De perjurio, in quatuor articulos divisa
Over den meineedOver de meineed
431Deinde considerandum est de perjurio. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum falsitas requiratur ad perjurium. — 2. Utrum perjurium sit semper peccatum. — 3. Utrum semper sit peccatum mortale. — 4. Utrum peccet ille qui injungit juramentum perjuro.
431Vervolgens moeten wij den meineed bespreken, waarover wij ons vier vragen stellen: 1. Is er onwaarheid noodig om een meineed te hebben? 2. Is meineed altijd een zonde? 3. Is het altijd een doodzonde? 4. Zondigt hij, die een eed oplegt, als er een meineed wordt afgelegd?431Vervolgens moeten wij de meineed bespreken, waarover wij ons vier vragen stellen: 1. Is er onwaarheid nodig om een meineed te hebben? 2. Is meineed altijd een zonde? 3. Is het altijd een doodzonde? 4. Zondigt hij, die een eed oplegt, als er een meineed wordt afgelegd?
Utrum falsitas ejus quod in juramento confirmatur requiratur ad perjurium
Is het voor een meineed noodig dat datgene, wat door een eed wordt bevestigd, onwaar is?Is het voor een meineed nodig dat datgene, wat door een eed wordt bevestigd, onwaar is?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod falsitas ejus quod in juramento 432confirmatur non requiratur ad perjurium. Ut enim supra dictum est [q. 89. art. 3.], sicut veritas debet concomitari juramentum, ita etiam judicium et justitia. Sicut ergo incurritur perjurium per defectum veritatis, ita etiam per defectum judicii, puta cum aliquis indiscrete jurat; et per defectum justitiae, puta cum aliquis jurat aliquid illicitum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat voor een meineed niet 432vereischt is dat datgene, wat door den eed wordt bevestigd, onwaar is. — 1. Want zooals vroeger gezegd is (89e Kw. 3e Art.), is er naast waarheid ook nog een juist oordeel en rechtvaardigheid bij een eed vereischt. Zooals men dus een meineed doet door een tekort in waarheid, is dat ook het geval bij een tekort in het oordeel, b. v. als iemand onvoorzichtig zweert, of in de rechtvaardigheid, b. v. als iemand iets ongeoorloofds bezweert.Bedenkingen. — Men beweert, dat voor een meineed niet 432vereist is dat datgene, wat door de eed wordt bevestigd, onwaar is. — 1. Want zoals vroeger gezegd is (89e Kw. 3e Art.), is er naast waarheid ook nog een juist oordeel en rechtvaardigheid bij een eed vereist. Zoals men dus een meineed doet door een tekort in waarheid, is dat ook het geval bij een tekort in het oordeel, bv. als iemand onvoorzichtig zweert, of in de rechtvaardigheid, bv. als iemand iets ongeoorloofds bezweert.
2. Praeterea, illud per quod aliquid confirmatur potius esse videtur eo quod confirmatur per illud: sicut in syllogismo principia sunt potiora conclusione. Sed in juramento confirmatur dictum hominis per assumptionem divini nominis. Ergo magis videtur esse perjurium cum aliquis jurat per falsos deos, quam si veritas desit dicto hominis quod juramento confirmatur.
2. Dat waardoor iets wordt bevestigd schijnt voornamer te zijn dan wat wordt bevestigd, zooals de beginselen bij een redeneering belangrijker zijn dan de gevolgtrekking. Nu wordt wat een mensch zegt bij den eed bevestigd door het gebruiken van Gods naam. Dus schijnt het nog eerder een meineed te zijn als iemand bij valsche goden zweert, dan als er gebrek aan waarheid is in de woorden van een mensch, die door een eed bevestigd worden.2. Dat waardoor iets wordt bevestigd schijnt voornamer te zijn dan wat wordt bevestigd, zoals de beginselen bij een redenering belangrijker zijn dan de gevolgtrekking. Nu wordt wat een mens zegt bij de eed bevestigd door het gebruiken van Gods naam. Dus schijnt het nog eerder een meineed te zijn als iemand bij valse goden zweert, dan als er gebrek aan waarheid is in de woorden van een mens, die door een eed bevestigd worden.
3. Praeterea, Augustinus dicit in lib. de Verbis Apost. Jacob. [serm. 28. cap. 2.] : « Homines falsum jurant vel cum fallunt, vel cum falluntur ». Et ponit tria exempla. Quorum primum est: « Fac illum jurare qui verum putat esse pro quo jurat ». Secundum est: « Da alium: qui scit falsum esse, et jurat ». Tertium est: « Da alium, qui putat esse falsum, et jurat tamquam verum sit, quod forte verum est »: de quo postea subdit 433quod perjurus est. Ergo aliquis veritatem jurans potest esse perjurus. Non ergo falsitas requiritur ad perjurium.
3. Augustinus zegt: « De menschen doen een meineed als zij bedriegen of bedrogen worden. » En hij geeft drie voorbeelden; ten eerste: « Laat hem zweren, die waar acht wat hij bezweert. » Ten tweede: « Neem een ander; hij weet, dat het onwaar is en zweert toch. » Ten derde: « Neem weer een ander geval: hij denkt dat het onwaar is, en bezweert als waar wat misschien ook waar is; » en van deze zegt hij later, dat hij meineedig is. Dus kan 433iemand de waarheid bezweren en toch een meineed doen. Dus is voor meineed geen onwaarheid vereischt.3. Augustinus zegt: “De mensen doen een meineed als zij bedriegen of bedrogen worden.” En hij geeft drie voorbeelden; ten eerste: “Laat hem zweren, die waar acht wat hij bezweert.” Ten tweede: “Neem een ander; hij weet, dat het onwaar is en zweert toch.” Ten derde: “Neem weer een ander geval: hij denkt dat het onwaar is, en bezweert als waar wat misschien ook waar is;” en van deze zegt hij later, dat hij meinedig is. Dus kan 433iemand de waarheid bezweren en toch een meineed doen. Dus is voor meineed geen onwaarheid vereist.
Sed contra est quod perjurium definitur esse « mendacium juramento firmatum ».
Maar daartegenover staat, dat men meineed omschrijft als een « door een eed bevestigde leugen. »Maar daartegenover staat, dat men meineed omschrijft als een “door een eed bevestigde leugen.”
Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [I-II, q. 1, a. 3.], morales actus ex fine speciem sortiuntur. Finis autem juramenti est confirmatio dicti humani. Cui quidem confirmationi falsitas opponitur: per hoc enim confirmatur aliquod dictum, quod ostenditur firmiter esse verum: quod quidem non potest contingere de eo quod falsum est. Unde falsitas directe evacuat finem juramenti. Et propter hoc a falsitate praecipue specificatur perversitas juramenti, quae perjurium dicitur. Et ideo falsitas est de ratione perjurii.
