Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 94Kw. 94
Quaestio XCIV

De idololatria, in quatuor articulos divisa

Kwestie 94

Over de afgoderij

(Vier Artikelen)

329Deinde considerandum est de idololatria. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum idololatria sit species superstitionis. — 2. Utrum sit peccatum. — 3. Utrum sit gravissimum peccatorum. — 4. De causa hujus peccati.

329Vervolgens moeten wij over de afgoderij spreken; en hierover stellen wij ons vier vragen: 1. Is de afgoderij een soort bijgeloof? 2. Is ze een zonde? 3. Is ze de zwaarste zonde? 4. Over de oorzaak van deze zonde.

Utrum autem cum idololatris sit communicandum, dictum est supra, cum de infidelitate ageretur [q. 10. art. 9.].

Of men echter met de afgodendienaars gemeenschap moet houden, is vroeger behandeld (10e Kw. 9e Art.), toen over de ongeloovigheid werd gesproken.Of men echter met de afgodendienaars gemeenschap moet houden, is vroeger behandeld (10e Kw. 9. Art.), toen over de ongelovigheid werd gesproken.

Articulus I

Utrum idololatria recte ponatur species superstitionis

[3. Dist. 9. q. 1. art. 1. qla. 3. ad 3. et lib. 3. Contr. g. cap. 120.]
Ie Artikel

Is het juist de afgoderij als een soort bijgeloof voor te stellen?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur quod idololatria non ponatur recte 330species superstitionis. Sicut enim haeretici sunt infideles, ita et idololatrae. Sed haeresis est species infidelitatis, ut supra habitum est [q. 11. art. 1.]. Ergo et idololatria: non autem superstitionis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet juist is de 330afgoderij als een soort bijgeloof voor te stellen. — 1. Want evenals de ketters zijn de afgodendienaars ongeloovigen. Nu is zooals boven bewezen is (11e Kw. 1e Art.) , ketterij een soort ongeloof en dus ook afgoderij; en niet een soort bijgeloof.Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet juist is de 330afgoderij als een soort bijgeloof voor te stellen. — 1. Want evenals de ketters zijn de afgodendienaars ongelovigen. Nu is zoals boven bewezen is (11e Kw. 1e Art.), ketterij een soort ongeloof en dus ook afgoderij; en niet een soort bijgeloof.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, latria pertinet ad virtutem religionis, cui opponitur superstitio. Sed idololatria videtur univoce dici cum ea latria quae ad veram religionem pertinet: sicut enim appetitus falsae beatitudinis cum appetitu verae beatitudinis univoce dicitur, ita cultus falsorum deorum, qui dicitur idololatria, univoce videtur dici cum cultu veri Dei, qui est latria verae religionis. Ergo idololatria non est species superstitionis.

2. De godsdienst (latria) valt onder de deugd van godsdienstigheid. Maar nu heeft de afgodendienst (idololatria) denzelfden zin als de godsdienst (latria), die onder de ware godsdienstigheid valt. Want evenals het verlangen naar het valsche geluk denzelfden zin heeft als het verlangen naar het ware geluk, zoo is ook de vereering van valsche goden (die idololatria heet) en de vereering van den waren God (de latria van de ware godsdienstigheid) éénzinnig. Dus is afgoderij geen soort bijgeloof.2. De godsdienst (latria) valt onder de deugd van godsdienstigheid. Maar nu heeft de afgodendienst (idololatria) dezelfde zin als de godsdienst (latria), die onder de ware godsdienstigheid valt. Want evenals het verlangen naar het valse geluk dezelfde zin heeft als het verlangen naar het ware geluk, zo is ook de verering van valse goden (die idololatria heet) en de verering van de ware God (de latria van de ware godsdienstigheid) eenzinnig. Dus is afgoderij geen soort bijgeloof.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud quod nihil est non potest esse alicujus generis species. Sed idololatria nihil esse videtur. Dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 8. [v. 4] : « Scimus quia nihil est idolum in mundo »: et infra cap. 10. [v. 19] : « Quid ergo? Dico quod idolis immolatum sit aliquid? aut quod idolum sit aliquid? » Quasi dicat, « Non ». Immolare autem idolis proprie ad idololatriam pertinet. Ergo idololatria, quasi nihil existens, non potest esse superstitionis species.

3. Wat niets is, kan geen soort van een klasse zijn. Nu schijnt de afgoderij niets te zijn. Want de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (8. 4) : « Wij weten, dat een afgod eigenlijk niets is op de wereld, » en later volgt (10. 19) : « Wat wil ik dus zeggen? dat een afgodenoffer iets is? of dat een afgod iets is? » alsof hij zeide: « Neen. » Nu valt het offeren aan de afgoden het meest eigenlijk onder de afgoderij. Dus kan de afgoderij, omdat het niets is, geen soort bijgeloof zijn.3. Wat niets is, kan geen soort van een klasse zijn. Nu schijnt de afgoderij niets te zijn. Want de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (8, 4): “Wij weten, dat een afgod eigenlijk niets is op de wereld,” en later volgt (10, 19): “Wat wil ik dus zeggen? dat een afgodenoffer iets is? of dat een afgod iets is?” alsof hij zeide: “Neen.” Nu valt het offeren aan de afgoden het meest eigenlijk onder de afgoderij. Dus kan de afgoderij, omdat het niets is, geen soort bijgeloof zijn.

antwoord 4 ↓

3314. Praeterea, ad superstitionem pertinet exhibere cultum divinum cui non debetur. Sed cultus divinus sicut non debetur idolis, ita nec aliis creaturis: unde ad Rom. 1. [v. 25] quidam vituperantur de hoc quod « coluerunt et servierunt potius creaturis, quam Creatori ». Ergo inconvenienter hujusmodi superstitionis species idololatria nominatur, sed deberet potius nominari latria creaturae.

3314. Het valt onder bijgeloof goddelijke eer te bewijzen aan wie daarop geen recht heeft. Zooals nu de afgoden geen recht hebben op goddelijke eer, zoo ook geen andere schepsels; daarom worden in den Brief aan de Romeinen (1. 25) eenigen hierom veroordeeld, dat zij « de schepselen meer eerden en dienden dan den Schepper. » Daarom is het verkeerd dit soort bijgeloof afgodendienst te noemen, maar moet het eerder schepselendienst heeten.3314. Het valt onder bijgeloof goddelijke eer te bewijzen aan wie daarop geen recht heeft. Zoals nu de afgoden geen recht hebben op goddelijke eer, zo ook geen andere schepsels; daarom worden in de Brief aan de Romeinen (1, 25) enigen hierom veroordeeld, dat zij “de schepselen meer eerden en dienden dan de Schepper.” Daarom is het verkeerd dit soort bijgeloof afgodendienst te noemen, maar moet het eerder schepselendienst heten.

Sed contra est quod Act. 17. [v. 16] dicitur quod « Paulus cum Athenis expectaret, incitabatur spiritu ejus in ipso, videns idololatriae deditam civitatem »: et postea, [v. 22] dicit: « Viri Athenienses, per omnia quasi superstitiosos vos video1 ». Ergo idololatria ad superstitionem pertinet.

Maar daartegenover staat het verhaal uit de Handelingen der Apostelen (17. 16), dat « Paulus, toen hij te Athene wachtte, inwendig van geest werd verbitterd bij het zien, dat de stad vol afgoden was, » en later volgt: « Mannen van Athene, ik zie, dat gij in alles bijgeloovig zijt. » Dus valt afgoderij onder bijgeloof.Maar daartegenover staat het verhaal uit de Handelingen van de Apostelen (17, 16), dat “Paulus, toen hij te Athene wachtte, inwendig van geest werd verbitterd bij het zien, dat de stad vol afgoden was,” en later volgt: “Mannen van Athene, ik zie, dat gij in alles bijgelovig zijt.” Dus valt afgoderij onder bijgeloof.

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 92. art. 1.], ad superstitionem pertinet excedere debitum modum divini cultus. Quod quidem praecipue fit quando divinus cultus exhibetur cui non debet exhiberi. Debet autem exhiberi soli summo Deo, scilicet increato: sicut supra 332habitum est [q. 81. art. 1.], cum de religione ageretur. Et ideo cuicumque creaturae divinus cultus exhibeatur, superstitiosum est. Hujusmodi autem divinus cultus, sicut creaturae a sensibilibus exhibebatur per aliqua sensibilia signa, puta per sacrificia, ludos et alia hujusmodi; ita etiam exhibebatur creaturae repraesentatae per aliquam sensibilem formam, seu figuram, quae idolum dicitur. Diversimode tamen cultus divinus idolis exibebatur. Quidam enim per quamdam nefariam artem imagines quasdam construebant quae virtute daemonum aliquos certos effectus habebant: unde putabant in ipsis imaginibus esse aliquid divinitatis; et per consequens quod divinus cultus eis deberetur. Et haec fuit opinio Hermetis Trismegisti; ut Augustinus dicit in 8 de Civ. Dei [cap. 23.]. Alii vero non exhibebant cultum divinitatis ipsis imaginibus, sed creaturis quarum erant imagines. Et utrumque horum tangit Apostolus ad Rom. 1. [v. 23]. Nam quantum ad primum, dicit: « Mutaverunt gloriam incorruptibilis Dei in similitudinem imaginis corruptibilis hominis, et volucrum et quadrupedum et serpentium ». Quantum 333autem ad secundum, subdit [v. 25] : « Coluerunt et servierunt potius creaturae quam Creatori ».

