De exteriori actu fidei
Over de uitwendige geloofsdaad
103Deinde considerandum est de exteriori fidei actu, qui est confessio.
103Daarna handelen we over de uiterlijke geloofsdaad, nl. de belijdenis.
Et circa hoc quaeruntur duo. 1. Utrum confessio sit actus fidei. — Utrum confessio fidei sit necessaria ad salutem.
We stellen daarover twee vragen: 1. Is de belijdenis een geloofsdaad? 2. Is de belijdenis van het geloof noodig om zalig te worden?We stellen daarover twee vragen: 1. Is de belijdenis een geloofsdaad? 2. Is de belijdenis van het geloof nodig om zalig te worden?
[De Latijnse titel van dit artikel ontbreekt in de uitgave.]
Is de belijdenis een geloofsdaad?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod confessio non sit actus fidei. 104Non enim idem actus pertinet ad diversas virtutes. Sed confessio pertinet ad poenitentiam, cujus ponitur pars. Ergo non est actus fidei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de belijdenis geen geloofsdaad is. — 1. Eenzelfde daad immers behoort niet tot 104verschillende deugden. Welnu de belijdenis behoort tot de boetvaardigheid, en is er een deel van. Ze is bijgevolg geen geloofsdaad.Bedenkingen. — Men beweert, dat de belijdenis geen geloofsdaad is. — 1. Eenzelfde daad immers behoort niet tot 104verschillende deugden. Welnu de belijdenis behoort tot de boetvaardigheid, en is er een deel van. Ze is bijgevolg geen geloofsdaad.
2. Praeterea, ab hoc quod homo confiteatur fidem, retrahitur interdum per timorem, vel etiam propter aliquam confusionem; unde et Apostolus ad Eph. ult. [v. 19], petit orari pro se, ut detur sibi « cum fiducia notum facere mysterium Evangelii. » Sed non recedere a bono propter confusionem vel timorem pertinet ad fortitudinem, quae moderatur audacias et timores. Ergo videtur, quod confessio non sit actus fidei, sed magis fortitudinis vel constantiae.
2. De mensch wordt soms weerhouden, zijn geloof te belijden door vrees of door een zekere schaamte. Daarom vraagt de Apostel in het laatste hoofdstuk van den Brief aan de Ephesiërs (19), dat men voor hem zou bidden, opdat hij vrijmoedig de geheimenis van het Evangelie moge verkondigen. Welnu, het komt toe aan de sterkte, die de vermetelheid en de vrees matigt, te bewerken, dat men niet uit schaamte of vrees afwijkt van het goede. Bijgevolg is de belijdenis geen geloofsdaad, maar veeleer een daad van sterkte of van standvastigheid.2. De mens wordt soms weerhouden, zijn geloof te belijden door vrees of door een zekere schaamte. Daarom vraagt de Apostel in het laatste hoofdstuk van de Brief aan de Efesiërs (19), dat men voor hem zou bidden, opdat hij vrijmoedig de geheimenis van het Evangelie moge verkondigen. Welnu, het komt toe aan de sterkte, die de vermetelheid en de vrees matigt, te bewerken, dat men niet uit schaamte of vrees afwijkt van het goede. Bijgevolg is de belijdenis geen geloofsdaad, maar veeleer een daad van sterkte of van standvastigheid.
3. Praeterea, sicut per fidei fervorem inducitur aliquis ad confitendum fidem exterius, ita etiam inducitur ad alia exteriora bona opera facienda : dicitur enim Gal. 5 [v. 6], quod « fides per dilectionem operatur. » Sed alia exteriora opera non ponuntur actus fidei. Ergo etiam neque confessio.
3. Zooals de vurigheid van het geloof iemand er toe brengt, zijn geloof uiterlijk te belijden, zoo ook kan diezelfde vurigheid hem er toe brengen andere uitwendige goede werken te doen. We lezen immers in den Brief aan de Galaten (5, 6), dat het geloof werkt door de liefde. Welnu die andere uitwendige goede werken worden niet aangezien als geloofsdaden. Bijgevolg moet men ook de belijdenis niet als een geloofsdaad beschouwen.3. Zoals de vurigheid van het geloof iemand er toe brengt, zijn geloof uiterlijk te belijden, zo ook kan diezelfde vurigheid hem er toe brengen andere uitwendige goede werken te doen. We lezen immers in de Brief aan de Galaten (5, 6), dat het geloof werkt door de liefde. Welnu die andere uitwendige goede werken worden niet aangezien als geloofsdaden. Bijgevolg moet men ook de belijdenis niet als een geloofsdaad beschouwen.
