secundum illud Matth. 6. [v. 6] : « Tu autem cum oraveris, intra in cubiculum tuum, et clauso ostio, ora Patrem tuum in abscondito ». Sed per vocem oratio publicatur. Ergo non omnino debet esse vocalis.
1013. Het gebed moet in het verborgen God worden aangeboden naar het woord van Mattheus (6. 6) : « Doch gij, als gij bidt, ga in uw binnenkamer en doe uw deur dicht en bid tot uw Vader in het verborgen. » Nu wordt het gebed door woorden openbaar gemaakt. Dus moet het gebed geen mondgebed zijn.1013. Het gebed moet in het verborgen God worden aangeboden naar het woord van Matteüs (6, 6): “Doch gij, als gij bidt, ga in uw binnenkamer en doe uw deur dicht en bid tot uw Vader in het verborgen.” Nu wordt het gebed door woorden openbaar gemaakt. Dus moet het gebed geen mondgebed zijn.
Sed contra est quod dicitur in Ps. 141. [v. 2] : « Voce mea ad Dominum clamavi, voce mea ad Dominum deprecatus sum ».
Maar daartegenover staat het psalmwoord: « Met mijn stem heb ik tot God geroepen, met mijn stem tot den Heer gesmeekt. » (Ps. 141. 2)Maar daartegenover staat het psalmwoord: “Met mijn stem heb ik tot God geroepen, met mijn stem tot de Heer gesmeekt.” (Ps. 141. 2)a
Respondeo dicendum quod duplex est oratio: communis, et singularis. Communis quidem oratio est quae per ministros Ecclesiae in persona totius fidelis populi Deo offertur. Et ideo oportet quod talis oratio innotescat toti populo, pro quo profertur. Quod non posset fieri nisi esset vocalis. Et ideo rationabiliter institutum est ut ministri Ecclesiae hujusmodi orationes etiam alta voce pronuntient, ut ad notitiam omnium possint pervenire.
Leerstelling. — Er zijn twee soorten gebed: gemeenschappelijk en persoonlijk. Het gemeenschappelijke is dat, wat door de dienaars van de Kerk in naam van geheel het geloovige volk aan God wordt opgedragen. En daarom moet het aan het geheele volk, waarvoor het wordt opgedragen, bekend zijn; wat onmogelijk is, tenzij het een mondgebed is. En daarom is het een heel verstandige instelling, dat de dienaars van de Kerk deze gebeden zelfs met luider stem moeten uitspreken, zoodat allen het kunnen weten.Leerstelling. — Er zijn twee soorten gebed: gemeenschappelijk en persoonlijk. Het gemeenschappelijke is dat, wat door de dienaars van de Kerk in naam van geheel het gelovige volk aan God wordt opgedragen. En daarom moet het aan het gehele volk, waarvoor het wordt opgedragen, bekend zijn; wat onmogelijk is, tenzij het een mondgebed is. En daarom is het een heel verstandige instelling, dat de dienaars van de Kerk deze gebeden zelfs met luider stem moeten uitspreken, zodat allen het kunnen weten.
Oratio vero singularis est quae offertur a singulari persona cujuscumque sive pro se sive pro aliis orantis. Et de hujusmodi orationis necessitate non est quod sit vocalis. Adjungitur tamen vox tali orationi triplici ratione. 102Primo quidem, ad excitandam interiorem devotionem. qua mens orantis elevetur in Deum. Quia per exteriora signa, sive vocum sive etiam aliquorum factorum, movetur mens hominis secundum apprehensionem, et per consequens secundum affectionem. Unde Augustinus dicit, ad Probam [epist. 130. al. 121. cap. 9.], quod « verbis et aliis signis ad augendum desiderium sanctum nos ipsos acrius excitamus ». Et ideo in singulari oratione tantum est vocibus et hujusmodi signis utendum quantum proficit ad excitandum interius mentem. Si vero mens per hoc distrahatur, vel qualitercumque impediatur, est a talibus cessandum. Quod praecipue contingit in his quorum mens sine hujusmodi signis est sufficienter ad devotionem parata. Unde Psalmista Psal. 26. [v. 8] dicebat: « Tibi dixit cor meum: Exquisivit te facies mea » ; et de Anna legitur, 1. Reg. 1. [v. 13], quod « loquebatur in corde suo ».
Het persoonlijke gebed echter is datgene, dat door ieder op zichzelf wordt opgedragen, hetzij voor zichzelf hetzij voor anderen. En het is niet noodzakelijk, dat zoo'n gebed een mondgebed is. Maar om drie redenen komt ook bij dit gebed het 102uitspreken van woorden. Ten eerste om de innerlijke toewijding, waardoor de geest van wie bidt zich tot God verheft, op te wekken. Want door uitwendige teekens, hetzij woorden of anders iets, wordt de geest van den mensch bewogen, zoowel wat de kennis als dientengevolge wat de gevoelens betreft. Daarom zegt Augustinus, dat « wij onszelf door woorden en andere teekens sterker opwekken om het heilige verlangen grooter te maken. » En daarom moeten wij bij het persoonlijke gebed alleen in zoover woorden en andere teekens gebruiken, als goed is om innerlijk onzen geest op te wekken. Wordt de geest daardoor echter afgeleid of op een andere manier belemmerd, dan moet men daarvan afzien. En dit zal vooral het geval zijn bij hen, wier geest zonder deze teekens genoeg tot toewijding is voorbereid. Daarom zei de psalmist: « Tot U heeft mijn hart gesproken: mijn aangezicht heeft naar U verlangd. » (Ps. 26. 8) en van Anna wordt in het Eerste Boek der Koningen (1. 13) gezegd, dat « zij in haar hart sprak. »Het persoonlijke gebed echter is datgene, dat door ieder op zichzelf wordt opgedragen, hetzij voor zichzelf hetzij voor anderen. En het is niet noodzakelijk, dat zo'n gebed een mondgebed is. Maar om drie redenen komt ook bij dit gebed het 102uitspreken van woorden. Ten eerste om de innerlijke toewijding, waardoor de geest van wie bidt zich tot God verheft, op te wekken. Want door uitwendige tekens, hetzij woorden of anders iets, wordt de geest van de mens bewogen, zowel wat de kennis als dientengevolge wat de gevoelens betreft. Daarom zegt Augustinus, dat “wij onszelf door woorden en andere tekens sterker opwekken om het heilige verlangen groter te maken.” En daarom moeten wij bij het persoonlijke gebed alleen in zover woorden en andere tekens gebruiken, als goed is om innerlijk onze geest op te wekken. Wordt de geest daardoor echter afgeleid of op een andere manier belemmerd, dan moet men daarvan afzien. En dit zal vooral het geval zijn bij hen, wier geest zonder deze tekens genoeg tot toewijding is voorbereid. Daarom zei de psalmist: “Tot U heeft mijn hart gesproken: mijn aangezicht heeft naar U verlangd.” (Ps. 26. 8)c en van Anna wordt in het Eerste Boek van de Koningen (1, 13)b gezegd, dat “zij in haar hart sprak.”
Secundo, adjungitur vocalis oratio quasi ad redditionem debiti: ut scilicet homo Deo serviat secundum illud totum quod ex Deo habet, idest non solum mente, sed etiam corpore. Quod praecipue competit orationi secundum quod est satisfactoria. Unde dicitur Oseae ult. [v. 3] : « Omnem 103aufer iniquitatem, et accipe bonum: et reddemus vitulos labiorum nostrorum ».
Ten tweede wordt er mondgebed bijgevoegd om ons als het ware van onze schuld te kwijten, dat de mensch nl. God dient met alles, wat hij van God heeft; en dat is niet alleen met den geest, maar ook met het lichaam. Dat komt aan het gebed vooral toe, in zoover het voldoening geeft. Daarom staat bij Osee (14. 3) : 103« Neem alle ongerechtigheid weg en ontvang wat goed is, en wij zullen de offerdieren van onze lippen geven. »Ten tweede wordt er mondgebed bijgevoegd om ons als het ware van onze schuld te kwijten, dat de mens nl. God dient met alles, wat hij van God heeft; en dat is niet alleen met de geest, maar ook met het lichaam. Dat komt aan het gebed vooral toe, in zover het voldoening geeft. Daarom staat bij Hosea (14, 3): 103“Neem alle ongerechtigheid weg en ontvang wat goed is, en wij zullen de offerdieren van onze lippen geven.”
Tertio adjungitur vocalis oratio ex quodam redundantia ab anima in corpus et vehementi affectione: secundum illud Ps. 15. [v. 9] : « Laetatum est cor meum, et exultavit lingua mea ».
Ten derde komt er mondgebed bij, doordat er door de hevigheid van het gevoel iets van de ziel op het lichaam overvloeit, naar het psalmwoord: « Mijn hart heeft zich verblijd en mijn tong gejubeld. » (Ps. 15. 9)Ten derde komt er mondgebed bij, doordat er door de hevigheid van het gevoel iets van de ziel op het lichaam overvloeit, naar het psalmwoord: “Mijn hart heeft zich verblijd en mijn tong gejubeld.” (Ps. 15. 9)d
Ad primum ergo dicendum quod vocalis oratio non profertur ad hoc quod aliquid ignotum Deo manifestetur: sed ad hoc quod mens orantis vel aliorum excitetur in Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het gebed wordt niet mondeling uitgesproken om God iets onbekends bekend te maken, maar om den geest van wie bidt of een ander tot God te verheffen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het gebed wordt niet mondeling uitgesproken om God iets onbekends bekend te maken, maar om de geest van wie bidt of een ander tot God te verheffen.
Ad secundum dicendum quod verba ad aliud pertinentia distrahunt mentem, et impediunt devotionem orantis. Sed verba significantia aliquid ad devotionem pertinens excitant mentes, praecipue minus devotas.
2. Woorden die op iets anders slaan leiden den geest af en belemmeren de toewijding van wie bidt. Maar woorden, die iets wat met toewijding te maken heeft beteekenen, wekken de geesten, vooral de minder toegewijden, op.2. Woorden die op iets anders slaan leiden de geest af en belemmeren de toewijding van wie bidt. Maar woorden, die iets wat met toewijding te maken heeft betekenen, wekken de geesten, vooral de minder toegewijden, op.
Ad tertium dicendum quod, sicut Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 13. in op. imperf.] : « eo proposito Dominus vetat in conventu orare ut a conventu videatur. Unde orans nihil novum facere debet quod aspiciant homines, vel clamando vel pectus percutiendo, vel manus expandendo ». Nec tamen, ut Augustinus dicit in lib. 2. de Serm. Dom. in 104monte [cap. 3.], « videri ab hominibus nefas est: sed ideo hoc agere ut ab hominibus videaris ».
