De superstitione indebiti cultus divini, in duos articulos divisa
Over het bijgeloof in het op een verkeerde manier dienen van den waren GodOver het bijgeloof in het op een verkeerde manier dienen van de ware God
321Deinde considerandum est de speciebus superstitionis. Et primo, de superstitione indebiti cultus veri Dei; secundo, de superstitione idololatriae; tertio, de superstitione divinationum; quarto, de superstitione observationum.
321Vervolgens moeten wij de soorten van bijgeloovigheid bespreken; en wel ten eerste het bijgeloof in het op een verkeerde manier eeren van den waren God; ten tweede het bijgeloof van de afgoderij (94e Kw.) ; ten derde het bijgeloof van de waarzeggerij (95e Kw.) ; ten vierde het bijgeloof in handelingen (96e Kw.).321Vervolgens moeten wij de soorten van bijgelovigheid bespreken; en wel ten eerste het bijgeloof in het op een verkeerde manier eren van de ware God; ten tweede het bijgeloof van de afgoderij (94e Kw.); ten derde het bijgeloof van de waarzeggerij (95e Kw.); ten vierde het bijgeloof in handelingen (96e Kw.).
Circa primum quaeruntur duo: 1. Utrum in cultu veri Dei possit esse aliquid perniciosum. — 2. Utrum possit ibi esse aliquid superfluum.
Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen: 1. Kan er iets verderfelijks zijn in het eeren van den waren God? 2. Kan er daarbij iets overbodigs zijn?Over het eerste punt stellen wij ons twee vragen: 1. Kan er iets verderfelijks zijn in het eren van de ware God? 2. Kan er daarbij iets overbodigs zijn?
Utrum in cultu veri Dei possit esse aliquid perniciosum
Kan er iets verderfelijks zijn in het eeren van den waren God?Kan er iets verderfelijks zijn in het eren van de ware God?
322Ad primum sic proceditur. Videtur quod in cultu veri Dei non possit esse aliquid perniciosum. Dicitur enim Joel. 2. [v. 32] : « Omnis quicumque invocaverit nomen Domini, salvus erit ». Sed quicumque colit Deum quocumque modo, invocat nomen ejus. Ergo omnis cultus Dei confert ad salutem. Nullus ergo est perniciosus.
322Bedenkingen. — Men beweert, dat er in het eeren van den waren God niets verderfelijks kan zijn. — 1. Want in Joël (2. 32) staat: « Iedereen, die den naam van den Heer zal aanroepen, zal gered zijn. » Nu roept iedereen, die God hoe dan ook eert, Zijn naam aan. Dus geeft ieder eeren van God redding en is er niets verderfelijks in.322Bedenkingen. — Men beweert, dat er in het eren van de ware God niets verderfelijks kan zijn. — 1. Want in Joël (2, 32)a staat: “Iedereen, die de naam van de Heer zal aanroepen, zal gered zijn.” Nu roept iedereen, die God hoe dan ook eert, Zijn naam aan. Dus geeft ieder eren van God redding en is er niets verderfelijks in.
2. Praeterea, idem Deus est qui colitur a justis quacumque mundi aetate. Sed ante legem datam, justi, absque peccato mortali, colebant Deum qualitercumque eis placebat: unde et Jacob proprio voto se obligavit ad specialem cultum, ut habetur Genesis 28. [v. 20 sqq.]. Ergo etiam modo nullus Dei cultus est perniciosus.
2. Het is dezelfde God, die in alle tijdperken van de wereld door de rechtvaardigen wordt geëerd. Nu eerden de rechtvaardigen, voordat de Wet gegeven was, God zonder doodzonde te doen op de manier, die hun het meest beviel; daarom ook verplichtte Jacob zich door een gelofte tot een bijzonderen eeredienst, zooals in het Boek der Schepping (28. 20 en vlg.) geschreven staat. Dan is ook nu geen enkel eeren van God verderfelijk.2. Het is dezelfde God, die in alle tijdperken van de wereld door de rechtvaardigen wordt geëerd. Nu eerden de rechtvaardigen, voordat de Wet gegeven was, God zonder doodzonde te doen op de manier, die hun het meest beviel; daarom ook verplichtte Jacob zich door een gelofte tot een bijzonderen eredienst, zoals in het Boek van de Schepping (28, 20 en vlg.) geschreven staat. Dan is ook nu geen enkel eren van God verderfelijk.
