Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 84Kw. 84
Quaestio LXXXIV

De exterioribus actibus latriae, in tres articulus divisa

Kwestie 84

Over de aanbidding

(Drie Artikelen)

126Postea considerandum est de exterioribus actibus latriae. Et primo, de adoratione, per quam aliquis suum corpus ad Deum venerandum exhibet; secundo, de illis actibus quibus aliquid de rebus exterioribus Deo offertur; tertio, de actibus quibus ea quae Dei sunt assumuntur.

126Vervolgens moeten wij de uitwendige daden van godsvereering beschouwen. (Zie 82e Kw. Inl.) En dan vooreerst de aanbidding, waarbij de mensch zijn lichaam gebruikt om God eer te bewijzen; ten tweede de daden, waardoor een buiten ons staand ding aan God wordt opgedragen (85e Kw.) ; ten derde de daden, waarbij men van iets, dat van God is, gebruik maakt (89e Kw.).126Vervolgens moeten wij de uitwendige daden van godsverering beschouwen. (Zie 82. Kw. Inl.) En dan vooreerst de aanbidding, waarbij de mens zijn lichaam gebruikt om God eer te bewijzen; ten tweede de daden, waardoor een buiten ons staand ding aan God wordt opgedragen (85e Kw.); ten derde de daden, waarbij men van iets, dat van God is, gebruik maakt (89e Kw.).

Circa primum quaeruntur tria: 1. Utrum adoratio sit actus latriae. — 2. Utrum adoratio importet actum interiorem, vel exteriorem. — 3. Utrum adoratio requirat determinationem loci.

Over het eerste punt stellen wij ons drie vragen: 1. Is aanbidding een daad van godsvereering? 2. Sluit aanbidding een inwendige of een uitwendige daad in? 3. Is er voor aanbidden een bepaalde plaats vereischt?Over het eerste punt stellen wij ons drie vragen: 1. Is aanbidding een daad van godsverering? 2. Sluit aanbidding een inwendige of een uitwendige daad in? 3. Is er voor aanbidden een bepaalde plaats vereist?

Articulus I

Utrum adoratio sit actus latriae sive religionis

Ie Artikel

Is aanbidding een daad van godsvereering of godsdienstigheid?Is aanbidding een daad van godsverering of godsdienstigheid?

antwoord 1 ↓

127Ad primum sic proceditur. Videtur quod adoratio non sit actus latriae sive religionis. Cultus enim religionis soli Deo debetur. Sed adoratio non debetur soli Deo: legitur enim Gen. 18. [v. 2] quod Abraham adoravit angelos; et 3. Reg. 1. [v. 23] dicitur quod Nathan Propheta, ingressus ad regem David, « adoravit eum pronus in terram ». Ergo adoratio non est actus religionis.

127Bedenkingen. — Men beweert, dat aanbidding geen daad van godsvereering of godsdienstigheid is. — 1. Want godsdienstige huldiging mag men alleen aan God brengen. Maar niet God alleen heeft recht op aanbidding; want wij lezen in het Boek der Schepping (18. 2), dat Abraham de engelen aanbad; en in het Derde Boek der Koningen (1. 23) staat, dat toen de Profeet Nathan bij koning David was binnengegaan, « hij hem ter aarde neergebogen aanbad. » Dus is aanbidden geen daad van godsdienstigheid.127Bedenkingen. — Men beweert, dat aanbidding geen daad van godsverering of godsdienstigheid is. — 1. Want godsdienstige huldiging mag men alleen aan God brengen. Maar niet God alleen heeft recht op aanbidding; want wij lezen in het Boek van de Schepping (18, 2), dat Abraham de engelen aanbad; en in het Derde Boek van de Koningen (1, 23)a staat, dat toen de Profeet Nathan bij koning David was binnengegaan, “hij hem ter aarde neergebogen aanbad.” Dus is aanbidden geen daad van godsdienstigheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, religionis cultus debetur Deo prout in ipso beatificamur: ut patet per Augustinum, in 10 de Civ. Dei [cap. 3.]. Sed adoratio debetur in ratione majestatis: quia super illud Psal. 95. [v. 9] « Adorate Dominum in atrio sancto ejus », dicit Glos. [Lomb. ex Cassiod.] : « Introite in atria ejus »: « De his atriis venitur in atrium ubi majestas adoratur ». Ergo adoratio non est actus latriae.