3. Zooals Chrysostomus zegt « verbiedt de Heer in een vergadering te bidden als de bedoeling voorzit om er door gezien te worden. Daarom moet wie bidt niets opvallends doen, opdat de menschen het zien: hij moet niet gaan schreeuwen, om door anderen gehoord te worden, zijn borst kloppen of zijn handen uitstrekken, om door velen gezien te worden. » « En toch, » zegt 104Augustinus, « is het geen zonde door de menschen te worden gezien, maar dit te doen, om door de menschen gezien te worden. »3. Zoals Chrysostomus zegt “verbiedt de Heer in een vergadering te bidden als de bedoeling voorzit om er door gezien te worden. Daarom moet wie bidt niets opvallends doen, opdat de mensen het zien: hij moet niet gaan schreeuwen, om door anderen gehoord te worden, zijn borst kloppen of zijn handen uitstrekken, om door velen gezien te worden.” “En toch,” zegt 104Augustinus, “is het geen zonde door de mensen te worden gezien, maar dit te doen, om door de mensen gezien te worden.”
Utrum de necessitate orationis sit, quod sit attenta
Is het voor het gebed noodzakelijk, dat het aandachtig is?
Ad decimumtertium sic proceditur. Videtur quod de necessitate orationis sit quod sit attenta. Dicitur enim Joan. 4. [v. 24] : « Spiritus est Deus: et eos qui adorant eum, in spiritu et veritate oportet adorare ». Sed oratio non est in spiritu si non sit attenta. Ergo de necessitate orationis est quod sit attenta.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het voor het gebed noodzakelijk is, dat het aandachtig is. — 1. Want bij Joannes (4. 24) wordt gezegd: « God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden. » Nu geschiedt een gebed, dat niet aandachtig gebeurt, niet in den geest. Dus is het voor het gebed noodzakelijk, dat het aandachtig is.Bedenkingen. — Men beweert, dat het voor het gebed noodzakelijk is, dat het aandachtig is. — 1. Want bij Johannes (4, 24) wordt gezegd: “God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden.” Nu geschiedt een gebed, dat niet aandachtig gebeurt, niet in de geest. Dus is het voor het gebed noodzakelijk, dat het aandachtig is.
2. Praeterea, oratio est « ascensus intellectus in Deum ». Sed quando oratio non est attenta, intellectus non ascendit in Deum. Ergo de necessitate orationis est quod sit attenta.
2. « Het gebed is een opstijgen van den geest naar God. » (Damascenus) Als het gebed echter niet aandachtig is, stijgt de geest niet naar God op. Daarom is aandachtigheid voor het gebed noodzakelijk.2. “Het gebed is een opstijgen van de geest naar God.” (Damascenus) Als het gebed echter niet aandachtig is, stijgt de geest niet naar God op. Daarom is aandachtigheid voor het gebed noodzakelijk.
3. Praeterea, de necessitate orationis est quod careat omni peccato. Sed non est absque peccato quod aliquis orando evagationem mentis 105patiatur: videtur enim deridere Deum, sicut si alicui homini loqueretur et non attenderetur ad ea quae ipse proferret. Unde Basilius dicit [in lib. de Constit. Monast. cap. 1.], quod « divinum auxilium est implorandum non remisse, nec mente huc vel illuc evagante: eo quod talis non solum non impetrabit quod petit, sed etiam magis Deum irritabit ». Ergo de necessitate orationis videtur quod sit attenta.
3. Voor het gebed is het noodzakelijk, dat het van iedere zonde vrij is. Nu kan iemand bij het bidden niet zonder zonde aan 105verstrooiing lijden, want het schijnt, dat hij God uitlacht als iemand, die tot een ander zou spreken en niet zou letten op wat hij zei. Daarom ook zegt Basilius: « De goddelijke hulp moet noch lusteloos, noch met een heen en weer zwervenden geest worden gevraagd, want zoo iemand zal niet alleen niet krijgen, wat hij vraagt, maar veeleer God vertoornen. » Dus schijnt aandacht voor het gebed noodzakelijk te zijn.3. Voor het gebed is het noodzakelijk, dat het van iedere zonde vrij is. Nu kan iemand bij het bidden niet zonder zonde aan 105verstrooiing lijden, want het schijnt, dat hij God uitlacht als iemand, die tot een ander zou spreken en niet zou letten op wat hij zei. Daarom ook zegt Basilius: “De goddelijke hulp moet noch lusteloos, noch met een heen en weer zwervenden geest worden gevraagd, want zo iemand zal niet alleen niet krijgen, wat hij vraagt, maar veeleer God vertoornen.” Dus schijnt aandacht voor het gebed noodzakelijk te zijn.
Sed contra est quod etiam sancti viri orando quandoque evagationem mentis patiuntur: secundum illud Ps. 39. [v. 13] : « Cor meum dereliquit me ».
Maar daartegenover staat, dat ook heilige mannen soms bij het gebed aan verstrooiïngen lijden, naar het psalmwoord: « Mijn hart verliet mij. » (Ps. 39. 13)Maar daartegenover staat, dat ook heilige mannen soms bij het gebed aan verstrooiingen lijden, naar het psalmwoord: “Mijn hart verliet mij.” (Ps. 39. 13)a
Respondeo dicendum quod quaestio haec praecipue habet locum in oratione vocali. Circa quam sciendum est quod necessarium dicitur aliquid dupliciter. Uno modo, per quod melius pervenitur ad finem. Et sic attentio absolute orationi necessaria est. Alio modo aliquid dicitur necessarium sine quo res non potest consequi suum effectum. Est autem triplex effectus orationis. Primus quidem communis omnibus actibus charitate informatis, quod est mereri. Et ad hunc 106effectum non ex necessitate requiritur quod attentio adsit orationi per totum, sed vis primae intentionis qua aliquis ad orandum accedit, reddit totam orationem meritoriam: sicut in aliis meritoriis actibus accidit. Secundus autem effectus orationis est ei proprius, quod est impetrare. Et ad hunc etiam effectum sufficit prima intentio, quam Deus principaliter attendit. Si autem prima intentio desit, oratio nec meritoria est, nec impetrativa: « illam » enim « orationem Deus non audit cui ille qui orat non intendit », ut Gregorius dicit [Hugo de S. Vict., Exp. in Reg. S. Aug. c. 3]. Tertius autem effectus orationis est quem praesentialiter efficit, scilicet quaedam spiritualis refectio mentis. Et ad hoc de necessitate requiritur in oratione attentio. Unde dicitur 1. Cor. 14. [v. 14] : « Si orem lingua, mens mea sine fructu est ».
Leerstelling. — Deze vraag komt vooral ter sprake bij het mondgebed. En wat dit betreft, moet men weten, dat iets op twee manieren noodzakelijk wordt genoemd. Ten eerste als datgene, waarmee men beter het doel bereikt. En zoo is aandacht zonder voorbehoud noodzakelijk voor het gebed. — Ten tweede noemt men iets noodzakelijk, als iets zonder dàt zijn doel niet kan bereiken. Nu heeft het gebed een driedubbel gevolg. Het eerste is gemeen aan alle door de liefde gevormde daden, nl. verdienen. En 106voor dit gevolg is het geen noodzakelijke vereischte, dat er bij het geheele gebed aandacht is, maar de kracht van de eerste bedoeling, waarmee iemand begon te bidden, maakt het geheele gebed verdienstelijk, zooals ook bij de andere verdienstelijke handelingen gebeurt. Het tweede gevolg van het gebed is er aan eigen, nl. iets verkrijgen. En ook voor dit gevolg is de eerste bedoeling, waarop God vooral let, voldoende. Ontbreekt echter de eerste bedoeling, dan heeft het gebed noch verdiensten, noch verkrijgt het iets, want « dat gebed verhoort God niet, waar hij die bidt, niet op let, » zooals Gregorius zegt. Het derde gevolg van het gebed is echter, wat het onmiddellijk uitwerkt, nl. een geestelijke verkwikking van den geest. En hiervoor is aandacht bij het gebed noodzakelijk. Daarom staat in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (14. 14) : « Als ik met de tong bid, blijft mijn geest zonder vrucht. »Leerstelling. — Deze vraag komt vooral ter sprake bij het mondgebed. En wat dit betreft, moet men weten, dat iets op twee manieren noodzakelijk wordt genoemd. Ten eerste als datgene, waarmee men beter het doel bereikt. En zo is aandacht zonder voorbehoud noodzakelijk voor het gebed. — Ten tweede noemt men iets noodzakelijk, als iets zonder dàt zijn doel niet kan bereiken. Nu heeft het gebed een driedubbel gevolg. Het eerste is gemeen aan alle door de liefde gevormde daden, nl. verdienen. En 106voor dit gevolg is het geen noodzakelijke vereiste, dat er bij het gehele gebed aandacht is, maar de kracht van de eerste bedoeling, waarmee iemand begon te bidden, maakt het gehele gebed verdienstelijk, zoals ook bij de andere verdienstelijke handelingen gebeurt. Het tweede gevolg van het gebed is er aan eigen, nl. iets verkrijgen. En ook voor dit gevolg is de eerste bedoeling, waarop God vooral let, voldoende. Ontbreekt echter de eerste bedoeling, dan heeft het gebed noch verdiensten, noch verkrijgt het iets, want “dat gebed verhoort God niet, waar hij die bidt, niet op let,” zoals Gregorius zegt. Het derde gevolg van het gebed is echter, wat het onmiddellijk uitwerkt, nl. een geestelijke verkwikking van de geest. En hiervoor is aandacht bij het gebed noodzakelijk. Daarom staat in de Eerste Brief aan de Korintiërs (14, 14): “Als ik met de tong bid, blijft mijn geest zonder vrucht.”
Sciendum tamen quod triplex est attentio quae orationi vocali potest adhiberi. Una quidem qua attenditur ad verba. ne aliquis in eis erret. Secunda qua attenditur ad sensum verborum. Tertia qua attenditur ad finem orationis, scilicet ad Deum et ad rem pro qua oratur: quae quidem est maxime necessaria. Et hanc etiam possunt habere idiotae. Et quandoque in tantum abundat haec intentio, qua mens fertur in Deum, ut etiam aliorum 107omnium mens obliviscatur, sicut dicit Hugo de Sancto Victore [in lib. de Modo orandi, cap. 2.].
Men moet echter weten, dat er bij het mondgebed drie soorten aandacht kunnen zijn. Eén gericht op de woorden om zich daarin niet te vergissen. De tweede op de beteekenis van de woorden. De derde op het doel van het gebed, nl. op God en de dingen, waarvoor men bidt; en deze vooral is het meest noodzakelijk. En deze kunnen ook ongeletterden hebben. En soms is er zoo'n overvloed 107van dit soort aandacht, waarmee de geest zich op God richt, dat de geest al het andere vergeet, zooals Hugo van Sint Victor zegt.Men moet echter weten, dat er bij het mondgebed drie soorten aandacht kunnen zijn. Eén gericht op de woorden om zich daarin niet te vergissen. De tweede op de betekenis van de woorden. De derde op het doel van het gebed, nl. op God en de dingen, waarvoor men bidt; en deze vooral is het meest noodzakelijk. En deze kunnen ook ongeletterden hebben. En soms is er zo'n overvloed 107van dit soort aandacht, waarmee de geest zich op God richt, dat de geest al het andere vergeet, zoals Hugo van Sint Victor zegt.