Leerstelling. — Zooals vroeger werd gezegd (92e Kw. 1e Art.), valt het onder het bijgeloof, als men de juiste maat te boven gaat bij het brengen van goddelijke eer. En dat gebeurt vooral, als men goddelijke eerbewijzen brengt aan iemand, waaraan zij niet moeten worden gebracht. Nu moeten zij alleen worden 332gebracht aan den hoogsten, ongeschapen God, zooals vroeger, toen over de godsdienstigheid werd gesproken, gezegd is (81e Kw. 1e Art.). Daarom valt het onder bijgeloof, als aan welk schepsel ook goddelijke eer wordt gebracht. Zooals nu dergelijke goddelijke eerbewijzen aan onder de zintuigen vallende schepsels door zinnelijke teekens worden gebracht, b. v. door offers, feesten enz., zoo werden ze ook gebracht aan een onder een zintuigelijk waarneembaren vorm of figuur afgebeeld schepsel: en zoo iets noemt men afgod. Maar aan de afgoden werd de goddelijke eer op verschillende manieren gebracht. Sommigen nl. maakten door duivelsche kunsten beelden, die door duivelsche krachten bepaalde dingen teweegbrachten, zoodat men dacht, dat er iets goddelijks in het beeld zelf was en het dientengevolge recht had op goddelijke eerbewijzen. En dat was de meening van Hermes Trismegistos, zooals Augustinus zegt. Anderen echter brachten de eerbewijzen niet aan de beelden zelf, maar aan de schepsels, waarvan ze afbeeldingen waren. En beide gevallen worden door den Apostel in den Brief aan de Romeinen (1e H.) genoemd. Want wat het eerste betreft, zegt hij (v. 23) : « Zij ruilden den glans van den onsterfelijken God tegen een beeld, dat een sterfelijken mensch en vogels en viervoeters en kruipende dieren 333voorstelt. » En wat het tweede betreft (v. 25) : « Zij eerden en dienden het schepsel liever dan den Schepper. »Leerstelling. — Zoals vroeger werd gezegd (92e Kw. 1e Art.), valt het onder het bijgeloof, als men de juiste maat te boven gaat bij het brengen van goddelijke eer. En dat gebeurt vooral, als men goddelijke eerbewijzen brengt aan iemand, waaraan zij niet moeten worden gebracht. Nu moeten zij alleen worden 332gebracht aan de hoogsten, ongeschapen God, zoals vroeger, toen over de godsdienstigheid werd gesproken, gezegd is (81e Kw. 1e Art.). Daarom valt het onder bijgeloof, als aan welk schepsel ook goddelijke eer wordt gebracht. Zoals nu dergelijke goddelijke eerbewijzen aan onder de zintuigen vallende schepsels door zinnelijke tekens worden gebracht, bv. door offers, feesten enz., zo werden ze ook gebracht aan een onder een zintuigelijk waarneembaren vorm of figuur afgebeeld schepsel: en zo iets noemt men afgod. Maar aan de afgoden werd de goddelijke eer op verschillende manieren gebracht. Sommigen nl. maakten door duivelse kunsten beelden, die door duivelse krachten bepaalde dingen teweegbrachten, zodat men dacht, dat er iets goddelijks in het beeld zelf was en het dientengevolge recht had op goddelijke eerbewijzen. En dat was de mening van Hermes Trismegistos, zoals Augustinus zegt. Anderen echter brachten de eerbewijzen niet aan de beelden zelf, maar aan de schepsels, waarvan ze afbeeldingen waren. En beide gevallen worden door de Apostel in de Brief aan de Romeinen (1e H.) genoemd. Want wat het eerste betreft, zegt hij (v. 23): “Zij ruilden de glans van de onsterfelijke God tegen een beeld, dat een sterfelijken mens en vogels en viervoeters en kruipende dieren 333voorstelt.” En wat het tweede betreft (v. 25): “Zij eerden en dienden het schepsel liever dan de Schepper.”

Horum tamen fuit triplex opinio. Quidam enim aestimabant quosdam homines deos fuisse, quos per eorum imagines colebant: sicut Jovem, Mercurium, et alios hujusmodi. Quidam vero aestimabant totum mundum esse unum Deum: non propter corporalem substantiam, sed propter animam, quam Deum esse credebant, dicentes Deum nihil aliud esse quam « animam motu et ratione mundum gubernantem »; sicut et homo dicitur sapiens propter animam, non propter corpus. Unde putabant toti mundo, et omnibus partibus ejus, esse cultum divinitatis exhibendum, coelo, aëri, aquae, et omnibus hujusmodi partibus. Et ad haec referebant nomina, et imagines suorum deorum: sicut Varro dicebat, et narrat Augustinus in 7 de Civ. Dei [cap. 5.]. Alii vero, scilicet Platonici, posuerunt unum esse summum Deum, causam omnium; post quem ponebant esse substantias quasdam spirituales a summo Deo creatas, quas deos nominabant, participatione scilicet divinitatis, nos autem eos angelos dicimus; post quos ponebant animas coelestium corporum; et sub his daemones, quos dicebant esse aerea 334quaedam animalia; et sub his ponebant animas hominum, quas per virtutis meritum ad deorum vel daemonum societatem assumi credebant. Et his omnibus cultum divinitatis exhibebant: ut Augustinus narrat in 8. de Civ. Dei [cap. 14.].

Maar over deze dingen bestonden drie meeningen. Sommigen nl. dachten, dat de goden menschen waren geweest en eerden hen door hun beelden, zooals Jupiter, Mercurius e. d. — Anderen weer dachten, dat de geheele wereld een God was, niet om de stoffelijke zelfstandigheid, maar om de ziel, waarvan zij dachten, dat zij God was, zeggend dat God niets anders was dan « de ziel, die door beweging en verstand de wereld bestuurt, » zooals ook de mensch wijs wordt genoemd niet om het lichaam, maar om de ziel. Zij meenden daarom, dat aan de geheele wereld en al haar deelen goddelijke eer moest worden gebracht: aan den hemel, de lucht, het water en al dergelijke onderdeelen. En daarop lieten zij de namen en beelden van hun goden slaan, zooals Varro zeide en Augustinus het verhaalt. Weer anderen, nl. de Platonisten, zeiden dat er één hoogste God was, de oorzaak van alles; en daaronder plaatsten zij geestelijke zelfstandigheden, die door den hoogsten God waren geschapen en die zij goden noemden, nl. door een deelhebben aan de godheid. Wij noemen dat echter engelen. Daaronder plaatsten zij de zielen van de hemellichamen; daaronder weer de duivels, 334waarvan zij zeiden, dat zij dieren van de lucht waren; en daaronder de zielen van de menschen, die volgens hun geloof door de verdiensten van hun deugden in de gemeenschap van goden of duivels werden opgenomen. En aan dezen allen brachten zij goddelijke eer, zooals Augustinus verhaalt.Maar over deze dingen bestonden drie meningen. Sommigen nl. dachten, dat de goden mensen waren geweest en eerden hen door hun beelden, zoals Jupiter, Mercurius e. d. — Anderen weer dachten, dat de gehele wereld een God was, niet om de stoffelijke zelfstandigheid, maar om de ziel, waarvan zij dachten, dat zij God was, zeggend dat God niets anders was dan “de ziel, die door beweging en verstand de wereld bestuurt,” zoals ook de mens wijs wordt genoemd niet om het lichaam, maar om de ziel. Zij meenden daarom, dat aan de gehele wereld en al haar delen goddelijke eer moest worden gebracht: aan de hemel, de lucht, het water en al dergelijke onderdelen. En daarop lieten zij de namen en beelden van hun goden slaan, zoals Varro zeide en Augustinus het verhaalt. Weer anderen, nl. de Platonisten, zeiden dat er één hoogste God was, de oorzaak van alles; en daaronder plaatsten zij geestelijke zelfstandigheden, die door de hoogste God waren geschapen en die zij goden noemden, nl. door een deelhebben aan de godheid. Wij noemen dat echter engelen. Daaronder plaatsten zij de zielen van de hemellichamen; daaronder weer de duivels, 334waarvan zij zeiden, dat zij dieren van de lucht waren; en daaronder de zielen van de mensen, die volgens hun geloof door de verdiensten van hun deugden in de gemeenschap van goden of duivels werden opgenomen. En aan deze alle brachten zij goddelijke eer, zoals Augustinus verhaalt.

Has autem duas ultimas opiniones dicebant pertinere ad « physicam theologiam »: quam philosophi considerabant in mundo, et docebant in scholis. Aliam vero, de cultu hominum, dicebant pertinere ad « theologiam fabularem »: quae secundum figmenta poetarum repraesentabatur in theatris. Aliam vero opinionem, de imaginibus, dicebant pertinere ad « civilem theologiam »: quae per pontifices celebrabatur in templis.

