Theologische Summa · Secunda Secundae · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · De met de rechtvaardigheid verwante deugdenSumma · II-II · Kw. 86Kw. 86
Quaestio LXXXVI

De oblationibus, et primitiis, in quatuor articulos divisa

Kwestie 86

Over de wijgeschenken en eerstelingenoffers

(Vier Artikelen)

152Postea considerandum est de oblationibus et primitiis. Et circa hoc quaeruntur quatuor: 1. Utrum aliquae oblationes sint de necessitate praecepti. — 2. Quibus oblationes debeantur. — 3. De quibus rebus fieri debeant. — 4. Specialiter de oblationibus primitiarum, utrum ad eas homines ex necessitate teneantur.

152Vervolgens moeten wij over de wijgeschenken en eerstelingenoffers spreken. (Zie 85e Kw. Inl.) . En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Moeten er krachtens een gebod noodzakelijk wijgeschenken worden aangeboden? 2. Wie hebben recht op wijgeschenken? 3. Van welke zaken moeten zij gegeven worden? 4. In het bijzonder over het aanbieden van eerstelingenoffers: zijn de menschen daar noodzakelijk toe verplicht?152Vervolgens moeten wij over de wijgeschenken en eerstelingenoffers spreken. (Zie 85. Kw. Inl.) . En daarover stellen wij ons vier vragen: 1. Moeten er krachtens een gebod noodzakelijk wijgeschenken worden aangeboden? 2. Wie hebben recht op wijgeschenken? 3. Van welke zaken moeten zij gegeven worden? 4. In het bijzonder over het aanbieden van eerstelingenoffers: zijn de mensen daar noodzakelijk toe verplicht?

Articulus I

Utrum homines teneantur ad oblationes ex necessitate praecepti

Ie Artikel

Zijn de menschen krachtens een gebod noodzakelijk verplicht wijgeschenken te brengen?Zijn de mensen krachtens een gebod noodzakelijk verplicht wijgeschenken te brengen?

antwoord 1 ↓

153Ad primum sic proceditur. Videtur quod homines non teneantur ad oblationes ex necessitate praecepti. Non enim homines tempore Evangelii tenentur ad observanda caeremonialia praecepta veteris legis, ut supra habitum est [1-2. q. 103. art. 3.]. Sed oblationes offerre ponitur inter caeremonialia praecepta veteris legis: dicitur enim Exod. 23. [v. 14] : « Tribus vicibus per singulos annos mihi festa celebrabitis », et postea subditur: « Non apparebis in conspectu meo vacuus ». Ergo ad oblationes non tenentur nunc homines ex necessitate praecepti.

153Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschen niet krachtens een gebod tot wijgeschenken zijn verplicht. — 1. Want de menschen uit het tijdperk van het Evangelie zijn niet gehouden tot het onderhouden van de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden, zooals vroeger (I. II. 103e Kw. 3e Art.) is gezegd. Nu wordt het aanbieden van wijgeschenken onder de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden opgegeven, want wij lezen in het Boek van den Uittocht (23. 14) : « Driemaal in ieder jaar zult gij Mij feesten vieren, » en verderop (v. 15) wordt eraan toegevoegd: « Gij zult niet met leege handen voor Mij verschijnen. » Dus zijn de menschen nu niet krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.153Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensen niet krachtens een gebod tot wijgeschenken zijn verplicht. — 1. Want de mensen uit het tijdperk van het Evangelie zijn niet gehouden tot het onderhouden van de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden, zoals vroeger (1-2 103e Kw. 3e Art.) is gezegd. Nu wordt het aanbieden van wijgeschenken onder de geboden van de Oude Wet over de plechtigheden opgegeven, want wij lezen in het Boek van de Uittocht (23, 14): “Driemaal in ieder jaar zult gij Mij feesten vieren,” en verderop (v. 15) wordt eraan toegevoegd: “Gij zult niet met lege handen voor Mij verschijnen.” Dus zijn de mensen nu niet krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, oblationes, antequam fiant, in voluntate hominis consistunt: ut videtur per hoc quod Dominus dicit, Matth. 5. [v. 23] : « Si offers munus tuum ad altare », quasi hoc arbitrio offerentium relinquatur. 154Postquam autem oblationes sunt factae, non restat locus iterato offerendi eas. Ergo nullo modo aliquis ex necessitate praecepti ad oblationes tenetur.

2. Vóór de wijgeschenken worden gebracht, hangen zij af van den wil van den mensch, wat blijkt uit wat de Heer bij Mattheus (5. 23) zegt: « Als gij uw offer brengt aan het altaar, » als werd dit aan de beslissing van die ze brachten overgelaten. Nadat de 154wijgeschenken echter aangeboden zijn, is er geen gelegenheid om ze nog eens op te dragen. Dus is een mensch op geen enkele manier krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.2. Vóór de wijgeschenken worden gebracht, hangen zij af van de wil van de mens, wat blijkt uit wat de Heer bij Matteüs (5, 23) zegt: “Als gij uw offer brengt aan het altaar,” als werd dit aan de beslissing van die ze brachten overgelaten. Nadat de 154wijgeschenken echter aangeboden zijn, is er geen gelegenheid om ze nog eens op te dragen. Dus is een mens op geen enkele manier krachtens een gebod tot wijgeschenken verplicht.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quicumque aliquid tenetur reddere Ecclesiae, si non reddat, potest ad id compelli per subtractionem ecclesiasticorum sacramentorum. Sed illicitum videtur his qui offerre noluerint, ecclesiastica sacramenta denegare: secundum illud Decretum sextae Synodi [can. Nullus Episc. aut presbyter], quod habetur 1. q. 1.: « Nullus qui sacram communionem dispensat, a percipiente gratiam aliquid exigat: si vero exegerit, deponatur ». Ergo non tenentur homines de necessitate salutis ad oblationes.

3. Als iemand verplicht is iets aan de Kerk te geven en dat niet doet, kan hij daartoe gedwongen worden door het onttrekken van de Sacramenten van de Kerk. Nu schijnt het ongeoorloofd hun die geen wijgeschenken willen geven de Sacramenten te weigeren, volgens de bepaling van de Zesde Kerkvergadering: « Niemand, die de H. Communie uitreikt, mag van wie Haar ontvangt, een gunst eischen; heeft hij dat echter gedaan, dan worde hij afgezet. » Dus zijn de menschen niet krachtens noodzakelijkheid verplicht om wijgeschenken te geven.3. Als iemand verplicht is iets aan de Kerk te geven en dat niet doet, kan hij daartoe gedwongen worden door het onttrekken van de Sacramenten van de Kerk. Nu schijnt het ongeoorloofd hun die geen wijgeschenken willen geven de Sacramenten te weigeren, volgens de bepaling van de Zesde Kerkvergadering: “Niemand, die de H. Communie uitreikt, mag van wie Haar ontvangt, een gunst eisen; heeft hij dat echter gedaan, dan worde hij afgezet.” Dus zijn de mensen niet krachtens noodzakelijkheid verplicht om wijgeschenken te geven.