Sed contra est, quod 2. ad Thessal. 1. [v. 11] super illud : 105Et opus fidei in virtute, dicit Glossa : « Id est : Confessionem quae proprie est opus fidei. »
Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op deze woorden uit den IIn Brief aan de Thessalonicensen (1, 11) : Het werk 105van geloof in kracht : « Dit is de belijdenis die de eigen daad is van het geloof ».Daartegenover staat echter wat de Glossa zegt op deze woorden uit de 2e Brief aan de Tessalonicenzen (1, 11): Het werk 105van geloof in kracht: “Dit is de belijdenis die de eigen daad is van het geloof”.
Respondeo dicendum quod actus exteriores illius virtutis proprie sunt actus, ad cujus fines secundum suas species referuntur, sicut jejunare secundum suam speciem refertur ad finem abstinentiae, quae est compescere carnem, et ideo est actus abstinentiae. Confessio autem eorum quae sunt fidei, secundum suam speciem ordinatur, sicut ad finem, ad id quod est fidei, secundum illud 2. ad Cor. 4. [v. 13] : « Habentes eumdem spiritum fidei, credimus, propter quod et loquimur. » Exterior enim locutio ordinatur ad significandum id, quod in corde concipitur. Unde sicut conceptus interior eorum quae sunt fidei, est proprie fidei actus, ita etiam et exterior confessio.
Leerstelling. — De uiterlijke daden zijn de eigenlijke akt van die deugd, tot wier doel ze door hun natuur zelf gericht zijn. Zoo is het vasten door zijn natuur zelf gericht op het doel der onthouding en daarom is het een daad der onthouding. Welnu, het doel waarop de belijdenis der geloofswaarheden naar haar natuur zelf gericht is, zijn de geloofswaarheden zelf, naar die woorden uit den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (4, 13): « Daar wij dienzelfden geest van geloof hebben, waarover geschreven staat: Ik geloof, daarom heb ik gesproken ». De woorden immers, die we spreken, moeten de gevoelens vertolken van ons gemoed. Evenals dus de inwendige aanvaarding van de geloofswaarheden de eigenlijke daad is van het geloof, zoo ook is de uiterlijke belijdenis een eigenlijke daad van het geloof.Leerstelling. — De uiterlijke daden zijn de eigenlijke act van die deugd, tot wier doel ze door hun natuur zelf gericht zijn. Zo is het vasten door zijn natuur zelf gericht op het doel van de onthouding en daarom is het een daad van de onthouding. Welnu, het doel waarop de belijdenis van de geloofswaarheden naar haar natuur zelf gericht is, zijn de geloofswaarheden zelf, naar die woorden uit de Tweede Brief aan de Korintiërs (4, 13): “Daar wij dienzelfden geest van geloof hebben, waarover geschreven staat: Ik geloof, daarom heb ik gesproken”. De woorden immers, die we spreken, moeten de gevoelens vertolken van ons gemoed. Evenals dus de inwendige aanvaarding van de geloofswaarheden de eigenlijke daad is van het geloof, zo ook is de uiterlijke belijdenis een eigenlijke daad van het geloof.
Ad primum ergo dicendum, quod triplex est confessio, quae in Scripturis laudatur : una est confessio eorum, quae sunt fidei, et ista est proprius actus 106fidei, utpote relata ad fidei finem, sicut dictum est [in corp.]; alia est confessio gratiarum actionis sive laudis, et ista est actus latriae : ordinatur enim ad honorem Deo exterius exhibendum, quod est finis latriae; tertia est confessio peccatorum, et haec ordinatur ad deletionem peccati, quae est finis poenitentiae, unde pertinet ad poenitentiam.
