De actu fidei interno
Over de inwendige geloofsdaad
56Deinde considerandum est de actu fidei. Et primo de actu interiori; secundo de actu exteriori.
56Daarna beschouwen we de geloofsdaad: ten eerste de inwendige geloofsdaad; ten tweede, de uitwendige geloofsdaad.
Circa primum quaeruntur decem : 1. Quid sit credere, quod est actus interior fidei. — 2. Quot modis dicatur. — 3. Utrum credere aliquid supra rationem naturalem sit necessarium ad salutem. — 4. Utrum credere ea, ad quae ratio naturalis pervenire potest, sit necessarium. — 5. Utrum sit necessarium ad salutem credere aliqua explicite. — 6. Utrum ad credendum explicite omnes aequaliter teneantur. — 7. Utrum habere fidem explicitam de Christo semper 57sit necessarium ad salutem. — 8. Utrum credere Trinitatem explicite sit de necessitate salutis. — 9. Utrum actus fidei sit meritorius. — 10. Utrum ratio humana diminuat meritum fidei.
Aangaande de inwendige geloofsdaad stellen we tien vragen: 1. Wat is gelooven, d. i. die inwendige geloofsdaad stellen? 2. Op hoeveel manieren spreekt men van gelooven? 3. Moet men, om zalig te worden, iets gelooven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat? 4. Moet men gelooven, wat de natuurlijke rede bereiken kan? 5. Moet men, om zalig te worden, iets uitdrukkelijk gelooven? 6. Moeten alle menschen hetzelfde uitdrukkelijk gelooven? 7. Was het, om zalig te worden, altijd vereischt, uitdrukkelijk te gelooven in Christus? 578. Moet men, om zalig te worden, uitdrukkelijk gelooven in de Drieéénheid? 9. Is de geloofsdaad verdienstelijk? 10. Vermindert de menschelijke rede de verdienste van het geloof?Aangaande de inwendige geloofsdaad stellen we tien vragen: 1. Wat is geloven, d.i. die inwendige geloofsdaad stellen? 2. Op hoeveel manieren spreekt men van geloven? 3. Moet men, om zalig te worden, iets geloven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat? 4. Moet men geloven, wat de natuurlijke rede bereiken kan? 5. Moet men, om zalig te worden, iets uitdrukkelijk geloven? 6. Moeten alle mensen hetzelfde uitdrukkelijk geloven? 7. Was het, om zalig te worden, altijd vereist, uitdrukkelijk te geloven in Christus? 578. Moet men, om zalig te worden, uitdrukkelijk geloven in de Drie-eenheid? 9. Is de geloofsdaad verdienstelijk? 10. Vermindert de menselijke rede de verdienste van het geloof?
Utrum credere sit cum assensione cogitare
Is gelooven een instemmend onderzoek?Is geloven een instemmend onderzoek?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod credere non sit cum assensione cogitare. Cogitatio enim importat quamdam inquisitionem : dicitur enim cogitare, quasi coagitare, simul agitare. Sed Damascenus dicit in 4. lib. [Orth. Fid. cap. 11.], quod fides est non inquisitus consensus. Ergo cogitare non pertinet ad actum fidei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat gelooven geenszins een instemmend onderzoek is. — 1. Onderzoeken immers veronderstelt, dat men iets nagaat, want cogitare is hetzelfde als coagitare of simul agitare (verschillende dingen samen wikken en wegen). Welnu Damascenus zegt in het 4e Boek Over het ware Geloof (11e H.), dat het geloof een instemming is zonder onderzoek. Bijgevolg behoort het onderzoek niet tot de geloofsdaad.Bedenkingen. — Men beweert, dat geloven geenszins een instemmend onderzoek is. — 1. Onderzoeken immers veronderstelt, dat men iets nagaat, want cogitare is hetzelfde als coagitare of simul agitare (verschillende dingen samen wikken en wegen). Welnu Damascenus zegt in het 4e Boek Over het ware Geloof (11e H.), dat het geloof een instemming is zonder onderzoek. Bijgevolg behoort het onderzoek niet tot de geloofsdaad.
2. Praeterea, fides in ratione ponitur, ut infra dicetur [q. 4. art. 2.]. 58Sed cogitare est actus cogitativae potentiae, quae pertinet ad partem sensitivam, ut in primo dictum est [q. 78. art. 4.]. Ergo cogitatio ad fidem non pertinet.
2. Later (4e Kw., 2e Art.) wordt gezegd, dat de rede de zetel van het geloof is. Welnu het onderzoek is een daad van het 58schattingsvermogen, dat tot het zinnelijk deel behoort, zooals gezegd werd in het 1e Deel (Kw. 78, 4e Art.). Bijgevolg behoort het onderzoek niet tot het geloof.2. Later (4e Kw., 2e Art.) wordt gezegd, dat de rede de zetel van het geloof is. Welnu het onderzoek is een daad van het 58schattingsvermogen, dat tot het zinnelijk deel behoort, zoals gezegd werd in het 1e Deel (Kw. 78, 4e Art.). Bijgevolg behoort het onderzoek niet tot het geloof.
3. Praeterea, credere est actus intellectus, quia ejus objectum est verum. Sed assentire non videtur esse actus intellectus, sed voluntatis, sicut etiam consentire, ut supra dictum est [1-2. q. 14, art. 4. ad 3.]. Ergo credere non est cum assensione cogitare.
3. Gelooven is een daad van het verstand, daar het voorwerp er van het ware is. Welnu, instemmen, evenals toestemmen, schijnt geen daad te zijn van het verstand, maar wel van den wil, zooals hierboven gezegd is (Ia IIae, Kw. 14, 4e Art., Antw. op de 3e Bed.). Dus is gelooven niet een instemmend onderzoek.3. Geloven is een daad van het verstand, daar het voorwerp er van het ware is. Welnu, instemmen, evenals toestemmen, schijnt geen daad te zijn van het verstand, maar wel van de wil, zoals hierboven gezegd is (1-2, Kw. 14, 4e Art., Antw. op de 3e Bed.). Dus is geloven niet een instemmend onderzoek.
In contrarium est, quod Augustinus sic definit credere in lib. de Praedest. Sanct. [cap. 2.],
Daartegenover staat echter, dat Augustinus de geloofsdaad op die manier bepaalt in zijn Boek Over de Voorbestemming der Heiligen (2e H.).Daartegenover staat echter, dat Augustinus de geloofsdaad op die manier bepaalt in zijn Boek Over de Voorbestemming van de Heiligen (2e H.).
Respondeo dicendum, quod cogitare tripliciter sumi potest. Uno modo communiter pro qualicumque actuali consideratione intellectus, sicut Augustinus dicit in 14 l. de Trinitate [cap. 7.] : « Hanc nunc dico intelligentiam, qua intelligimus cogitantes. » Alio modo dicitur cogitare magis proprie consideratio intellectus, quae est cum quadam inquisitione, 59antequam perveniatur ad perfectionem intellectus per certitudinem visionis. Et secundum hoc Augustinus dicit 15. de Trin. [cap. 16.], quod « Dei Filius non cogitatio dicitur, sed verbum Dei dicitur. Cogitatio quippe nostra perveniens ad id quod scimus, atque inde formata, verbum nostrum est. Et ideo verbum Dei sine cogitatione Dei debet intelligi, non aliquid habens formabile, quod possit esse informe. » Et secundum hoc cogitatio proprie dicitur motus animi deliberantis, nondum perfecti per plenam visionem veritatis. Sed quia talis motus potest esse vel animi deliberantis circa intentiones universales, quod pertinet ad intellectivam partem, vel circa intentiones particulares, quod pertinet ad partem sensitivam, ideo cogitare secundo modo sumitur pro actu intellectus deliberantis; tertio modo pro actu virtutis cogitativae.
Leerstelling. — Iets « onderzoeken » kan drie beteekenissen hebben. Het kan ten eerste in het algemeen aanduiden iedere metterdaad gebeurende beschouwing van het verstand. Zoo zegt Augustinus in het 14e Boek Over de Drieéénheid (7e H.) : « Hier spreken we over het verstand; waardoor we kennen door te onderzoeken ». Onderzoeken kan ten tweede, en juister, beteekenen : de beschouwing van het verstand, die gepaard gaat met een zeker 59naspeuren, en voorkomt, wanneer men nog de volkomen kennis niet bereikte door de zekerheid van het volkomen inzicht. In dien zin zegt Augustinus in het 15e Boek Over de Drieéénheid (16e H.) : « Gods zoon wordt niet Gedachte genoemd, maar Gods Woord. Ons woord is immers onze gedachte of cogitatio, wanneer wij het gekende voorwerp bereikt hebben en de gedachte daardoor haar vormgeving ontvangt. Doch Gods woord mag men niet opvatten als gedachte, omdat er in God niets is, wat een vormgeving moet ontvangen of zonder vorm kan zijn. ». Onderzoeken beteekent in dat geval de beweging van den geest, die overlegt en nog niet vervolmaakt is door het volkomen inzien van de waarheid. Die beweging nu kan eene beweging zijn of van de ziel, die overlegt met betrekking tot de algemeene beginselen, en dat komt toe aan het verstand, of van de ziel, die overlegt met betrekking tot de particuliere dingen, en dat komt aan de zinnen toe. Overlegt men iets met betrekking tot de algemeene beginselen, dan heeft men een tweede beteekenis van onderzoek, nl. een daad van het verstand, dat overlegt; overlegt men iets met betrekking tot de particuliere dingen, dan heeft men een derde beteekenis van onderzoek, nl. een daad van het schattingsvermogen.Leerstelling. — Iets “onderzoeken” kan drie betekenissen hebben. Het kan ten eerste in het algemeen aanduiden iedere metterdaad gebeurende beschouwing van het verstand. Zo zegt Augustinus in het 14e Boek Over de Drie-eenheid (7e H.): “Hier spreken we over het verstand; waardoor we kennen door te onderzoeken”. Onderzoeken kan ten tweede, en juister, betekenen: de beschouwing van het verstand, die gepaard gaat met een zeker 59naspeuren, en voorkomt, wanneer men nog de volkomen kennis niet bereikte door de zekerheid van het volkomen inzicht. In die zin zegt Augustinus in het 15e Boek Over de Drie-eenheid (16e H.): “Gods zoon wordt niet Gedachte genoemd, maar Gods Woord. Ons woord is immers onze gedachte of cogitatio, wanneer wij het gekende voorwerp bereikt hebben en de gedachte daardoor haar vormgeving ontvangt. Doch Gods woord mag men niet opvatten als gedachte, omdat er in God niets is, wat een vormgeving moet ontvangen of zonder vorm kan zijn.”. Onderzoeken betekent in dat geval de beweging van de geest, die overlegt en nog niet vervolmaakt is door het volkomen inzien van de waarheid. Die beweging nu kan een beweging zijn of van de ziel, die overlegt met betrekking tot de algemene beginselen, en dat komt toe aan het verstand, of van de ziel, die overlegt met betrekking tot de particuliere dingen, en dat komt aan de zinnen toe. Overlegt men iets met betrekking tot de algemene beginselen, dan heeft men een tweede betekenis van onderzoek, nl. een daad van het verstand, dat overlegt; overlegt men iets met betrekking tot de particuliere dingen, dan heeft men een derde betekenis van onderzoek, nl. een daad van het schattingsvermogen.
Si ergo cogitare sumatur communiter secundum primum modum, sic 60hoc quod dicitur cum assensione cogitare, non dicit totam rationem ejus quod est credere, nam per hunc modum etiam qui considerat ea quae scit vel intelligit, cum assensione cogitat. Si vero sumatur cogitare secundo modo, sic in hoc intelligitur tota ratio hujus actus, qui est credere. Actuum enim ad intellectum pertinentium quidam habent firmam assensionem absque tali cogitatione, sicut cum aliquis considerat ea quae scit vel intelligit, talis enim consideratio jam est formata. Quidam vero actus intellectus habent quidem cogitationem informem absque firma assensione, sive in neutram partem declinent, sicut accidit dubitanti, sive in unam partem magis declinent, sed tenentur aliquo levi signo, sicut accidit suspicanti, sive uni parti adhaereant, tamen cum formidine alterius, quod accidit opinanti. Sed actus iste, qui est credere habet firmam adhaesionem ad unam partem, in quo convenit credens cum sciente et intelligente. Et tamen ejus cognitio non est perfecta per maximam1 visionem, in quo convenit cum dubitante, 61suspicante, et opinante. Et sic proprium est credentis, ut cum assensu cogitet; et propter hoc distinguitur iste actus, qui est credere, ab omnibus actibus intellectus qui sunt circa verum vel falsum.