Zij zeiden, dat deze twee laatste stellingen onder de physieke theologie vallen, die de philosofen in de wereld beschouwden en in de scholen leerden. — Maar de andere over het eeren van menschen behoorden volgens hen tot de verhalende theologie, die naar de verdichtsels van de dichters in de schouwburgen werd opgevoerd. — Maar van de andere stelling, die over de beelden, zeiden zij, dat zij tot de burgerlijke theologie behoorde, die door de priesters in de tempels werd gevierd.Zij zeiden, dat deze twee laatste stellingen onder de fysieke theologie vallen, die de filosofen in de wereld beschouwden en in de scholen leerden. — Maar de andere over het eren van mensen behoorden volgens hen tot de verhalende theologie, die naar de verdichtsels van de dichters in de schouwburgen werd opgevoerd. — Maar van de andere stelling, die over de beelden, zeiden zij, dat zij tot de burgerlijke theologie behoorde, die door de priesters in de tempels werd gevierd.

Omnia autem haec ad superstitionem idololatriae pertinebant. Unde Augustinus dicit in 2 de Doctr. Christ. [cap. 20.] : « Superstitiosum est quidquid institutum ab hominibus est ad facienda et colenda idola, vel pertinens ad colendam sicut Deum creaturam partemve ullam creaturae. »

Maar dit alles behoort tot het bijgeloof van de afgoderij. Daarom zegt Augustinus: « Bijgeloof is alles, wat door de menschen is ingesteld met betrekking tot het vervaardigen en eeren van afgoden, of om een schepsel of deel ervan als God te eeren. »Maar dit alles behoort tot het bijgeloof van de afgoderij. Daarom zegt Augustinus: “Bijgeloof is alles, wat door de mensen is ingesteld met betrekking tot het vervaardigen en eren van afgoden, of om een schepsel of deel ervan als God te eren.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod sicut religio non est fides, sed fidei protestatio per aliqua exteriora signa, ita superstitio est quaedam infidelitatis 335protestatio per exteriorem cultum. Quam quidem protestationem nomen idololatriae significat: non autem nomen haeresis sed solum falsam opinionem. Et ideo haeresis est species infidelitatis: sed idololatria est species superstitionis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals godsdienstigheid geen geloof is, maar een belijden ervan door uiterlijke teekens, 335zoo is bijgeloof een belijdenis van ongeloof door uiterlijke eerbewijzen. En dit belijden duidt de naam van afgoderij aan, niet echter de naam ketterij, maar alleen een verkeerde meening. En zoo is ketterij een soort ongeloof, maar afgodendienst een soort bijgeloof.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals godsdienstigheid geen geloof is, maar een belijden ervan door uiterlijke tekens, 335zo is bijgeloof een belijdenis van ongeloof door uiterlijke eerbewijzen. En dit belijden duidt de naam van afgoderij aan, niet echter de naam ketterij, maar alleen een verkeerde mening. En zo is ketterij een soort ongeloof, maar afgodendienst een soort bijgeloof.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod nomen latriae dupliciter potest accipi. Uno enim modo potest significare humanum actum ad cultum Dei pertinentem. Et secundum hoc, non variatur significatio hujus nominis latria, cuicumque exhibeatur: quia illud cui exhibetur non cadit, secundum hoc, in ejus definitione. Et secundum hoc latria univoce dicetur, secundum hoc quod pertinet ad veram religionem, et secundum quod pertinet ad idololatriam: sicut solutio tributi univoce dicitur sive exhibeatur vero regi, sive falso. Alio modo accipitur latria prout est idem religioni. Et sic, cum sit virtus, de ratione ejus est quod cultus divinus exhibeatur ei cui debet exhiberi. Et secundum hoc latria aequivoce dicitur de latria verae religionis, et de idololatria: sicut prudentia aequivoce dicitur de prudentia quae est virtus, et de prudentia quae est carnis.

2. De naam godsvereering kan in dubbele beteekenis worden genomen. Ten eerste kan hij een menschelijke handeling beteekenen, die tot het eeren van God behoort. En zoo is er geen verschil in beteekenis van dit woord godsvereering, aan wie deze ook wordt gebracht; want zoo valt datgene, waaraan zij wordt gebracht, niet binnen de grenzen van de definitie. En zoo spreekt men eenzinnig van godsvereering in zoover deze tot de ware godsdienstigheid en tot de afgoderij behoort; zooals men eenzinnig van het opbrengen van belasting spreekt, of dit nu aan den waren vorst of aan een verkeerden wordt gedaan. — Godsvereering wordt echter ook nog anders genomen en wel als godsdienstigheid. En omdat zij zoo een deugd is, ligt het in den aard ervan, dat de goddelijke eer wordt gebracht aan wien dat moet gebeuren. En zoo spreekt men in verschillenden zin van de godsvereering van de ware godsdienstigheid en van de afgoderij; zooals men van voorzichtigheid in verschillende beteekenissen spreekt bij de deugd van voorzichtigheid en bij die van het vleesch.2. De naam godsverering kan in dubbele betekenis worden genomen. Ten eerste kan hij een menselijke handeling betekenen, die tot het eren van God behoort. En zo is er geen verschil in betekenis van dit woord godsverering, aan wie deze ook wordt gebracht; want zo valt datgene, waaraan zij wordt gebracht, niet binnen de grenzen van de definitie. En zo spreekt men eenzinnig van godsverering in zover deze tot de ware godsdienstigheid en tot de afgoderij behoort; zoals men eenzinnig van het opbrengen van belasting spreekt, of dit nu aan de ware vorst of aan een verkeerden wordt gedaan. — Godsverering wordt echter ook nog anders genomen en wel als godsdienstigheid. En omdat zij zo een deugd is, ligt het in de aard ervan, dat de goddelijke eer wordt gebracht aan wie dat moet gebeuren. En zo spreekt men in verschillenden zin van de godsverering van de ware godsdienstigheid en van de afgoderij; zoals men van voorzichtigheid in verschillende betekenissen spreekt bij de deugd van voorzichtigheid en bij die van het vlees.

↑ bedenking 3

336Ad tertium dicendum quod Apostolus intelligit idolum2 « nihil esse in mundo », quia imagines illae quae idola dicebantur, non erant animatae aut aliquam virtutem divinitatis habentes, sicut Hermes ponebat, quasi esset aliquid compositum ex spiritu et corpore. Et similiter intelligendum est quod « idolis non est aliquid immolatum » quia per hujusmodi immolationem carnes immolatitiae aliquam sanctificationem non consequebantur, ut gentiles putabant; neque aliquam immunditiam, ut putabant Judaei.

3363. De Apostel wil zeggen, dat « het niets in de wereld is, » omdat die beelden, die men afgoden noemt, niet bezield waren of eenige goddelijke kracht hadden, zooals Hermes Trismegistos aannam, alsof zij iets waren, dat samengesteld is uit ziel en lichaam. — En dat « het afgodenoffer niets is, » moet men op dezelfde manier opvatten, omdat het offervleesch door deze opoffering geen heiliging, zooals de heidenen, en geen onreinheid, zooals de Joden dachten, kreeg.3363. De Apostel wil zeggen, dat “het niets in de wereld is,” omdat die beelden, die men afgoden noemt, niet bezield waren of enige goddelijke kracht hadden, zoals Hermes Trismegistos aannam, alsof zij iets waren, dat samengesteld is uit ziel en lichaam. — En dat “het afgodenoffer niets is,” moet men op dezelfde manier opvatten, omdat het offervlees door deze opoffering geen heiliging, zoals de heidenen, en geen onreinheid, zoals de Joden dachten, kreeg.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod ex communi consuetudine qua creaturas quascumque colebant gentiles sub quibusdam imaginibus, impositum est hoc nomen idololatria ad significandum quemcumque cultum creaturae, etiamsi sine imaginibus fieret.

4. Krachtens het algemeen gebruik van de heidenen om allerlei schepselen in beelden te vereeren, is deze naam afgoderij in zwang gekomen om ieder vereeren van een schepsel aan te geven, ook als het zonder beelden geschiedt.4. Krachtens het algemeen gebruik van de heidenen om allerlei schepselen in beelden te vereren, is deze naam afgoderij in zwang gekomen om ieder vereren van een schepsel aan te geven, ook als het zonder beelden geschiedt.

Articulus II

Utrum idololatria sit peccatum

[Lib. 3. Contr. g. cap. 120. De dec. praec. c. de 1. praec.; Rom. c. 1, lect. 7.]
IIe Artikel

Is afgoderij zonde?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod idololatria non sit peccatum. 337Nihil enim est peccatum quod vera fides in cultum Dei assumit. Sed vera fides imagines quasdam assumit ad divinum cultum: nam et in tabernaculo erant imagines cherubim, ut legitur Exod. 25. [vv. 18 sqq.] ; et in ecclesia quaedam imagines ponuntur quas fideles adorant. Ergo idololatria, secundum quam idola adorantur, non est peccatum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat afgoderij geen zonde is. 337— 1. Want niets van wat het ware geloof gebruikt om God te eeren, is zonde. Nu gebruikt het ware geloof beelden bij het eeren van God, want in den tabernakel waren ook beelden van Cherubijnen, zooals wij in het Boek van den Uittocht (25. 18 en vlg.) lezen; en in de kerken worden beelden geplaatst, die de geloovigen vereeren. Dus is de afgoderij, die in het vereeren van beelden bestaat, geen zonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat afgoderij geen zonde is. 337— 1. Want niets van wat het ware geloof gebruikt om God te eren, is zonde. Nu gebruikt het ware geloof beelden bij het eren van God, want in de tabernakel waren ook beelden van Cherubijnen, zoals wij in het Boek van de Uittocht (25, 18 en vlg.) lezen; en in de kerken worden beelden geplaatst, die de gelovigen vereren. Dus is de afgoderij, die in het vereren van beelden bestaat, geen zonde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, cuilibet superiori est reverentia exhibenda. Sed angeli et animae sanctorum sunt nobis superiores. Ergo si eis exhibeatur reverentia per aliquem cultum vel sacrificiorum vel aliquorum hujusmodi, non erit peccatum.