Antwoord op bedenkingen. — 1. In de H. Schrift wordt een drievoudige belijdenis aangeprezen: ten eerste, de belijdenis 106der geloofswaarheden, en die belijdenis is de eigen daad van het geloof, omdat zij betrekking heeft op het doel van het geloof, zooals (in de Leerstelling) gezegd is. Ten tweede, de belijdenis der dankzegging of de lofprijzing, en die belijdenis is een daad van aanbidding, want zij heeft betrekking op de uiterlijke eer, die we aan God bewijzen, wat het doel der aanbidding is. Ten derde, de belijdenis der zonden, en die belijdenis heeft betrekking op het uitwisschen der zonden, wat het doel is der boetvaardigheid, en daarom behoort ze tot de boetvaardigheid.Antwoord op bedenkingen. — 1. In de H. Schrift wordt een drievoudige belijdenis aangeprezen: ten eerste, de belijdenis 106van de geloofswaarheden, en die belijdenis is de eigen daad van het geloof, omdat zij betrekking heeft op het doel van het geloof, zoals (in de Leerstelling) gezegd is. Ten tweede, de belijdenis van de dankzegging of de lofprijzing, en die belijdenis is een daad van aanbidding, want zij heeft betrekking op de uiterlijke eer, die we aan God bewijzen, wat het doel van de aanbidding is. Ten derde, de belijdenis van de zonden, en die belijdenis heeft betrekking op het uitwissen van de zonden, wat het doel is van de boetvaardigheid, en daarom behoort ze tot de boetvaardigheid.
Ad secundum dicendum, quod removens prohibens non est causa per se, sed per accidens, ut patet per Philosophum in 8. Physicor. [c. 4, n. 6]. Unde fortitudo, quae removet impedimentum confessionis fidei, scilicet timorem vel erubescentiam, non est proprie et per se causa confessionis, sed quasi per accidens.
2. Wat een hinderpaal wegneemt, is geen oorzaak uit zichzelf, doch slechts op bijkomstige wijze, zooals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt in het 8e Boek der Physica (4e H., Nr. 6). Daarom is de sterkte, die de hinderpaal voor de geloofsbelijdenis wegneemt, nl. de vrees of de schaamte, niet de eigen oorzaak der belijdenis, en is zij er ook niet uit zichzelf de oorzaak van, maar slechts op bijkomstige wijze.2. Wat een hinderpaal wegneemt, is geen oorzaak uit zichzelf, doch slechts op bijkomstige wijze, zoals blijkt uit wat de Wijsgeer zegt in het 8e Boek van de Fysica (4e H., Nr. 6). Daarom is de sterkte, die de hinderpaal voor de geloofsbelijdenis wegneemt, nl. de vrees of de schaamte, niet de eigen oorzaak van de belijdenis, en is zij er ook niet uit zichzelf de oorzaak van, maar slechts op bijkomstige wijze.
Ad tertium dicendum, quod fides interior mediante dilectione causat omnes exteriores actus virtutum mediantibus aliis virtutibus, imperando, non eliciendo. Sed confessionem producit tamquam proprium actum, nulla alia virtute mediante.
3. Het inwendig geloof veroorzaakt door de liefde al de andere uitwendige daden van de deugden door middel van de andere deugden, niet door ze zelf voort te brengen, maar door ze te gebieden. De belijdenis echter veroorzaakt het als zijn eigen daad en zonder de tusschenkomst van eenige deugd.3. Het inwendig geloof veroorzaakt door de liefde al de andere uitwendige daden van de deugden door middel van de andere deugden, niet door ze zelf voort te brengen, maar door ze te gebieden. De belijdenis echter veroorzaakt het als zijn eigen daad en zonder de tussenkomst van enige deugd.
Utrum confessio fidei sit necessaria ad salutem
Moet men zijn geloof belijden om zalig te worden?
107Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod confessio fidei non sit necessaria ad salutem. Illud enim videtur ad salutem sufficere, per quod homo attingit finem virtutis. Sed finis proprius fidei est conjunctio humanae mentis ad veritatem divinam, quod potest etiam esse sine exteriori confessione. Ergo confessio fidei non est necessaria ad salutem.