Ad primum ergo dicendum quod « in spiritu et veritate » orat qui ex instinctu Spiritus ad orandum accedit, etiam si ex aliqua infirmitate mens postmodum evagetur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In geest en waarheid bidt hij, die aangedreven door den Geest gaat bidden, ook als de geest door zwakheid naderhand verstrooid raakt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In geest en waarheid bidt hij, die aangedreven door de Geest gaat bidden, ook als de geest door zwakheid naderhand verstrooid raakt.
Ad secundum dicendum quod mens humana propter infirmitatem naturae, diu stare in alto non potest: pondere enim infirmitatis humanae deprimitur anima ad inferiora. Et ideo contingit quod quando mens orantis ascendit in Deum per contemplationem, subito evagatur ex quadam infirmitate.
2. De menschelijke geest kan door de zwakheid van zijn natuur niet lang bij het hooge blijven; want door het gewicht van de menschelijke zwakheid wordt de ziel omlaag gedrukt. En daarom komt het voor, dat als de geest van wie bidt door de beschouwing naar God omhoog stijgt, hij plotseling door zwakheid verstrooid wordt.2. De menselijke geest kan door de zwakheid van zijn natuur niet lang bij het hoge blijven; want door het gewicht van de menselijke zwakheid wordt de ziel omlaag gedrukt. En daarom komt het voor, dat als de geest van wie bidt door de beschouwing naar God omhoog stijgt, hij plotseling door zwakheid verstrooid wordt.
Ad tertium dicendum quod si quis ex proposito in oratione mente evagatur, hoc peccatum est, et impedit orationis fructum. Et contra hoc Augustinus dicit, in Regula [scil. epist. 211] : « Psalmis et hymnis cum oratis Deum, hoc versetur in corde quod profertur in ore ». Evagatio vero mentis quae fit praeter propositum, orationis fructum non tollit. Unde Basilius dicit [loc. cit. in arg.] : « Si vero, debilitatus a peccato, fixe nequis orare, quantumcumque potes teipsum cohibeas, et Deus ignoscit: eo 108quod non ex negligentia, sed ex fragilitate non potes, ut oportet, assistere coram eo ».
3. Als iemand met opzet onder het gebed met zijn geest afgeleid wordt, is dat zonde en een beletsel voor de vrucht van het gebed. En daartegen zegt Augustinus: « Als gij God bidt met psalmen en lofzangen, overweegt dan in uw hart, wat uw mond uitspreekt. » Maar geestesverstrooiing, die zonder opzet plaats heeft, neemt de vrucht van het gebed niet weg. Daarom zegt Basilius: « Als gij echter door de zonde verzwakt niet zonder 108verstrooiing kunt bidden, beheersch dan uzelf, zooveel ge kunt, en God vergeeft het; omdat gij niet door nalatigheid, maar door zwakheid niet voor Hem kunt staan zooals het behoort. »3. Als iemand met opzet onder het gebed met zijn geest afgeleid wordt, is dat zonde en een beletsel voor de vrucht van het gebed. En daartegen zegt Augustinus: “Als gij God bidt met psalmen en lofzangen, overweegt dan in uw hart, wat uw mond uitspreekt.” Maar geestesverstrooiing, die zonder opzet plaats heeft, neemt de vrucht van het gebed niet weg. Daarom zegt Basilius: “Als gij echter door de zonde verzwakt niet zonder 108verstrooiing kunt bidden, beheers dan uzelf, zoveel ge kunt, en God vergeeft het; omdat gij niet door nalatigheid, maar door zwakheid niet voor Hem kunt staan zoals het behoort.”
Utrum oratio debeat esse diuturna
Moet het gebed langdurig zijn?
Ad quartumdecimum sic proceditur. Videtur quod oratio non debeat esse diuturna. Dicitur enim Matth. 6. [v. 7] : « Orantes nolite multum loqui ». Sed oportet multum loqui diu orantem: praesertim si oratio sit vocalis. Ergo non debet esse oratio diuturna.
Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed niet langdurig moet zijn. — 1. Want bij Mattheus (6. 7) wordt gezegd: « Wilt niet veel zeggen, als gij bidt. » Maar als iemand lang bidt, moet hij veel zeggen, vooral als het een mondgebed is. Dus moet het gebed niet langdurig zijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat het gebed niet langdurig moet zijn. — 1. Want bij Matteüs (6, 7) wordt gezegd: “Wilt niet veel zeggen, als gij bidt.” Maar als iemand lang bidt, moet hij veel zeggen, vooral als het een mondgebed is. Dus moet het gebed niet langdurig zijn.
2. Praeterea, oratio est explicativa desiderii. Sed desiderium tanto est sanctius quanto magis ad unum restringitur: secundum illud Ps. 26. [v. 4] : « Unam petii a Domino, hanc requiram ». Ergo et oratio tanto est Deo acceptior, quanto est brevior.
2. Het gebed legt het verlangen uit. Nu is het verlangen zooveel te heiliger, naarmate het zich meer op één ding samentrekt, naar het psalmwoord: « Eén ding heb ik van den Heer gevraagd, hierom zal ik smeeken. » (Ps. 26. 4) Dus is het gebed God aangenamer, naarmate het korter is.2. Het gebed legt het verlangen uit. Nu is het verlangen zoveel te heiliger, naarmate het zich meer op één ding samentrekt, naar het psalmwoord: “Eén ding heb ik van de Heer gevraagd, hierom zal ik smeken.” (Ps. 26. 4)a Dus is het gebed God aangenamer, naarmate het korter is.
3. Praeterea, illicitum videtur esse quod homo transgrediatur terminos a Deo praefixos, praecipue in his quae pertinent ad cultum divinum: 109secundum illud Exod. 19. [v. 21] : « Contestare populum, ne forte velit transcendere terminos ad videndum Dominum, et pereat ex eis plurima multitudo ». Sed a Deo praefixus est nobis terminus orandi per institutionem Orationis Dominicae, ut patet Matth. 6. [v. 9 sqq.]. Ergo non licet ultra orationem protendere.
3. Het schijnt den mensch verboden de grenzen te overschrijden, die God gesteld heeft, vooral als het de vereering van God 109betreft, naar het Boek van den Uittocht (19. 21) : « Bezweer dit volk, dat het misschien de vastgestelde grenzen niet zou willen overschrijden om den Heer te zien, zoodat een zeer groote menigte van hen zou omkomen. » Nu zijn ons door God grenzen gesteld voor het gebed, door de instelling van het Gebed des Heeren, zooals bij Mattheus (6. 9) blijkt. Dus mag men het gebed niet langer maken.3. Het schijnt de mens verboden de grenzen te overschrijden, die God gesteld heeft, vooral als het de verering van God 109betreft, naar het Boek van de Uittocht (19, 21): “Bezweer dit volk, dat het misschien de vastgestelde grenzen niet zou willen overschrijden om de Heer te zien, zodat een zeer grote menigte van hen zou omkomen.” Nu zijn ons door God grenzen gesteld voor het gebed, door de instelling van het Gebed van de Heer, zoals bij Matteüs (6, 9) blijkt. Dus mag men het gebed niet langer maken.
Sed contra, videtur quod continue sit orandum. Quia Dominus dicit, Lucae 18. [v. 1] : « Oportet semper orare, et non deficere ». Et 1. ad Thessal. 5. [v. 17] : « Sine intermissione orate ».
Maar daartegenover staat, dat men schijnbaar voortdurend moet bidden. Want de Heer zegt bij Lucas (18. 1) : « Men moet altijd bidden en niet ophouden. » En in den Eersten Brief aan de Thessalonicensen (5. 17) staat: « Bidt zonder ophouden. »Maar daartegenover staat, dat men schijnbaar voortdurend moet bidden. Want de Heer zegt bij Lukas (18, 1): “Men moet altijd bidden en niet ophouden.” En in de Eerste Brief aan de Tessalonicenzen (5, 17) staat: “Bidt zonder ophouden.”
Respondeo dicendum quod de oratione dupliciter loqui possumus: uno modo, secundum seipsam; alio modo, secundum causam suam. Causa autem orationis est desiderium charitatis, ex quo procedere debet oratio. Quod quidem in nobis debet esse continuum vel actu vel virtute: manet enim virtus hujus desiderii in omnibus quae ex charitate facimus; « omnia » autem debemus « in gloriam Dei facere », ut dicitur 1. ad Cor. 10. 110[v. 31]. Et secundum hoc oratio debet esse continua. Unde Augustinus dicit, ad Probam [epist. 130. al. 121. cap. 9.] : « In ipsa fide, spe et charitate continuato desiderio semper oramus ».
Leerstelling. — Op twee manieren kunnen wij over het gebed spreken, ten eerste op zichzelf, ten tweede in zijn oorzaak beschouwd. Nu is het verlangen van de liefde, waaruit het gebed moet voortkomen, de oorzaak van het gebed. En dat moet in ons ofwel daadwerkelijk of wat zijn nawerking aangaat onafgebroken bestaan, omdat de werking van dit verlangen in alles, wat wij uit liefde doen, blijft; want wij moeten « alles doen tot eer van God, » zooals in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (10. 31) 110staat. En in dit opzicht moet het gebed onafgebroken zijn. Daarom zegt Augustinus: « In geloof, hoop en liefde zelf bidden wij met een steeds voortdurend verlangen. »Leerstelling. — Op twee manieren kunnen wij over het gebed spreken, ten eerste op zichzelf, ten tweede in zijn oorzaak beschouwd. Nu is het verlangen van de liefde, waaruit het gebed moet voortkomen, de oorzaak van het gebed. En dat moet in ons ofwel daadwerkelijk of wat zijn nawerking aangaat onafgebroken bestaan, omdat de werking van dit verlangen in alles, wat wij uit liefde doen, blijft; want wij moeten “alles doen tot eer van God,” zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 31) 110staat. En in dit opzicht moet het gebed onafgebroken zijn. Daarom zegt Augustinus: “In geloof, hoop en liefde zelf bidden wij met een steeds voortdurend verlangen.”
