Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 90Kw. 90
Quaestio XC

De assumptione divini nominis per modum adjurationis, in tres articulos divisa

Kwestie 90

Over het gebruiken van Gods naam bij een bezwering

(Drie Artikelen)

291Postea considerandum est de assumptione divini nominis per modum adjurationis. Et circa hoc quaeruntur tria: 1. Utrum liceat adjurare homines. — 2. Utrum liceat adjurare daemones. — 3. Utrum liceat adjurare irrationales creaturas.

291Vervolgens moet het gebruiken van Gods naam bij een bezwering worden besproken. En hierover stellen wij ons drie vragen: 1. Mag men menschen bezweren? 2. Mag men duivels bezweren? 3. Mag men redelooze schepsels bezweren?291Vervolgens moet het gebruiken van Gods naam bij een bezwering worden besproken. En hierover stellen wij ons drie vragen: 1. Mag men mensen bezweren? 2. Mag men duivels bezweren? 3. Mag men redeloze schepsels bezweren?

Articulus I

Utrum liceat adjurare hominem

Ie Artikel

Mag men een mensch bezweren?Mag men een mens bezweren?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod non liceat hominem adjurare. Dicit enim Origenes super Matth. [tract. 35. super c. 26, v. 63] : « Aestimo 292quoniam non oportet ut vir qui vult secundum Evangelium vivere, adjuret alterum. Si enim jurare non licet quantum ad Evangelicum Christi mandatum, notum est quia nec adjurare alterum licet. Et propterea manifestum est quod Princeps Sacerdotum Jesum illicite adjuravit per Deum vivum ».

Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen mensch mag bezweren. — 1. Want Origenes zegt: « Naar mijn meening mag 292een mensch, die volgens het Evangelie wil leven, een ander niet bezweren. Want als men naar het gebod van Christus in het Evangelie niet mag zweren, is het duidelijk, dat men ook geen ander mag bezweren. Daaruit blijkt, dat de Hoogepriester Jesus op ongeoorloofde manier bij den levenden God bezwoor. »Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen mens mag bezweren. — 1. Want Origenes zegt: “Naar mijn mening mag 292een mens, die volgens het Evangelie wil leven, een ander niet bezweren. Want als men naar het gebod van Christus in het Evangelie niet mag zweren, is het duidelijk, dat men ook geen ander mag bezweren. Daaruit blijkt, dat de Hogepriester Jesus op ongeoorloofde manier bij de levende God bezwoor.”

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quicumque adjurat aliquem, quodammodo ipsum compellit. Sed non licet alium invitum cogere. Ergo videtur quod nec liceat aliquem adjurare.

2. Wie een ander bezweert, oefent eenigszins dwang op hem uit. Nu mag men een ander niet tegen zijn wil dwingen. Dus schijnt men een ander niet te mogen bezweren.2. Wie een ander bezweert, oefent enigszins dwang op hem uit. Nu mag men een ander niet tegen zijn wil dwingen. Dus schijnt men een ander niet te mogen bezweren.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, adjurare est aliquem ad jurandum inducere. Sed inducere aliquem ad jurandum est superiorum, qui inferioribus juramenta imponunt. Ergo inferiores superiores suos non possunt adjurare.

3. Iemand bezweren is iemand tot zweren brengen. Nu komt het aan oversten, die hun onderdanen het doen van een eed opleggen, toe om iemand tot zweren te brengen. Dus mogen onderdanen hun oversten niet bezweren.

Sed contra est, quod etiam Deum per aliqua sacra obsecramus eum obtestantes. Apostolus etiam fideles « obsecrat per misericordiam Dei », ut patet Rom. 12. [v. 1] : quod videtur ad quamdam adjurationem pertinere. Ergo licitum est alios adjurare.