3. Praeterea, nihil perniciosum in Ecclesia sustinetur. Sustinet autem Ecclesia diversos ritus colendi Deum: unde Gregorius scribit Augustino 323Episcopo Anglorum [Regist. l. 11. ep. 64.], proponenti quod sunt diversae ecclesiarum consuetudines in missarum celebratione: « Mihi, inquit, placet ut, sive in Romanis sive in Galliarum partibus seu in qualibet ecclesia aliquid invenisti quod plus omnipotenti Deo possit placere, solicite eligas ». Ergo nullus modus colendi Deum est perniciosus.
3. In de Kerk wordt niets verderfelijks gehandhaafd. Maar de Kerk handhaaft verschillende riten bij het eeren van God; daarom schrijft Gregorius aan Augustinus, den bisschop van de 323Angelsaksen, die het geval hem voorlegde, dat er bij het opdragen van de Mis verschillende gewoonten in de kerken bestonden: « Ik besluit, dat gij, als gij in de Romeinsche of Gallische of welke andere kerk ook iets gevonden hebt, dat den almachtigen God meer welgevallig zou kunnen zijn, dit zorgvuldig zult behouden. »3. In de Kerk wordt niets verderfelijks gehandhaafd. Maar de Kerk handhaaft verschillende riten bij het eren van God; daarom schrijft Gregorius aan Augustinus, de bisschop van de 323Angelsaksen, die het geval hem voorlegde, dat er bij het opdragen van de Mis verschillende gewoonten in de kerken bestonden: “Ik besluit, dat gij, als gij in de Romeinse of Gallische of welke andere kerk ook iets gevonden hebt, dat de almachtige God meer welgevallig zou kunnen zijn, dit zorgvuldig zult behouden.”
Sed contra est quod Augustinus dicit in Epist. ad Hieronymum [Hieron. ad Aug., ep. 75], et habetur in Glos. [ordin. Hieron.], ad Galat. 2. [v. 14], quod legalia observata post veritatem Evangelii divulgatam, sunt mortifera. Et tamen legalia ad cultum Dei pertinent. Ergo in cultu Dei potest esse aliquid mortiferum.
Maar daartegenover staat, dat Augustinus in een brief aan Hieronymus, die in de Glossa op den Brief aan de Galaten (2. 14) is opgenomen, zegt, dat het onderhouden van de voorschriften van de Oude Wet na de verspreiding van de waarheid van het Evangelie doodend is. En toch gaan die voorschriften over het eeren van God. Dus kan er in het eeren van God iets doodelijks zijn.Maar daartegenover staat, dat Augustinus in een brief aan Hieronymus, die in de Glossa op de Brief aan de Galaten (2, 14) is opgenomen, zegt, dat het onderhouden van de voorschriften van de Oude Wet na de verspreiding van de waarheid van het Evangelie dodend is. En toch gaan die voorschriften over het eren van God. Dus kan er in het eren van God iets dodelijks zijn.
Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit, in lib. de Mendacio [cap. 3], mendacium maxime perniciosum est quod fit in his quae ad Christianam religionem pertinent. Est autem mendacium cum aliquis exterius significat contrarium veritati. Sicut autem significatur aliquid verbo, ita etiam significatur aliquid facto: et in tali significatione facti consistit 324exterior religionis cultus, ut ex supra dictis patet [q. 81. art. 7.]. Et ideo si per cultum exteriorem aliquid falsum significetur, erit cultus perniciosus.