Wanneer we echter over onderzoek spreken, in de eerste en algemeene beteekenis van het woord, dan geeft de uitdrukking « 60instemmend onderzoek » niet het volledig begrip van « gelooven » weer, want op die wijze onderzoekt ook hij met instemming, die nadenkt over iets, wat hij weet en begrijpt. Wanneer we echter over onderzoek spreken in de tweede beteekenis van het woord, dan drukken wij de daad van gelooven volkomen uit. Onder de verstandsakten immers zijn er, die met een vaste instemming gepaard gaan, maar zonder dat onderzoek, zooals bij hem die nadenkt over wat hij reeds weet of begrijpt; die beschouwing bereikte reeds haar vorm. In andere verstandsakten echter heeft het onderzoek zijn vorm nog niet bereikt, en is er geen vaste instemming, hetzij men naar geen enkelen kant overhelt, zooals hij, die twijfelt, hetzij men overhelt naar een of anderen kant, maar door een lichte schijnreden weerhouden wordt, zooals hij, die een vermoeden heeft; hetzij men wel partij kiest, maar niettemin vreest, dat het tegenovergestelde kan waar zijn, zooals hij, die omtrent iets een meening heeft. Welnu, in den akt, die gelooven genoemd wordt, vindt men een vaste instemming naar den eenen kant, en daarin komt de geloovige overeen met hem, die iets weet of begrijpt. Maar zijn kennis mist de volkomendheid van het duidelijk inzicht, en daarin komt hij overeen met hem, die twijfelt of iets vermoedt, of 61aangaande iets een meening heeft. Het is dus eigen aan hem, die gelooft, dat hij tegelijk onderzoekt en met iets instemt, en daardoor wordt de geloofsdaad onderscheiden van alle andere verstandsdaden, waarvan het ware of het valsche het voorwerp is.Wanneer we echter over onderzoek spreken, in de eerste en algemene betekenis van het woord, dan geeft de uitdrukking “60instemmend onderzoek” niet het volledig begrip van “geloven” weer, want op die wijze onderzoekt ook hij met instemming, die nadenkt over iets, wat hij weet en begrijpt. Wanneer we echter over onderzoek spreken in de tweede betekenis van het woord, dan drukken wij de daad van geloven volkomen uit. Onder de verstandsacten immers zijn er, die met een vaste instemming gepaard gaan, maar zonder dat onderzoek, zoals bij hem die nadenkt over wat hij reeds weet of begrijpt; die beschouwing bereikte reeds haar vorm. In andere verstandsacten echter heeft het onderzoek zijn vorm nog niet bereikt, en is er geen vaste instemming, hetzij men naar geen enkelen kant overhelt, zoals hij, die twijfelt, hetzij men overhelt naar een of andere kant, maar door een lichte schijnreden weerhouden wordt, zoals hij, die een vermoeden heeft; hetzij men wel partij kiest, maar niettemin vreest, dat het tegenovergestelde kan waar zijn, zoals hij, die omtrent iets een mening heeft. Welnu, in de act, die geloven genoemd wordt, vindt men een vaste instemming naar de ene kant, en daarin komt de gelovige overeen met hem, die iets weet of begrijpt. Maar zijn kennis mist de volkomendheid van het duidelijk inzicht, en daarin komt hij overeen met hem, die twijfelt of iets vermoedt, of 61aangaande iets een mening heeft. Het is dus eigen aan hem, die gelooft, dat hij tegelijk onderzoekt en met iets instemt, en daardoor wordt de geloofsdaad onderscheiden van alle andere verstandsdaden, waarvan het ware of het valse het voorwerp is.
Ad primum ergo dicendum quod fides non habet inquisitionem rationis naturalis demonstrantis id, quod creditur. Habet tamen inquisitionem quandam eorum per quae inducitur homo ad credendum, puta quia sunt dicta a Deo, et miraculis confirmata.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De natuurlijke rede zoekt in het geloof niet te bewijzen wat men gelooft. Er bestaat alleen een zeker onderzoek met betrekking tot datgene, waardoor de mensch aangezet wordt te gelooven, omdat het nl. door God geopenbaard is en door wonderen bekrachtigd werd.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De natuurlijke rede zoekt in het geloof niet te bewijzen wat men gelooft. Er bestaat alleen een zeker onderzoek met betrekking tot datgene, waardoor de mens aangezet wordt te geloven, omdat het nl. door God geopenbaard is en door wonderen bekrachtigd werd.
Ad secundum dicendum quod cogitare non sumitur hic prout est actus cogitativae virtutis, sed prout pertinet ad intellectum, ut dictum est [in corp. art.].
2. Er is hier geen spraak van het onderzoek, dat een daad is van het schattingsvermogen, maar van het onderzoek, dat een daad is van het verstand, zooals (in de Leerstelling) gezegd werd.2. Er is hier geen spraak van het onderzoek, dat een daad is van het schattingsvermogen, maar van het onderzoek, dat een daad is van het verstand, zoals (in de Leerstelling) gezegd werd.
Ad tertium dicendum quod intellectus credentis determinatur ad unum non per rationem, sed per voluntatem. Et ideo assensus hic accipitur pro actu intellectus, secundum quod a voluntate determinatur ad unum.
3. Niet door de rede, maar door den wil wordt het verstand van den geloovige tot het ééne bepaald. Instemmen is hier dus een daad van het verstand, dat door den wil tot het ééne bepaald wordt.3. Niet door de rede, maar door de wil wordt het verstand van de gelovige tot het éne bepaald. Instemmen is hier dus een daad van het verstand, dat door de wil tot het éne bepaald wordt.
Utrum convenienter distinguantur actus fidei per hoc, quod est credere Deo, credere Deum et credere in Deum
Moet men spreken van : Gelooven aan God, God gelooven, gelooven in God, als over verschillende geloofsdaden?Moet men spreken van: Geloven aan God, God geloven, geloven in God, als over verschillende geloofsdaden?
62Ad secundum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter distinguatur actus fidei per hoc, quod est credere Deo, credere Deum, et credere in Deum. Unius enim habitus unus est actus. Sed fides est unus habitus, cum sit una virtus. Ergo inconvenienter ponuntur plures actus fidei.
62Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet spreken van gelooven aan God, God gelooven, gelooven in God, als over verschillende geloofsdaden. — 1. Een enkele hebbelijkheid immers heeft slechts één daad. Welnu, het geloof is slechts één hebbelijkheid, want het is maar één deugd. Bijgevolg moet men geen verschillende geloofsdaden onderscheiden.62Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet spreken van geloven aan God, God geloven, geloven in God, als over verschillende geloofsdaden. — 1. Een enkele hebbelijkheid immers heeft slechts één daad. Welnu, het geloof is slechts één hebbelijkheid, want het is maar één deugd. Bijgevolg moet men geen verschillende geloofsdaden onderscheiden.
2. Praeterea, id quod est commune omni actui fidei non debet poni ut particularis actus fidei. Sed credere Deo invenitur communiter in quolibet actu fidei, quia fides innititur primae veritati. Ergo videtur quod inconvenienter distinguatur a quibusdam aliis actibus fidei.
2. Wat aan alle geloofsdaden toekomt, moet men niet beschouwen als een bijzondere geloofsdaad. Welnu, gelooven aan God komt toe aan iedere geloofsdaad, want het geloof steunt op de Eerste Waarheid. Die geloofsdaad moet dus niet onderscheiden worden van de andere.2. Wat aan alle geloofsdaden toekomt, moet men niet beschouwen als een bijzondere geloofsdaad. Welnu, geloven aan God komt toe aan iedere geloofsdaad, want het geloof steunt op de Eerste Waarheid. Die geloofsdaad moet dus niet onderscheiden worden van de andere.
3. Praeterea, id quod convenit etiam non fidelibus non potest poni inter 63fidei actus. Sed credere Deum esse convenit etiam infidelibus. Ergo non debet poni inter actus fidei.
3. Wat ook aan niet-geloovigen toekomt mag niet onder de geloofsdaden gerekend worden. Welnu, gelooven dat God bestaat, 63komt ook aan de ongeloovigen toe. Men moet het dus niet onder de geloofsdaden rekenen.3. Wat ook aan niet-gelovigen toekomt mag niet onder de geloofsdaden gerekend worden. Welnu, geloven dat God bestaat, 63komt ook aan de ongelovigen toe. Men moet het dus niet onder de geloofsdaden rekenen.
4. Praeterea, moveri in finem pertinet ad voluntatem, cujus objectum est bonum et finis. Sed credere non est actus voluntatis, sed intellectus. Ergo non debet poni differentia una ejus quod est credere in Deum, quod importat motum in finem.
4. Naar het doel bewogen te worden is eigen aan den wil, waarvan het voorwerp het goede en het doel is. Welnu, gelooven is geen daad van den wil, maar van het verstand. Bijgevolg moet men gelooven in God, wat een beweging naar het doel insluit, niet beschouwen als een verschillende geloofsdaad.4. Naar het doel bewogen te worden is eigen aan de wil, waarvan het voorwerp het goede en het doel is. Welnu, geloven is geen daad van de wil, maar van het verstand. Bijgevolg moet men geloven in God, wat een beweging naar het doel insluit, niet beschouwen als een verschillende geloofsdaad.
Sed contra est, quod Augustinus hanc distinctionem ponit in lib. de Verbis Domini [serm. 61. cap. 2.], et super Joan. [tract. 29.].
Daartegenover staat echter, dat Augustinus die verdeeling voorstelt in zijn Boek Over de Woorden des Heeren (61e Preek, 2e H.) en in zijn Commentaar op Joannes (29e Verhandeling).Daartegenover staat echter, dat Augustinus die verdeling voorstelt in zijn Boek Over de Woorden van de Heer (61e Preek, 2e H.) en in zijn Commentaar op Johannes (29e Verhandeling).
Respondeo dicendum quod actus cujuslibet potentiae vel habitus accipitur secundum ordinem potentiae vel habitus ad suum objectum. Objectum autem fidei potest tripliciter considerari. Cum enim credere ad intellectum pertineat, prout est a voluntate motus ad assentiendum, ut dictum est [art. praec. ad 3.], potest objectum fidei accipi vel ex parte ipsius intellectus, vel ex parte voluntatis intellectum moventis.
Leerstelling. — De daad van welk vermogen of welke hebbelijkheid ook wordt bepaald naar de verhouding van dat vermogen of van die hebbelijkheid tot hun voorwerp. Welnu, men kan het voorwerp van het geloof op drie manieren beschouwen. Gelooven toch is een daad van het verstand, voor zoover het door den wil tot instemming bewogen wordt, zooals hierboven gezegd is (1e Art. Antwoord op de 3e Bedenking). Daarom kan het voorwerp van het geloof beschouwd worden, ofwel van den kant van het 64verstand, ofwel van den kant van den wil, die het verstand beweegt.Leerstelling. — De daad van welk vermogen of welke hebbelijkheid ook wordt bepaald naar de verhouding van dat vermogen of van die hebbelijkheid tot hun voorwerp. Welnu, men kan het voorwerp van het geloof op drie manieren beschouwen. Geloven toch is een daad van het verstand, voor zover het door de wil tot instemming bewogen wordt, zoals hierboven gezegd is (1e Art. Antwoord op de 3e Bedenking). Daarom kan het voorwerp van het geloof beschouwd worden, ofwel van de kant van het 64verstand, ofwel van de kant van de wil, die het verstand beweegt.
64Si quidem ex parte intellectus, sic in objecto fidei duo possunt considerari, sicut supra dictum est [q. 1. art. 1.], quorum unum est materiale objectum fidei. Et sic ponitur actus fidei credere Deum, quia, sicut supra dictum est [ibid.], nihil proponitur nobis ad credendum, nisi secundum quod ad Deum pertinet. Aliud autem est formalis ratio objecti, quod est sicut medium, propter quod tali credibili assentitur. Et sic ponitur actus fidei credere Deo, quia sicut supra est dictum [ibid.], formale objectum fidei est veritas prima, cui inhaeret homo, ut propter eam creditis assentiat.
Beschouwt men het geloof van den kant van het verstand, dan kan men in het voorwerp van het geloof twee dingen beschouwen, zooals we vroeger gezegd hebben (1e Kw., 1e Art.). Ten eerste, het materieel voorwerp van het geloof, en wanneer men dat beschouwt zegt men, dat de daad van het geloof is : God gelooven, want niets wordt ons te gelooven voorgehouden dan in zoover het betrekking heeft op God, zooals we (t. a. pl.) gezegd hebben. Ten tweede, het formeel opzicht van het geloofsvoorwerp, dat als het middel is, waardoor we een geloofspunt aanvaarden, en wanneer men dat beschouwt, zegt men, dat de daad van het geloof is: aan God gelooven, want zooals we vroeger (t. a. pl.) hebben gezegd, is het formeel opzicht van het geloof de Eerste Waarheid, waaraan de mensch zich hecht, zoodat hij om haar aanvaardt wat hij gelooft.Beschouwt men het geloof van de kant van het verstand, dan kan men in het voorwerp van het geloof twee dingen beschouwen, zoals we vroeger gezegd hebben (1e Kw., 1e Art.). Ten eerste, het materieel voorwerp van het geloof, en wanneer men dat beschouwt zegt men, dat de daad van het geloof is: God geloven, want niets wordt ons te geloven voorgehouden dan in zover het betrekking heeft op God, zoals we (t.a.p.) gezegd hebben. Ten tweede, het formeel opzicht van het geloofsvoorwerp, dat als het middel is, waardoor we een geloofspunt aanvaarden, en wanneer men dat beschouwt, zegt men, dat de daad van het geloof is: aan God geloven, want zoals we vroeger (t.a.p.) hebben gezegd, is het formeel opzicht van het geloof de Eerste Waarheid, waaraan de mens zich hecht, zodat hij om haar aanvaardt wat hij gelooft.
