Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 95Kw. 95
Quaestio XCV

De superstitione divinativa, in octo articulos divisa

Kwestie 95

Over het bijgeloof in de waarzeggerij

(Acht Artikelen)

351Postea considerandum est de superstitione divinativa. Et circa hoc quaeruntur octo: 1. Utrum divinatio sit peccatum. — 2. Utrum sit species superstitionis. — 3. De speciebus divinationis. — 4. De divinatione quae fit per daemones. — 5. De divinatione quae fit per astra. — 6. De divinatione quae fit per somnia. — 7. De divinatione quae fit per auguria et alias hujusmodi observationes. — 8. De divinatione quae fit per sortes.

351Vervolgens moeten wij spreken over het bijgeloof in de waarzeggerij. En hierover stellen wij ons acht vragen: 1. Is waarzeggerij zonde? 2. Is het een soort bijgeloof? 3. Over de soorten van waarzeggerij. 4. Over de waarzeggerij door middel van de duivelen. 5. Over de waarzeggerij uit de sterren. 6. Over de waarzeggerij uit droomen. 7. Over de waarzeggerij uit voorteekens en dergelijke handelingen. 8. Over de waarzeggerij uit het werpen van het lot.351Vervolgens moeten wij spreken over het bijgeloof in de waarzeggerij. En hierover stellen wij ons acht vragen: 1. Is waarzeggerij zonde? 2. Is het een soort bijgeloof? 3. Over de soorten van waarzeggerij. 4. Over de waarzeggerij door middel van de duivelen. 5. Over de waarzeggerij uit de sterren. 6. Over de waarzeggerij uit dromen. 7. Over de waarzeggerij uit voortekens en dergelijke handelingen. 8. Over de waarzeggerij uit het werpen van het lot.

Articulus I

Utrum divinatio sit peccatum

[Lib. 3. Contr. g. cap. 154. et Isa. c. 3.]
Ie Artikel

Is waarzeggerij zonde?

antwoord 1 ↓

352Ad primum sic proceditur. Videtur quod divinatio non sit peccatum. Divinatio enim ab aliquo divino nominatur. Sed ea quae sunt divina magis ad sanctitatem pertinent quam ad peccatum. Ergo videtur quod divinatio non sit peccatum.

352Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij geen zonde is. — 1. Want zij heeft haar naam (divinatio) van iets goddelijks (divinum). Wat echter iets goddelijks is, behoort eerder tot de heiligheid dan tot de zonde. Dus schijnt waarzeggerij geen zonde te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea Augustinus dicit in lib. 1 de Lib. Arbit. [cap. 1.] : « Quis audeat dicere disciplinam esse malum? » Et iterum: « Nullo modo dixerim aliquam intelligentiam malam esse posse ». Sed aliquae artes sunt divinativae: ut patet per Philosophum, in lib. de Memor. [cap. 1.]. Videtur etiam ipsa divinatio ad aliquam intelligentiam veritatis pertinere. Ergo videtur quod divinatio non sit peccatum.

2. Augustinus zegt: « Wie zou durven zeggen, dat onderricht iets slechts was? » En nogmaals: « Ik zou geenszins willen zeggen, dat eenig inzicht verkeerd zou kunnen zijn. » Nu zijn er middelen om te voorzeggen, zooals de Wijsgeer bewijst. Dus schijnt ook het waarzeggen zelf tot een begrijpen van de waarheid teruggebracht te worden. Dus schijnt de waarzeggerij geen zonde te zijn.2. Augustinus zegt: “Wie zou durven zeggen, dat onderricht iets slechts was?” En nogmaals: “Ik zou geenszins willen zeggen, dat enig inzicht verkeerd zou kunnen zijn.” Nu zijn er middelen om te voorzeggen, zoals de Wijsgeer bewijst. Dus schijnt ook het waarzeggen zelf tot een begrijpen van de waarheid teruggebracht te worden. Dus schijnt de waarzeggerij geen zonde te zijn.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, naturalis inclinatio non est ad aliquod malum: quia natura non inclinat nisi ad simile sibi. Sed ex naturali inclinatione homines 353solicitantur praenoscere futuros eventus, quod pertinet ad divinationem. Ergo divinatio non est peccatum.

3. Er is geen natuurlijke neiging tot iets verkeerds, omdat de natuur alleen geneigd is tot wat haar gelijkt. Nu worden de menschen door een natuurlijke neiging geprikkeld om de 353toekomstige gebeurtenissen te kennen, wat tot de waarzeggerij behoort. Dus is dit geen zonde.3. Er is geen natuurlijke neiging tot iets verkeerds, omdat de natuur alleen geneigd is tot wat haar gelijkt. Nu worden de mensen door een natuurlijke neiging geprikkeld om de 353toekomstige gebeurtenissen te kennen, wat tot de waarzeggerij behoort. Dus is dit geen zonde.

Sed contra est quod dicitur Deut. 18. [v. 11] : « Non sit qui pythones consulat, neque divinos ». Et in Decret. 26. q. 5. [can. Qui divinationes], dicitur: « Qui divinationes expetunt, sub regulis quinquennii jaceant, secundum gradus poenitentiae definitos ».

Maar daartegenover staat, dat in het Boek Deuteronomium (18. 11) wordt gezegd: « Laat er niemand zijn, die waarzeggers of zieners raadpleegt. » En in de Decretaliën staat: « Die om waarzeggerijen vragen, vallen onder de regels van de vijf jaren volgens de vastgestelde regels over de straffen. »Maar daartegenover staat, dat in het Boek Deuteronomium (18, 11) wordt gezegd: “Laat er niemand zijn, die waarzeggers of zieners raadpleegt.” En in de Decretaliën staat: “Die om waarzeggerijen vragen, vallen onder de regels van de vijf jaren volgens de vastgestelde regels over de straffen.”

Respondeo dicendum quod nomine divinationis intelligitur quaedam praenuntiatio futurorum. Futura autem dupliciter praenosci possunt: uno quidem modo in suis causis; alio modo in seipsis. Causae autem futurorum tripliciter se habent. Quaedam enim producunt ex necessitate et semper suos effectus. Et hujusmodi effectus futuri per certitudinem praenosci et praenuntiari possunt ex consideratione suarum causarum: sicut astrologi praenuntiant eclipses futuras. Quaedam vero causae producunt suos effectus non ex necessitate et semper, sed ut in pluribus, raro tamen deficiunt. Et 354per hujusmodi causas possunt praenosci effectus futuri, non quidem per certitudinem, sed per quamdam conjecturam: sicut astrologi per considerationem stellarum quaedam praenoscere et praenuntiare possunt de pluviis et siccitatibus, et medici de sanitate vel morte.

Leerstelling. — In den naam waarzeggerij ligt het vooraf aankondigen van het toekomstige opgesloten. Nu kan het toekomstige op twee manieren van te voren worden gekend: op een manier in zijn oorzaken, op een andere manier in zichzelf. Maar nu zijn er drie soorten van oorzaken van iets toekomstigs. Sommigen nl. brengen noodzakelijkerwijze en altijd hun gevolgen voort. En deze toekomstige gevolgen kan men met zekerheid van te voren kennen en aankondigen door het beschouwen van hun oorzaken; zooals de sterrekundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. — Andere oorzaken echter brengen hun gevolgen niet uit een noodzakelijkheid en altijd voort, maar in de meeste gevallen, en zij schieten zelden te kort. En uit deze 354oorzaken kunnen de toekomstige gevolgen van te voren worden gekend, wel niet met zekerheid, maar door een soort gissen; zooals sterrekundigen door het bestudeeren van de sterren iets van te voren kunnen weten en aankondigen over regens en droogten, en dokters over gezondheid en ziekte.Leerstelling. — In de naam waarzeggerij ligt het vooraf aankondigen van het toekomstige opgesloten. Nu kan het toekomstige op twee manieren van te voren worden gekend: op een manier in zijn oorzaken, op een andere manier in zichzelf. Maar nu zijn er drie soorten van oorzaken van iets toekomstigs. Sommigen nl. brengen noodzakelijkerwijze en altijd hun gevolgen voort. En deze toekomstige gevolgen kan men met zekerheid van te voren kennen en aankondigen door het beschouwen van hun oorzaken; zoals de sterrekundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. — Andere oorzaken echter brengen hun gevolgen niet uit een noodzakelijkheid en altijd voort, maar in de meeste gevallen, en zij schieten zelden te kort. En uit deze 354oorzaken kunnen de toekomstige gevolgen van te voren worden gekend, wel niet met zekerheid, maar door een soort gissen; zoals sterrekundigen door het bestuderen van de sterren iets van te voren kunnen weten en aankondigen over regens en droogten, en dokters over gezondheid en ziekte.

Quaedam vero causae sunt quae, si secundum se considerentur, se habent ad utrumlibet: quod praecipue videtur de potentiis rationalibus, quae se habent ad opposita, secundum Philosophum [lib. 8. Metaph. c. 2. n. 2.]. Et tales effectus, vel etiam si qui effectus ut in paucioribus casu accidunt ex naturalibus causis, per considerationem causarum praenosci non possunt: quia eorum causae non habent inclinationem determinatam ad hujusmodi effectus. Et ideo effectus hujusmodi praenosci non possunt nisi in seipsis considerentur. Homines autem in seipsis hujusmodi effectus considerare possunt solum dum sunt praesentes, sicut cum homo videt Socratem currere, et1 ambulare. Sed considerare hujusmodi in seipsis antequam fiant, est Dei proprium, qui solus in sua aeternitate videt ea quae futura sunt, quasi praesentia, ut in 1 habitum est [q. 14. art. 13; q. 57. art. 3. et q. 86. art. 4.] : unde dicitur Isa. 41. [v. 23] : « Annuntiate quae ventura sunt in futurum, 355et sciemus quia dii estis vos ». Si quis ergo hujusmodi futura praenuntiare aut praenoscere quocumque modo praesumpserit, nisi Deo revelante, manifeste usurpat sibi quod Dei est. Et ex hoc aliqui divini dicuntur: unde dicit Isidorus in lib. 8 Etymolog. [cap. 9.] : « Divini dicti quasi Deo pleni: divinitatem enim se plenos simulant, et astutia quadam fraudulentiae hominibus futura conjectant ».

Er zijn echter ook oorzaken, die op zichzelf beschouwd beide kanten op kunnen gaan, wat vooral het geval schijnt bij redelijke vermogens, die tegengestelde dingen als hun voorwerp hebben volgens den Wijsgeer. En deze gevolgen, alsmede die, welke in het minste aantal gevallen, bij toeval, uit natuur-oorzaken voorkomen, kunnen van te voren uit het bestudeeren van de oorzaken niet worden gekend, omdat hun oorzaken geen bepaalden aanleg op die gevolgen hebben. Daarom kunnen deze gevolgen niet van te voren worden gekend tenzij zij in zichzelf worden gezien. Nu kunnen de menschen dergelijke gevolgen alleen in zichzelf waarnemen, wanneer ze er zijn, zooals wanneer een mensch Socrates ziet hollen of wandelen. Het kennen van dergelijke dingen in zichzelf is eigen aan God, die alleen in Zijn eeuwigheid het toekomstige tegenwoordig ziet, zooals in het Eerste Deel (14e Kw. 13e Art.) behandeld is; daarom wordt bij Isaïas (41. 23) 355gezegd: « Deelt mee, wat in de toekomst zal geschieden; en wij zullen weten, dat gij goden zijt. » Als iemand zich dus hoe dan ook zou vermeten om dergelijke toekomstige dingen van te voren te weten of te vertellen, tenzij op een openbaring van God, dan matigt hij zich duidelijk aan wat God toekomt. En daarom worden sommigen divini (waarzeggers) genoemd, zoodat Isidorus zegt: « Zij worden divini genoemd als vol van God; want zij veinzen vol van God te zijn en met een sluw bedrog gissen zij voor de menschen over de toekomst. »Er zijn echter ook oorzaken, die op zichzelf beschouwd beide kanten op kunnen gaan, wat vooral het geval schijnt bij redelijke vermogens, die tegengestelde dingen als hun voorwerp hebben volgens de Wijsgeer. En deze gevolgen, alsmede die, welke in het minste aantal gevallen, bij toeval, uit natuur-oorzaken voorkomen, kunnen van te voren uit het bestuderen van de oorzaken niet worden gekend, omdat hun oorzaken geen bepaalden aanleg op die gevolgen hebben. Daarom kunnen deze gevolgen niet van te voren worden gekend tenzij zij in zichzelf worden gezien. Nu kunnen de mensen dergelijke gevolgen alleen in zichzelf waarnemen, wanneer ze er zijn, zoals wanneer een mens Socrates ziet hollen of wandelen. Het kennen van dergelijke dingen in zichzelf is eigen aan God, die alleen in Zijn eeuwigheid het toekomstige tegenwoordig ziet, zoals in het Eerste Deel (14e Kw. 13e Art.) behandeld is; daarom wordt bij Jesaja (41, 23) 355gezegd: “Deelt mee, wat in de toekomst zal geschieden; en wij zullen weten, dat gij goden zijt.” Als iemand zich dus hoe dan ook zou vermeten om dergelijke toekomstige dingen van te voren te weten of te vertellen, tenzij op een openbaring van God, dan matigt hij zich duidelijk aan wat God toekomt. En daarom worden sommigen divini (waarzeggers) genoemd, zodat Isidorus zegt: “Zij worden divini genoemd als vol van God; want zij veinzen vol van God te zijn en met een sluw bedrog gissen zij voor de mensen over de toekomst.”

Divinatio ergo non dicitur si quis praenuntiet ea quae ex necessitate eveniunt vel ut in pluribus quae humana ratione praenosci possunt. Neque etiam si quis futura alia contingentia, Deo revelante, cognoscat: tunc enim non ipse divinat, idest, quod divinum est facit, sed magis quod divinum est suscipit. Tunc autem solum dicitur divinare quando sibi indebito modo usurpat praenuntiationem futurorum eventuum. Hoc autem constat esse peccatum. Unde divinatio semper est peccatum. Et propter hoc Hieronymus dicit super Michaeam [comment. in cap. 3. v. 9 sqq.], quod « divinatio semper in malam partem accipitur ».

Men spreekt dus niet van waarzeggerij, als iemand wat noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen gebeurt van te voren vermeldt, omdat het menschelijk verstand dit van te voren kan kennen. En ook niet als iemand andere toekomstige dingen, die toevallig zijn, door een openbaring van God kent; want dan divineert hij niet, d. w. z. doet niet, wat God toekomt, maar ontvangt eerder iets goddelijks. Maar men spreekt alleen dan van waarzeggerij, als iemand zich op een verkeerde manier het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen aanmatigt. Nu is het zeker, dat dit zonde is. Daarom is waarzeggerij altijd zonde. En daarom zegt Hieronymus bij Micheas (3. 9), dat « waarzeggerij altijd als iets verkeerds wordt opgevat. »Men spreekt dus niet van waarzeggerij, als iemand wat noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen gebeurt van te voren vermeldt, omdat het menselijk verstand dit van te voren kan kennen. En ook niet als iemand andere toekomstige dingen, die toevallig zijn, door een openbaring van God kent; want dan divineert hij niet, d. w. z. doet niet, wat God toekomt, maar ontvangt eerder iets goddelijks. Maar men spreekt alleen dan van waarzeggerij, als iemand zich op een verkeerde manier het voorzeggen van toekomstige gebeurtenissen aanmatigt. Nu is het zeker, dat dit zonde is. Daarom is waarzeggerij altijd zonde. En daarom zegt Hieronymus bij Micheas (3, 9), dat “waarzeggerij altijd als iets verkeerds wordt opgevat.”

↑ bedenking 1

356Ad primum ergo dicendum quod divinatio non dicitur ab ordinata participatione alicujus divini, sed ab indebita usurpatione, ut dictum est [in corp. art.].

356Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals is gezegd, spreekt men niet van waarzeggerij om een ordelijk deelhebben aan iets goddelijks, maar om een ongeoorloofde aanmatiging.356Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals is gezegd, spreekt men niet van waarzeggerij om een ordelijk deelhebben aan iets goddelijks, maar om een ongeoorloofde aanmatiging.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod artes quaedam sunt ad praenoscendum futuros eventus qui ex necessitate vel frequenter proveniunt, quae ad divinationem non pertinent. Sed ad alios futuros eventus cognoscendos non sunt aliquae verae artes seu disciplinae, sed fallaces et vanae, ex deceptione daemonum introductae; ut dicit Augustinus in 21 de Civ. Dei [cap. 8.].

2. Er zijn middelen om de toekomstige gebeurtenissen, die noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen geschieden, van te voren te kennen; maar dat behoort niet tot de waarzeggerij. Maar om sommige toekomstige feiten te kennen zijn er geen echte vaardigheden of wetenschappen, maar alleen bedriegelijke en ijdele, die van het bedrog van de duivels komen, zooals Augustinus zegt.2. Er zijn middelen om de toekomstige gebeurtenissen, die noodzakelijkerwijze of in de meeste gevallen geschieden, van te voren te kennen; maar dat behoort niet tot de waarzeggerij. Maar om sommige toekomstige feiten te kennen zijn er geen echte vaardigheden of wetenschappen, maar alleen bedriegelijke en ijdele, die van het bedrog van de duivels komen, zoals Augustinus zegt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod homo habet naturalem inclinationem ad cognoscendum futura secundum modum humanum: non autem secundum indebitum divinationis modum.

3. De mensch is van nature geneigd om de toekomst op een menschelijke manier te kennen, maar niet op de ongeoorloofde manier der waarzeggerij.3. De mens is van nature geneigd om de toekomst op een menselijke manier te kennen, maar niet op de ongeoorloofde manier van de waarzeggerij.