2. God heeft recht op godsdienstige eerbewijzen, in zoover wij in Hem zalig worden, zooals Augustinus bewijst. Maar aanbidding moet Hem worden gebracht om Zijn verhevenheid, want bij het psalmwoord: « Aanbidt Hem in Zijn heilig voorhof, » (Ps. 95. 9) zegt de Glossa: « Uit deze voorhoven komt men in het hof, waar de verhevenheid aanbeden wordt. » Dus is aanbidding geen daad van godsvereering.2. God heeft recht op godsdienstige eerbewijzen, in zover wij in Hem zalig worden, zoals Augustinus bewijst. Maar aanbidding moet Hem worden gebracht om Zijn verhevenheid, want bij het psalmwoord: “Aanbidt Hem in Zijn heilig voorhof,” (Ps. 95. 9)b zegt de Glossa: “Uit deze voorhoven komt men in het hof, waar de verhevenheid aanbeden wordt.” Dus is aanbidding geen daad van godsverering.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, unius religionis cultus tribus Personis debetur. Non autem 128una adoratione adoramus tres Personas, sed ad invocationem trium Personarum singulariter genuflectimus. Ergo adoratio non est actus latriae.

3. De eerbewijzen van een en dezelfde godsdienstigheid moeten 128aan de drie Personen worden gebracht. Maar de drie Personen aanbidden wij niet met een en dezelfde daad van aanbidding, maar wij buigen onze knie afzonderlijk bij het aanroepen van ieder van de drie Personen. Dus is aanbidding geen daad van godsdienstigheid.

Sed contra est quod Matth. 4. [v. 10] inducitur: « Dominum Deum tuum adorabis, et illi soli servies ».

Maar daartegenover staat het woord, dat bij Mattheus, (4. 10; zie Deut. 6. 13) wordt aangehaald: « Den Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. »Maar daartegenover staat het woord, dat bij Matteüs, (4, 10; zie Deut. 6. 13) wordt aangehaald: “De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.”

Respondeo dicendum quod adoratio ordinatur in reverentiam ejus qui adoratur. Manifestum est autem ex dictis [q. 81. art. 4.] quod religionis proprium est reverentiam Deo exhibere. Unde adoratio qua Deus adoratur est religionis actus.