Si vero consideretur tertio modo objectum fidei, secundum quod intellectus est motus a voluntate, sic ponitur actus fidei credere in Deum : veritas enim prima ad voluntatem refertur, secundum quod habet rationem finis.
Beschouwt men echter het voorwerp van het geloof in zoover het verstand bewogen wordt door den wil, dan is de geloofsdaad: gelooven in God, want de Eerste Waarheid heeft betrekking op den wil, in zoover zij een doel is.Beschouwt men echter het voorwerp van het geloof in zover het verstand bewogen wordt door de wil, dan is de geloofsdaad: geloven in God, want de Eerste Waarheid heeft betrekking op de wil, in zover zij een doel is.
Ad primum ergo dicendum, quod per ista tria non designantur diversi 65actus fidei, sed unus et idem actus habens diversam relationem ad fidei objectum.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door dat 65drievoudige onderscheid worden geen verschillende geloofsdaden aangeduid, maar wel eenzelfde daad, voor zoover zij in een verschillende verhouding staat tot het voorwerp van het geloof.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Door dat 65drievoudige onderscheid worden geen verschillende geloofsdaden aangeduid, maar wel eenzelfde daad, voor zover zij in een verschillende verhouding staat tot het voorwerp van het geloof.
Et per hoc patet responsio ad secundum.
2. Daardoor blijkt ook het antwoord op de tweede Bedenking.
Ad tertium dicendum, quod credere Deum non convenit infidelibus sub ea ratione, qua ponitur actus fidei : non enim credunt Deum esse sub his conditionibus, quas fides determinat; et ideo nec vere Deum credunt, quia, ut Philosophus dicit 9. Metaph. [l. 8, c. 10, n. 3] « in simplicibus defectus cognitionis est solum in non attingendo totaliter. »
3. God te gelooven komt aan de ongeloovigen niet toe in zoover het een geloofsdaad is. Ze gelooven immers niet, dat God bestaat, zooals dit door het geloof bepaald wordt, en daarom gelooven ze niet waarlijk God. Zooals immers de Wijsgeer zegt in het 9e Boek der Metaphysica, wanneer er eenige onjuistheid is in de kennis van enkelvoudige dingen, dan kent men ze in het geheel niet.3. God te geloven komt aan de ongelovigen niet toe in zover het een geloofsdaad is. Ze geloven immers niet, dat God bestaat, zoals dit door het geloof bepaald wordt, en daarom geloven ze niet waarlijk God. Zoals immers de Wijsgeer zegt in het 9e Boek van de Metafysica, wanneer er enige onjuistheid is in de kennis van enkelvoudige dingen, dan kent men ze in het geheel niet.
Ad quartum dicendum, quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 9. art. 1.], voluntas movet intellectum et alias vires animae in finem. Et secundum hoc ponitur actus fidei credere in Deum.
4. Boven zeiden we (Ia IIae, Kw. 9, 1e Art.), dat de wil het verstand en de andere zielvermogens naar het doel beweegt, en in dien zin wordt gelooven in God tot de geloofsdaden gerekend.4. Boven zeiden we (1-2, Kw. 9, 1e Art.), dat de wil het verstand en de andere zielvermogens naar het doel beweegt, en in die zin wordt geloven in God tot de geloofsdaden gerekend.
Utrum credere aliquid supra rationem naturalem sit necessarium ad salutem
Moet men, om zalig te worden, iets gelooven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat?Moet men, om zalig te worden, iets geloven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat?
66Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod credere non sit necessarium ad salutem. Ad salutem enim et perfectionem cujuslibet rei ea sufficere videntur, quae conveniunt ei secundum suam naturam. Sed ea quae sunt fidei excedunt naturalem hominis rationem, cum sint non apparentia, ut supra dictum est [q. 1. art. 4.]. Ergo credere non videtur necessarium esse ad salutem.
66Bedenkingen. — Men beweert, dat men, om zalig te worden, niet noodzakelijk iets moet gelooven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat. — 1. Tot de zaligheid immers en ook tot de volmaaktheid van welk wezen ook, wordt niets méér geeischt dan wat er aan toekomt volgens zijn natuur. Welnu, de dingen, die onder het geloof vallen, gaan boven de natuurlijke rede van den mensch uit, daar men ze niet ziet, zooals hierboven gezegd is (1e Kw., 4e Art.). Bijgevolg moet men niet gelooven om zalig te worden.66Bedenkingen. — Men beweert, dat men, om zalig te worden, niet noodzakelijk iets moet geloven, wat boven de natuurlijke rede uitgaat. — 1. Tot de zaligheid immers en ook tot de volmaaktheid van welk wezen ook, wordt niets méér geëist dan wat er aan toekomt volgens zijn natuur. Welnu, de dingen, die onder het geloof vallen, gaan boven de natuurlijke rede van de mens uit, daar men ze niet ziet, zoals hierboven gezegd is (1e Kw., 4e Art.). Bijgevolg moet men niet geloven om zalig te worden.
2. Praeterea, periculose homo assentit illis, in quibus non potest judicare utrum illud quod ei proponitur sit verum vel falsum, secundum illud Job 12. [v. 11] : « Nonne auris verba dijudicat? » Sed tale judicium homo 67habere non potest in his quae sunt fidei, quia homo non potest ea resolvere in principia prima, per quae de omnibus judicamus. Ergo periculosum est talibus fidem adhibere. Credere ergo non est necessarium ad salutem.
2. Het is gevaarlijk voor den mensch iets aan te nemen, wanneer hij niet kan oordeelen of dat, wat hem wordt voorgehouden, waar of valsch is, naar het woord uit het Boek Job (12, 11) : « Is het niet het oor, dat de woorden beoordeelt? ». Welnu, een dergelijk oordeel kan de mensch in geloofszaken niet uitspreken, 67daar hij ze niet herleiden kan tot de eerste beginselen, waardoor we over alles oordeelen. Het is dus gevaarlijk er aan te gelooven, en bijgevolg kan gelooven tot de zaligheid niet noodzakelijk zijn.2. Het is gevaarlijk voor de mens iets aan te nemen, wanneer hij niet kan oordelen of dat, wat hem wordt voorgehouden, waar of vals is, naar het woord uit het Boek Job (12, 11): “Is het niet het oor, dat de woorden beoordeelt?”. Welnu, een dergelijk oordeel kan de mens in geloofszaken niet uitspreken, 67daar hij ze niet herleiden kan tot de eerste beginselen, waardoor we over alles oordelen. Het is dus gevaarlijk er aan te geloven, en bijgevolg kan geloven tot de zaligheid niet noodzakelijk zijn.
3. Praeterea, salus hominis in Deo consistit, secundum illud Ps. 36. [v. 39] : « Salus autem justorum a Domino. » Sed « invisibilia Dei per ea, quae facta sunt, intellecta conspiciuntur, sempiterna quoque virtus ejus et divinitas », ut dicitur Rom. 1. [v. 20]. Quae autem conspiciuntur intellectu, non creduntur. Ergo non est necessarium ad salutem, ut homo aliqua credat.
3. God is 's menschen zaligheid, volgens Psalm 36,39: « De zaligheid van den rechtvaardige komt van den Heer. » Welnu, « Gods onzichtbare eigenschappen kunnen sinds de schepping in Zijn werken door het verstand beschouwd en doorzien' worden, evenals Zijn eeuwige macht en goddelijkheid », zooals we lezen in den Brief aan de Romeinen (1, 20). Welnu, wat door het verstand beschouwd en doorzien wordt, gelooft men niet. Bijgevolg is het voor den mensch niet noodzakelijk iets te gelooven om zalig te worden.3. God is 's mensen zaligheid, volgens Psalm 36,39a: “De zaligheid van de rechtvaardige komt van de Heer.” Welnu, “Gods onzichtbare eigenschappen kunnen sinds de schepping in Zijn werken door het verstand beschouwd en doorzien' worden, evenals Zijn eeuwige macht en goddelijkheid”, zoals we lezen in de Brief aan de Romeinen (1, 20). Welnu, wat door het verstand beschouwd en doorzien wordt, gelooft men niet. Bijgevolg is het voor de mens niet noodzakelijk iets te geloven om zalig te worden.
Sed contra est, quod dicitur Hebr. 11. [v. 6.] : « Sine fide impossibile est placere Deo. »
Daartegenover staat echter het woord uit den Hebreërbrief (11, 6) : « Zonder geloof kan men onmogelijk aan God behagen »Daartegenover staat echter het woord uit de Hebreërbrief (11, 6): “Zonder geloof kan men onmogelijk aan God behagen”
Respondeo dicendum, quod in omnibus naturis ordinatis invenitur quod ad perfectionem naturae inferioris duo concurrunt : unum quidem, quod est secundum proprium motum; aliud autem, quod est secundum motum 68superioris naturae, sicut aqua secundum motum proprium movetur ad centrum, secundum autem motum lunae movetur circa centrum secundum fluxum et refluxum; similiter etiam orbes planetarum moventur propriis motibus ab Occidente in Orientem, motu autem primi orbis ab Oriente in Occidentem.
Leerstelling. — Wanneer twee wezens aan elkaar ondergeschikt zijn, dragen twee dingen bij tot de volmaaktheid van het mindere wezen: ten eerste, iets, wat overeenkomt met de eigen beweging van dat wezen; ten tweede iets, wat overeenkomt met de 68beweging van het hoogere wezen. Het water b. v. beweegt door zijn eigen beweging naar het middenpunt, maar door de beweging van de maan beweegt het rond het middenpunt, en zóo ontstaat er ebbe en vloed; ook de planeten bewegen door hun eigen beweging van West naar Oost, maar door de beweging van den eersten hemel bewegen ze van Oost naar West.Leerstelling. — Wanneer twee wezens aan elkaar ondergeschikt zijn, dragen twee dingen bij tot de volmaaktheid van het mindere wezen: ten eerste, iets, wat overeenkomt met de eigen beweging van dat wezen; ten tweede iets, wat overeenkomt met de 68beweging van het hogere wezen. Het water bv. beweegt door zijn eigen beweging naar het middenpunt, maar door de beweging van de maan beweegt het rond het middenpunt, en zóo ontstaat er ebbe en vloed; ook de planeten bewegen door hun eigen beweging van West naar Oost, maar door de beweging van de eerste hemel bewegen ze van Oost naar West.
Sola autem natura rationalis creata habet immediatum ordinem ad Deum, quia caeterae creaturae non attingunt ad aliquid universale, sed solum ad aliquid particulare, participantes divinam bonitatem, vel in essendo tantum, sicut inanimata, vel etiam in vivendo et cognoscendo singularia, sicut plantae et animalia.
Alleen het redelijk schepsel nu is onmiddellijk geordend tot God. De andere schepsels immers bereiken niet het universeele, doch slechts het particuliere. Ze hebben immers slechts deel aan Gods goed-zijn, ofwel alleen naar het zijn, zooals de onbezielde wezens, ofwel daarenboven ook naar het leven en het kennen van het particuliere, zooals de planten en de dieren.Alleen het redelijk schepsel nu is onmiddellijk geordend tot God. De andere schepsels immers bereiken niet het universele, doch slechts het particuliere. Ze hebben immers slechts deel aan Gods goed-zijn, ofwel alleen naar het zijn, zoals de onbezielde wezens, ofwel daarenboven ook naar het leven en het kennen van het particuliere, zoals de planten en de dieren.
Natura autem rationalis, inquantum cognoscit universalem boni et entis rationem, habet immediatum ordinem ad universale essendi principium. Perfectio ergo rationalis creaturae non solum consistit in eo, quod ei competit secundum suam naturam, sed in eo etiam, quod ei attribuitur ex quadam supernaturali perfectione1 divinae bonitatis. Unde et supra dictum est [1-2. q. 3. art. 8.], quod ultima beatitudo hominis 69consistit in quadam supernaturali Dei visione. Ad quam quidem visionem homo pertingere non potest, nisi per modum addiscentis a Deo doctore, secundum illud Joan. 6. [v. 45] : « Omnis, qui audit a Patre, et didicit, venit ad me. » Hujus autem disciplinae fit homo particeps non statim, sed successive, secundum modum suae naturae. Omnis autem talis addiscens oportet quod credat, ad hoc quod ad perfectam scientiam perveniat, sicut etiam Philosophus dicit [lib. 1. De Soph. Elench. c. 2, n. 2.], quod oportet addiscentem credere. Unde ad hoc quod homo perveniat ad perfectam visionem beatitudinis, praeexigitur quod credat Deo, tamquam discipulus magistro docenti.