Articulus II

Utrum divinatio sit species superstitionis

[Supra q. 92. a. 2.]
IIe Artikel

Is waarzeggerij een soort bijgeloof?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod divinatio non sit species superstitionis. Idem enim non potest esse species diversorum generum. Sed 357divinatio videtur esse species curiositatis; ut Augustinus dicit, in lib. de Vera Religione [cfr. De doctr. christ., lib. 2, c. 23, 24.]. Ergo videtur quod non sit species superstitionis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij geen soort bijgeloof is. — 1. Want hetzelfde kan geen soort, dat tot 357verschillende klassen behoort, zijn. Nu is waarzeggerij een soort nieuwsgierigheid, zooals Augustinus zegt. Dus schijnt het geen soort bijgeloof te zijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij geen soort bijgeloof is. — 1. Want hetzelfde kan geen soort, dat tot 357verschillende klassen behoort, zijn. Nu is waarzeggerij een soort nieuwsgierigheid, zoals Augustinus zegt. Dus schijnt het geen soort bijgeloof te zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut religio est cultus debitus, ita superstitio est cultus indebitus. Sed divinatio non videtur ad aliquem cultum indebitum pertinere. Ergo divinatio non pertinet ad superstitionem.

2. Zooals de godsdienstigheid de ware godsvereering is, is het bijgeloof de verkeerde. Nu schijnt waarzeggerij niet tot een verkeerde vereering te behooren. Dus valt het niet onder de bijgeloovigheid.2. Zoals de godsdienstigheid de ware godsverering is, is het bijgeloof de verkeerde. Nu schijnt waarzeggerij niet tot een verkeerde verering te behoren. Dus valt het niet onder de bijgelovigheid.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, superstitio religioni opponitur. Sed in vera religione non invenitur aliquid divinationi per contrarium respondens. Ergo divinatio non est species superstitionis.

3. Bijgeloof staat tegenover godsdienstigheid. Nu vindt men in de ware godsdienstigheid niets tegengestelds, dat aan de waarzeggerij beantwoordt. Dus is de waarzeggerij geen soort bijgeloof.

Sed contra est quod Origenes dicit in Periarchon [hom. 16. in Num.] : « Est quaedam operatio daemonum in ministerio praescientiae, quae artibus quibusdam ad his qui se daemonibus mancipaverunt, nunc per sortes, nunc per auguria, nunc per contemplationem umbrarum comprehendi videtur. Haec autem omnia operatione daemonum fieri non dubito ». Sed ut Augustinus dicit, in 2 de Doct. Christ. [cap. 20. et 23.], quidquid procedit ex societate daemonum et hominum superstitiosum est. Ergo divinatio est species superstitionis.

Maar daartegenover staat, dat Origenes zegt: « Er is een werkzaamheid van de duivels, die de toekomst doet voorzien, wat door de kunstgrepen van sommigen, die zich aan de duivels hebben overgegeven, nu eens door het lot te werpen, dan door voorteekenen, dan door het bestudeeren van schaduwen beheerscht schijnt te worden. Ik twijfel echter niet, dat dit alles door duivelswerk gebeurt. » Maar zooals Augustinus zegt, is alles wat uit een gemeenschap tusschen duivels en menschen voortkomt bijgeloof. Dus is waarzeggerij een soort bijgeloof.Maar daartegenover staat, dat Origenes zegt: “Er is een werkzaamheid van de duivels, die de toekomst doet voorzien, wat door de kunstgrepen van sommigen, die zich aan de duivels hebben overgegeven, nu eens door het lot te werpen, dan door voortekenen, dan door het bestuderen van schaduwen beheerst schijnt te worden. Ik twijfel echter niet, dat dit alles door duivelswerk gebeurt.” Maar zoals Augustinus zegt, is alles wat uit een gemeenschap tussen duivels en mensen voortkomt bijgeloof. Dus is waarzeggerij een soort bijgeloof.

358Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [q. 92. a. 1, 2; q. 94. a. 1.], superstitio importat indebitum cultum divinitatis. Ad cultum autem Dei pertinet aliquid dupliciter. Uno modo, cum aliquid Deo offertur: vel sacrificium, vel oblatio, vel aliquid hujusmodi. Alio modo, cum aliquid divinum assumitur: sicut supra dictum est de juramento [q. 89. in praefat. et art. 4. ad 2.]. Et ideo ad superstitionem pertinet non solum cum sacrificium daemonibus offertur per idololatriam, sed etiam cum aliquis assumit auxilium daemonum ad aliquid faciendum vel cognoscendum. Omnis autem divinatio ex operatione daemonum provenit: vel quia expresse daemones invocantur ad futura manifestanda; vel quia daemones ingerunt se vanis inquisitionibus futurorum, ut mentes hominum implicent vanitate; de qua vanitate dicitur in Psalm. 39. [v. 5] : « Non respexit in vanitates et insanias falsas ». Vana autem inquisitio futurorum est quando aliquis futurum praenoscere tentat unde praenosci non potest. Manifestum est ergo quod divinatio species superstitionis est.

358Leerstelling. — Zooals vroeger (92e Kw. 1e Art.) werd gezegd, sluit bijgeloof een verkeerd eeren van de godheid in. Nu behoort iets op twee manieren tot het vereeren van God. Op één manier als iets aan God wordt aangeboden, hetzij een offer of een geschenk of dergelijken. Op een tweede manier, als men iets goddelijks gebruikt, zooals vroeger (89e Kw. Inl.) over den eed is gezegd. En daarom valt het niet alleen onder bijgeloof, als door afgoderij aan de duivels een offer wordt opgedragen, maar ook als iemand de hulp van de duivels gebruikt om iets te doen of te weten. Nu komt alle waarzeggerij uit duivelswerk voort; ofwel omdat de duivels uitdrukkelijk worden aangeroepen om de toekomst bekend te maken; ofwel omdat de duivels zich mengen in ijdel vorschen naar de toekomst om de zielen van de menschen met ijdelheden te vervullen; en over deze ijdelheden zegt het psalmwoord: « Hij heeft niet gelet op ijdelheden en valsche dwaasheden. » (Ps. 39. 5) Nu is het een nutteloos onderzoek van de toekomst als iemand de voorkennis ervan daarvandaan wil halen, waar zij niet te verkrijgen is. Daarom is het duidelijk, dat waarzeggerij een soort bijgeloof is.358Leerstelling. — Zoals vroeger (92e Kw. 1e Art.) werd gezegd, sluit bijgeloof een verkeerd eren van de godheid in. Nu behoort iets op twee manieren tot het vereren van God. Op één manier als iets aan God wordt aangeboden, hetzij een offer of een geschenk of dergelijken. Op een tweede manier, als men iets goddelijks gebruikt, zoals vroeger (89e Kw. Inl.) over de eed is gezegd. En daarom valt het niet alleen onder bijgeloof, als door afgoderij aan de duivels een offer wordt opgedragen, maar ook als iemand de hulp van de duivels gebruikt om iets te doen of te weten. Nu komt alle waarzeggerij uit duivelswerk voort; ofwel omdat de duivels uitdrukkelijk worden aangeroepen om de toekomst bekend te maken; ofwel omdat de duivels zich mengen in ijdel vorsen naar de toekomst om de zielen van de mensen met ijdelheden te vervullen; en over deze ijdelheden zegt het psalmwoord: “Hij heeft niet gelet op ijdelheden en valse dwaasheden.” (Ps. 39. 5)a Nu is het een nutteloos onderzoek van de toekomst als iemand de voorkennis ervan daarvandaan wil halen, waar zij niet te verkrijgen is. Daarom is het duidelijk, dat waarzeggerij een soort bijgeloof is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod divinatio pertinet ad curiositatem 359quantum ad finem intentum, qui est praecognitio futurorum. Sed pertinet ad superstitionem, quantum ad modum operationis.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Waarzeggerij valt 359onder de nieuwsgierigheid wat het beoogde doel, de voorkennis van de toekomst betreft. Maar wat de manier om dat te bewerken betreft, valt zij onder bijgeloof.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod hujusmodi divinatio pertinet ad cultum daemonum, inquantum aliquis utitur quodam pacto tacito vel expresso cum daemonibus.

2. Dit soort waarzeggerij valt onder duivelvereering, in zoover men daarbij uitdrukkelijk of stilzwijgend op een verbond met de duivels steunt.2. Dit soort waarzeggerij valt onder duivelverering, in zover men daarbij uitdrukkelijk of stilzwijgend op een verbond met de duivels steunt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod in nova lege mens hominis arcetur a temporalium solicitudine: et ideo non est in nova lege aliquid institutum ad praecognitionem futurorum eventuum de temporalibus rebus. In veteri autem lege, quae promittebat terrena, erant consultationes de futuris ad religionem pertinentibus: unde dicitur Isa. 8. [v. 19] : « Et cum dixerint ad vos: Quaerite a pythonibus et a divinis, qui strident in incantationibus suis », subdit, quasi responsionem: « Numquid non populus a Deo suo requiret visionem pro vivis et mortuis? » Fuerunt tamen in novo testamento etiam aliqui prophetae1 spiritum habentes, qui multa de futuris eventibus praedixerunt.

3. Onder het Nieuwe Verbond wordt de geest van den mensch van tijdelijke beslommeringen afgehouden; en daarom is er onder de Nieuwe Wet niets ingesteld om toekomstige gebeurtenissen in verband met tijdelijke belangen van te voren te kennen. Maar onder de Oude Wet, die aardsche goederen beloofde, bestond er binnen het kader van den godsdienst een raadplegen over de toekomst; daarom zegt Isaïas (8. 19) : « En als zij tot U zeggen: Vraagt de zieners en waarzeggers, die rumoer maken bij hun tooverijen, » en hij voegt er als antwoord bij: « Zal het volk niet van zijn God een gezicht vragen over levenden en dooden? » Er waren evenwel ook onder het Nieuwe Verbond verschillenden, die den geest der profetie hadden en vele voorzeggingen deden over de toekomst.3. Onder het Nieuwe Verbond wordt de geest van de mens van tijdelijke beslommeringen afgehouden; en daarom is er onder de Nieuwe Wet niets ingesteld om toekomstige gebeurtenissen in verband met tijdelijke belangen van te voren te kennen. Maar onder de Oude Wet, die aardse goederen beloofde, bestond er binnen het kader van de godsdienst een raadplegen over de toekomst; daarom zegt Jesaja (8, 19): “En als zij tot U zeggen: Vraagt de zieners en waarzeggers, die rumoer maken bij hun toverijen,” en hij voegt er als antwoord bij: “Zal het volk niet van zijn God een gezicht vragen over levenden en doden?” Er waren evenwel ook onder het Nieuwe Verbond verschillenden, die de geest van de profetie hadden en vele voorzeggingen deden over de toekomst.

Articulus III

Utrum sit determinare plures divinationis species

[De sortibus, c. 3.]
IIIe Artikel

Kan men meerdere soorten waarzeggerij aangeven?

antwoord 1 ↓

360Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non sit determinare plures divinationis species. Ubi enim est una ratio peccandi, non videntur plures esse peccati species. Sed in omni divinatione est una ratio peccandi: quia scilicet utitur aliquis pacto daemonum ad cognoscendum futura. Ergo divinationis non sunt plures species.

360Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet meerdere soorten waarzeggerij kan aangeven. — 1. Want waar er maar een reden van zondigheid is, schijnen er niet meerdere soorten van zonden te zijn. Nu is er maar een reden van zondigheid bij alle waarzeggerij: dat men nl. een verbond met de duivels gebruikt om de toekomst te kennen. Dus zijn er geen verschillende soorten van waarzeggerij.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, actus humanus speciem sortitur ex fine, ut supra habitum est [1-2. q. 1. art. 3. et q. 18. art. 6.]. Sed omnis divinatio ordinatur ad unum finem, scilicet ad praenuntiationem futurorum. Ergo omnis divinatio est unius speciei.

2. Menschelijke handelingen krijgen, zooals vroeger gezegd is (I-II. 1e Kw. 3e Art.), hun aard van het doel. Nu heeft alle waarzeggerij maar één doel, nl. van te voren de toekomst te verkondigen. Dus behoort alle waarzeggerij tot één soort.2. Menselijke handelingen krijgen, zoals vroeger gezegd is (1-2 1e Kw. 3e Art.), hun aard van het doel. Nu heeft alle waarzeggerij maar één doel, nl. van te voren de toekomst te verkondigen. Dus behoort alle waarzeggerij tot één soort.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, signa non diversificant speciem peccati: sive enim aliquis detrahat verbis, vel scripto vel nutu, est eadem species peccati. Sed 361divinationes non videntur differre nisi secundum diversa signa ex quibus accipitur praecognitio futurorum. Ergo non sunt diversae divinationis species.

3. Teekens brengen geen soortverschil mee in de zonde, want of iemand door woorden kwaadspreekt of door geschrift of door teekens, het is hetzelfde soort zonde. Nu schijnt er bij de 361waarzeggerijen alleen verschil te bestaan in de teekens, waaruit men de voorkennis van de toekomst haalt. Dus zijn er geen verschillende soorten waarzeggerij.3. Tekens brengen geen soortverschil mee in de zonde, want of iemand door woorden kwaadspreekt of door geschrift of door tekens, het is hetzelfde soort zonde. Nu schijnt er bij de 361waarzeggerijen alleen verschil te bestaan in de tekens, waaruit men de voorkennis van de toekomst haalt. Dus zijn er geen verschillende soorten waarzeggerij.

Sed contra est quod Isidorus, in lib. 8 Etymol. [cap. 9.] enumerat diversas species divinationis.

Maar daartegenover staat, dat Isidorus verschillende soorten waarzeggerij opsomt.

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], omnis divinatio utitur ad praecognitionem futuri eventus aliquo daemonum consilio, vel auxilio. Quod quidem vel expresse imploratur: vel praeter intentionem1 hominis, se occulte daemon ingerit ad praenuntiandum futura quaedam quae hominibus sunt ignota, eis autem cognita per modos de quibus in Primo dictum est [q. 57. art. 3.]. Daemones autem expresse invocati solent futura praenuntiare multipliciter. Quandoque quidem praestigiosis quibusdam apparitionibus se aspectui et auditui hominum ingerentes ad praenuntiandum futura. Et haec species vocatur praestigium, ex eo quod oculi hominum perstringuntur2. Quandoque autem per somnia. Et haec 362vocatur divinatio somniorum. Quandoque vero per mortuorum aliquorum apparitionem vel locutionem. Et haec species vocatur necromantia: quia, ut dicit Isidorus in lib. 8 Etymol. [cap. 9, ante med.] « nigrum », graece mortuus, « mantia » vero divinatio nuncupatur: quia quibusdam praecantationibus, adhibito sanguine, videntur resuscitati mortui divinare et ad interrogata respondere. Quandoque vero futura praenuntiant per homines vivos: sicut in arreptitiis patet. Et haec est divinatio per pythones: et ut Isidorus dicit [loc. cit.], « pythones a Pythone Apolline sunt dicti, qui dicebatur esse auctor divinandi ». Quandoque vero futura praenuntiant per aliquas figuras vel signa quae in rebus inanimatis apparent. Quae quidem si appareant in aliquo corpore terrestri, puta in ligno vel ferro vel lapide polito, vocatur geomantia; si autem in aqua, hydromantia; si autem in aëre, aëromantia; si autem in igne, pyromantia; si autem in visceribus animalium immolatorum in aris daemonum, vocatur aruspicium.

Leerstelling. — Zooals in het vorig artikel is gezegd, maakt iedere waarzeggerij van een raad of hulp van duivels gebruik om toekomstige dingen van te voren te kennen. En daarom wordt ofwel uitdrukkelijk gevraagd; ofwel de duivel mengt er zich buiten een verzoek van de menschen om in om iets toekomstigs aan te kondigen, dat aan de menschen onbekend, maar den duivels bekend is op de in het Eerste Deel (57e Kw. 3e Art.) genoemde manieren. Worden de duivels uitdrukkelijk aangeroepen, dan voorspellen zij gewoonlijk op vele manieren de toekomst. Soms vertoonen zij zich door tooverachtige verschijnselen in het gezicht of gehoor der menschen ten einde de toekomst te voorspellen. En dit soort noemt men tooverij (praestigium), omdat de oogen van de menschen erdoor verblind (praestringere) worden. — Soms 362ook door droomen. En dit noemt met waarzeggerij door droomen. — Soms door het verschijnen of spreken van dooden. En dat noemt men zwarte kunst, omdat, zooals Isidorus zegt, « nigrum in het Grieksch doode, mantia waarzeggen beteekent, omdat de door toovermiddelen met gebruik van bloed opgewekte dooden schijnen waar te zeggen en op de vragen te antwoorden. » — Soms ook voorspellen zij de toekomst door levende menschen, zooals wij bij de geestvervoeringen zien. En dat is waarzeggerij door zieners (pythones), en zooals Isidorus zegt, « worden zij pythones genoemd naar den Pythischen Apollo, die naar men zeide de oorzaak van het waarzeggen was. » — Soms voorspellen zij de toekomst door figuren en teekens, die in onbezielde dingen verschijnen. Verschijnen dezen in een ding van het element aarde, b. v. in hout of ijzer of een gepolijste steen, dan noemt men het aardwichelarij; in het vuur, dan vuurwichelarij; in het water, dan waterwichelarij; in de lucht, dan luchtwichelarij; in de ingewanden van op de altaren van duivels geofferde dieren, dan waarzeggerij uit de ingewanden.Leerstelling. — Zoals in het vorig artikel is gezegd, maakt iedere waarzeggerij van een raad of hulp van duivels gebruik om toekomstige dingen van te voren te kennen. En daarom wordt ofwel uitdrukkelijk gevraagd; ofwel de duivel mengt er zich buiten een verzoek van de mensen om in om iets toekomstigs aan te kondigen, dat aan de mensen onbekend, maar de duivels bekend is op de in het Eerste Deel (57e Kw. 3e Art.) genoemde manieren. Worden de duivels uitdrukkelijk aangeroepen, dan voorspellen zij gewoonlijk op vele manieren de toekomst. Soms vertonen zij zich door toverachtige verschijnselen in het gezicht of gehoor van de mensen ten einde de toekomst te voorspellen. En dit soort noemt men toverij (praestigium), omdat de ogen van de mensen erdoor verblind (praestringere) worden. — Soms 362ook door dromen. En dit noemt met waarzeggerij door dromen. — Soms door het verschijnen of spreken van doden. En dat noemt men zwarte kunst, omdat, zoals Isidorus zegt, “nigrum in het Grieks dode, mantia waarzeggen betekent, omdat de door tovermiddelen met gebruik van bloed opgewekte doden schijnen waar te zeggen en op de vragen te antwoorden.” — Soms ook voorspellen zij de toekomst door levende mensen, zoals wij bij de geestvervoeringen zien. En dat is waarzeggerij door zieners (pythones), en zoals Isidorus zegt, “worden zij pythones genoemd naar de Pythische Apollo, die naar men zeide de oorzaak van het waarzeggen was.” — Soms voorspellen zij de toekomst door figuren en tekens, die in onbezielde dingen verschijnen. Verschijnen deze in een ding van het element aarde, bv. in hout of ijzer of een gepolijste steen, dan noemt men het aardwichelarij; in het vuur, dan vuurwichelarij; in het water, dan waterwichelarij; in de lucht, dan luchtwichelarij; in de ingewanden van op de altaren van duivels geofferde dieren, dan waarzeggerij uit de ingewanden.