Maar daartegenover staat, dat wij God ook wel om iets vragen, terwijl wij iets heiligs tegenover Hem als getuige aanroepen. Ook smeekt de Apostel de christenen « bij Gods barmhartigheid, » zooals wij in den Brief aan de Romeinen (12. 1) lezen. Dus is het geoorloofd anderen te bezweren.Maar daartegenover staat, dat wij God ook wel om iets vragen, terwijl wij iets heiligs tegenover Hem als getuige aanroepen. Ook smeekt de Apostel de christenen “bij Gods barmhartigheid,” zoals wij in de Brief aan de Romeinen (12, 1) lezen. Dus is het geoorloofd anderen te bezweren.

Respondeo dicendum quod ille qui jurat juramento promissorio, per reverentiam divini nominis, quod ad confirmationem suae promissionis 293inducit, seipsum obligat ad faciendum quod promittit, quod est seipsum immobiliter ordinare ad aliquid agendum. Sicut autem homo seipsum ordinare potest ad aliquid agendum, ita etiam et alios, superiores quidem deprecando, inferiores autem imperando, ut ex supra dictis patet [q. 83. art. 1.]. Cum ergo utraque ordinatio per aliquod divinum confirmatur, est adjuratio. In hoc tamen differunt, quod homo est suorum actuum dominus, non autem est dominus eorum quae sunt ab alio agenda. Et ideo sibi ipsi potest necessitatem imponere per divini nominis invocationem: non autem hanc necessitatem potest aliis imponere, nisi subditis, quos potest ex debito praestiti juramenti compellere. Si ergo aliquis per invocationem divini nominis, vel cujuscumque rei sacrae, alicui non sibi subdito adjurando necessitatem agendi aliquid imponere intendat, sicut imponit sibi ipsi jurando, talis adjuratio illicita est: quia usurpat potestatem in alium quam non habet. Tamen propter aliquam necessitatem superiores suos tali genere adjurationis constringere possunt. Si vero intendat solummodo per reverentiam divini 294nominis, vel alicujus rei sacrae, aliquid ab alio obtinere absque necessitatis impositione, talis adjuratio licita est respectu quorumlibet.