Het redelijk wezen is onmiddellijk geordend tot het algemeen beginsel van alle zijn, in zoover het de algemeene wezenheid kent van het goede en van het zijn. Daarom bestaat de volmaaktheid van het redelijk schepsel niet alleen in datgene, wat er aan toekomt naar zijn eigen natuur, maar ook in datgene, wat er aan toegekend wordt door een zeker bovennatuurlijk deelhebben aan het goddelijk goed-zijn. Daarom zeiden we vroeger (Ia IIae, 3e Kw., 8e Art.), dat de hoogste zaligheid van den mensch bestaat in een zeker 69bovennatuurlijk aanschouwen van God. Dit aanschouwen nu kan de mensch niet bereiken, dan door een leerling te worden van God, zijn leermeester, naar het woord van Joannes (6, 45) : « Al wie naar den Vader geluisterd heeft en door Hem onderwezen is, komt naar Mij ». Maar de mensch wordt in die leer niet ineens onderricht, maar geleidelijk, zooals met zijn natuur overeen komt. Welnu, hij die op die manier onderricht wordt, moet beginnen met te gelooven, om tot de volkomen wetenschap te komen. De Wijsgeer zegt immers in zijn Boek Over de Sophismen (1e B., 2e H., Nr. 2), dat hij, die onderwezen wordt, eerst gelooven moet. Bijgevolg moet de mensch, om tot de volkomen zaligende aanschouwing te komen, eerst gelooven, zooals een leerling den meester gelooft, die hem onderricht.Het redelijk wezen is onmiddellijk geordend tot het algemeen beginsel van alle zijn, in zover het de algemene wezenheid kent van het goede en van het zijn. Daarom bestaat de volmaaktheid van het redelijk schepsel niet alleen in datgene, wat er aan toekomt naar zijn eigen natuur, maar ook in datgene, wat er aan toegekend wordt door een zeker bovennatuurlijk deelhebben aan het goddelijk goed-zijn. Daarom zeiden we vroeger (1-2, 3e Kw., 8e Art.), dat de hoogste zaligheid van de mens bestaat in een zeker 69bovennatuurlijk aanschouwen van God. Dit aanschouwen nu kan de mens niet bereiken, dan door een leerling te worden van God, zijn leermeester, naar het woord van Johannes (6, 45): “Al wie naar de Vader geluisterd heeft en door Hem onderwezen is, komt naar Mij”. Maar de mens wordt in die leer niet ineens onderricht, maar geleidelijk, zoals met zijn natuur overeen komt. Welnu, hij die op die manier onderricht wordt, moet beginnen met te geloven, om tot de volkomen wetenschap te komen. De Wijsgeer zegt immers in zijn Boek Over de Sofismen (1e B., 2e H., Nr. 2), dat hij, die onderwezen wordt, eerst geloven moet. Bijgevolg moet de mens, om tot de volkomen zaligende aanschouwing te komen, eerst geloven, zoals een leerling de meester gelooft, die hem onderricht.
Ad primum ergo dicendum, quod, quia natura hominis dependet a superiori natura, ad ejus perfectionem non sufficit cognitio naturalis, sed requiritur quaedam supernaturalis, ut supra dictum est [in corp.].
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Omdat de natuur van den mensch afhangt van een hoogere natuur, daarom volstaat de natuurlijke kennis niet tot zijn volmaaktheid, maar is een bovennatuurlijke kennis noodig, zooals we (in de Leerstelling) gezegd hebben.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Omdat de natuur van de mens afhangt van een hogere natuur, daarom volstaat de natuurlijke kennis niet tot zijn volmaaktheid, maar is een bovennatuurlijke kennis nodig, zoals we (in de Leerstelling) gezegd hebben.
Ad secundum dicendum, quod, sicut homo per naturale lumen 70intellectus assentit principiis, ita homo virtuosus per habitum fidei2 habet rectum judicium de his, quae conveniunt illi virtuti. Et hoc modo etiam per lumen fidei divinitus infusum homini homo assentit his quae sunt fidei, non autem contrariis. Et ideo « nihil periculi vel damnationis inest his, qui sunt in Christo Jesu » [Rom. 8. v. 1] ab ipso illuminati per fidem.
2. Zooals de mensch door het natuurlijk licht van het verstand de eerste beginselen aanneemt, zoo ook kan een deugdzaam 70mensch, door de hebbelijkheid der deugd, juist oordeelen over alles wat met die deugd overeenstemt. Op die manier zal de mensch door het licht van het geloof, dat hem op goddelijke wijze wordt ingestort, de geloofswaarheden aannemen, en niet het tegengestelde. Daarom is er geen enkel gevaar of vonnis voor hen, die in Christus Jezus zijn (Brief aan de Romeinen 8, 1), want ze worden door Hem verlicht in het geloof.2. Zoals de mens door het natuurlijk licht van het verstand de eerste beginselen aanneemt, zo ook kan een deugdzaam 70mens, door de hebbelijkheid van de deugd, juist oordelen over alles wat met die deugd overeenstemt. Op die manier zal de mens door het licht van het geloof, dat hem op goddelijke wijze wordt ingestort, de geloofswaarheden aannemen, en niet het tegengestelde. Daarom is er geen enkel gevaar of vonnis voor hen, die in Christus Jezus zijn (Brief aan de Romeinen 8, 1), want ze worden door Hem verlicht in het geloof.
Ad tertium dicendum, quod invisibilia Dei altiori modo quantum ad plura percipit fides, quam ratio naturalis ex creaturis in Deum procedens. Unde dicitur Eccli. 3 [v. 25] : « Plurima super sensum hominis ostensa sunt tibi. »
3. Gods onzichtbare eigenschappen worden in veel opzichten op volmaakter wijze waargenomen door het geloof dan door de natuurlijke rede, die naar God opstijgt door de schepselen. Daarom zegt het Boek Ecclesiasticus (3,25) : « Veel dingen, die de zinnen van den mensch overtreffen, worden u geopenbaard. »3. Gods onzichtbare eigenschappen worden in veel opzichten op volmaakter wijze waargenomen door het geloof dan door de natuurlijke rede, die naar God opstijgt door de schepselen. Daarom zegt het Boek Sirach (3,25): “Veel dingen, die de zinnen van de mens overtreffen, worden u geopenbaard.”
Utrum credere ea quae ratione naturali probari possunt sit necessarium
Moet men gelooven wat de natuurlijke rede kan bewijzen?Moet men geloven wat de natuurlijke rede kan bewijzen?
Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod ea, quae ratione naturali 71probari possunt non sit necessarium credere. In operibus enim Dei nihil superfluum invenitur, multo minus quam in operibus naturae. Sed ad id, quod per unum potest fieri, superflue apponitur aliud. Ergo ea, quae per naturalem rationem cognosci possunt superfluum esset per fidem accipere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet gelooven 71wat de natuurlijke rede kan bewijzen. — 1. In Gods werken immers treft men niets overbodigs aan, minder nog dan in de werken der natuur. Welnu, wanneer iets door één middel kan bereikt worden, is een tweede middel overbodig. Het is bijgevolg overbodig, door het geloof te aanvaarden wat door de natuurlijke rede kan gekend worden.Bedenkingen. — Men beweert, dat men niet moet geloven 71wat de natuurlijke rede kan bewijzen. — 1. In Gods werken immers treft men niets overbodigs aan, minder nog dan in de werken van de natuur. Welnu, wanneer iets door één middel kan bereikt worden, is een tweede middel overbodig. Het is bijgevolg overbodig, door het geloof te aanvaarden wat door de natuurlijke rede kan gekend worden.
2. Praeterea, ea necesse est credere, de quibus est fides. Sed non est de eodem scientia et fides, ut supra habitum est [q. 1. art. 4. et 5.]. Cum ergo scientia sit de omnibus illis, quae naturali ratione cognosci possunt, videtur quod non oporteat credere ea, quae per naturalem rationem probantur.
2. Men moet gelooven alles wat tot het geloof behoort. Welnu, zooals (in de 1e Kw., 4e en 5e Art.) gezegd wordt, is het onmogelijk dat iets tegelijk tot de wetenschap zou behooren en tot het geloof. Welnu, alles wat door de natuurlijke rede kan gekend worden, behoort tot de wetenschap, en bijgevolg kan men iets, wat door de natuurlijke rede bewezen wordt, niet gelooven.2. Men moet geloven alles wat tot het geloof behoort. Welnu, zoals (in de 1e Kw., 4e en 5e Art.) gezegd wordt, is het onmogelijk dat iets tegelijk tot de wetenschap zou behoren en tot het geloof. Welnu, alles wat door de natuurlijke rede kan gekend worden, behoort tot de wetenschap, en bijgevolg kan men iets, wat door de natuurlijke rede bewezen wordt, niet geloven.
3. Praeterea, omnia scibilia videntur esse unius rationis. Si ergo quaedam eorum proponuntur homini ut credenda, pari ratione omnia hujusmodi necesse esset credere. Hoc autem est falsum. Non ergo ea, quae per naturalem rationem cognosci possunt, necesse est credere.
3. Alles wat het voorwerp is van wetenschap, is van denzelfden aard. Wanneer dan sommige punten ervan aan de menschen te gelooven werden voorgehouden, dan zouden om dezelfde reden al de andere moeten geloofd worden, wat echter valsch is. Men moet dus niet gelooven wat men door de natuurlijke rede kan kennen.3. Alles wat het voorwerp is van wetenschap, is van dezelfde aard. Wanneer dan sommige punten ervan aan de mensen te geloven werden voorgehouden, dan zouden om dezelfde reden al de andere moeten geloofd worden, wat echter vals is. Men moet dus niet geloven wat men door de natuurlijke rede kan kennen.
Sed contra est, quia necesse est Deum credere esse unum et incorporeum, quae naturali ratione a philosophis probantur.
Daartegen kunnen we echter aanvoeren, dat men moet gelooven, dat er één God is, en dat God geen lichaam heeft. Welnu, 72die waarheden kunnen de Wijsgeeren door de natuurlijke rede bewijzen.Daartegen kunnen we echter aanvoeren, dat men moet geloven, dat er één God is, en dat God geen lichaam heeft. Welnu, 72die waarheden kunnen de Wijsgeren door de natuurlijke rede bewijzen.
72Respondeo dicendum, quod necessarium est homini accipere per modum fidei non solum ea, quae sunt supra rationem, sed etiam ea, quae per rationem cognosci possunt. Et hoc propter tria.
Leerstelling. — De mensch moet niet alleen gelooven wat boven de rede uitgaat, maar ook wat door de rede kan gekend worden, en dat om drie redenen.Leerstelling. — De mens moet niet alleen geloven wat boven de rede uitgaat, maar ook wat door de rede kan gekend worden, en dat om drie redenen.
Primo quidem, ut citius homo ad veritatis divinae cognitionem perveniat: scientia enim, ad quam pertinet probare Deum esse, et alia hujusmodi de Deo, ultimo hominibus addiscenda proponitur, praesuppositis multis aliis scientiis. Et sic nonnisi post multum tempus vitae suae homo ad Dei cognitionem perveniret.
Ten eerste, opdat de mensch sneller tot de kennis der goddelijke waarheid zou komen. Want de wetenschap, die het bestaan van God bewijst en andere waarheden, die betrekking hebben op God, kan pas het laatst door den mensch worden aangeleerd, na vele andere wetenschappen, die ze veronderstelt, zoodat de mensch pas na langen tijd tot de kennis van God zou komen.Ten eerste, opdat de mens sneller tot de kennis van de goddelijke waarheid zou komen. Want de wetenschap, die het bestaan van God bewijst en andere waarheden, die betrekking hebben op God, kan pas het laatst door de mens worden aangeleerd, na vele andere wetenschappen, die ze veronderstelt, zodat de mens pas na langen tijd tot de kennis van God zou komen.
Secundo, ut cognitio Dei sit communior. Multi enim in studio scientiae proficere non possunt, vel propter hebetudinem ingenii, vel propter alias occupationes et necessitates temporalis vitae, vel etiam propter torporem addiscendi. Qui omnino a Dei cognitione fraudarentur, nisi proponerentur eis divina per modum fidei.