Leerstelling. — Aanbidden heeft als doel Hem te eeren, die aanbeden wordt. Nu is uit het voorafgaande (81e Kw. 2e en 4e Art.) duidelijk, dat het aan de godsdienstigheid eigen is God eer te bewijzen. Dus is de aanbidding, waarmee God aanbeden wordt, een daad van godsdienstigheid.Leerstelling. — Aanbidden heeft als doel Hem te eren, die aanbeden wordt. Nu is uit het voorafgaande (81e Kw. 2e en 4e Art.) duidelijk, dat het aan de godsdienstigheid eigen is God eer te bewijzen. Dus is de aanbidding, waarmee God aanbeden wordt, een daad van godsdienstigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Deo debetur reverentia propter ejus excellentiam, quae aliquibus creaturis communicatur non secundum aequalitatem, sed secundum quamdam participationem. Et ideo alia veneratione veneramur Deum, quod pertinet ad latriam: et alia veneratione quasdam excellentes creaturas, quod pertinet ad duliam, de qua post dicetur [q. 129103.]. Et quia ea quae exterius aguntur signa sunt interioris reverentiae, quaedam exteriora ad reverentiam pertinentia exhibentur excellentibus creaturis, inter quae maximum est adoratio: sed aliquid est quod soli Deo exhibetur, scilicet sacrificium. Unde Augustinus dicit in 10 de Civ. Dei [cap. 4.] : « Multa de cultu divino usurpata sunt quae honoribus deferuntur humanis, sive humilitate nimia sive adulatione pestifera: ita tamen ut quibus ea deferuntur, homines haberentur, qui dicuntur colendi et venerandi; si autem multum eis additur, et adorandi. Quis vero sacrificandum censuit nisi ei quem Deum aut scivit, aut putavit, aut finxit? » Secundum reverentiam ergo quae creaturae excellenti debetur, Nathan adoravit David. Secundum autem reverentiam quae debetur Deo, Mardochaeus noluit adorare Aman, « timens ne honorem Dei transferret ad hominem », ut dicitur Hester 13. [v. 14].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God heeft recht op eer om Zijn verhevenheid, die aan sommige schepsels wordt meegedeeld, niet zoo, dat zij daarin aan Hem gelijk zijn, maar er tot op zekere hoogte in deelen. Daarom is de aan God gebrachte eer, die tot de godsdienstigheid behoort, iets anders dan de aan sommige verheven schepsels gebrachte eer, die onder de 129godsdienstige vereering, waar later (103e Kw.) over gesproken wordt, valt. Omdat nu wat uiterlijk gebeurt, een teeken is van de inwendige vereering, worden sommige uiterlijke eerbewijzen aan verheven schepsels gebracht, waaronder de aanbidding het voornaamste is; maar één ding wordt alleen aan God gebracht, nl. het offer. Daarom zegt Augustinus: « Veel is aan den goddelijken eeredienst ontroofd om als eerbewijs aan menschen te worden gebracht, hetzij uit te groote nederigheid, hetzij uit verderfelijke vleierij; maar het was toch altijd zoo, dat zij aan wie dat werd gebracht als menschen werden beschouwd, waarvan men zei, dat zij gehuldigd en geëerd en, als het erg opgeschroefd werd, ook aanbeden moesten worden. Maar wie heeft ooit gedacht, dat men moest offeren, tenzij aan Hem, van Wien men wist of meende of veinsde, dat Hij God was? » Daarom aanbad Nathan David krachtens de eer, die aan verheven schepselen moet worden bewezen. Maar krachtens de aan God te brengen eer weigerde Mardocheus Aman te aanbidden, « vreezend de aan God te bewijzen eer op een mensch over te brengen, » zooals in het Boek Esther (13. 14) wordt gezegd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. God heeft recht op eer om Zijn verhevenheid, die aan sommige schepsels wordt meegedeeld, niet zo, dat zij daarin aan Hem gelijk zijn, maar er tot op zekere hoogte in delen. Daarom is de aan God gebrachte eer, die tot de godsdienstigheid behoort, iets anders dan de aan sommige verheven schepsels gebrachte eer, die onder de 129godsdienstige verering, waar later (103e Kw.) over gesproken wordt, valt. Omdat nu wat uiterlijk gebeurt, een teken is van de inwendige verering, worden sommige uiterlijke eerbewijzen aan verheven schepsels gebracht, waaronder de aanbidding het voornaamste is; maar één ding wordt alleen aan God gebracht, nl. het offer. Daarom zegt Augustinus: “Veel is aan de goddelijke eredienst ontroofd om als eerbewijs aan mensen te worden gebracht, hetzij uit te grote nederigheid, hetzij uit verderfelijke vleierij; maar het was toch altijd zo, dat zij aan wie dat werd gebracht als mensen werden beschouwd, waarvan men zei, dat zij gehuldigd en geëerd en, als het erg opgeschroefd werd, ook aanbeden moesten worden. Maar wie heeft ooit gedacht, dat men moest offeren, tenzij aan Hem, van Wie men wist of meende of veinsde, dat Hij God was?” Daarom aanbad Nathan David krachtens de eer, die aan verheven schepselen moet worden bewezen. Maar krachtens de aan God te brengen eer weigerde Mardocheus Aman te aanbidden, “vrezend de aan God te bewijzen eer op een mens over te brengen,” zoals in het Boek Esther (13, 14) wordt gezegd.

Et similiter secundum reverentiam debitam creaturae excellenti, Abraham adoravit angelos; et etiam Josue, ut legitur Josue 5. [v. 15]. Quamvis possit intelligi quod adoraverint adoratione latriae Deum, qui in persona 130Angeli apparebat et loquebatur. Secundum autem reverentiam quae debetur Deo, prohibitus est Joannes angelum adorare, Apoc. ult. [v. 8, 9]. Tum ad ostendendum dignitatem hominis, quam adeptus est per Christum, ut angelis aequetur: unde ibi subditur: « Conservus tuus sum et fratrum tuorum ». Tum etiam ad excludendum idololatriae occasionem: unde subditur: « Deum adora ».