Leerstelling. — Wie onder eede iets belooft, verplicht zichzelf uit eerbied voor Gods naam, dien hij aanhaalt om zijn belofte 293te bevestigen, om te doen wat hij belooft; en dat beteekent zichzelf er onwrikbaar op instellen om iets te doen. Zooals nu echter een mensch zichzelf op het doen van iets kan instellen, kan hij zooals uit het vroeger gezegde (83e Kw. 1e Art.) blijkt, dat ook bij anderen doen, en wel bij zijn oversten door hen te vragen, bij zijn onderdanen door hen te gebieden. Als nu een van deze manieren van instellen door iets goddelijks wordt bevestigd, is het een bezwering. Daarbij is echter dit verschil, dat de mensch zijn eigen handelingen beheerscht, maar niet wat door anderen moet worden gedaan. En daarom kan hij voor zichzelf iets noodzakelijk maken door het aanroepen van Gods naam; maar deze noodzakelijkheid kan hij anderen niet opleggen tenzij aan zijn onderdanen, die hij kan dwingen krachtens de verplichting, die uit het afleggen van een eed volgt. Bedoelt iemand dus door het aanroepen van Gods naam of van welke andere heilige zaak ook, een niet aan hem onderworpen mensch door die bezwering een noodzakelijkheid om iets te doen op te leggen, zooals hij dat zichzelf door een eed doet, dan is die bezwering ongeoorloofd, omdat hij zich over een ander een macht aanmatigt, die hij niet heeft. Oversten daarentegen kunnen om een noodzakelijke reden hun onderdanen door een dergelijke bezwering dwingen. Wil men echter door den eerbied voor Gods naam of een andere heilige zaak iets van een ander 294verkrijgen zonder noodzakelijkheid op te leggen, dan is zoo'n bezwering tegenover iedereen geoorloofd.Leerstelling. — Wie onder ede iets belooft, verplicht zichzelf uit eerbied voor Gods naam, die hij aanhaalt om zijn belofte 293te bevestigen, om te doen wat hij belooft; en dat betekent zichzelf er onwrikbaar op instellen om iets te doen. Zoals nu echter een mens zichzelf op het doen van iets kan instellen, kan hij zoals uit het vroeger gezegde (83e Kw. 1e Art.) blijkt, dat ook bij anderen doen, en wel bij zijn oversten door hen te vragen, bij zijn onderdanen door hen te gebieden. Als nu een van deze manieren van instellen door iets goddelijks wordt bevestigd, is het een bezwering. Daarbij is echter dit verschil, dat de mens zijn eigen handelingen beheerst, maar niet wat door anderen moet worden gedaan. En daarom kan hij voor zichzelf iets noodzakelijk maken door het aanroepen van Gods naam; maar deze noodzakelijkheid kan hij anderen niet opleggen tenzij aan zijn onderdanen, die hij kan dwingen krachtens de verplichting, die uit het afleggen van een eed volgt. Bedoelt iemand dus door het aanroepen van Gods naam of van welke andere heilige zaak ook, een niet aan hem onderworpen mens door die bezwering een noodzakelijkheid om iets te doen op te leggen, zoals hij dat zichzelf door een eed doet, dan is die bezwering ongeoorloofd, omdat hij zich over een ander een macht aanmatigt, die hij niet heeft. Oversten daarentegen kunnen om een noodzakelijke reden hun onderdanen door een dergelijke bezwering dwingen. Wil men echter door de eerbied voor Gods naam of een andere heilige zaak iets van een ander 294verkrijgen zonder noodzakelijkheid op te leggen, dan is zo'n bezwering tegenover iedereen geoorloofd.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Origenes loquitur de adjuratione qua aliquis alicui necessitatem imponere intendit, sicut imponit sibi ipsi jurando: sic enim princeps sacerdotum praesumpsit Dominum Jesum Christum adjurare.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Origenes spreekt over het bezweren, waardoor men een ander een noodzakelijkheid bedoelt op te leggen, zooals men het zichzelf door een eed doet; want zoo waagde de Hoogepriester het den Heer Jesus Christus te bezweren.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Origenes spreekt over het bezweren, waardoor men een ander een noodzakelijkheid bedoelt op te leggen, zoals men het zichzelf door een eed doet; want zo waagde de Hogepriester het de Heer Jesus Christus te bezweren.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod illa ratio procedit de adjuratione quae necessitatem imponit.

2. Dit bewijs gaat uit van het bezweren, waardoor men een ander een noodzakelijkheid oplegt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod adjurare non est aliquem ad jurandum inducere, sed per quamdam similitudinem juramenti a se inducti, alium ad aliquid agendum provocare. Aliter tamen adjuratione utimur ad hominem, et aliter ad Deum. Nam adjurando hominem, ejus voluntatem per reverentiam rei sacrae immutare intendimus: quod quidem non intendimus circa Deum, cujus voluntas est immutabilis; sed quod a Deo per aeternam ejus voluntatem aliquid obtineamus, non est ex meritis nostris, sed ex ejus bonitate.

3. Bezweren is niet een ander tot een eed brengen, maar een ander door er iets, wat iets van een eed weg heeft, bij te halen uitnoodigen om iets te doen. Maar tegenover een mensch maken wij op een andere manier van een bezwering gebruik dan tegenover God. Want bij het bezweren van een mensch bedoelen wij zijn wil te veranderen door den eerbied voor een heilige zaak; en dat bedoelen wij tegenover God, Wiens wil onveranderlijk is, niet, maar dat wij van God krachtens Zijn eeuwigen wil iets verkrijgen, niet door onze verdiensten, maar door Zijn goedheid.3. Bezweren is niet een ander tot een eed brengen, maar een ander door er iets, wat iets van een eed weg heeft, bij te halen uitnodigen om iets te doen. Maar tegenover een mens maken wij op een andere manier van een bezwering gebruik dan tegenover God. Want bij het bezweren van een mens bedoelen wij zijn wil te veranderen door de eerbied voor een heilige zaak; en dat bedoelen wij tegenover God, Wiens wil onveranderlijk is, niet, maar dat wij van God krachtens Zijn eeuwigen wil iets verkrijgen, niet door onze verdiensten, maar door Zijn goedheid.