Leerstelling. — Zooals vroeger gezegd is (I-II. 1e Kw. 3e Art.), krijgen zedelijke handelingen haar aard van het doel. Nu is het doel van den eed het bevestigen van wat een mensch zegt. Tegenover dit bevestigen nu staat de onwaarheid; want een woord wordt bevestigd, als men laat zien, dat het zeker waar is; en dat kan met wat onwaar is niet gebeuren. En daarom belet onwaarheid den eed rechtstreeks zijn doel te bereiken. Daarom krijgt een zondige eed, die meineed heet, vooral door onwaarheid zijn bijzonderen aard; en zoo behoort deze tot den aard van den meineed.Leerstelling. — Zoals vroeger gezegd is (1-2 1e Kw. 3e Art.), krijgen zedelijke handelingen haar aard van het doel. Nu is het doel van de eed het bevestigen van wat een mens zegt. Tegenover dit bevestigen nu staat de onwaarheid; want een woord wordt bevestigd, als men laat zien, dat het zeker waar is; en dat kan met wat onwaar is niet gebeuren. En daarom belet onwaarheid de eed rechtstreeks zijn doel te bereiken. Daarom krijgt een zondige eed, die meineed heet, vooral door onwaarheid zijn bijzonderen aard; en zo behoort deze tot de aard van de meineed.
Ad primum ergo dicendum, quod, sicut Hieronymus dicit, in Hier. 4. [v. 2] [Comment. in Jerem. lib. 1.], « quodcumque illorum trium defuerit, perjurium est ». Non tamen eodem ordine. Sed primo quidem et 434principaliter perjurium est quando deest veritas, ratione jam dicta [in corp.]. Secundario autem, quando deest justitia: quocumque enim modo quis1 jurat illicitum, ex hoc ipso falsitatem incurrit, quia obligatus est ad hoc quod contrarium faciat. Tertio vero, quando deest judicium: quia cum indiscrete jurat, ex hoc ipso periculo se committit falsitatem incurrendi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Hieronymus zegt, « is er meineed, als een van die drie ontbreekt. » Maar niet in gelijke mate. Maar op de eerste en voornaamste plaats is er 434meineed, als de waarheid ontbreekt om de reeds gegeven reden. Op de tweede plaats vervolgens, als de rechtvaardigheid er niet is; want wie iets ongeoorloofds bezweert, komt daardoor tot onwaarheid, omdat hij verplicht is het tegenovergestelde te doen. Op de derde plaats, als het juiste oordeel ontbreekt; want wie onvoorzichtig zweert, loopt daardoor gevaar tot onwaarheid te komen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Hieronymus zegt, “is er meineed, als een van die drie ontbreekt.” Maar niet in gelijke mate. Maar op de eerste en voornaamste plaats is er 434meineed, als de waarheid ontbreekt om de reeds gegeven reden. Op de tweede plaats vervolgens, als de rechtvaardigheid er niet is; want wie iets ongeoorloofds bezweert, komt daardoor tot onwaarheid, omdat hij verplicht is het tegenovergestelde te doen. Op de derde plaats, als het juiste oordeel ontbreekt; want wie onvoorzichtig zweert, loopt daardoor gevaar tot onwaarheid te komen.
Ad secundum dicendum quod principia in syllogismis sunt potiora, tamquam habentia rationem activi principii, ut dicitur in 2 Physic. [cap. 3. n. 5]. Sed in moralibus actibus principalior est finis quam principium activum. Et ideo, licet sit perversum juramentum quando aliquis verum jurat per falsos deos, tamen ab illa perversitate juramenti perjurium non nominatur quod tollit juramenti finem, falsum jurando.
2. De beginselen zijn in de redeneering voornamer, omdat zij als werkende beginselen optreden, zooals in de Physica staat. Bij zedelijke handelingen echter is het doel voornamer dan het werkende beginsel. En al is het dus een zondige eed, als iemand de waarheid bij valsche goden bezweert, toch draagt de meineed zijn naam door die zonde in den eed, die belet het doel te bereiken door iets onwaars te bezweren.2. De beginselen zijn in de redenering voornamer, omdat zij als werkende beginselen optreden, zoals in de Fysica staat. Bij zedelijke handelingen echter is het doel voornamer dan het werkende beginsel. En al is het dus een zondige eed, als iemand de waarheid bij valse goden bezweert, toch draagt de meineed zijn naam door die zonde in de eed, die belet het doel te bereiken door iets onwaars te bezweren.
Ad tertium dicendum quod actus morales procedunt a voluntate, cujus objectum est bonum apprehensum. Et ideo si falsum apprehendatur ut verum, erit quidem relatum ad voluntatem, materialiter falsum, formaliter autem verum. Si autem id quod est falsum accipiatur ut falsum, erit falsum et materialiter et formaliter. Si autem id quod est verum apprehendatur ut falsum, erit verum materialiter, et falsum formaliter. Et ideo in quolibet 435istorum casuum salvatur aliquo modo ratio perjurii, propter aliquem falsitatis modum. Sed quia in unoquoque potius est id quod est formale quam id quod est materiale, non ita est perjurus ille qui falsum jurat quod putat esse verum, sicut ille qui verum jurat quod putat esse falsum. Dicit enim ibid. Augustinus: « Interest quemadmodum verbum procedat ex animo: quia ream linguam non facit nisi rea mens ».
3. Zedelijke handelingen komen voort uit den wil, waarvan het gekende goed het voorwerp is. Als dus iets onwaars als waar wordt gekend, zal het in betrekking tot den wil wel materieel onwaar, maar formeel waar zijn. Wordt echter het onware als onwaar gekend, dan is het zoowel materieel als formeel onwaar. Maar wordt iets waars als onwaar gekend, dan is het wel materieel waar, maar formeel onwaar. En dus vinden wij in ieder van de 435drie gevallen iets van den aard van den meineed om een soort onwaarheid. Maar omdat in ieder ding het formeele van meer belang is dan het materieele, is hij, die iets onwaars, dat hij waar acht, bezweert, niet op dezelfde manier meineedig als wie iets waars bezweert, dat hij onwaar acht. Want Augustinus zegt op dezelfde plaats: « Het komt erop aan, hoe het woord uit het hart komt, want alleen een schuldig hart geeft zondige woorden. »3. Zedelijke handelingen komen voort uit de wil, waarvan het gekende goed het voorwerp is. Als dus iets onwaars als waar wordt gekend, zal het in betrekking tot de wil wel materieel onwaar, maar formeel waar zijn. Wordt echter het onware als onwaar gekend, dan is het zowel materieel als formeel onwaar. Maar wordt iets waars als onwaar gekend, dan is het wel materieel waar, maar formeel onwaar. En dus vinden wij in ieder van de 435drie gevallen iets van de aard van de meineed om een soort onwaarheid. Maar omdat in ieder ding het formele van meer belang is dan het materiële, is hij, die iets onwaars, dat hij waar acht, bezweert, niet op dezelfde manier meinedig als wie iets waars bezweert, dat hij onwaar acht. Want Augustinus zegt op dezelfde plaats: “Het komt erop aan, hoe het woord uit het hart komt, want alleen een schuldig hart geeft zondige woorden.”