107Bedenkingen. — Men beweert, dat men zijn geloof niet moet belijden om zalig te worden. — 1. Om zalig te worden is immers datgene voldoende waardoor de mensch het doel van de deugd bereikt. Welnu, het eigen doel van het geloof is de vereeniging van den menschelijken geest met de goddelijke waarheid, wat ook zonder uitwendige geloofsbelijdenis mogelijk is. Bijgevolg moet men, om zalig te worden, zijn geloof niet belijden.107Bedenkingen. — Men beweert, dat men zijn geloof niet moet belijden om zalig te worden. — 1. Om zalig te worden is immers datgene voldoende waardoor de mens het doel van de deugd bereikt. Welnu, het eigen doel van het geloof is de vereniging van de menselijke geest met de goddelijke waarheid, wat ook zonder uitwendige geloofsbelijdenis mogelijk is. Bijgevolg moet men, om zalig te worden, zijn geloof niet belijden.
2. Praeterea, per exteriorem confessionem fidei homo fidem suam alii homini patefacit. Sed hoc non est necessarium, nisi illis qui habent alios in fide instruere. Ergo videtur quod minores non teneantur ad fidei confessionem.
2. Door zijn geloof uiterlijk te belijden maakt de mensch zijn geloof aan anderen bekend. Welnu dat moeten alleen zij doen, die anderen in het geloof moeten onderrichten. Dus moeten de minderen hun geloof niet belijden.2. Door zijn geloof uiterlijk te belijden maakt de mens zijn geloof aan anderen bekend. Welnu dat moeten alleen zij doen, die anderen in het geloof moeten onderrichten. Dus moeten de minderen hun geloof niet belijden.
3. Praeterea, illud quod potest vergere in scandalum, et perturbationem aliorum, non est necessarium ad salutem : dicit enim Apostolus 1. ad Cor. 10810 [v. 32.] : « Sine offensione estote Judaeis, et Gentibus, et Ecclesiae Dei. » Sed per confessionem fidei quandoque ad perturbationem infideles provocantur. Ergo confessio fidei non est necessaria ad salutem.
3. Om zalig te worden moet men datgene niet doen, wat aanleiding kan geven tot ergernis of opstand. De Apostel zegt immers 108in zijn In Brief aan de Corinthiërs (10, 32) : « Geef geen ergernis, noch aan de Joden, noch aan de Grieken, noch aan de Kerk van God ». Welnu het gebeurt, dat men door het geloof te belijden, de ongeloovigen tot opstand uitlokt. Bijgevolg moet men, om zalig te worden, zijn geloof niet belijden.3. Om zalig te worden moet men datgene niet doen, wat aanleiding kan geven tot ergernis of opstand. De Apostel zegt immers 108in zijn 1e Brief aan de Korintiërs (10, 32): “Geef geen ergernis, noch aan de Joden, noch aan de Grieken, noch aan de Kerk van God”. Welnu het gebeurt, dat men door het geloof te belijden, de ongelovigen tot opstand uitlokt. Bijgevolg moet men, om zalig te worden, zijn geloof niet belijden.
Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Rom. 10 [v. 10] : « Corde creditur ad justitiam, ore autem confessio fit ad salutem. »
Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (10, 10) : « Met het hart gelooft men om gerechtigd te worden, en met den mond belijdt men om zalig te worden ».Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in zijn Brief aan de Romeinen (10, 10): “Met het hart gelooft men om gerechtigd te worden, en met de mond belijdt men om zalig te worden”.
Respondeo dicendum, quod ea quae sunt necessaria ad salutem cadunt sub praeceptis divinae legis. Confessio autem fidei, cum sit quoddam affirmativum, non potest cadere nisi sub praecepto affirmativo. Unde eodem modo est de necessariis ad salutem, quo modo potest cadere sub praecepto affirmativo divinae legis. Praecepta autem affirmativa, ut supra dictum est [1-2. q. 71. art. 5. ad 3.], non obligant ad semper, etsi semper 109obligent, obligant autem pro loco et tempore, secundum alias circumstantias debitas, secundum quas oportet actum humanum limitari ad hoc quod sit actus virtutis. Sic ergo confiteri fidem non semper, neque in quolibet loco est de necessitate salutis, sed in aliquo loco et tempore, quando scilicet per omissionem hujus confessionis subtraheretur honor debitus Deo, et etiam utilitas proximis impendenda, puta si aliquis interrogatus de fide taceret, et ex hoc crederetur, vel quod non haberet fidem, vel quod fides non esset vera, vel alii per ejus taciturnitatem averterentur a fide : in hujusmodi enim casibus confessio fidei est de necessitate salutis.