Articulus II

Utrum liceat daemones adjurare

IIe Artikel

Mag men de duivels bezweren?

antwoord 1 ↓

295Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non liceat daemones adjurare: dicit enim Origenes super Matth. [tract. 35.] : « Non est secundum potestatem datam a Salvatore adjurare daemonia: judaicum enim est hoc ». Non autem debemus Judaeorum ritus imitari, sed potius uti potestate a Christo data. Ergo non est licitum daemones adjurare.

295Bedenkingen. — Men beweert, dat men de duivels niet mag bezweren. — 1. Want Origenes zegt: « Het bezweren van duivels komt niet overeen met de door den Zaligmaker gegeven macht; het is iets Joodsch. » Wij moeten echter de Joodsche plechtigheden niet nabootsen, maar van de door Christus gegeven macht gebruik maken. Dus is het niet geoorloofd de duivels te bezweren.295Bedenkingen. — Men beweert, dat men de duivels niet mag bezweren. — 1. Want Origenes zegt: “Het bezweren van duivels komt niet overeen met de door de Zaligmaker gegeven macht; het is iets Joods.” Wij moeten echter de Joodse plechtigheden niet nabootsen, maar van de door Christus gegeven macht gebruik maken. Dus is het niet geoorloofd de duivels te bezweren.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, multi necromanticis incantationibus daemones invocant per aliquod divinum, quod est adjurare. Si ergo licitum est daemones adjurare, licitum est necromanticis incantationibus uti. Quod patet esse falsum. Ergo et primum.

2. Velen roepen door de tooverijen van de zwarte kunst de duivels aan door middel van iets goddelijks; en dat is hen bezweren. Is het dus geoorloofd de duivels te bezweren, dan mag men ook gebruik maken van de tooverijen van de zwarte kunst. Dat is echter duidelijk onjuist. Dus het eerste ook.2. Velen roepen door de toverijen van de zwarte kunst de duivels aan door middel van iets goddelijks; en dat is hen bezweren. Is het dus geoorloofd de duivels te bezweren, dan mag men ook gebruik maken van de toverijen van de zwarte kunst. Dat is echter duidelijk onjuist. Dus het eerste ook.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quicumque adjurat aliquem, ex hoc ipso aliquam societatem cum ipso facit. Sed non licet cum daemonibus societatem facere: secundum illud 1. Cor. 10. [v. 20] : « Nolo vos socios fieri daemoniorum ». Ergo non licet daemones adjurare.

3. Wie een ander bezweert, treedt daardoor met hem in gemeenschap. Nu mag men met de duivels niet in gemeenschap treden volgens den Eersten Brief aan de Corinthiërs (10. 20) : « Ik wil niet, dat gij met de duivels in verbond treedt. » Dus mag men de duivels niet bezweren.3. Wie een ander bezweert, treedt daardoor met hem in gemeenschap. Nu mag men met de duivels niet in gemeenschap treden volgens de Eerste Brief aan de Korintiërs (10, 20): “Ik wil niet, dat gij met de duivels in verbond treedt.” Dus mag men de duivels niet bezweren.

296Sed contra est quod dicitur Marc. ult. [v. 17] : « In nomine meo daemonia ejicient ». Sed inducere alium ad aliquid agendum propter nomen divinum, hoc est adjurare. Ergo licitum est daemones adjurare.

296Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (16. 17) wordt gezegd: « In Mijn naam zullen zij duivels uitdrijven. » Nu is juist bezweren: iemand door Gods naam er toe brengen iets te doen. Dus mag men de duivels bezweren.296Maar daartegenover staat, dat bij Marcus (16, 17) wordt gezegd: “In Mijn naam zullen zij duivels uitdrijven.” Nu is juist bezweren: iemand door Gods naam er toe brengen iets te doen. Dus mag men de duivels bezweren.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], duplex est adjurandi modus: unus quidem per modum deprecationis vel inductionis ob reverentiam alicujus sacri; alius autem per modum compulsionis. Primo autem modo non licet daemones adjurare: quia ille modus adjurandi videtur ad quamdam benevolentiam vel amicitiam pertinere, qua non licet ad daemones uti. Secundo autem adjurationis modo, qui est per compulsionem, licet nobis ad aliquid uti, et ad aliquid non licet. Daemones enim in cursu hujus vitae nobis adversarii constituuntur: non autem eorum actus nostrae dispositioni subduntur, sed dispositioni divinae et sanctorum angelorum; quia ut Augustinus dicit in 3. de Trinit. [cap. 4.] : « spiritus desertor regitur per spiritum justum ». Possumus ergo daemones adjurando per virtutem divini nominis tamquam inimicos repellere, ne nobis noceant spiritualiter vel corporaliter, secundum potestatem divinam datam a Christo: 297secundum illud Luc. 10. [v. 19] : « Ecce dedi vobis potestatem calcandi supra serpentes et scorpiones, et supra omnem virtutem inimici, et nihil vobis nocebit ». Non tamen licitum est eos adjurare ad aliquid ab eis addiscendum, vel etiam ad aliquid per eos obtinendum, quia hoc pertineret ad aliquam societatem cum ipsis habendam: nisi forte ex speciali instinctu vel revelatione divina, aliqui sancti ad aliquos effectus daemonum operatione utantur; sicut legitur de beato Jacobo quod per daemones fecit Hermogenem ad se adduci.

Leerstelling. — Zooals werd gezegd (vorig Art.), zijn er twee manieren van bezweren: een als men vraagt of aanzet tot iets door den eerbied voor iets heiligs; en een andere, als men dwingt. Nu mag men op de eerste manier de duivels niet bezweren, omdat deze manier van bezweren uit een zekere welwillendheid of vriendschap schijnt te ontstaan, die men tegenover duivels niet mag hebben. — De tweede manier van bezweren door te dwingen mag men voor sommige dingen wel en voor andere dingen niet gebruiken. Want in den loop van dit leven zijn de duivels onze vijanden; hun daden zijn echter niet aan onze beschikking onderworpen, maar aan die van God en van de heilige engelen, omdat, zooals Augustinus zegt, « de afvallige geest door den rechtvaardigen wordt bestuurd. » Wij kunnen dus bij de bezwering door de kracht .van Gods naam de duivels als vijanden verdrijven met de door Christus gegeven macht, dat zij ons niet schaden naar ziel of 297lichaam volgens het woord van Lucas (10. 19) : « Zie, Ik heb U de macht gegeven om te wandelen over slangen en schorpioenen, en tegen alle macht van den vijand; en niets zal U schaden. » Maar men mag hen niet bezweren om iets van hen te weten te komen of om iets van hen te verkrijgen, want dat zou vallen onder het aangaan van een gemeenschap met hen; behalve in het geval, dat door een speciaal aanzetten of openbaren van God sommige heiligen van het werk van duivels gebruik maken om iets te doen, zooals wij van den H. Jacobus lezen, dat hij door duivels Hermogenes bij zich liet brengen.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (vorig Art.), zijn er twee manieren van bezweren: een als men vraagt of aanzet tot iets door de eerbied voor iets heiligs; en een andere, als men dwingt. Nu mag men op de eerste manier de duivels niet bezweren, omdat deze manier van bezweren uit een zekere welwillendheid of vriendschap schijnt te ontstaan, die men tegenover duivels niet mag hebben. — De tweede manier van bezweren door te dwingen mag men voor sommige dingen wel en voor andere dingen niet gebruiken. Want in de loop van dit leven zijn de duivels onze vijanden; hun daden zijn echter niet aan onze beschikking onderworpen, maar aan die van God en van de heilige engelen, omdat, zoals Augustinus zegt, “de afvallige geest door de rechtvaardigen wordt bestuurd.” Wij kunnen dus bij de bezwering door de kracht .van Gods naam de duivels als vijanden verdrijven met de door Christus gegeven macht, dat zij ons niet schaden naar ziel of 297lichaam volgens het woord van Lukas (10, 19): “Zie, Ik heb U de macht gegeven om te wandelen over slangen en schorpioenen, en tegen alle macht van de vijand; en niets zal U schaden.” Maar men mag hen niet bezweren om iets van hen te weten te komen of om iets van hen te verkrijgen, want dat zou vallen onder het aangaan van een gemeenschap met hen; behalve in het geval, dat door een speciaal aanzetten of openbaren van God sommige heiligen van het werk van duivels gebruik maken om iets te doen, zoals wij van de H. Jacobus lezen, dat hij door duivels Hermogenes bij zich liet brengen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Origenes loquitur de adjuratione quae non fit potestative per modum compulsionis, sed magis per modum cujusdam benevolae deprecationis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Origenes spreekt hier van een bezwering, die niet uit macht met dwang plaats vindt, maar meer als een welwillend verzoek.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod necromantici utuntur adjurationibus et invocationibus daemonum ad aliquid ab eis addiscendum vel adipiscendum: et hoc est illicitum, ut dictum est [in corp.]. Unde Chrysostomus dicit Marc. 1. [v. 25], exponens illud verbum Domini, quod spiritui immundo dixit, « Obmutesce, et exi ab homine » [conc. 2. de Lazaro] : « 298Salutiferum hic nobis dogma datur, ne credamus daemonibus, quantumcumque denuntient veritatem ».

