De effectibus fidei
Over de uitwerkselen van het geloof
179Deinde considerandum est de effectibus fidei.
179Daarna beschouwen we de uitwerkselen van het geloof.
Et circa hoc quaeruntur duo : 1. Utrum timor sit effectus fidei. — 2. Utrum purificatio cordis sit effectus fidei.
Daarover stellen wij twee vragen : 1. Is de vrees een uitwerksel van het geloof? 2. Is de zuiverheid des harten een uitwerksel van het geloof?Daarover stellen wij twee vragen: 1. Is de vrees een uitwerksel van het geloof? 2. Is de zuiverheid van het hart een uitwerksel van het geloof?
Utrum timor sit effectus fidei
Is de vrees een uitwerksel van het geloof?
Ad primum sic proceditur. Videtur quod timor non sit effectus fidei. Effectus enim non praecedit causam. Sed timor praecedit fidem : dicitur 180enim Eccli. 2. [v. 8] : « Qui timetis Deum, credite illi. » Ergo timor non est effectus fidei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees geen uitwerksel is van het geloof. — 1. Een uitwerksel immers gaat zijn oorzaak niet vooraf. Welnu de vrees gaat het geloof vooraf, 180zooals gezegd wordt in Ecclesiastes (2, 8) : « Gij, die God vreest, gelooft in Hem ». Bijgevolg is de vrees geen uitwerksel van het geloof.Bedenkingen. — Men beweert, dat de vrees geen uitwerksel is van het geloof. — 1. Een uitwerksel immers gaat zijn oorzaak niet vooraf. Welnu de vrees gaat het geloof vooraf, 180zoals gezegd wordt in Prediker (2, 8): “Gij, die God vreest, gelooft in Hem”. Bijgevolg is de vrees geen uitwerksel van het geloof.
2. Praeterea, idem non est causa contrariorum. Sed timor et spes sunt contraria, ut supra dictum est [1-2. q. 23. art. 2.] ; fides autem generat spem, ut dicitur in Glossa Matth. 1. [v. 2]. Ergo non est causa timoris.
2. Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen. Welnu vrees en hoop zijn tegengestelde dingen, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 23, Art. 2). Het geloof baart echter de hoop, zooals de Glossa zegt op Mattheus (1, 2). Dus is het geloof de oorzaak niet van de vrees.2. Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen. Welnu vrees en hoop zijn tegengestelde dingen, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 23, Art. 2). Het geloof baart echter de hoop, zoals de Glossa zegt op Matteüs (1, 2). Dus is het geloof de oorzaak niet van de vrees.
3. Praeterea, contrarium non est causa contrarii. Sed objectum fidei est quoddam bonum, quod est veritas prima; objectum autem timoris est malum, ut supra dictum est [1-2. q. 42. art. 1.]. Actus autem habent speciem ex objecto, secundum supra dicta [1-2. q. 18. art. 2.]. Ergo fides non est causa timoris.
3. Niets kan de oorzaak zijn van iets wat er aan tegengesteld is. Welnu het voorwerp van het geloof is iets goeds, nl. de Eerste Waarheid, het voorwerp echter van de vrees is iets kwaads, zooals hierboven gezegd werd (1a 2ae, Kw. 42, Art. 1). Daden echter worden soortelijk bepaald door hun voorwerp, zooals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 18, Art. 2). Dus is het geloof geen oorzaak van de vrees.3. Niets kan de oorzaak zijn van iets wat er aan tegengesteld is. Welnu het voorwerp van het geloof is iets goeds, nl. de Eerste Waarheid, het voorwerp echter van de vrees is iets kwaads, zoals hierboven gezegd werd (1a 2ae, Kw. 42, Art. 1). Daden echter worden soortelijk bepaald door hun voorwerp, zoals vroeger gezegd werd (1a 2ae, Kw. 18, Art. 2). Dus is het geloof geen oorzaak van de vrees.
Sed contra est, quod dicitur Jac. 2 [v. 19] : « Daemones credunt, et contremiscunt. »
Daartegenover staat echter wat Jacobus zegt (2, 19) : « De duivelen gelooven en sidderen van vrees ».Daartegenover staat echter wat Jacobus zegt (2, 19): “De duivelen geloven en sidderen van vrees”.