Leerstelling. — Wat tot de zaligheid vereischt is, valt onder de geboden van Gods wet. Welnu de geloofsbelijdenis kan, omdat zij iets bevestigends is, slechts vallen onder een positief gebod. Ze wordt dus op dezelfde wijze tot de zaligheid vereischt, als ze kan vallen onder een positief gebod van Gods wet. Welnu zooals vroeger gezegd werd (Ia IIae, Kw. 71, 5e Art., Antw. op de 3e Bed.), verplichten de positieve geboden niet op elk oogenblik, hoewel ze te allen tijde verplichten. Ze verplichten volgens plaats, tijd en andere vereischte omstandigheden, waardoor de menschelijke handeling moet bepaald worden, om een deugdzame daad te zijn. Het is dus, om zalig te worden, niet noodig het 109geloof altijd en overal te belijden, maar alleen op bepaalde plaatsen en op zekere oogenblikken, wanneer men nl. door het nalaten van die belijdenis aan God de eer zou onttrekken, die Hem toekomt, of aan den naaste den bijstand, waar hij recht op heeft; zooals wanneer iemand, die over het geloof ondervraagd wordt, zou zwijgen, en men daar uit zou afleiden, òf dat hij niet gelooft, òf dat het geloof niet waar is, of wanneer anderen door zijn stilzwijgen het geloof zouden verliezen. In die gevallen moet men, om zalig te worden, zijn geloof belijden.Leerstelling. — Wat tot de zaligheid vereist is, valt onder de geboden van Gods wet. Welnu de geloofsbelijdenis kan, omdat zij iets bevestigends is, slechts vallen onder een positief gebod. Ze wordt dus op dezelfde wijze tot de zaligheid vereist, als ze kan vallen onder een positief gebod van Gods wet. Welnu zoals vroeger gezegd werd (1-2, Kw. 71, 5e Art., Antw. op de 3e Bed.), verplichten de positieve geboden niet op elk ogenblik, hoewel ze te allen tijde verplichten. Ze verplichten volgens plaats, tijd en andere vereiste omstandigheden, waardoor de menselijke handeling moet bepaald worden, om een deugdzame daad te zijn. Het is dus, om zalig te worden, niet nodig het 109geloof altijd en overal te belijden, maar alleen op bepaalde plaatsen en op zekere ogenblikken, wanneer men nl. door het nalaten van die belijdenis aan God de eer zou onttrekken, die Hem toekomt, of aan de naaste de bijstand, waar hij recht op heeft; zoals wanneer iemand, die over het geloof ondervraagd wordt, zou zwijgen, en men daar uit zou afleiden, òf dat hij niet gelooft, òf dat het geloof niet waar is, of wanneer anderen door zijn stilzwijgen het geloof zouden verliezen. In die gevallen moet men, om zalig te worden, zijn geloof belijden.
Ad primum ergo dicendum, quod finis fidei, sicut et aliarum virtutum, referri debet ad finem charitatis, qui est amor Dei et proximi. Et ideo, quando honor Dei, vel utilitas proximi hoc exposcit, non debet esse contentus homo, ut per fidem suam ipsi veritati divinae conjungatur, sed debet fidem exterius confiteri.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het doel van het geloof, zooals dat van de andere deugden, moet herleid worden tot het doel van de liefde, nl. de liefde tot God en den naaste. Wanneer bijgevolg de eer van God of het nut van den naaste het vereischen, mag men zich er niet mee vergenoegen, zelf door het geloof vereenigd te zijn met de goddelijke waarheid, maar moet men zijn geloof ook uiterlijk belijden.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het doel van het geloof, zoals dat van de andere deugden, moet herleid worden tot het doel van de liefde, nl. de liefde tot God en de naaste. Wanneer bijgevolg de eer van God of het nut van de naaste het vereisen, mag men zich er niet mee vergenoegen, zelf door het geloof verenigd te zijn met de goddelijke waarheid, maar moet men zijn geloof ook uiterlijk belijden.