2. De beoefenaars van de zwarte kunst gebruiken het bezweren en aanroepen van duivels om iets van hen te leeren en te weten te komen; en dat is zooals werd gezegd ongeoorloofd. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg van het woord van den Heer tot den onreinen geest: « Zwijg en ga uit van den mensch »: « Ons 298wordt de heilzame leer gegeven om de duivelen niet te gelooven, hoezeer zij ook de waarheid zeggen. »2. De beoefenaars van de zwarte kunst gebruiken het bezweren en aanroepen van duivels om iets van hen te leren en te weten te komen; en dat is zoals werd gezegd ongeoorloofd. Daarom zegt Chrysostomus in zijn uitleg van het woord van de Heer tot de onreine geest: “Zwijg en ga uit van de mens”: “Ons 298wordt de heilzame leer gegeven om de duivelen niet te geloven, hoezeer zij ook de waarheid zeggen.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de adjuratione qua imploratur auxilium daemonum ad aliquid agendum, vel cognoscendum: hoc enim videtur ad quamdam societatem pertinere. Sed quod aliquis adjurando daemones repellat, hoc est ab eorum societate recedere.

3. Dit argument gaat uit van een bezwering, waarbij de hulp van de duivels wordt afgesmeekt om iets te doen of te kennen; want dat schijnt een gemeenschap in te sluiten. Maar dat iemand door een bezwering de duivels verdrijft, beteekent dat hij zich van hun gemeenschap afkeert.3. Dit argument gaat uit van een bezwering, waarbij de hulp van de duivels wordt afgesmeekt om iets te doen of te kennen; want dat schijnt een gemeenschap in te sluiten. Maar dat iemand door een bezwering de duivels verdrijft, betekent dat hij zich van hun gemeenschap afkeert.