Divinatio autem quae fit absque expressa daemonum invocatione, in duo genera dividitur. Quorum primum est quando ad praenoscendum futura 363aliquid consideramus in dispositionibus aliquarum rerum. Et si quidem aliquis conetur futura praenoscere ex consideratione situs et motus siderum, hoc pertineret ad astrologos, qui et genethliaci dicuntur, propter natalium considerationes dierum. Si vero per motus vel voces avium, seu quorumcumque animalium; sive per sternutationes hominum, vel membrorum saltus; hoc pertinet generaliter ad augurium, quod dicitur a garritu avium, sicut auspicium ab inspectione avium, quorum primum pertinet ad aures, secundum ad oculos; in avibus enim hujusmodi praecipue considerari solent. Si vero hujusmodi consideratio fiat circa verba hominum absque3 intentione dicta, quae quis retorquet ad futurum quod vult praenoscere, hoc vocatur omen. Et sicut Valerius Maximus dicit [De dict. factisque memor. lib. 1, c. 5.] : « omnium observatio aliquo contractu religioni innexa est. Quoniam non fortuito motu, sed divina providentia constare creditur quae fecit: ut, Romanis deliberantibus utrum ad alium locum migrarent, forte eo tempore centurio quidam exclamavit, « Signifer, statue signum: hic 364optime manebimus »; quam vocem auditam pro omine acceperunt, transeundi consilium omittentes ». Si autem considerentur aliquae dispositiones figurarum in aliquibus corporibus visui occurrentes, erit alia divinationis species. Nam ex lineamentis manus consideratis divinatio sumpta chiromantia vocatur, quasi divinatio manus; chiros enim graece dicitur manus. Divinatio vero ex quibusdam signis4 in spatula alicujus animalis apparentibus, spatulamantia vocatur.

Waarzeggerij daarentegen, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van de duivels plaats heeft, wordt in twee soorten verdeeld. De eerste daarvan is, als wij op de onderlinge schikking van sommige 363dingen letten om de toekomst te kennen. En als iemand nu de toekomst wil kennen uit het waarnemen van de plaats en beweging der sterren, behoort dat bij de sterrenwichelaars; dezen worden ook geneatici (geboortevoorspellers) genoemd, omdat zij de geboortedagen bestudeeren. — Gaat het door middel van de vlucht of de geluiden van vogels of van welke dieren ook, of door het niezen van menschen of schokken in de lichaamsdeelen, dan valt dat in het algemeen onder het augurium, welk woord van het schreeuwen van vogels (garritus avium) is afgeleid, zooals auspicium van het zien van vogels (inspectio avium) ; het eerste van deze twee is iets van de ooren, het tweede van de oogen; want op deze dingen let men vooral bij de vogels. — Gaat men echter letten op wat de menschen met een andere bedoeling zeggen, maar wat men laat slaan op het toekomstige, dat men van te voren wil kennen, dan noemt men dat een voorteeken (omen). En zooals Valerius Maximus zegt, « behoort het letten op omina tot het terrein van den godsdienst. Want men gelooft, dat wat iemand doet, niet van toevallige bewegingen, maar van de goddelijke voorzienigheid komt; zooals toen de Romeinen beraadslaagden, of zij naar een andere plaats zouden doormarcheeren, een centurio toevallig op dat oogenblik riep: Veldteekendrager, plaatst hier het 364teeken; want het is het beste dat wij hier blijven; dit woord, dat zij hoorden, werd als een omen aanvaard en zij zagen van het plan om verder te gaan af. » — Zou men echter gaan letten op de plaatsing van figuren op sommige lichamen, die men te zien krijgt, dan is het weer een ander soort waarzeggerij. Want een aan de lijnen van de hand ontleende waarzeggerij noemt men chiromantie of waarzeggerij uit de hand; omdat hand in het Grieksch chiros heet. En de waarzeggerij uit de figuren, die men in de aderen van sommige dieren ziet, heet spatulamantie.Waarzeggerij daarentegen, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van de duivels plaats heeft, wordt in twee soorten verdeeld. De eerste daarvan is, als wij op de onderlinge schikking van sommige 363dingen letten om de toekomst te kennen. En als iemand nu de toekomst wil kennen uit het waarnemen van de plaats en beweging van de sterren, behoort dat bij de sterrenwichelaars; deze worden ook geneatici (geboortevoorspellers) genoemd, omdat zij de geboortedagen bestuderen. — Gaat het door middel van de vlucht of de geluiden van vogels of van welke dieren ook, of door het niezen van mensen of schokken in de lichaamsdelen, dan valt dat in het algemeen onder het augurium, welk woord van het schreeuwen van vogels (garritus avium) is afgeleid, zoals auspicium van het zien van vogels (inspectio avium); het eerste van deze twee is iets van de oren, het tweede van de ogen; want op deze dingen let men vooral bij de vogels. — Gaat men echter letten op wat de mensen met een andere bedoeling zeggen, maar wat men laat slaan op het toekomstige, dat men van te voren wil kennen, dan noemt men dat een voorteken (omen). En zoals Valerius Maximus zegt, “behoort het letten op omina tot het terrein van de godsdienst. Want men gelooft, dat wat iemand doet, niet van toevallige bewegingen, maar van de goddelijke voorzienigheid komt; zoals toen de Romeinen beraadslaagden, of zij naar een andere plaats zouden doormarcheren, een centurio toevallig op dat ogenblik riep: Veldtekendrager, plaatst hier het 364teken; want het is het beste dat wij hier blijven; dit woord, dat zij hoorden, werd als een omen aanvaard en zij zagen van het plan om verder te gaan af.” — Zou men echter gaan letten op de plaatsing van figuren op sommige lichamen, die men te zien krijgt, dan is het weer een ander soort waarzeggerij. Want een aan de lijnen van de hand ontleende waarzeggerij noemt men chiromantie of waarzeggerij uit de hand; omdat hand in het Grieks chiros heet. En de waarzeggerij uit de figuren, die men in de aderen van sommige dieren ziet, heet spatulamantie.

Ad secundum autem divinationis genus quod est sine expressa daemonum invocatione, pertinet divinatio quae fit ex consideratione eorum quae eveniunt ex quibusdam quae ab hominibus serio fiunt ad aliquid occultum inquirendum: sive per protractionem punctorum (quod pertinet ad artem geomantiae); sive per considerationem figurarum quae proveniunt ex plumbo liquefacto in aqua projecto; sive ex quibusdam schedulis scriptis vel non scriptis, in occulto repositis, dum consideratur quis quam accipiat; vel etiam ex festucis inaequalibus propositis, quis majorem vel minorem accipiat; vel taxillorum projectione, quis plura puncta projiciat; vel etiam dum 365consideratur quid aperienti librum occurrat. Quae omnia sortium nomen habent. Sic ergo patet triplex divinationis genus. Quorum primum est per manifestam daemonum invocationem: quod pertinet ad necromanticos. Secundum autem est per solam considerationem dispositionis vel motus alterius rei: quod pertinet ad augures. Tertium est dum facimus aliquid ut nobis manifestetur aliquod occultum: quod pertinet ad sortes. Sub quolibet autem horum multa continentur, ut patet ex dictis [in corp. art.].

Tot het andere soort waarzeggerij, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van duivels plaats heeft, behoort de waarzeggerij uit het waarnemen van de resultaten van iets, wat de mensch in ernst doet om iets verborgens te weten te komen; hetzij door het trekken van lijnen door punten (wat bij de aardwichelarij thuis behoort), hetzij door het letten op figuren, die zich vormen in op het water gegoten gesmolten lood; hetzij uit beschreven of onbeschreven stukjes papier, die men verborgen houdt, terwijl men ziet, wat men trekt; hetzij uit het kiezen uit ongelijke stukjes hout, wie het grootste of kleinste krijgt; hetzij uit het werpen van dobbelsteenen, als men ziet, wie de meeste punten krijgt; of ook als men ziet, wat 365men het eerste leest bij het openen van een boek. En dat alles noemt men het lot. Zoo blijkt er een driedubbel soort waarzeggerij te zijn. De eerste geschiedt door duidelijk duivels aan te roepen; en dat doen de beoefenaars van de zwarte kunst (nigromantici). Het tweede door alleen te letten op de plaatsing of beweging van een ding; en dat doen de waarzeggers (augures) . De derde, als wij iets doen opdat ons iets verborgens bekend wordt gemaakt; en dat valt onder het lot. Maar zooals uit het gezegde blijkt vallen onder ieder van deze drie meerdere dingen.Tot het andere soort waarzeggerij, die zonder uitdrukkelijk aanroepen van duivels plaats heeft, behoort de waarzeggerij uit het waarnemen van de resultaten van iets, wat de mens in ernst doet om iets verborgens te weten te komen; hetzij door het trekken van lijnen door punten (wat bij de aardwichelarij thuis behoort), hetzij door het letten op figuren, die zich vormen in op het water gegoten gesmolten lood; hetzij uit beschreven of onbeschreven stukjes papier, die men verborgen houdt, terwijl men ziet, wat men trekt; hetzij uit het kiezen uit ongelijke stukjes hout, wie het grootste of kleinste krijgt; hetzij uit het werpen van dobbelstenen, als men ziet, wie de meeste punten krijgt; of ook als men ziet, wat 365men het eerste leest bij het openen van een boek. En dat alles noemt men het lot. Zo blijkt er een driedubbel soort waarzeggerij te zijn. De eerste geschiedt door duidelijk duivels aan te roepen; en dat doen de beoefenaars van de zwarte kunst (nigromantici). Het tweede door alleen te letten op de plaatsing of beweging van een ding; en dat doen de waarzeggers (augures) . De derde, als wij iets doen opdat ons iets verborgens bekend wordt gemaakt; en dat valt onder het lot. Maar zoals uit het gezegde blijkt vallen onder ieder van deze drie meerdere dingen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod in omnibus praedictis est eadem generalis ratio peccandi, sed non eadem specialis. Multo enim gravius est daemones invocare quam aliqua facere quibus dignum sit ut se daemones ingerant.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij al het opgesomde is het wel dezelfde algemeene, maar niet dezelfde bijzondere reden van zondigheid. Want het is veel erger duivels aan te roepen dan iets te doen, dat waard is, dat de duivel er zich in mengt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij al het opgesomde is het wel dezelfde algemene, maar niet dezelfde bijzondere reden van zondigheid. Want het is veel erger duivels aan te roepen dan iets te doen, dat waard is, dat de duivel er zich in mengt.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod cognitio futurorum vel occultorum est ultimus finis, ex quo sumitur generalis ratio divinationis. Distinguuntur autem diversae species secundum propria objecta sive materias: prout scilicet in diversis rebus occultorum cognitio consideratur.

2. Het kennen van wat toekomstig of verborgen is, is het einddoel, dat aan de waarzeggerij haar algemeenen aard geeft; maar men onderscheidt verschillende soorten naar hun eigen voorwerp of stof, naargelang men het kennen van verborgenheden in verschillende dingen beschouwt.2. Het kennen van wat toekomstig of verborgen is, is het einddoel, dat aan de waarzeggerij haar algemenen aard geeft; maar men onderscheidt verschillende soorten naar hun eigen voorwerp of stof, naargelang men het kennen van verborgenheden in verschillende dingen beschouwt.

↑ bedenking 3

366Ad tertium dicendum quod res quas divinantes attendunt considerantur ab eis non sicut signa quibus exprimant quod jam sciunt. sicut accidit in demonstratione5: sed sicut principia cognoscendi. Manifestum est autem quod diversitas principiorum diversificat speciem etiam in scientiis demonstrativis.

3663. De waarzeggers beschouwen de dingen waarop zij letten niet als teekens om uit te drukken wat zij al weten, zooals bij kwaadspreken, maar als beginselen van weten. En het is duidelijk, dat een verschil in beginselen een soortverschil geeft, ook bij wetenschappen, die bewijzen.3663. De waarzeggers beschouwen de dingen waarop zij letten niet als tekens om uit te drukken wat zij al weten, zoals bij kwaadspreken, maar als beginselen van weten. En het is duidelijk, dat een verschil in beginselen een soortverschil geeft, ook bij wetenschappen, die bewijzen.

Articulus IV

Utrum divinatio quae fit per invocationes daemonum sit licita

[2. Dist. 7. q. 3. a. 2.; in Is. c. 3.]
IVe Artikel

Is waarzeggerij door het aanroepen van duivels ongeoorloofd?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per invocationes daemonum non sit illicita. Christus enim nihil illicitum commisit: secundum illud 1 Petr. 2. [v. 22] : « Qui peccatum non fecit ». Sed Dominus a daemone interrogavit: « Quod tibi nomen est? » qui respondit: « Legio: multi enim sumus », ut habetur Marc. 5. [v. 9]. Ergo videtur quod liceat a daemonibus aliquid occultum interrogare.

Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij door het aanroepen van duivels niet ongeoorloofd is. — 1. Want Christus deed niets ongeoorloofds naar den Eersten Brief van Petrus (2. 22) : « Die geen zonde heeft gedaan. » Maar de Heer ondervroeg den duivel: « Hoe is Uw naam? » en deze antwoordde: « Legioen; want wij zijn met velen, » zooals bij Marcus (5. 9) staat. Dus schijnt men den duivel iets verborgens te mogen vragen.Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij door het aanroepen van duivels niet ongeoorloofd is. — 1. Want Christus deed niets ongeoorloofds naar de Eerste Brief van Petrus (2, 22): “Die geen zonde heeft gedaan.” Maar de Heer ondervroeg de duivel: “Hoe is Uw naam?” en deze antwoordde: “Legioen; want wij zijn met velen,” zoals bij Marcus (5, 9) staat. Dus schijnt men de duivel iets verborgens te mogen vragen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sanctorum animae non favent illicite interrogantibus. 367Sed Sauli interroganti de eventu futuri belli a muliere habente spiritum pythonis, apparuit Samuel, et ei futurum eventum praedixit: ut legitur 1 Regum 28. [v. 8 sqq.]. Ergo divinatio quae fit per interrogationem a daemonibus non est illicita.

2. De zielen van de heiligen komen hun, die op ongeoorloofde 367manier iets vragen, niet tegemoet. Toen echter Saul een vrouw, die een zienersgeest had, over het toekomstige resultaat van den oorlog ondervroeg, verscheen hem Samuel en voorspelde hem de toekomstige gebeurtenis, zooals wij in het Eerste Boek der Koningen (28. 8) lezen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet ongeoorloofd.2. De zielen van de heiligen komen hun, die op ongeoorloofde 367manier iets vragen, niet tegemoet. Toen echter Saul een vrouw, die een zienersgeest had, over het toekomstige resultaat van de oorlog ondervroeg, verscheen hem Samuel en voorspelde hem de toekomstige gebeurtenis, zoals wij in het Eerste Boek van de Koningen (28, 8)a lezen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet ongeoorloofd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, licitum esse videtur veritatem ab aliquo sciente inquirere, quam utile est scire. Sed quandoque utile est scire aliqua occulta quae per daemones sciri possunt: sicut apparet in inventione furtorum. Ergo divinatio quae fit per invocationem daemonum non est illicita.

3. Het schijnt geoorloofd een waarheid, die van nut is om te weten, aan iemand, die haar weet, te vragen. Nu is het soms van nut eenige verborgen dingen, die men van de duivels hooren kan, te weten, zooals blijkt uit het te weten komen van diefstallen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet verboden.3. Het schijnt geoorloofd een waarheid, die van nut is om te weten, aan iemand, die haar weet, te vragen. Nu is het soms van nut enige verborgen dingen, die men van de duivels horen kan, te weten, zoals blijkt uit het te weten komen van diefstallen. Dus is de waarzeggerij door het ondervragen van duivels niet verboden.

Sed contra est quod dicitur Deut. 18. [v. 10, 11] : « Non inveniatur in te qui ariolos sciscitetur, neque pythones consulat. »

Maar daartegenover staat het woord uit het Boek Deuteronomium (18. 10) : « Laat er niemand gevonden worden, die zieners ondervraagt of wichelaars raadpleegt. »Maar daartegenover staat het woord uit het Boek Deuteronomium (18, 10): “Laat er niemand gevonden worden, die zieners ondervraagt of wichelaars raadpleegt.”