Utrum omne perjurium sit peccatum
Is iedere meineed zonde?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod non omne perjurium sit peccatum. Quicumque enim non implet quod juramento confirmavit, perjurus esse videtur. Sed quandoque aliquis jurat se facturum aliquid illicitum, puta adulterium vel homicidium, quod si faciat, peccat. Si ergo etiam non faciendo peccaret peccato perjurii, sequeretur quod esset perplexus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere meineed zonde is. — 1. Want ieder, die niet doet, wat hij met een eed heeft bevestigd, schijnt een meineedige te zijn. Als nu iemand zweert iets ongeoorloofds te zullen doen, b. v. echtbreuk of moord, dan zondigt hij, als hij het doet. Als hij nu ook bij het niet doen door meineedigheid zou zondigen, zou eruit volgen, dat hij in ieder geval zonde moest doen.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere meineed zonde is. — 1. Want ieder, die niet doet, wat hij met een eed heeft bevestigd, schijnt een meinedige te zijn. Als nu iemand zweert iets ongeoorloofds te zullen doen, bv. echtbreuk of moord, dan zondigt hij, als hij het doet. Als hij nu ook bij het niet doen door meinedigheid zou zondigen, zou eruit volgen, dat hij in ieder geval zonde moest doen.
2. Praeterea, nullus peccat faciendo quod melius est. Sed quandoque 436aliquis perjurando facit quod melius est: sicut cum quis juravit se non intraturum religionem, vel quaecumque opera virtuosa non facturum. Ergo non omne perjurium est peccatum.
2. Niemand zondigt door iets beters te doen. Nu doet iemand 436soms iets beters door meineedig te zijn, b. v. als iemand heeft gezworen niet in het klooster te gaan of iets deugdzaams niet te doen. Dus is niet iedere meineed zonde.2. Niemand zondigt door iets beters te doen. Nu doet iemand 436soms iets beters door meinedig te zijn, bv. als iemand heeft gezworen niet in het klooster te gaan of iets deugdzaams niet te doen. Dus is niet iedere meineed zonde.
3. Praeterea, ille qui jurat facere alterius voluntatem, nisi eam faciat, videtur incurrere perjurium. Sed quandoque potest contingere quod non peccat si eius non impleat voluntatem: puta cum praecipit ei aliquid nimis durum et importabile. Ergo videtur quod non omne perjurium sit peccatum.
3. Wie zweert den wil van een ander te doen, schijnt meineed te plegen, als hij het niet doet. Nu kan het gebeuren, dat hij niet zondigt, als hij den wil van den ander niet volbrengt, b. v. als die iets te moeilijks en ondraaglijks oplegt. Dus schijnt niet iedere meineed zonde.3. Wie zweert de wil van een ander te doen, schijnt meineed te plegen, als hij het niet doet. Nu kan het gebeuren, dat hij niet zondigt, als hij de wil van de ander niet volbrengt, bv. als die iets te moeilijks en ondraaglijks oplegt. Dus schijnt niet iedere meineed zonde.
4. Praeterea, juramentum promissorium se extendit ad futura, sicut assertorium ad praeterita et praesentia. Sed potest contingere quod tollatur obligatio juramenti per aliquid quod in futurum emergat: sicut cum aliqua civitas jurat se aliquid servaturum, et postea superveniunt novi cives qui illud non juraverunt; vel cum canonicus aliquis jurat statuta Ecclesiae alicujus se servaturum, et postmodum aliqua fiunt de novo. Ergo videtur quod iste qui transgreditur juramentum non peccet.
4. De belofte-eed gaat over de toekomst zooals de bevestigings-eed over heden en verleden. Nu kan de verplichting van den eed soms worden opgeheven door iets wat in de toekomst gebeurt, b. v. als een staat zweert iets te zullen onderhouden en er later nieuwe burgers komen, die niet gezworen hebben; of als een kanunnik zweert de regels van een kerk te onderhouden en er later nieuwe worden gemaakt. Dus schijnt hij, die van zijn eed afwijkt, niet te zondigen.4. De belofte-eed gaat over de toekomst zoals de bevestigings-eed over heden en verleden. Nu kan de verplichting van de eed soms worden opgeheven door iets wat in de toekomst gebeurt, bv. als een staat zweert iets te zullen onderhouden en er later nieuwe burgers komen, die niet gezworen hebben; of als een kanunnik zweert de regels van een kerk te onderhouden en er later nieuwe worden gemaakt. Dus schijnt hij, die van zijn eed afwijkt, niet te zondigen.
Sed contra est quod Augustinus dicit in lib. de Verbis Apost. Jacobi [serm. 28, cap. 2.], de perjurio loquens: « Videtis quam ista detestanda sit belua, et de rebus humanis exterminanda ».
Maar daartegenover staat, dat Augustinus van den meineed zegt: « Ziet, hoe men dit monster moet verfoeien en onder de menschen verdelgen. »Maar daartegenover staat, dat Augustinus van de meineed zegt: “Ziet, hoe men dit monster moet verfoeien en onder de mensen verdelgen.”
437Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 89, art. 1.], jurare est Deum testem invocare. Pertinet autem ad Dei irreverentiam quod aliquis eum testem invocet falsitatis: quia per hoc dat intelligere vel quod Deus veritatem non cognoscat, vel quod falsitatem testificari velit. Et ideo perjurium manifeste est peccatum religioni contrarium, cujus est Deo reverentiam exhibere.
