De assumptione divini nominis ad invocandum per orationem, vel laudem, in duos articulos divisa
Over het gebruik van Gods naam om Hem lovend aan te roepen
301Deinde considerandum est de assumptione divini nominis ad invocandum per orationem vel laudem. Et de oratione quidem jam dictum est [q. 83.]. Unde nunc de laude restat dicendum.
301Vervolgens moeten wij spreken over het gebruiken van Gods naam om Hem aan te roepen door gebed of lof. En nu is er reeds over het gebed gesproken (83e Kw.) ; daarom blijft er nu nog over het loven te behandelen.301Vervolgens moeten wij spreken over het gebruiken van Gods naam om Hem aan te roepen door gebed of lof. En nu is er reeds over het gebed gesproken (83e Kw.); daarom blijft er nu nog over het loven te behandelen.
Circa quam quaeruntur duo: 1. Utrum Deus sit ore laudandus. — 2. Utrum in laudibus Dei sint cantus adhibendi.
Daarover stellen wij ons twee vragen: 1. Moeten wij God met den mond loven? 2. Moet men gezang gebruiken bij het loven van God?Daarover stellen wij ons twee vragen: 1. Moeten wij God met de mond loven? 2. Moet men gezang gebruiken bij het loven van God?
Utrum Deus sit ore laudandus
Moet men God met den mond loven?Moet men God met de mond loven?
302Ad primum sic proceditur. Videtur quod Deus non sit ore laudandus. Dicit enim Philosophus in 1 Eth. [cap. 12. n. 41.] : « Optimorum non est laus, sed majus aliquid et melius ». Sed Deus est super omnia optimus. Ergo Deo non debetur laus, sed aliquid majus laude. Unde et Eccli. 43. [v. 33] dicitur quod Deus « major est omni laude ».
302Bedenkingen. — Men beweert, dat men God niet met den mond moet loven. — 1. Want de Wijsgeer zegt: « Aan de besten geeft men geen lof, maar iets grooters en beters. » Nu staat God boven al het beste. Dus moet men God geen lof, maar iets beters geven; en daarom staat in het Boek Ecclesiasticus (43. 33), dat God « grooter is dan alle lof. »302Bedenkingen. — Men beweert, dat men God niet met de mond moet loven. — 1. Want de Wijsgeer zegt: “Aan de besten geeft men geen lof, maar iets groters en beters.” Nu staat God boven al het beste. Dus moet men God geen lof, maar iets beters geven; en daarom staat in het Boek Sirach (43, 33), dat God “groter is dan alle lof.”
2. Praeterea, laus Dei ad cultum ipsius pertinet: est enim religionis actus. Sed Deus mente colitur magis quam ore: unde Dominus, Matth. 15. [v. 7, 8] contra quosdam inducit illud Isa. 29. [v. 13] : « Populus hic labiis me honorat, cor autem eorum longe est a me ». Ergo laus Dei magis consistit in corde quam in ore.
2. Het loven van God valt onder het eeren van Hem, want het is een daad van godsdienstigheid. Nu eert men God meer met den geest dan met den mond; en daarom haalt de Heer bij Mattheus (15. 7, 8) tegen sommigen het woord van Isaïas (29. 13) aan: « Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. » Dus geschiedt het eeren van God meer met den geest dan met den mond.2. Het loven van God valt onder het eren van Hem, want het is een daad van godsdienstigheid. Nu eert men God meer met de geest dan met de mond; en daarom haalt de Heer bij Matteüs (15, 7, 8) tegen sommigen het woord van Jesaja (29, 13) aan: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.” Dus geschiedt het eren van God meer met de geest dan met de mond.
3. Praeterea, homines ad hoc ore laudantur ut ad meliora provocentur. Sicut enim mali ex suis laudibus superbiunt, ita boni ex suis laudibus ad 303meliora provocantur: unde dicitur Proverb. 27. [v. 21] : « Quomodo probatur in conflatorio argentum, sic probatur homo ore laudantium ». Sed Deus per verba hominum non provocatur ad meliora: tum quia immutabilis est; tum quia summe bonus est, et non habet quo crescat. Ergo Deus non est laudandus ore.