Respondeo dicendum quod omnis divinatio quae fit per invocationes daemonum est illicita, duplici ratione. Quarum prima sumitur ex parte principii divinationis, quod scilicet est pactum expresse cum daemone initum per ipsam daemonis invocationem. Et hoc est omnino illicitum. Unde contra 368quosdam dicitur Isa. 28. [v. 15] : « Dixistis: Percussimus foedus cum morte, et cum inferno fecimus pactum ». Et adhuc gravius esset si sacrificium vel reverentia daemoni invocato exhiberetur.

Leerstelling. — Iedere waarzeggerij door het aanroepen van duivels is om twee redenen ongeoorloofd. De eerste reden ligt in het beginsel van de waarzeggerij, wat een uitdrukkelijk door het aanroepen van den duivel zelf met hem aangegaan verbond is. En dat is absoluut verboden. Daarom zegt Isaïas (28. 15) 368tegen sommigen: « Gij hebt gezegd: wij hebben een verbond met den dood aangegaan en een overeenkomst gesloten met de hel. » En het zou nog erger zijn, als aan den aangeroepen duivel een offer of eerbewijzen werden gebracht.Leerstelling. — Iedere waarzeggerij door het aanroepen van duivels is om twee redenen ongeoorloofd. De eerste reden ligt in het beginsel van de waarzeggerij, wat een uitdrukkelijk door het aanroepen van de duivel zelf met hem aangegaan verbond is. En dat is absoluut verboden. Daarom zegt Jesaja (28, 15) 368tegen sommigen: “Gij hebt gezegd: wij hebben een verbond met de dood aangegaan en een overeenkomst gesloten met de hel.” En het zou nog erger zijn, als aan de aangeroepen duivel een offer of eerbewijzen werden gebracht.

Secunda vero ratio sumitur ex parte futuri eventus. Daemon enim, qui intendit perditionem hominum, ex hujusmodi suis responsis, etiamsi aliquando vera dicat, intendit homines assuefacere ad hoc quod ei credatur: et sic intendit perducere in aliquid quod sit saluti humanae nocivum. Unde Athanasius, exponens illud quod habetur Lucae 4. [v. 35], « Increpavit illum, dicens: Obmutesce », dicit [Comment. in Luc., v. 33, 34] : « Quamvis vera fateretur daemon, compescebat tamen Christus ejus sermonem, ne simul cum veritate etiam suam iniquitatem promulget. Ut nos etiam assuefaciat ne curemus de talibus, etsi vera loqui videatur: nefas enim est ut, cum adsit nobis Scriptura divina, a diabolo instruamur ».

De tweede reden ligt in de toekomstige gebeurtenis. Want de duivel, die den ondergang van de menschen op het oog heeft, bedoelt door deze antwoorden, ook al zegt hij soms de waarheid, de menschen eraan te wennen hem te gelooven; en zoo wil hij tot iets brengen, dat het heil van de menschen schaadt. Daarom zegt Athanasius bij den uitleg van het woord van Lucas (4. 35) : « Hij bedreigde hem en zei: Verstom »: « Al sprak de duivel de waarheid, toch belette Christus hem te spreken, opdat hij niet tegelijk met de waarheid zijn slechtheid zou toonen. En ook om ons eraan te wennen niet om dergelijke dingen te geven, ook al schijnt de waarheid te worden gezegd; want het is een schande, dat wij door den duivel zouden worden onderricht, als wij de H. Schrift hebben. »De tweede reden ligt in de toekomstige gebeurtenis. Want de duivel, die de ondergang van de mensen op het oog heeft, bedoelt door deze antwoorden, ook al zegt hij soms de waarheid, de mensen eraan te wennen hem te geloven; en zo wil hij tot iets brengen, dat het heil van de mensen schaadt. Daarom zegt Athanasius bij de uitleg van het woord van Lukas (4, 35): “Hij bedreigde hem en zei: Verstom”: “Al sprak de duivel de waarheid, toch belette Christus hem te spreken, opdat hij niet tegelijk met de waarheid zijn slechtheid zou tonen. En ook om ons eraan te wennen niet om dergelijke dingen te geven, ook al schijnt de waarheid te worden gezegd; want het is een schande, dat wij door de duivel zouden worden onderricht, als wij de H. Schrift hebben.”

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod, sicut Beda dicit, [Comment. in Luc., libr. 3.], Lucae 8. [v. 30] : « non velut inscius Dominus inquirit: sed 369ut, confessa peste quam tolerabat, virtus curantis gravior emicaret ». Aliud autem est inquirere aliquid a daemone sponte occurrente, quod quandoque licet propter utilitatem aliorum, maxime quando divina virtute potest compelli ad vera dicendum: et aliud est daemonem invocare ad cognitionem occultorum acquirendam ab ipso.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals Beda bij Lucas (8. 30) zegt, « vroeg de Heer niet als iemand, die het niet wist, maar opdat door het bekend worden van het verderf, 369waaronder hij gebukt ging, de kracht van den geneesheer des te heerlijker zou uitschijnen. » Want er is verschil tusschen het ondervragen van een duivel, die uit eigen beweging in verbinding met ons treedt; en dat mag soms tot nut van anderen, vooral als hij door goddelijke kracht gedwongen kan worden om de waarheid te zeggen; en het aanroepen van den duivel om van hem de kennis van verborgen dingen te verkrijgen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals Beda bij Lukas (8, 30) zegt, “vroeg de Heer niet als iemand, die het niet wist, maar opdat door het bekend worden van het verderf, 369waaronder hij gebukt ging, de kracht van de geneesheer des te heerlijker zou uitschijnen.” Want er is verschil tussen het ondervragen van een duivel, die uit eigen beweging in verbinding met ons treedt; en dat mag soms tot nut van anderen, vooral als hij door goddelijke kracht gedwongen kan worden om de waarheid te zeggen; en het aanroepen van de duivel om van hem de kennis van verborgen dingen te verkrijgen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod sicut Augustinus dicit ad Simplicianum [De divers. quaest. , lib. 2, cap. 3.], « non est absurdum credere aliqua dispensatione permissum fuisse ut, non dominante arte magica vel potentia, sed dispensatione occulta, quae pythonissam et Saulem latebat, se ostenderet spiritus justi aspectibus regis, divina eum sententia percussurus ». Vel, non vere spiritus Samuelis a requie sua excitatus est, sed aliquod phantasma vel illusio imaginaria, diaboli machinationibus facta: quam Scriptura Samuelem appellat, sicut solent imagines rerum nominibus appellari.

2. Zooals Augustinus zegt, « is het niet dwaas aan te nemen, dat om een of andere reden werd toegestaan, dat, niet onder de overmacht van magische kunst of kracht, maar om een geheime reden, die aan Saul en de zieners verborgen bleef, de geest van den rechtvaardige zich den koning vertoonde om hem door de goddelijke beslissing te verpletteren. Ofwel: de ziel van Samuel is niet waarlijk uit haar rust opgewekt, maar een verschijning of verbeeldingsbedrog door duivelskunsten ontstaan; en dat noemt de H. Schrift Samuel, zooals men gewoonlijk beelden bij de namen van wat zij afbeelden noemt. »2. Zoals Augustinus zegt, “is het niet dwaas aan te nemen, dat om een of andere reden werd toegestaan, dat, niet onder de overmacht van magische kunst of kracht, maar om een geheime reden, die aan Saul en de zieners verborgen bleef, de geest van de rechtvaardige zich de koning vertoonde om hem door de goddelijke beslissing te verpletteren. Ofwel: de ziel van Samuel is niet waarlijk uit haar rust opgewekt, maar een verschijning of verbeeldingsbedrog door duivelskunsten ontstaan; en dat noemt de H. Schrift Samuel, zoals men gewoonlijk beelden bij de namen van wat zij afbeelden noemt.”

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod nulla utilitas temporalis potest comparari detrimento spiritualis salutis, quod imminet ex inquisitione occultorum per daemonum invocationem.

3. Geen tijdelijk nut kan met de schade aan het geestelijk heil worden vergeleken, die ons bedreigt bij het zoeken naar verborgen dingen door het aanroepen van den duivel.3. Geen tijdelijk nut kan met de schade aan het geestelijk heil worden vergeleken, die ons bedreigt bij het zoeken naar verborgen dingen door het aanroepen van de duivel.

Articulus V

Utrum divinatio, quae fit per astra, sit illicita

[I-II. q. 9. a. 5. 3; 2. Dist. 15. q. 1. a. 3. ad 4; 3. C. G. c. 154; de Sort. c. 4. 5.; De judic. astror.; ad Gal. c. 4. lect. 4.]
Ve Artikel

Is de waarzeggerij uit de sterren ongeoorloofd?

antwoord 1 ↓

370Ad quintum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per astra non sit illicita. Licitum est enim ex consideratione causarum praenuntiare effectus: sicut medici ex dispositione aegritudinis praenuntiant mortem. Sed corpora coelestia sunt causa eorum quae fiunt in hoc mundo: ut etiam Dionysius dicit, 4 cap. de Div. Nomin. Ergo divinatio quae fit per astra non est illicita.

370Bedenkingen. — Men beweert, dat de waarzeggerij uit de sterren niet ongeoorloofd is. — 1. Want men mag uit de bestudeering van de oorzaken de gevolgen voorspellen, zooals de doktoren uit den ziektetoestand den dood voorspellen. Nu zijn de hemellichamen de oorzaak van wat hier op aarde geschiedt, zooals ook Dionysius zegt. Dus is de waarzeggerij uit de sterren niet verboden.370Bedenkingen. — Men beweert, dat de waarzeggerij uit de sterren niet ongeoorloofd is. — 1. Want men mag uit de bestudering van de oorzaken de gevolgen voorspellen, zoals de doktoren uit de ziektetoestand de dood voorspellen. Nu zijn de hemellichamen de oorzaak van wat hier op aarde geschiedt, zoals ook Dionysius zegt. Dus is de waarzeggerij uit de sterren niet verboden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, scientia humana ex experimentis originem sumit: ut patet per Philosophum in 1 Metaph. [cap. 1. n. 4.]. Sed per multa experimenta aliqui compererunt ex consideratione siderum aliqua futura posse praenosci. Ergo non videtur esse illicitum tali divinatione uti.

2. De menschelijke wetenschap ontstaat door proefnemingen, zooals de Wijsgeer bewijst. Nu hebben sommigen door veel ondervinding bevonden, dat men sommige toekomstige dingen uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen. Dus schijnt de toepassing van dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.2. De menselijke wetenschap ontstaat door proefnemingen, zoals de Wijsgeer bewijst. Nu hebben sommigen door veel ondervinding bevonden, dat men sommige toekomstige dingen uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen. Dus schijnt de toepassing van dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, divinatio dicitur esse illicita inquantum innititur pacto cum daemonibus inito. Sed hoc non fit in divinatione quae fit per astra, 371sed solum consideratur dispositio creaturarum Dei. Ergo videtur quod hujusmodi divinatio non sit illicita.

3. Men zegt, dat de waarzeggerij ongeoorloofd is in zoover zij steunt op een met de duivels gesloten verbond. Nu heeft zoo iets bij het waarzeggen uit de sterren niet plaats, maar men let 371alleen op de plaatsing van schepsels van God. Dus schijnt dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.3. Men zegt, dat de waarzeggerij ongeoorloofd is in zover zij steunt op een met de duivels gesloten verbond. Nu heeft zo iets bij het waarzeggen uit de sterren niet plaats, maar men let 371alleen op de plaatsing van schepsels van God. Dus schijnt dergelijke waarzeggerij niet ongeoorloofd.

Sed contra est quod dicit Augustinus in 4 Confess. [cap. 3.] : « illos planetarios quos mathematicos vocant, consulere non desistebam: quod quasi nullum esset sacrificium, et nullae preces ad aliquem spiritum ob divinationem dirigerentur. Quod tamen christiana et vera pietas expellit et damnat ».

Maar daartegenover staat, wat Augustinus zegt: « Ik hield niet op de planeetkundigen, die men wiskundigen noemt, te raadplegen; omdat zij geen offers kenden en geen gebeden tot een geest richtten voor wichelarij. Maar de christelijke en ware godsvrucht veroordeelt en verwerpt dat. »Maar daartegenover staat, wat Augustinus zegt: “Ik hield niet op de planeetkundigen, die men wiskundigen noemt, te raadplegen; omdat zij geen offers kenden en geen gebeden tot een geest richtten voor wichelarij. Maar de christelijke en ware godsvrucht veroordeelt en verwerpt dat.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 1. ad 2. huj. q.], divinationi quae ex opinione falsa vel vana procedit, ingerit se operatio daemonis, ut hominum animos implicet vanitati aut falsitati. Vana autem aut falsa opinione utitur si quis ex consideratione stellarum futura velit praecognoscere quae per ea praecognosci non possunt. Est igitur considerandum quid per coelestium corporum inspectionem de futuris possit praecognosci. Et de his quidem quae ex necessitate eveniunt, manifestum est quod per considerationem stellarum possunt praecognosci: sicut astrologi 372praenuntiant eclipses futuras. Circa praecognitionem vero futurorum eventuum ex consideratione stellarum, diversi diversa dixerunt.

Leerstelling. — Zooals vroeger werd gezegd (1e Art. 2e Antw.) , mengt de werkzaamheid van den duivel zich in waarzeggerij, die van een verkeerde of ijdele opvatting uitgaat, om zoo de zielen van de menschen in ijdelheid en onwaarheid te verstrikken. Nu steunt een mensch op een verkeerde en ijdele meening, als hij door het beschouwen van de sterren toekomstige dingen wil leeren kennen, die men daaruit niet kan kennen. Wij moeten daarom bezien, wat men door het beschouwen van de hemellichamen over de toekomst kan leeren. En nu is het duidelijk, dat men wat noodzakelijkerwijze gebeurt uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen, zooals de sterrekundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. Maar er zijn 372verschillende meeningen geweest over de voorkennis van toekomstige feiten uit de beschouwing van de sterren.Leerstelling. — Zoals vroeger werd gezegd (1e Art. 2e Antw.), mengt de werkzaamheid van de duivel zich in waarzeggerij, die van een verkeerde of ijdele opvatting uitgaat, om zo de zielen van de mensen in ijdelheid en onwaarheid te verstrikken. Nu steunt een mens op een verkeerde en ijdele mening, als hij door het beschouwen van de sterren toekomstige dingen wil leren kennen, die men daaruit niet kan kennen. Wij moeten daarom bezien, wat men door het beschouwen van de hemellichamen over de toekomst kan leren. En nu is het duidelijk, dat men wat noodzakelijkerwijze gebeurt uit het beschouwen van de sterren van te voren kan kennen, zoals de sterrekundigen de toekomstige verduisteringen van te voren aankondigen. Maar er zijn 372verschillende meningen geweest over de voorkennis van toekomstige feiten uit de beschouwing van de sterren.

Fuerunt enim qui dicerent quod stellae potius significant quam faciant ea quae ex earum consideratione praenuntiantur. Sed hoc irrationabiliter dicitur. Omne enim corporale signum vel est effectus ejus cujus est signum, sicut fumus significat ignem, a quo causatur: vel procedit ab eadem causa, et sic, dum designat causam, per consequens significat effectum, sicut iris quandoque significat serenitatem, inquantum causa ejus est causa serenitatis. Non potest autem dici, quod dispositiones coelestium corporum et motus sint effectus futurorum eventuum. Nec iterum possunt reduci in aliquam superiorem causam communem quae sit corporalis. Possunt autem reduci in unam causam communem quae est providentia divina: sed alia ratione disponuntur a divina providentia motus et situs coelestium corporum, et alia ratione eventus contingentium futurorum; quia illa disponuntur secundum rationem necessitatis, ut semper et eodem modo proveniant; haec autem secundum rationem contingentiae, ut variabiliter contingant.

Want er waren er, die zeiden, dat de sterren eerder teekens dan oorzaken zijn van datgene, wat uit het beschouwen ervan voorspeld wordt. Dit zegt men echter tegen de rede in. Want ieder lichamelijk teeken is ofwel een gevolg van datgene, waarvan het een teeken is, zooals rook het vuur beduidt, waardoor hij wordt voortgebracht; of komt van dezelfde oorzaak en geeft zoo, door de oorzaak aan te wijzen, ook het gevolg aan, zooals de regenboog soms helder weer aanduidt, in zoover de oorzaak ervan ook de oorzaak van het heldere weer is. Maar men kan niet beweren, dat de plaatsing en beweging van de hemellichamen de gevolgen zijn van toekomstige gebeurtenissen. En ook kunnen zij niet tot een hoogere lichamelijke en gemeenschappelijke oorzaak worden herleid. Wel kunnen zij tot een gemeenschappelijke oorzaak herleid worden, nl. de goddelijke voorzienigheid; maar de beweging en plaatsing van de hemellichamen worden door de goddelijke voorzienigheid op een andere manier voortgebracht dan de toevallige toekomstige gebeurtenissen; omdat de eersten noodzakelijkerwijze worden geregeld, zoodat zij altijd op dezelfde manier gebeuren; maar de tweeden op toevallige manier, zoodat zij op verschillende manieren geschieden.Want er waren er, die zeiden, dat de sterren eerder tekens dan oorzaken zijn van datgene, wat uit het beschouwen ervan voorspeld wordt. Dit zegt men echter tegen de rede in. Want ieder lichamelijk teken is ofwel een gevolg van datgene, waarvan het een teken is, zoals rook het vuur beduidt, waardoor hij wordt voortgebracht; of komt van dezelfde oorzaak en geeft zo, door de oorzaak aan te wijzen, ook het gevolg aan, zoals de regenboog soms helder weer aanduidt, in zover de oorzaak ervan ook de oorzaak van het heldere weer is. Maar men kan niet beweren, dat de plaatsing en beweging van de hemellichamen de gevolgen zijn van toekomstige gebeurtenissen. En ook kunnen zij niet tot een hogere lichamelijke en gemeenschappelijke oorzaak worden herleid. Wel kunnen zij tot een gemeenschappelijke oorzaak herleid worden, nl. de goddelijke voorzienigheid; maar de beweging en plaatsing van de hemellichamen worden door de goddelijke voorzienigheid op een andere manier voortgebracht dan de toevallige toekomstige gebeurtenissen; omdat de eersten noodzakelijkerwijze worden geregeld, zodat zij altijd op dezelfde manier gebeuren; maar de tweeden op toevallige manier, zodat zij op verschillende manieren geschieden.