Articulus III

Utrum liceat irrationalem creaturam adjurare

IIIe Artikel

Mag men een redeloos schepsel bezweren?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non liceat adjurare irrationalem creaturam, Adjuratio enim fit per locutionem. Sed frustra sermo dirigitur ad eum qui non intelligit, qualis est irrationalis creatura. Ergo vanum est et illicitum irrationalem creaturam adjurare.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men een redeloos schepsel niet mag bezweren. — 1. Want men bezweert door te spreken. Nu richt men zijn woorden tevergeefs tot wie ze niet begrijpt, zooals een redeloos schepsel. Dus is het nutteloos en verboden een redeloos schepsel te bezweren.Bedenkingen. — Men beweert, dat men een redeloos schepsel niet mag bezweren. — 1. Want men bezweert door te spreken. Nu richt men zijn woorden tevergeefs tot wie ze niet begrijpt, zoals een redeloos schepsel. Dus is het nutteloos en verboden een redeloos schepsel te bezweren.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ad eum videtur competere adjuratio ad quem pertinet juratio. Sed juratio non pertinet ad creaturam irrationalem. Ergo videtur quod ad eam non liceat adjuratione uti.

2. Het bezweren schijnt bij dezelfden te behooren als het zweren. Nu komt het zweren aan redelooze schepsels niet toe. Dus schijnt men daartegenover geen bezwering te mogen gebruiken.2. Het bezweren schijnt bij dezelfden te behoren als het zweren. Nu komt het zweren aan redeloze schepsels niet toe. Dus schijnt men daartegenover geen bezwering te mogen gebruiken.

antwoord 3 ↓

2993. Praeterea, duplex est adjurationis modus, ut ex supra dictis patet [art. 1. et 2. praec.]. Unus quidem per modum deprecationis: quo non possumus uti ad irrationalem creaturam, quae non est domina sui actus. Alia autem adjuratio est per modum compulsionis: qua etiam, ut videtur, ad eam uti non possumus; quia non est nostrum creaturis irrationalibus imperare, sed solum illius de quo dicitur Matth. 8. [v. 27] : « Quoniam venti et mare obediunt ei ». Ergo nullo modo, ut videtur, licet uti adjuratione ad irrationales creaturas.

2993. Uit het vroeger gezegde (1e en 2e Art.) blijkt, dat er een dubbele manier van bezweren is. Een door te vragen; en die kunnen wij niet gebruiken tegenover een redeloos schepsel, omdat dit geen heer over zijn daden is. De andere manier geschiedt door dwang; en het schijnt dat wij die ook niet ertegenover kunnen gebruiken, omdat het ons niet toekomt aan redelooze schepsels bevelen te geven, maar alleen aan Hem, van Wien bij Mattheus (8. 27) wordt gezegd « dat de winden en de zee Hem gehoorzamen. » Dus schijnt men op geen manier tegenover redelooze schepsels een bezwering te mogen gebruiken.2993. Uit het vroeger gezegde (1e en 2e Art.) blijkt, dat er een dubbele manier van bezweren is. Een door te vragen; en die kunnen wij niet gebruiken tegenover een redeloos schepsel, omdat dit geen heer over zijn daden is. De andere manier geschiedt door dwang; en het schijnt dat wij die ook niet ertegenover kunnen gebruiken, omdat het ons niet toekomt aan redeloze schepsels bevelen te geven, maar alleen aan Hem, van Wie bij Matteüs (8, 27) wordt gezegd “dat de winden en de zee Hem gehoorzamen.” Dus schijnt men op geen manier tegenover redeloze schepsels een bezwering te mogen gebruiken.

Sed contra est quod Simon et Judas leguntur adjurasse dracones, et eis praecepisse ut in desertum locum discederent.

Maar daartegenover staat, dat wij van Simon en Judas lezen, dat zij draken bezwoeren en ze bevolen naar een verlaten plaats heen te gaan.

Respondeo dicendum quod creaturae irrationales ab alio aguntur ad proprias operationes. Eadem autem actio est ejus quod agitur et movetur, et ejus quod agit et movet: sicut motus sagittae etiam est quaedam operatio sagittantis. Et ideo operatio irrationalis creaturae non solum ipsi attribuitur. sed principaliter Deo, cujus dispositione omnia moventur. Pertinet etiam 300ad diabolum, qui, permissione divina, utitur aliquibus irrationalibus creaturis ad nocendum hominibus.