3. Menschen worden hierom met den mond geëerd om hen tot nog iets beters aan te sporen. Want zooals de slechten hoovaardig zijn op de hun gebrachte lof, worden de goeden erdoor tot iets 303beters aangezet; en daarom staat in het Boek der Spreuken (27. 21) : « Zooals het zilver in den smeltkroes, wordt de mensch beproefd in den mond van wie hem loven. » Nu wordt God niet door de woorden van menschen tot iets beters aangespoord, zoowel omdat Hij onveranderlijk, als omdat Hij in de hoogste mate goed is en niet kan toenemen. Dus moet men God niet met den mond eeren.3. Mensen worden hierom met de mond geëerd om hen tot nog iets beters aan te sporen. Want zoals de slechten hovaardig zijn op de hun gebrachte lof, worden de goeden erdoor tot iets 303beters aangezet; en daarom staat in het Boek van de Spreuken (27, 21): “Zoals het zilver in de smeltkroes, wordt de mens beproefd in de mond van wie hem loven.” Nu wordt God niet door de woorden van mensen tot iets beters aangespoord, zowel omdat Hij onveranderlijk, als omdat Hij in de hoogste mate goed is en niet kan toenemen. Dus moet men God niet met de mond eren.
Sed contra est quod in Psal. 62. [v. 6] dicitur: « Labiis exultationis laudabit os meum ».
Maar daartegenover staat het psalmwoord: « Met jubelende lippen zal mijn mond loven. » (Ps. 62. 6).Maar daartegenover staat het psalmwoord: “Met jubelende lippen zal mijn mond loven.” (Ps. 62. 6)a.
Respondeo dicendum quod verbis alia ratione utimur ad Deum, et alia ratione ad hominem. Ad hominem enim utimur verbis ut conceptum nostri cordis. quem non potest cognoscere nisi verbis nostris, ei exprimamus. Et ideo laude oris ad hominem utimur ut vel ei vel aliis innotescat quod bonam opinionem de laudato habemus: ut per hoc et ipsum qui laudatur ad meliora provocemus; et alios, apud quos laudatur, in bonam opinionem et reverentiam et imitationem ipsius inducamus.
Leerstelling. — Van woorden maken wij tegenover God om een andere reden gebruik dan tegenover de menschen. Want wij doen dit tegenover een mensch om hem ons innerlijk begrip, dat hij niet kan kennen, bekend te maken. En daarom gebruiken wij woorden van lof tegenover een mensch om ofwel hem of anderen bekend te maken, dat wij een goede meening van den geprezene hebben, zoodat wij daardoor hem, die geprezen wordt, tot betere dingen aanzetten en anderen, tegenover wie hij geloofd wordt, tot een goede meening over hem en eerbied en navolging brengen.Leerstelling. — Van woorden maken wij tegenover God om een andere reden gebruik dan tegenover de mensen. Want wij doen dit tegenover een mens om hem ons innerlijk begrip, dat hij niet kan kennen, bekend te maken. En daarom gebruiken wij woorden van lof tegenover een mens om ofwel hem of anderen bekend te maken, dat wij een goede mening van de geprezene hebben, zodat wij daardoor hem, die geprezen wordt, tot betere dingen aanzetten en anderen, tegenover wie hij geloofd wordt, tot een goede mening over hem en eerbied en navolging brengen.
Sed ad Deum verbis utimur non quidem ut ei, qui est inspector cordium; 304nostros conceptus manifestemus: sed ut nos ipsos et alios audientes ad ejus reverentiam inducamus. Et ideo necessaria est laus oris, non quidem propter Deum, sed propter ipsum laudantem, cujus affectus excitatur in Deum ex laude ipsius: secundum illud Psalm. 49. [v. 23] : « Sacrificium laudis honorificabit me: et illic iter quo ostendam illi salutare Dei ». Et inquantum homo per divinam laudem affectu ascendit in Deum, intantum per hoc retrahitur ab his quae sunt contra Deum: secundum illud Isaiae 48. [v. 9] : « Laude mea infraenabo te, ne intereas ». Prodest1 etiam laus oris ad hoc quod aliorum affectus provocetur in Deum. Unde dicitur in Psalm. 33. [v. 2] : « Semper laus ejus in ore meo », et postea [v. 3, 4] subditur: « Audiant mansueti, et laetentur. Magnificate Dominum mecum ».