373Unde non potest esse quod ex inspectione siderum accipiatur praecognitio futurorum nisi sicut ex causis praecognoscuntur effectus. Duplices autem effectus subtrahuntur causalitati coelestium corporum. Primo quidem, omnes effectus per accidens contingentes, sive in rebus humanis sive in rebus naturalibus. Quia, ut probatur in 6 Metaph. [cap. 3.], ens per accidens non habet causam: et praecipue naturalem, cujusmodi est virtus coelestium corporum. Quia quod per accidens fit neque est ens proprie neque unum: sicut quod, lapide cadente, fiat terraemotus, vel quod, homine fodiente sepulcrum, inveniatur thesaurus; haec enim, et hujusmodi, non sunt simpliciter unum, sed simpliciter multa. Operatio autem naturae semper terminatur ad aliquid unum: sicut et procedit ab uno principio, quod est forma rei naturalis.

373Daarom is het onmogelijk uit het bezien van de sterren tot de voorkennis van de toekomst te komen, tenzij op de manier waarop men de gevolgen uit de oorzaak kent. Nu vallen twee soorten gevolgen buiten het veroorzaakt worden door de hemellichamen. En wel ten eerste alle gevolgen, die toevallig gebeuren, hetzij in wat de menschen of wat de natuur doet. Want zooals in de Metaphysica wordt bewezen, heeft een door toeval ontstaan ding geen oorzaak en vooral geen natuuroorzaak, zooals de kracht van de hemellichamen er een is. Want wat toevallig geschiedt, is eigenlijk noch een ding noch iets eens, zooals wanneer er een aardbeving plaats heeft, als een steen valt, of wanneer een mensch, als hij een graf graaft, een schat vindt. Want deze dingen e. d. zijn niet een ding, maar zonder beperking gezegd, meerdere dingen. De werking van de natuur echter is altijd tot iets eens bepaald, zooals het ook van één beginsel uitgaat, nl. de vorm van het natuurding.373Daarom is het onmogelijk uit het bezien van de sterren tot de voorkennis van de toekomst te komen, tenzij op de manier waarop men de gevolgen uit de oorzaak kent. Nu vallen twee soorten gevolgen buiten het veroorzaakt worden door de hemellichamen. En wel ten eerste alle gevolgen, die toevallig gebeuren, hetzij in wat de mensen of wat de natuur doet. Want zoals in de Metafysica wordt bewezen, heeft een door toeval ontstaan ding geen oorzaak en vooral geen natuuroorzaak, zoals de kracht van de hemellichamen er een is. Want wat toevallig geschiedt, is eigenlijk noch een ding noch iets eens, zoals wanneer er een aardbeving plaats heeft, als een steen valt, of wanneer een mens, als hij een graf graaft, een schat vindt. Want deze dingen e. d. zijn niet een ding, maar zonder beperking gezegd, meerdere dingen. De werking van de natuur echter is altijd tot iets eens bepaald, zoals het ook van één beginsel uitgaat, nl. de vorm van het natuurding.

Secundo autem, subtrahuntur causalitati coelestium corporum actus liberi arbitrii, quod est « facultas voluntatis et rationis ». Intellectus enim, sive ratio, non est corpus nec actus organi corporei; et per consequens nec voluntas, quae est in ratione: ut patet per Philosophum in 3 de Anima [c. 4. n. 3, 4; c. 9. n. 3.]. Nullum autem corpus potest imprimere in 374rem incorpoream. Unde impossibile est quod corpora coelestia directe imprimant in intellectum et voluntatem: hoc enim esset ponere intellectum non differre a sensu; quod Aristoteles in lib. 2 de Anima [c. 3. n. 1, 2.], imponit his qui dicebant quod « talis » voluntas est in hominibus qualem in diem inducit Pater virorum deorumque, scilicet sol vel coelum. Unde corpora coelestia non possunt esse per se causa operationum liberi arbitrii. Possunt tamen ad hoc dispositive inclinare: inquantum imprimunt in corpus humanum, et per consequens in vires sensitivas, quae sunt actus corporalium organorum, quae inclinant ad humanos actus. Quia tamen vires sensitivae obediunt rationi, ut patet per Philosophum in 3 de Anima [cap. 9. n. 3.] et 1 Ethic. [cap. 13. n. 17.], nulla necessitas ex hoc libero arbitrio imponitur, sed contra inclinationem coelestium corporum homo potest per rationem operari.

Maar op de tweede plaats zijn de daden van de vrije wilsbeschikking, dat een « vermogen van verstand en wil » is, aan de oorzakelijkheid van de hemellichamen onttrokken. Want de rede of het verstand is geen lichaam en geen daad van een lichamelijk orgaan, en dus de wil, die in het verstandelijke gedeelte is, ook niet, zooals de Wijsgeer bewijst. Nu kan geen lichaam invloed 374uitoefenen op een niet-lichamelijk ding. Daarom is het onmogelijk, dat hemellichamen rechtstreeks invloed uitoefenen op verstand en wil, want dan zou men aannemen, dat er tusschen verstand en zintuigen geen verschil bestaat; en dat schrijft Aristoteles toe aan hen, die zeiden, dat « de menschen dat willen, wat iederen dag de Vader van menschen en goden, nl. de zon of de hemel, in hen drukt. » Daarom kunnen de hemellichamen niet krachtens zichzelf oorzaak zijn van wat de vrije wil doet. — Toch kunnen zij door geschikt te maken ergens neiging toe geven, doordat zij invloed uitoefenen op het lichaam en dientengevolge op de zinnelijke krachten, die daden van lichamelijke organen zijn en neiging geven tot menschelijke daden. Maar omdat de zinnelijke krachten, zooals de Wijsgeer bewijst, aan het verstand gehoorzamen, wordt hierdoor aan den vrijen wil geen noodzaak opgelegd, maar kan de mensch door het verstand tegen de van de hemellichamen komende neiging in handelen.Maar op de tweede plaats zijn de daden van de vrije wilsbeschikking, dat een “vermogen van verstand en wil” is, aan de oorzakelijkheid van de hemellichamen onttrokken. Want de rede of het verstand is geen lichaam en geen daad van een lichamelijk orgaan, en dus de wil, die in het verstandelijke gedeelte is, ook niet, zoals de Wijsgeer bewijst. Nu kan geen lichaam invloed 374uitoefenen op een niet-lichamelijk ding. Daarom is het onmogelijk, dat hemellichamen rechtstreeks invloed uitoefenen op verstand en wil, want dan zou men aannemen, dat er tussen verstand en zintuigen geen verschil bestaat; en dat schrijft Aristoteles toe aan hen, die zeiden, dat “de mensen dat willen, wat iederen dag de Vader van mensen en goden, nl. de zon of de hemel, in hen drukt.” Daarom kunnen de hemellichamen niet krachtens zichzelf oorzaak zijn van wat de vrije wil doet. — Toch kunnen zij door geschikt te maken ergens neiging toe geven, doordat zij invloed uitoefenen op het lichaam en dientengevolge op de zinnelijke krachten, die daden van lichamelijke organen zijn en neiging geven tot menselijke daden. Maar omdat de zinnelijke krachten, zoals de Wijsgeer bewijst, aan het verstand gehoorzamen, wordt hierdoor aan de vrije wil geen noodzaak opgelegd, maar kan de mens door het verstand tegen de van de hemellichamen komende neiging in handelen.

Si quis ergo consideratione astrorum utatur ad praecognoscendos futuros casuales vel fortuitos eventus, aut etiam ad cognoscendum per certitudinem futura opera hominum, procedit hoc ex falsa et vana opinione. Et sic operatio daemonis se immiscet. Unde erit divinatio superstitiosa et illicita. 375Si vero aliquis utatur consideratione astrorum ad praecognoscendum futura quae ex coelestibus causantur corporibus, puta siccitates et pluvias et alia hujusmodi, non erit illicita divinatio nec superstitiosa.

Zou dus iemand het beschouwen van de sterren benutten om toekomstige, toevallige of bijkomstige gebeurtenissen te kennen of ook de toekomstige daden van menschen met zekerheid te weten, dan zou hij van een verkeerde en dwaze meening uitgaan. En zoo zal de werkzaamheid van den duivel zich erin mengen. Dus zal 375het een bijgeloovige en verboden waarzeggerij zijn. — Benut iemand echter het waarnemen van de sterren om toekomstige dingen, die door de hemellichamen veroorzaakt worden, van te voren te kennen, zooals droogte en regen e. d., dan zal het geen verboden en bijgeloovige waarzeggerij zijn.Zou dus iemand het beschouwen van de sterren benutten om toekomstige, toevallige of bijkomstige gebeurtenissen te kennen of ook de toekomstige daden van mensen met zekerheid te weten, dan zou hij van een verkeerde en dwaze mening uitgaan. En zo zal de werkzaamheid van de duivel zich erin mengen. Dus zal 375het een bijgelovige en verboden waarzeggerij zijn. — Benut iemand echter het waarnemen van de sterren om toekomstige dingen, die door de hemellichamen veroorzaakt worden, van te voren te kennen, zoals droogte en regen e. d., dan zal het geen verboden en bijgelovige waarzeggerij zijn.

↑ bedenking 1

Et secundum hoc patet responsio ad primum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hierop blijkt het antwoord uit het voorafgaande.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod hoc quod astrologi ex consideratione astrorum frequenter vera praenuntiant, contingit dupliciter. Uno quidem modo, quia plures hominum passiones corporales sequuntur, et ideo actus eorum disponuntur, ut in pluribus, secundum inclinationem coelestium corporum: pauci autem sunt, idest soli sapientes, qui ratione hujusmodi inclinationes moderentur. Et ideo astrologi in multis vera praenuntiant: et praecipue in communibus eventibus, qui dependent ex multitudine.

2. Het feit dat de sterrenwichelaars uit het beschouwen van de sterren dikwijls de waarheid voorspellen, komt van twee dingen. Ten eerste, omdat de meerderheid van de menschen de lichamelijke begeerten volgen en zoo worden hun daden in de meeste gevallen naar de inwerking van de hemellichamen geregeld; maar er zijn er weinigen, nl. de wijzen, die deze neigingen door het verstand regelen. En daarom voorspellen de sterrenwichelaars in vele dingen de waarheid en vooral bij gebeurtenissen in de gemeenschap, die van de menigte afhankelijk zijn.2. Het feit dat de sterrenwichelaars uit het beschouwen van de sterren dikwijls de waarheid voorspellen, komt van twee dingen. Ten eerste, omdat de meerderheid van de mensen de lichamelijke begeerten volgen en zo worden hun daden in de meeste gevallen naar de inwerking van de hemellichamen geregeld; maar er zijn er weinigen, nl. de wijzen, die deze neigingen door het verstand regelen. En daarom voorspellen de sterrenwichelaars in vele dingen de waarheid en vooral bij gebeurtenissen in de gemeenschap, die van de menigte afhankelijk zijn.

Alio modo propter daemones se immiscentes. Unde Augustinus in 2 super Gen. ad literam [cap. 17.] dicit: « Fatendum est, quando a mathematicis vera dicuntur, instinctu quodam occultissimo dici, quem nescientes humanae mentes patiuntur. Quod tamen ad decipiendos homines fit spirituum 376immundorum et seductorum operatione, qui quaedam vera de temporalibus rebus nosse permittuntur ». Unde concludit: « Quapropter bono Christiano sive mathematici, sive quilibet impie divinantium, et maxime dicentes vera, cavendi sunt: ne consortio daemoniorum animam deceptam pacto quodam societatis irretiant ».

Ten tweede, omdat de duivels er zich in mengen. Daarom zegt Augustinus: « Men moet bekennen, dat als door de wiskundigen de waarheid wordt gesproken, dit door een zeer geheimzinnige aandrift wordt gezegd, die de geesten van de menschen zonder het te weten ondergaan. En als dat gebeurt om de menschen te 376bedriegen, is het het werk van de onreine en bedriegelijke geesten, wien wordt toegestaan iets waars over tijdelijke zaken te weten. » Daarom besluit hij: « Dus moet een goed Christen zich in acht nemen voor wiskundigen en iederen goddeloozen waarzegger, en vooral als zij de waarheid zeggen, opdat zij hun ziel niet door met de duivels om te gaan laten bedriegen en verstrikken in een verbond van gemeenschap. »Ten tweede, omdat de duivels er zich in mengen. Daarom zegt Augustinus: “Men moet bekennen, dat als door de wiskundigen de waarheid wordt gesproken, dit door een zeer geheimzinnige aandrift wordt gezegd, die de geesten van de mensen zonder het te weten ondergaan. En als dat gebeurt om de mensen te 376bedriegen, is het het werk van de onreine en bedriegelijke geesten, wie wordt toegestaan iets waars over tijdelijke zaken te weten.” Daarom besluit hij: “Dus moet een goed Christen zich in acht nemen voor wiskundigen en iederen goddelozen waarzegger, en vooral als zij de waarheid zeggen, opdat zij hun ziel niet door met de duivels om te gaan laten bedriegen en verstrikken in een verbond van gemeenschap.”

↑ bedenking 3

Et per hoc patet responsio ad tertium.

3. Hieruit blijkt ook, wat op de derde moeilijkheid is te antwoorden.

Articulus VI

Utrum divinatio, quae fit per somnia, sit illicita

[Lib. 3. Contr. g. cap. 154.]
VIe Artikel

Is de waarzeggerij uit droomen geoorloofd?Is de waarzeggerij uit dromen geoorloofd?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod divinatio quae fit per somnia non sit illicita. Uti enim instructione divina non est illicitum. Sed in somniis homines instruuntur a Deo: dicitur enim Job 33. [v. 15, 16] : « Per somnium in visione nocturna, quando irruit sopor super homines et dormiunt 377in lectulo, tunc aperit », scilicet Deus, « aures virorum, et erudiens eos instruit disciplina ». Ergo uti divinatione quae est per somnia non est illicitum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de waarzeggerij uit droomen niet geoorloofd is. — 1. Want het is niet verboden zich Gods onderrichtingen ten nutte te maken. Nu worden de menschen in droomen door God onderricht; want in het Boek Job (33. 15, 16) wordt gezegd: « Door droomen in een nachtelijk gezicht, als de sluimer de menschen bekruipt en zij in hun bed slapen, 377opent Hij (God) de ooren van de mannen en hen leerend onderricht Hij hen door kennis. » Dus is het gebruik maken van waarzeggerij door droomen niet verboden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de waarzeggerij uit dromen niet geoorloofd is. — 1. Want het is niet verboden zich Gods onderrichtingen ten nutte te maken. Nu worden de mensen in dromen door God onderricht; want in het Boek Job (33, 15, 16) wordt gezegd: “Door dromen in een nachtelijk gezicht, als de sluimer de mensen bekruipt en zij in hun bed slapen, 377opent Hij (God) de oren van de mannen en hen lerend onderricht Hij hen door kennis.” Dus is het gebruik maken van waarzeggerij door dromen niet verboden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, illi qui interpretantur somnia, proprie utuntur divinatione somniorum. Sed sancti viri leguntur somnia interpretati1 : sicut Joseph est interpretatus somnia pincernae Pharaonis et magistri pistorum, ut legitur Gen. 40. [v. 8 sqq.] et somnium Pharaonis, ut legitur Gen. 41 [v. 15 sqq.] ; et Daniel interpretatus est somnium Regis Babylonis, ut habetur Dan. 2. [v. 26 sqq.] et 4. [v. 5 sqq.]. Ergo divinatio somniorum non est illicita.

2. Zij, die droomen uitleggen, zijn de eigenlijke gebruikers van de waarzeggerij door droomen. Nu lezen wij soms van heilige mannen, dat zij droomen uitleggen, zooals Joseph de droomen van den schenker van Pharao en van den overste van de bakkers uitlegde, zooals wij in het Boek der Schepping (40. 8) lezen, en den droom van Pharao (41. 15) ; en Daniël verklaarde de droomen van den Koning van Babylon, zooals wij bij Daniël (2. 26 en 4. 5) lezen. Dus is het waarzeggen uit droomen niet ongeoorloofd.2. Zij, die dromen uitleggen, zijn de eigenlijke gebruikers van de waarzeggerij door dromen. Nu lezen wij soms van heilige mannen, dat zij dromen uitleggen, zoals Joseph de dromen van de schenker van Farao en van de overste van de bakkers uitlegde, zoals wij in het Boek van de Schepping (40, 8) lezen, en de droom van Farao (41, 15); en Daniël verklaarde de dromen van de Koning van Babylon, zoals wij bij Daniël (2, 26 en 4. 5) lezen. Dus is het waarzeggen uit dromen niet ongeoorloofd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud quod communiter homines experiuntur, irrationabile est negare. Sed omnes experiuntur somnia habere aliquam significationem futurorum. Ergo vanum est negare somnia habere vim divinationis. Ergo licitum est eis intendere.

3. Het is onredelijk te ontkennen, wat de menschen gezamenlijk ondervinden. Nu ondervinden allen, dat droomen een beteekenis over de toekomst hebben. Dus is het onredelijk te ontkennen dat droomen de kracht hebben, dat men eruit kan waarzeggen. Dus is het geoorloofd zich ermee bezig te houden.3. Het is onredelijk te ontkennen, wat de mensen gezamenlijk ondervinden. Nu ondervinden allen, dat dromen een betekenis over de toekomst hebben. Dus is het onredelijk te ontkennen dat dromen de kracht hebben, dat men eruit kan waarzeggen. Dus is het geoorloofd zich ermee bezig te houden.