2. Al het hoogere moet worden geëerbiedigd. Nu zijn de engelen en heilige zielen hooger dan wij. Als wij hun dus eer bewijzen door een eeredienst van offers of dergelijke handelingen, is het geen zonde.2. Al het hogere moet worden geëerbiedigd. Nu zijn de engelen en heilige zielen hoger dan wij. Als wij hun dus eer bewijzen door een eredienst van offers of dergelijke handelingen, is het geen zonde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, summus Deus interiori cultu mentis est colendus; secundum illud Joan. 4. [v. 24] : « Deum oportet adorare in spiritu et veritate ». Et Augustinus dicit in Enchir. [cap. 3.], quod « Deus colitur fide, spe et charitate ». Potest autem contingere quod aliquis exterius idola colat, interius tamen a vera fide non discedat. Ergo videtur quod sine praejudicio divini cultus possit aliquis exterius idola colere.

3. Den hoogsten God moeten wij eeren door een innerlijken geestelijken eeredienst naar het woord van Joannes (4. 24) : « Men moet God aanbidden in geest en waarheid. » En Augustinus zegt, dat « wij God eeren door geloof, hoop en liefde. » Nu kan het gebeuren, dat iemand uiterlijk de afgoden vereert, maar innerlijk van het ware geloof niet afwijkt. Het schijnt dus, dat men zonder schade voor het eeren van God uiterlijk de afgoden kan eeren.3. De hoogste God moeten wij eren door een innerlijken geestelijken eredienst naar het woord van Johannes (4, 24): “Men moet God aanbidden in geest en waarheid.” En Augustinus zegt, dat “wij God eren door geloof, hoop en liefde.” Nu kan het gebeuren, dat iemand uiterlijk de afgoden vereert, maar innerlijk van het ware geloof niet afwijkt. Het schijnt dus, dat men zonder schade voor het eren van God uiterlijk de afgoden kan eren.

Sed contra est, quod Exod. 20. [v. 5] dicitur: « Non adorabis ea », scilicet exterius, « neque coles », scilicet interius, ut Gloss. [ordin.] 338exponit: et loquitur de sculptilibus et imaginibus. Ergo peccatum est idolis exteriorem vel interiorem cultum exhibere.

Maar daartegenover staat het woord uit het Boek van den Uittocht (20. 5) : « Gij zult ze niet aanbidden, » nl. uiterlijk, « en 338niet eeren, » nl. innerlijk, zooals de Glossa uitlegt; en er wordt gesproken van snijwerk en beelden. Dus is het zonde de afgoden uiterlijk of innerlijk te vereeren.Maar daartegenover staat het woord uit het Boek van de Uittocht (20, 5): “Gij zult ze niet aanbidden,” nl. uiterlijk, “en 338niet eren,” nl. innerlijk, zoals de Glossa uitlegt; en er wordt gesproken van snijwerk en beelden. Dus is het zonde de afgoden uiterlijk of innerlijk te vereren.

Respondeo dicendum quod circa hoc aliqui dupliciter erraverunt. Quidam enim putaverunt quod offerre sacrificium et alia ad latriam pertinentia non solum summo Deo, sed etiam aliis supra dictis, [art. 11.] esset debitum et per se bonum, eo quod cuilibet superiori naturae divinam reverentiam exhibendam putant, quasi Deo propinquiori. Sed hoc irrationabiliter dicitur. Nam etsi omnes superiores revereri debeamus, non tamen eadem reverentia omnibus debetur, sed aliquid speciale summo Deo debetur, qui singulari ratione omnes excellit: et hoc est latriae cultus. Nec potest dici, sicut quidam putaverunt, « haec visibilia sacrificia diis aliis congruere, illi vero summo Deo, tamquam meliori, meliora, scilicet purae mentis officia »: quia, ut Augustinus dicit in 10 de Civit. Dei [cap. 19.], « exteriora sacrificia ita sunt signa interiorum sicut verba sonantia signa sunt rerum. Quocirca, sicut orantes atque laudantes ad eum dirigimus significantes voces cui res ipsas 339in corde quas significamus offerimus, ita, sacrificantes, non alteri visibile sacrificium offerendum esse noverimus quam ei cujus in cordibus nostris invisibile sacrificium nos ipsi esse debemus ».

Leerstelling. — Op twee manieren hebben eenigen op dit punt gedwaald. Want sommigen hebben gemeend, dat men het opdragen van offers en andere tot de godsvereering behoorende dingen niet alleen tegenover God, maar ook tegenover de andere bovengenoemde wezens verplicht was en dat het in zich goed was, omdat zij dachten, dat men aan alle hoogere naturen goddelijke eer moet bewijzen, omdat zij dichter bij God staan. Deze bewering is echter onredelijk. Want al moeten wij alle hoogeren eeren, toch moet niet aan allen dezelfde eer worden gebracht, maar de hoogste God heeft recht op iets bijzonders, omdat Hij op een bijzondere manier allen te boven gaat; en dat is de eeredienst van godsvereering. — Ook kan men niet met sommigen zeggen, dat « deze zichtbare offers bij de andere goden passen, maar aan den hoogsten God, als aan den meer volmaakten, iets beters toekwam, nl. de dienst van een zuiveren geest; » want, zooals Augustinus zegt, « zijn de uiterlijke offers teekenen van de innerlijke als de uitgesproken woorden van de dingen. Wat dat betreft, weten wij, dat wij, zooals wij bij gebed en lofzang de woorden met hun 339beteekenis tot Hem richten, aan Wien wij de dóór woorden aangeduide dingen in ons hart opofferen, wij ook aan geen andere een uiterlijk offer mogen opdragen dan aan Hem, Wiens onzichtbaar offer wijzelf in ons hart moeten zijn. »Leerstelling. — Op twee manieren hebben enigen op dit punt gedwaald. Want sommigen hebben gemeend, dat men het opdragen van offers en andere tot de godsverering behorende dingen niet alleen tegenover God, maar ook tegenover de andere bovengenoemde wezens verplicht was en dat het in zich goed was, omdat zij dachten, dat men aan alle hogere naturen goddelijke eer moet bewijzen, omdat zij dichter bij God staan. Deze bewering is echter onredelijk. Want al moeten wij alle hogeren eren, toch moet niet aan allen dezelfde eer worden gebracht, maar de hoogste God heeft recht op iets bijzonders, omdat Hij op een bijzondere manier allen te boven gaat; en dat is de eredienst van godsverering. — Ook kan men niet met sommigen zeggen, dat “deze zichtbare offers bij de andere goden passen, maar aan de hoogste God, als aan de meer volmaakten, iets beters toekwam, nl. de dienst van een zuiveren geest;” want, zoals Augustinus zegt, “zijn de uiterlijke offers tekenen van de innerlijke als de uitgesproken woorden van de dingen. Wat dat betreft, weten wij, dat wij, zoals wij bij gebed en lofzang de woorden met hun 339betekenis tot Hem richten, aan Wie wij de dóór woorden aangeduide dingen in ons hart opofferen, wij ook aan geen andere een uiterlijk offer mogen opdragen dan aan Hem, Wiens onzichtbaar offer wijzelf in ons hart moeten zijn.”

Alii vero aestimaverunt latriae cultum exteriorem non esse idolis exhibendum tamquam per se bonum aut optimum, sed tamquam vulgari consuetudine consonum: ut Augustinus in 6 de Civit. Dei [cap. 10.] introducit Senecam dicentem: « Sic, inquit, adorabimus ut et meminerimus hujusmodi cultum magis ad morem quam ad rem pertinere ». Et in lib. de Vera Religione [cap. 5.] Augustinus dicit « non esse religionem a philosophis quaerendam, qui eadem sacra recipiebant cum populis, et de suorum deorum natura ac summo Bono diversas contrariasque sententias in scholis personabant ». Et hunc etiam errorem secuti sunt quidam haeretici asserentes non esse periculosum1 si quis, persecutionis tempore deprehensus, exterius idola colat, dum tamen fidem in mente servet. Sed hoc apparet manifeste falsum. Nam cum exterior cultus sit signum interioris cultus, sicut est perniciosum 340mendacium si quis verbis asserat contrarium ejus quod per veram fidem tenet in corde, ita etiam est perniciosa falsitas si quis exteriorem cultum exhibeat alicui contra id quod sentit in mente. Unde Augustinus dicit contra Senecam, in 6 de Civ. Dei [cap. 10.], quod « eo damnabilius » colebat idola, « quo illa quae mendaciter agebat sic ageret ut eum populus2 veraciter agere existimaret ».