Respondeo dicendum, quod timor est quidam motus appetitivae virtutis, ut supra dictum est [1-2 q. 42. art. 1.]. Omnium autem appetitivorum 181motuum principium est bonum vel malum apprehensum; unde oportet, quod timoris et omnium appetitivorum motuum sit principium aliqua apprehensio. Per fidem autem fit in nobis quaedam apprehensio de quibusdam malis poenalibus, quae secundum divinum judicium inferuntur; et per hunc modum fides est causa timoris, quo quis timet a Deo puniri; qui timor est servilis. Est etiam causa timoris filialis, quo quis timet separari a Deo, vel quo quis refugit se Deo comparare, reverendo ipsum, inquantum per fidem hanc existimationem habemus de Deo, quod sit quoddam immensum et altissimum bonum, a quo separari est pessimum, et cui velle aequari est malum. Sed primi timoris, scilicet servilis, est causa fides informis; sed secundi timoris, scilicet filialis, est causa fides formata, quae per charitatem facit hominem Deo adhaerere, et ei subjici.
Leerstelling. — Zooals hierboven gezegd werd (1a 2ae, Kw. 42, Art. 1), is de vrees een beweging van het streefvermogen. 181Welnu het beginsel van alle bewegingen van het streefvermogen is een gekend goed of kwaad. Bijgevolg moet een zekere kennis het beginsel zijn van de vrees en van al de andere bewegingen van het streefvermogen. Welnu door het geloof kennen wij sommige straffen, die volgens Gods oordeel worden opgelegd, en zóô is het geloof de oorzaak van de vrees, waardoor men vreest door God gestraft te worden. Die vrees nu is de slafelijke vrees. Het geloof is echter ook de oorzaak van de kinderlijke vrees, waardoor men vreest van God gescheiden te worden, of waardoor men zich uit eerbied voor God niet met Hem wil vergelijken, en het geloof is de oorzaak van die vrees in zoover wij door het geloof God aanzien als het hoogste en oneindig goed, waarvan gescheiden te worden het grootste onheil en waarmee zich gelijk te willen stellen zonde is. Van de eerste vrees, nl. de slafelijke vrees, is het dood geloof de oorzaak, van de tweede, nl. de kinderlijke vrees, het levend geloof, dat door de liefde den mensch er toe brengt God te hangen en Hem onderworpen te zijn.Leerstelling. — Zoals hierboven gezegd werd (1a 2ae, Kw. 42, Art. 1), is de vrees een beweging van het streefvermogen. 181Welnu het beginsel van alle bewegingen van het streefvermogen is een gekend goed of kwaad. Bijgevolg moet een zekere kennis het beginsel zijn van de vrees en van al de andere bewegingen van het streefvermogen. Welnu door het geloof kennen wij sommige straffen, die volgens Gods oordeel worden opgelegd, en zóô is het geloof de oorzaak van de vrees, waardoor men vreest door God gestraft te worden. Die vrees nu is de slafelijke vrees. Het geloof is echter ook de oorzaak van de kinderlijke vrees, waardoor men vreest van God gescheiden te worden, of waardoor men zich uit eerbied voor God niet met Hem wil vergelijken, en het geloof is de oorzaak van die vrees in zover wij door het geloof God aanzien als het hoogste en oneindig goed, waarvan gescheiden te worden het grootste onheil en waarmee zich gelijk te willen stellen zonde is. Van de eerste vrees, nl. de slafelijke vrees, is het dood geloof de oorzaak, van de tweede, nl. de kinderlijke vrees, het levend geloof, dat door de liefde de mens er toe brengt God te hangen en Hem onderworpen te zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod timor Dei non potest universaliter praecedere fidem, quia, si omnino ejus ignorantiam haberemus quantum ad 182praemia vel poenas, de quibus per fidem instruimur, nullo modo eum timeremus; sed, supposita fide de aliquibus articulis fidei, puta de excellentia divina, sequitur timor reverentiae, ex quo sequitur ulterius, ut homo intellectum suum Deo subjiciat ad credendum omnia, quae sunt promissa a Deo; unde ibi sequitur : « Et non evacuabitur merces vestra. »