Sed contra est quod dicitur Deuter. 18. [v. 10] : « Non inveniatur in te qui observet somnia ».

Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek Deuteronomium (18. 10) : « Laat er onder U geen zijn, die op droomen let. »Maar daartegenover staat de tekst uit het Boek Deuteronomium (18, 10): “Laat er onder U geen zijn, die op dromen let.”

378Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. 2. et 5. huj. q.], divinatio quae innititur falsae opinioni est superstitiosa et illicita. Ideo considerare oportet quid sit verum circa praecognitionem futurorum de somniis. Sunt autem somnia futurorum eventuum quandoque quidem causa: puta cum mens alicujus, solicita ex his quae videt in somnis, inducitur ad aliquid faciendum vel vitandum. Quandoque vero somnia sunt signa aliquorum futurorum eventuum, inquantum reducuntur ad aliquam causam communem somniis et futuris eventibus. Et secundum hoc plures praecognitiones futurorum in somniis fiunt. Est ergo considerandum quae sit causa somniorum; et an possit esse causa futurorum eventuum; vel ea possit cognoscere. Sciendum est ergo quod somniorum causa quandoque quidem est interius, quandoque autem exterius. Interior autem somniorum causa est duplex. Una quidem animalis: inquantum scilicet ea occurrunt hominis phantasiae in dormiendo circa quae ejus cogitatio et affectio fuit immorata in vigilando. Et talis causa somniorum non est causa futurorum eventuum. Unde hujusmodi somnia per accidens se habent ad futuros eventus: et si quandoque 379simul concurrant, erit casuale. Quandoque vero causa intrinseca somniorum est corporalis. Nam ex interiori dispositione corporis formatur aliquis motus in phantasia conveniens tali dispositioni: sicut homini in quo abundant frigidi humores, occurrunt in somniis quod sit in aqua vel nive. Et propter hoc medici dicunt esse intendendum somniis ad cognoscendum interiores dispositiones. Causa autem somniorum exterior similiter est duplex: scilicet corporalis, et spiritualis. Corporalis quidem, inquantum imaginatio dormientis immutatur vel ab aëre continenti vel ex impressione coelestis corporis, ut sic dormienti aliquae phantasiae appareant conformes coelestium dispositionum. Spiritualis autem causa est quandoque quidem a Deo, qui ministerio angelorum aliqua hominibus revelat in somniis: secundum illud Num. 12. [v. 6] : « Si quis fuerit inter vos propheta Domini, in visione apparebo ei, vel per somnium loquar ad illum ». Quandoque vero operatione daemonum aliquae phantasiae dormientibus apparent, ex quibus quandoque aliqua futura revelant his qui cum eis habent pacta illicita.

378Leerstelling. — Zooals werd gezegd (2e Art.), is waarzeggerij, die op een verkeerde meening steunt, bijgeloof en ongeoorloofd. Dus moeten wij zien, wat er waar is over de voorkennis van de toekomst uit droomen. Nu zijn droomen soms wel oorzaken van toekomstige gebeurtenissen, b. v. als een mensch, aangezet door wat hij in zijn droomen ziet, ertoe wordt gebracht om iets te doen of te vermijden. — Ook zijn droomen soms teekens van toekomstige gebeurtenissen, in zoover zij komen van een gemeenschappelijke oorzaak van droomen en toekomstige gebeurtenissen. Op deze manier ontstaat de meeste voorkennis van het toekomstige uit droomen. Dus moeten wij zien, wat van droomen de oorzaak is; en of dat de oorzaak van toekomstige gebeurtenissen kan zijn, en of het die kan kennen. Nu moet men weten, dat de oorzaak van droomen soms van binnen en soms van buiten komt. In ons is er een dubbele oorzaak van droomen. Een nl. van den kant van de ziel, in zoover tijdens den slaap van den mensch die dingen in zijn verbeelding opkomen, waar zijn gedachten en gevoelens zich bij het waken mee bezig hielden. En een dergelijke oorzaak van droomen is geen oorzaak van toekomstige gebeurtenissen. Dus staan zulke droomen in een toevallige verhouding tot toekomstige gebeurtenissen; en als zij 379soms samenvallen, is het iets toevalligs. — Soms komt de inwendige oorzaak van droomen van het lichaam. Want door den inwendigen lichaamstoestand komt er een beweging in de verbeelding, die bij dien toestand past; zooals in een mensch met veel koude vochten het in den droom schijnt, dat hij zich in het water of in de sneeuw bevindt. En daarom zeggen de geneesheeren, dat men op droomen moet letten om den inwendigen toestand te kennen. — Buiten ons staat een dubbele oorzaak van droomen: en wel een lichamelijke en een geestelijke: nl. een lichamelijke, in zoover de verbeelding van den slaper den invloed ondergaat van de hem omgevende lucht of de inwerking van een hemellichaam, zoodat den slaper dan beelden in zijn phantasie opkomen, die bij den toestand van den hemel passen. — De geestelijke oorzaak echter komt soms van den kant van God, die door den dienst der engelen den menschen soms iets in droomen openbaart, naar wat er geschreven staat in het Boek der Getallen (12. 6) : « Als er onder U een profeet van den Heer is, zal Ik hem in een gezicht verschijnen of in een droom tot hem spreken. » Soms ook komt door de werking van duivels iets in de verbeelding van slapenden op, waardoor zij soms iets toekomstigs bekend maken aan hen, die met hen een verboden verbond hebben gesloten.378Leerstelling. — Zoals werd gezegd (2e Art.), is waarzeggerij, die op een verkeerde mening steunt, bijgeloof en ongeoorloofd. Dus moeten wij zien, wat er waar is over de voorkennis van de toekomst uit dromen. Nu zijn dromen soms wel oorzaken van toekomstige gebeurtenissen, bv. als een mens, aangezet door wat hij in zijn dromen ziet, ertoe wordt gebracht om iets te doen of te vermijden. — Ook zijn dromen soms tekens van toekomstige gebeurtenissen, in zover zij komen van een gemeenschappelijke oorzaak van dromen en toekomstige gebeurtenissen. Op deze manier ontstaat de meeste voorkennis van het toekomstige uit dromen. Dus moeten wij zien, wat van dromen de oorzaak is; en of dat de oorzaak van toekomstige gebeurtenissen kan zijn, en of het die kan kennen. Nu moet men weten, dat de oorzaak van dromen soms van binnen en soms van buiten komt. In ons is er een dubbele oorzaak van dromen. Een nl. van de kant van de ziel, in zover tijdens de slaap van de mens die dingen in zijn verbeelding opkomen, waar zijn gedachten en gevoelens zich bij het waken mee bezig hielden. En een dergelijke oorzaak van dromen is geen oorzaak van toekomstige gebeurtenissen. Dus staan zulke dromen in een toevallige verhouding tot toekomstige gebeurtenissen; en als zij 379soms samenvallen, is het iets toevalligs. — Soms komt de inwendige oorzaak van dromen van het lichaam. Want door de inwendige lichaamstoestand komt er een beweging in de verbeelding, die bij die toestand past; zoals in een mens met veel koude vochten het in de droom schijnt, dat hij zich in het water of in de sneeuw bevindt. En daarom zeggen de geneesheren, dat men op dromen moet letten om de inwendige toestand te kennen. — Buiten ons staat een dubbele oorzaak van dromen: en wel een lichamelijke en een geestelijke: nl. een lichamelijke, in zover de verbeelding van de slaper de invloed ondergaat van de hem omgevende lucht of de inwerking van een hemellichaam, zodat de slaper dan beelden in zijn fantasie opkomen, die bij de toestand van de hemel passen. — De geestelijke oorzaak echter komt soms van de kant van God, die door de dienst van de engelen de mensen soms iets in dromen openbaart, naar wat er geschreven staat in het Boek van de Getallen (12, 6): “Als er onder U een profeet van de Heer is, zal Ik hem in een gezicht verschijnen of in een droom tot hem spreken.” Soms ook komt door de werking van duivels iets in de verbeelding van slapenden op, waardoor zij soms iets toekomstigs bekend maken aan hen, die met hen een verboden verbond hebben gesloten.

380Sic ergo dicendum quod si quis utatur somniis ad praecognoscenda futura secundum quod somnia procedunt ex revelatione divina; vel ex causa naturali, intrinseca sive extrinseca, quantum potest se virtus talis2 extendere: non erit illicita divinatio. Si autem hujusmodi divinatio causetur ex revelatione daemonum cum quibus pacta habentur expressa, quia ad hoc invocantur; vel tacita, quia hujusmodi divinatio extenditur ad quod se non potest extendere: erit divinatio illicita et superstitiosa.

380Wij moeten dus zeggen, dat als iemand droomen gebruikt om de toekomst te voorzien en dat, in zoover de droomen van goddelijke openbaring komen of uit een inwendige of uitwendige natuurlijke oorzaak, juist zoover als de kracht van een dergelijke oorzaak zich kan uitstrekken, het geen ongeoorloofde waarzeggerij is. Wordt zulk een waarzeggerij echter veroorzaakt door openbaring van de duivels, waarmee men een uitdrukkelijk verbond heeft gesloten, omdat zij hiertoe worden aangeroepen, of een stilzwijgend verbond, omdat deze waarzeggerij tot iets wordt uitgewerkt waartoe zij zich niet kan uitstrekken, dan is het een verboden en bijgeloovige waarzeggerij.380Wij moeten dus zeggen, dat als iemand dromen gebruikt om de toekomst te voorzien en dat, in zover de dromen van goddelijke openbaring komen of uit een inwendige of uitwendige natuurlijke oorzaak, juist zover als de kracht van een dergelijke oorzaak zich kan uitstrekken, het geen ongeoorloofde waarzeggerij is. Wordt zulk een waarzeggerij echter veroorzaakt door openbaring van de duivels, waarmee men een uitdrukkelijk verbond heeft gesloten, omdat zij hiertoe worden aangeroepen, of een stilzwijgend verbond, omdat deze waarzeggerij tot iets wordt uitgewerkt waartoe zij zich niet kan uitstrekken, dan is het een verboden en bijgelovige waarzeggerij.

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2 ↑ 3

Et per hoc patet responsio ad objecta.

Antwoord op de Bedenkingen. — Uit het voorafgaande is dit duidelijk.

Articulus VII

Utrum divinatio quae fit per auguria et omina et alias hujusmodi observationes exteriorum rerum sit illicita

[Lib. 3. Contr. g. cap. 154; De sort. c. 5; in Is. c. 2.]
VIIe Artikel

Is waarzeggen uit voorteekens en omina en ander waarnemen van uiterlijke dingen ongeoorloofd?Is waarzeggen uit voortekens en omina en ander waarnemen van uiterlijke dingen ongeoorloofd?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur quod divinatio, quae fit per 381auguria et omina et alias hujusmodi observationes exteriorum rerum, non sit illicita. Si enim esset illicita, sancti viri ea non uterentur. Sed de Joseph legitur quod auguriis intendebat: legitur enim Gen. 44. [v. 5], quod dispensator Joseph dixit: « Scyphum quem furati estis, ipse est in quo bibit dominus meus, et in quo augurari solet »; et ipse postea [v. 15] dixit fratribus suis: « An ignoratis quod non sit similis mei in augurandi scientia? » Ergo uti tali divinatione non est illicitum.

Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij door 381voorteekens en omina en verder waarnemen van uiterlijke dingen niet ongeoorloofd is. — 1. Want als het verboden was, zouden heilige mannen het niet hebben benut. Nu lezen wij van Joseph, dat hij aan voorteekens aandacht schonk; want er staat in het Boek der Schepping (44. 5) dat de huismeester van Joseph zei: « De beker, dien gij gestolen hebt, is die waaruit mijn heer drinkt en waaruit hij gewoon is voorzeggingen te doen; » en hij zelf zei later tot zijn broeders: « Weet gij niet, dat ik in de kunst van voorzeggen mijn evenknie niet heb? » Dus is het niet verboden dergelijke waarzeggerij te benutten.Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij door 381voortekens en omina en verder waarnemen van uiterlijke dingen niet ongeoorloofd is. — 1. Want als het verboden was, zouden heilige mannen het niet hebben benut. Nu lezen wij van Joseph, dat hij aan voortekens aandacht schonk; want er staat in het Boek van de Schepping (44, 5) dat de huismeester van Joseph zei: “De beker, die gij gestolen hebt, is die waaruit mijn heer drinkt en waaruit hij gewoon is voorzeggingen te doen;” en hij zelf zei later tot zijn broeders: “Weet gij niet, dat ik in de kunst van voorzeggen mijn evenknie niet heb?” Dus is het niet verboden dergelijke waarzeggerij te benutten.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, aves aliqua circa futuros eventus temporum naturaliter cognoscunt: secundum illud Hierem. 8. [v. 7] : « Milvus in coelo cognovit tempus suum: turtur et hirundo et ciconia custodierunt tempus adventus sui ». Sed naturalis cognitio est infallibilis, et a Deo. Ergo uti cognitione avium ad praecognoscendum futura, quod est augurari, non videtur esse illicitum.

2. De vogels kennen van nature iets over de toekomst naar het woord van Jeremias (8. 7) : « De valk in de lucht kent den voor hem bestemden tijd; tortelduif en zwaluw en ooievaar letten op den tijd van hun komst. » Nu is een natuurlijke kennis onfeilbaar en komt van God. Dus is gebruik maken van de natuurlijke kennis van vogels om de toekomst te voorzien, wat hetzelfde is als waarzeggerij met vogels, schijnbaar niet ongeoorloofd.2. De vogels kennen van nature iets over de toekomst naar het woord van Jeremia (8, 7): “De valk in de lucht kent de voor hem bestemden tijd; tortelduif en zwaluw en ooievaar letten op de tijd van hun komst.” Nu is een natuurlijke kennis onfeilbaar en komt van God. Dus is gebruik maken van de natuurlijke kennis van vogels om de toekomst te voorzien, wat hetzelfde is als waarzeggerij met vogels, schijnbaar niet ongeoorloofd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Gedeon in numero Sanctorum ponitur, ut patet ad Hebr. 11. [v. 32]. Sed Gedeon usus fuit omine ex hoc quod audivit recitationem et interpretationem cujusdam somnii, ut Judic. 7. [v. 13 sqq.] dicitur. 382Similiter Eliezer, servus Abrahae, ut legitur Gen. 24. [v. 13, 14]. Ergo videtur quod talis divinatio non sit illicita.

3. Gedeon wordt onder het getal heiligen gerekend, zooals uit den Brief aan de Hebreën (11. 32) blijkt. Nu benutte Gedeon een omen, omdat hij luisterde naar het verhalen en uitleggen van een droom, zooals wij in het Boek der Rechters (7. 13) lezen. En 382hetzelfde is het geval bij Abrahams dienaar Eliëzer, zooals in het Boek der Schepping (24. 13) staat. Een dergelijke waarzeggerij schijnt dus niet ongeoorloofd te zijn.3. Gedeon wordt onder het getal heiligen gerekend, zoals uit de Brief aan de Hebreën (11, 32) blijkt. Nu benutte Gedeon een omen, omdat hij luisterde naar het verhalen en uitleggen van een droom, zoals wij in het Boek van de Rechters (7, 13) lezen. En 382hetzelfde is het geval bij Abrahams dienaar Eliëzer, zoals in het Boek van de Schepping (24, 13) staat. Een dergelijke waarzeggerij schijnt dus niet ongeoorloofd te zijn.

Sed contra est quod dicitur Deuteron. 18. [v. 10] : « Non inveniatur in te qui observet auguria ».

Maar daartegenover staat het woord van het Boek Deuteronomium (18. 10) : « Laat er geen onder U zijn, die op voorteekens let. »Maar daartegenover staat het woord van het Boek Deuteronomium (18, 10): “Laat er geen onder U zijn, die op voortekens let.”

Respondeo dicendum quod motus vel garritus avium, vel quaecumque dispositiones in hujusmodi rebus consideratae, manifestum est quod non sunt causa futurorum eventuum: unde ex eis futura cognosci non possunt sicut ex causis. Relinquitur ergo quod si ex eis aliqua futura cognoscantur, hoc erit inquantum sunt effectus aliquarum causarum quae etiam sunt causantes vel praecognoscentes futuros eventus.

Leerstelling. — Het is duidelijk, dat de bewegingen en geluiden van vogels en verdere dergelijke schikkingen in dingen, waar men op let, geen oorzaak zijn van toekomstige gebeurtenissen; en daarom kan men daaruit de toekomst niet als uit haar oorzaak kennen. Er blijft dus over, dat als men er iets toekomstigs uit kent, dit is in zoover zij zijn voortgebracht door oorzaken, die ook ofwel toekomstige gebeurtenissen teweeg brengen of die van te voren kennen.Leerstelling. — Het is duidelijk, dat de bewegingen en geluiden van vogels en verdere dergelijke schikkingen in dingen, waar men op let, geen oorzaak zijn van toekomstige gebeurtenissen; en daarom kan men daaruit de toekomst niet als uit haar oorzaak kennen. Er blijft dus over, dat als men er iets toekomstigs uit kent, dit is in zover zij zijn voortgebracht door oorzaken, die ook ofwel toekomstige gebeurtenissen teweeg brengen of die van te voren kennen.