Tegenover God echter gebruiken wij geen woorden om Hem, 304die onze harten doorziet, onze gedachten bekend te maken, maar om onszelf en anderen, die het hooren, tot eerbied voor Hem te brengen. En daarom is het prijzen met den mond noodzakelijk, wel niet om God, maar voor hem zelf, die looft, omdat zijn gevoelens door zijn prijzen tot God worden opgewekt naar het psalmwoord: « Hij zal mij eeren met een offer van lof; en daar ligt de weg, waarlangs Ik hem het heil van God zal toonen. » (Ps. 49. 23) En in zoover een mensch door het loven van God met zijn gevoelens tot God opstijgt, wordt hij daardoor van wat met God strijdt teruggetrokken naar het woord van Isaïas (48. 9) : « Met het loven van Mij zal Ik U beteugelen, dat gij niet ondergaat. » Het loven met den mond is ook hiervoor goed, dat de gevoelens van anderen tot God worden opgewekt; en daarom zegt het psalmwoord: « Altijd is zijn lof in mijn mond, » en later wordt daarbij gevoegd: « De zachtmoedigen mogen het hooren en zich verheugen. Prijst met mij den Heer. » (Ps. 33. 2-4)Tegenover God echter gebruiken wij geen woorden om Hem, 304die onze harten doorziet, onze gedachten bekend te maken, maar om onszelf en anderen, die het horen, tot eerbied voor Hem te brengen. En daarom is het prijzen met de mond noodzakelijk, wel niet om God, maar voor hemzelf, die looft, omdat zijn gevoelens door zijn prijzen tot God worden opgewekt naar het psalmwoord: “Hij zal mij eren met een offer van lof; en daar ligt de weg, waarlangs Ik hem het heil van God zal tonen.” (Ps. 49. 23)b En in zover een mens door het loven van God met zijn gevoelens tot God opstijgt, wordt hij daardoor van wat met God strijdt teruggetrokken naar het woord van Jesaja (48, 9): “Met het loven van Mij zal Ik U beteugelen, dat gij niet ondergaat.” Het loven met de mond is ook hiervoor goed, dat de gevoelens van anderen tot God worden opgewekt; en daarom zegt het psalmwoord: “Altijd is zijn lof in mijn mond,” en later wordt daarbij gevoegd: “De zachtmoedigen mogen het horen en zich verheugen. Prijst met mij de Heer.” (Ps. 33. 2-4)c
Ad primum ergo dicendum quod de Deo dupliciter possumus loqui. Uno modo, quantum ad ejus essentiam. Et sic, cum sit incomprehensibilis et ineffabilis, major est omni laude. Debetur autem ei secundum hanc 305comparationem reverentia et latriae honos. Unde et in Psal. 64. [v. 2], secundum translationem Hieronymi dicitur: « Tibi silet laus, Deus », quantum ad primum; et « Tibi reddetur votum », quantum ad secundum. Alio modo, secundum effectus ipsius, qui in nostram utilitatem ordinantur. Et secundum hoc debetur laus Deo. Unde dicitur Isa. 63. [v. 7] : « Miserationum Domini recordabor: laudem Domini super omnibus quae reddidit nobis Dominus ». Et Dionysius dicit 1 cap. de Div. Nom.: « Omnem sanctum Theologorum hymnum », idest divinam laudem, « invenies ad beatos2 thearchiae », idest divinitatis, « processus manifestative et laudative Dei nominationes dividentem ».