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De vreeze Gods kan niet algemeen het geloof voorafgaan, want indien we in het 182geheel niets afwisten van de belooningen of de straffen, die we door het geloof leeren kennen, dan zouden we Hem ook niet vreezen. Maar verondersteld, dat wij sommige artikelen des geloofs door het geloof aanvaarden, bv. Gods verhevenheid, dan volgt de eerbiedige vrees, waaruit verder volgt, dat de mensch zijn verstand aan God onderwerpt om alles te gelooven, wat door God beloofd werd. Daarom volgen t. a. pl. de woorden : « En uw loon zal niet verloren gaan ».Antwoord op de bedenkingen. — 1. De vreze Gods kan niet algemeen het geloof voorafgaan, want indien we in het 182geheel niets afwisten van de beloningen of de straffen, die we door het geloof leren kennen, dan zouden we Hem ook niet vrezen. Maar verondersteld, dat wij sommige artikelen van het geloof door het geloof aanvaarden, bv. Gods verhevenheid, dan volgt de eerbiedige vrees, waaruit verder volgt, dat de mens zijn verstand aan God onderwerpt om alles te geloven, wat door God beloofd werd. Daarom volgen t.a.p. de woorden: “En uw loon zal niet verloren gaan”.
Ad secundum dicendum, quod idem secundum contraria potest esse contrariorum causa, non autem idem secundum idem. Fides autem generat spem, secundum quod facit nobis aestimationem de praemiis, quae Deus retribuit justis; est autem causa timoris secundum quod facit nobis aestimationem de poenis, quas peccatoribus infligere vult.
2. Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen in het zelfde opzicht, maar wel in tegengestelde opzichten. Het geloof nu brengt de hoop voort, in zoover het ons de belooningen doet kennen, waarmee God de rechtvaardigen beloont, en het brengt de vrees voort, in zoover het ons de straffen doet kennen, waarmee Hij de zondaars wil straffen.2. Hetzelfde kan de oorzaak niet zijn van tegengestelde dingen in het zelfde opzicht, maar wel in tegengestelde opzichten. Het geloof nu brengt de hoop voort, in zover het ons de beloningen doet kennen, waarmee God de rechtvaardigen beloont, en het brengt de vrees voort, in zover het ons de straffen doet kennen, waarmee Hij de zondaars wil straffen.
Ad tertium dicendum, quod objectum fidei primum et formale est bonum, quod est veritas prima. Sed materialiter fidei proponuntur etiam credenda quaedam mala, puta quod malum sit Deo non subjici vel ab eo separari, et quod peccatores poenalia mala substinebunt a Deo; et secundum hoc fides potest esse causa timoris.
3. Het eerste en formeel voorwerp van het geloof is dat goed, wat de Eerste Waarheid is. Maar onder de dingen, die materieel tot het geloof behooren, wordt ook wel het een of ander kwaad te gelooven voorgehouden, zooals dat het zonde is aan God niet onderworpen te zijn, of van Hem te worden afgescheiden, en dat de zondaars door Hem zullen gestraft worden. En op die wijze kan het geloof de oorzaak zijn van de vrees.3. Het eerste en formeel voorwerp van het geloof is dat goed, wat de Eerste Waarheid is. Maar onder de dingen, die materieel tot het geloof behoren, wordt ook wel het een of ander kwaad te geloven voorgehouden, zoals dat het zonde is aan God niet onderworpen te zijn, of van Hem te worden afgescheiden, en dat de zondaars door Hem zullen gestraft worden. En op die wijze kan het geloof de oorzaak zijn van de vrees.
Utrum purificatio cordis sit effectus fidei
Is de zuiverheid des harten een uitwerksel van het geloof?Is de zuiverheid van het hart een uitwerksel van het geloof?
183Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod purificatio cordis non sit effectus fidei. Puritas enim cordis praecipue in affectu consistit. Sed fides in intellectu est. Ergo fides non causat cordis purificationem.