Sed contra est quod Gregorius VII. dicit [in Concil. Rom. 5. can. 12.] : « Omnis christianus procuret ad Missarum solemnia aliquid Deo offerre ».

Maar daartegenover staat, dat Gregorius VII zegt: « Iedere Christen zorge ervoor bij de H. Mis iets aan God op te dragen. »Maar daartegenover staat, dat Gregorius VII zegt: “Iedere Christen zorge ervoor bij de H. Mis iets aan God op te dragen.”

Respondeo dicendum quod, sicut dictum est [q. praec. art. 3. ad 3.], nomen oblationis commune est ad omnes res quae in cultum Dei exhibentur. Ita quod si aliquid exhibeatur in cultum divinum quasi in aliquod sacrum quod inde fieri debeat consumendum, et oblatio est et sacrificium: 155unde Ex. 29. [v. 18] dicitur: « Offeres totum arietem in incensum super altare: oblatio est Domino, odor suavissimus victimae Dei »; et Levit. 2. [v. 1] dicitur: « Anima cum obtulerit oblationem sacrificii Deo, simul erit ejus oblatio ». Si vero sic exhibeatur ut integrum maneat, divino cultui deputandum, vel in usus ministrorum expendendum, erit oblatio et non sacrificium.

Leerstelling. — Zooals vroeger (85e Kw. 3e Art. 3e Antw.) is gezegd, wordt de naam wijgeschenk aan alles gegeven, wat gebruikt wordt om er God mee te eeren. Wordt daarom iets zoo bestemd voor Gods eeredienst, dat het wordt verbruikt om er iets heiligs van te maken, dan is het zoowel een wijgeschenk als een 155offer; en daarom lezen wij in het Boek van den Uittocht (29. 18) : « Gij zult een geheelen ram offeren om op het altaar te verbranden; het is een wijgeschenk voor den Heer, een allerzoetste geur van het slachtoffer van den Heer »; en in het Boek Leviticus (2. 1) : « Als iemand het geschenk van een offer aan den Heer brengt, moet tarwemeel zijn wijgeschenk zijn. » Geeft men het echter om het geheel te laten blijven, bestemd voor den goddelijken eeredienst of om door de bedienaars ervan gebruikt te worden, dan is het een wijgeschenk en geen offer.Leerstelling. — Zoals vroeger (85e Kw. 3e Art. 3e Antw.) is gezegd, wordt de naam wijgeschenk aan alles gegeven, wat gebruikt wordt om er God mee te eren. Wordt daarom iets zo bestemd voor Gods eredienst, dat het wordt verbruikt om er iets heiligs van te maken, dan is het zowel een wijgeschenk als een 155offer; en daarom lezen wij in het Boek van de Uittocht (29, 18): “Gij zult een gehelen ram offeren om op het altaar te verbranden; het is een wijgeschenk voor de Heer, een allerzoetste geur van het slachtoffer van de Heer”; en in het Boek Leviticus (2, 1): “Als iemand het geschenk van een offer aan de Heer brengt, moet tarwemeel zijn wijgeschenk zijn.” Geeft men het echter om het geheel te laten blijven, bestemd voor de goddelijke eredienst of om door de bedienaars ervan gebruikt te worden, dan is het een wijgeschenk en geen offer.

Hujusmodi ergo oblationes de sui ratione habent quod voluntarie offerantur: secundum illud Ex. 25. [v. 2] : « Ab homine qui offert ultroneus, accipietis eas ». Potest tamen contingere quod aliquis ad oblationes teneatur quadruplici ratione. Primo quidem, ex praecedenti conventione: sicut cum alicui conceditur aliquis fundus Ecclesiae, ut certis temporibus certas oblationes faciat. Quod tamen habet rationem census. Secundo propter praecedentem deputationem, sive promissionem: sicut cum aliquis offert donationem inter vivos, vel cum relinquit in testamento Ecclesiae aliquam rem mobilem vel immobilem, in posterum solvendam. Tertio modo, propter Ecclesiae necessitatem: puta si ministri Ecclesiae non haberent unde 156sustentarentur. Quarto, propter consuetudinem: tenentur enim fideles in aliquibus solemnitatibus ad aliquas oblationes consuetas. Tamen in his duobus ultimis casibus remanet oblatio quodammodo voluntaria: scilicet quantum ad quantitatem vel speciem rei oblatae.

Uit den aard van deze wijgeschenken volgt, dat zij uit vrijen wil worden gegeven volgens het Boek van den Uittocht (25. 2) : « Van een mensch, die ze uit eigen beweging aanbiedt, zult gij ze aannemen. » Maar het kan om vier redenen gebeuren, dat iemand tot wijgeschenken verplicht is. Ten eerste krachtens een voorafgaande overeenkomst, zooals wanneer aan iemand een bezitting van de Kerk wordt gegeven op voorwaarde, dat hij op gestelde tijden bepaalde wijgeschenken geeft. Maar dat heeft meer den aard van een belasting. — Ten tweede om een voorafgaande bepaling of belofte, zooals wanneer iemand bij zijn leven een geschenk geeft of in zijn testament aan de Kerk een roerend of onroerend goed nalaat, dat later aangeboden moet worden. — Ten derde om de nooden van de Kerk, b. v. als de dienaars van de 156Kerk niets hebben voor hun onderhoud. — Ten vierde krachtens de gewoonte; want bij sommige feesten zijn de geloovigen verplicht de gewone geschenken te geven. — Maar in deze twee laatste gevallen blijven de geschenken tot zekere hoogte vrijwillig, nl. wat de hoegrootheid en aard van het aangeboden geschenk betreft.Uit de aard van deze wijgeschenken volgt, dat zij uit vrijen wil worden gegeven volgens het Boek van de Uittocht (25, 2): “Van een mens, die ze uit eigen beweging aanbiedt, zult gij ze aannemen.” Maar het kan om vier redenen gebeuren, dat iemand tot wijgeschenken verplicht is. Ten eerste krachtens een voorafgaande overeenkomst, zoals wanneer aan iemand een bezitting van de Kerk wordt gegeven op voorwaarde, dat hij op gestelde tijden bepaalde wijgeschenken geeft. Maar dat heeft meer de aard van een belasting. — Ten tweede om een voorafgaande bepaling of belofte, zoals wanneer iemand bij zijn leven een geschenk geeft of in zijn testament aan de Kerk een roerend of onroerend goed nalaat, dat later aangeboden moet worden. — Ten derde om de noden van de Kerk, bv. als de dienaars van de 156Kerk niets hebben voor hun onderhoud. — Ten vierde krachtens de gewoonte; want bij sommige feesten zijn de gelovigen verplicht de gewone geschenken te geven. — Maar in deze twee laatste gevallen blijven de geschenken tot zekere hoogte vrijwillig, nl. wat de hoegrootheid en aard van het aangeboden geschenk betreft.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod in nova lege homines non tenentur ad oblationes causa solemnitatum legalium, ut in Ex. dicitur: sed ex quibusdam aliis causis, ut dictum est [in corp.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onder de Nieuwe Wet zijn de menschen niet tot het brengen van wijgeschenken verplicht om de feesten van de Wet, zooals in Exodus wordt gezegd, maar, zooals in de leerstelling gezegd werd, om andere redenen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onder de Nieuwe Wet zijn de mensen niet tot het brengen van wijgeschenken verplicht om de feesten van de Wet, zoals in Exodus wordt gezegd, maar, zoals in de leerstelling gezegd werd, om andere redenen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod ad oblationes faciendas tenentur aliqui et antequam fiant, sicut in primo, et tertio, et quarto modo: et etiam postquam eas fecerint per deputationem sive promissionem; tenentur enim realiter exhibere quod est Ecclesiae per modum deputationis oblatum.