Causa autem operationum brutorum animalium est instinctus quidam quo moventur motu naturae: non enim habent dominium sui actus. Hic autem instinctus potest ex duplici causa procedere. Uno quidem modo, ex causa corporali. Cum enim bruta animalia non habeant nisi animam 383sensitivam, cujus omnes potentiae sunt actus corporalium organorum, subjacet eorum anima dispositioni continentium corporum, et primordialiter coelestium. Et ideo nihil prohibet aliquas eorum operationes esse futurorum signa, inquantum conformantur dispositionibus corporum coelestium et aëris continentis, ex quibus proveniunt aliqui futuri eventus. In hoc tamen duo considerari oportet. Primum quidem, ut operationes hujusmodi non extendantur nisi ad praecognoscenda futura quae causantur per motus coelestium corporum, ut supra dictum est [art. 5. et 6. praec.]. Secundo, ut non extendatur nisi ad ea quae aliqualiter possunt ad hujusmodi animalia pertinere. Consequuntur enim per coelestia corpora cognitionem quamdam naturalem et instinctum ad ea quae eorum vitae sunt necessaria: sicut sunt immutationes quae fiunt per pluvias et ventos, et alia hujusmodi.

Nu worden de handelingen van redelooze dieren door een instinct veroorzaakt, waardoor zij als natuurdingen worden bewogen; want zij missen de heerschappij over wat zij doen. Nu kan dit instinct uit een dubbele oorzaak voortkomen. Ten eerste uit een oorzaak met een lichaam. Want omdat de redelooze dieren 383alleen een zinnelijke ziel hebben, waarvan alle vermogens actualiteiten van lichaamsorganen zijn, staat hun ziel onder den invloed van den toestand der lichamen, die hen omgeven, en op de eerste plaats van de hemellichamen. En daarom is er niets op tegen, dat iets wat zij doen een teeken is van een toekomstige gebeurtenis, in zoover dit past bij den toestand van de hemellichamen en de lucht, die hen omringt; en sommige toekomstige feiten hebben ook daarin hun oorzaak. — Maar daarbij moet men op twee dingen letten. En wel ten eerste hierop, dat deze handelingen alleen dienen om toekomstige dingen te kennen, die door de beweging van de hemellichamen worden veroorzaakt, zooals boven (5e Art.) is gezegd. Ten tweede, dat zij zich alleen uitstrekken tot datgene, wat eenigszins met die dieren in verband kan staan. Want zij krijgen van de hemellichamen een zekere natuurlijke kennis en een instinct ten opzichte van wat voor hun leven noodzakelijk is, zooals de veranderingen door regens en winden en dergelijke dingen.Nu worden de handelingen van redeloze dieren door een instinct veroorzaakt, waardoor zij als natuurdingen worden bewogen; want zij missen de heerschappij over wat zij doen. Nu kan dit instinct uit een dubbele oorzaak voortkomen. Ten eerste uit een oorzaak met een lichaam. Want omdat de redeloze dieren 383alleen een zinnelijke ziel hebben, waarvan alle vermogens actualiteiten van lichaamsorganen zijn, staat hun ziel onder de invloed van de toestand van de lichamen, die hen omgeven, en op de eerste plaats van de hemellichamen. En daarom is er niets op tegen, dat iets wat zij doen een teken is van een toekomstige gebeurtenis, in zover dit past bij de toestand van de hemellichamen en de lucht, die hen omringt; en sommige toekomstige feiten hebben ook daarin hun oorzaak. — Maar daarbij moet men op twee dingen letten. En wel ten eerste hierop, dat deze handelingen alleen dienen om toekomstige dingen te kennen, die door de beweging van de hemellichamen worden veroorzaakt, zoals boven (5e Art.) is gezegd. Ten tweede, dat zij zich alleen uitstrekken tot datgene, wat enigszins met die dieren in verband kan staan. Want zij krijgen van de hemellichamen een zekere natuurlijke kennis en een instinct ten opzichte van wat voor hun leven noodzakelijk is, zoals de veranderingen door regens en winden en dergelijke dingen.

Alio modo instinctus hujusmodi causantur ex causa spirituali. Scilicet vel ex Deo: ut patet in columba super Christum descendente, et in corvo qui pavit Heliam, et in cete qui evomuit1 et ejecit Jonam. Vel etiam ex 384daemonibus, qui utuntur hujusmodi operationibus brutorum animalium ad implicandos animos hominum vanis opinionibus.

Daarnaast vindt dit instinct zijn oorzaak in iets geestelijks. En nl. ofwel in God, zooals blijkt uit de duif, die op Christus neerdaalde (Mt. 3. 16), en de raaf, die Elias spijzigde (3 Reg. 17. 4), en de visch, die Jonas verzwolg en uitwierp (Jon. 2. 1). Ofwel 384ook in de duivels, die wat deze redelooze dieren doen gebruiken om de zielen in ijdele gedachten te verstrikken.Daarnaast vindt dit instinct zijn oorzaak in iets geestelijks. En nl. ofwel in God, zoals blijkt uit de duif, die op Christus neerdaalde (Mt. 3. 16), en de raaf, die Elias spijzigde (3 Reg. 17. 4), en de vis, die Jonas verzwolg en uitwierp (Jon. 2. 1). Ofwel 384ook in de duivels, die wat deze redeloze dieren doen gebruiken om de zielen in ijdele gedachten te verstrikken.

Et eadem ratio videtur esse de omnibus aliis hujusmodi, praeterquam de ominibus. Quia verba humana, quae accipiuntur pro omine, non subduntur dispositioni stellarum. Disponuntur tamen secundum divinam providentiam; et quandoque secundum daemonum operationem.

En hetzelfde schijnt van alle dergelijke dingen op te gaan, behalve van de omina. Want woorden van een mensch, die men als omen opvat, zijn niet aan den invloed van de sterren onderworpen. Maar zij worden door de goddelijke voorzienigheid geregeld en soms door duivelswerk.En hetzelfde schijnt van alle dergelijke dingen op te gaan, behalve van de omina. Want woorden van een mens, die men als omen opvat, zijn niet aan de invloed van de sterren onderworpen. Maar zij worden door de goddelijke voorzienigheid geregeld en soms door duivelswerk.

Sic ergo dicendum quod omnis hujusmodi divinatio, si extendatur ultra illud ad quod potest pertingere secundum ordinem naturae vel divinae providentiae, est superstitiosa et illicita.

Wij moeten dus zeggen, dat al dergelijke waarzeggerij bijgeloof en ongeoorloofd is, als zij zich buiten datgene uitstrekt, waartoe deze dingen kunnen reiken naar de orde van de natuur of de goddelijke voorzienigheid.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod hoc quod Joseph dixit, non esse aliquem sibi similem in scientia augurandi, secundum Augustinum [in lib. QQ. sup. Genes. q. 145.], joco dixit, non serio, referens forte hoc ad illud quod vulgus de eo opinabatur. Et sic etiam dispensator ejus locutus est.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens Augustinus zei Joseph dat wat hij vertelde, dat er niemand hem in de kunst van waarzeggen gelijk was, in scherts en niet in ernst; en hij liet het misschien slaan op wat het volk van hem dacht. En zoo sprak ook zijn hofmeester.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Volgens Augustinus zei Joseph dat wat hij vertelde, dat er niemand hem in de kunst van waarzeggen gelijk was, in scherts en niet in ernst; en hij liet het misschien slaan op wat het volk van hem dacht. En zo sprak ook zijn hofmeester.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod illa auctoritas loquitur de cognitione avium respectu eorum quae ad eas pertinent. Et ad haec praecognoscenda 385considerare earum voces et motus non est illicitum: puta si quis ex hoc quod cornicula frequenter crocitat, praedicat pluviam cito esse futuram.

2. Deze tekst spreekt over het kennen van de vogels met betrekking tot datgene wat met ze te maken heeft. En het is niet verboden op hun geschreeuw en bewegingen te letten om dat te voren te 385weten; b. v. als iemand uit het feit, dat een kraai herhaaldelijk krast, voorspelt dat het spoedig zal gaan regenen.2. Deze tekst spreekt over het kennen van de vogels met betrekking tot datgene wat met ze te maken heeft. En het is niet verboden op hun geschreeuw en bewegingen te letten om dat te voren te 385weten; bv. als iemand uit het feit, dat een kraai herhaaldelijk krast, voorspelt dat het spoedig zal gaan regenen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod Gedeon observavit recitationem et expositionem somnii accipiens ea pro omine, quasi ordinata ad sui instructionem a divina providentia. Et similiter Eliezer attendit verba puellae oratione praemissa ad Deum [v. 12].

3. Gedeon lette op het vertellen en uitleggen van een droom en nam dat als een omen aan, omdat het door de goddelijke voorzienigheid bedoeld was om hem te onderrichten. — En evenzoo lette Eliëzer op de woorden van het meisje, na te voren tot God gebeden te hebben.3. Gedeon lette op het vertellen en uitleggen van een droom en nam dat als een omen aan, omdat het door de goddelijke voorzienigheid bedoeld was om hem te onderrichten. — En evenzo lette Eliëzer op de woorden van het meisje, na te voren tot God gebeden te hebben.

Articulus VIII

Utrum divinatio sortium sit illicita

[Lib. 3. Contr. g. cap. 154; De sort. c. 4. 5; Quodl. 12. q. 22. a. 3; in Ps. 30; ad Eph. c 1. lect. 4; ad Col. c. 1. lect. 3.]
VIIIe Artikel

Is waarzeggerij uit het lot ongeoorloofd?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod divinatio sortium non sit illicita. Quia super illud Ps. 30. [v. 16], « In manibus tuis sortes meae », dicit Gloss. Augustini [ord.] : « Sors non est aliquid mali, sed res, in humana dubitatione, divinam indicans voluntatem ».

Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij uit het lot niet ongeoorloofd is. — 1. Want bij het psalmwoord: « In Uw handen ligt mijn lot, » (Ps. 30. 16) zegt de Glossa van Augustinus: « Het lot is niets kwaads, maar iets wat Gods wil aangeeft, als de mensch twijfelt. »Bedenkingen. — Men beweert, dat waarzeggerij uit het lot niet ongeoorloofd is. — 1. Want bij het psalmwoord: “In Uw handen ligt mijn lot,” (Ps. 30. 16)a zegt de Glossa van Augustinus: “Het lot is niets kwaads, maar iets wat Gods wil aangeeft, als de mens twijfelt.”

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ea quae a sanctis in Scripturis observata leguntur non videntur esse illicita. Sed sancti viri, tam in veteri quam in novo Testamento, 386inveniuntur sortibus usi esse. Legitur enim Jos. 7. [v. 13 sqq.] quod Josue, ex praecepto Domini, judicio sortium punivit Acham, qui de anathemate surripuerat. Saul etiam sorte deprehendit filium suum Jonatham mel comedisse, ut habetur 1 Regum 14. [v. 38 sqq.]. Jonas etiam a facie Domini fugiens, sorte deprehensus est et in mare dejectus, ut legitur Jonae 1. [v. 7 sqq.]. Zacharias etiam « sorte exiit ut incensum poneret », ut legitur Luc. 1. [v. 9]. Matthias etiam est sorte ab Apostolis ad Apostolatum electus, ut legitur Act. 1. [v. 26]. Ergo videtur quod divinatio sortium non sit illicita.

2. Datgene, waarvan wij in de Schrift lezen, dat heilige mannen het gedaan hebben, schijnt niet verboden te zijn. Nu bevinden 386wij, dat zoowel in het Oude als het Nieuwe Verbond heilige mannen het lot hebben geworpen. Want in het Boek Josuë (7. 13) lezen wij, dat Josuë volgens het gebod van den Heer na het oordeel door het lot Achar doodde, die iets van wat gebannen was had geroofd. Ook kwam Saul door het lot te weten, dat zijn zoon Jonathan honig had gegeten, zooals wij in het Eerste Boek der Koningen (14. 38) lezen. En toen Jonas voor het aangezicht van den Heer vluchtte, werd hij door het lot gevonden en in zee geworpen, zooals wij bij Jonas (1. 7) lezen. Ook ging « Zacharias volgens het lot naar binnen om wierook op het altaar te leggen, » zooals bij Lucas (1. 9) staat. Ook is Mathias door de Apostelen door het lot tot het apostolaat uitgekozen, zooals wij in de Handelingen der Apostelen (1. 26) zien. Dus schijnt waarzeggerij door het lot niet ongeoorloofd.2. Datgene, waarvan wij in de Schrift lezen, dat heilige mannen het gedaan hebben, schijnt niet verboden te zijn. Nu bevinden 386wij, dat zowel in het Oude als het Nieuwe Verbond heilige mannen het lot hebben geworpen. Want in het Boek Josuë (7, 13) lezen wij, dat Josuë volgens het gebod van de Heer na het oordeel door het lot Achar doodde, die iets van wat gebannen was had geroofd. Ook kwam Saul door het lot te weten, dat zijn zoon Jonathan honig had gegeten, zoals wij in het Eerste Boek van de Koningen (14, 38)b lezen. En toen Jonas voor het aangezicht van de Heer vluchtte, werd hij door het lot gevonden en in zee geworpen, zoals wij bij Jonas (1, 7) lezen. Ook ging “Zacharias volgens het lot naar binnen om wierook op het altaar te leggen,” zoals bij Lukas (1, 9) staat. Ook is Mathias door de Apostelen door het lot tot het apostolaat uitgekozen, zoals wij in de Handelingen van de Apostelen (1, 26) zien. Dus schijnt waarzeggerij door het lot niet ongeoorloofd.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, pugna pugilum quae monomachia dicitur, idest singularis concertatio, et judicia ignis et aquae, quae dicuntur vulgaria, videntur ad sortes pertinere: quia per hujusmodi aliqua exquiruntur occulta. Sed hujusmodi non videntur esse illicita: quia et David cum Philisthaeo singulare iniisse certamen legitur, ut habetur 1 Reg. 17. [v. 32 sqq.]. Ergo videtur quod divinatio sortium non sit illicita.

3. De strijd van kampvechters, die tweegevecht wordt genoemd, d. w. z. het gevecht van enkelingen, en het oordeel door vuur of water, dat men volksoordeel noemt, schijnen onder het lot te vallen, omdat men daarmee verborgen dingen zoekt te weten. En deze dingen schijnen niet ongeoorloofd te zijn, want wij lezen ook van David, dat hij met den Philistijn een tweegevecht aanging, zooals in het Eerste Boek der Koningen (17. 32) staat. Dus schijnt het waarzeggen door het lot niet ongeoorloofd te zijn.3. De strijd van kampvechters, die tweegevecht wordt genoemd, d. w. z. het gevecht van enkelingen, en het oordeel door vuur of water, dat men volksoordeel noemt, schijnen onder het lot te vallen, omdat men daarmee verborgen dingen zoekt te weten. En deze dingen schijnen niet ongeoorloofd te zijn, want wij lezen ook van David, dat hij met de Filistijn een tweegevecht aanging, zoals in het Eerste Boek van de Koningen (17, 32)c staat. Dus schijnt het waarzeggen door het lot niet ongeoorloofd te zijn.

387Sed contra est quod in Decr. 26, q. 5. [can. Sortes] dicitur: « Sortes quibus cuncta vos vestris discriminatis provinciis, quas Patres damnaverunt, nihil aliud quam divinationes et maleficia esse decernimus. Quamobrem volumus omnino illas damnari, et ultra inter christianos nolumus nominari: et ne exerceantur, anathematis interdicto prohibemus ».

387Maar daartegenover staat, dat in de Decretaliën wordt gezegd: « Wij bepalen, dat de lotsbeslissingen, waardoor gij in Uw provincies alles voor U laat beslissen en die door de Vaders verboden zijn, niets anders dan waarzeggerijen en tooverkunsten zijn. Daarom verlangen wij, dat die dingen volledig worden veroordeeld en willen niet, dat zij verder nog onder christenen worden genoemd; en wij verbieden onder bedreiging met den ban, dat zij niet meer worden beoefend. »387Maar daartegenover staat, dat in de Decretaliën wordt gezegd: “Wij bepalen, dat de lotsbeslissingen, waardoor gij in Uw provincies alles voor U laat beslissen en die door de Vaders verboden zijn, niets anders dan waarzeggerijen en toverkunsten zijn. Daarom verlangen wij, dat die dingen volledig worden veroordeeld en willen niet, dat zij verder nog onder christenen worden genoemd; en wij verbieden onder bedreiging met de ban, dat zij niet meer worden beoefend.”

Respondeo dicendum quod, sicut supra dictum est [art. 3. huj. q.], sortes proprie dicuntur cum aliquid fit ut, ejus eventu considerato, aliquid occultum innotescat. Et quidem si quaeratur judicio sortium quid cui sit adhibendum, sive illud sit res possessa, sive sit honor, seu dignitas, seu poena, aut actio aliqua; vocatur sors divisoria. Si autem inquiratur quid agere oporteat, vocatur sors consultoria. Si vero quaeratur quid sit futurum, vocatur sors divinatoria.

Leerstelling. — Zooals vroeger (3e Art.) is gezegd, spreekt men in eigenlijken zin van het lot, als er iets gebeurt om uit het bezien van het resultaat iets verborgens te weten te komen. En als men door een lotsbeslissing zoekt te weten te komen, wien men iets moet geven, hetzij een bezit, hetzij eer of waardigheid of een straf of wien men iets moet laten doen, dan heet dat een verdeelend lot. Zoekt men te weten, wat men moet doen, dan spreekt men van een raadgevend lot. Zoekt men echter te weten, wat gebeuren zal, dan noemt men dat een waarzeggend lot.Leerstelling. — Zoals vroeger (3e Art.) is gezegd, spreekt men in eigenlijke zin van het lot, als er iets gebeurt om uit het bezien van het resultaat iets verborgens te weten te komen. En als men door een lotsbeslissing zoekt te weten te komen, wie men iets moet geven, hetzij een bezit, hetzij eer of waardigheid of een straf of wie men iets moet laten doen, dan heet dat een verdelend lot. Zoekt men te weten, wat men moet doen, dan spreekt men van een raadgevend lot. Zoekt men echter te weten, wat gebeuren zal, dan noemt men dat een waarzeggend lot.