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Over God kunnen wij op twee manieren spreken. Ten eerste naar Zijn wezen; en zoo kan Hij niet omvat en uitgesproken worden en is dus boven allen lof verheven. Hiermee vergeleken heeft Hij recht op eerbied 305en de eerbewijzen van godsvereering. Daarom staat er in het Psalterium van Hieronymus: « Tegenover U zwijge de lof, o God, » wat het eerste, en: « De geloften aan U worden volbracht, » wat het tweede betreft (Ps. 64. 2). — Dan naar wat Hij uitwerkt en ons nut tot doel heeft; en volgens dit heeft God recht op lof. Daarom zegt Isaïas (63. 7) : « Ik zal de ontfermingen van den Heer gedenken; het loven van den Heer om alles, wat Hij ons gegeven heeft. » En Dionysius zegt: « Gij zult bevinden, dat iedere heilige hymne van de godgeleerden in de namen van God onderscheid maakt om ze bekend te maken en te prijzen met het oog op het goede, dat de Godheid uitwerkt. »Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Over God kunnen wij op twee manieren spreken. Ten eerste naar Zijn wezen; en zo kan Hij niet omvat en uitgesproken worden en is dus boven allen lof verheven. Hiermee vergeleken heeft Hij recht op eerbied 305en de eerbewijzen van godsverering. Daarom staat er in het Psalterium van Hieronymus: “Tegenover U zwijge de lof, o God,” wat het eerste, en: “De geloften aan U worden volbracht,” wat het tweede betreft (Ps. 64. 2)d. — Dan naar wat Hij uitwerkt en ons nut tot doel heeft; en volgens dit heeft God recht op lof. Daarom zegt Jesaja (63, 7): “Ik zal de ontfermingen van de Heer gedenken; het loven van de Heer om alles, wat Hij ons gegeven heeft.” En Dionysius zegt: “Gij zult bevinden, dat iedere heilige hymne van de godgeleerden in de namen van God onderscheid maakt om ze bekend te maken en te prijzen met het oog op het goede, dat de Godheid uitwerkt.”
Ad secundum dicendum quod laus oris inutilis est laudanti si sit sine laude cordis: tunc enim3 loquitur Deo laudem, dum « magnalia operum ejus » recogitat cum affectu. Valet tamen exterior laus oris ad excitandum interiorem affectum laudantis, et ad provocandum alios ad Dei laudem, sicut dictum est [in corp. art.].
2. Lof met den mond is nutteloos voor wie prijst, als er geen lof aan gepaard gaat van het hart, dat God prijst, als het Gods groote werken met aandoening overdenkt. De uiterlijke lof van den mond kan echter het innerlijk gevoelen van wie prijst opwekken en ook anderen aanzetten om God te loven, zooals werd gezegd (in de Leerst.).2. Lof met de mond is nutteloos voor wie prijst, als er geen lof aan gepaard gaat van het hart, dat God prijst, als het Gods grote werken met aandoening overdenkt. De uiterlijke lof van de mond kan echter het innerlijk gevoelen van wie prijst opwekken en ook anderen aanzetten om God te loven, zoals werd gezegd (in de Leerst.).
Ad tertium dicendum quod Deum non laudamus propter utilitatem suam, sed propter utilitatem nostram, ut dictum est [in corp. art.],
3. Wij prijzen God niet tot nut voor Hem, maar van ons, zooals werd gezegd (zie Leerst.).3. Wij prijzen God niet tot nut voor Hem, maar van ons, zoals werd gezegd (zie Leerst.).
Utrum in divinis laudibus sint cantus assumendi
Moet men gezang gebruiken bij het prijzen van God?
306Ad secundum sic proceditur. Videtur quod cantus non sint assumendi in laudem divinam. Dicit enim Apostolus ad Coloss. 3. [v. 16] : « Docentes et commonentes vosmetipsos in psalmis et in hymnis et canticis spiritualibus ». Sed nihil debemus assumere in divinum cultum praeter ea quae nobis auctoritate Scripturae traduntur. Ergo videtur quod non debemus uti in divinis laudibus canticis corporalibus, sed solum spiritualibus.
306Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen gezang bij het prijzen van God moet gebruiken. — 1. Want de Apostel zegt in den Brief aan de Colossensen (3. 16) : « Elkander leerend en vermanend met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen. » Nu moeten wij bij het eeren van God niets gebruiken dan wat ons door het gezag van de Schrift wordt overgeleverd. Dus schijnen wij bij het loven van God geen gezangen van het lichaam, maar van den geest te moeten gebruiken.306Bedenkingen. — Men beweert, dat men geen gezang bij het prijzen van God moet gebruiken. — 1. Want de Apostel zegt in de Brief aan de Colossensen (3, 16): “Elkander lerend en vermanend met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen.” Nu moeten wij bij het eren van God niets gebruiken dan wat ons door het gezag van de Schrift wordt overgeleverd. Dus schijnen wij bij het loven van God geen gezangen van het lichaam, maar van de geest te moeten gebruiken.