Evenzoo aanbad Abraham de engelen naar de eer, die men aan verheven schepsels moet bewijzen, en ook Josue, zooals wij in zijn boek (5. 15) lezen. Men zou dit echter ook zoo kunnen opvatten, 130dat zij God met de aanbidding, die uit godsvereering voorkomt aanbaden, omdat Hij hun verscheen en tot hen sprak in den persoon van een engel. — Joannes werd echter weerhouden om den engel te aanbidden met de eer, die aan God toekomt. (Apoc. 22. 8.) En dit geschiedde zoowel om de door Christus verkregen waardigheid van de menschen aan te toonen, dat zij nl. aan de engelen gelijk zijn geworden; en daarom wordt daaraan toegevoegd: « Ik ben de mededienaar van u en uw broeders. »; als om zelfs de aanleiding tot afgodendienst uit te sluiten; en daarom volgt daarop: « Aanbid God. »Evenzo aanbad Abraham de engelen naar de eer, die men aan verheven schepsels moet bewijzen, en ook Josue, zoals wij in zijn boek (5, 15) lezen. Men zou dit echter ook zo kunnen opvatten, 130dat zij God met de aanbidding, die uit godsverering voorkomt aanbaden, omdat Hij hun verscheen en tot hen sprak in de persoon van een engel. — Johannes werd echter weerhouden om de engel te aanbidden met de eer, die aan God toekomt. (Apoc. 22. 8.) En dit geschiedde zowel om de door Christus verkregen waardigheid van de mensen aan te tonen, dat zij nl. aan de engelen gelijk zijn geworden; en daarom wordt daaraan toegevoegd: “Ik ben de mededienaar van u en uw broeders.”; als om zelfs de aanleiding tot afgodendienst uit te sluiten; en daarom volgt daarop: “Aanbid God.”

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod sub majestate divina intelligitur omnis Dei excellentia, ad quam pertinet quod in ipso, sicut in summo bono, beatificamur.

2. Onder Gods majesteit verstaan wij iedere verhevenheid van God, waar ook onder valt, dat wij in Hem als het hoogste goed zalig worden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod quia una est excellentia trium Personarum, unus honor et reverentia eis debetur: et per consequens una adoratio. In cujus figuram, cum legitur de Abraham, Gen. 18. [v. 2, 3], quod tres viri ei apparuerunt, adorans unum alloquitur, dicens: « Domine, si inveni gratiam », etc. Terna autem genuflexio signum est ternarii Personarum: non autem diversitatis adorationum.

3. Omdat de verhevenheid der drie Personen maar één is, is er Hun maar één eer en hulde te brengen, en dientengevolge maar één aanbidding. En om dit aan te duiden spreekt Abraham, hoewel wij van hem lezen (Gen. 18. 3) dat hem drie mannen verschenen, er maar één aanbiddend aan, als hij zegt: « Heer, als ik genade gevonden heb, enz. » De drievoudige kniebuiging is echter een teeken van de Drievuldigheid van de Personen, maar niet van een verschil in aanbidding.3. Omdat de verhevenheid van de drie Personen maar één is, is er Hun maar één eer en hulde te brengen, en dientengevolge maar één aanbidding. En om dit aan te duiden spreekt Abraham, hoewel wij van hem lezen (Gen. 18. 3) dat hem drie mannen verschenen, er maar één aanbiddend aan, als hij zegt: “Heer, als ik genade gevonden heb, enz.” De drievoudige kniebuiging is echter een teken van de Drievuldigheid van de Personen, maar niet van een verschil in aanbidding.

Articulus II

Utrum adoratio importet actum corporalem

[Supr. q. 81. art. 7. et 3. Dist. 9. q. 1. art. 3. qla. 3.]
IIe Artikel

Sluit aanbidding een lichaamsdaad in?

antwoord 1 ↓

131Ad secundum sic proceditur. Videtur quod adoratio non importet actum corporalem. Dicitur enim Joan. 4. [v. 23] : « Veri adoratores adorabunt Patrem in spiritu et veritate ». Sed id quod fit in spiritu non pertinet ad corporalem actum. Ergo adoratio non importat corporalem actum.

131Bedenkingen. — Men beweert, dat aanbidding geen lichaamsdaad insluit. — 1. Want bij Joannes (4. 23) wordt gezegd: « Ware aanbidders zullen den Vader in geest en waarheid aanbidden. » Maar wat in den geest gebeurt, heeft met lichaamsdaden niets te maken. Dus brengt aanbidding geen lichaamsdaden mee.131Bedenkingen. — Men beweert, dat aanbidding geen lichaamsdaad insluit. — 1. Want bij Johannes (4, 23) wordt gezegd: “Ware aanbidders zullen de Vader in geest en waarheid aanbidden.” Maar wat in de geest gebeurt, heeft met lichaamsdaden niets te maken. Dus brengt aanbidding geen lichaamsdaden mee.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nomen adorationis ab oratione sumitur. Sed oratio principaliter consistit in interiori actu: secundum illud 1 ad Cor. 14. [v. 15]: « Orabo spiritu, orabo et mente ». Ergo adoratio non importat corporalem actum.