Sed ipsa oratio secundum se considerata non potest esse assidua: quia oportet aliis operibus occupari. « Sed », sicut Augustinus dicit ibid., « ideo per certa intervalla horarum et temporum etiam verbis rogamus Deum, ut illis rerum signis nos ipsos admoneamus; quantumcumque in hoc desiderio profecerimus nobis ipsis innotescamus; et ad hoc agendum nos ipsos acrius excitemus ». Uniuscujusque autem rei quantitas debet esse proportionata fini: sicut quantitas potionis sanitati. Unde et conveniens est ut oratio tantum duret quantum est utile ad excitandum interioris desiderii fervorem. Cum vero hanc mensuram excedit, ita quod sine taedio durare non possit, non est ulterius oratio protendenda. Unde Augustinus dicit, ad Probam [loc. nunc cit.] : « Dicuntur fratres in Aegypto crebras quidem habere orationes, sed eas tamen brevissimas, et raptim quodammodo jaculatas; ne illa vigilanter erecta, quae oranti plurimum necessaria est, per productiores moras evanescat atque hebetetur intentio. Ac per hoc etiam ipsi 111satis ostendunt hanc intentionem, sicut non esse obruendam1 si perdurare non potest, ita, si perduraverit, non cito esse rumpendam ». Et sicut hoc est attendendum in oratione singulari per comparationem ad intentionem orantis, ita etiam in communi oratione per comparationem ad populi devotionem.
Het gebed op zichzelf beschouwd daarentegen kan niet onafgebroken zijn, omdat wij ons ook met ander werk moeten bezighouden. Maar, zooals Augustinus zegt, « de reden, waarom wij bij vaste tusschenpoozen van uren en tijden God ook met woorden uitdrukkelijk iets vragen is, om door die teekens van dingen onszelf te vermanen; om zelf te zien, hoeveel wij in dat verlangen vooruit zijn gegaan, en om onszelf tot grooter verlangen ijveriger op te wekken. » Nu moet de hoeveelheid van ieder ding aan zijn doel beantwoorden, zooals de hoeveelheid drank aan de gezondheid. Het is daarom goed, dat het gebed zoo lang duurt als nuttig is om het vuur van het inwendige verlangen op te wekken. Gaat het echter boven deze maat, zoodat het zonder verveling niet kan voortduren, dan moet het gebed niet langer worden voortgezet. Daarom zegt Augustinus: « Men zegt, dat de broeders in Egypte wel veelvuldige gebeden hebben, maar ze zijn zeer kort, en als het ware snel opgezonden, opdat de waakzaam opgewekte aandacht, die voor wie bidt hoogst noodzakelijk is, door te lange duur niet verdwijnt en afstompt. En hierdoor laten zij ook zien, dat 111zooals de aandacht niet afgemat worden moet, als zij niet kan voortduren, zij ook niet vlug afgebroken moet worden, als zij voortduurt. » En zooals men dit bij het persoonlijke gebed moet regelen in verhouding tot de bedoeling van wie bidt, zoo moet dat ook bij het algemeene gebed in verhouding tot de toewijding van het volk.Het gebed op zichzelf beschouwd daarentegen kan niet onafgebroken zijn, omdat wij ons ook met ander werk moeten bezighouden. Maar, zoals Augustinus zegt, “de reden, waarom wij bij vaste tussenpozen van uren en tijden God ook met woorden uitdrukkelijk iets vragen is, om door die tekens van dingen onszelf te vermanen; om zelf te zien, hoeveel wij in dat verlangen vooruit zijn gegaan, en om onszelf tot groter verlangen ijveriger op te wekken.” Nu moet de hoeveelheid van ieder ding aan zijn doel beantwoorden, zoals de hoeveelheid drank aan de gezondheid. Het is daarom goed, dat het gebed zo lang duurt als nuttig is om het vuur van het inwendige verlangen op te wekken. Gaat het echter boven deze maat, zodat het zonder verveling niet kan voortduren, dan moet het gebed niet langer worden voortgezet. Daarom zegt Augustinus: “Men zegt, dat de broeders in Egypte wel veelvuldige gebeden hebben, maar ze zijn zeer kort, en als het ware snel opgezonden, opdat de waakzaam opgewekte aandacht, die voor wie bidt hoogst noodzakelijk is, door te lange duur niet verdwijnt en afstompt. En hierdoor laten zij ook zien, dat 111zoals de aandacht niet afgemat worden moet, als zij niet kan voortduren, zij ook niet vlug afgebroken moet worden, als zij voortduurt.” En zoals men dit bij het persoonlijke gebed moet regelen in verhouding tot de bedoeling van wie bidt, zo moet dat ook bij het algemene gebed in verhouding tot de toewijding van het volk.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit ad Probam [loc. cit.], « non est hoc orare in multiloquio, si diutius oretur. Aliud est sermo multus; aliud diuturnus affectus. Nam et de ipso Domino scriptum est quod pernoctaverit in orando, et quod prolixius oraverit, ut nobis praeberet exemplum ». Et postea subdit: « Absit ab oratione multa locutio: sed non desit multa precatio, si fervens perseverat intentio. Nam multum loqui est in orando rem necessariam superfluis agere verbis. Plerumque autem hoc negotium plus gemitibus quam sermonibus agitur ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt, « is dat nog niet direct bidden met veel woorden, als er langdurig gebeden wordt. Want er is verschil tusschen veel praten en een langdurend gevoel. Van den Heer zelf wordt immers ook gezegd, dat Hij den nacht in gebed doorbracht en dat Hij langduriger bad, om ons een voorbeeld te geven. » En verderop voegt hij eraan toe: « Laten er niet veel woorden bij het gebed zijn, maar laat het niet aan veel bidden ontbreken, als de vurige aandacht blijft. Want veel spreken beteekent dat bij het bidden het noodzakelijke met overbodige woorden wordt naar voren gebracht. Maar men doet dat meestal meer met verzuchtingen dan met woorden. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt, “is dat nog niet direct bidden met veel woorden, als er langdurig gebeden wordt. Want er is verschil tussen veel praten en een langdurend gevoel. Van de Heer zelf wordt immers ook gezegd, dat Hij de nacht in gebed doorbracht en dat Hij langduriger bad, om ons een voorbeeld te geven.” En verderop voegt hij eraan toe: “Laten er niet veel woorden bij het gebed zijn, maar laat het niet aan veel bidden ontbreken, als de vurige aandacht blijft. Want veel spreken betekent dat bij het bidden het noodzakelijke met overbodige woorden wordt naar voren gebracht. Maar men doet dat meestal meer met verzuchtingen dan met woorden.”
Ad secundum dicendum quod prolixitas orationis non consistit in hoc 112quod multa petantur: sed in hoc quod affectus continuetur ad unum desiderandum.
2. Het voortduren van het gebed bestaat niet hierin, dat er veel 112dingen worden gevraagd, maar dat het gevoel, waarmee men naar een ding verlangt, voortduurt.
Ad tertium dicendum quod Dominus non instituit hanc Orationem ut his solis verbis uti debeamus in orando: sed quia ad haec sola impetranda debet tendere nostrae orationis intentio, qualitercumque ea proferamus vel cogitemus.
3. De Heer stelde dit gebed niet in opdat wij alleen deze woorden bij het bidden zouden moeten gebruiken; maar dat de bedoeling van ons gebed er alleen naar moet uitgaan deze dingen te verkrijgen, hoe wij het ook uitdrukken of denken.
Ad quartum dicendum quod aliquis continue orat, vel propter continuitatem desiderii, ut dictum est [in corp. art.]. Vel quia non intermittit quin temporibus statutis oret. Vel propter effectum: sive in ipso orante, qui etiam post orationem remanet magis devotus; sive etiam in alio, puta cum aliquis suis beneficiis provocat alium ut pro se oret, etiam quando ipse ab orando cessat et2 quiescit.
4. (Het tegenbewijs.) Iemand bidt voortdurend, ofwel omdat zijn verlangen voortduurt, zooals is gezegd (in de leerst.) ; — ofwel omdat hij niet ophoudt op vastgestelde tijden te bidden; — ofwel om het gevolg, hetzij in den bidder zelf, die ook na het gebed meer toegewijd blijft, hetzij in een ander, b.v. als iemand door zijn weldaden een ander aanzet om voor hem te bidden, ook als hijzelf ophoudt met bidden en rust.4. (Het tegenbewijs.) Iemand bidt voortdurend, ofwel omdat zijn verlangen voortduurt, zoals is gezegd (in de leerst.); — ofwel omdat hij niet ophoudt op vastgestelde tijden te bidden; — ofwel om het gevolg, hetzij in de bidder zelf, die ook na het gebed meer toegewijd blijft, hetzij in een ander, bv. als iemand door zijn weldaden een ander aanzet om voor hem te bidden, ook als hijzelf ophoudt met bidden en rust.
Utrum oratio sit meritoria
Is bidden verdienstelijk?
113Ad decimumquintum sic proceditur. Videtur quod oratio non sit meritoria. Omne enim meritum procedit a gratia. Sed oratio praecedit gratiam: quia etiam ipsa gratia per orationem impetratur, secundum illud Luc. 11. [v. 13] : « Pater vester de coelo dabit spiritum bonum petentibus se ». Ergo oratio non est actus meritorius.
113Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden niet verdienstelijk is. — 1. Want alle verdiensten komen van de genade. Maar het bidden komt vóór de genade, omdat ook de genade zelf door het gebed wordt verkregen naar het woord van Lucas (11. 13) : « Uw Vader zal uit den hemel den goeden geest geven aan wie Hem vragen. » Dus is het gebed geen verdienstelijke daad.113Bedenkingen. — Men beweert, dat bidden niet verdienstelijk is. — 1. Want alle verdiensten komen van de genade. Maar het bidden komt vóór de genade, omdat ook de genade zelf door het gebed wordt verkregen naar het woord van Lukas (11, 13): “Uw Vader zal uit de hemel de goede geest geven aan wie Hem vragen.” Dus is het gebed geen verdienstelijke daad.
2. Praeterea, si oratio aliquid meretur, maxime videtur mereri illud quod orando petitur. Sed hoc non semper meretur: quia multoties etiam sanctorum orationes non exaudiuntur; sicut Paulus non est exauditus petens a se removeri stimulum carnis. Ergo oratio non est actus meritorius.
2. Als het gebed iets verdient, schijnt vooral dat verdiend te worden, wat in het gebed wordt gevraagd. Maar dat wordt niet altijd verdiend, omdat dikwijls zelfs de gebeden van Heiligen niet worden verhoord, zooals Paulus niet werd verhoord, toen hij vroeg, dat de prikkel van het vleesch van hem zou worden weggenomen. (2 Cor. 12. 7) Dus is bidden geen verdienstelijke daad.2. Als het gebed iets verdient, schijnt vooral dat verdiend te worden, wat in het gebed wordt gevraagd. Maar dat wordt niet altijd verdiend, omdat dikwijls zelfs de gebeden van Heiligen niet worden verhoord, zoals Paulus niet werd verhoord, toen hij vroeg, dat de prikkel van het vlees van hem zou worden weggenomen. (2 Kor. 12. 7) Dus is bidden geen verdienstelijke daad.
3. Praeterea, oratio praecipue fidei innititur: secundum illud Jacobi 1. [v. 6] : « Postulet autem in fide nihil haesitans ». Fides autem non 114sufficit ad merendum: ut patet in his qui habent fidem informem. Ergo oratio non est actus meritorius.