2. Praeterea, Hieronymus super illud ad Ephes. [Comment. in Ep. ad Ephes. ad c. 5, v. 19] : « Cantantes et psallentes in cordibus vestris Domino », dicit: « Audiant haec adolescentuli, audiant hi quibus in ecclesia est psallendi officium, Deo non voce, sed corde cantandum: nec in tragoediarum modum guttur et fauces medicamine liniendae sunt, ut in ecclesia theatrales moduli audiantur et cantica ». Non ergo in laudes Dei sunt cantus assumendi.
2. Hieronymus zegt bij het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (5. 19) : « In Uwe harten den Heer zingend en psalmodieerend »: « Laten de jongeren, aan wie in de Kerk de taak om te zingen is opgedragen, dit hooren, dat men God niet met den mond, maar met het hart moet zingen; en dat men niet als treurspelers tong en keel met kunstmiddelen zacht moet maken, zoodat men in de kerk theatrale melodiën en gezangen hoort. » Dus moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.2. Hieronymus zegt bij het woord uit de Brief aan de Efesiërs (5, 19): “In Uw harten de Heer zingend en psalmodiërend”: “Laten de jongeren, aan wie in de Kerk de taak om te zingen is opgedragen, dit horen, dat men God niet met de mond, maar met het hart moet zingen; en dat men niet als treurspelers tong en keel met kunstmiddelen zacht moet maken, zodat men in de kerk theatrale melodiën en gezangen hoort.” Dus moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.
3073. Praeterea, laudare Deum convenit parvis et magnis: secundum illud Apoc. 19. [v. 5] : « Laudem dicite Deo nostro, omnes sancti ejus et qui timetis Deum, pusilli et magni ». Sed majores qui sunt in Ecclesia non decet cantare: dicit enim Gregorius [in Registr. epist. 5.], et habetur in Decretis Dist. 92. cap.: In sancta Romana Ecclesia: « Praesenti decreto constituo ut in Sede hac sacri altaris ministri cantare non debeant ». Ergo cantus non conveniunt divinis laudibus.
3073. God loven komt grooten en kleinen toe naar het woord uit het Boek der Openbaring (19. 5) : « Prijst onzen God, gij al Zijn dienaren, en gij, die Hem vreest, grooten en kleinen. » Nu past het niet, dat de overheden in de Kerk zingen, want Gregorius zegt, en het staat in de Decretaliën: « Met dit decreet bepaal ik, dat de bedienaars van het heilig altaar op dezen zetel niet moeten zingen. » Dus passen gezangen niet bij het loven van God.3073. God loven komt groten en kleinen toe naar het woord uit het Boek van de Openbaring (19, 5): “Prijst onze God, gij al Zijn dienaren, en gij, die Hem vreest, groten en kleinen.” Nu past het niet, dat de overheden in de Kerk zingen, want Gregorius zegt, en het staat in de Decretaliën: “Met dit decreet bepaal ik, dat de bedienaars van het heilig altaar op deze zetel niet moeten zingen.” Dus passen gezangen niet bij het loven van God.
4. Praeterea, in veteri lege laudabatur Deus in musicis instrumentis et humanis cantibus: secundum illud Psal. 32. [v. 2, 3] : « Confitemini Domino in cithara; in psalterio decem chordarum psallite illi: cantate ei canticum novum ». Sed instrumenta musica, sicut citharas et psalteria, non assumit Ecclesia in divinas laudes, ne videatur judaizare. Ergo, pari ratione, nec cantus in divinas laudes sunt assumendi.
4. Onder de Oude Wet werd God geprezen met muziekinstrumenten en menschelijke gezangen naar het psalmwoord: « Prijst den Heer op de citer; psalmodieert voor Hem op het tiensnarige psalter; zingt Hem een nieuw lied. » (Ps. 32. 2, 3) Nu heeft de Kerk bij het loven van God geen muziekinstrumenten als citers en psalters in gebruik genomen om den schijn van Joodschgezindheid te vermijden. Daarom moeten om dezelfde reden geen gezangen bij het prijzen van God worden gebruikt.4. Onder de Oude Wet werd God geprezen met muziekinstrumenten en menselijke gezangen naar het psalmwoord: “Prijst de Heer op de citer; psalmodieert voor Hem op het tiensnarige psalter; zingt Hem een nieuw lied.” (Ps. 32. 2, 3)a Nu heeft de Kerk bij het loven van God geen muziekinstrumenten als citers en psalters in gebruik genomen om de schijn van Joodsgezindheid te vermijden. Daarom moeten om dezelfde reden geen gezangen bij het prijzen van God worden gebruikt.