Ad secundum dicendum, quod in casu necessitatis, ubi fides periclitatur, quilibet tenetur fidem suam aliis propalare, vel ad instructionem aliorum 110fidelium sive confirmationem, vel ad reprimendum infidelium insultationem. Sed aliis temporibus instruere homines de fide non pertinet ad omnes fideles.
2. In geval van nood, wanneer het geloof in gevaar is, moet eenieder zijn geloof aan de anderen bekend maken, hetzij om de 110andere geloovigen te onderrichten, hetzij om ze in het geloof te bevestigen, hetzij om den spot der ongeloovigen te keer te gaan. In andere tijden echter hoort het niet tot de geloovigen in het algemeen de anderen in het geloof te onderrichten.2. In geval van nood, wanneer het geloof in gevaar is, moet eenieder zijn geloof aan de anderen bekend maken, hetzij om de 110andere gelovigen te onderrichten, hetzij om ze in het geloof te bevestigen, hetzij om de spot van de ongelovigen te keer te gaan. In andere tijden echter hoort het niet tot de gelovigen in het algemeen de anderen in het geloof te onderrichten.
Ad tertium dicendum, quod si turbatio infidelium oriatur de confessione fidei manifesta absque aliqua utilitate fidei vel fidelium, non est laudabile in tali casu fidem publice confiteri; unde Dominus dicit Matth. 7. [v. 6] : « Nolite sanctum dare canibus, neque margaritas vestras spargere ante porcos, ne conversi dirumpant vos. » Sed si utilitas fidei aliqua speretur, aut necessitas adsit, contempta perturbatione infidelium, debet homo publice fidem confiteri, unde Matth. 15. [v. 14] dicitur, quod, cum discipuli dixissent Domino, quod Pharisaei audito ejus verbo scandalizati sunt, Dominus respondit : Sinite illos, scilicet turbari, caeci sunt, et duces caecorum.
3. Wanneer een opstand van geloovigen ontstaat door een openlijke belijdenis van het geloof, zonder eenig nut noch voor het geloof, noch voor de geloovigen, dan is de openlijke belijdenis van het geloof niet goed te keuren. Christus zei dan ook (Mattheus, 7, 6) : « Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor aan de zwijnen, opdat zij zich niet omkeeren en u verscheuren ». Doch wanneer het, naar men hoopt, eenig nut kan hebben voor het geloof, of wanneer het noodig is, dan moet men het geloof openlijk belijden, niettegenstaande den opstand der ongeloovigen. Daarom wordt bij Mattheus (15, 14) verhaald dat, toen de discipelen tot Christus gezegd hadden, dat de Phariseërs geërgerd geweest waren op het hooren van zijn woord, de Heer antwoordde: « Laat hen gaan », d. i. laat ze maar verstoord zijn, « het zijn blinden, en leiders van blinden ».3. Wanneer een opstand van gelovigen ontstaat door een openlijke belijdenis van het geloof, zonder enig nut noch voor het geloof, noch voor de gelovigen, dan is de openlijke belijdenis van het geloof niet goed te keuren. Christus zei dan ook (Matteüs, 7, 6): “Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor aan de zwijnen, opdat zij zich niet omkeren en u verscheuren”. Doch wanneer het, naar men hoopt, enig nut kan hebben voor het geloof, of wanneer het nodig is, dan moet men het geloof openlijk belijden, niettegenstaande de opstand van de ongelovigen. Daarom wordt bij Matteüs (15, 14) verhaald dat, toen de discipelen tot Christus gezegd hadden, dat de Farizeeërs geërgerd geweest waren op het horen van zijn woord, de Heer antwoordde: “Laat hen gaan”, d.i. laat ze maar verstoord zijn, “het zijn blinden, en leiders van blinden”.