3. Het gebed steunt vooral op het geloof naar het woord van Jacobus: « Hij vrage met geloof zonder te twijfelen. » (Jac. 1. 6) Nu is het geloof echter niet voldoende om te verdienen, zooals 114blijkt bij hen, die een niet door de liefde gevormd geloof hebben. Dus is bidden geen verdienstelijke daad.3. Het gebed steunt vooral op het geloof naar het woord van Jacobus: “Hij vrage met geloof zonder te twijfelen.” (Jac. 1. 6) Nu is het geloof echter niet voldoende om te verdienen, zoals 114blijkt bij hen, die een niet door de liefde gevormd geloof hebben. Dus is bidden geen verdienstelijke daad.
Sed contra est quod super illud Ps. 34. [v. 13] : « Oratio mea in sinu meo convertetur », dicit Glossa: « Et si eis non profuit, ego tamen non sum mea mercede frustratus ». Merces autem non debetur nisi merito. Ergo oratio non est actus meritorius. [Zoo in de Latijnsche tekst van de uitgave: het besluit van de bedenkingen is hier herhaald; de Nederlandsche tekst heeft het besluit van het tegenbewijs.]
Maar daartegenover staat, dat bij het psalmwoord: « Mijn gebed keert in mijn hart terug, » (Ps. 34. 13) de Glossa zegt: « Ook al had het voor hen geen voordeel, ik heb toch mijn loon niet gemist. » Nu komt loon alleen aan verdienste toe. Dus geeft het gebed uiteraard verdiensten.Maar daartegenover staat, dat bij het psalmwoord: “Mijn gebed keert in mijn hart terug,” (Ps. 34. 13)a de Glossa zegt: “Ook al had het voor hen geen voordeel, ik heb toch mijn loon niet gemist.” Nu komt loon alleen aan verdienste toe. Dus geeft het gebed uiteraard verdiensten.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 13. huj. q.], oratio praeter effectum spiritualis consolationis quam praesentialiter affert, duplicem habet virtutem respectu futuri effectus: scilicet virtutem merendi, et virtutem impetrandi. Oratio autem, sicut et quilibet alius actus virtutis, habet efficaciam merendi inquantum procedit ex radice charitatis, cujus proprium objectum est bonum aeternum, cujus fruitionem meremur. Procedit tamen oratio a charitate mediante religione, cujus est actus oratio, ut dictum est [art. 3] ; concomitantibus etiam quibusdam aliis virtutibus quae ad bonitatem orationis requiruntur, scilicet humilitate et fide. Ad religionem enim pertinet ipsam orationem Deo offerre. Ad charitatem vero pertinet 115desiderium rei cujus complementum oratio petit. Fides autem est necessaria ex parte Dei, quem oramus: ut scilicet credamus ab eo nos posse obtinere quod petimus. Humilitas autem est necessaria ex parte ipsius petentis, qui suam indigentiam recognoscit. Est etiam et devotio necessaria: sed hoc ad religionem pertinet, cujus est primus actus, necessarius ad omnes consequentes, ut supra dictum est [q. praec. art. 1.].
Leerstelling. — Zooals (in het 13e Art.) is gezegd, heeft het gebed behalve voor het gevolg van den geestelijken troost, die het onmiddellijk meebrengt, kracht met betrekking tot een dubbel toekomstig gevolg: nl. kracht om te verdienen en kracht om te verkrijgen. Nu werkt het gebed als iedere andere daad van deugd verdienste uit, in zoover het voortspruit uit den wortel van de liefde, waar het eeuwige goed, dat wij verdienen te genieten, het voorwerp van is. Nu komt het gebed door de godsdienstigheid, waarvan bidden, zooals gezegd is (3e Art.) een daad is, uit de liefde voort, terwijl er nog eenige andere deugden, die voor een goed gebed vereischt worden, bij komen, nl. nederigheid en geloof. Want het behoort tot de godsdienstigheid het gebed zelf aan God aan te 115bieden. Tot de liefde behoort het verlangen naar de zaak, waarvan het gebed de vervulling vraagt. Het geloof is echter noodig bezien van den kant van God, tot wien wij bidden; het is nl. noodig dat wij gelooven van Hem te kunnen krijgen wat wij vragen. Maar nederigheid is noodig van den kant van wie vraagt zelf, die zijn hulpbehoevendheid erkent. Ook is nog toewijding noodig, maar die valt onder de godsdienstigheid, waarvan zij de eerste daad is, noodig voor alle volgenden, zooals boven (82e Kw. Art. 1 en 2) gezegd is.Leerstelling. — Zoals (in het 13e Art.) is gezegd, heeft het gebed behalve voor het gevolg van de geestelijke troost, die het onmiddellijk meebrengt, kracht met betrekking tot een dubbel toekomstig gevolg: nl. kracht om te verdienen en kracht om te verkrijgen. Nu werkt het gebed als iedere andere daad van deugd verdienste uit, in zover het voortspruit uit de wortel van de liefde, waar het eeuwige goed, dat wij verdienen te genieten, het voorwerp van is. Nu komt het gebed door de godsdienstigheid, waarvan bidden, zoals gezegd is (3e Art.) een daad is, uit de liefde voort, terwijl er nog enige andere deugden, die voor een goed gebed vereist worden, bij komen, nl. nederigheid en geloof. Want het behoort tot de godsdienstigheid het gebed zelf aan God aan te 115bieden. Tot de liefde behoort het verlangen naar de zaak, waarvan het gebed de vervulling vraagt. Het geloof is echter nodig bezien van de kant van God, tot wie wij bidden; het is nl. nodig dat wij geloven van Hem te kunnen krijgen wat wij vragen. Maar nederigheid is nodig van de kant van wie vraagt zelf, die zijn hulpbehoevendheid erkent. Ook is nog toewijding nodig, maar die valt onder de godsdienstigheid, waarvan zij de eerste daad is, nodig voor alle volgenden, zoals boven (82e Kw. Art. 1 en 2) gezegd is.
Efficaciam autem impetrandi habet ex gratia Dei, quem oramus, qui etiam nos ad orandum inducit. Unde Augustinus dicit in lib. de Verb. Dom. [serm. 105. cap. 1.] : « Non nos hortaretur ut peteremus, nisi dare vellet ». Et Chrysostomus dicit: « Numquam oranti beneficia denegat ut orantes non deficiant sua pietate instigat ».
Kracht om te verkrijgen heeft het echter door de genade van God, dien wij bidden en die ons ook tot bidden brengt. Daarom zegt ook Augustinus: « Hij zou ons niet aansporen om te vragen, als Hij niet wilde geven. » En Chrysostomus zegt: « Nooit weigert Hij aan wie bidt Zijn weldaden, Die door Zijn liefde aanzet om bij het bidden niet te bezwijken. »Kracht om te verkrijgen heeft het echter door de genade van God, die wij bidden en die ons ook tot bidden brengt. Daarom zegt ook Augustinus: “Hij zou ons niet aansporen om te vragen, als Hij niet wilde geven.” En Chrysostomus zegt: “Nooit weigert Hij aan wie bidt Zijn weldaden, Die door Zijn liefde aanzet om bij het bidden niet te bezwijken.”
Ad primum ergo dicendum quod oratio sine gratia gratum faciente meritoria non est: sicut nec aliquis alius actus virtuosus. Et tamen etiam oratio quae impetrat gratiam gratum facientem procedit ex aliqua gratia, quasi ex gratuito dono: quia ipsum orare est quoddam « donum Dei », ut Augustinus dicit, in lib. de Persev. [cap. 23.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gebed zonder heiligmakende genade is niet verdienstelijk, zooals geen enkele andere daad van deugd. En toch komt ook het gebed, dat om de heiligmakende genade vraagt, uit een genade voort als uit een om niet gegeven gave, omdat het bidden zelf een « gift van God is, » zooals Augustinus zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gebed zonder heiligmakende genade is niet verdienstelijk, zoals geen enkele andere daad van deugd. En toch komt ook het gebed, dat om de heiligmakende genade vraagt, uit een genade voort als uit een om niet gegeven gave, omdat het bidden zelf een “gift van God is,” zoals Augustinus zegt.
116Ad secundum dicendum quod ad aliud principaliter respicit meritum orationis quandoque quam ad id quod petitur: meritum enim praecipue ordinatur ad beatitudinem; sed petitio orationis directe se extendit quandoque ad aliqua alia, ut ex dictis patet [art. 6.]. Si ergo illud aliud quod petit aliquis pro seipso, non sit ei ad beatitudinem utile, non meretur illud: sed quandoque hoc petendo et desiderando meritum amittit, puta si petat a Deo complementum alicujus peccati, quod est non pie orare. Quandoque vero non est necessarium ad salutem, nec manifeste saluti contrarium. Et tunc, licet orans possit orando mereri vitam aeternam, non tamen meretur illud obtinere quod petit. Unde Augustinus dicit in lib. Sent. Prosperi [Sent. 212.] : « Fideliter supplicans Deo pro necessitatibus hujus vitae, et misericorditer auditur, et misericorditer non auditur. Quid enim infirmo sit utile magis novit medicus, quam aegrotus ». Et propter hoc etiam Paulus non fuit exauditus petens amoveri stimulum carnis, quia non expediebat. Si vero id quod petitur sit utile ad beatitudinem hominis, quasi pertinens ad ejus salutem, meretur illud non solum orando, sed etiam alia bona opera faciendo. Et ideo indubitanter accipit quod petit, sed quando 117debet accipere: « quaedam enim non negantur, sed ut congruo dentur tempore, differuntur », ut Augustinus dicit, super Joan. [tract. 102.]. Quod tamen potest impediri, si in petendo non perseveret. Et propter hoc dicit Basilius [in lib. Constitut. Monast. cap. 1.] : « Ideo quandoque petis et non accipis, quia perperam postulasti, vel infideliter vel leviter, vel non conferentia tibi, vel destitisti ». Quia vero homo non potest alii mereri vitam aeternam ex condigno, ut supra dictum est [1-2. q. 114. art. 6.] ; ideo per consequens nec ea quae ad vitam aeternam pertinent potest aliquando aliquis ex condigno alteri mereri. Et propter hoc non semper ille auditur qui pro alio orat, ut supra habitum est [art. 7. huj. q. ad 2. et 3.]. Et ideo ponuntur quatuor conditiones, quibus concurrentibus, semper aliquis impetrat quod petit: ut scilicet « pro se » petat, « necessaria ad salutem », « pie » et « perseveranter ».