437Leerstelling. — Zooals vroeger is gezegd (89e Kw. 1e Art.), is zweren God tot getuige nemen. Nu is het oneerbiedig tegenover God hem als getuige van een onwaarheid te nemen, omdat men daardoor te verstaan geeft, dat God ofwel de waarheid niet kent of van een onwaarheid getuige wil zijn. En dus is meineed duidelijk een zonde tegen de godsdienstigheid, die God eerbied moet betoonen.437Leerstelling. — Zoals vroeger is gezegd (89e Kw. 1e Art.), is zweren God tot getuige nemen. Nu is het oneerbiedig tegenover God hem als getuige van een onwaarheid te nemen, omdat men daardoor te verstaan geeft, dat God ofwel de waarheid niet kent of van een onwaarheid getuige wil zijn. En dus is meineed duidelijk een zonde tegen de godsdienstigheid, die God eerbied moet betonen.
Ad primum ergo dicendum quod ille qui jurat se facturum aliquid illicitum, jurando incurrit perjurium propter defectum justitiae. Sed si non impleat quod juravit, in hoc perjurium non incurrit: quia hoc non erat tale quid quod sub juramento cadere posset.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wie zweert iets ongeoorloofds te zullen doen, begaat daarmee een meineed door gebrek aan rechtvaardigheid. Maar als hij zijn eed niet nakomt, doet hij daarmee geen meineed, want het kan geen voorwerp van een eed zijn.
Ad secundum dicendum quod ille qui jurat se non intraturum religionem, vel non daturum eleemosynam, vel aliquid hujusmodi, jurando perjurium incurrit propter defectum judicii. Et ideo quando facit id quod melius est, non est perjurium, sed perjurio contrarium: contrarium enim ejus quod facit sub juramento cadere non poterat.
2. Wie zweert niet in het klooster te gaan of geen aalmoezen te geven of iets dergelijks, doet een meineed door gebrek aan goed oordeel. En doet hij dus het betere, dan is het geen meineed, maar staat daar tegenover; want het staat tegenover wat hij doet, wat geen voorwerp van eed zijn kan.
Ad tertium dicendum, quod cum aliquis jurat vel promittit se. facturum 438voluntatem alterius, intelligenda est debita conditio, si scilicet id quod ei mandatur licitum sit et honestum, et portabile sive moderatum.
3. Als iemand zweert of belooft den wil van een ander te doen, 438moet men er de noodzakelijke voorwaarde bij denken, dat wat bevolen wordt geoorloofd en goed en te volbrengen en gematigd is.3. Als iemand zweert of belooft de wil van een ander te doen, 438moet men er de noodzakelijke voorwaarde bij denken, dat wat bevolen wordt geoorloofd en goed en te volbrengen en gematigd is.
Ad quartum dicendum quod quia juramentum est actio personalis, ille qui de novo fit civis alicujus civitatis, non obligatur quasi juramento observanda illa quae civitas se servaturam juravit. Tamen tenetur ex quadam fidelitate, ex qua obligatur ut sicut fit socius bonorum civitatis, ita etiam fiat particeps onerum. Canonicus vero qui jurat se servaturum statuta edita in aliquo collegio, non tenetur ex juramento ad servandum futura, nisi intenderit se obligare ad omnia statuta praeterita et futura. Tenetur tamen ea servare ex ipsa vi statutorum, quae habent coactivam virtutem, ut ex supradictis patet [1-2. q. 96, art. 4.].
4. Omdat een eed een persoonlijke daad is, is een nieuwe burger van een staat niet als door een eed verplicht te doen, wat de staat door een eed op zich nam; maar hij moet dat krachtens de getrouwheid, waardoor hij verplicht is om zooals hij in de voordeelen deelt zoo ook de lasten mee te dragen. Maar een kanunnik, die zweert de regels van een college te onderhouden, is daardoor niet verplicht de toekomstige te onderhouden, tenzij hij bedoelde zich te binden aan alle regels van verleden en toekomst. Maar hij moet ze onderhouden uit kracht van de regels zelf, die macht hebben om te verplichten, zooals uit het vroeger gezegde (I-II. 96e Kw. 4e Art.) blijkt.4. Omdat een eed een persoonlijke daad is, is een nieuwe burger van een staat niet als door een eed verplicht te doen, wat de staat door een eed op zich nam; maar hij moet dat krachtens de getrouwheid, waardoor hij verplicht is om zoals hij in de voordelen deelt zo ook de lasten mee te dragen. Maar een kanunnik, die zweert de regels van een college te onderhouden, is daardoor niet verplicht de toekomstige te onderhouden, tenzij hij bedoelde zich te binden aan alle regels van verleden en toekomst. Maar hij moet ze onderhouden uit kracht van de regels zelf, die macht hebben om te verplichten, zoals uit het vroeger gezegde (1-2 96e Kw. 4e Art.) blijkt.
Utrum omne perjurium sit peccatum mortale
Is ieder meineed doodzonde?
Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non omne perjurium sit peccatum mortale. Dicitur enim Extra, de Jurejur. [cap. Verum] : « In ea 439questione quae ponitur, an a sacramenti vinculo absolvantur qui illud inviti pro vita et rebus servandis fecerunt: nihil aliud arbitramur quam quod antecessores nostri Romani Pontifices arbitrati fuisse noscuntur, qui tales a juramenti nexibus absolverunt. Caeterum ut agatur consultius, et auferatur materia dejerandi, non eis ita expresse dicatur ut juramenta non servent: sed si ea non attenderint, non ob hoc sunt tamquam pro mortali crimine puniendi ». Non ergo omne perjurium est peccatum mortale.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere meineed doodzonde is. — 1. Want in de Extra Over den Eed staat: 439« Wat de vraag betreft, die gesteld is: of zij van de verplichting van het sacrament (nl. den eed) vrij zijn, die dezen tegen hun wil om hun leven of bezit te behouden hebben afgelegd, hebben wij geen ander oordeel dan naar men weet onze voorgangers als Paus van Rome hadden, die hen van de verplichting krachtens den eed hebben vrijgesteld. Opdat men overigens omzichtiger te werk ga en er geen reden zij voor een verkeerden eed, moet hun niet uitdrukkelijk worden gezegd den eed niet te houden; maar hebben zij dien niet gehouden, dan moeten zij daarvoor niet als voor een doodzonde worden gestraft. » Dus is niet iedere meineed een doodzonde.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet iedere meineed doodzonde is. — 1. Want in de Extra Over de Eed staat: 439“Wat de vraag betreft, die gesteld is: of zij van de verplichting van het sacrament (nl. de eed) vrij zijn, die deze tegen hun wil om hun leven of bezit te behouden hebben afgelegd, hebben wij geen ander oordeel dan naar men weet onze voorgangers als Paus van Rome hadden, die hen van de verplichting krachtens de eed hebben vrijgesteld. Opdat men overigens omzichtiger te werk ga en er geen reden zij voor een verkeerden eed, moet hun niet uitdrukkelijk worden gezegd de eed niet te houden; maar hebben zij die niet gehouden, dan moeten zij daarvoor niet als voor een doodzonde worden gestraft.” Dus is niet iedere meineed een doodzonde.