Leerstelling. — Zooals Augustinus schrijft, is een leugen in wat tot den christelijken godsdienst behoort, het verderfelijkst. Nu is het een leugen, als iemand uiterlijk iets aanduidt, wat met de waarheid strijdt. Maar iets wordt even goed door iets te doen dan door een woord aangeduid; en zooals uit het bovengezegde blijkt (81e Kw. 7e Art.), bestaat de uiterlijke eeredienst van de 324godsdienstigheid in zoo iets door handelingen aan te duiden. Daarom zou de eeredienst, als door het uiterlijk eerbetoon iets onwaars werd aangeduid, verderfelijk zijn.Leerstelling. — Zoals Augustinus schrijft, is een leugen in wat tot de christelijke godsdienst behoort, het verderfelijkst. Nu is het een leugen, als iemand uiterlijk iets aanduidt, wat met de waarheid strijdt. Maar iets wordt even goed door iets te doen dan door een woord aangeduid; en zoals uit het bovengezegde blijkt (81e Kw. 7e Art.), bestaat de uiterlijke eredienst van de 324godsdienstigheid in zo iets door handelingen aan te duiden. Daarom zou de eredienst, als door het uiterlijk eerbetoon iets onwaars werd aangeduid, verderfelijk zijn.
Hoc autem contingit dupliciter. Uno quidem modo, ex parte rei significatae, a qua discordat significatio cultus. Et hoc modo, tempore novae legis, peractis jam Christi mysteriis, perniciosum est uti caeremoniis veteris legis, quibus Christi mysteria figurabantur1 futura: sicut etiam perniciosum esset si quis non confiteretur Christum esse passum2.
Dat kan nu op twee manieren geschieden. Vooreerst kan van den kant van wat aangeduid wordt, de beteekenis van den eeredienst van de waarheid afwijken. En zoo zou het onder de Nieuwe Wet, nu de mysteries van Christus reeds vervuld zijn, verderfelijk zijn van de ceremonies der Oude Wet gebruik te maken, omdat de geheimen van Christus daarin als iets toekomstigs worden aangeduid; zooals het ook tot ondergang brengt, als iemand met woorden belijdt, dat Christus Zijn lijden zal ondergaan.Dat kan nu op twee manieren geschieden. Vooreerst kan van de kant van wat aangeduid wordt, de betekenis van de eredienst van de waarheid afwijken. En zo zou het onder de Nieuwe Wet, nu de mysteries van Christus reeds vervuld zijn, verderfelijk zijn van de ceremonies van de Oude Wet gebruik te maken, omdat de geheimen van Christus daarin als iets toekomstigs worden aangeduid; zoals het ook tot ondergang brengt, als iemand met woorden belijdt, dat Christus Zijn lijden zal ondergaan.
Alio modo potest contingere falsitas in exteriori cultu ex parte colentis: et hoc praecipue in cultu communi, qui per ministros exhibetur in persona totius Ecclesiae. Sicut enim falsarius esset qui aliqua proponeret ex parte alicujus quae non essent ei commissa, ita vitium falsitatis incurrit qui ex parte Ecclesiae cultum exhibet Deo contra modum divina auctoritate ab Ecclesia constitutum et in Ecclesia consuetum. Unde Ambrosius dicit [Glossa 325Lomb.] : « Indignus est qui aliter celebrat mysterium quam Christus tradidit ». Et propter hoc etiam Glos. [Lomb.] dicit, ad Colos. 2. [v. 23], quod superstitio est « quando traditioni humanae religionis nomen applicatur ».
Ten tweede kan er in den uitwendigen eeredienst een onwaarheid liggen, die komt van den kant van wie eert; en dat vooral in den algemeenen eeredienst, die door de dienaars der Kerk in naam van geheel de Kerk wordt gebracht. Want zooals iemand, die uit naam van een ander iets zou voorstellen wat hem niet opgedragen was, een bedrieger zou zijn, zoo zou hij tot bedrog vervallen, die uit naam van de Kerk God een eeredienst brengt tegen de gewone manier van doen in, die met goddelijk gezag door de Kerk is vastgesteld en in haar gebruikelijk is. Daarom zegt Ambrosius: « Het is een onwaardige, die de geheimen op een andere manier viert dan 325Christus heeft overgeleverd. » En daarom zegt de Glossa op den Brief aan de Colossensen (2. 23), dat het bijgeloof is, « als de naam godsdienstigheid aan menschelijke overleveringen wordt gegeven. »Ten tweede kan er in de uitwendige eredienst een onwaarheid liggen, die komt van de kant van wie eert; en dat vooral in de algemene eredienst, die door de dienaars van de Kerk in naam van geheel de Kerk wordt gebracht. Want zoals iemand, die uit naam van een ander iets zou voorstellen wat hem niet opgedragen was, een bedrieger zou zijn, zo zou hij tot bedrog vervallen, die uit naam van de Kerk God een eredienst brengt tegen de gewone manier van doen in, die met goddelijk gezag door de Kerk is vastgesteld en in haar gebruikelijk is. Daarom zegt Ambrosius: “Het is een onwaardige, die de geheimen op een andere manier viert dan 325Christus heeft overgeleverd.” En daarom zegt de Glossa op de Brief aan de Colossensen (2, 23), dat het bijgeloof is, “als de naam godsdienstigheid aan menselijke overleveringen wordt gegeven.”