2. De term aanbidding is van bidden afgeleid. Nu bestaat bidden voornamelijk in een inwendige daad naar den Eersten Brief aan de Corinthiërs (14. 15) : « Bidden zal ik met den geest, maar ik zal ook bidden met het verstand. » Dus sluit aanbidden vooral een inwendige daad in.2. De term aanbidding is van bidden afgeleid. Nu bestaat bidden voornamelijk in een inwendige daad naar de Eerste Brief aan de Korintiërs (14, 15): “Bidden zal ik met de geest, maar ik zal ook bidden met het verstand.” Dus sluit aanbidden vooral een inwendige daad in.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, corporales actus ad sensibilem cognitionem pertinent. Deum autem non attingimus sensu corporis, sed mentis. Ergo adoratio non importat corporalem actum.

3. Lichaamsdeelen vallen onder de zintuiglijke kennis. Maar God bereiken wij niet met de zintuigen van het lichaam, maar met den geest. Dus sluit aanbidding geen lichaamsdaad in.3. Lichaamsdelen vallen onder de zintuiglijke kennis. Maar God bereiken wij niet met de zintuigen van het lichaam, maar met de geest. Dus sluit aanbidding geen lichaamsdaad in.

132Sed contra est quod super illud Exod. 20. [v. 5] : « Non adorabis ea, neque coles », dicit Glos. [ordin. Orig.] : « Nec affectu colas, nec specie adores ».

132Maar daartegenover staat, dat bij het woord uit het Boek van den Uittocht (20. 5) : « Gij zult hen niet eeren of aanbidden, » de Glossa zegt: « Met het inwendige gevoel zult gij hen niet huldigen, noch in schijn aanbidden. »132Maar daartegenover staat, dat bij het woord uit het Boek van de Uittocht (20, 5): “Gij zult hen niet eren of aanbidden,” de Glossa zegt: “Met het inwendige gevoel zult gij hen niet huldigen, noch in schijn aanbidden.”

Respondeo dicendum quod, sicut Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 12.], « quia ex duplici natura compositi sumus, intellectuali scilicet et sensibili, duplicem adorationem Deo offerimus »: scilicet spiritualem, quae consistit in interiori mentis devotione; et corporalem, quae consistit in exteriori corporis humiliatione. Et quia in omnibus actibus latriae id quod est exterius refertur ad id quod est interius sicut ad principalius, ideo ipsa exterior adoratio fit propter interiorem: ut videlicet per signa humilitatis quae corporaliter exhibemus, excitetur noster affectus ad subjiciendum se Deo; quia connaturale est nobis ut per sensibilia ad intelligibilia procedamus.

Leerstelling. — Zooals Damascenus zegt, « offeren wij aan God, omdat wij uit een dubbele natuur zijn samengesteld, een verstandelijke en een zintuigelijke, een dubbele aanbidding op, » nl. een geestelijke, die uit de inwendige toewijding van den geest bestaat, en een lichamelijke, de uitwendige vernedering van ons lichaam. En omdat bij alle daden van godsvereering wat uitwendig gebeurt tot het inwendige als het voornaamste wordt herleid, geschiedt de uiterlijke aanbidding zelf ook om de innerlijke, dat nl. ons gevoel door de lichamelijke teekenen van nederigheid wordt opgewekt om zich aan God te onderwerpen; want het past bij onze natuur, dat wij door het zintuigelijke tot het verstandelijke komen.Leerstelling. — Zoals Damascenus zegt, “offeren wij aan God, omdat wij uit een dubbele natuur zijn samengesteld, een verstandelijke en een zintuigelijke, een dubbele aanbidding op,” nl. een geestelijke, die uit de inwendige toewijding van de geest bestaat, en een lichamelijke, de uitwendige vernedering van ons lichaam. En omdat bij alle daden van godsverering wat uitwendig gebeurt tot het inwendige als het voornaamste wordt herleid, geschiedt de uiterlijke aanbidding zelf ook om de innerlijke, dat nl. ons gevoel door de lichamelijke tekenen van nederigheid wordt opgewekt om zich aan God te onderwerpen; want het past bij onze natuur, dat wij door het zintuigelijke tot het verstandelijke komen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod etiam adoratio corporalis in spiritu fit, inquantum ex spirituali devotione procedit, et ad eam ordinatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook de aanbidding met het lichaam geschiedt in den geest, in zoover zij uit geestelijke toewijding voortkomt en deze als doel heeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Ook de aanbidding met het lichaam geschiedt in de geest, in zover zij uit geestelijke toewijding voortkomt en deze als doel heeft.