2. Praeterea, sicut Chrysostomus dicit [hom. 44, in Op. Imperf. in Matth.], « majus est jurare per Deum quam per Evangelium ». Sed non semper peccat mortaliter qui per Deum jurat aliquod falsum: puta si ex joco, vel lapsu linguae, aliquis tali juramento in communi sermone utatur. Ergo nec etiam si aliquis frangat juramentum quod solemniter per Evangelium jurat, semper erit peccatum mortale.
2. Zooals Chrysostomus zegt, « staat het zweren bij God boven dat bij het Evangelie. » Nu doet hij, die bij God iets onwaars bezweert, niet altijd doodzonde, b. v. als hij het uit scherts doet of het hem uit den mond valt in den loop van een gewoon gesprek. Dus doet ook hij, die een plechtig op het Evangelie afgelegden eed breekt, niet altijd doodzonde.2. Zoals Chrysostomus zegt, “staat het zweren bij God boven dat bij het Evangelie.” Nu doet hij, die bij God iets onwaars bezweert, niet altijd doodzonde, bv. als hij het uit scherts doet of het hem uit de mond valt in de loop van een gewoon gesprek. Dus doet ook hij, die een plechtig op het Evangelie afgelegden eed breekt, niet altijd doodzonde.
3. Praeterea, secundum jura propter perjurium aliquis incurrit infamiam: ut habetur 6, q. 1, cap. Infames. Non autem videtur quod propter quodlibet perjurium aliquis infamiam incurrat: sicut dicitur de assertorio juramento violato per perjurium. Ergo videtur quod non omne perjurium sit peccatum mortale.
3. Volgens het recht wordt een meineedige eerloos. Nu schijnt niet iedereen door een meineed eerloos te worden, zooals het geval is bij den bevestigings-eed, die door een meineed geschonden is. Dus schijnt niet iedere meineed doodzonde te zijn.3. Volgens het recht wordt een meinedige eerloos. Nu schijnt niet iedereen door een meineed eerloos te worden, zoals het geval is bij de bevestigings-eed, die door een meineed geschonden is. Dus schijnt niet iedere meineed doodzonde te zijn.
440Sed contra, omne peccatum quod contrariatur praecepto divino est peccatum mortale. Sed perjurium contrariatur praecepto divino: dicitur enim Levit. 19. [v. 12] : « Non perjurabis in nomine meo ». Ergo est peccatum mortale.
440Maar daartegenover staat, dat iedere zonde tegen een gebod van God doodzonde is. Nu staat de meineed tegenover een gebod van God; want in het Boek Leviticus (19. 12) staat: « Gij zult in Mijn naam geen meineed doen. » Dus is het een doodzonde.440Maar daartegenover staat, dat iedere zonde tegen een gebod van God doodzonde is. Nu staat de meineed tegenover een gebod van God; want in het Boek Leviticus (19, 12) staat: “Gij zult in Mijn naam geen meineed doen.” Dus is het een doodzonde.
Respondeo dicendum quod, secundum doctrinam Philosophi [lib. 1 Poster., cap. 2, n. 15], « propter quod unumquodque tale, illud magis ». Videmus autem quod ea quae ex se sunt peccata venialia, vel etiam bona ex genere, si in contemptum Dei fiant, sunt peccata mortalia. Unde multo magis quidquid est quod de sui ratione pertinet ad contemptum Dei, est peccatum mortale. Perjurium autem de sui ratione importat contemptum Dei: ex hoc enim habet rationem culpae, ut dictum est [art. praec.], quia ad irreverentiam Dei pertinet. Unde manifestum est quod perjurium ex sui ratione est peccatum mortale.
Leerstelling. — Volgens de leer van den Wijsgeer, is « datgene waarom iets is, meer dan dit. » Nu zien wij, dat wat op zichzelf dagelijksche zonde of zelfs uiteraard goed is, doodzonde wordt, als het gebeurt uit verachting van God. Daarom is wat krachtens zijn eigen aard onder het verachten van God valt, nog veel meer doodzonde. Nu sluit meineed uiteraard verachting van God in, want zooals in het vorig artikel gezegd is, is de reden van zijn zondigheid deze, dat hij een oneerbiedigheid tegen God insluit. Dus is het duidelijk, dat meineed uiteraard doodzonde is.Leerstelling. — Volgens de leer van de Wijsgeer, is “datgene waarom iets is, meer dan dit.” Nu zien wij, dat wat op zichzelf dagelijkse zonde of zelfs uiteraard goed is, doodzonde wordt, als het gebeurt uit verachting van God. Daarom is wat krachtens zijn eigen aard onder het verachten van God valt, nog veel meer doodzonde. Nu sluit meineed uiteraard verachting van God in, want zoals in het vorig artikel gezegd is, is de reden van zijn zondigheid deze, dat hij een oneerbiedigheid tegen God insluit. Dus is het duidelijk, dat meineed uiteraard doodzonde is.
Ad primum ergo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 89. art. 7. ad 3.], coactio non aufert juramento promissorio vim obligandi respectu ejus quod licite fieri potest. Et ideo si aliquis non impleat quod coactus juravit, nihilominus perjurium incurrit et mortaliter peccat. Potest tamen 441per auctoritatem summi Pontificis ab obligatione juramenti absolvi: praesertim si coactus fuerit tali metu qui « cadere posset in constantem virum ». Quod autem dicitur quod tales non sunt puniendi tamquam pro mortali crimine, non hoc ideo dicitur quia non peccent mortaliter: sed quia poena eis minor infligitur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals vroeger is gezegd (89e Kw. 7e Art. 3e Antw.), ontneemt dwang niet aan den belofte-eed de verplichting om te volbrengen wat op geoorloofde wijze kan gebeuren. Volbrengt iemand dus niet wat hij 441gedwongen bezworen heeft, dan pleegt hij toch meineed en doet doodzonde. Hij kan echter door de macht van den Paus van de verplichting van zijn eed worden ontslagen, vooral als hij onder zoo'n vrees gedwongen is, « als een standvastig man kan aangrijpen. » Als wordt gezegd, dat deze menschen niet gestraft moeten worden als voor een doodzonde, dan beteekent dat niet, dat zij geen doodzonde hebben gedaan, maar dat hun een lichtere straf wordt opgelegd.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals vroeger is gezegd (89e Kw. 7e Art. 3e Antw.), ontneemt dwang niet aan de belofte-eed de verplichting om te volbrengen wat op geoorloofde wijze kan gebeuren. Volbrengt iemand dus niet wat hij 441gedwongen bezworen heeft, dan pleegt hij toch meineed en doet doodzonde. Hij kan echter door de macht van de Paus van de verplichting van zijn eed worden ontslagen, vooral als hij onder zo'n vrees gedwongen is, “als een standvastig man kan aangrijpen.” Als wordt gezegd, dat deze mensen niet gestraft moeten worden als voor een doodzonde, dan betekent dat niet, dat zij geen doodzonde hebben gedaan, maar dat hun een lichtere straf wordt opgelegd.