Ad primum ergo dicendum quod, cum Deus sit veritas, illi invocant Deum qui « in spiritu et veritate » eum colunt, ut dicitur Joan. 4. [v. 24]. Et ideo cultus continens falsitatem non pertinet proprie ad Dei invocationem quae salvat.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat God de waarheid is, roepen zij God aan, die Hem « in geest en waarheid » dienen, zooals bij Joannes (4. 24) wordt gezegd. Een dienst, die een onwaarheid bevat, valt eigenlijk dus niet onder het aanroepen van God, dat redding geeft.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Omdat God de waarheid is, roepen zij God aan, die Hem “in geest en waarheid” dienen, zoals bij Johannes (4, 24) wordt gezegd. Een dienst, die een onwaarheid bevat, valt eigenlijk dus niet onder het aanroepen van God, dat redding geeft.
Ad secundum dicendum quod ante tempus legis, justi per interiorem instinctum instruebantur de modo colendi Deum, quos alii sequebantur. Postmodum vero exterioribus praeceptis circa hoc homines sunt instructi, quae praeterire pestiferum est.
2. Vóór den tijd van de Wet werden de rechtvaardigen door een innerlijk aandrijven onderricht over de manier, waarop zij God moeten dienen, en de anderen volgden hen na. Maar daarna zijn de menschen door uiterlijke geboden daarover onderricht; en die voorbijgaan brengt den dood.2. Vóór de tijd van de Wet werden de rechtvaardigen door een innerlijk aandrijven onderricht over de manier, waarop zij God moeten dienen, en de anderen volgden hen na. Maar daarna zijn de mensen door uiterlijke geboden daarover onderricht; en die voorbijgaan brengt de dood.
Ad tertium dicendum quod diversae consuetudines Ecclesiae in cultu divino in nullo veritati repugnant. Et ideo sunt servandae; et eas praeterire illicitum est.
3. De verschillende riten van de Kerk bij het eeren van God zijn op geen enkel punt met de waarheid in strijd. En daarom moet men ze onderhouden; en is het verboden ervan af te wijken.3. De verschillende riten van de Kerk bij het eren van God zijn op geen enkel punt met de waarheid in strijd. En daarom moet men ze onderhouden; en is het verboden ervan af te wijken.
Utrum in cultu Dei possit esse aliquid superfluum
Kan er in het eeren van God iets overbodigs zijn?Kan er in het eren van God iets overbodigs zijn?
326Ad secundum sic proceditur. Videtur quod in cultu Dei non possit esse aliquid superfluum. Dicitur enim Eccli. 43. [v. 32] : « Glorificantes Deum quantumcumque poteritis, supervalebit adhuc ». Sed cultus divinus ordinatur ad Deum glorificandum. Ergo nihil superfluum in eo potest esse.
326Bedenkingen. — Men beweert, dat er in het eeren van God niets overbodigs kan zijn. — 1. Want in het Boek Ecclesiasticus (43. 32) staat: « Roemt God, zooveel gij kunt; want Hij gaat het nog te boven. » Nu heeft de goddelijke eeredienst als doel God te verheffen. Dus kan daar geen teveel in zijn.326Bedenkingen. — Men beweert, dat er in het eren van God niets overbodigs kan zijn. — 1. Want in het Boek Sirach (43, 32) staat: “Roemt God, zoveel gij kunt; want Hij gaat het nog te boven.” Nu heeft de goddelijke eredienst als doel God te verheffen. Dus kan daar geen teveel in zijn.
2. Praeterea, exterior cultus est professio quaedam cultus interioris. quo « Deus colitur fide, spe et charitate »; ut Augustinus dicit in Enchirid. [cap. 3.]. Sed in fide, spe et charitate non potest esse aliquid superfluum. Ergo neque in divino cultu.