1162. Soms slaat de verdienste van het gebed op iets anders, dan op wat gevraagd wordt; want de verdienste is vooral op de zaligheid gericht, maar het vragen van wie bidt slaat soms rechtstreeks op iets anders, zooals uit het gezegde (6e Art.) blijkt. Als dus dat andere wat iemand voor zichzelf vraagt, hem niet voor de zaligheid van nut is, verdient hij dat niet; maar soms verliest hij de verdienste door dat te vragen en te verlangen, b. v. als iemand van God het volbrengen van een zonde vraagt, wat goddeloos bidden is. — Soms echter is het niet noodzakelijk voor de zaligheid, noch duidelijk daarmee in strijd. En al kan iemand, die bidt, dan door te bidden het eeuwige leven verdienen, toch verdient hij niet te verkrijgen wat hij vraagt. Daarom zegt Augustinus: « Wie getrouw God smeekt om wat voor dit leven noodig is, wordt met barmhartigheid verhoord en niet verhoord. Want wat voor een zieke nuttig is, weet de geneesheer beter dan de zieke. » Daarom is zelfs Paulus niet verhoord, toen hij vroeg, dat de prikkel van het vleesch zou worden weggenomen, omdat het voor hem niet goed was. — Is echter wat gevraagd wordt nuttig voor de zaligheid van den mensch, omdat het daartoe behoort, dan wordt het niet alleen door bidden verdiend, maar ook door het doen van andere goede werken. En daarom krijgt hij zonder twijfel wat hij vraagt, maar 117als hij het moet krijgen: « want sommige dingen worden niet geweigerd, maar uitgesteld om op een geschikten tijd te worden gegeven », zooals Augustinus zegt. Dat kan echter verhinderd worden, als hij in het vragen niet volhardt. En daarom zegt Basilius: « De reden waarom gij soms bidt en niets verkrijgt is, omdat gij verkeerd hebt gevraagd, of ongetrouw of lichtzinnig, of wat niet goed voor u was, of gij hebt ermee opgehouden. » Daar de mensch echter het eeuwige leven voor een ander niet gelijkwaardig verdienen kan, zooals vroeger (I-II. 114e Kw. 6e Art.) gezegd is, kan dientengevolge ook niemand voor een ander dat wat bij het eeuwige leven hoort gelijkwaardig verdienen. Daarom wordt wie voor een ander bidt, ook niet altijd verhoord, zooals boven (7e Art. 2e en 3e Antw.) uiteengezet is. En daarom worden er vier voorwaarden opgegeven, en als die tegelijk worden vervuld, krijgt iemand altijd, wat hij vraagt, dat hij nl. voor zichzelf, wat voor de zaligheid noodig is, godvruchtig en volhardend vraagt.1162. Soms slaat de verdienste van het gebed op iets anders, dan op wat gevraagd wordt; want de verdienste is vooral op de zaligheid gericht, maar het vragen van wie bidt slaat soms rechtstreeks op iets anders, zoals uit het gezegde (6e Art.) blijkt. Als dus dat andere wat iemand voor zichzelf vraagt, hem niet voor de zaligheid van nut is, verdient hij dat niet; maar soms verliest hij de verdienste door dat te vragen en te verlangen, bv. als iemand van God het volbrengen van een zonde vraagt, wat goddeloos bidden is. — Soms echter is het niet noodzakelijk voor de zaligheid, noch duidelijk daarmee in strijd. En al kan iemand, die bidt, dan door te bidden het eeuwige leven verdienen, toch verdient hij niet te verkrijgen wat hij vraagt. Daarom zegt Augustinus: “Wie getrouw God smeekt om wat voor dit leven nodig is, wordt met barmhartigheid verhoord en niet verhoord. Want wat voor een zieke nuttig is, weet de geneesheer beter dan de zieke.” Daarom is zelfs Paulus niet verhoord, toen hij vroeg, dat de prikkel van het vlees zou worden weggenomen, omdat het voor hem niet goed was. — Is echter wat gevraagd wordt nuttig voor de zaligheid van de mens, omdat het daartoe behoort, dan wordt het niet alleen door bidden verdiend, maar ook door het doen van andere goede werken. En daarom krijgt hij zonder twijfel wat hij vraagt, maar 117als hij het moet krijgen: “want sommige dingen worden niet geweigerd, maar uitgesteld om op een geschikten tijd te worden gegeven”, zoals Augustinus zegt. Dat kan echter verhinderd worden, als hij in het vragen niet volhardt. En daarom zegt Basilius: “De reden waarom gij soms bidt en niets verkrijgt is, omdat gij verkeerd hebt gevraagd, of ongetrouw of lichtzinnig, of wat niet goed voor u was, of gij hebt ermee opgehouden.” Daar de mens echter het eeuwige leven voor een ander niet gelijkwaardig verdienen kan, zoals vroeger (1-2 114e Kw. 6e Art.) gezegd is, kan dientengevolge ook niemand voor een ander dat wat bij het eeuwige leven hoort gelijkwaardig verdienen. Daarom wordt wie voor een ander bidt, ook niet altijd verhoord, zoals boven (7e Art. 2e en 3e Antw.) uiteengezet is. En daarom worden er vier voorwaarden opgegeven, en als die tegelijk worden vervuld, krijgt iemand altijd, wat hij vraagt, dat hij nl. voor zichzelf, wat voor de zaligheid nodig is, godvruchtig en volhardend vraagt.
Ad tertium dicendum quod oratio innititur principaliter fidei non quantum ad efficaciam merendi, quia sic innititur principaliter charitati: sed quantum ad efficaciam impetrandi. Quia per fidem habet homo notitiam 118omnipotentiae divinae et misericordiae, ex quibus oratio impetrat quod petit.
3. Het gebed steunt niet wat de kracht om te verdienen betreft, voornamelijk op het geloof, omdat het onder dat opzicht op de liefde steunt, maar wat het vermogen om iets te verkrijgen betreft. Want de mensch heeft door het geloof eenig begrip van Gods 118almacht en barmhartigheid, waarvan het gebed, dat wat het vraagt verkrijgt.3. Het gebed steunt niet wat de kracht om te verdienen betreft, voornamelijk op het geloof, omdat het onder dat opzicht op de liefde steunt, maar wat het vermogen om iets te verkrijgen betreft. Want de mens heeft door het geloof enig begrip van Gods 118almacht en barmhartigheid, waarvan het gebed, dat wat het vraagt verkrijgt.
Utrum peccatores orando impetrent aliquid a Deo
Krijgen de zondaars, als zij bidden, iets van God?
Ad sextumdecimum sic proceditur. Videtur quod peccatores orando non impetrent aliquid a Deo. Dicitur enim Joan. 9. [v. 31] : « Scimus quia peccatores Deus non audit ». Quod consonat ei quod dicitur Proverb. 28. [v. 9] : « Qui declinat aures suas, ne audiat legem, oratio ejus erit execrabilis »: oratio autem execrabilis non impetrat aliquid a Deo. Ergo peccatores non impetrant aliquid a Deo.
Bedenkingen. — Men beweert, dat zondaars door te bidden niets van God verkrijgen. — 1. Want bij Joannes (9. 31) staat geschreven: « Wij weten, dat God zondaars niet hoort. » En dat komt overeen met wat in het Boek der Spreuken (28. 9) gezegd wordt: « Van hem, die zijn ooren afwendt om de Wet niet te hooren, is het gebed verfoeilijk. » Maar een verfoeilijk gebed verkrijgt niets van God. Dus verkrijgen de zondaars niets van God.Bedenkingen. — Men beweert, dat zondaars door te bidden niets van God verkrijgen. — 1. Want bij Johannes (9, 31) staat geschreven: “Wij weten, dat God zondaars niet hoort.” En dat komt overeen met wat in het Boek van de Spreuken (28, 9) gezegd wordt: “Van hem, die zijn oren afwendt om de Wet niet te horen, is het gebed verfoeilijk.” Maar een verfoeilijk gebed verkrijgt niets van God. Dus verkrijgen de zondaars niets van God.
2. Praeterea, justi impetrant a Deo illud quod merentur, ut supra habitum est [art. praec. ad 2.]. Sed peccatores nihil possunt mereri: quia gratia carent, et etiam charitate, quae est « virtus pietatis », ut dicit Glos., [ord.] 2. ad Timot. 3. [v. 5] super illud, « Habentes quidem speciem 119pietatis, virtutem autem ejus abnegantes »; et ita non pie orant, quod requiritur ad hoc quod oratio impetret, ut supra dictum est [art. praec. ad 2.]. Ergo peccatores nihil impetrant orando.
2. Rechtvaardigen krijgen van God wat zij verdienen, zooals vroeger (vorig Art.) is gezegd. Nu kunnen zondaars niets verdienen omdat zij de genade missen, en ook de liefde, die de deugd van godsvrucht is, zooals de Glossa zegt bij den Tweeden Brief aan Timotheus (3. 5) : « Die den schijn van godsvrucht wel hebben, 119maar er de kracht van verworpen hebben, » en zoo bidden zij niet godvruchtig, wat noodig is om het gebed iets te laten verkrijgen, zooals boven (vorig Art.) gezegd is. Dus verkrijgen de zondaars door het gebed niets.2. Rechtvaardigen krijgen van God wat zij verdienen, zoals vroeger (vorig Art.) is gezegd. Nu kunnen zondaars niets verdienen omdat zij de genade missen, en ook de liefde, die de deugd van godsvrucht is, zoals de Glossa zegt bij de Tweede Brief aan Timoteüs (3, 5): “Die de schijn van godsvrucht wel hebben, 119maar er de kracht van verworpen hebben,” en zo bidden zij niet godvruchtig, wat nodig is om het gebed iets te laten verkrijgen, zoals boven (vorig Art.) gezegd is. Dus verkrijgen de zondaars door het gebed niets.
3. Praeterea, Chrysostomus dicit super Matth. [hom. 14. in opere imperfecto] : « Pater non libenter exaudit orationem quam Filius non dictavit ». Sed in Oratione quam Christus dictavit dicitur. « Dimitte nobis debita nostra, sicut et nos dimittimus debitoribus nostris »: quod peccatores non faciunt. Ergo vel mentiuntur hoc dicentes, et sic non sunt exauditione digni: vel, si non dicant, non exaudiuntur, quia formam orandi a Christo institutam non servant.
3. Chrysostomus zegt: « De Vader hoort niet graag het gebed, dat de Zoon niet ingegeven heeft. » Nu wordt in het door Christus ingegeven gebed gezegd: « Vergeef ons onze schulden, zooals wij aan anderen hun schuld vergeven, » en dat doen de zondaars niet. Dus ofwel liegen zij, en dan zijn zij niet waardig verhoord te worden; of als zij dit niet zeggen, worden zij niet verhoord, omdat zij den door Christus ingestelden vorm van gebed niet in acht nemen.3. Chrysostomus zegt: “De Vader hoort niet graag het gebed, dat de Zoon niet ingegeven heeft.” Nu wordt in het door Christus ingegeven gebed gezegd: “Vergeef ons onze schulden, zoals wij aan anderen hun schuld vergeven,” en dat doen de zondaars niet. Dus ofwel liegen zij, en dan zijn zij niet waardig verhoord te worden; of als zij dit niet zeggen, worden zij niet verhoord, omdat zij de door Christus ingestelden vorm van gebed niet in acht nemen.