↑ bedenking 2

133Ad secundum dicendum quod sicut oratio primordialiter est quidem in mente, secundario autem verbis exprimitur, ut supra dictum est [q. 83. art. 12.] ; ita etiam adoratio principaliter quidem in interiori Dei reverentia consistit, secundario autem in quibusdam corporalibus humilitatis signis: sicut genuflectimus nostram infirmitatem designantes in comparatione ad Deum; prosternimus autem nos quasi profitentes nos nihil esse ex nobis.

1332. Zooals het gebed wel voornamelijk in het verstand ligt, maar daarnaast toch ook door woorden wordt uitgedrukt, gelijk boven (83e Kw. 12e Art.) is gezegd, zoo bestaat de aanbidding ook voornamelijk in het geestelijk eeren van God, maar op de tweede plaats ook in enkele met het lichaam gegeven teekenen van nederigheid, zooals wij de knie buigen als teeken van onze zwakheid in vergelijking met God en ons neerwerpen om als het ware te belijden dat wij uit onszelf niets zijn.1332. Zoals het gebed wel voornamelijk in het verstand ligt, maar daarnaast toch ook door woorden wordt uitgedrukt, gelijk boven (83e Kw. 12e Art.) is gezegd, zo bestaat de aanbidding ook voornamelijk in het geestelijk eren van God, maar op de tweede plaats ook in enkele met het lichaam gegeven tekenen van nederigheid, zoals wij de knie buigen als teken van onze zwakheid in vergelijking met God en ons neerwerpen om als het ware te belijden dat wij uit onszelf niets zijn.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod etsi per sensum Deum attingere non possumus per sensibilia tamen signa mens nostra provocatur ut tendat in Deum.

3. Al kunnen wij met de zintuigen God niet bereiken, dan wordt onze geest toch door het zintuiglijke opgewekt om naar God te streven.

Articulus III

Utrum adoratio requirat determinatum locum

[3. Dist. 9. q. 1. a. 3. qla. 3. 3; I. Tim. 2. lect. 2.]
IIIe Artikel

Is er om te aanbidden een bepaalde plaats noodig?Is er om te aanbidden een bepaalde plaats nodig?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod adoratio non requirat determinatum locum. Dicitur enim Joan. 4. [v. 21] : « Venit hora quando neque in monte hoc, neque in Hierosolymis adorabitis Patrem ». Eadem 134autem ratio videtur esse et de aliis locis. Ergo determinatus locus non requiritur ad adorandum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat er om te aanbidden geen bepaalde plaats word vereischt. — 1. Want bij Joannes (4. 21) wordt gezegd: « Het uur komt, dat gij noch op dezen berg, noch in Jerusalem den Vader zult aanbidden. » Maar dezelfde reden 134schijnt ook voor andere plaatsen te bestaan. Dus is er geen bepaalde plaats noodig om te aanbidden.Bedenkingen. — Men beweert, dat er om te aanbidden geen bepaalde plaats word vereist. — 1. Want bij Johannes (4, 21) wordt gezegd: “Het uur komt, dat gij noch op deze berg, noch in Jerusalem de Vader zult aanbidden.” Maar dezelfde reden 134schijnt ook voor andere plaatsen te bestaan. Dus is er geen bepaalde plaats nodig om te aanbidden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, adoratio exterior ordinatur ad interiorem. Sed interior adoratio fit ad Deum ut ubique existentem. Ergo exterior adoratio non requirit determinatum locum.

2. De uiterlijke aanbidding heeft de innerlijke als doel. Nu richt de innerlijke zich op God als overal bestaand. Dus eischt de uiterlijke aanbidding geen bepaalde plaats.2. De uiterlijke aanbidding heeft de innerlijke als doel. Nu richt de innerlijke zich op God als overal bestaand. Dus eist de uiterlijke aanbidding geen bepaalde plaats.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, idem Deus est qui in novo et veteri testamento adoratur. Sed in veteri testamento fiebat adoratio ad occidentem: nam ostium tabernaculi respiciebat ad orientem, ut habetur Exod. 26. [v. 18.]. Ergo eadem ratione etiam nunc debemus adorare ad occidentem, si aliquis locus determinatus requiritur ad adorandum.