Anderen echter waren van meening, dat de uiterlijke eeredienst van godsvereering aan de afgoden niet als iets op zichzelf goeds en geschikts moest worden gebracht, maar omdat het met de volksgewoonten overeenkomt, zooals Augustinus Seneca laat zeggen: « Zoo aanbidden wij, zegt hij, dat wij eraan denken dat deze eeredienst meer een gewoonte dan iets met inhoud is. » En elders zegt Augustinus, dat « wij van de philosofen geen godsdienst moeten verwachten, omdat zij dezelfde heilige instellingen aanvaardden als het volk en in hun scholen over de natuur van hun goden en van het hoogste goed verschillende en tegenstrijdige meeningen verkondigden. » En sommige ketters hebben deze dwaling overgenomen met hun bewering dat het niet verderfelijk was als iemand ten tijde van vervolging in het nauw gebracht, uiterlijk de goden zou vereeren, wanneer hij maar in zijn hart het geloof bewaarde. — Dit is echter duidelijk onjuist. Want waar de uiterlijke vereering een teeken is van de innerlijke, zou het, evenals 340het een verderfelijke leugen is, wanneer iemand met woorden het tegendeel zou beweren van wat hij in zijn hart door het ware geloof houdt, zoo ook een verderfelijke onwaarheid zijn, als men aan iemand uiterlijke vereering bewees in strijd met wat men innerlijk voelt. Daarom zegt Augustinus tegen Seneca, dat zijn eeren van afgoden « zooveel te verderfelijker is, omdat hij, wat hij leugenachtig doet, zoo verricht, dat men zou meenen, dat hij volgens zijn ware overtuiging met het volk meedoet. »Anderen echter waren van mening, dat de uiterlijke eredienst van godsverering aan de afgoden niet als iets op zichzelf goeds en geschikts moest worden gebracht, maar omdat het met de volksgewoonten overeenkomt, zoals Augustinus Seneca laat zeggen: “Zo aanbidden wij, zegt hij, dat wij eraan denken dat deze eredienst meer een gewoonte dan iets met inhoud is.” En elders zegt Augustinus, dat “wij van de filosofen geen godsdienst moeten verwachten, omdat zij dezelfde heilige instellingen aanvaardden als het volk en in hun scholen over de natuur van hun goden en van het hoogste goed verschillende en tegenstrijdige meningen verkondigden.” En sommige ketters hebben deze dwaling overgenomen met hun bewering dat het niet verderfelijk was als iemand ten tijde van vervolging in het nauw gebracht, uiterlijk de goden zou vereren, wanneer hij maar in zijn hart het geloof bewaarde. — Dit is echter duidelijk onjuist. Want waar de uiterlijke verering een teken is van de innerlijke, zou het, evenals 340het een verderfelijke leugen is, wanneer iemand met woorden het tegendeel zou beweren van wat hij in zijn hart door het ware geloof houdt, zo ook een verderfelijke onwaarheid zijn, als men aan iemand uiterlijke verering bewees in strijd met wat men innerlijk voelt. Daarom zegt Augustinus tegen Seneca, dat zijn eren van afgoden “zoveel te verderfelijker is, omdat hij, wat hij leugenachtig doet, zo verricht, dat men zou menen, dat hij volgens zijn ware overtuiging met het volk meedoet.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod neque in veteris legis tabernaculo seu templo, neque etiam nunc imagines in Ecclesia instituuntur ut eis cultus latriae exhibeatur: sed ad quamdam significationem, ut per hujusmodi imagines mentibus hominum imprimatur et confirmetur fides de excellentia angelorum et sanctorum. Secus autem est de imagine Christi, cui, ratione divinitatis3, latria debetur, ut dicetur in Tertio. [q. 25. art. 3.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Noch in den tabernakel of den tempel van het Oude Verbond, noch nu in de kerk worden beelden geplaatst om daaraan godsvereering te betoonen; maar om iets aan te duiden, opdat door die beelden het geloof aan de verhevenheid van de engelen en heiligen in de harten van de menschen wordt gedrukt en bevestigd. Het is echter anders met de beelden van Christus, waaraan om Zijn godheid godsvereering wordt gebracht, zooals in het derde deel zal worden gezegd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Noch in de tabernakel of de tempel van het Oude Verbond, noch nu in de kerk worden beelden geplaatst om daaraan godsverering te betonen; maar om iets aan te duiden, opdat door die beelden het geloof aan de verhevenheid van de engelen en heiligen in de harten van de mensen wordt gedrukt en bevestigd. Het is echter anders met de beelden van Christus, waaraan om Zijn godheid godsverering wordt gebracht, zoals in het derde deel zal worden gezegd.

bedenkingen ↑ 2 ↑ 3

Ad secundum et tertium patet responsio per ea quae dicta sunt [in corp.].

2. en 3. Het antwoord hierop is duidelijk uit het gezegde.

Articulus III

Utrum idololatria sit gravissimum peccatorum

[4. Dist. 13. q. 2. a. 2; I Cor. c. 12. lect. 1.]
IIIe Artikel

Is afgoderij de zwaarste zonde?

antwoord 1 ↓

341Ad tertium sic proceditur. Videtur quod idololatria non sit gravissimum peccatorum. « Pessimum » enim « opponitur optimo », ut dicitur 8 Ethic. [cap. 10. n. 2.]. Sed cultus interior, qui consistit in fide, spe et charitate, est melior quam cultus exterior. Ergo infidelitas, desperatio et odium Dei, quae opponuntur cultui interiori, sunt graviora peccata quam idololatria, quae opponitur cultui exteriori.

341Bedenkingen. — Men beweert, dat afgoderij niet de zwaarste zonde is. — 1. Want « het slechtste staat tegenover het beste, » zooals in de Ethica staat. Nu is de inwendige vereering, die in geloof, hoop en liefde bestaat, iets beters dan de uiterlijke eeredienst. Dus zijn ongeloof, wanhoop en haat tegen God, die tegenover den innerlijken eeredienst staan, zwaarder zonden dan de afgoderij, die tegenover den uiterlijken eeredienst staat.341Bedenkingen. — Men beweert, dat afgoderij niet de zwaarste zonde is. — 1. Want “het slechtste staat tegenover het beste,” zoals in de Ethica staat. Nu is de inwendige verering, die in geloof, hoop en liefde bestaat, iets beters dan de uiterlijke eredienst. Dus zijn ongeloof, wanhoop en haat tegen God, die tegenover de innerlijke eredienst staan, zwaarder zonden dan de afgoderij, die tegenover de uiterlijke eredienst staat.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, tanto aliquid peccatum gravius est quanto magis est contra Deum. Sed directius aliquis videtur contra Deum agere blasphemando, vel fidem impugnando, quam cultum Dei alii exhibendo, quod pertinet ad idololatriam. Ergo blasphemia vel impugnatio fidei est gravius peccatum quam idololatria.

2. Een zonde is zwaarder naarmate zij meer tegen God is. Nu schijnt men meer onmiddellijk tegen God in te gaan door te vloeken of het geloof te bestrijden dan door iemand anders godsvereering te bewijzen, waarin de afgoderij bestaat. Dus zijn vloeken en bestrijden van het geloof zwaarder zonden dan afgoderij.2. Een zonde is zwaarder naarmate zij meer tegen God is. Nu schijnt men meer onmiddellijk tegen God in te gaan door te vloeken of het geloof te bestrijden dan door iemand anders godsverering te bewijzen, waarin de afgoderij bestaat. Dus zijn vloeken en bestrijden van het geloof zwaarder zonden dan afgoderij.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, minora mala majoribus malis puniri videntur. Sed peccatum idololatriae punitum est peccato contra naturam, ut dicitur ad Rom. 1. 342[v. 23 sqq.]. Ergo peccatum contra naturam est gravius peccato idololatriae.

3. Kleiner kwaad schijnt met grooter te worden gestraft. Nu is de zonde van afgoderij gestraft door tegennatuurlijke zonden, 342zooals in den Brief aan de Romeinen (1. 23 en vlg.) staat. Dus is een zonde tegen de natuur zwaarder dan de afgoderij.3. Kleiner kwaad schijnt met groter te worden gestraft. Nu is de zonde van afgoderij gestraft door tegennatuurlijke zonden, 342zoals in de Brief aan de Romeinen (1, 23 en vlg.) staat. Dus is een zonde tegen de natuur zwaarder dan de afgoderij.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, Augustinus dicit 20 contra Faust. [cap. 5.] : « Neque vos », scilicet Manichaeos, « paganos dicimus, aut schisma paganorum: sed cum eis habere quamdam similitudinem, eo quod multos colatis deos. Verum vos in hoc1 esse eis longe deteriores: quod illi ea colunt quae sunt, sed pro diis colenda non sunt; vos tamen ea colitis quae omnino non sunt ». Ergo vitium haereticae pravitatis est gravius quam idololatria.