Ten tweede, opdat de kennis van God algemeener zou zijn. Velen toch kunnen in de studie der wetenschap niet vorderen, of omdat ze zwak van geest zijn, of omdat ze door de bezigheden en noodwendigheden van het aardsche leven ingenomen zijn, óf omdat ze traag zijn in het studeeren. Zij allen zouden van de kennis van God beroofd blijven, indien de goddelijke waarheid hun niet werd voorgehouden door het geloof.Ten tweede, opdat de kennis van God algemener zou zijn. Velen toch kunnen in de studie van de wetenschap niet vorderen, of omdat ze zwak van geest zijn, of omdat ze door de bezigheden en noodwendigheden van het aardse leven ingenomen zijn, óf omdat ze traag zijn in het studeren. Zij allen zouden van de kennis van God beroofd blijven, indien de goddelijke waarheid hun niet werd voorgehouden door het geloof.
Tertio propter certitudinem. Ratio enim humana in rebus divinis est multum deficiens, cujus signum est, quia philosophi de rebus humanis naturali 73investigatione perscrutantes in multis erraverunt, et sibi ipsis contraria senserunt. Ut ergo esset indubitata et certa cognitio apud homines de Deo, oportuit quod divina eis per modum fidei traderentur, quasi a Deo dicta, qui mentiri non potest.
Ten derde om de zekerheid. De menschelijke rede immers is zeer onvoldoende met betrekking tot de goddelijke dingen, en een 73teeken daarvan is wel, dat de wijsgeeren zelfs in de studie van de menschelijke dingen door de natuurlijke rede zeer dikwijls gedwaald hebben en tegenstrijdige dingen hebben geleerd. Opdat nu de kennis van God door de menschen zeker zou zijn en aan iederen twijfel onttrokken, moesten de goddelijke dingen hun voorgehouden worden door het geloof, als geopenbaard door God, die niet kan liegen.Ten derde om de zekerheid. De menselijke rede immers is zeer onvoldoende met betrekking tot de goddelijke dingen, en een 73teken daarvan is wel, dat de wijsgeren zelfs in de studie van de menselijke dingen door de natuurlijke rede zeer dikwijls gedwaald hebben en tegenstrijdige dingen hebben geleerd. Opdat nu de kennis van God door de mensen zeker zou zijn en aan iedere twijfel onttrokken, moesten de goddelijke dingen hun voorgehouden worden door het geloof, als geopenbaard door God, die niet kan liegen.
Ad primum ergo dicendum, quod investigatio naturalis rationis non sufficit humano generi ad cognitionem divinorum, etiam quae ratione ostendi possunt. Et ideo non est superfluum, ut talia credantur.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het navorschen van de natuurlijke rede is er niet voldoende voor, dat het menschelijk geslacht tot de kennis van het goddelijke komt, zelf tot hetgeen de rede kan bewijzen. Het is dus geenszins overbodig, dat dergelijke dingen aangenomen worden door het geloof.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Het navorsen van de natuurlijke rede is er niet voldoende voor, dat het menselijk geslacht tot de kennis van het goddelijke komt, zelf tot hetgeen de rede kan bewijzen. Het is dus geenszins overbodig, dat dergelijke dingen aangenomen worden door het geloof.
Ad secundum dicendum, quod de eodem non potest esse scientia et fides apud eumdem. Sed id quod est ab uno scitum, potest esse ab alio creditum, ut supra dictum est [q. 1. art. 5.].
2. Eenzelfde mensch kan niet tegelijk iets op wetenschappelijke wijze kennen en het gelooven. Maar hetgeen de een op wetenschappelijke wijze kent, kan door een ander geloofd worden, zooals boven gezegd is (1e Kw., 5e Art.).2. Eenzelfde mens kan niet tegelijk iets op wetenschappelijke wijze kennen en het geloven. Maar hetgeen de een op wetenschappelijke wijze kent, kan door een ander geloofd worden, zoals boven gezegd is (1e Kw., 5e Art.).
Ad tertium dicendum, quod si omnia scibilia conveniant in ratione scientiae, non tamen conveniunt in hoc quod aequaliter ordinent ad beatitudinem. Et ideo non aequaliter omnia proponuntur ut credenda.
3. Indien alle voorwerpen van wetenschap in het opzicht van de wetenschap overeenkomen, dan komen ze toch hierin niet overeen, dat ze ons alle op gelijke wijze naar de zaligheid richten. Daarom worden ze niet alle eveneens voorgehouden door het geloof.
Utrum homo teneatur ad credendum aliquid explicite
Moet men iets uitdrukkelijk gelooven?Moet men iets uitdrukkelijk geloven?
74Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod non teneatur homo ad credendum aliquid explicite. Nullus enim tenetur ad id, quod non est in ejus potestate. Sed credere aliquid explicite non est in hominis potestate : dicitur enim Rom. 10. [v. 14] : « Quomodo credent in illum, quem non audierunt? Quomodo audient sine praedicante? Quomodo autem praedicabunt, nisi mittantur? » Ergo credere aliquid explicite homo non tenetur.
74Bedenkingen. — Men beweert, dat men niets uitdrukkelijk moet gelooven. — 1. Niemand toch is gehouden te doen wat niet in zijne macht is. Welnu, het is niet in 's menschen macht iets uitdrukkelijk te gelooven. We lezen immers in den Brief aan de Romeinen (10, 14) : « Hoe zouden zij gelooven, als zij Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden ze hooren, als niemand predikt? en hoe zouden ze prediken, als ze niet gezonden waren? » Dus is de mensch niet verplicht iets uitdrukkelijk te gelooven.74Bedenkingen. — Men beweert, dat men niets uitdrukkelijk moet geloven. — 1. Niemand toch is gehouden te doen wat niet in zijn macht is. Welnu, het is niet in 's mensen macht iets uitdrukkelijk te geloven. We lezen immers in de Brief aan de Romeinen (10, 14): “Hoe zouden zij geloven, als zij Hem niet gehoord hebben? en hoe zouden ze horen, als niemand predikt? en hoe zouden ze prediken, als ze niet gezonden waren?” Dus is de mens niet verplicht iets uitdrukkelijk te geloven.
2. Praeterea, sicut per fidem ordinamur in Deum, ita etiam per charitatem. Sed ad servandum praecepta charitatis homo non tenetur, sed sufficit sola praeparatio animi, sicut patet in illo praecepto Domini, quod ponitur Matth. 5. [v. 39] : « Si quis percusserit te in una maxilla, praebe 75ei et aliam », et in aliis consimilibus, ut Augustinus exponit in lib. 1. de Serm. Dom. in Monte [cap. 19. et seq.]. Ergo etiam non tenetur homo explicite aliquid credere, sed sufficit, quod habeat animum praeparatum ad credendum ea, quae a Deo proponuntur.
2. Zooals we door het geloof op God gericht worden, zoo worden wij er ook op gericht door de liefde. Welnu, de mensch is niet verplicht te onderhouden wat door de liefde geboden wordt, maar het volstaat, dat hij daartoe bereid is. Dit blijkt uit het gebod van Christus, dat we lezen bij Mattheus (5, 39) : « Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe ». En hetzelfde geldt voor andere geboden van dien aard, zooals Augustinus zegt 75in zijn Boek Over de Bergrede (1 B., 19e H. en v.). Bijgevolg is de mensch ook niet verplicht iets uitdrukkelijk te gelooven, maar volstaat het, dat hij bereid is te gelooven wat door God wordt voorgehouden.2. Zoals we door het geloof op God gericht worden, zo worden wij er ook op gericht door de liefde. Welnu, de mens is niet verplicht te onderhouden wat door de liefde geboden wordt, maar het volstaat, dat hij daartoe bereid is. Dit blijkt uit het gebod van Christus, dat we lezen bij Matteüs (5, 39): “Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe”. En hetzelfde geldt voor andere geboden van die aard, zoals Augustinus zegt 75in zijn Boek Over de Bergrede (1 B., 19e H. en v.). Bijgevolg is de mens ook niet verplicht iets uitdrukkelijk te geloven, maar volstaat het, dat hij bereid is te geloven wat door God wordt voorgehouden.
3. Praeterea, bonum fidei in quadam obedientia consistit, secundum illud Rom. 1. [v. 5] : « Ad obediendum fidei in omnibus gentibus. » Sed ad virtutem obedientiae non requiritur, quod homo aliqua determinata praecepta observet, sed sufficit quod habeat promptum animum ad obediendum, secundum illud Psalm. 118. [v. 60] : « Paratus sum, et non sum turbatus, ut custodiam mandata tua. » Ergo videtur, quod etiam ad fidem sufficiat, quod homo habeat promptum animum ad credendum ea, quae ei divinitus proponi possunt, absque hoc quod explicite aliquid credat.
3. Het goed van het geloof bestaat in een zekere gehoorzaamheid, naar de woorden uit den Brief aan de Romeinen (1, 5) : « Om aan het geloof te gehoorzamen onder al de heidenen ». Welnu tot de deugd van gehoorzaamheid is niet vereischt, dat men bepaalde geboden onderhoudt, maar het volstaat, dat men naar den geest bereid is om te gehoorzamen, volgens Psalm 118 (60) : « Ik ben bereid en niet ontsteld, om uw geboden te onderhouden ». Het is bijgevolg ook voor het geloof voldoende, dat men bereid is om te gelooven wat door God zou kunnen voorgehouden worden, zonder dat het daarom noodig is iets uitdrukkelijk te gelooven.3. Het goed van het geloof bestaat in een zekere gehoorzaamheid, naar de woorden uit de Brief aan de Romeinen (1, 5): “Om aan het geloof te gehoorzamen onder al de heidenen”. Welnu tot de deugd van gehoorzaamheid is niet vereist, dat men bepaalde geboden onderhoudt, maar het volstaat, dat men naar de geest bereid is om te gehoorzamen, volgens Psalm 118a (60): “Ik ben bereid en niet ontsteld, om uw geboden te onderhouden”. Het is bijgevolg ook voor het geloof voldoende, dat men bereid is om te geloven wat door God zou kunnen voorgehouden worden, zonder dat het daarom nodig is iets uitdrukkelijk te geloven.
Sed contra est, quod dicitur ad Hebr. 11. [v. 6] : « Accedentem ad Deum oportet credere, quia est, et quod inquirentibus se remunerator est. »
Daartegenover staat echter wat we lezen in den Hebreërbrief (11, 6) : « Wie tot God komt moet gelooven, dat Hij bestaat en beloont die Hem zoeken ».Daartegenover staat echter wat we lezen in de Hebreërbrief (11, 6): “Wie tot God komt moet geloven, dat Hij bestaat en beloont die Hem zoeken”.
76Respondeo dicendum quod praecepta legis, quae homo tenetur implere, dantur de actibus virtutum, qui sunt via perveniendi ad salutem. Actus autem virtutis, sicut supra dictum est [q. 2. a. 2.], sumitur secundum habitudinem habitus ad objectum. Sed in objecto cujuslibet virtutis duo possunt considerari, scilicet id quod proprie et per se est objectum virtutis, quod necessarium est in omni actu virtutis; et iterum id quod est per accidens, sive consequenter se habens ad propriam rationem objecti; sicut ad objectum fortitudinis proprie et per se pertinet sustinere pericula mortis et aggredi hostes cum periculo propter bonum commune; sed quod homo armetur vel ense percutiat in bello justo, aut aliquid hujusmodi faciat, reducitur quidem ad objectum fortitudinis, sed per accidens. Determinatio ergo virtuosi actus ad proprium et per se objectum virtutis est sub necessitate praecepti, sicut et ipse virtutis actus. Sed determinatio actus virtuosi ad ea, quae accidentaliter vel secundario se habent ad proprium et per se virtutis objectum, non cadit sub necessitate praecepti, nisi pro loco et tempore.