2. Sommigen zijn tot het geven van wijgeschenken verplicht zoowel vóórdat zij worden gebracht, zooals op de eerste, derde of vierde manier, als nadat zij ze gebracht hebben, wat gebeurde toen ze er iets voor bestemden of iets beloofden; want in dat geval moeten ze in werkelijkheid geven, wat krachtens een beschikking aan de Kerk gegeven is.2. Sommigen zijn tot het geven van wijgeschenken verplicht zowel vóórdat zij worden gebracht, zoals op de eerste, derde of vierde manier, als nadat zij ze gebracht hebben, wat gebeurde toen ze er iets voor bestemden of iets beloofden; want in dat geval moeten ze in werkelijkheid geven, wat krachtens een beschikking aan de Kerk gegeven is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod illi qui oblationes debitas non reddunt possunt puniri per subtractionem Sacramentorum, non per ipsum sacerdotem cui sunt oblationes faciendae, ne videatur per Sacramentorum exhibitionem aliquid exigere, sed per superiorem aliquem.

3. Die de verplichte geschenken niet geven, kunnen door het onthouden van de Sacramenten worden gestraft, maar niet door den priester zelf, aan wien de geschenken aangeboden moeten worden, om niet den schijn te wekken, dat hij iets eischt voor het toedienen van de Sacramenten; doch door een overste.3. Die de verplichte geschenken niet geven, kunnen door het onthouden van de Sacramenten worden gestraft, maar niet door de priester zelf, aan wie de geschenken aangeboden moeten worden, om niet de schijn te wekken, dat hij iets eist voor het toedienen van de Sacramenten; doch door een overste.

Articulus II

Utrum solum sacerdotibus debeantur oblationes

IIe Artikel

Hebben alleen de priesters recht op wijgeschenken?

antwoord 1 ↓

157Ad secundum sic proceditur. Videtur quod oblationes non solum sacerdotibus debeantur. Inter oblationes enim praecipuae videntur esse, quae hostiarum sacrificiis deputantur. Sed ea quae pauperibus dantur in Scripturis hostiae dicuntur: secundum illud Hebr. ult. [v. 16] : « Beneficentiae et communionis nolite oblivisci: talibus enim hostiis promeretur Deus ». Ergo multo magis oblationes pauperibus debentur.

157Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alleen de priesters recht hebben op wijgeschenken. — 1. Want onder de wijgeschenken vinden wij als de voornaamste die, welke voor de slachtoffers bestemd zijn. Nu wordt datgene, wat aan de armen gegeven wordt, in de Schrift een offer genoemd volgens den Brief aan de Hebreën (13. 16) : « Vergeet de weldadigheid en den onderlingen bijstand niet, want in dergelijke offers heeft God welbehagen. » Dus hebben de armen nog veel meer recht op geschenken.157Bedenkingen. — Men beweert, dat niet alleen de priesters recht hebben op wijgeschenken. — 1. Want onder de wijgeschenken vinden wij als de voornaamste die, welke voor de slachtoffers bestemd zijn. Nu wordt datgene, wat aan de armen gegeven wordt, in de Schrift een offer genoemd volgens de Brief aan de Hebreën (13, 16): “Vergeet de weldadigheid en de onderlinge bijstand niet, want in dergelijke offers heeft God welbehagen.” Dus hebben de armen nog veel meer recht op geschenken.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, in multis parochiis monachi de oblationibus partem habent. Alia autem est cura clericorum, alia monachorum, ut Hieronymus dicit [ep. 14. ad Heliodor.]. Ergo non solum sacerdotibus oblationes debentur.

2. In vele parochies hebben de monniken deel aan de geschenken. Maar « anders is de zorg voor de geestelijken, anders die voor de monniken, » zooals Hieronymus zegt. Daarom hebben niet alleen de priesters recht op de gaven.2. In vele parochies hebben de monniken deel aan de geschenken. Maar “anders is de zorg voor de geestelijken, anders die voor de monniken,” zoals Hieronymus zegt. Daarom hebben niet alleen de priesters recht op de gaven.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, laici de voluntate Ecclesiae emunt oblationes, ut panes et hujusmodi. Sed non nisi ut haec in suos usus convertant. Ergo oblationes possunt etiam ad laicos pertinere.

3. Met toestemming van de Kerk koopen de leeken offergaven. Maar dat doen zij alleen om ze voor zichzelf te gebruiken. Dus kunnen de offergaven ook aan de leeken toebehooren.3. Met toestemming van de Kerk kopen de leken offergaven. Maar dat doen zij alleen om ze voor zichzelf te gebruiken. Dus kunnen de offergaven ook aan de leken toebehoren.

158Sed contra est quod dicit Canon Damasi I. Papae et habetur 10. q. 1. (can.: Hanc consuetudinem) : « Oblationes quae intra sanctam Ecclesiam offeruntur, tantummodo sacerdotibus, qui quotidie Domino servire videntur, licet comedere et bibere. Quia in veteri testamento prohibuit Dominus panes sanctos comedere filiis Israël, nisi tantummodo Aaron, et filiis ejus ».

158Maar daartegenover staat de Canon van Paus Damasus: « De wijgeschenken, die in de H. Kerk worden aangeboden, mogen alleen de priesters, die iederen dag God dienen, eten en drinken. Want onder het Oude Verbond verbood God de kinderen van Israël de heilige brooden te eten, behalve Aäron en zijn zonen. »158Maar daartegenover staat de Canon van Paus Damasus: “De wijgeschenken, die in de H. Kerk worden aangeboden, mogen alleen de priesters, die iederen dag God dienen, eten en drinken. Want onder het Oude Verbond verbood God de kinderen van Israël de heilige broden te eten, behalve Aäron en zijn zonen.”

Respondeo dicendum quod sacerdos quodammodo constituitur « sequester et medius » inter populum, et Deum, sicut de Moyse legitur Deuter. 5. [v. 5]. Et ideo ad eum pertinet divina dogmata et sacramenta exhibere populo: et iterum ea quae sunt populi, puta preces et sacrificia et oblationes, per eum Domino debent exhiberi; secundum illud Apostoli ad Hebr. 5. [v. 1] : « Omnis Pontifex ex hominibus assumptus, pro hominibus constituitur in his, quae sunt ad Deum, ut offerat dona, et sacrificia pro peccatis ». Et ideo oblationes quae a populo Deo exhibentur ad sacerdotes pertinent, non solum ut eas in suos usus convertant, verum etiam ut fideliter eas dispensent: partim quidem expendendo eas in his quae pertinent ad cultum divinum; partim vero in his quae pertinent ad 159proprium victum, quia « qui altari deserviunt, cum altari participant », ut dicitur 1. ad Cor. 9. [v. 13]; partim etiam in usus pauperum, qui sunt, quantum fieri potest, de rebus Ecclesiae sustentandi; quia et Dominus in usum pauperum loculos habebat, ut Hieronymus dicit. super Matthaeum [cap. 17. v. 26. sup. illud: Ut non scandalizemus, et hab. cap.: Habebat, 12. q. 1.].