4. Augustinus zegt: « Wij noemen U (nl. de Manichaeërs) geen heidenen of geen groep van heidenen; maar wij zeggen, dat gij er eenigszins op gelijkt, omdat gij vele goden eert. Maar ook, dat gij veel erger zijt; omdat zij vereeren wat wel bestaat, maar wat niet als God moet worden vereerd; maar gij vereert, wat in het geheel niet bestaat. » Dus is de zonde van kettersche boosheid erger dan afgoderij.4. Augustinus zegt: “Wij noemen U (nl. de Manicheeërs) geen heidenen of geen groep van heidenen; maar wij zeggen, dat gij er enigszins op gelijkt, omdat gij vele goden eert. Maar ook, dat gij veel erger zijt; omdat zij vereren wat wel bestaat, maar wat niet als God moet worden vereerd; maar gij vereert, wat in het geheel niet bestaat.” Dus is de zonde van ketterse boosheid erger dan afgoderij.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, super illud ad Galat. 4.: [v. 9], « Quomodo convertimini iterum ad infirma et egena elementa » dicit Glos. Hieronymi [Petri Lomb. in hunc loc.] : « Legis observantia, cui dediti tunc erant, erat peccatum pene par servituti idolorum, cui ante conversionem vacaverant ». Non ergo peccatum idololatriae est gravissimum.

5. Bij den tekst uit den Brief aan de Galaten (4. 9) « Hoe keert gij U opnieuw tot zwakke en schamele elementen? » zegt de Glossa van Hieronymus: « Het onderhouden van de Wet, wat zij toen deden, was een zonde, die bijna gelijk was aan die van de slavernij van de afgoden, die zij vóór hun bekeering bedreven. » Dus is de zonde van afgoderij niet de zwaarste.5. Bij de tekst uit de Brief aan de Galaten (4, 9) “Hoe keert gij U opnieuw tot zwakke en schamele elementen?” zegt de Glossa van Hieronymus: “Het onderhouden van de Wet, wat zij toen deden, was een zonde, die bijna gelijk was aan die van de slavernij van de afgoden, die zij vóór hun bekering bedreven.” Dus is de zonde van afgoderij niet de zwaarste.

Sed contra est, quod Levit. 15. [v. 19], super illud quod dicitur de immunditia mulieris patientis fluxum sanguinis, dicit Glos. [ord.] : « Omne peccatum est immunditia animae, sed idololatria maxime ».

Maar daartegenover staat, dat bij het woord van het Boek Leviticus (15. 19) over de onreinheid van de vrouw, die aan bloedvloeiing lijdt, de Glossa zegt: « Iedere zonde is een onreinheid van de ziel, maar vooral de afgoderij. »Maar daartegenover staat, dat bij het woord van het Boek Leviticus (15, 19) over de onreinheid van de vrouw, die aan bloedvloeiing lijdt, de Glossa zegt: “Iedere zonde is een onreinheid van de ziel, maar vooral de afgoderij.”

343Respondeo dicendum quod gravitas alicujus peccati potest attendi dupliciter. Uno modo, ex parte ipsius peccati. Et sic peccatum idololatriae gravissimum est. Sicut enim in terrena republica gravissimum esse videtur quod aliquis honorem regium alteri impendat quam vero regi, quia quantum in se est, totum reipublicae perturbat ordinem; ita in peccatis quae contra Deum committuntur, quae tamen sunt maxima, gravissimum esse videtur quod aliquis honorem divinum creaturae impendat: quia quantum est in se, facit alium Deum in mundo, minuens principatum divinum.

343Leerstelling. — De zwaarte van een zonde kan op twee manieren afgemeten worden. Ten eerste van den kant van de zonde zelf; en zoo is de zonde van afgoderij de zwaarste. Want zooals het in de burgerlijke maatschappij de ergste misdaad schijnt te zijn om koninklijke eer aan een ander dan den waren vorst te bewijzen, omdat men daardoor voor zoover men zelf kan de geheele orde van den staat verbreekt, zoo schijnt van de zonden tegen God, die de ergsten zijn, de zwaarste te wezen, als iemand aan een schepsel goddelijke eer bewijst, omdat men zich voor zoover men kan een anderen God in de wereld maakt en aan de goddelijke heerschappij te kort doet.343Leerstelling. — De zwaarte van een zonde kan op twee manieren afgemeten worden. Ten eerste van de kant van de zonde zelf; en zo is de zonde van afgoderij de zwaarste. Want zoals het in de burgerlijke maatschappij de ergste misdaad schijnt te zijn om koninklijke eer aan een ander dan de ware vorst te bewijzen, omdat men daardoor voor zover men zelf kan de gehele orde van de staat verbreekt, zo schijnt van de zonden tegen God, die de ergsten zijn, de zwaarste te wezen, als iemand aan een schepsel goddelijke eer bewijst, omdat men zich voor zover men kan een anderen God in de wereld maakt en aan de goddelijke heerschappij te kort doet.

Alio modo potest attendi gravitas peccati ex parte ipsius2 peccantis: sicut dicitur gravius esse peccatum ejus qui peccat scienter quam ejus qui peccat ignoranter. Et secundum hoc nihil prohibet gravius peccare haereticos, qui scienter corrumpunt fidem quam acceperunt, quam idololatras ignoranter peccantes. Et similiter etiam aliqua alia peccata possunt esse majora propter majorem contemptum peccantis.

Op een andere manier kan men de zwaarte van de zonde afmeten van den kant van hem, die zondigt, zooals men zegt dat de zonde van wie wetend zondigt zwaarder is dan van wie het onwetend doet. En onder dit opzicht is er niets tegen, dat ketters, die wetens het ontvangen geloof bederven, zwaarder zondigen dan afgodendienaars, die onwetend zondigen. En evenzoo kunnen ook andere zonden grooter zijn om een grootere verachting bij hem, die zondigt.Op een andere manier kan men de zwaarte van de zonde afmeten van de kant van hem, die zondigt, zoals men zegt dat de zonde van wie wetend zondigt zwaarder is dan van wie het onwetend doet. En onder dit opzicht is er niets tegen, dat ketters, die wetens het ontvangen geloof bederven, zwaarder zondigen dan afgodendienaars, die onwetend zondigen. En evenzo kunnen ook andere zonden groter zijn om een grotere verachting bij hem, die zondigt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod idololatria praesupponit interiorem 344infidelitatem, et adjicit exterius indebitum cultum. Si vero sit exterior tantum idololatria absque interiori infidelitate, additur culpa falsitatis, ut prius dictum est [art. praec.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Afgoderij 344veronderstelt innerlijk ongeloof en voegt daar uiterlijk een verkeerde godsvereering aan toe. Is er echter alleen uiterlijk afgoderij zonder innerlijk ongeloof, dan maakt men zich ook nog aan onoprechtheid schuldig, zooals vroeger (vorig Art.) gezegd is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Afgoderij 344veronderstelt innerlijk ongeloof en voegt daar uiterlijk een verkeerde godsverering aan toe. Is er echter alleen uiterlijk afgoderij zonder innerlijk ongeloof, dan maakt men zich ook nog aan onoprechtheid schuldig, zoals vroeger (vorig Art.) gezegd is.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod idololatria includit magnam blasphemiam: inquantum Deo subtrahitur dominii singularitas. Et fidem opere impugnat idololatria.

2. Afgoderij sluit een groote godslastering in, omdat men aan God de alleenheerschappij ontneemt. En de afgodendienst bestrijdt het geloof daadwerkelijk.2. Afgoderij sluit een grote godslastering in, omdat men aan God de alleenheerschappij ontneemt. En de afgodendienst bestrijdt het geloof daadwerkelijk.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod quia de ratione poenae est, quod sit contra voluntatem, peccatum per quod aliud punitur oportet esse magis manifestum, ut ex hoc homo sibi ipsi et aliis detestabilis reddatur: non autem oportet quod sit gravius. Et secundum hoc, peccatum quod est3 contra naturam minus est quam peccatum idololatriae, sed quia est manifestius, ponitur quasi conveniens poena peccati idololatriae: ut scilicet sicut homo per idololatriam pervertit ordinem divini honoris, ita per peccatum contra naturam propriae naturae confusibilem perversitatem patiatur.

3. Omdat straf uiteraard tegen den wil ingaat, moet de zonde, waardoor iemand gestraft wordt, meer in het oog vallen, zoodat de mensch erdoor zichzelf en anderen verachtelijk voorkomt; maar het is niet noodig, dat ze zwaarder is. En wat dit betreft, is de zonde tegen de natuur niet zoo erg als de zonde van afgoderij, maar omdat ze meer opvalt, wordt ze als een passende straf voor de zonde van afgoderij aangezien, opdat de mensch nl., zooals hij door afgodendienst wanorde bracht in het eeren van God, door de zonde tegen de natuur onder de beschamende verdorvenheid van zijn eigen natuur zou lijden.3. Omdat straf uiteraard tegen de wil ingaat, moet de zonde, waardoor iemand gestraft wordt, meer in het oog vallen, zodat de mens erdoor zichzelf en anderen verachtelijk voorkomt; maar het is niet nodig, dat ze zwaarder is. En wat dit betreft, is de zonde tegen de natuur niet zo erg als de zonde van afgoderij, maar omdat ze meer opvalt, wordt ze als een passende straf voor de zonde van afgoderij aangezien, opdat de mens nl., zoals hij door afgodendienst wanorde bracht in het eren van God, door de zonde tegen de natuur onder de beschamende verdorvenheid van zijn eigen natuur zou lijden.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum quod haeresis Manichaeorum, etiam quantum ad genus peccati, gravior est quam peccatum aliorum idololatrarum: quia 345magis derogant divino honori, ponentes duos deos contrarios, et multa vana fabulosa de Deo fingentes. Secus autem est de aliis haereticis, qui unum Deum confitentur et eum solum colunt.