Ad secundum dicendum quod ille qui jocose perjurat, non evitat divinam irreverentiam, sed quantum ad aliquid magis auget. Et ideo non excusatur a peccato mortali. Ille autem qui ex lapsu linguae falsum jurat, si quidem advertat se jurare et falsum esse quod jurat, non excusatur a peccato mortali, sicut nec a Dei contemptu. Si autem hoc non advertat, non videtur habere intentionem jurandi: et ideo a crimine perjurii excusatur.
2. Wie uit scherts een meineed doet, ontkomt daardoor niet aan oneerbiedigheid tegenover God, maar maakt dat in zeker opzicht erger en is dus niet van doodzonde vrij te pleiten. — Wien echter een meineed uit den mond valt, is, als hij bemerkt, dat hij zweert en wat hij bezweert niet waar is, niet van doodzonde en ook niet van verachting voor God vrij te pleiten. Maar let hij daar niet op, dan schijnt hij de bedoeling niet te hebben om te zweren en is dus van de misdaad van meineed vrij te pleiten.2. Wie uit scherts een meineed doet, ontkomt daardoor niet aan oneerbiedigheid tegenover God, maar maakt dat in zeker opzicht erger en is dus niet van doodzonde vrij te pleiten. — Wie echter een meineed uit de mond valt, is, als hij bemerkt, dat hij zweert en wat hij bezweert niet waar is, niet van doodzonde en ook niet van verachting voor God vrij te pleiten. Maar let hij daar niet op, dan schijnt hij de bedoeling niet te hebben om te zweren en is dus van de misdaad van meineed vrij te pleiten.
Est ergo gravius peccatum si quis solemniter juret per Evangelium quam si per Deum in communi sermone juret: tum propter scandalum; tum propter majorem deliberationem. Quibus aequaliter hinc inde pensatis, gravius est si quis per Deum jurans perjuret quam si perjuret jurans per Evangelium.
Het is echter een grootere zonde, als iemand plechtig op het Evangelie zweert, dan wanneer hij in een gewoon gesprek bij God zweert, zoowel om de ergernis, als omdat het met meer overleg gebeurt. Zijn deze dingen echter in beide gevallen gelijk, dan is het erger als iemand bij God een meineed zweert dan bij het Evangelie.Het is echter een grotere zonde, als iemand plechtig op het Evangelie zweert, dan wanneer hij in een gewoon gesprek bij God zweert, zowel om de ergernis, als omdat het met meer overleg gebeurt. Zijn deze dingen echter in beide gevallen gelijk, dan is het erger als iemand bij God een meineed zweert dan bij het Evangelie.
442Ad tertium dicendum quod non propter quodlibet peccatum mortale aliquis infamis efficitur ipso jure. Unde non sequitur, si ille qui jurat falsum juramento assertorio non est infamis ipso jure, sed solum per sententiam definitivam latam contra eum in accusatione, quod propter hoc non peccet mortaliter. Ideo autem magis reputatur infamis ipso jure qui frangit juramentum promissorium solemniter factum, quia in ejus potestate remanet, postquam juravit, ut det suo juramento veritatem: quod non contingit in juramento assertorio.
4423. Door het recht zelf wordt men niet door iedere zonde eerloos. En daarom gaat het niet op, dat als iemand, die met een bevestigings-eed een onwaarheid bezweert, nog niet door het recht zelf, maar alleen in geval van aanklacht door een beslissende uitspraak eerloos wordt, hij daarom geen doodzonde doet. Maar wie onder eede plechtig belooft iets te doen, wordt daarom door het recht zelf eerder als eerloos beschouwd, omdat het na den eed aan hemzelf lag zijn eed waar te maken; en dat is bij den bevestigings-eed niet het geval.4423. Door het recht zelf wordt men niet door iedere zonde eerloos. En daarom gaat het niet op, dat als iemand, die met een bevestigings-eed een onwaarheid bezweert, nog niet door het recht zelf, maar alleen in geval van aanklacht door een beslissende uitspraak eerloos wordt, hij daarom geen doodzonde doet. Maar wie onder ede plechtig belooft iets te doen, wordt daarom door het recht zelf eerder als eerloos beschouwd, omdat het na de eed aan hemzelf lag zijn eed waar te maken; en dat is bij de bevestigings-eed niet het geval.
Utrum peccet qui injungit juramentum ei qui perjurat
Doet hij, die aan iemand, die een meineed zweert, den eed oplegt, zonde?Doet hij, die aan iemand, die een meineed zweert, de eed oplegt, zonde?
Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ille peccet qui injungit juramentum ei qui perjurat. Aut enim scit eum verum jurare, aut falsum. Si scit eum verum jurare, pro nihilo ei juramentum injungit. Si autem credit 443eum falsum jurare, quantum est de se, inducit eum ad peccandum. Ergo videtur quod nullo modo debeat quis alicui juramentum injungere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat wie den eed aan een meineedige oplegt zonde doet. — 1. Want hij weet, dat hij ofwel waarheid bezweert, ofwel onwaarheid. Weet hij, dat hij de waarheid bezweert, dan legt hij hem zonder reden den eed op. Gelooft 443hij, dat hij een onwaarheid bezweert, dan brengt hij hem, voor zoover hij dat kan, tot zonde. Dus men schijnt een andere in het geheel geen eed te moeten opleggen.Bedenkingen. — Men beweert, dat wie de eed aan een meinedige oplegt zonde doet. — 1. Want hij weet, dat hij ofwel waarheid bezweert, ofwel onwaarheid. Weet hij, dat hij de waarheid bezweert, dan legt hij hem zonder reden de eed op. Gelooft 443hij, dat hij een onwaarheid bezweert, dan brengt hij hem, voor zover hij dat kan, tot zonde. Dus men schijnt een andere in het geheel geen eed te moeten opleggen.
2. Praeterea, minus est accipere juramentum ab aliquo quam juramentum injungere alicui. Sed recipere juramentum ab aliquo non videtur esse licitum, et praecipue si perjuret: quia in hoc videtur consentire peccato. Ergo videtur quod multo minus liceat exigere juramentum ab aliquo qui perjurat.