2. De uiterlijke eeredienst is een belijdenis van het inwendig eeren, waarmee « God wordt geëerd door geloof, hoop en liefde, » zooals Augustinus zegt. Nu kan er bij geloof, hoop en liefde niets overbodigs zijn. Dus ook niet in het eeren van God.2. De uiterlijke eredienst is een belijdenis van het inwendig eren, waarmee “God wordt geëerd door geloof, hoop en liefde,” zoals Augustinus zegt. Nu kan er bij geloof, hoop en liefde niets overbodigs zijn. Dus ook niet in het eren van God.
3. Praeterea, ad divinum cultum pertinet ut ea Deo exhibeamus quae a Deo accepimus. Sed omnia bona nostra a Deo accipimus. Ergo si totum quidquid possumus facimus ad Dei reverentiam, nihil superfluum erit in divino cultu.
3. Het behoort tot het eeren van God, dat wij aan God aanbieden, wat wij van Hem hebben ontvangen. [De vertaling van «Sed omnia bona nostra a Deo accipimus» ontbreekt in de uitgave.] Dus als wij alles doen wat wij kunnen om God eerbied te betoonen, is er niets overbodigs in het eeren van God.3. Het behoort tot het eren van God, dat wij aan God aanbieden, wat wij van Hem hebben ontvangen. [De vertaling van “Sed omnia bona nostra a Deo accipimus” ontbreekt in de uitgave.] Dus als wij alles doen wat wij kunnen om God eerbied te betonen, is er niets overbodigs in het eren van God.
327Sed contra est quod Augustinus dicit, 2 de Doctr. Christ. [cap. 18.], quod « bonus verusque Christianus etiam in literis sacris superstitiosa figmenta repudiat ». Sed per sacras literas Deus colendus ostenditur. Ergo etiam in cultu divino potest esse superstitio ex aliqua superfluitate.
327Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt, dat « een goed en waar christen ook in de heilige boeken bijgeloovige verdichtselen verwerpt. » Nu blijkt uit de heilige boeken, dat God geëerd moet worden. Dus kan er ook bijgeloof zijn in het eeren van God, omdat er iets overbodigs in gevonden wordt.327Maar daartegenover staat, dat Augustinus zegt, dat “een goed en waar christen ook in de heilige boeken bijgelovige verdichtselen verwerpt.” Nu blijkt uit de heilige boeken, dat God geëerd moet worden. Dus kan er ook bijgeloof zijn in het eren van God, omdat er iets overbodigs in gevonden wordt.
Respondeo dicendum quod aliquid dicitur superfluum dupliciter. Uno modo, secundum absolutam quantitatem. Et secundum hoc non potest esse aliquid superfluum in divino cultu: quia nihil potest homo facere quod non sit minus eo quod Deo debet.
Leerstelling. — Op twee manieren noemt men iets overbodig. Ten eerste naar zijn hoeveelheid absoluut genomen; en in dezen zin kan er in het eeren van God niets overbodig zijn, omdat de mensch niets kan doen, dat niet minder is dan wat hij tegenover God verplicht is.Leerstelling. — Op twee manieren noemt men iets overbodig. Ten eerste naar zijn hoeveelheid absoluut genomen; en in deze zin kan er in het eren van God niets overbodig zijn, omdat de mens niets kan doen, dat niet minder is dan wat hij tegenover God verplicht is.
Alio modo potest esse aliquid superfluum secundum quantitatem proportionis: quia scilicet non est fini proportionatum. Finis autem divini cultus est ut homo Deo det gloriam, et ei se subjiciat mente et corpore. Et ideo quidquid homo faciat quod pertinet ad Dei gloriam, et ad hoc quod mens hominis Deo subjiciatur, et etiam corpus per moderatam refraenationem concupiscentiarum, secundum Dei et Ecclesiae ordinationem, et consuetudinem eorum quibus homo convivit, non est superfluum in divino cultu.