4. De ketterij van de Manichaeërs is ook wat de soort van zonde betreft, erger dan de zonde van andere afgodendienaars, omdat zij aan Gods eer meer te kort deden door twee met elkander 345strijdende goden aan te nemen en veel dwaze verdichtselen over God uit te denken. Maar met andere ketters, die één God belijden en Hem alleen eeren, is het anders.4. De ketterij van de Manicheeërs is ook wat de soort van zonde betreft, erger dan de zonde van andere afgodendienaars, omdat zij aan Gods eer meer te kort deden door twee met elkander 345strijdende goden aan te nemen en veel dwaze verdichtselen over God uit te denken. Maar met andere ketters, die één God belijden en Hem alleen eren, is het anders.

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum quod observatio legis tempore gratiae non est omnino aequalis idololatriae secundum genus peccati, sed pene aequalis: quia utrumque est species pestiferae superstitionis.

5. Het onderhouden van de Wet in het tijdperk van de genade is wat het soort zonde betreft niet precies gelijk aan de afgoderij, maar « bijna gelijk », omdat beide zonden een soort verderfelijke bijgeloovigheid zijn.5. Het onderhouden van de Wet in het tijdperk van de genade is wat het soort zonde betreft niet precies gelijk aan de afgoderij, maar “bijna gelijk”, omdat beide zonden een soort verderfelijke bijgelovigheid zijn.

Articulus IV

Utrum causa idololatriae fuerit ex parte hominis

[Lib. 3. Contr. g. cap. 120. De dec. praec. c. de 1. praec.; I Cor. c. 12, lect. 1.]
IVe Artikel

Was er van den kant van den mensch een oorzaak voor de afgoderij?Was er van de kant van de mens een oorzaak voor de afgoderij?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod causa idololatriae non fuerit ex parte hominis. In homine enim nihil est nisi vel natura, vel virtus, vel culpa. Sed causa idololatriae non potuit esse ex parte naturae hominis: quin potius naturalis ratio hominis dictat quod sit unus Deus, et quod non sit mortuis cultus divinus exhibendus, neque rebus inanimatis. Similiter etiam 346nec idololatria habet causam in homine ex parte virtutis: quia « non potest arbor bona malos fructus facere », ut dicitur Matth. 7. [v. 18]. Neque etiam ex parte culpae: quia ut dicitur Sap. 14. [v. 27] : « Infandorum idolorum cultura omnis mali1 est et initium et finis ». Ergo idololatria non habet causam ex parte hominis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat er van den kant van den mensch geen oorzaak voor de afgoderij was. — 1. Want in den mensch wordt er niets gevonden dan ofwel zijn natuur ofwel de deugd ofwel de schuld. Nu kan er van den kant van de natuur van den mensch geen oorzaak zijn van afgoderij; het natuurlijk verstand van den mensch zegt veeleer, dat er één God is en dat 346men aan dooden, en levenlooze dingen geen goddelijke eer moet bewijzen. De afgoderij heeft in den mensch evenmin haar oorzaak van den kant van de deugd, omdat « een goede boom geen slechte vruchten kan voortbrengen, » zooals bij Mattheus (7. 18) wordt gezegd. En ook niet van den kant van een schuld, omdat volgens het Boek der Wijsheid (14. 27) « het dienen van de schandelijke afgoden de oorzaak van alle kwaad is en het begin en het doel. » Dus heeft de afgodendienst geen oorzaak in den mensch.Bedenkingen. — Men beweert, dat er van de kant van de mens geen oorzaak voor de afgoderij was. — 1. Want in de mens wordt er niets gevonden dan ofwel zijn natuur ofwel de deugd ofwel de schuld. Nu kan er van de kant van de natuur van de mens geen oorzaak zijn van afgoderij; het natuurlijk verstand van de mens zegt veeleer, dat er één God is en dat 346men aan doden, en levenloze dingen geen goddelijke eer moet bewijzen. De afgoderij heeft in de mens evenmin haar oorzaak van de kant van de deugd, omdat “een goede boom geen slechte vruchten kan voortbrengen,” zoals bij Matteüs (7, 18) wordt gezegd. En ook niet van de kant van een schuld, omdat volgens het Boek van de Wijsheid (14, 27) “het dienen van de schandelijke afgoden de oorzaak van alle kwaad is en het begin en het doel.” Dus heeft de afgodendienst geen oorzaak in de mens.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ea quae ex parte hominis causantur, omni tempore in hominibus inveniuntur. Non autem semper fuit idololatria, sed in secunda aetate legitur esse adinventa: vel a Nembroth, qui, ut dicitur, cogebat homines ignem adorare; vel a Nino, qui imaginem patris sui Beli adorari fecit. Apud Graecos autem, ut Isidorus refert [lib. 8 Etymol., cap. 11.], « Prometheus primus simulacra hominum de luto finxit. Judaei vero dicunt quod Ismael primus simulacrum de luto fecit ». Cessavit etiam in sexta aetate idololatria ex magna parte. Ergo idololatria non habuit causam ex parte hominis.

2. Wat in den mensch zijn oorzaak heeft, wordt in alle tijden in den mensch gevonden. Nu was er niet altijd afgodendienst, maar wij lezen, dat deze in het tweede tijdperk werd uitgevonden, ofwel door Nemrod, die naar men zegt de menschen dwong het vuur te aanbidden, ofwel door Ninus, die het beeld van zijn vader Bel liet aanbidden. Bij de Grieken echter « maakte Prometheus als eerste beelden van menschen van klei, terwijl de Joden zeggen, dat Ismaël het eerst afgoden van klei vormde, » zooals Isidorus meedeelt. Ook kwam er in het zesde tijdperk voor het grootste gedeelte een eind aan de afgoderij. Dus had deze geen oorzaak in den mensch.2. Wat in de mens zijn oorzaak heeft, wordt in alle tijden in de mens gevonden. Nu was er niet altijd afgodendienst, maar wij lezen, dat deze in het tweede tijdperk werd uitgevonden, ofwel door Nemrod, die naar men zegt de mensen dwong het vuur te aanbidden, ofwel door Ninus, die het beeld van zijn vader Bel liet aanbidden. Bij de Grieken echter “maakte Prometheus als eerste beelden van mensen van klei, terwijl de Joden zeggen, dat Ismaël het eerst afgoden van klei vormde,” zoals Isidorus meedeelt. Ook kwam er in het zesde tijdperk voor het grootste gedeelte een eind aan de afgoderij. Dus had deze geen oorzaak in de mens.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Augustinus dicit, 21 de Civit. Dei [cap. 6.] : « Neque 347potuit primum, nisi in illis », scilicet daemonibus, « docentibus, disci quid quisque illorum appetat, quid exhorreat, quo invitetur nomine, aut quo cogatur: unde magicae artes, earumque artifices excreverunt2 ». Eadem autem ratio videtur esse de idololatria. Ergo idololatriae causa non est ex parte hominum.

3. Augustinus zegt: « Ook kon men in het eerst niet, tenzij 347door hun onderricht (nl. van de duivels), te weten komen, wat ieder van hen begeerde, waar hij afschuw van had, door welke benaming hij werd gevraagd, door welke gedwongen; en daarvandaan ontstaan de tooverkunsten en hun beoefenaars. » Maar hetzelfde schijnt voor de afgoderij op te gaan. Dus heeft deze geen oorzaak in de menschen.3. Augustinus zegt: “Ook kon men in het eerst niet, tenzij 347door hun onderricht (nl. van de duivels), te weten komen, wat ieder van hen begeerde, waar hij afschuw van had, door welke benaming hij werd gevraagd, door welke gedwongen; en daarvandaan ontstaan de toverkunsten en hun beoefenaars.” Maar hetzelfde schijnt voor de afgoderij op te gaan. Dus heeft deze geen oorzaak in de mensen.

Sed contra est quod dicitur Sap. 14. [v. 14] : « Supervacuitas hominum haec », scilicet idola, « adinvenit in orbe terrarum ».

Maar daartegenover staat het woord uit het Boek der Wijsheid (14. 14) : « De dwaasheid van de menschen vond deze dingen, nl. afgoden, op aarde uit. »Maar daartegenover staat het woord uit het Boek van de Wijsheid (14, 14): “De dwaasheid van de mensen vond deze dingen, nl. afgoden, op aarde uit.”

Respondeo dicendum quod idololatriae est duplex causa. Una quidem dispositiva. Et haec fuit ex parte hominum. Et hoc tripliciter. Primo quidem, ex inordinatione affectus: prout scilicet homines aliquem hominem vel nimis amantes vel nimis venerantes, honorem divinum ei impenderunt. Et haec causa assignatur Sap. 14. [v. 15] : « Acerbo luctu dolens pater cito sibi rapti filii fecit imaginem; et illum qui tunc, quasi homo, mortuus fuerat, nunc tamquam deum colere coepit ». Et ibidem etiam subditur 348[v. 21] quod « homines aut affectui aut regibus deservientes, incommunicabile nomen », scilicet divinitatis, « lignis et lapidibus imposuerunt ». Secundo, propter hoc quod homo naturaliter de repraesentatione delectatur, ut Philosophus dicit in Poet. sua [cap. 2. n. 2.]. Et ideo homines rudes a principio videntes per diligentiam artificum imagines hominum expressive factas, divinitatis cultum eis impenderunt. Unde dicitur Sap. 13. [v. 11, 13, 17] : « Si quis artifex faber de sylva lignum rectum secuerit; et per scientiam suae artis figuret illud et assimilet imagini hominis: de substantia sua, et filiis et nuptiis, votum faciens, inquirit ».