2. Het is van minder belang iemands eed aan te nemen dan hem den eed op te leggen. Nu schijnt het niet geoorloofd een eed van een ander aan te nemen en vooral, als hij een meineed doet; want dan schijnt hij hierin met de zonde in te stemmen. Dus schijnt men veel minder den eed van een meineedige te mogen vorderen.2. Het is van minder belang iemands eed aan te nemen dan hem de eed op te leggen. Nu schijnt het niet geoorloofd een eed van een ander aan te nemen en vooral, als hij een meineed doet; want dan schijnt hij hierin met de zonde in te stemmen. Dus schijnt men veel minder de eed van een meinedige te mogen vorderen.
3. Praeterea, dicitur Levit. 5. [v. 1] : « Si peccaverit anima, et audierit vocem jurantis falsum, testisque fuerit quod aut ipse vidit aut conscius est, nisi indicaverit, portabit iniquitatem suam » : ex quo videtur quod aliquis sciens aliquem jurare falsum, teneatur eum accusare. Non igitur licet ab eo exigere juramentum.
3. In het Boek Leviticus staat (5. 1) : « Als iemand zondigt en een meineed heeft gehoord; en getuige was, omdat hij het zelf of zag of wist, en het niet bekend heeft gemaakt, hij zal zijn schuld dragen, » waaruit men ziet, dat wie weet, dat een ander een meineed doet, verplicht is hem te beschuldigen. Dus mag men geen eed van hem vorderen.3. In het Boek Leviticus staat (5, 1): “Als iemand zondigt en een meineed heeft gehoord; en getuige was, omdat hij het zelf of zag of wist, en het niet bekend heeft gemaakt, hij zal zijn schuld dragen,” waaruit men ziet, dat wie weet, dat een ander een meineed doet, verplicht is hem te beschuldigen. Dus mag men geen eed van hem vorderen.
Sed contra, sicut peccat ille qui falsum jurat, ita ille qui per falsos deos jurat1, ut Augustinus dicit, ad Publicolam [epist. 154.]. Ergo licet juramentum exigere ab eo qui falsum jurat.
Maar daartegenover staat, dat zooals wie meineed doet zondigt, zoo ook wie bij valsche goden zweert. Nu mag men gebruik maken van den eed, van wie bij de valsche goden zweert, zooals Augustinus schrijft. Dus mag men den eed vorderen van wie een meineed doet.Maar daartegenover staat, dat zoals wie meineed doet zondigt, zo ook wie bij valse goden zweert. Nu mag men gebruik maken van de eed, van wie bij de valse goden zweert, zoals Augustinus schrijft. Dus mag men de eed vorderen van wie een meineed doet.
444Respondeo dicendum quod circa eum qui exigit ab alio juramentum, distinguendum videtur. Aut enim exigit juramentum pro seipso propria sponte: aut exigit juramentum pro alio ex necessitate officii sibi commissi. Et si quidem aliquis pro seipso exigit juramentum tamquam persona privata, distinguendum videtur, ut Augustinus dicit, in serm. de Perjuriis [serm. 28, cap. 9, 10]. « Si enim nescit eum juraturum falsum, et ideo dicit, « Jura mihi », ut fides ei fit, non est peccatum: tamen est humana tentatio ». quia scilicet procedit ex quadam infirmitate, qua homo dubitat alium esse verum dicturum. Et hoc est illud juramentum2 de quo Dominus dicit, Matth. 5. [v. 37] : « Quod amplius est, a malo est ». Si autem scit eum fecisse, scilicet contrarium ejus quod jurat, « et cogit eum jurare, homicida est. Ille enim de suo perjurio se interimit: sed iste manum interficientis impressit ».
444Leerstelling. — Men schijnt onderscheid te moeten maken in den persoon, die een eed vordert van een ander. Want hij vraagt ofwel den eed uit eigen beweging voor zichzelf, ofwel voor een ander door de noodzakelijkheid, die zijn ambt hem oplegt. En als iemand als gewoon mensch voor zichzelf een eed vordert, moet men onderscheid maken, zooals Augustinus zegt: « Want als hij niet weet, dat hij een meineed zal doen en daarom zegt: Zweer mij, om vertrouwen in hem te hebben, is het geen zonde, maar een menschelijke beproeving, » omdat het van een zwakheid komt, waardoor een mensch twijfelt, dat een ander de waarheid zal spreken. « En dat is het verkeerde, waarvan de Heer bij Mattheus (5. 37) spreekt: En wat erbij komt, is uit den booze. Weet hij echter, dat hij het gedaan heeft, nl. het tegenovergestelde van wat hij bezweert, en dwingt hij hem te zweren, dan is hij een moordenaar. Want hij brengt zichzelf wel door zijn meineed om, maar de ander gaf kracht aan de hand van den moordenaar. »444Leerstelling. — Men schijnt onderscheid te moeten maken in de persoon, die een eed vordert van een ander. Want hij vraagt ofwel de eed uit eigen beweging voor zichzelf, ofwel voor een ander door de noodzakelijkheid, die zijn ambt hem oplegt. En als iemand als gewoon mens voor zichzelf een eed vordert, moet men onderscheid maken, zoals Augustinus zegt: “Want als hij niet weet, dat hij een meineed zal doen en daarom zegt: Zweer mij, om vertrouwen in hem te hebben, is het geen zonde, maar een menselijke beproeving,” omdat het van een zwakheid komt, waardoor een mens twijfelt, dat een ander de waarheid zal spreken. “En dat is het verkeerde, waarvan de Heer bij Matteüs (5, 37) spreekt: En wat erbij komt, is uit de boze. Weet hij echter, dat hij het gedaan heeft, nl. het tegenovergestelde van wat hij bezweert, en dwingt hij hem te zweren, dan is hij een moordenaar. Want hij brengt zichzelf wel door zijn meineed om, maar de ander gaf kracht aan de hand van de moordenaar.”
Si autem aliquis exigat juramentum tamquam persona publica, secundum quod exigit ordo juris, ad petitionem alterius, non videtur esse in culpa si 445ipse juramentum exigat, sive sciat eum falsum jurare sive verum: quia non videtur ille exigere, sed ille ad cujus instantiam exigit.
Eischt iemand echter als publiek persoon een eed, zooals de loop van het recht het eischt op verzoek van een ander, dan schijnt het niet schuldig te zijn, als hij een eed vordert, hetzij hij weet, dat 445hij de waarheid bezweert of de onwaarheid; want hij zelf schijnt den eed niet te vorderen, maar hij, op wiens verlangen hij dien eischt.Eist iemand echter als publiek persoon een eed, zoals de loop van het recht het eist op verzoek van een ander, dan schijnt het niet schuldig te zijn, als hij een eed vordert, hetzij hij weet, dat 445hij de waarheid bezweert of de onwaarheid; want hij zelf schijnt de eed niet te vorderen, maar hij, op wiens verlangen hij die eist.