Actus autem hominum, qui requiruntur ad sortes, non subduntur dispositioni stellarum, nec etiam eventus ipsorum. Unde si quis ea intentione sortibus utatur quasi hujusmodi actus humani, qui requiruntur ad sortes, 388secundum dispositionem stellarum sortiantur effectum, vana et falsa est opinio, et per consequens non carens daemonum ingestione. Ex quo talis divinatio erit superstitiosa et illicita.

Nu zijn de handelingen van de menschen, die voor het loten noodig zijn, niet aan de schikking van de sterren onderworpen en ook de uitkomst ervan niet. Zou dus iemand van het lot met deze bedoeling gebruik maken, alsof de daarvoor noodige menschelijke 388handelingen wel van den toestand van de sterren afhingen, dan zou het een verkeerde en ijdele meening zijn en de duivel zou niet nalaten zich erin te mengen. En daarom is zoo'n waarzeggerij bijgeloof en verboden.Nu zijn de handelingen van de mensen, die voor het loten nodig zijn, niet aan de schikking van de sterren onderworpen en ook de uitkomst ervan niet. Zou dus iemand van het lot met deze bedoeling gebruik maken, alsof de daarvoor nodige menselijke 388handelingen wel van de toestand van de sterren afhingen, dan zou het een verkeerde en ijdele mening zijn en de duivel zou niet nalaten zich erin te mengen. En daarom is zo'n waarzeggerij bijgeloof en verboden.

Hac autem causa remota, necesse est quod sortialium actuum expectetur eventus vel ex fortuna, vel ex aliqua spirituali causa dirigentes. Et si quidem ex fortuna, quod locum habere potest solum in divisoria sorte. non videtur habere nisi forte vitium vanitatis: sicut si aliqui non valentes aliquid concorditer dividere, velint sortibus ad divisionem uti, quasi fortunae exponentes quis quam partem accipiat.

Sluit men echter deze oorzaak uit, dan moet men den uitslag van de handelingen, waarin het werpen van het lot bestaat, ofwel van het toeval verwachten of van de leiding van een geestelijke oorzaak. En moet het van het toeval komen, wat alleen bij het werpen van het verdeelend lot kan voorkomen, dan kan als gebrek alleen, en als iets bijkomstigs, de nutteloosheid in aanmerking komen; b. v. als eenige menschen die niet in staat zijn om eensgezind iets te verdeelen, het werpen van het lot gebruiken, en het zoo aan het lot overlaten welk deel iedereen krijgt.Sluit men echter deze oorzaak uit, dan moet men de uitslag van de handelingen, waarin het werpen van het lot bestaat, ofwel van het toeval verwachten of van de leiding van een geestelijke oorzaak. En moet het van het toeval komen, wat alleen bij het werpen van het verdelend lot kan voorkomen, dan kan als gebrek alleen, en als iets bijkomstigs, de nutteloosheid in aanmerking komen; bv. als enige mensen die niet in staat zijn om eensgezind iets te verdelen, het werpen van het lot gebruiken, en het zo aan het lot overlaten welk deel iedereen krijgt.

Si vero ex spirituali causa expectetur sortium judicium, quandoque quidem expectatur ex daemonibus: sicut legitur Ezech. 21. [v. 21], quod « Rex Babylonis stetit in bivio, in capite duarum viarum, divinationem quaerens1, commiscens sagittas: interrogavit idola, et exta consuluit ». Et tales sortes sunt illicitae, et secundum canones prohibentur.

Verwacht men de beslissing van het lot echter van een geest als oorzaak, dan is dat soms de duivel, zooals wij bij Ezechiël (21. 21) lezen, dat « de koning van Babylon op een tweesprong stond, aan het begin van twee wegen en pijlen door elkander schudde, de afgoden ondervroeg en de ingewanden raadpleegde. » En dit loten is ongeoorloofd en door het recht verboden.Verwacht men de beslissing van het lot echter van een geest als oorzaak, dan is dat soms de duivel, zoals wij bij Ezechiël (21, 21) lezen, dat “de koning van Babylon op een tweesprong stond, aan het begin van twee wegen en pijlen door elkander schudde, de afgoden ondervroeg en de ingewanden raadpleegde.” En dit loten is ongeoorloofd en door het recht verboden.

Quandoque vero expectatur a Deo: secundum illud Proverb. 16. [v. 38933] : « Sortes mittuntur in sinum, sed a Domino temperantur ». Et talis sors secundum se non est malum, ut Augustinus dicit [Enarr. 2. in Ps. 30, Sermo 2]. Potest tamen in hoc quadrupliciter peccatum incidere. Primo quidem, si absque ulla necessitate ad sortes recurratur: hoc enim videtur ad Dei tentationem pertinere. Unde Ambrosius dicit super Lucam [cap. 1. v. 8 sqq.] : « Qui sorte eligitur, humano judicio non comprehenditur ». Secundo, si quis, etiam in necessitate, absque reverentia Dei sortibus utatur. Unde super Actus Apostolorum dicit Beda [in fin. comment. cap. 1.] : « Sed si qui, necessitate aliqua compulsi, Deum putant sortibus, exemplo Apostolorum, esse consulendum, videant hoc ipsos Apostolos nonnisi collecto fratrum coetu, et precibus ad Deum fusis, egisse ». Tertio, si divina oracula ad terrena negotia convertantur. Unde Augustinus dicit, ad Inquisitiones Januarii [lib. 2. c. 2.] : « Qui de paginis Evangelicis sortes legunt, etsi optandum sit ut potius faciant quam ad daemonia consulenda concurrant, tamen etiam ista mihi displicet consuetudo, ad negotia saecularia et ad vitae hujus vanitates divina oracula velle convertere ». Quarto, si in electionibus ecclesiasticis, quae Spiritus Sancti inspiratione fieri debent, 390aliqui sortibus utantur. Unde, sicut Beda dicit super Act. Apost. [loc. sup. cit.], « Matthias, ante Pentecosten ordinatus, sorte quaeritur », quia scilicet nondum erat plenitudo Spiritus Sancti in Ecclesia effusa: « septem autem Diaconi postea non sorte, sed electione discipulorum sunt ordinati ». Secus autem est in temporalibus dignitatibus, quae ad terrenam dispositionem ordinantur; in quarum electione plerumque homines sortibus utuntur, sicut et in temporalium rerum divisione.

Soms echter verwacht men het lot van God naar het woord uit het Boek der Spreuken (16. 33) : « Men verbergt het lot in den 389schoot, maar het wordt door den Heer geregeld. » En een dergelijk loten is op zichzelf niet verkeerd, zooals Augustinus zegt. Maar op vier manieren kan zich hierbij een zonde voordoen. En wel ten eerste, als men zonder eenige noodzaak tot het lot zijn toevlucht neemt; want dat schijnt een soort beproeven van God te zijn. Daarom zegt Ambrosius bij Lucas (1. 8) : « Wat door het lot wordt gekozen, ligt buiten het bereik van het menschelijk oordeel. » — Ten tweede, als men ook in geval van noodzaak zonder eerbied het lot werpt. En daarom zegt Beda: « Als iemand door noodzaak gedwongen meent God op het voorbeeld van de Apostelen door het lot te moeten raadplegen, laten zij dan inzien, dat de Apostelen zelf dat alleen na het bijeenroepen van de broeders en het storten van gebeden gedaan hebben. » — Ten derde, als de goddelijke openbaringen voor wereldlijke zaken worden gebruikt. En daarom zegt Augustinus: « Al is het te hopen, dat zij die het lot werpen door de bladzijden van het Evangelie dat liever doen dan de duivels gaan raadplegen, toch heb ik daar dit op tegen, dat het een gewoonte is om Gods woord voor wereldsche zaken en ijdelheden van dit leven te gebruiken. » — Ten vierde, als men bij het kiezen van geestelijken, wat door ingeving van den 390H. Geest moet gebeuren, het lot gebruikt. Zooals Beda daarom zegt, « is Mathias, die vóór Pinksteren aangewezen is, door het lot gekozen, » omdat nl. de volheid van den H. Geest toen nog niet over de Kerk was uitgestort, « maar later zijn de zeven diakens niet door het lot maar door de verkiezing van de leerlingen aangewezen. » Het is echter bij wereldsche ambten anders, omdat die het regelen van tijdelijke dingen tot doel hebben; en bij het verkiezen daartoe maken de menschen dikwijls van het lot gebruik, zooals ook bij het verdeelen van tijdelijke bezittingen.Soms echter verwacht men het lot van God naar het woord uit het Boek van de Spreuken (16, 33): “Men verbergt het lot in de 389schoot, maar het wordt door de Heer geregeld.” En een dergelijk loten is op zichzelf niet verkeerd, zoals Augustinus zegt. Maar op vier manieren kan zich hierbij een zonde voordoen. En wel ten eerste, als men zonder enige noodzaak tot het lot zijn toevlucht neemt; want dat schijnt een soort beproeven van God te zijn. Daarom zegt Ambrosius bij Lukas (1, 8): “Wat door het lot wordt gekozen, ligt buiten het bereik van het menselijk oordeel.” — Ten tweede, als men ook in geval van noodzaak zonder eerbied het lot werpt. En daarom zegt Beda: “Als iemand door noodzaak gedwongen meent God op het voorbeeld van de Apostelen door het lot te moeten raadplegen, laten zij dan inzien, dat de Apostelen zelf dat alleen na het bijeenroepen van de broeders en het storten van gebeden gedaan hebben.” — Ten derde, als de goddelijke openbaringen voor wereldlijke zaken worden gebruikt. En daarom zegt Augustinus: “Al is het te hopen, dat zij die het lot werpen door de bladzijden van het Evangelie dat liever doen dan de duivels gaan raadplegen, toch heb ik daar dit op tegen, dat het een gewoonte is om Gods woord voor wereldse zaken en ijdelheden van dit leven te gebruiken.” — Ten vierde, als men bij het kiezen van geestelijken, wat door ingeving van de 390H. Geest moet gebeuren, het lot gebruikt. Zoals Beda daarom zegt, “is Mathias, die vóór Pinksteren aangewezen is, door het lot gekozen,” omdat nl. de volheid van de H. Geest toen nog niet over de Kerk was uitgestort, “maar later zijn de zeven diakens niet door het lot maar door de verkiezing van de leerlingen aangewezen.” Het is echter bij wereldse ambten anders, omdat die het regelen van tijdelijke dingen tot doel hebben; en bij het verkiezen daartoe maken de mensen dikwijls van het lot gebruik, zoals ook bij het verdelen van tijdelijke bezittingen.

Si vero necessitas immineat, licitum est, cum debita reverentia. sortibus divinum judicium implorare. Unde Augustinus dicit in Epist. ad Honor. [ep. 228.] : « Si inter Dei ministros sit disceptatio qui eorum persecutionis tempore maneant, ne fuga fiat omnium, et qui eorum fugiant, ne morte omnium deseratur Ecclesia: si haec disceptatio aliter non potuerit terminari, quantum mihi videtur, qui maneant et qui fugiant sorte eligendi sunt ». Et in 1. de Doct. Christ. [cap. 28.] dicit: « Si cui2 abundaret aliquid, quod oporteret dari ei qui non haberet, nec duobus dari potuisset, si tibi 391occurrant duo. quorum neuter alium vel indigentia vel erga te aliqua necessitudine superaret; nihil justius faceres quam ut sorte eligeres cui dandum esset quod dari utrique non posset ».

Als echter de noodzakelijkheid dwingt, mag men met gepaste eerbied Gods oordeel door het lot vragen. Daarom zegt Augustinus: « Als er onder Gods dienaren oneenigheid ontstaat, wie van hen in tijden van vervolging moeten vluchten en wie blijven, opdat de Kerk niet door de vlucht of den dood van allen verlaten zou achterblijven, en kan aan die oneenigheid op geen andere manier een einde worden gemaakt, dan zouden wat mij betreft door het lot aangewezen moeten worden, wie moeten vluchten en wie blijven. » En elders zegt hij: « Als gij iets over zoudt hebben, wat ge zoudt moeten geven aan iemand, die het niet heeft; en gij zoudt het niet aan twee kunnen geven, en toch met twee te maken krijgen, 391waarvan geen een boven den ander zou staan in gebrekkigheid of in zijn verhouding tot U, dan zoudt gij niets meer rechtvaardig doen dan door het lot te kiezen aan wien gij moet geven, wat gij aan beiden niet geven kunt. »Als echter de noodzakelijkheid dwingt, mag men met gepaste eerbied Gods oordeel door het lot vragen. Daarom zegt Augustinus: “Als er onder Gods dienaren onenigheid ontstaat, wie van hen in tijden van vervolging moeten vluchten en wie blijven, opdat de Kerk niet door de vlucht of de dood van allen verlaten zou achterblijven, en kan aan die onenigheid op geen andere manier een einde worden gemaakt, dan zouden wat mij betreft door het lot aangewezen moeten worden, wie moeten vluchten en wie blijven.” En elders zegt hij: “Als gij iets over zoudt hebben, wat ge zoudt moeten geven aan iemand, die het niet heeft; en gij zoudt het niet aan twee kunnen geven, en toch met twee te maken krijgen, 391waarvan geen een boven de ander zou staan in gebrekkigheid of in zijn verhouding tot U, dan zoudt gij niets meer rechtvaardig doen dan door het lot te kiezen aan wie gij moet geven, wat gij aan beiden niet geven kunt.”

bedenkingen ↑ 1 ↑ 2

Et per hoc patet responsio ad primum et secundum.

Antwoord op de Bedenkingen. — Uit het gezegde blijkt het antwoord op de 1e en 2e moeilijkheid.Antwoord op de Bedenkingen. — Uit het gezegde blijkt het antwoord op de eerste en tweede moeilijkheid.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod judicium ferri candentis vel aquae ferventis ordinatur quidem ad alicujus peccati occulti inquisitionem per aliquid quod ab homine fit, et in hoc convenit cum sortibus: inquantum tamen expectatur aliquis miraculosus effectus a Deo, excedit communem sortium rationem. Unde hujusmodi judicium illicitum redditur: tum quia ordinatur ad judicanda occulta, quae divino judicio reservantur; tum etiam quia hujusmodi judicium non est auctoritate divina sancitum. Unde 2, quaest. 5. in decreto Stephani Papae V [can.: Consuluisti], dicitur: « Ferri candentis vel aquae ferventis examinatione confessionem extorqueri a quolibet, sacri non censent canones: et quod sanctorum Patrum documento sancitum non est, superstitiosa adinventione non est praesumendum. Spontanea enim 392confessione vel testium approbatione publicata delicta, habito prae oculis Dei timore, concessa sunt nostro regimini judicare. Occulta vero et incognita illi sunt relinquenda qui « solus novit corda filiorum hominum » ». Et eadem ratio videtur esse de lege duellorum: nisi quod plus accedit ad communem rationem sortium, inquantum non expectatur ibi miraculosus effectus; nisi forte quando pugiles sunt valde impares virtute vel arte.

3. Het oordeel door gloeiend ijzer of kokend water heeft wel als doel het onderzoek naar een verborgen zonde door iets wat de mensch doet, en in zoover komt het met het loten overeen; maar in zoover men van God een wonderbaar gevolg verwacht, staat het boven de gewone soort van loten. Daardoor wordt een dergelijk oordeel ongeoorloofd gemaakt, zoowel omdat het een beoordeeling van iets verborgens, wat aan Gods oordeel is voorbehouden, tot doel heeft, en ook omdat een dergelijk oordeel niet door een heilig gezag gewettigd is. Daarom staat in het decreet van Paus Stephanus: « De heilige wetten keuren niet goed, dat men iemand een bekentenis ontwringt door hem met gebruikmaking van gloeiend ijzer of kokend water te ondervragen; en men moet niet wagen iets wat door een getuigenis van de H. Vaders niet goedgekeurd is, bijgeloovig uit te vinden. Want misdrijven, die door vrijwillige bekentenis of het afleggen van getuigenissen bekend 392geworden zijn, zijn ten oordeel aan ons gezag, met de vrees voor God voor oogen, onderworpen. Maar wat verborgen en onbekend is, moet aan Hem worden overgelaten, « die alleen de harten van de menschenkinderen kent. » » En van de wet over het tweegevecht schijnt de reden dezelfde te zijn, behalve dat daar bij den algemeenen aard van het loten nog iets meer bijkomt, in zoover daar geen wonderbare uitslag wordt verwacht, tenzij toevallig, als de strijders heel ongelijk zijn in kracht of vaardigheid.3. Het oordeel door gloeiend ijzer of kokend water heeft wel als doel het onderzoek naar een verborgen zonde door iets wat de mens doet, en in zover komt het met het loten overeen; maar in zover men van God een wonderbaar gevolg verwacht, staat het boven de gewone soort van loten. Daardoor wordt een dergelijk oordeel ongeoorloofd gemaakt, zowel omdat het een beoordeling van iets verborgens, wat aan Gods oordeel is voorbehouden, tot doel heeft, en ook omdat een dergelijk oordeel niet door een heilig gezag gewettigd is. Daarom staat in het decreet van Paus Stephanus: “De heilige wetten keuren niet goed, dat men iemand een bekentenis ontwringt door hem met gebruikmaking van gloeiend ijzer of kokend water te ondervragen; en men moet niet wagen iets wat door een getuigenis van de H. Vaders niet goedgekeurd is, bijgelovig uit te vinden. Want misdrijven, die door vrijwillige bekentenis of het afleggen van getuigenissen bekend 392geworden zijn, zijn ten oordeel aan ons gezag, met de vrees voor God voor ogen, onderworpen. Maar wat verborgen en onbekend is, moet aan Hem worden overgelaten, ‘die alleen de harten van de mensenkinderen kent.’” En van de wet over het tweegevecht schijnt de reden dezelfde te zijn, behalve dat daar bij de algemene aard van het loten nog iets meer bijkomt, in zover daar geen wonderbare uitslag wordt verwacht, tenzij toevallig, als de strijders heel ongelijk zijn in kracht of vaardigheid.