3. Het is dezelfde God, die in het Nieuwe en Oude Verbond wordt aanbeden. Nu geschiedde de aanbidding onder het Oude Verbond naar het Westen, omdat de deur van het Tabernakel op het Oosten uitzag, zooals uit het Boek van den Uittocht (26. 18) blijkt. Om dezelfde reden zouden wij nu ook naar het Westen moeten aanbidden, als er een bepaalde plaats werd vereischt om te aanbidden.3. Het is dezelfde God, die in het Nieuwe en Oude Verbond wordt aanbeden. Nu geschiedde de aanbidding onder het Oude Verbond naar het Westen, omdat de deur van het Tabernakel op het Oosten uitzag, zoals uit het Boek van de Uittocht (26, 18) blijkt. Om dezelfde reden zouden wij nu ook naar het Westen moeten aanbidden, als er een bepaalde plaats werd vereist om te aanbidden.

Sed contra est, quod dicitur Isa. 56. [v. 7] et inducitur Joh. 2. [v. 16] : « Domus mea domus orationis vocabitur ».

Maar daartegenover staat, wat bij Isaias (56. 7) gezegd en bij Joannes (2. 16) aangehaald wordt: « Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd. »Maar daartegenover staat, wat bij Jesaja (56, 7) gezegd en bij Johannes (2, 16) aangehaald wordt: “Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], in adoratione principalius est interior devotio mentis, secundarium autem est quod pertinet exterius ad corporalia signa. Mens autem interius apprehendit Deum 135quasi non comprehensum aliquo loco: sed corporalia signa necesse est quod in determinato loco et situ sint. Et ideo determinatio loci non requiritur ad adorationem principaliter, quasi sit de necessitate ipsius: sed secundum quamdam decentiam, sicut et alia corporalia signa.

Leerstelling. — Zooals werd gezegd (vorig Art.) , is bij het aanbidden de inwendige toewijding van den geest het voornaamste, en wat onder de uiterlijke teekens van het lichaam valt, komt op de tweede plaats. Nu neemt de geest God innerlijk waar als niet 135tot één plaats beperkt, maar voor de lichamelijke teekenen is het noodig, dat zij op een bepaald gelegen plaats geschieden. Daarom is plaatsbepaling voor de aanbidding niet noodig als iets voornaams, wat er noodzakelijk bij behoort; maar als iets, wat het meer gepast maakt, zooals ook de andere lichamelijke teekenen.Leerstelling. — Zoals werd gezegd (vorig Art.), is bij het aanbidden de inwendige toewijding van de geest het voornaamste, en wat onder de uiterlijke tekens van het lichaam valt, komt op de tweede plaats. Nu neemt de geest God innerlijk waar als niet 135tot één plaats beperkt, maar voor de lichamelijke tekenen is het nodig, dat zij op een bepaald gelegen plaats geschieden. Daarom is plaatsbepaling voor de aanbidding niet nodig als iets voornaams, wat er noodzakelijk bij behoort; maar als iets, wat het meer gepast maakt, zoals ook de andere lichamelijke tekenen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod Dominus per illa verba praenuntiat cessationem adorationis tam secundum ritum Judaeorum adorantium in Hierusalem, quam etiam secundum ritum Samaritanorum adorantium in monte Garizim. Uterque enim ritus cessavit veniente spirituali Evangelii veritate, secundum quam « in omni loco Deo sacrificatur », ut dicitur Malach. 1. [v. 11].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden kondigde de Heer aan, dat het aanbidden zoowel volgens den ritus van de Joden, die in Jerusalem, als volgens den ritus van de Samaritanen, die op den berg Garizim aanbaden, zou ophouden. Want beide riten verdwenen, toen de waarheid van het geestelijke Evangelie kwam, waaronder « op alle plaatsen aan God wordt geofferd, » zooals Malachias (1. 11) zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met deze woorden kondigde de Heer aan, dat het aanbidden zowel volgens de ritus van de Joden, die in Jerusalem, als volgens de ritus van de Samaritanen, die op de berg Garizim aanbaden, zou ophouden. Want beide riten verdwenen, toen de waarheid van het geestelijke Evangelie kwam, waaronder “op alle plaatsen aan God wordt geofferd,” zoals Maleachi (1, 11) zegt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod determinatus locus eligitur ad adorandum, non propter Deum, qui adoratur, quasi loco concludatur, sed propter ipsos adorantes. Et hoc triplici ratione. Primo quidem propter loci consecrationem, ex qua spiritualem devotionem concipiunt orantes, ut magis exaudiantur: sicut patet ex adoratione Salomonis 3 Reg. 8. Secundo, propter sacra mysteria et alia sanctitatis signa quae ibi continentur. Tertio, 136propter concursum multorum adorantium, ex quo fit oratio magis exaudibilis: secundum illud Matth. 18. [v. 20] : « Ubi sunt duo vel tres congregati in nomine meo, ibi sum ego in medio eorum ».