Leerstelling. — In zekeren zin is de priester gesteld als « tusschenpersoon en middelaar » tusschen het volk en God, zooals wij van Moses lezen (Deut. 5. 5) . Daarom komt het hem toe de heilige leerstukken en Sacramenten tot het volk te brengen; en ook wat van het volk komt, zooals gebeden en offers en geschenken, moet door hem aan God worden aangeboden naar den Brief aan de Hebreën (5. 1) : « Iedere hoogepriester wordt uit de menschen genomen en in de plaats van de menschen aangesteld voor den eeredienst aan God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden. » Daarom behooren de geschenken, die door het volk aan God worden aangeboden, aan de priesters, niet alleen om ze voor zichzelf te gebruiken, maar ook om ze getrouw te beheeren; door ze gedeeltelijk te benutten bij wat voor den goddelijken eeredienst noodig is; deels voor wat tot hun eigen onderhoud 159dient, omdat « zij, die het altaar dienen, met het altaar deelen, » zooals in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (9. 13) staat; deels om ze voor de armen te gebruiken, die voor zoover het mogelijk is van de bezittingen van de Kerk moeten onderhouden worden, omdat ook de Heer een beurs had ten gebruike voor de armen, zooals Hieronymus zegt.Leerstelling. — In zekeren zin is de priester gesteld als “tussenpersoon en middelaar” tussen het volk en God, zoals wij van Moses lezen (Deut. 5. 5) . Daarom komt het hem toe de heilige leerstukken en Sacramenten tot het volk te brengen; en ook wat van het volk komt, zoals gebeden en offers en geschenken, moet door hem aan God worden aangeboden naar de Brief aan de Hebreën (5, 1): “Iedere hogepriester wordt uit de mensen genomen en in de plaats van de mensen aangesteld voor de eredienst aan God, om gaven en offers op te dragen voor de zonden.” Daarom behoren de geschenken, die door het volk aan God worden aangeboden, aan de priesters, niet alleen om ze voor zichzelf te gebruiken, maar ook om ze getrouw te beheren; door ze gedeeltelijk te benutten bij wat voor de goddelijke eredienst nodig is; deels voor wat tot hun eigen onderhoud 159dient, omdat “zij, die het altaar dienen, met het altaar delen,” zoals in de Eerste Brief aan de Korintiërs (9, 13) staat; deels om ze voor de armen te gebruiken, die voor zover het mogelijk is van de bezittingen van de Kerk moeten onderhouden worden, omdat ook de Heer een beurs had ten gebruike voor de armen, zoals Hieronymus zegt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod ea quae pauperibus dantur, sicut non proprie sunt sacrificia, dicuntur tamen sacrificia inquantum eis dantur propter Deum, ita etiam secundum eamdem rationem oblationes dici possunt: tamen non proprie dictae quia non immediate Deo offeruntur. Oblationes vero proprie dictae in usum pauperum cedunt, non per dispensationem offerentium, sed per dispensationem sacerdotum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zooals wat den armen gegeven wordt, geen eigenlijk offer is, maar een offer wordt genoemd in zoover het hun om God gegeven wordt, kan men het ook om dezelfde reden een wijgeschenk noemen, maar niet in eigenlijken zin, omdat het niet onmiddellijk aan God wordt aangeboden. De eigenlijke wijgeschenken worden wel voor de armen gebruikt, maar niet krachtens de beschikking van wie het aanbiedt, maar van de priesters.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Zoals wat de arme gegeven wordt, geen eigenlijk offer is, maar een offer wordt genoemd in zover het hun om God gegeven wordt, kan men het ook om dezelfde reden een wijgeschenk noemen, maar niet in eigenlijke zin, omdat het niet onmiddellijk aan God wordt aangeboden. De eigenlijke wijgeschenken worden wel voor de armen gebruikt, maar niet krachtens de beschikking van wie het aanbiedt, maar van de priesters.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod monachi sive alii religiosi possunt oblationes recipere tripliciter. Uno modo, sicut pauperes, per dispensationem sacerdotum vel ordinationem Ecclesiae. Alio modo, si sint ministri altaris. Et tunc possunt accipere oblationes sponte oblatas. Tertio modo, si parochiae 160sint eorum. Et tunc ex debito possunt accipere oblationes, tamquam Ecclesiae rectores.

2. Op drie manieren kunnen monniken en andere kloosterlingen wijgeschenken ontvangen. Ten eerste als armen naar de beschikking van een priester of de Kerk. — Dan, als zij bedienaars van het altaar zijn; en dan kunnen zij vrijwillig aangeboden geschenken 160ontvangen. — Ten derde, als zij parochies hebben. En dan kunnen zij ze als rectors van de Kerk ontvangen als een recht.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod oblationes, postquam fuerint consecratae, non possunt cedere in usum laicorum: sicut vasa et vestimenta sacra. Et hoc modo intelligitur dictum Damasi Papae [cit. in arg. sed cont.]. Illa vero quae non sunt consecrata, possunt in usum laicorum cedere ex dispensatione sacerdotum, sive per modum donationis sive per modum venditionis.

3. Als wijgeschenken gewijd zijn, kunnen zij niet voor leeken worden gebruikt; zoo b. v. heilige vaten en paramenten. En zoo moet men de bepaling van Paus Damasus verstaan. — Zijn zij echter niet gewijd, dan kunnen zij naar de bepaling van de priesters voor leeken worden gebruikt, doordat ze worden weggegeven of worden verkocht.3. Als wijgeschenken gewijd zijn, kunnen zij niet voor leken worden gebruikt; zo bv. heilige vaten en paramenten. En zo moet men de bepaling van Paus Damasus verstaan. — Zijn zij echter niet gewijd, dan kunnen zij naar de bepaling van de priesters voor leken worden gebruikt, doordat ze worden weggegeven of worden verkocht.

Articulus III

Utrum homo possit oblationes facere de omnibus rebus licite possessis

IIIe Artikel

Kan een mensch wijgeschenken geven van alles, wat hij rechtmatig bezit?Kan een mens wijgeschenken geven van alles, wat hij rechtmatig bezit?

antwoord 1 ↓

Ad tertium sic proceditur. Videtur quod non possit homo oblationes facere de omnibus rebus licite possessis. Quia secundum jura humana [Dig. 12. 5. de condict. ob turp. vel injust. can. 4.] « turpiter facit meretrix in hoc quod est meretrix, non tamen turpiter accipit »: et ita licite possidet. Sed non licet de eo facere oblationem: secundum illud Deuteron. 23. [v. 18] : « Non offeres mercedem prostibuli in domo 161Domini Dei tui ». Ergo non licet facere oblationem de omnibus licite possessis.