Ad primum ergo dicendum quod objectio illa procedit quando pro se aliquis exigit juramentum. Et tamen non semper scit eum jurare verum, vel falsum: sed quandoque dubitat de facto, et credit eum verum juraturum, et tunc ad majorem certitudinem exigit juramentum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze moeilijkheid gaat uit van het geval, dat iemand voor zichzelf den eed vordert. En toch weet hij niet altijd, dat hij waarheid of onwaarheid bezweert, maar soms twijfelt hij aan het feit en gelooft, dat men de waarheid zal bezweren en vraagt dan den eed voor grootere zekerheid.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze moeilijkheid gaat uit van het geval, dat iemand voor zichzelf de eed vordert. En toch weet hij niet altijd, dat hij waarheid of onwaarheid bezweert, maar soms twijfelt hij aan het feit en gelooft, dat men de waarheid zal bezweren en vraagt dan de eed voor grotere zekerheid.
Ad secundum dicendum quod, sicut Augustinus dicit, ad Publicolam [loc. cit.], « quamvis dictum sit ne juremus, numquam tamen me in Scripturis Sanctis legisse memini ne ab aliquo jurationem accipiamus ». Unde ille qui jurationem recipit non peccat: nisi forte quando propria sponte ad jurandum cogit eum quem scit falsum juraturum.
2. Zooals Augustinus schrijft, « kan ik mij, al staat er geschreven, dat wij niet moeten zweren, niet herinneren ooit in de H. Schrift gelezen te hebben, dat wij geen eed van een ander moeten aannemen. » Daarom zondigt wie een eed aanneemt niet, tenzij hij iemand uit eigen beweging tot een eed dwingt, waarvan hij weet, dat hij valsch zal zweren.2. Zoals Augustinus schrijft, “kan ik mij, al staat er geschreven, dat wij niet moeten zweren, niet herinneren ooit in de H. Schrift gelezen te hebben, dat wij geen eed van een ander moeten aannemen.” Daarom zondigt wie een eed aanneemt niet, tenzij hij iemand uit eigen beweging tot een eed dwingt, waarvan hij weet, dat hij vals zal zweren.
Ad tertium dicendum quod, sicut Augustinus dicit [QQ. sup. Levit. q. 1.], Moyses non expressit in praedicta auctoritate cui sit indicandum perjurium alterius. Et ideo intelligitur quod debeat indicari « talibus qui magis possunt prodesse quam obesse perjuro ». Similiter etiam non expressit quo ordine debeat manifestari. Et ideo videtur servandus ordo 446evangelicus, si sit peccatum perjurii occultum: et praecipue quando non vergit in detrimentum alterius, quia in tali casu non haberet locum ordo evangelicus, ut supra dictum est [q. 33, art. 7, et q. 68, art. 1.].
3. Zooals Augustinus zegt, geeft Moses in den aangehaalden tekst niet aan, wien men den meineed van een ander moet aangeven. En dus moet men het zoo opvatten, dat men het bij hen moet aangeven, « die den meineedige meer tot voordeel dan tot nadeel kunnen zijn. » Evenmin geeft hij de orde, waarin het bekend moet worden gemaakt, aan. En als het dus een verborgen 446zonde van meineed is, schijnt men de volgorde van het Evangelie te moeten volgen; en vooral als het niemand nadeel doet, omdat in zoo'n geval de door het Evangelie aangegeven volgorde niet van kracht is, zooals vroeger (33e Kw. 7e Art.) gezegd is.3. Zoals Augustinus zegt, geeft Moses in de aangehaalde tekst niet aan, wie men de meineed van een ander moet aangeven. En dus moet men het zo opvatten, dat men het bij hen moet aangeven, “die de meinedige meer tot voordeel dan tot nadeel kunnen zijn.” Evenmin geeft hij de orde, waarin het bekend moet worden gemaakt, aan. En als het dus een verborgen 446zonde van meineed is, schijnt men de volgorde van het Evangelie te moeten volgen; en vooral als het niemand nadeel doet, omdat in zo'n geval de door het Evangelie aangegeven volgorde niet van kracht is, zoals vroeger (33e Kw. 7e Art.) gezegd is.
Ad quartum dicendum quod licet malo uti propter bonum, sicut et Deus utitur: non tamen licet aliquem ad malum inducere. Unde licet ejus qui per falsos deos jurare paratus est, juramentum recipere: non tamen licet eum inducere ad hoc quod per falsos deos juret. Alia tamen ratio videtur esse in eo qui per verum Deum falsum jurat. Quia in tali juramento deest bonum fidei, qua utitur aliquis in juramento illius qui verum per falsos deos jurat, ut Augustinus dicit, ad Publicolam. Unde in juramento ejus qui falsum per verum Deum jurat, non videtur esse aliquod bonum quo uti liceat.
4. (Het tegenbewijs.) Om iets goeds mag men van het kwaad gebruik maken, zooals ook God het gebruikt, maar men mag een ander niet tot kwaad brengen. Daarom mag men den eed van wie al bereid is bij valsche goden te zweren aannemen, maar men mag hem er niet toe brengen bij valsche goden te zweren. — Het schijnt echter een ander geval te zijn, als iemand bij den waren God iets onwaars bezweert. Want bij zoo'n eed missen wij het goede van de betrouwbaarheid, waar men gebruik van maakt bij den eed van hem, die bij valsche goden de waarheid bezweert, zooals Augustinus schrijft. Daarom schijnt er in den eed van hem, die bij den waren God onwaarheid bezweert, geen goed te zijn, dat men gebruiken kan.4. (Het tegenbewijs.) Om iets goeds mag men van het kwaad gebruik maken, zoals ook God het gebruikt, maar men mag een ander niet tot kwaad brengen. Daarom mag men de eed van wie al bereid is bij valse goden te zweren aannemen, maar men mag hem er niet toe brengen bij valse goden te zweren. — Het schijnt echter een ander geval te zijn, als iemand bij de ware God iets onwaars bezweert. Want bij zo'n eed missen wij het goede van de betrouwbaarheid, waar men gebruik van maakt bij de eed van hem, die bij valse goden de waarheid bezweert, zoals Augustinus schrijft. Daarom schijnt er in de eed van hem, die bij de ware God onwaarheid bezweert, geen goed te zijn, dat men gebruiken kan.