76Leerstelling. — De geboden van de wet, die de mensch moet onderhouden, leggen ons de deugddaden op, waardoor wij den weg der zaligheid opgaan. We zeiden echter hierboven (2e Kw., 2e Art.), dat deugddaden bepaald worden naar de verhouding tusschen de hebbelijkheid en het voorwerp. Welnu, in het voorwerp van iedere deugd kunnen twee dingen beschouwd worden, nl. ofwel dat, wat eigenlijk en op zich zelf het voorwerp is van de deugd, en daarom noodzakelijk bij elke deugddaad wordt aangetroffen; ofwel hetgeen bijkomstig is en als een gevolg bij het eigen opzicht van het voorwerp behoort. Zoo is het eigen voorwerp van de sterkte, wat uiteraard tot die deugd behoort, het doodsgevaar te trotseeren en trots het gevaar de vijanden aan te vallen voor het algemeen welzijn; maar dat men gewapend is, of met het zwaard vecht in een rechtvaardigen oorlog, of andere dingen van denzelfden aard, dat behoort wel bij het voorwerp van de sterkte, maar op bijkomstige wijze. Datgene dus, waardoor het eigen voorwerp van een deugddaad bepaald wordt, het voorwerp dat uiteraard tot die deugd behoort, valt onder de noodzakelijkheid van het gebod, zooals de deugddaad zelf. Maar datgene, waardoor het object van de deugddaad bijkomstig bepaald wordt, het object, wat volgt op wat uiteraard het eigen voorwerp van de 77deugd is, valt niet onder de noodzakelijkheid van het gebod, dan om bepaalde omstandigheden van plaats en tijd.76Leerstelling. — De geboden van de wet, die de mens moet onderhouden, leggen ons de deugddaden op, waardoor wij de weg van de zaligheid opgaan. We zeiden echter hierboven (2e Kw., 2e Art.), dat deugddaden bepaald worden naar de verhouding tussen de hebbelijkheid en het voorwerp. Welnu, in het voorwerp van iedere deugd kunnen twee dingen beschouwd worden, nl. ofwel dat, wat eigenlijk en op zichzelf het voorwerp is van de deugd, en daarom noodzakelijk bij elke deugddaad wordt aangetroffen; ofwel hetgeen bijkomstig is en als een gevolg bij het eigen opzicht van het voorwerp behoort. Zo is het eigen voorwerp van de sterkte, wat uiteraard tot die deugd behoort, het doodsgevaar te trotseren en trots het gevaar de vijanden aan te vallen voor het algemeen welzijn; maar dat men gewapend is, of met het zwaard vecht in een rechtvaardigen oorlog, of andere dingen van dezelfde aard, dat behoort wel bij het voorwerp van de sterkte, maar op bijkomstige wijze. Datgene dus, waardoor het eigen voorwerp van een deugddaad bepaald wordt, het voorwerp dat uiteraard tot die deugd behoort, valt onder de noodzakelijkheid van het gebod, zoals de deugddaad zelf. Maar datgene, waardoor het object van de deugddaad bijkomstig bepaald wordt, het object, wat volgt op wat uiteraard het eigen voorwerp van de 77deugd is, valt niet onder de noodzakelijkheid van het gebod, dan om bepaalde omstandigheden van plaats en tijd.
77Dicendum est ergo, quod fidei objectum per se est id, per quod homo beatus efficitur, ut supra dictum est [q. 1. art. 8.]. Per accidens autem, aut secundario se habent ad objectum virtutis1 omnia, quae in Sacra Scriptura divinitus tradita continentur, sicut quod Abraham habuit duos filios, quod David fuit filius Isai, et alia hujusmodi. Quantum ergo ad prima credibilia, quae sunt articuli fidei, tenetur homo explicite credere, sicut et tenetur habere fidem. Quantum autem ad alia credibilia, non tenetur homo explicite credere, sed solum implicite, vel in praeparatione animi, inquantum paratus est credere quidquid divina Scriptura continet. Sed tunc solum hujusmodi tenetur explicite credere, quando hoc ei constiterit in doctrina fidei contineri.
Welnu, uiteraard behoort tot het voorwerp van het geloof, datgene, waardoor de mensch zalig wordt, zooals we vroeger gezegd hebben (1e Kw., 8e Art.). Op bijkomstige wijze en als een gevolg behoort tot het voorwerp van het geloof alles wat in de H. Schrift staat, die door God is gegeven, zooals dat Abraham twee zonen had, dat David de zoon was van Isaï, en dergelijke. De eerste geloofsvoorwerpen, nl. de geloofsartikelen, moet men bijgevolg uitdrukkelijk gelooven, zooals men ook de deugd van geloof moet hebben. De andere geloofsvoorwerpen echter moet men niet uitdrukkelijk gelooven, maar alleen impliciet, of door de gesteltenis van de ziel, in zoover men er toe bereid is, alles te gelooven wat de H. Schrift bevat. Die dingen moeten we alleen dan uitdrukkelijk gelooven, wanneer het ons duidelijk is, dat ze in de geloofsleer vervat zijn.Welnu, uiteraard behoort tot het voorwerp van het geloof, datgene, waardoor de mens zalig wordt, zoals we vroeger gezegd hebben (1e Kw., 8e Art.). Op bijkomstige wijze en als een gevolg behoort tot het voorwerp van het geloof alles wat in de H. Schrift staat, die door God is gegeven, zoals dat Abraham twee zonen had, dat David de zoon was van Isaï, en dergelijke. De eerste geloofsvoorwerpen, nl. de geloofsartikelen, moet men bijgevolg uitdrukkelijk geloven, zoals men ook de deugd van geloof moet hebben. De andere geloofsvoorwerpen echter moet men niet uitdrukkelijk geloven, maar alleen impliciet, of door de gesteltenis van de ziel, in zover men er toe bereid is, alles te geloven wat de H. Schrift bevat. Die dingen moeten we alleen dan uitdrukkelijk geloven, wanneer het ons duidelijk is, dat ze in de geloofsleer vervat zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod si in potestate hominis esse dicatur aliquid excluso auxilio gratiae, sic ad multa tenetur homo, ad quae non potest sine gratia reparante, sicut ad diligendum Deum et proximum, et similiter 78ad credendum articulos fidei. Sed tamen hoc potest cum auxilio gratiae. Quod quidem auxilium quibuscumque divinitus datur, misericorditer datur; quibus autem non datur, ex justitia non datur, in poenam praecedentis peccati, et saltem originalis peccati, ut Augustinus dicit in lib. de Corrept. et Grat. [cap. 5. et 6.].
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Bepaalt men wat de mensch vermag, zonder rekening te houden van de hulp der genade, dan moet de mensch veel dingen doen, die hij niet kan 78volbrengen zonder de genezende genade, zooals God en den medemensch te beminnen en te gelooven in de artikelen des geloofs. Maar dat kan de mensch door de hulp van de genade. Wanneer iemand de hulp van Gods genade ontvangt, dan is dat een werk van Gods barmhartigheid, en wanneer die hulp aan iemand niet geschonken wordt, dan gebeurt dat door Gods rechtvaardigheid, als straf voor een voorgaande zonde, ten minste van de erfzonde, zooals Augustinus zegt in het Boek Over straf en genade (5e en 6e H.).Antwoord op de bedenkingen. — 1. Bepaalt men wat de mens vermag, zonder rekening te houden van de hulp van de genade, dan moet de mens veel dingen doen, die hij niet kan 78volbrengen zonder de genezende genade, zoals God en de medemens te beminnen en te geloven in de artikelen van het geloof. Maar dat kan de mens door de hulp van de genade. Wanneer iemand de hulp van Gods genade ontvangt, dan is dat een werk van Gods barmhartigheid, en wanneer die hulp aan iemand niet geschonken wordt, dan gebeurt dat door Gods rechtvaardigheid, als straf voor een voorgaande zonde, ten minste van de erfzonde, zoals Augustinus zegt in het Boek Over straf en genade (5e en 6e H.).
Ad secundum dicendum, quod homo tenetur ad determinate diligendum ea diligibilia, quae sunt proprie et per se charitatis objecta, scilicet Deus et proximus. Sed objectio procedit de illis praeceptis charitatis, quae quasi consequenter pertinent ad objectum charitatis.
2. De mensch moet bepaaldelijke voorwerpen der liefde beminnen, die op zich zelf en uiteraard het voorwerp zijn van de liefde, nl. God en de medemenschen. De tegenwerping daarentegen spreekt over die geboden van de liefde, die slechts als een gevolg bij het voorwerp der liefde behooren.2. De mens moet bepaaldelijke voorwerpen van de liefde beminnen, die op zichzelf en uiteraard het voorwerp zijn van de liefde, nl. God en de medemensen. De tegenwerping daarentegen spreekt over die geboden van de liefde, die slechts als een gevolg bij het voorwerp van de liefde behoren.
Ad tertium dicendum, quod virtus obedientiae proprie in voluntate consistit. Et ideo ad actum obedientiae sufficit promptitudo voluntatis subjectare praecipienti, quae est proprie et per se objectum obedientiae. Sed hoc praeceptum vel illud per accidens vel consequenter se habet ad proprium et per se objectum obedientiae.
3. Het eigenlijk subjekt van de deugd van gehoorzaamheid is de wil, en daarom is het voor de daad van gehoorzaamheid voldoende, zijn wil vrijwillig te onderwerpen aan hem die gebiedt, wat het eigen voorwerp is van de gehoorzaamheid en uiteraard tot de gehoorzaamheid behoort. Doch dit of dat bepaald gebod behoort slechts op bijkomstige wijze en als een gevolg tot het eigen voorwerp van de gehoorzaamheid, dat uiteraard tot de gehoorzaamheid behoort.3. Het eigenlijk subject van de deugd van gehoorzaamheid is de wil, en daarom is het voor de daad van gehoorzaamheid voldoende, zijn wil vrijwillig te onderwerpen aan hem die gebiedt, wat het eigen voorwerp is van de gehoorzaamheid en uiteraard tot de gehoorzaamheid behoort. Doch dit of dat bepaald gebod behoort slechts op bijkomstige wijze en als een gevolg tot het eigen voorwerp van de gehoorzaamheid, dat uiteraard tot de gehoorzaamheid behoort.
Utrum omnes aequaliter teneantur ad habendum fidem explicitam
Moeten alle menschen hetzelfde uitdrukkelijk gelooven?Moeten alle mensen hetzelfde uitdrukkelijk geloven?
79Ad sextum sic proceditur. Videtur, quod aequaliter omnes tenentur ad habendum fidem explicitam. Ad ea enim quae sunt de necessitate salutis, omnes tenentur, sicut patet de praeceptis charitatis. Sed explicatio credendorum est de necessitate salutis, ut dictum est [art. praec.]. Ergo omnes aequaliter tenentur ad explicite credendum.
79Bedenkingen. — Men beweert, dat alle menschen hetzelfde uitdrukkelijk moeten gelooven. — 1. Tot datgene immers, wat noodzakelijk vereischt wordt tot de zaligheid, zijn alle menschen gehouden, zooals blijkt voor de geboden van de liefde. Welnu, de uitdrukkelijke kennis van de geloofszaken is tot de zaligheid noodzakelijk vereischt, zooals hierboven gezegd is (voorg. Art.). Bijgevolg moeten alle menschen hetzelfde uitdrukkelijk gelooven.79Bedenkingen. — Men beweert, dat alle mensen hetzelfde uitdrukkelijk moeten geloven. — 1. Tot datgene immers, wat noodzakelijk vereist wordt tot de zaligheid, zijn alle mensen gehouden, zoals blijkt voor de geboden van de liefde. Welnu, de uitdrukkelijke kennis van de geloofszaken is tot de zaligheid noodzakelijk vereist, zoals hierboven gezegd is (voorg. Art.). Bijgevolg moeten alle mensen hetzelfde uitdrukkelijk geloven.
2. Praeterea, nullus debet examinari de eo quod explicite credere non tenetur. Sed quandoque simplices examinantur de minimis articulis fidei. Ergo omnes tenentur explicite omnia credere.
2. Niemand moet ondervraagd worden over datgene, wat hij niet uitdrukkelijk moet gelooven. Welnu, het gebeurt, dat men ook de eenvoudige menschen ondervraagt over de minste artikelen des geloofs. Bijgevolg moeten alle menschen uitdrukkelijk gelooven.2. Niemand moet ondervraagd worden over datgene, wat hij niet uitdrukkelijk moet geloven. Welnu, het gebeurt, dat men ook de eenvoudige mensen ondervraagt over de minste artikelen van het geloof. Bijgevolg moeten alle mensen uitdrukkelijk geloven.
3. Praeterea, si minores non tenentur habere fidem explicitam, sed solum implicitam, oportet quod habeant fidem implicitam in fide majorum. 80Sed hoc videtur periculosum, quia posset contingere, quod illi majores errarent. Ergo videtur quod minores etiam debeant habere fidem explicitam. Sic ergo omnes aequaliter tenentur ad explicite credendum.
3. Indien de minderen niet uitdrukkelijk doch slechts impliciet moeten gelooven, dan moeten ze impliciet gelooven wat de 80meerderen gelooven. Maar dat kan bezwaarlijk worden, want het kan gebeuren, dat die meerderen dwalen. Bijgevolg moeten ook de minderen uitdrukkelijk gelooven, en moeten allen hetzelfde uitdrukkelijk gelooven.3. Indien de minderen niet uitdrukkelijk doch slechts impliciet moeten geloven, dan moeten ze impliciet geloven wat de 80meerderen geloven. Maar dat kan bezwaarlijk worden, want het kan gebeuren, dat die meerderen dwalen. Bijgevolg moeten ook de minderen uitdrukkelijk geloven, en moeten allen hetzelfde uitdrukkelijk geloven.
Sed contra est, quod dicitur Job. 1. [v. 14], quod « boves arabant, et asinae pascebantur juxta eos », quia videlicet minores, qui significantur per asinos, debent in credendis adhaerere majoribus, qui per boves significantur, ut Gregorius exponit in 2. Mor. [cap. 17.].