Leerstelling. — Redelooze schepselen worden door anderen bewogen voor hun eigen handelingen. Maar de handeling van wat bewerkt en bewogen wordt en van wat werkt en beweegt is dezelfde, zooals de beweging van een pijl ook een beweging van den schutter is. En daarom wordt het werken van een redeloos schepsel niet alleen daaraan toegeschreven, maar ook aan God, door Wiens 300beschikking alles bewogen wordt. Ook komt dit aan den duivel toe, die met Gods toelating eenige redelooze schepsels gebruikt om de menschen te schaden.Leerstelling. — Redeloze schepselen worden door anderen bewogen voor hun eigen handelingen. Maar de handeling van wat bewerkt en bewogen wordt en van wat werkt en beweegt is dezelfde, zoals de beweging van een pijl ook een beweging van de schutter is. En daarom wordt het werken van een redeloos schepsel niet alleen daaraan toegeschreven, maar ook aan God, door Wiens 300beschikking alles bewogen wordt. Ook komt dit aan de duivel toe, die met Gods toelating enige redeloze schepsels gebruikt om de mensen te schaden.

Sic ergo adjuratio qua quis utitur ad irrationalem creaturam, potest intelligi dupliciter. Uno modo, ut adjuratio referatur ad ipsam irrationalem creaturam secundum se. Et sic vanum esset irrationalem creaturam adjurare. Alio modo, ut referatur ad eum a quo irrationalis creatura agitur, et movetur. Et sic dupliciter adjuratur irrationalis creatura. Uno quidem modo, per modum deprecationis ad Deum directae: quod pertinet ad eos qui divina invocatione miracula faciunt. Alio modo, per modum compulsionis, quae refertur ad diabolum, qui in nocumentum nostrum utitur irrationalibus creaturis: et talis est modus adjurandi in Ecclesiae exorcismis, per quos daemonum potestas excluditur ab irrationalibus creaturis. Adjurare autem daemones ab eis auxilium implorando, non licet.

Zoo kan men de bezwering, die men tegenover een redeloos schepsel gebruikt, op twee manieren opvatten. Ten eerste door haar te laten slaan op het redeloos schepsel op zichzelf beschouwd. En zoo zou het nutteloos zijn een redeloos schepsel te bezweren. — Op een andere manier door haar op hem te laten slaan, door wien het redeloos schepsel bewerkt en bewogen wordt. En zoo wordt het op dubbele manier bezworen. Vooreerst als een tot God gericht gebed, zooals gebeurt bij hen, die door het aanroepen van God wonderen doen. Op een andere manier door dwang en die slaat op den duivel, die zich tot onzen ondergang van redelooze schepsels bedient; en die manier wordt gebruikt in het duivelbannen van de Kerk, waardoor de macht van den duivel uit redelooze schepsels verdreven wordt. Maar duivels bezweren door van hen hulp te vragen, is ongeoorloofd.Zo kan men de bezwering, die men tegenover een redeloos schepsel gebruikt, op twee manieren opvatten. Ten eerste door haar te laten slaan op het redeloos schepsel op zichzelf beschouwd. En zo zou het nutteloos zijn een redeloos schepsel te bezweren. — Op een andere manier door haar op hem te laten slaan, door wie het redeloos schepsel bewerkt en bewogen wordt. En zo wordt het op dubbele manier bezworen. Vooreerst als een tot God gericht gebed, zoals gebeurt bij hen, die door het aanroepen van God wonderen doen. Op een andere manier door dwang en die slaat op de duivel, die zich tot onze ondergang van redeloze schepsels bedient; en die manier wordt gebruikt in het duivelbannen van de Kerk, waardoor de macht van de duivel uit redeloze schepsels verdreven wordt. Maar duivels bezweren door van hen hulp te vragen, is ongeoorloofd.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2 ↑ 3

Et per hoc patet responsio ad objecta.

Antwoord op de Bedenkingen. — Dit blijkt uit het gezegde.