2. Een bepaalde plaats om te aanbidden wordt niet gekozen om God, die aanbeden wordt, alsof Hij in een plaats werd omsloten, maar om de aanbidders zelf, en wel om drie redenen. Ten eerste om de wijding van de plaats, waardoor zij, die bidden, meer geestelijke toewijding krijgen om meer verhoord te worden, zooals uit het aanbidden van Salomon blijkt. (3 Kon. 8.) — Ten tweede om de heilige geheimen en andere teekenen van heiligheid, welke die plaats bevat. — Ten derde om het samenkomen van 136velen om te aanbidden, waardoor het gebed meer verdient verhoord te worden naar Mattheus (18. 20) : « Waar twee of drie in Mijn naam te samen zijn, daar ben Ik in hun midden. »2. Een bepaalde plaats om te aanbidden wordt niet gekozen om God, die aanbeden wordt, alsof Hij in een plaats werd omsloten, maar om de aanbidders zelf, en wel om drie redenen. Ten eerste om de wijding van de plaats, waardoor zij, die bidden, meer geestelijke toewijding krijgen om meer verhoord te worden, zoals uit het aanbidden van Salomon blijkt. (3 Kon. 8.)a — Ten tweede om de heilige geheimen en andere tekenen van heiligheid, welke die plaats bevat. — Ten derde om het samenkomen van 136velen om te aanbidden, waardoor het gebed meer verdient verhoord te worden naar Matteüs (18, 20): “Waar twee of drie in Mijn naam te samen zijn, daar ben Ik in hun midden.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod secundum quamdam decentiam adoramus versus orientem. Primo quidem propter divinae majestatis indicium quod nobis manifestatur in motu coeli, qui est ab oriente. Secundo propter paradisum in oriente constitutum, ut legitur Gen. 2. [v. 8] secundum literam LXX Interpretum: quasi quaeramus ad paradisum redire. Tertio propter Christum, qui est « lux mundi », et « Oriens » nominatur Zach. 6. [v. 12] ; et « qui ascendit super coelum coeli ad orientem » [Ps. 67. v. 34] ; et ab oriente etiam expectatur venturus, secundum illud Matth. 24. [v. 27] : « Sicut fulgor exit ab oriente et patet usque ad occidentem, ita erit et adventus Filii hominis ».

3. Het is gepaster, dat wij naar het Oosten aanbidden. Ten eerste, omdat ons een aanduiding van de goddelijke verhevenheid wordt bekend gemaakt in de beweging van den hemel, die van het Oosten uitgaat. — Dan om het paradijs, dat volgens den Septuaginttekst van het Boek der Schepping (2. 8) naar het Oosten lag, als verlangden wij naar het paradijs terug. — Ten derde om Christus, die « het Licht van de wereld » en « het Oosten » wordt genoemd (Zach. 6. 12) en « die boven den hoogsten hemel naar het Oosten opstijgt » (Ps. 67. 34) ; en Die verwacht wordt komend van het Oosten volgens Mattheus (24. 27) : « Zooals de bliksem uitgaat van het Oosten en schittert tot in het westen, zoo zal de komst van den Menschenzoon zijn. »3. Het is gepaster, dat wij naar het Oosten aanbidden. Ten eerste, omdat ons een aanduiding van de goddelijke verhevenheid wordt bekend gemaakt in de beweging van de hemel, die van het Oosten uitgaat. — Dan om het paradijs, dat volgens de Septuaginttekst van het Boek van de Schepping (2, 8) naar het Oosten lag, als verlangden wij naar het paradijs terug. — Ten derde om Christus, die “het Licht van de wereld” en “het Oosten” wordt genoemd (Zach. 6. 12) en “die boven de hoogste hemel naar het Oosten opstijgt” (Ps. 67. 34)b; en Die verwacht wordt komend van het Oosten volgens Matteüs (24, 27): “Zoals de bliksem uitgaat van het Oosten en schittert tot in het westen, zo zal de komst van de Mensenzoon zijn.”