Sed contra est quod Augustinus dicit, super Joan. [tract. 44.] : « Si peccatores non exaudiret Deus, frustra publicanus dixisset: Domine, propitius esto mihi peccatori ». Et Chrysostomus dicit, super Matth. [hom. 18.] : « Omnis qui petit accipit: idest sive justus sit sive peccator ».
Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt: « Als God de zondaars niet verhoorde, zou de tollenaar tevergeefs hebben gezegd: Heer, wees mij zondaar genadig. » En Chrysostomus zegt: « Iedereen, die vraagt, verkrijgt, d. w. z. hetzij rechtvaardige of zondaar. »Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt: “Als God de zondaars niet verhoorde, zou de tollenaar tevergeefs hebben gezegd: Heer, wees mij zondaar genadig.” En Chrysostomus zegt: “Iedereen, die vraagt, verkrijgt, d. w. z. hetzij rechtvaardige of zondaar.”
Respondeo dicendum quod in peccatore duo sunt consideranda: scilicet natura, quam diligit Deus; et culpa, quam odit. Si ergo peccator orando 120aliquid petit inquantum peccator, idest secundum desiderium peccati, in hoc a Deo non auditur ex misericordia, sed quandoque auditur ad vindictam, dum Deus permittit peccatorem adhuc amplius ruere in peccata: « Deus » enim « quaedam negat propitius quae concedit iratus », ut Augustinus dicit [tract. 73. in Joan. et de Verbis Dom. serm. 354. cap. 7.].
Leerstelling. — In een zondaar kan men twee dingen beschouwen, nl. de natuur, die God liefheeft, en de schuld, die 120Hij haat. Vraagt dus een zondaar in het gebed iets als zondaar, d. i. iets wat in overeenstemming is met het verlangen naar de zonde, dan verhoort God dit niet uit barmhartigheid, maar soms verhoort Hij dit tot straf, als God toelaat, dat de zondaar zich nog verder in de zonde stort, want « God weigert sommige dingen uit goedheid, die Hij uit toorn wel geeft, » zooals Augustinus zegt.Leerstelling. — In een zondaar kan men twee dingen beschouwen, nl. de natuur, die God liefheeft, en de schuld, die 120Hij haat. Vraagt dus een zondaar in het gebed iets als zondaar, d.i. iets wat in overeenstemming is met het verlangen naar de zonde, dan verhoort God dit niet uit barmhartigheid, maar soms verhoort Hij dit tot straf, als God toelaat, dat de zondaar zich nog verder in de zonde stort, want “God weigert sommige dingen uit goedheid, die Hij uit toorn wel geeft,” zoals Augustinus zegt.
Orationem vero peccatoris ex bono naturae desiderio procedentem Deus audit, non quasi ex justitia, quia peccator hoc non meretur, sed ex pura misericordia: observatis tamen quatuor praemissis conditionibus [art. praec. ad 2.], ut scilicet pro se petat, necessaria ad salutem, pie et perseveranter.
God verhoort echter het gebed van een zondaar, dat uit het goede natuurlijke verlangen voortkomt, niet alsof Hij dat uit rechtvaardigheid deed, omdat de zondaar dat niet verdient; maar uit zuivere barmhartigheid; maar alleen als de vier bovengenoemde voorwaarden (vorig Art. 2e Antw.), vervuld zijn, dat hij nl. voor zichzelf, godvruchtig, en volhardend vraagt, wat voor de zaligheid noodzakelijk is.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, super Joan. [tract. 44.], illud verbum est caeci « adhuc inuncti », idest nondum perfecte illuminati. Et ideo non est ratum. Quamvis possit verificari si intelligatur de peccatore inquantum est peccator. Per quem etiam modum oratio ejus dicitur execrabilis.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Augustinus zegt, is het aangehaalde woord gezegd door den blinde, « toen hij nog niet gezalfd, » d. w. z. nog niet volkomen verlicht was. En daarom moet men er niet mee instemmen. — Toch zou het waarheid kunnen bevatten, als men het verstond van een zondaar precies als zondaar. Op deze manier wordt zijn gebed ook verfoeilijk genoemd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Augustinus zegt, is het aangehaalde woord gezegd door de blinde, “toen hij nog niet gezalfd,” d. w. z. nog niet volkomen verlicht was. En daarom moet men er niet mee instemmen. — Toch zou het waarheid kunnen bevatten, als men het verstond van een zondaar precies als zondaar. Op deze manier wordt zijn gebed ook verfoeilijk genoemd.
Ad secundum dicendum quod peccator non potest pie orare quasi ejus 121oratio ex habitu virtutis informetur. Potest tamen ejus oratio esse pia quantum ad hoc quod petit aliquid ad pietatem pertinens: sicut ille qui non habet habitum justitiae, potest aliquid justum velle, ut ex supra dictis patet [q. 59. art. 2.]. Et quamvis ejus oratio non sit meritoria, potest tamen esse impetrativa: quia meritum innititur justitiae, sed impetratio innititur gratiae.
2. Een zondaar kan niet godvruchtig bidden in dien zin, dat 121zijn gebed door die deugd wordt bezield. Maar zijn gebed kan in zoover godvruchtig zijn, dat hij iets wat met de godsvrucht verband houdt vraagt, zooals hij, die de deugd van rechtvaardigheid nog niet heeft, toch wel iets rechtvaardigs kan willen, zooals vroeger (59e Kw. 2e Art.) gezegd is. En al is zijn gebed niet verdienstelijk, toch kan het iets verkrijgen, omdat de verdienste op de rechtvaardigheid steunt, maar het verkrijgen op goedgunstigheid.2. Een zondaar kan niet godvruchtig bidden in die zin, dat 121zijn gebed door die deugd wordt bezield. Maar zijn gebed kan in zover godvruchtig zijn, dat hij iets wat met de godsvrucht verband houdt vraagt, zoals hij, die de deugd van rechtvaardigheid nog niet heeft, toch wel iets rechtvaardigs kan willen, zoals vroeger (59e Kw. 2e Art.) gezegd is. En al is zijn gebed niet verdienstelijk, toch kan het iets verkrijgen, omdat de verdienste op de rechtvaardigheid steunt, maar het verkrijgen op goedgunstigheid.
Ad tertium dicendum quod, sicut dictum est [art. 7. huj. q. ad 1.], Oratio Dominica profertur ex persona communi totius Ecclesiae. Et ideo si aliquis nolens dimittere debita proximo dicat Orationem Dominicam, non mentitur, quamvis hoc quod dicit non sit verum quantum ad suam personam: est enim verum quantum ad personam Ecclesiae. Extra quam est meritum: et ideo fructu orationis caret. Quandoque tamen aliqui peccatores parati sunt debitoribus suis dimittere. Et ideo ipsi orantes exaudiuntur: secundum illud Eccli. 28. [v. 2] : « Relinque proximo tuo nocenti te: et tunc deprecanti tibi peccata solventur ».
3. Zooals werd gezegd (7e Art. 1e Antw.), wordt het Gebed des Heeren gebeden uit naam van de geheele Kerk. En als daarom iemand, die zijn naaste niet wil vergeven, het Gebed des Heeren bidt, liegt hij niet, al is dat wat hij zegt niet waar wat zijn eigen persoon betreft want het is waar, wat de persoonlijkheid van de Kerk betreft. Maar terecht staat hij daarbuiten, en daarom heeft hij van zijn gebed geen vrucht. — Soms zijn zondaars ook wel bereid om aan anderen hun schuld tegenover hen te vergeven. En daarom worden zij bij het bidden verhoord naar het woord van het Boek Ecclesiasticus (28. 2) : « Vergeef aan uw naaste, die u schade toebrengt, en dan zullen op uw gebed uw zonden worden vergeven. »3. Zoals werd gezegd (7e Art. 1e Antw.), wordt het Gebed van de Heer gebeden uit naam van de gehele Kerk. En als daarom iemand, die zijn naaste niet wil vergeven, het Gebed van de Heer bidt, liegt hij niet, al is dat wat hij zegt niet waar wat zijn eigen persoon betreft want het is waar, wat de persoonlijkheid van de Kerk betreft. Maar terecht staat hij daarbuiten, en daarom heeft hij van zijn gebed geen vrucht. — Soms zijn zondaars ook wel bereid om aan anderen hun schuld tegenover hen te vergeven. En daarom worden zij bij het bidden verhoord naar het woord van het Boek Sirach (28, 2): “Vergeef aan uw naaste, die u schade toebrengt, en dan zullen op uw gebed uw zonden worden vergeven.”
Utrum convenienter dicantur esse orationis partes: obsecrationes, orationes, postulationes, et gratiarum actiones
Kan men goed zeggen, dat de onderdeelen van het gebed zijn: bezweringen, gebeden, verzoeken en dankzeggingen?Kan men goed zeggen, dat de onderdelen van het gebed zijn: bezweringen, gebeden, verzoeken en dankzeggingen?
122Ad decimumseptimum sic proceditur. Videtur quod inconvenienter dicantur esse orationis partes « obsecrationes, orationes, postulationes, et gratiarum actiones ». Obsecratio enim videtur esse quaedam adjuratio. Sed, sicut Origenes [tract. 35.] c. 26. dicit, super Matth. [v. 63] « non oportet quod vir qui vult secundum Evangelium vivere, adjuret alium: si enim jurare non licet, nec adjurare ». Ergo inconvenienter ponitur obsecratio orationis pars.
122Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet goed is te zeggen, dat de onderdeelen van het gebed zijn : bezweringen, gebeden, verzoeken en dankzeggingen. — 1. Want de obsecratio schijnt een soort bezwering te zijn. Zooals echter Origenes zegt, « mag een mensch, die volgens het Evangelie wil leven, een ander niet bezweren; want als men niet mag zweren, dan ook niet bezweren. » Dus gaat het niet aan bezweringen als een onderdeel van het gebed op te geven.122Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet goed is te zeggen, dat de onderdelen van het gebed zijn: bezweringen, gebeden, verzoeken en dankzeggingen. — 1. Want de obsecratio schijnt een soort bezwering te zijn. Zoals echter Origenes zegt, “mag een mens, die volgens het Evangelie wil leven, een ander niet bezweren; want als men niet mag zweren, dan ook niet bezweren.” Dus gaat het niet aan bezweringen als een onderdeel van het gebed op te geven.
2. Praeterea, oratio, secundum Damascenum [lib. 3. Orth. Fid. cap. 24.] est « petitio decentium a Deo ». Inconvenienter ergo orationes contra postulationes dividuntur.
2. Volgens Damascenus is het gebed « het vragen van gepaste dingen aan God. » Het is dus niet juist gebeden van verzoeken te onderscheiden.2. Volgens Damascenus is het gebed “het vragen van gepaste dingen aan God.” Het is dus niet juist gebeden van verzoeken te onderscheiden.
3. Praeterea, gratiarum actiones pertinent ad praeterita, alia vero ad futura. Sed praeterita sunt priora futuris. Inconvenienter ergo gratiarum actiones post alia ponuntur.