Leerstelling. — Er zijn twee oorzaken van de afgoderij. En wel een, die er geschikt voor maakt; en die ligt in de menschen en wel op drie manieren. Ten eerste door de ongeregeldheid van de begeerten, in zoover de menschen door iemand teveel te beminnen of te eeren hem goddelijke eer brachten. En deze oorzaak wordt in het Boek der Wijsheid (14. 15) aangegeven: « Gefolterd door hevige droefheid om zijn snel hem ontrukten zoon maakt de vader een beeld van hem, en begint hem als god te eeren, die als mensch dood was. » En op dezelfde plaats wordt er bijgevoegd (v. 21) 348dat « de menschen als slaven ofwel hun begeerten ofwel koningen dienend den naam, die aan geen ander gegeven kan worden, nl. van godheid, aan beelden van steen of hout schonken. » Ten tweede hierom, dat de mensch van nature genoegen heeft in afbeeldingen, zooals de Wijsgeer zegt. En daarom hebben de onbeschaafde menschen uit den oertijd bij het zien van de door handige kunstenaars met veel uitdrukking gemaakte menschenbeelden daaraan goddelijke eer gebracht. Daarom zegt het Boek der Wijsheid (13. 11, 13, 17) : « Als een timmerman in een bosch een recht stuk hout uithakt, en daaraan door zijn kunstvaardigheid een vorm geeft en het aan een menschenbeeld gelijk maakt, doet hij geloften en ondervraagt het over zijn bezittingen, zijn kinderen en de te sluiten huwelijken. »Leerstelling. — Er zijn twee oorzaken van de afgoderij. En wel een, die er geschikt voor maakt; en die ligt in de mensen en wel op drie manieren. Ten eerste door de ongeregeldheid van de begeerten, in zover de mensen door iemand teveel te beminnen of te eren hem goddelijke eer brachten. En deze oorzaak wordt in het Boek van de Wijsheid (14, 15) aangegeven: “Gefolterd door hevige droefheid om zijn snel hem ontrukten zoon maakt de vader een beeld van hem, en begint hem als god te eren, die als mens dood was.” En op dezelfde plaats wordt er bijgevoegd (v. 21) 348dat “de mensen als slaven ofwel hun begeerten ofwel koningen dienend de naam, die aan geen ander gegeven kan worden, nl. van godheid, aan beelden van steen of hout schonken.” Ten tweede hierom, dat de mens van nature genoegen heeft in afbeeldingen, zoals de Wijsgeer zegt. En daarom hebben de onbeschaafde mensen uit de oertijd bij het zien van de door handige kunstenaars met veel uitdrukking gemaakte mensenbeelden daaraan goddelijke eer gebracht. Daarom zegt het Boek van de Wijsheid (13, 11, 13, 17): “Als een timmerman in een bos een recht stuk hout uithakt, en daaraan door zijn kunstvaardigheid een vorm geeft en het aan een mensenbeeld gelijk maakt, doet hij geloften en ondervraagt het over zijn bezittingen, zijn kinderen en de te sluiten huwelijken.”

Tertio, propter ignorantiam veri Dei: cujus excellentiam homines non considerantes, quibusdam creaturis, propter pulchritudinem seu virtutem, divinitatis cultum exhibuerunt. Unde dicitur Sap. 13. [v. 1, 2] : « Neque, operibus attendentes, agnoverunt quis artifex esset. Sed aut ignem, aut spiritum, aut citatum aërem, aut gyrum stellarum, aut nimiam aquam, aut solem, aut lunam, rectores orbis terrarum, deos putaverunt ».

Ten derde uit onbekendheid met den waren God; want toen de menschen aan Zijn verhevenheid niet dachten, hebben zij goddelijke eer bewezen aan schepsels om hun schoonheid en kracht. Daarom zegt het Boek der Wijsheid (13. 1, 2) : « Zij erkenden niet door op het geschapene te letten, wie de maker ervan was. Maar zij meenden, dat of het vuur of een geest of de bewogen lucht of de sterrenloop of het groote water of de zon of de maan bestuurders van de wereld en goden waren. »Ten derde uit onbekendheid met de ware God; want toen de mensen aan Zijn verhevenheid niet dachten, hebben zij goddelijke eer bewezen aan schepsels om hun schoonheid en kracht. Daarom zegt het Boek van de Wijsheid (13, 1, 2): “Zij erkenden niet door op het geschapene te letten, wie de maker ervan was. Maar zij meenden, dat of het vuur of een geest of de bewogen lucht of de sterrenloop of het grote water of de zon of de maan bestuurders van de wereld en goden waren.”

Alia autem causa idololatriae fuit consummativa, ex parte daemonum, 349qui se colendos hominibus errantibus exhibuerunt in idolis, dando responsa et aliqua quae videbantur hominibus mirabilia faciendo. Unde et in Psal. 95. [v. 5] dicitur: « Omnes dii gentium daemonia ».

De andere oorzaak van de afgoderij bracht deze volledig 349teweeg, en deze kwam van den kant van de duivels, die zich aan de dwalende menschen ter vereering toonden in de afgodsbeelden, door antwoorden te geven en andere schijnbare wonderen te doen. Daarvandaan komt het psalmwoord: « Alle goden van de heidenen zijn duivels. » (Ps. 95. 5)De andere oorzaak van de afgoderij bracht deze volledig 349teweeg, en deze kwam van de kant van de duivels, die zich aan de dwalende mensen ter verering toonden in de afgodsbeelden, door antwoorden te geven en andere schijnbare wonderen te doen. Daarvandaan komt het psalmwoord: “Alle goden van de heidenen zijn duivels.” (Ps. 95. 5)a

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod causa dispositiva idololatriae fuit, ex parte naturae hominis, defectus vel per ignorantiam intellectus, vel per inordinationem affectus, ut dictum est [in corp. art.]. Et hoc etiam ad culpam pertinet. Dicitur autem idololatria esse « causa, initium et finis omnis peccati », quia non est aliquod genus peccati quod interdum idololatriam non producat: vel expresse inducendo, per modum causae; vel occasionem praebendo, per modum initii; vel per modum finis, inquantum peccata aliqua assumebantur in cultum idolorum, sicut occisiones hominum et mutilationes membrorum, et alia hujusmodi. Et tamen aliqua peccata possunt idololatriam praecedere, quae ad ipsam hominem disponunt.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De oorzaak, die voor de afgoderij de menschen geschikt maakte, was van hun kant een gebrek van hun natuur, hetzij door een onwetendheid van hun verstand, hetzij zooals gezegd is door een ongeregeldheid in hun begeerten. En dat valt onder de schuldige dingen. — Men zegt echter, dat de « afgoderij oorzaak, begin en doel van alle zonden is, » omdat er geen soort van zonden is, die niet soms tot afgoderij leidt; hetzij door als een oorzaak daar uitdrukkelijk toe te brengen, hetzij door als een begin er aanleiding toe te geven, hetzij als een doel, omdat sommige zonden werden begaan bij de vereering van afgoden als het dooden van menschen en het verminken van ledematen e. d. En toch kunnen er ook zonden aan de afgoderij voorafgaan, die de menschen daarvoor geschikt maken.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De oorzaak, die voor de afgoderij de mensen geschikt maakte, was van hun kant een gebrek van hun natuur, hetzij door een onwetendheid van hun verstand, hetzij zoals gezegd is door een ongeregeldheid in hun begeerten. En dat valt onder de schuldige dingen. — Men zegt echter, dat de “afgoderij oorzaak, begin en doel van alle zonden is,” omdat er geen soort van zonden is, die niet soms tot afgoderij leidt; hetzij door als een oorzaak daar uitdrukkelijk toe te brengen, hetzij door als een begin er aanleiding toe te geven, hetzij als een doel, omdat sommige zonden werden begaan bij de verering van afgoden als het doden van mensen en het verminken van ledematen e. d. En toch kunnen er ook zonden aan de afgoderij voorafgaan, die de mensen daarvoor geschikt maken.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod in prima aetate non fuit idololatria propter recentem memoriam creationis mundi, ex qua adhuc vigebat cognitio unius 350Dei in mente hominum. In sexta autem aetate idololatria est exclusa per virtutem et doctrinam Christi, qui de diabolo triumphavit.

2. In het eerste tijdperk was er geen afgoderij, omdat de herinnering aan het scheppen van de wereld nog versch was en daardoor de kennis van den éénen God in de harten van de menschen nog 350levendig was. Maar in het zesde tijdperk is er aan de afgoderij een eind gemaakt door de leer en de kracht van Christus, die den duivel overwon.2. In het eerste tijdperk was er geen afgoderij, omdat de herinnering aan het scheppen van de wereld nog vers was en daardoor de kennis van de éne God in de harten van de mensen nog 350levendig was. Maar in het zesde tijdperk is er aan de afgoderij een eind gemaakt door de leer en de kracht van Christus, die de duivel overwon.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de causa consummativa idololatriae.

3. Dit argument gaat uit van de oorzaak, die de afgoderij volledig veroorzaakte.