Bedenkingen. — Men beweert, dat een mensch geen wijgeschenken kan geven van alles, wat hij rechtmatig bezit. — 1. Want volgens het menschelijke recht, « handelt een publieke vrouw hierin schandelijk, dat zij een publieke vrouw is; maar dat zij er iets voor aanneemt, is niet schandelijk. » Maar hiervan mag men geen geschenken aanbieden volgens het Boek Deuteronomium (23. 18) : « In het huis van den Heer uw God zult gij de winst 161van een bordeel niet komen aanbieden. » Dus mag men geen wijgeschenken geven van alles, wat men rechtmatig bezit.Bedenkingen. — Men beweert, dat een mens geen wijgeschenken kan geven van alles, wat hij rechtmatig bezit. — 1. Want volgens het menselijke recht, “handelt een publieke vrouw hierin schandelijk, dat zij een publieke vrouw is; maar dat zij er iets voor aanneemt, is niet schandelijk.” Maar hiervan mag men geen geschenken aanbieden volgens het Boek Deuteronomium (23, 18): “In het huis van de Heer uw God zult gij de winst 161van een bordeel niet komen aanbieden.” Dus mag men geen wijgeschenken geven van alles, wat men rechtmatig bezit.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, ibidem prohibetur quod « pretium canis » non offeratur in domo Dei. Sed manifestum est quod pretium canis juste venditi juste possidetur. Ergo non licet de omnibus juste possessis oblationem facere.

2. Op dezelfde plaats wordt verboden den prijs voor een hond ontvangen in het huis van God op te dragen. Nu is het duidelijk, dat men den prijs van een rechtmatig verkochten hond rechtmatig bezit. Dus mag men niet van alles wat men rechtmatig bezit geschenken aanbieden.2. Op dezelfde plaats wordt verboden de prijs voor een hond ontvangen in het huis van God op te dragen. Nu is het duidelijk, dat men de prijs van een rechtmatig verkochten hond rechtmatig bezit. Dus mag men niet van alles wat men rechtmatig bezit geschenken aanbieden.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Malach. 1. [v. 8] dicitur: « Si offeratis claudum et languidum, nonne malum est? » Sed claudum et languidum animal est juste possessum. Ergo videtur quod non de omni juste possesso possit oblatio fieri.

3. Bij Malachias (1. 8) wordt gezegd: « Als gij een kreupel en ziek beest offert, is dat dan geen kwaad? » Nu kan men een kreupel en ziek beest rechtmatig bezitten. Dus schijnt men niet van alles, wat rechtmatig bezeten wordt, geschenken te mogen aanbieden.3. Bij Maleachi (1, 8) wordt gezegd: “Als gij een kreupel en ziek beest offert, is dat dan geen kwaad?” Nu kan men een kreupel en ziek beest rechtmatig bezitten. Dus schijnt men niet van alles, wat rechtmatig bezeten wordt, geschenken te mogen aanbieden.

Sed contra est quod dicitur Proverb. 3. [v. 9] : « Honora Dominum Deum tuum de tua substantia ». Ad substantiam autem hominis pertinet quidquid juste possidet. Ergo de omnibus juste possessis potest fieri oblatio.

Maar daartegenover staat, dat in het Boek der Spreuken (3. 9) wordt gezegd: « Brengt den Heer hulde van uw bezittingen. » Nu behoort alles, wat een mensch rechtmatig bezit, tot zijn bezittingen. Dus kan men van alles, wat men rechtmatig bezit geschenken geven.Maar daartegenover staat, dat in het Boek van de Spreuken (3, 9) wordt gezegd: “Brengt de Heer hulde van uw bezittingen.” Nu behoort alles, wat een mens rechtmatig bezit, tot zijn bezittingen. Dus kan men van alles, wat men rechtmatig bezit geschenken geven.

Respondeo dicendum quod, sicut Augustinus dicit in lib. de Verb. Dom. [serm. 113. cap. 2.] : « Si depraedareris aliquem invalidum et de spoliis 162ejus dares alicui judici si pro te judicaret, tanta vis est justitiae, ut et tibi displiceret. Non est talis Deus tuus qualis non debes esse nec tu ». Et ideo dicitur Eccli. 34. [v. 21] : « Immolantis ex iniquo oblatio est maculata ». Unde patet quod de injuste acquisitis et possessis non potest oblatio fieri.

Leerstelling. — Zooals Augustinus zegt, « zou, als men een zwakke zou berooven en van den buit iets aan een rechter geven om partijdig recht te spreken, de maat van de 162onrechtvaardigheid zoo groot zijn, dat het den dader zelf zou tegenstaan. En onze God is niet zoo, als wij zelf niet moeten zijn. » En daarom staat in het Boek Ecclesiasticus (34. 21) : « Van wie uit onrechtvaardig bezit offert, is de gave besmet. » Daarom is het duidelijk, dat men van onrechtvaardig verkregen en bezeten goed geen wijgeschenken kan geven.Leerstelling. — Zoals Augustinus zegt, “zou, als men een zwakke zou beroven en van de buit iets aan een rechter geven om partijdig recht te spreken, de maat van de 162onrechtvaardigheid zo groot zijn, dat het de dader zelf zou tegenstaan. En onze God is niet zo, als wij zelf niet moeten zijn.” En daarom staat in het Boek Sirach (34, 21): “Van wie uit onrechtvaardig bezit offert, is de gave besmet.” Daarom is het duidelijk, dat men van onrechtvaardig verkregen en bezeten goed geen wijgeschenken kan geven.

In veteri autem lege, in qua figurae serviebatur, quaedam propter significationem reputabantur immunda, quae offerre non licebat. Sed in lege nova omnis creatura Dei reputatur munda, ut dicitur ad Titum 1. [v. 15]. Et ideo, quantum est de se, de quolibet licite possesso potest oblatio fieri. Per accidens tamen contingit quod de aliquo licite possesso oblatio fieri non potest: puta si vergat in detrimentum alterius, ut si filius aliquis offerat Deo id unde debet patrem nutrire, quod Dominus improbat, Matth. 15. [v. 5, 6] ; vel propter scandalum, vel propter contemptum, vel aliquid aliud hujusmodi.