In anderen zin kan iets overbodig zijn naar zijn betrekkelijke hoeveelheid, omdat deze niet aan het doel beantwoordt. Nu is het doel van den godsdienst, dat de mensch God eer geeft en zich met lichaam en ziel aan Hem onderwerpt. En daarom is niets van wat de mensch doet tot eer van God en om zijn geest aan Hem te onderwerpen en ook zijn lichaam door een gematigde versterving, volgens de bepalingen van God en de Kerk en de gewoonten van hen, waarmee hij samenleeft, overbodig in het eeren van God.In anderen zin kan iets overbodig zijn naar zijn betrekkelijke hoeveelheid, omdat deze niet aan het doel beantwoordt. Nu is het doel van de godsdienst, dat de mens God eer geeft en zich met lichaam en ziel aan Hem onderwerpt. En daarom is niets van wat de mens doet tot eer van God en om zijn geest aan Hem te onderwerpen en ook zijn lichaam door een gematigde versterving, volgens de bepalingen van God en de Kerk en de gewoonten van hen, waarmee hij samenleeft, overbodig in het eren van God.
Si autem aliquid sit quod quantum est de se non pertinet ad Dei gloriam, 328neque ad hoc quod mens hominis feratur in Deum, aut quod carnis concupiscentiae moderate refraenentur; aut etiam si sit praeter Dei et Ecclesiae institutionem, vel contra consuetudinem communem (quae secundum Augustinum [epist. 36.] « pro lege habenda est »): totum hoc reputandum est superfluum et superstitiosum, quia, in exterioribus solum consistens, ad interiorem Dei cultum non pertinet. Unde Augustinus in lib. de Vera Relig. [cap. 3.], inducit quod dicitur Luc. 17. [v. 21], « Regnum Dei intra vos est », loquitur1 contra superstitiosos, qui scilicet exterioribus principalem curam impendunt.
Is er echter iets, dat uiteraard niet dient om God te eeren of om 328den geest van den mensch op God te richten of om de begeerten van het vleesch gematigd te bedwingen, of dat ook buiten de bepalingen van God en de Kerk valt of de algemeen gangbare gewoonte, die volgens Augustinus « als wet moet worden beschouwd, » dan moet men dit alles als overbodig en bijgeloovig beschouwen omdat het alleen in iets uiterlijks bestaat en niet valt onder het innerlijk eeren van God. Daarom haalt Augustinus het woord van Lucas (17. 21) : « Het Rijk Gods is in U, » aan tegen de bijgeloovigen die nl. de grootste zorg aan het uiterlijke besteden.Is er echter iets, dat uiteraard niet dient om God te eren of om 328de geest van de mens op God te richten of om de begeerten van het vlees gematigd te bedwingen, of dat ook buiten de bepalingen van God en de Kerk valt of de algemeen gangbare gewoonte, die volgens Augustinus “als wet moet worden beschouwd,” dan moet men dit alles als overbodig en bijgelovig beschouwen omdat het alleen in iets uiterlijks bestaat en niet valt onder het innerlijk eren van God. Daarom haalt Augustinus het woord van Lukas (17, 21): “Het Rijk Gods is in U,” aan tegen de bijgelovigen die nl. de grootste zorg aan het uiterlijke besteden.
Ad primum ergo dicendum quod in ipsa Dei glorificatione implicatur quod id quod fit pertinet ad Dei gloriam. Per quod excluditur superstitionis superfluitas.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het eeren van God zelf ligt opgesloten, dat wat gebeurt tot het eeren van God dient. Daardoor worden de bijgeloovige overbodigheden uitgesloten.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. In het eren van God zelf ligt opgesloten, dat wat gebeurt tot het eren van God dient. Daardoor worden de bijgelovige overbodigheden uitgesloten.
Ad secundum dicendum quod per fidem, spem et charitatem anima subjicitur Deo. Unde in eis non potest esse aliquid superfluum. Aliud autem est de exterioribus actibus, qui quandoque ad haec non pertinent.
2. Door geloof, hoop en liefde wordt de ziel aan God onderworpen. En daarom kan er daarin niets overbodigs zijn. Maar het staat anders met de uiterlijke handelingen, die daarmee soms niets te maken hebben.
Ad tertium dicendum quod ratio illa procedit de superfluo quantum ad quantitatem absolutam.
3. Deze redeneering gaat uit van iets overbodigs naar de absolute hoeveelheid.3. Deze redenering gaat uit van iets overbodigs naar de absolute hoeveelheid.