183Bedenkingen. — Men beweert, dat de zuiverheid des harten geen uitwerksel is van het geloof. — 1. De zuiverheid des harten immers bestaat voornamelijk in het gemoed. Het geloof daarentegen is in het verstand. Bijgevolg brengt het geloof de zuiverheid des harten niet voort.183Bedenkingen. — Men beweert, dat de zuiverheid van het hart geen uitwerksel is van het geloof. — 1. De zuiverheid van het hart immers bestaat voornamelijk in het gemoed. Het geloof daarentegen is in het verstand. Bijgevolg brengt het geloof de zuiverheid van het hart niet voort.
2. Praeterea, illud quod causat cordis purificationem, non potest simul esse cum impuritate. Sed fides simul potest esse cum impuritate peccati, sicut patet in illis, qui habent fidem informem. Ergo fides non purificat cor.
2. Wat de zuiverheid des harten voortbrengt kan niet samengaan met de onzuiverheid. Welnu het geloof kan samengaan met de onzuiverheid der zonde, zooals blijkt bij hen in wie het geloof dood is. Dus brengt het geloof de zuiverheid des harten niet voort.2. Wat de zuiverheid van het hart voortbrengt kan niet samengaan met de onzuiverheid. Welnu het geloof kan samengaan met de onzuiverheid van de zonde, zoals blijkt bij hen in wie het geloof dood is. Dus brengt het geloof de zuiverheid van het hart niet voort.
3. Praeterea, si fides aliquo modo purificaret cor humanum, maxime purificaret hominis intellectum. Sed intellectum non purificat ab obscuritate, cum sit cognitio aenigmatica. Ergo fides nullo modo purificat cor.
3. Indien het geloof op een of andere wijze de zuiverheid des harten voortbracht, dan zou het op de eerste plaats 's menschen verstand zuiveren. Welnu het geloof zuivert het verstand niet van de duisternis, daar het een duistere kennis is. Bijgevolg brengt het geloof de zuiverheid des harten niet voort.3. Indien het geloof op een of andere wijze de zuiverheid van het hart voortbracht, dan zou het op de eerste plaats 's mensen verstand zuiveren. Welnu het geloof zuivert het verstand niet van de duisternis, daar het een duistere kennis is. Bijgevolg brengt het geloof de zuiverheid van het hart niet voort.
184Sed contra est, quod dicit Petrus, Act. 15. [v. 9] : « Fide purificans corda eorum. »
184Daartegenover staat echter wat Petrus zegt (Handelingen der Apostelen, 15, 9) : « Hun harten zuiverend door het geloof. »184Daartegenover staat echter wat Petrus zegt (Handelingen van de Apostelen, 15, 9): “Hun harten zuiverend door het geloof.”
Respondeo dicendum, quod impuritas uniuscujusque rei consistit in hoc, quod rebus vilioribus immiscetur; non enim dicitur argentum esse impurum ex permixtione auri, per quam melius redditur, sed ex permixtione plumbi vel stanni. Manifestum est autem, quod rationalis creatura dignior est omnibus temporalibus, et corporalibus creaturis; et ideo impura redditur ex hoc, quod temporalibus se subjicit per amorem. A qua quidem impuritate purificatur per contrarium motum, dum scilicet tendit in id quod est supra se, scilicet in Deum. In quo quidem motu primum principium est fides : Accedentem enim ad Deum oportet credere, ut dicitur Hebr. 11 [v. 6]. Et ideo primum principium purificationis cordis est fides, qua purificatur impuritas erroris, quae si perficiatur per charitatem formatam, perfectam purificationem causat.