5. Praeterea, principalior est laus mentis quam laus oris. Sed laus mentis impeditur per cantus: tum quia cantantium intentio abstrahitur a consideratione eorum quae cantant, dum circa cantum student; tum etiam 308quia ea quae cantantur minus ab aliis intelligi possunt quam si sine cantu proferrentur. Ergo cantus non sunt in divinis laudibus assumendi.
5. Het loven met den geest staat boven dat met den mond. Nu wordt het loven met den geest door het zingen belet, zoowel omdat de aandacht van de zangers van het overdenken van wat zij zingen wordt afgeleid, terwijl zij hun best doen op het zingen, als omdat wat gezongen wordt minder door anderen wordt begrepen dan 308wanneer het zonder zang werd gezegd. Dus moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.5. Het loven met de geest staat boven dat met de mond. Nu wordt het loven met de geest door het zingen belet, zowel omdat de aandacht van de zangers van het overdenken van wat zij zingen wordt afgeleid, terwijl zij hun best doen op het zingen, als omdat wat gezongen wordt minder door anderen wordt begrepen dan 308wanneer het zonder zang werd gezegd. Dus moet men bij het prijzen van God geen gezangen gebruiken.
Sed contra est quod beatus Ambrosius in ecclesia Mediolanensi cantus instituit, ut Augustinus refert lib. 9 Confess. [cap. 7.].
Maar daartegenover staat, dat de H. Ambrosius het zingen in de kerk van Milaan invoerde, zooals Augustinus zegt.Maar daartegenover staat, dat de H. Ambrosius het zingen in de kerk van Milaan invoerde, zoals Augustinus zegt.
Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [art. praec.], laus vocalis ad hoc necessaria est ut affectus hominis provocetur in Deum. Et ideo quaecumque ad hoc utilia esse possunt, in divinas laudes congruenter assumuntur. Manifestum est autem quod secundum diversas melodias sonorum animi hominum diversimode disponuntur ut patet per Philosophum, in 8 Polit. [cap. 5.], et per Boetium, in prol. Musicae [lib. 1, cap. 1.]. Et ideo salubriter fuit institutum ut in divinas laudes cantus assumerentur, ut animi infirmorum magis provocarentur ad devotionem. Unde Augustinus dicit, in 10 Confes. [cap. 33.] : « Adducor cantandi consuetudinem approbare in Ecclesia, ut per oblectamenta aurium infirmorum animus in affectum pietatis assurgat ». Et de se ipso dicit, in 9 Conf. [cap. 6.] : 309« Flevi in hymnis et canticis tuis, suave sonantis Ecclesiae tuae vocibus commotus acriter ».
Leerstelling. — Zooals werd gezegd (vorig Art.) is het prijzen met den mond hiervoor noodig, dat de gevoelens van de menschen tot God worden opgewekt. Daarom kan men alles, wat hiervoor van nut kan zijn, passend bij het loven van God gebruiken. Nu is het duidelijk, dat naar de verschillende melodiën der gezangen de zielen van de menschen verschillend worden aangedaan, zooals de Wijsgeer en Boëtius bewijzen. En dus was het een heilzame instelling om bij het prijzen van God gezangen te gebruiken om de geesten van de zwakkeren meer tot toewijding op te wekken. Daarom zegt Augustinus: « Ik wordt tot instemming met de gewoonte in de Kerk om te zingen gebracht, opdat de geesten van de zwakken door het streelen van het oor tot het gevoel van godsvrucht worden gebracht. » En van zichzelf zegt 309hij: « Bij Uw hymnen en gezangen heb ik geweend, innig bewogen door de stemmen van Uw zoet zingende Kerk. »Leerstelling. — Zoals werd gezegd (vorig Art.) is het prijzen met de mond hiervoor nodig, dat de gevoelens van de mensen tot God worden opgewekt. Daarom kan men alles, wat hiervoor van nut kan zijn, passend bij het loven van God gebruiken. Nu is het duidelijk, dat naar de verschillende melodiën van de gezangen de zielen van de mensen verschillend worden aangedaan, zoals de Wijsgeer en Boëtius bewijzen. En dus was het een heilzame instelling om bij het prijzen van God gezangen te gebruiken om de geesten van de zwakkeren meer tot toewijding op te wekken. Daarom zegt Augustinus: “Ik wordt tot instemming met de gewoonte in de Kerk om te zingen gebracht, opdat de geesten van de zwakken door het strelen van het oor tot het gevoel van godsvrucht worden gebracht.” En van zichzelf zegt 309hij: “Bij Uw hymnen en gezangen heb ik geweend, innig bewogen door de stemmen van Uw zoet zingende Kerk.”