Onder de Oude Wet echter, waarin verschillende voorafbeeldingen werden onderhouden, werden sommige dingen om hun beteekenis als onrein beschouwd, en die mocht men niet offeren. Maar onder de Nieuwe Wet wordt ieder schepsel van God als rein beschouwd, zooals in den Brief aan Titus (1. 15) staat. Wat dus de zaak zelf betreft, kan uit elk rechtmatig bezit een wijgeschenk worden gegeven. Om een bijkomstige reden kan het echter gebeuren, dat uit een rechtmatig bezit geen geschenk kan worden gegeven, b. v. als het een ander tot nadeel strekt, zooals wanneer een zoon datgene aan God offert, waarvan hij zijn vader moet onderhouden, wat de Heer veroordeelt bij Mattheus (15. 5) ; of om ergernis, of om verachting, die erdoor ontstaat, of om dergelijke redenen.Onder de Oude Wet echter, waarin verschillende voorafbeeldingen werden onderhouden, werden sommige dingen om hun betekenis als onrein beschouwd, en die mocht men niet offeren. Maar onder de Nieuwe Wet wordt ieder schepsel van God als rein beschouwd, zoals in de Brief aan Titus (1, 15) staat. Wat dus de zaak zelf betreft, kan uit elk rechtmatig bezit een wijgeschenk worden gegeven. Om een bijkomstige reden kan het echter gebeuren, dat uit een rechtmatig bezit geen geschenk kan worden gegeven, bv. als het een ander tot nadeel strekt, zoals wanneer een zoon datgene aan God offert, waarvan hij zijn vader moet onderhouden, wat de Heer veroordeelt bij Matteüs (15, 5); of om ergernis, of om verachting, die erdoor ontstaat, of om dergelijke redenen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod in veteri lege prohibebatur oblatio de mercede prostibuli propter immunditiam. In nova autem lege propter 163scandalum: ne videatur Ecclesia favere peccato, si de lucro peccati oblationem recipiat.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Onder de Oude Wet was een geschenk uit de winst van een bordeel verboden om de 163onreinheid; maar onder de Nieuwe Wet om de ergernis, dat het nl. niet schijnt, alsof de Kerk de zonde zou begunstigen, als zij een gave aannam van de verdienste door zonde verkregen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod canis secundum legem reputabatur animal immundum. Alia tamen animalia immunda redimebantur, et eorum pretium poterat offerri: secundum illud Levit. ult. [v. 27] : « Si immundum animal est, redimet qui obtulerit ». Sed canis nec offerebatur nec redimebatur: tum quia idololatrae canibus utebantur in sacrificiis idolorum; tum etiam quia significant rapacitatem, de qua non potest fieri oblatio. Sed haec prohibitio cessat in nova lege.

2. Volgens de Wet werd een hond als onrein beschouwd. Andere onreine dieren echter werden vrijgekocht en de prijs ervan kon opgedragen worden volgens het Boek Leviticus (27. 27) : « Als een dier onrein is, zal hij, die het opdraagt, het loskoopen. » Maar een hond werd noch opgedragen noch losgekocht, zoowel omdat afgodendienaars honden gebruikten bij het offeren aan de afgoden, als omdat zij beelden van de roofzucht zijn, waarvan men geen geschenk kan aanbieden. Maar dit verbod is in de Nieuwe Wet opgeheven.2. Volgens de Wet werd een hond als onrein beschouwd. Andere onreine dieren echter werden vrijgekocht en de prijs ervan kon opgedragen worden volgens het Boek Leviticus (27, 27): “Als een dier onrein is, zal hij, die het opdraagt, het loskopen.” Maar een hond werd noch opgedragen noch losgekocht, zowel omdat afgodendienaars honden gebruikten bij het offeren aan de afgoden, als omdat zij beelden van de roofzucht zijn, waarvan men geen geschenk kan aanbieden. Maar dit verbod is in de Nieuwe Wet opgeheven.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod oblatio animalis caeci vel claudi reddebatur illicita tripliciter. Uno modo ratione ejus, ad quod offerebatur. Unde dicitur Malach. 1. [v. 8] : « Si offeratis caecum ad immolandum, nonne malum est? » Sacrificia autem oportebat esse immaculata. Secundo, ex contemptu. Unde ibidem subditur [v. 12] : « Vos polluistis nomen meum in eo quod dicitis: Mensa Domini contaminata est, et quod superponitur contemptibile est ». Tertio modo, ex voto praecedenti, ex quo obligatur homo ut 164integrum reddat quod vovit. Unde ibidem subditur [v. 14] : « Maledictus dolosus qui habet in grege suo masculum, et votum faciens immolat debile Domino ».

3. Het opdragen van een blind of kreupel dier was om drie redenen ongeoorloofd. Ten eerste om datgene waarvoor de opdracht bestemd was; en daarom lezen wij bij Malachias (1. 8) : « Als gij een blind dier geeft om te offeren, is dat geen zonde? » want de offers moeten zonder vlek zijn. Ten tweede om de verachting, en daarom volgt er daar verder: « Gij hebt Mijn naam te schande gemaakt door te zeggen: de tafel van den Heer is besmet, en wat erop wordt gelegd, is verachtelijk. » Ten derde om een voorafgaande gelofte, waardoor een mensch verplicht wordt precies 164datgene aan te bieden, dat hij met een gelofte beloofd had. Daarom gaat de tekst daar verder voort: « Gevloekt is de bedrieger, die een mannelijk dier in zijn kudde heeft en als hij een gelofte doet, een zwak dier den Heer offert. »3. Het opdragen van een blind of kreupel dier was om drie redenen ongeoorloofd. Ten eerste om datgene waarvoor de opdracht bestemd was; en daarom lezen wij bij Maleachi (1, 8): “Als gij een blind dier geeft om te offeren, is dat geen zonde?” want de offers moeten zonder vlek zijn. Ten tweede om de verachting, en daarom volgt er daar verder: “Gij hebt Mijn naam te schande gemaakt door te zeggen: de tafel van de Heer is besmet, en wat erop wordt gelegd, is verachtelijk.” Ten derde om een voorafgaande gelofte, waardoor een mens verplicht wordt precies 164datgene aan te bieden, dat hij met een gelofte beloofd had. Daarom gaat de tekst daar verder voort: “Gevloekt is de bedrieger, die een mannelijk dier in zijn kudde heeft en als hij een gelofte doet, een zwak dier de Heer offert.”

Et hae causae eaedem manent in lege nova. Quibus tamen cessantibus non est illicitum.

En dezelfde redenen blijven in de Nieuwe Wet bestaan. Maar als die niet aanwezig zijn, is het niet ongeoorloofd.

Articulus IV

Utrum ad primitias solvendas homines teneantur

IVe Artikel

Zijn de menschen verplicht tot de eerstelingenoffers?Zijn de mensen verplicht tot de eerstelingenoffers?

antwoord 1 ↓

Ad quartum sic proceditur. Videtur quod ad primitias solvendas homines non teneantur. Quia Exod. 13. [v. 9], data lege primogenitorum, subditur: « Erit quasi signum in manu tua »: et ita videtur esse praeceptum caeremoniale. Sed praecepta caeremonialia non sunt servanda in lege nova. Ergo neque primitiae sunt solvendae.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de menschen niet tot de eerstelingenoffers verplicht zijn. — 1. Want als in het Boek van den Uittocht (13. 9) de wet op de eerstgeborenen wordt gegeven, wordt erbij gevoegd: « Het zal als een teeken in uw hand zijn; » en dus schijnt het een gebod over een godsdienstige plechtigheid te zijn. Maar deze voorschriften behoeven onder de Nieuwe Wet niet meer onderhouden te worden. Dus behoeven ook de eerstelingenoffers niet meer gebracht te worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de mensen niet tot de eerstelingenoffers verplicht zijn. — 1. Want als in het Boek van de Uittocht (13, 9) de wet op de eerstgeborenen wordt gegeven, wordt erbij gevoegd: “Het zal als een teken in uw hand zijn;” en dus schijnt het een gebod over een godsdienstige plechtigheid te zijn. Maar deze voorschriften behoeven onder de Nieuwe Wet niet meer onderhouden te worden. Dus behoeven ook de eerstelingenoffers niet meer gebracht te worden.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, primitiae offerebantur Domino pro speciali beneficio illi populo exhibito: Unde dicitur Deuter. 26. [v. 2, 3] : « Tolles de cunctis 165frugibus tuis primitias, accedesque ad Sacerdotem qui fuerit in diebus illis, et dices ad eum: Profiteor hodie coram Domino Deo tuo quod ingressus sum terram pro qua juravit patribus nostris ut daret eam nobis ». Ergo aliae nationes non tenentur ad primitias solvendas.