Leerstelling. — De onzuiverheid van een ding bestaat hierin, dat het met lagere stoffen vermengd is. Men zegt immers niet, dat zilver niet zuiver is, wanneer het vermengd is met goud, waardoor het beter wordt, maar wel wanneer het vermengd is met lood of tin. Welnu het is duidelijk, dat het redelijk schepsel alle tijdelijke en lichamelijke schepselen overtreft, en daarom wordt het onzuiver wanneer het zich, door de liefde, aan het tijdelijke onderwerpt. Van die onzuiverheid wordt het echter gezuiverd door een tegengestelde beweging, wanneer het nl. streeft naar wat boven zich is, nl. naar God. Welnu het eerste beginsel van die beweging is het geloof, want hij, die tot God komt, moet gelooven, wordt er gezegd in den Brief aan de Hebreërs (11, 6). Bijgevolg is het eerste beginsel dat het hart zuivert het geloof, waardoor de onzuiverheid der dwaling wordt weggenomen. Wanneer echter het geloof levend gemaakt wordt door de liefde, brengt het een volmaakte zuiverheid voort.Leerstelling. — De onzuiverheid van een ding bestaat hierin, dat het met lagere stoffen vermengd is. Men zegt immers niet, dat zilver niet zuiver is, wanneer het vermengd is met goud, waardoor het beter wordt, maar wel wanneer het vermengd is met lood of tin. Welnu het is duidelijk, dat het redelijk schepsel alle tijdelijke en lichamelijke schepselen overtreft, en daarom wordt het onzuiver wanneer het zich, door de liefde, aan het tijdelijke onderwerpt. Van die onzuiverheid wordt het echter gezuiverd door een tegengestelde beweging, wanneer het nl. streeft naar wat boven zich is, nl. naar God. Welnu het eerste beginsel van die beweging is het geloof, want hij, die tot God komt, moet geloven, wordt er gezegd in de Brief aan de Hebreërs (11, 6). Bijgevolg is het eerste beginsel dat het hart zuivert het geloof, waardoor de onzuiverheid van de dwaling wordt weggenomen. Wanneer echter het geloof levend gemaakt wordt door de liefde, brengt het een volmaakte zuiverheid voort.
185Ad primum ergo dicendum, quod ea, quae sunt in intellectu, sunt principia eorum, quae sunt in affectu, inquantum scilicet bonum intellectum movet affectum.
185Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wat in het verstand is, is het beginsel van wat in het gemoed is, in zoover het goed in het verstand het gemoed beweegt.185Antwoord op de bedenkingen. — 1. Wat in het verstand is, is het beginsel van wat in het gemoed is, in zover het goed in het verstand het gemoed beweegt.
Ad secundum dicendum quod fides etiam informis excludit quamdam impuritatem sibi oppositam, scilicet impuritatem erroris; quae contingit ex hoc, quod intellectus humanus inordinate inhaeret rebus se inferioribus; dum scilicet vult secundum rationes rerum sensibilium metiri divina. Sed quando per charitatem formatur, tunc nullam impuritatem secum compatitur, quia « universa delicta operit charitas », ut dicitur Proverb. 10. [v. 12].
2. Ook het dood geloof sluit een zekere en er aan tegengestelde onzuiverheid uit, nl. de onzuiverheid der dwaling, die hieruit voortkomt, dat het menschelijk verstand op ongeregelde wijze de lagere dingen aanhangt, wanneer nl. de mensch de zinnelijke dingen als maatstaf aanlegt voor het goddelijke. Wanneer echter het geloof levend wordt door de liefde, gaat er geen enkele onzuiverheid mee samen, daar alle zonden bedekt worden door de liefde, zooals we lezen in het Boek der Spreuken (10, 12).2. Ook het dood geloof sluit een zekere en er aan tegengestelde onzuiverheid uit, nl. de onzuiverheid van de dwaling, die hieruit voortkomt, dat het menselijk verstand op ongeregelde wijze de lagere dingen aanhangt, wanneer nl. de mens de zinnelijke dingen als maatstaf aanlegt voor het goddelijke. Wanneer echter het geloof levend wordt door de liefde, gaat er geen enkele onzuiverheid mee samen, daar alle zonden bedekt worden door de liefde, zoals we lezen in het Boek van de Spreuken (10, 12).
Ad tertium dicendum, quod obscuritas fidei non pertinet ad impuritatem culpae, sed magis ad naturalem defectum intellectus humani, secundum statum praesentis vitae.
3. De duisternis van het geloof is geen gevolg van de onzuiverheid der zonde, maar wel van de natuurlijke ontoereikendheid van het menschelijk verstand in onzen huidigen levensstaat.3. De duisternis van het geloof is geen gevolg van de onzuiverheid van de zonde, maar wel van de natuurlijke ontoereikendheid van het menselijk verstand in onze huidige levensstaat.