Ad primum ergo dicendum quod cantica spiritualia possunt dici non solum ea quae interius canuntur in spiritu, sed etiam ea quae exterius ore cantantur, inquantum per hujusmodi cantica spiritualis devotio provocatur.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan niet alleen wat innerlijk in den geest gezongen wordt een geestelijk gezang noemen, maar ook wat uitwendig met den mond gezongen wordt, in zoover de geestelijke toewijding door deze gezangen wordt opgewekt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Men kan niet alleen wat innerlijk in de geest gezongen wordt een geestelijk gezang noemen, maar ook wat uitwendig met de mond gezongen wordt, in zover de geestelijke toewijding door deze gezangen wordt opgewekt.
Ad secundum dicendum quod Hieronymus non simpliciter vituperat cantum: sed reprehendit eos qui in ecclesia cantant more theatrico, non propter devotionem excitandam, sed propter ostentationem vel delectationem provocandam. Unde Augustinus dicit, in 10 Conf. [cap. 33.] : « Cum mihi accedit ut me amplius cantus quam res quae cantatur moveat, poenaliter me peccare confiteor: et tunc mallem non audire cantantem ».
2. Hieronymus keurt niet zonder meer het zingen af, maar hij berispt hen, die in de kerk op theatrale manier zingen, niet om de godsvrucht op te wekken, maar om op te vallen of genot te geven. Daarom ook zegt Augustinus: « Als het mij gebeurt, dat mij meer het gezang dan zijn inhoud beweegt, dan beken ik te zondigen en straf te verdienen en zou ik den zanger liever niet hooren. »2. Hieronymus keurt niet zonder meer het zingen af, maar hij berispt hen, die in de kerk op theatrale manier zingen, niet om de godsvrucht op te wekken, maar om op te vallen of genot te geven. Daarom ook zegt Augustinus: “Als het mij gebeurt, dat mij meer het gezang dan zijn inhoud beweegt, dan beken ik te zondigen en straf te verdienen en zou ik de zanger liever niet horen.”
Ad tertium dicendum quod nobilior modus est provocandi homines ad devotionem per doctrinam et praedicationem quam per cantum. Et ideo diaconi et praelati, quibus competit per praedicationem et doctrinam animos hominum provocare in Deum, non debent cantibus insistere, ne per hoc a majoribus retrahantur. Unde ibidem Gregorius dicit: « Consuetudo est 310valde reprehensibilis ut in diaconatus ordine constituti modulationi vocis inserviant, quos ad praedicationis officium et eleemosynarum studium vacare congruebat ».
3. Het is iets hoogers de menschen door leer en prediken tot godsvrucht te brengen dan door gezang. En daarom moeten diakens en prelaten, wien het toekomt door preek en onderricht de zielen van de menschen tot God op te wekken, zich niet op het zingen toeleggen om hierdoor niet van het hoogere te worden afgehouden. Daarom zegt Gregorius op dezelfde plaats: « De gewoonte, dat zij die de diaconaatswijding hebben ontvangen, zich 310op de stemvorming toeleggen, is zeer te veroordeelen, omdat het past, dat zij zich wijden aan de taak van preeken en het uitdeelen van aalmoezen. »3. Het is iets hogers de mensen door leer en prediken tot godsvrucht te brengen dan door gezang. En daarom moeten diakens en prelaten, wie het toekomt door preek en onderricht de zielen van de mensen tot God op te wekken, zich niet op het zingen toeleggen om hierdoor niet van het hogere te worden afgehouden. Daarom zegt Gregorius op dezelfde plaats: “De gewoonte, dat zij die de diaconaatswijding hebben ontvangen, zich 310op de stemvorming toeleggen, is zeer te veroordelen, omdat het past, dat zij zich wijden aan de taak van preken en het uitdelen van aalmoezen.”