2. De eerstelingenoffers werden aan God gebracht om de bijzondere weldaden aan dat volk bewezen; en daarom wordt in 165het Boek Deuteronomium (26. 2,3) gezegd: « Gij zult van al uw vruchten de eerstelingen nemen, en tot den priester, die er in die dagen is, gaan en zeggen: heden belijd ik voor den Heer uw God, dat ik het land ben binnengegaan, waarvan Hij aan onze vaders gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven. » Dus zijn de andere volkeren niet verplicht de eerstelingenoffers te brengen.2. De eerstelingenoffers werden aan God gebracht om de bijzondere weldaden aan dat volk bewezen; en daarom wordt in 165het Boek Deuteronomium (26, 2,3) gezegd: “Gij zult van al uw vruchten de eerstelingen nemen, en tot de priester, die er in die dagen is, gaan en zeggen: heden belijd ik voor de Heer uw God, dat ik het land ben binnengegaan, waarvan Hij aan onze vaders gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven.” Dus zijn de andere volkeren niet verplicht de eerstelingenoffers te brengen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud ad quod aliquis tenetur debet esse determinatum. Sed non invenitur nec in nova lege nec in veteri determinata quantitas primitiarum. Ergo ad eas solvendas non tenentur homines ex necessitate.

3. Datgene, waartoe iemand verplicht is, moet iets bepaalds zijn. Nu wordt noch in de Nieuwe, noch in de Oude Wet een bepaalde hoeveelheid voor de eerstelingenoffers aangegeven. Dus zijn de menschen niet noodzakelijk verplicht ze te brengen.3. Datgene, waartoe iemand verplicht is, moet iets bepaalds zijn. Nu wordt noch in de Nieuwe, noch in de Oude Wet een bepaalde hoeveelheid voor de eerstelingenoffers aangegeven. Dus zijn de mensen niet noodzakelijk verplicht ze te brengen.

Sed contra est quod dicitur 16 q. 7. [cap.: Decimas] : « Oportet decimas et primitias, quas de jure Sacerdotum esse sancimus, ab omni populo accipere ».

Maar daartegenover staat, wat in de Canones wordt gezegd: « De tienden en eerstelingenoffers, waarvan wij bevestigen, dat de priesters er recht op hebben, moeten zij van het geheele volk ontvangen. »Maar daartegenover staat, wat in de Canones wordt gezegd: “De tienden en eerstelingenoffers, waarvan wij bevestigen, dat de priesters er recht op hebben, moeten zij van het gehele volk ontvangen.”

Respondeo dicendum quod primitiae ad quoddam genus oblationum pertinent: quia Deo exhibentur cum quadam professione, ut habetur Deut. 26. [v. 3]. Unde et ibidem subditur [v. 4] : « Suscipiens sacerdos cartallum », scilicet primitiarum, « de manu ejus qui defert primitias, ponat 166ante altare Domini Dei sui »; et postea [v. 10] mandatur ei quod dicat: « Idcirco nunc offero primitias frugum terrae, quas Dominus dedit mihi ». Offerebantur autem primitiae ex speciali causa, scilicet in recognitionem divini beneficii: quasi aliquis profiteatur se a Deo fructus terrae percipere, et ideo se teneri ad aliquid de hujusmodi Deo exhibendum secundum illud 1. Paralip. ult. [v. 14] : « Quae de manu tua accepimus, dedimus tibi ». Et quia Deo debemus exhibere id quod praecipuum est, ideo primitias, quasi praecipuum aliquid de fructibus terrae, praeceptum fuit Deo offerre. Et quia Sacerdos « constituitur pro populo in his quae sunt ad Deum », ideo primitiae oblatae a populo in usum sacerdotum cedebant: unde dicitur Num. 18. [v. 8] : « Locutus est Dominus ad Aaron: Ecce, dedi tibi custodiam primitiarum mearum ».

Leerstelling. — De eerstelingenoffers behooren tot een bepaald soort offergaven, omdat zij, zooals wij in het Boek Deuteronomium vinden (26. 3) aan God onder het belijden van iets bepaalds werden geschonken. Daarom wordt er daar aan toegevoegd: « De priester zal den korf met de eerstelingen 166aannemen uit de hand van hem, die de eerstelingen brengt, en hem voor het altaar van den Heer uw God plaatsen; » en verderop wordt hem voorgeschreven te zeggen (v. 10) : « Daarom offer ik nu eerstelingen van de vruchten van het land, dat de Heer mij gegeven heeft. » Nu werden de eerstelingen om een bijzondere reden geofferd, nl. om de goddelijke weldaden te erkennen, zoodat de mensch beleed, dat hij de vruchten van de aarde van God kreeg, en hij daarom verplicht was iets daarvan aan God te geven volgens het Eerste Boek Paralipomenon (29. 14) : « Wat wij uit Uw hand hebben ontvangen, hebben wij U gegeven. » En omdat wij aan God het voornaamste moeten geven, was er een voorschrift God de eerstelingen te offeren als het voornaamste onder de vruchten van de aarde. En omdat « de priester in plaats van het volk wordt gesteld voor den eeredienst aan God, » dienden de door het volk geofferde eerstelingen voor het onderhoud van de priesters; en daarom staat in het Boek der Getallen (18. 8) : « De Heer zei tot Aäron: zie, Ik heb U Mijn eerstelingen in bewaring gegeven. »Leerstelling. — De eerstelingenoffers behoren tot een bepaald soort offergaven, omdat zij, zoals wij in het Boek Deuteronomium vinden (26, 3) aan God onder het belijden van iets bepaalds werden geschonken. Daarom wordt er daar aan toegevoegd: “De priester zal de korf met de eerstelingen 166aannemen uit de hand van hem, die de eerstelingen brengt, en hem voor het altaar van de Heer uw God plaatsen;” en verderop wordt hem voorgeschreven te zeggen (v. 10): “Daarom offer ik nu eerstelingen van de vruchten van het land, dat de Heer mij gegeven heeft.” Nu werden de eerstelingen om een bijzondere reden geofferd, nl. om de goddelijke weldaden te erkennen, zodat de mens beleed, dat hij de vruchten van de aarde van God kreeg, en hij daarom verplicht was iets daarvan aan God te geven volgens het Eerste Boek Kronieken (29, 14): “Wat wij uit Uw hand hebben ontvangen, hebben wij U gegeven.” En omdat wij aan God het voornaamste moeten geven, was er een voorschrift God de eerstelingen te offeren als het voornaamste onder de vruchten van de aarde. En omdat “de priester in plaats van het volk wordt gesteld voor de eredienst aan God,” dienden de door het volk geofferde eerstelingen voor het onderhoud van de priesters; en daarom staat in het Boek van de Getallen (18, 8): “De Heer zei tot Aäron: zie, Ik heb U Mijn eerstelingen in bewaring gegeven.”