3. Dankzeggingen slaan op het verleden en de rest op de toekomst. Nu komt het verleden vóór de toekomst en dus is het niet in orde de dankzeggingen na de anderen op te geven.
123In contrarium est auctoritas Apostoli, 1 ad Timoth. 2. [v. 1].
123Maar daartegenover staat het gezag van den Apostel. (1 Tim. 2. 1.)123Maar daartegenover staat het gezag van de Apostel. (1 Tim. 2. 1.)
Respondeo dicendum quod ad orationem tria requiruntur. Quorum primum est ut orans accedat ad Deum, quem orat. Quod significatur nomine « orationis »: quia oratio est « ascensus intellectus in Deum ». Secundo, requiritur petitio, quae significatur nomine « postulationis »: sive petitio proponatur determinate, quod quidam nominant proprie « postulationem »; sive indeterminate, ut cum quis petit juvari a Deo, quod nominant « supplicationem »; sive solum factum narretur, secundum illud Joan. 11. [v. 3] : « Ecce, quem amas infirmatur », quod vocant « insinuationem ». Tertio, requiritur ratio impetrandi quod petitur. Et hoc vel ex parte Dei, vel ex parte petentis. Ratio quidem impetrandi ex parte Dei est ejus sanctitas, propter quam petimus exaudiri: secundum illud Dan. 9. [v. 17, 18] : « Propter temetipsum inclina, Deus meus, aurem tuam ». Et ad hoc pertinet « obsecratio », quae est « per sacra contestatio »: sicut cum dicimus: « Per nativitatem tuam, libera nos, Domine ». Ratio vero 124impetrandi ex parte petentis est « gratiarum actio »: quia « de acceptis beneficiis gratias agentes, meremur accipere potiora », ut in Collecta dicitur.
Leerstelling. — Drie dingen worden voor het gebed vereischt. Vooreerst, dat wie bidt opstijgt naar God, tot Wien hij bidt. En dat wordt met de naam gebed aangegeven, omdat bidden « een opstijgen van den geest naar God » is. Ten tweede wordt er een vragen vereischt, wat met de naam verzoeken wordt aangeduid, of nu de vraag bepaald wordt gesteld, wat sommigen verzoeken in eigenlijken zin noemen, of onbepaald, zooals wanneer iemand vraagt door God te worden geholpen, wat ze smeekingen noemen, of alleen het feit wordt verhaald volgens Joannes (11. 3) : « Heer, dien Gij liefhebt, is ziek; » wat aanduidingen heet. Ten derde wordt een reden om te verkrijgen wat men vraagt, vereischt. En dat ofwel van den kant van God, ofwel van den kant van wie vraagt. Van Gods kant is Zijn heiligheid de reden om iets te verkrijgen, en om haar vragen wij verhoord te worden naar het woord van Daniël (9. 17, 18) : « Luister, mijn God, om wille van U zelf. » En hieronder valt de bezwering, wat beteekent het tot getuige nemen van iets heiligs, zooals wanneer wij zeggen: om Uw geboorte, verlos ons, Heer. Van den kant van wie vraagt is de 124dankzegging de reden om iets te verkrijgen, omdat wij « door voor verkregen weldaden dank te brengen, verdienen meer te ontvangen, » zooals in een Collecte wordt gezegd.Leerstelling. — Drie dingen worden voor het gebed vereist. Vooreerst, dat wie bidt opstijgt naar God, tot Wie hij bidt. En dat wordt met de naam gebed aangegeven, omdat bidden “een opstijgen van de geest naar God” is. Ten tweede wordt er een vragen vereist, wat met de naam verzoeken wordt aangeduid, of nu de vraag bepaald wordt gesteld, wat sommigen verzoeken in eigenlijke zin noemen, of onbepaald, zoals wanneer iemand vraagt door God te worden geholpen, wat ze smekingen noemen, of alleen het feit wordt verhaald volgens Johannes (11, 3): “Heer, die Gij liefhebt, is ziek;” wat aanduidingen heet. Ten derde wordt een reden om te verkrijgen wat men vraagt, vereist. En dat ofwel van de kant van God, ofwel van de kant van wie vraagt. Van Gods kant is Zijn heiligheid de reden om iets te verkrijgen, en om haar vragen wij verhoord te worden naar het woord van Daniël (9, 17, 18): “Luister, mijn God, om wille van Uzelf.” En hieronder valt de bezwering, wat betekent het tot getuige nemen van iets heiligs, zoals wanneer wij zeggen: om Uw geboorte, verlos ons, Heer. Van de kant van wie vraagt is de 124dankzegging de reden om iets te verkrijgen, omdat wij “door voor verkregen weldaden dank te brengen, verdienen meer te ontvangen,” zoals in een Collecte wordt gezegd.
Et ideo dicit Glos., [ordin.] 1 ad Timoth. 2. [v. 1] quod « in Missa obsecrationes sunt quae praecedunt consecrationem », in quibus quaedam sacra commemorantur; « orationes sunt in ipsa consecratione », in qua mens maxime debet elevari in Deum; « postulationes autem sunt in sequentibus petitionibus; gratiarum actiones in fine ». In pluribus etiam Ecclesiae collectis haec quatuor possunt attendi. Sicut in collecta Trinitatis, quod dicitur, « Omnipotens, sempiterne Deus », pertinet ad orationis ascensum in Deum; quod dicitur, « Qui dedisti famulis tuis » etc., pertinet ad gratiarum actionem; quod dicitur, « praesta, quaesumus » etc., pertinet ad postulationem; quod in fine ponitur, « Per Dominum nostrum » etc., pertinet ad obsecrationem. In « collationibus » autem « Patrum » [collat. 9. cap. 11. 12. et 13.] dicitur: « Obsecratio est imploratio pro peccatis; oratio, cum aliquid Deo vovemus; postulatio, cum pro aliis petimus; gratiarum actio, quam per ineffabiles excessus mens Deo refert, etc. ». Sed primum melius est.
Daarom zegt de Glossa bij den Eersten Brief aan Timotheus (2. 1), « dat er in de H. Mis bezweringen gevonden worden, vóór de Consecratie, » waarbij wij aan heilige dingen herinneren, « gebeden bij de Consecratie zelf, » waarbij de ziel zich vooral tot God moet verheffen, « verzoeken bij de daarop volgende vragen, en dankzeggingen aan het eind. » Ook kan men in meerdere Collecten van de Kerk deze vier dingen vinden. Zoo b. v. in de Collecte van de H. Drievuldigheid. Hierin wordt gezegd: almachtige, eeuwige God; en dit is het opstijgen van het gebed naar God; die aan Uw dienaren hebt gegeven: dit is de dankzegging; geef, bidden wij, is het verzoeken, en aan het eind: door onzen Heer, is de bezwering. In de Collationes (van Cassianus) lezen wij, dat « de smeeking het vergiffenis vragen voor de zonden is; het gebed, als wij iets aan God beloven; het vragen, als wij iets voor anderen verzoeken; de dankzegging, die de geest in overstelpende mate God aanbiedt, enz. » Het eerste is echter beter.Daarom zegt de Glossa bij de Eerste Brief aan Timoteüs (2, 1), “dat er in de H. Mis bezweringen gevonden worden, vóór de Consecratie,” waarbij wij aan heilige dingen herinneren, “gebeden bij de Consecratie zelf,” waarbij de ziel zich vooral tot God moet verheffen, “verzoeken bij de daarop volgende vragen, en dankzeggingen aan het eind.” Ook kan men in meerdere Collecten van de Kerk deze vier dingen vinden. Zo bv. in de Collecte van de H. Drievuldigheid. Hierin wordt gezegd: almachtige, eeuwige God; en dit is het opstijgen van het gebed naar God; die aan Uw dienaren hebt gegeven: dit is de dankzegging; geef, bidden wij, is het verzoeken, en aan het eind: door onze Heer, is de bezwering. In de Collationes (van Cassianus) lezen wij, dat “de smeking het vergiffenis vragen voor de zonden is; het gebed, als wij iets aan God beloven; het vragen, als wij iets voor anderen verzoeken; de dankzegging, die de geest in overstelpende mate God aanbiedt, enz.” Het eerste is echter beter.
125Ad primum ergo dicendum quod obsecratio non est adjuratio ad compellundum, quae prohibentur: sed ad misericordiam implorandam.
125Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De obsecratio is geen bezwering om iemand ergens toe te dwingen, wat verboden is, maar om barmhartigheid af te smeeken.125Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De obsecratio is geen bezwering om iemand ergens toe te dwingen, wat verboden is, maar om barmhartigheid af te smeken.
Ad secundum dicendum quod oratio communiter sumpta includit omnia quae hic dicuntur. Sed secundum quod contra alia dividitur, importat proprie ascensum in Deum.
2. Gebed in algemeenen zin genomen omvat al het hier genoemde. Maar als van het andere onderscheiden, sluit het eigenlijk een opstijgen van den geest naar God in.2. Gebed in algemenen zin genomen omvat al het hier genoemde. Maar als van het andere onderscheiden, sluit het eigenlijk een opstijgen van de geest naar God in.
Ad tertium dicendum quod in diversis praeterita praecedunt futura: sed aliquid unum et idem prius est futurum quam sit praeteritum. Et ideo gratiarum actio de aliis beneficiis praecedit postulationem aliorum beneficiorum: sed idem beneficium prius postulatur, et ultimo, cum acceptum fuerit, de eo gratiae aguntur. Postulationem autem praecedit oratio, per quam acceditur ad Deum, a quo petimus. Orationem autem praecedit obsecratio: quia ex consideratione divinae bonitatis ad eum audemus accedere.
3. Bij verschillende dingen gaat het verledene aan het toekomstige vooraf. Maar een en hetzelfde ding is toekomstig voordat het verleden is. Daarom gaat het dankzeggen voor weldaden aan het vragen van andere weldaden vooraf, maar een en dezelfde weldaad wordt eerst gevraagd, en op het laatst, als ze ontvangen is, wordt daarvoor dank gezegd. Het vragen echter gaat het opstijgen van den geest naar Hem, van Wien wij iets vragen, vooraf. Aan dat opstijgen gaat het bezweren vooraf, omdat wij door het beschouwen van Gods goedheid tot Hem durven opstijgen.3. Bij verschillende dingen gaat het verledene aan het toekomstige vooraf. Maar een en hetzelfde ding is toekomstig voordat het verleden is. Daarom gaat het dankzeggen voor weldaden aan het vragen van andere weldaden vooraf, maar een en dezelfde weldaad wordt eerst gevraagd, en op het laatst, als ze ontvangen is, wordt daarvoor dank gezegd. Het vragen echter gaat het opstijgen van de geest naar Hem, van Wie wij iets vragen, vooraf. Aan dat opstijgen gaat het bezweren vooraf, omdat wij door het beschouwen van Gods goedheid tot Hem durven opstijgen.