Ad quartum dicendum quod sicut Philosophus dicit, in 8 Polit. [cap. 6. n. 5.] : « neque fistulas ad disciplinam est adducendum, neque aliquod aliud artificiale organum, puta citharam et si quid tale alterum est: sed quaecumque faciunt auditores bonos ». Hujusmodi enim musica instrumenta magis animum movent ad delectationem quam per ea formetur interius bona dispositio. In veteri autem Testamento usus erat talium instrumentorum, tum quia populus erat magis durus et carnalis: unde erat per hujusmodi instrumenta provocandus, sicut et per promissiones terrenas. Tum etiam quia hujusmodi instrumenta corporalia aliquid figurabant.
4. Zooals de Wijsgeer zegt, « moet men geen fluiten bij het onderricht gebruiken en geen ander kunstinstrument, b. v. een citer en dergelijke dingen; maar wat een goede toehoorder maakt. » Want deze muziekinstrumenten bewegen de geesten van de toehoorders meer tot genieten dan dat daardoor innerlijk een goede gesteldheid wordt gevormd. Onder het Oude Verbond werden dergelijke instrumenten echter gebruikt, zoowel omdat het volk verharder en meer vleeschelijk was en dus door dergelijke instrumenten moest worden opgewekt zooals door aardsche toezeggingen, als omdat deze lichamelijke instrumenten iets beteekenden.4. Zoals de Wijsgeer zegt, “moet men geen fluiten bij het onderricht gebruiken en geen ander kunstinstrument, bv. een citer en dergelijke dingen; maar wat een goede toehoorder maakt.” Want deze muziekinstrumenten bewegen de geesten van de toehoorders meer tot genieten dan dat daardoor innerlijk een goede gesteldheid wordt gevormd. Onder het Oude Verbond werden dergelijke instrumenten echter gebruikt, zowel omdat het volk verharder en meer vleselijk was en dus door dergelijke instrumenten moest worden opgewekt zoals door aardse toezeggingen, als omdat deze lichamelijke instrumenten iets betekenden.
Ad quintum dicendum quod per cantum quo quis studiose ad delectandum utitur, abstrahitur animus a consideratione eorum quae cantantur. Sed si aliquis cantet propter devotionem, attentius considerat quae dicuntur: tum quia diutius moratur super eodem; tum quia, ut Augustinus dicit, in 10. Confessionum [cap. 33.], « omnes affectus spiritus nostri pro suavi diversitate habent proprios modos in voce atque cantu, quorum occulta 311familiaritate excitantur ». Et eadem etiam est ratio de audientibus: in quibus, etsi aliquando non intelligant quae cantantur, intelligunt tamen propter quid cantantur, scilicet ad laudem Dei; et hoc sufficit ad devotionem excitandam.
5. Door een gezang, dat uitdrukkelijk om te behagen wordt gebezigd, wordt de geest van den inhoud van het gezang afgeleid. Maar als iemand om godsvrucht te krijgen zingt, let hij nauwkeuriger op wat gezongen wordt, zoowel omdat hij er langer mee bezig blijft, als omdat volgens Augustinus « alle gevoelens in onzen geest naar hun verscheidenheid in stem en gezang eigen 311wijzen hebben en door een geheime verwantschap worden opgewekt. » Hetzelfde gaat voor de toehoorders op; want al begrijpen zij soms niet wat gezongen wordt, zij begrijpen waarom het wordt gezongen, nl. om God te eeren; en dat is genoeg om godsvrucht op te wekken.5. Door een gezang, dat uitdrukkelijk om te behagen wordt gebezigd, wordt de geest van de inhoud van het gezang afgeleid. Maar als iemand om godsvrucht te krijgen zingt, let hij nauwkeuriger op wat gezongen wordt, zowel omdat hij er langer mee bezig blijft, als omdat volgens Augustinus “alle gevoelens in onze geest naar hun verscheidenheid in stem en gezang eigen 311wijzen hebben en door een geheime verwantschap worden opgewekt.” Hetzelfde gaat voor de toehoorders op; want al begrijpen zij soms niet wat gezongen wordt, zij begrijpen waarom het wordt gezongen, nl. om God te eren; en dat is genoeg om godsvrucht op te wekken.