Pertinet autem ad jus naturale ut homo ex rebus sibi datis a Deo aliquid exhibeat ad ejus honorem. Sed quod talibus personis exhibeatur, aut de primis fructibus, aut in tali quantitate, hoc quidem fuit in veteri lege jure 167divino determinatum: in nova autem lege definitur per determinationem Ecclesiae, ex qua homines obligantur ut primitias solvant secundum consuetudinem patriae et indigentiam ministrorum Ecclesiae.

Nu behoort het tot het natuurrecht, dat de mensch iets van het hem door God gegevene gebruikt om Hem te eeren. Dat hij het echter aan deze bepaalde personen geeft of van de eerste vruchten of in bepaalde hoeveelheid, was in de Oude Wet wel door 167goddelijk recht geregeld, maar wordt onder de nieuwe geregeld door de bepalingen van de Kerk, waardoor de menschen verplicht zijn eerstelingenoffers te brengen volgens de gewoonten van hun vaderland en de behoeften van de dienaars van de Kerk.Nu behoort het tot het natuurrecht, dat de mens iets van het hem door God gegevene gebruikt om Hem te eren. Dat hij het echter aan deze bepaalde personen geeft of van de eerste vruchten of in bepaalde hoeveelheid, was in de Oude Wet wel door 167goddelijk recht geregeld, maar wordt onder de nieuwe geregeld door de bepalingen van de Kerk, waardoor de mensen verplicht zijn eerstelingenoffers te brengen volgens de gewoonten van hun vaderland en de behoeften van de dienaars van de Kerk.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum quod caeremonialia proprie erant in signum futuri: et ideo ad praesentiam veritatis significatae cessaverunt. Oblatio autem primitiarum fuit in signum praeteriti beneficii, ex quo etiam debitum recognitionis causatur secundum dictamen rationis naturalis. Et ideo in generali hujusmodi obligatio manet.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die plechtigheden dienden eigenlijk als teeken van het toekomstige, en daarom vonden zij een einde, toen de beduide waarheid gekomen was. Maar het opdragen van eerstelingen diende als teeken van een vroeger ontvangen weldaad; en dat daaruit een plicht ontstaat van erkennen, is een voorschrift van het natuurlijke verstand. Daarom blijft deze verplichting in het algemeen ook bestaan.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Die plechtigheden dienden eigenlijk als teken van het toekomstige, en daarom vonden zij een einde, toen de beduide waarheid gekomen was. Maar het opdragen van eerstelingen diende als teken van een vroeger ontvangen weldaad; en dat daaruit een plicht ontstaat van erkennen, is een voorschrift van het natuurlijke verstand. Daarom blijft deze verplichting in het algemeen ook bestaan.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum quod primitiae offerebantur in veteri lege non solum propter beneficium terrae promissionis datae a Deo, sed etiam propter beneficium fructuum terrae a Deo datorum. Unde dicitur Deut. 26. [v. 10] : « Offero primitias frugum terrae, quas Dominus dedit mihi ». Et haec secunda causa apud omnes est communis.

2. Onder de Oude Wet werden de eerstelingen niet alleen geofferd voor de weldaad van het ontvangen van het beloofde land van God, maar ook voor de weldaad van het ontvangen van de vruchten van de aarde van God. Daarom staat in het Boek Deuteronomium (26. 10) : « Ik offer de eerstelingen van de vruchten der aarde, die God de Heer mij gaf. » En deze tweede reden geldt voor iedereen.2. Onder de Oude Wet werden de eerstelingen niet alleen geofferd voor de weldaad van het ontvangen van het beloofde land van God, maar ook voor de weldaad van het ontvangen van de vruchten van de aarde van God. Daarom staat in het Boek Deuteronomium (26. 10): “Ik offer de eerstelingen van de vruchten van de aarde, die God de Heer mij gaf.” En deze tweede reden geldt voor iedereen.

Potest etiam dici quod sicut Judaeis speciali quodam beneficio terram promissionis contulit Deus, ita generali beneficio toti humano generi 168contulit terrae dominium: secundum illud Ps. 113. [v. 16] : « Terram dedit filiis hominum ».

Men kan ook zeggen, dat zooals God door een bijzondere weldaad het beloofde land gaf, Hij ook door een algemeene weldaad het bezit van de aarde aan het geheele menschelijke geslacht 168gaf naar het psalmwoord: « De aarde gaf Hij aan de menschenkinderen. » (Ps. 113. 16)Men kan ook zeggen, dat zoals God door een bijzondere weldaad het beloofde land gaf, Hij ook door een algemene weldaad het bezit van de aarde aan het gehele menselijke geslacht 168gaf naar het psalmwoord: “De aarde gaf Hij aan de mensenkinderen.” (Ps. 113. 16)a

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum quod, sicut Hieronymus dicit [Comment. in Ezech. l. 14. ad cap. 45, v.13-14] : « Ex majorum traditione introductum est quod qui plurimum, quadragesimam partem dabant sacerdotibus loco primitiarum; qui minimum, sexagesimam ». Unde videtur quod inter hos terminos sint primitiae offerendae secundum consuetudinem patriae. Rationabiliter tamen primitiarum quantitas non fuit determinata in lege, quia, sicut dictum est [in corp. art.], primitiae dantur per modum oblationis, de cujus ratione est quod sint voluntariae.

3. Zooals Hieronymus zegt, « is het door de overlevering der ouden ingevoerd, dat wie veel gaf, het veertigste, wie weinig, het zestigste deel aan de priesters in plaats van de eerstelingen gaf. » Het schijnt dus, dat binnen deze grenzen naar de gewoonten van het vaderland de eerstelingenoffers moeten gebracht worden. Het was echter redelijk, dat de grootheid van de eerstelingenoffers niet in de Wet was bepaald, omdat, zooals (in de leerstelling) is gezegd, de eerstelingenoffers als een wijgeschenk worden aangeboden; en het behoort tot den aard daarvan, dat zij vrijwillig worden gegeven.3. Zoals Hieronymus zegt, “is het door de overlevering van de ouden ingevoerd, dat wie veel gaf, het veertigste, wie weinig, het zestigste deel aan de priesters in plaats van de eerstelingen gaf.” Het schijnt dus, dat binnen deze grenzen naar de gewoonten van het vaderland de eerstelingenoffers moeten gebracht worden. Het was echter redelijk, dat de grootheid van de eerstelingenoffers niet in de Wet was bepaald, omdat, zoals (in de leerstelling) is gezegd, de eerstelingenoffers als een wijgeschenk worden aangeboden; en het behoort tot de aard daarvan, dat zij vrijwillig worden gegeven.