Daartegenover echter staat wat we lezen in het Boek Job (1, 14) : « De ossen trokken den ploeg, en de ezelinnen graasden naast hen ». Dat beteekent, zegt Gregorius in het 2e Boek van zijn Zedekundige Verhandelingen (17e H.), dat de minderen, die verbeeld worden door de ezelinnen, zich in de geloofszaken moeten aansluiten bij de meerderen, die door de ossen verbeeld worden.Daartegenover echter staat wat we lezen in het Boek Job (1, 14): “De ossen trokken de ploeg, en de ezelinnen graasden naast hen”. Dat betekent, zegt Gregorius in het 2e Boek van zijn Zedekundige Verhandelingen (17e H.), dat de minderen, die verbeeld worden door de ezelinnen, zich in de geloofszaken moeten aansluiten bij de meerderen, die door de ossen verbeeld worden.
Respondeo dicendum, quod explicatio credendorum fit per revelationem divinam : credibilia enim naturalem rationem excedunt. Revelatio autem divina ordine quodam ad inferiores pervenit per superiores, sicut ad homines per angelos, et ad inferiores angelos per superiores, ut patet per Dionysium in Coel. Hier. [cap. 12.]. Et ideo pari ratione explicatio fidei oportet quod perveniat ad inferiores homines per majores. Et ideo, sicut 81superiores angeli, qui inferiores illuminant, habent pleniorem notitiam de rebus divinis, quam inferiores, ut dicit Dionysius 12. cap. Coel. Hier., ita etiam superiores homines, ad quos pertinet alios erudire, tenentur habere pleniorem notitiam de credendis, et magis explicite credere.
Leerstelling. — De geloofszaken worden uitdrukkelijk voorgehouden door de goddelijke openbaring. Ze gaan immers uit boven de natuurlijke rede. Welnu de goddelijke openbaring volgt een zekere orde en komt tot de minderen door de meerderen, tot de menschen door de engelen, tot de lagere engelen door de hoogere, zooals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelsche Koren (12e H.). Om dezelfde reden komt het uitdrukkelijk voorhouden van het geloof tot de minderen door de meerderen. Gelijk nu de hoogere engelen, die de lagere engelen verlichten, de 81goddelijke dingen beter kennen dan de lagere, zooals Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelsche Koren (12e H.), zoo ook moeten de meerderen, die de anderen moeten onderrichten, de geloofszaken beter kennen en meer uitdrukkelijk gelooven.Leerstelling. — De geloofszaken worden uitdrukkelijk voorgehouden door de goddelijke openbaring. Ze gaan immers uit boven de natuurlijke rede. Welnu de goddelijke openbaring volgt een zekere orde en komt tot de minderen door de meerderen, tot de mensen door de engelen, tot de lagere engelen door de hogere, zoals Dionysius zegt in zijn Boek Over de Hemelse Koren (12e H.). Om dezelfde reden komt het uitdrukkelijk voorhouden van het geloof tot de minderen door de meerderen. Gelijk nu de hogere engelen, die de lagere engelen verlichten, de 81goddelijke dingen beter kennen dan de lagere, zoals Dionysius zegt in zijn boek Over de Hemelse Koren (12e H.), zo ook moeten de meerderen, die de anderen moeten onderrichten, de geloofszaken beter kennen en meer uitdrukkelijk geloven.
Ad primum ergo dicendum, quod explicatio credendorum non aequaliter quantum ad omnes est de necessitate salutis, quia plura tenentur explicite credere majores, qui habent officium alios instruendi, quam alii.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De uitdrukkelijke kennis van de geloofszaken is niet voor allen op dezelfde wijze tot de zaligheid vereischt, want de meerderen, die de anderen moeten onderwijzen, moeten meer dingen uitdrukkelijk gelooven dan de anderen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De uitdrukkelijke kennis van de geloofszaken is niet voor allen op dezelfde wijze tot de zaligheid vereist, want de meerderen, die de anderen moeten onderwijzen, moeten meer dingen uitdrukkelijk geloven dan de anderen.
Ad secundum dicendum, quod simplices non sunt examinandi de subtilitatibus fidei, nisi quando habetur suspicio, quod sint ab haereticis depravati, qui in his, quae ad subtilitatem fidei pertinent, solent fidem simplicium depravare. Si tamen inveniuntur non pertinaciter perversae doctrinae adhaerere, si in talibus ex simplicitate deficiant, non eis imputatur.
2. Men moet de eenvoudige menschen niet ondervragen over de subtiele vraagstukken van het geloof, dan alleen wanneer men vermoedt, dat ze misleid zijn door de ketters, die gewoonlijk het geloof der minderen misleiden omtrent de subtiele vraagstukken van het geloof. Men moet het die menschen niet als een fout aanrekenen, wanneer ze die valsche leeringen niet met hardnekkigheid aanhangen, en in dergelijke vraagstukken door hun eenvoudigheid dwalen.2. Men moet de eenvoudige mensen niet ondervragen over de subtiele vraagstukken van het geloof, dan alleen wanneer men vermoedt, dat ze misleid zijn door de ketters, die gewoonlijk het geloof van de minderen misleiden omtrent de subtiele vraagstukken van het geloof. Men moet het die mensen niet als een fout aanrekenen, wanneer ze die valse leringen niet met hardnekkigheid aanhangen, en in dergelijke vraagstukken door hun eenvoudigheid dwalen.
Ad tertium dicendum, quod minores non habent fidem implicitam in fide majorum, nisi quatenus majores adhaerent doctrinae divinae; unde et 82Apostolus dicit 1. ad Cor. 4. [v. 16] : « Imitatores mei estote, sicut et ego Christi. » Unde humana cognitio non fit regula fidei, sed veritas divina. A qua si aliqui majorum deficiant, non praejudicat fidei simplicium, qui eos rectam fidem habere credunt, nisi pertinaciter eorum erroribus in particulari adhaereant contra universalis Ecclesiae fidem, quae non potest deficere, Domino dicente Luc. 22. [v. 32] : « Ego pro te rogavi, Petre, ut non deficiat fides tua. »
3. De minderen gelooven slechts impliciet wat de meerderen gelooven, in zoover deze laatsten de goddelijke leer aanhangen; 82daarom zegt de Apostel in zijn 1n Brief aan de Corinthiërs (4, 16) : « Weest navolgers van mij, zooals ik van Christus ». Niet dus de menschelijke kennis is hier de geloofsvorm, maar de goddelijke waarheid. Moesten sommige meerderen daarvan afwijken, dan zou het geloof der eenvoudigen daardoor geen schade lijden, wanneer ze meenen, dat die meerderen het ware geloof belijden, dan wanneer ze een of andere dwaling in het bijzonder hardnekkig aanhangen, in strijd met het geloof der algemeene Kerk, dat niet kan dwalen, naar het woord van Christus (Lucas, 22, 32) : « Ik heb gebeden voor u, Petrus, opdat uw geloof niet bezwijke ».3. De minderen geloven slechts impliciet wat de meerderen geloven, in zover deze laatsten de goddelijke leer aanhangen; 82daarom zegt de Apostel in zijn 1n Brief aan de Korintiërs (4, 16): “Weest navolgers van mij, zoals ik van Christus”. Niet dus de menselijke kennis is hier de geloofsvorm, maar de goddelijke waarheid. Moesten sommige meerderen daarvan afwijken, dan zou het geloof van de eenvoudigen daardoor geen schade lijden, wanneer ze menen, dat die meerderen het ware geloof belijden, dan wanneer ze een of andere dwaling in het bijzonder hardnekkig aanhangen, in strijd met het geloof van de algemene Kerk, dat niet kan dwalen, naar het woord van Christus (Lukas, 22, 32): “Ik heb gebeden voor u, Petrus, opdat uw geloof niet bezwijke”.
Utrum explicite credere mysterium incarnationis Christi sit de necessitate salutis apud omnes
Moeten allen, om zalig te worden, het geheim van Christus' menschwording uitdrukkelijk gelooven?Moeten allen, om zalig te worden, het geheim van Christus' menswording uitdrukkelijk geloven?
Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod credere explicite mysterium incarnationis Christi non sit de necessitate salutis apud omnes. Non enim 83tenetur homo explicite credere ea, quae angeli ignorant, quia explicatio fidei fit per revelationem divinam, quae pervenit ad homines mediantibus angelis, ut dictum est [art. praec.]. Sed etiam angeli mysterium Incarnationis ignoraverunt ; unde quaerebant in Psalm. 23. [v. 8] : « Quis est iste Rex gloriae? », et Isaiae 63. [v. 1] : « Quis est iste, qui venit de Edom? », ut Dionysius exponit cap. 7. Coel. Hier. Ergo ad credendum explicite mysterium Incarnationis Christi homines non tenebantur.
Bedenkingen. — Men beweert, dat niet allen, om zalig te worden, het geheim van Christus' menschwording uitdrukkelijk 83moeten gelooven. — 1. De mensch is immers niet verplicht uitdrukkelijk te gelooven wat de engelen niet kennen, want het geloof wordt uitdrukkelijk voorgehouden door de goddelijke openbaring, en die komt tot ons door de engelen, zooals (in het vorig Artikel) gezegd is. Welnu, de engelen zelf kenden het geheim der Menschwording niet, en daarom vroegen ze zich naar de verklaring van Dionysius (Over de Hemelsche Koren, 7e H.) af : « Wie is die gloriekoning? » (Psalm 23, 8), en: « Wie is het, die komt uit Edom? » (Isaias, 63, 1). Bijgevolg moesten de menschen het geheim van Christus' menschwording niet uitdrukkelijk gelooven.Bedenkingen. — Men beweert, dat niet allen, om zalig te worden, het geheim van Christus' menswording uitdrukkelijk 83moeten geloven. — 1. De mens is immers niet verplicht uitdrukkelijk te geloven wat de engelen niet kennen, want het geloof wordt uitdrukkelijk voorgehouden door de goddelijke openbaring, en die komt tot ons door de engelen, zoals (in het vorig Artikel) gezegd is. Welnu, de engelen zelf kenden het geheim van de Menswording niet, en daarom vroegen ze zich naar de verklaring van Dionysius (Over de Hemelse Koren, 7e H.) af: “Wie is die gloriekoning?” (Psalm 23, 8)a, en: “Wie is het, die komt uit Edom?” (Jesaja, 63, 1). Bijgevolg moesten de mensen het geheim van Christus' menswording niet uitdrukkelijk geloven.
2. Praeterea, constat beatum Joannem Baptistam de majoribus fuisse, et propinquissimum Christo : de quo Dominus dicit Matth. 11. [v. 11] : « Inter natos mulierum nullus major eo surrexit. » Sed Joannes Baptista non videtur Incarnationis Christi mysterium explicite cognovisse, cum a Christo quaesierit : « Tu es, qui venturus es, an alium expectamus? », ut habetur Matth. 11. [v. 3]. Ergo non tenebantur etiam majores ad habendum explicitam fidem de Christo.
2. De H. Joannes de Dooper moet onder de meerderen gerekend worden en leefde in Christus' nabijheid; Christus zei van hem: « Onder de kinderen der vrouw is er geen grooter opgestaan » (Matheus, 11, 11). Welnu, Joannes de Dooper kende het geheim van Christus' menschwording niet uitdrukkelijk, want hij vroeg aan Christus : « Zijt gij degene, die komen moet, of moeten we een ander verwachten? », zooals we lezen bij Matheus (11, 3). Bijgevolg moesten zelf de meerderen niet uitdrukkelijk in Christus gelooven.2. De H. Johannes de Doper moet onder de meerderen gerekend worden en leefde in Christus' nabijheid; Christus zei van hem: “Onder de kinderen van de vrouw is er geen groter opgestaan” (Matheus, 11, 11). Welnu, Johannes de Doper kende het geheim van Christus' menswording niet uitdrukkelijk, want hij vroeg aan Christus: “Zijt gij degene, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?”, zoals we lezen bij Matheus (11, 3). Bijgevolg moesten zelf de meerderen niet uitdrukkelijk in Christus geloven.
3. Praeterea, multi Gentilium adepti sunt salutem per ministerium 84angelorum, ut Dionysius dicit 9. cap. Coel. Hier. Sed Gentiles non habuerunt fidem de Christo, nec explicitam, nec implicitam, ut videtur, quia nulla eis revelatio facta fuit. Ergo videtur, quod credere explicite Incarnationis Christi mysterium non fuerit omnibus necessarium ad salutem.
3. Dionysius zegt in het 9e H. van zijn Boek Over de 84Hemelsche Koren, dat veel heidenen de zaligheid verworven hebben door de engelen. Welnu, de heidenen geloofden niet in Christus, noch uitdrukkelijk, noch impliciet, daar hun niets geopenbaard werd. Bijgevolg is het niet voor allen tot de zaligheid vereischt het geheim van Christus' menschwording uitdrukkelijk te gelooven.3. Dionysius zegt in het 9e H. van zijn Boek Over de 84Hemelse Koren, dat veel heidenen de zaligheid verworven hebben door de engelen. Welnu, de heidenen geloofden niet in Christus, noch uitdrukkelijk, noch impliciet, daar hun niets geopenbaard werd. Bijgevolg is het niet voor allen tot de zaligheid vereist het geheim van Christus' menswording uitdrukkelijk te geloven.
Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Corrept. et Grat. [Epist. 190.] : « Illa fides sana est, qua credimus nullum hominem, sive majoris, sive parvae aetatis, liberari contagio mortis et obligatione peccati, nisi per unum mediatorem Dei et hominum Jesum Christum ».
Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek Over Straf en Genade (190e Br.) : « Dit is het ware geloof, dat geen mensch noch oud noch jong, van de besmetting des doods of de schuld der zonde verlost wordt, dan door den eenigen bemiddelaar tusschen God en de menschen, Jezus Christus ».Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt in zijn Boek Over Straf en Genade (190e Br.): “Dit is het ware geloof, dat geen mens noch oud noch jong, van de besmetting van de dood of de schuld van de zonde verlost wordt, dan door de enige bemiddelaar tussen God en de mensen, Jezus Christus”.
Respondeo dicendum, quod sicut supra dictum est [art. 5.], illud proprie et per se pertinet ad objectum fidei, per quod homo beatitudinem consequitur. Via autem hominibus veniendi ad beatitudinem est mysterium Incarnationis et Passionis Christi : dicitur enim Act. 4. [v. 12] : « Non est aliud nomen datum hominibus, in quo oporteat nos salvos fieri. » Et 85ideo mysterium Incarnationis Christi aliqualiter oportuit omni tempore esse creditum apud omnes, diversimode tamen, secundum diversitatem temporum et personarum.
Leerstelling. — Hierboven (5e Art.) zeiden we, dat het eigen voorwerp van het geloof, wat er uiteraard toe behoort, datgene is, waardoor de mensch zalig wordt. Welnu, de weg der zaligheid voor de menschen is het geheim van Christus' menschwording en lijden; we lezen immers in de Handelingen der Apostelen (4, 12) : « Er bestaat geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, waardoor wij moeten zalig worden ». Daarom was het voor allen te allen tijde noodig eenigszins het geheim van 85Christus' menschwording te gelooven; de wijze echter verschilde naar tijd en personen.Leerstelling. — Hierboven (5e Art.) zeiden we, dat het eigen voorwerp van het geloof, wat er uiteraard toe behoort, datgene is, waardoor de mens zalig wordt. Welnu, de weg van de zaligheid voor de mensen is het geheim van Christus' menswording en lijden; we lezen immers in de Handelingen van de Apostelen (4, 12): “Er bestaat geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, waardoor wij moeten zalig worden”. Daarom was het voor allen te allen tijde nodig enigszins het geheim van 85Christus' menswording te geloven; de wijze echter verschilde naar tijd en personen.
Nam ante statum peccati homo habuit explicitam fidem de Christi Incarnatione, secundum quod ordinabatur ad consummationem gloriae, non autem secundum quod ordinabatur ad liberationem a peccato per passionem et resurrectionem, quia homo non fuit praescius peccati futuri. Videtur autem Incarnationis Christi praescius fuisse per hoc quod dixit : « Propter hoc relinquet homo patrem et matrem, et adhaerebit uxori suae », ut habetur Gen. 2. [v. 24], et hoc Apostolus ad Eph. 5. [v. 32.] dicit « Sacramentum magnum esse in Christo et Ecclesia », quod quidem sacramentum non est credibile primum hominem ignorasse.
Voor den zondeval immers geloofde de mensch uitdrukkelijk in Christus' menschwording, in zoover ze gericht was op de voltooiïng in de glorie, en niet in zoover ze gericht was op de verlossing van de zonde, door het lijden en de verrijzenis, daar de mensch de zonde, die nog in de toekomst lag, niet van te voren kende. Dat echter de mensch het geheim der menschwording toen reeds kende, blijkt duidelijk uit wat gezegd wordt in het Boek der Schepping (2, 24) : « Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen ». Daarover zegt de Apostel in zijn Brief aan de Ephesiërs (5, 32), dat het een groot geheim is: « Ik zeg dit met het oog op Christus en de Kerk ». Welnu, het is niet aan te nemen, dat de eerste mensch dit geheim niet kende.Voor de zondeval immers geloofde de mens uitdrukkelijk in Christus' menswording, in zover ze gericht was op de voltooiing in de glorie, en niet in zover ze gericht was op de verlossing van de zonde, door het lijden en de verrijzenis, daar de mens de zonde, die nog in de toekomst lag, niet van te voren kende. Dat echter de mens het geheim van de menswording toen reeds kende, blijkt duidelijk uit wat gezegd wordt in het Boek van de Schepping (2, 24): “Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen”. Daarover zegt de Apostel in zijn Brief aan de Efesiërs (5, 32), dat het een groot geheim is: “Ik zeg dit met het oog op Christus en de Kerk”. Welnu, het is niet aan te nemen, dat de eerste mens dit geheim niet kende.
Post peccatum autem fuit explicite creditum mysterium Incarnationis Christi, non solum quantum ad Incarnationem sed etiam quantum ad Passionem et Resurrectionem, quibus humanum genus a peccato et morte liberatur. Aliter enim non praefigurassent Christi passionem quibusdam sacrificiis et ante legem, et sub lege. Quorum quidem sacrificiorum significatum 86explicite majores cognoscebant; minores autem sub velamine illorum sacrificiorum credentes ea divinitus esse disposita de Christo venturo, quodammodo habebant velatam cognitionem. Et, sicut supra dictum est [q. 1. art. 7. in corp.], ea quae ad mysteria Christi pertinent, tanto difficilius cognoverunt quanto a Christo remotiores fuerunt, et tanto facilius cognoverunt, quanto Christo propinquiores fuerunt.
Na de zonde echter werd het mysterie van Christus' menschwording uitdrukkelijk geloofd, en niet alleen de menschwording maar ook het lijden en de verrijzenis, waardoor het menschelijk geslacht van zonde en dood verlost wordt. Anders toch zou Christus' lijden vôôr en onder de Wet door sommige offeranden niet 86zijn afgebeeld geworden. De meerderen kenden de beteekenis van die offeranden uitdrukkelijk; de minderen hadden er een bedekte kennis van, door te gelooven, dat die offeranden door God gewild waren met het oog op de komst van Christus. En zooals we hierboven gezegd hebben (1e Kw., 7e Art., Leerstelling), werd hetgeen betrekking had op de geheimen van Christus des te moeilijker gekend, naarmate men verder van Christus af stond, en des te duidelijker, naarmate men dichter stond bij Christus' tijd.Na de zonde echter werd het mysterie van Christus' menswording uitdrukkelijk geloofd, en niet alleen de menswording maar ook het lijden en de verrijzenis, waardoor het menselijk geslacht van zonde en dood verlost wordt. Anders toch zou Christus' lijden vôôr en onder de Wet door sommige offeranden niet 86zijn afgebeeld geworden. De meerderen kenden de betekenis van die offeranden uitdrukkelijk; de minderen hadden er een bedekte kennis van, door te geloven, dat die offeranden door God gewild waren met het oog op de komst van Christus. En zoals we hierboven gezegd hebben (1e Kw., 7e Art., Leerstelling), werd hetgeen betrekking had op de geheimen van Christus des te moeilijker gekend, naarmate men verder van Christus af stond, en des te duidelijker, naarmate men dichter stond bij Christus' tijd.
Post tempus autem gratiae revelatae tam majores quam minores tenentur habere fidem explicitam de mysteriis Christi, praecipue quantum ad ea, quae communiter in Ecclesia solemnizantur, et publice proponuntur, sicut sunt articuli Incarnationis, de quibus supra dictum est [q. 1. art. 8.]; alias autem subtiles considerationes circa Incarnationis articulos tenentur aliqui magis vel minus explicite credere secundum quod convenit statui et officio uniuscujusque.
Na den tijd van de geopenbaarde genade moeten de meerderen en de minderen de geheimen van Christus uitdrukkelijk gelooven, bijzonder die geheimen, welke in de Kerk op plechtige wijze herdacht worden en openlijk worden voorgehouden, zooals de artikelen over de menschwording, waarover we vroeger gesproken hebben (1e Kw., 8e Art.). De andere subtiele beschouwingen over de artikelen van de menschwording moet men meer of minder uitdrukkelijk gelooven, volgens den staat of de bediening van eenieder.Na de tijd van de geopenbaarde genade moeten de meerderen en de minderen de geheimen van Christus uitdrukkelijk geloven, bijzonder die geheimen, welke in de Kerk op plechtige wijze herdacht worden en openlijk worden voorgehouden, zoals de artikelen over de menswording, waarover we vroeger gesproken hebben (1e Kw., 8e Art.). De andere subtiele beschouwingen over de artikelen van de menswording moet men meer of minder uitdrukkelijk geloven, volgens de staat of de bediening van eenieder.
Ad primum ergo dicendum, quod angelos non omnino latuit mysterium 87regni Dei, sicut Augustinus dicit 5. super Gen. ad lit. [cap. 19.]. Quasdam tamen rationes hujus mysterii perfectius cognoverunt Christo revelante.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. « De engelen waren niet volkomen onwetend omtrent het mysterie van Gods rijk », zegt Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek der 87Schepping (5e B., 19e H.). Ze kenden echter dit geheim in sommige opzichten beter, toen Christus het openbaarde.Antwoord op de bedenkingen. — 1. “De engelen waren niet volkomen onwetend omtrent het mysterie van Gods rijk”, zegt Augustinus in zijn Letterlijke Verklaring van het Boek van de 87Schepping (5e B., 19e H.). Ze kenden echter dit geheim in sommige opzichten beter, toen Christus het openbaarde.
Ad secundum dicendum, quod Joannes Baptista de adventu Christi in carne non quaesivit, quasi hoc ignoraret, cum ipse hoc expresse confessus fuerit, dicens : « Ego vidi, et testimonium perhibui, quia hic est Filius Dei, » ut habetur Joan. 1. [v. 34]. Unde non dixit : Tu es, qui venisti? sed : « Tu es, qui venturus es? », quaerens de futuro, non de praeterito. Similiter non est credendum, quod ignoraverit eum ad passionem venturum : ipse enim dixerat : « Ecce Agnus Dei, ecce qui tollit peccata mundi », praenuntians ejus immolationem futuram. Et tamen hoc Prophetae alii etiam non ignoraverunt, sed ante praedixerunt, sicut praecipue patet in Isa. 53. Potest ergo dici, sicut Gregorius dicit [hom. 26. in Evang.], quod inquisivit ignorans an ad infernum esset in propria persona descensurus. Sciebat autem, quod virtus passionis ejus extendenda erat usque ad eos, qui in Limbo detinebantur, secundum illud Zach. 9. [v. 11] : « Tu quoque in sanguine 88testamenti tui emisisti vinctos de lacu, in quo non est aqua. » Nec hoc tenebatur explicite credere, antequam esset impletum, quod per seipsum deberet descendere.
2. Joannes de Dooper stelde die vraag niet met betrekking tot de komst van Christus in het vleesch, alsof hij die komst niet kende, want hij had ze reeds uitdrukkelijk beleden, zeggende: « Ik heb het gezien, en ik heb getuigd, dat Hij de Zoon van God is » (Joan., 1, 34). Zijn vraag luidt dan ook niet : « Zijt gij degene, die gekomen zijt? », maar wel: « Zijt gij degene, die komen moet? » Hij stelt zijn vraag met betrekking tot de toekomst, niet met betrekking tot het verleden. Het is ook niet aan te nemen, dat hij niet wist, dat Christus komen zou om te lijden; hij zelf toch had gezegd : « Ziedaar het Lam Gods, ziedaar degene die de zonden der wereld wegneemt », waardoor hij Christus' toekomstige slachtoffering voorspeld had. Overigens, ook aan andere profeten was dat niet onbekend gebleven, maar ze hadden het voorspeld, zooals voornamelijk blijkt uit Isaïas (53). Men mag dus met Gregorius zeggen (26e Homelie op het Evangelie), dat Joannes die vraag stelde, omdat hij niet wist, of Christus zelf zou nederdalen ter helle. Hij wist, dat de kracht van Christus' lijden zich zou uitstrekken tot hen, die in het voorgeborchte waren, maar het woord van Zacharias (9, 11) : « In het bloed van uw testament hebt gij ook 88vrijgekocht de gevangenen, die verbleven in het meer, dat droog ligt, waar geen water was ». Maar dat Christus daar persoonlijk zou nederdalen, hoefde Joannes niet uitdrukkelijk te gelooven, voor het gebeurd was.2. Johannes de Doper stelde die vraag niet met betrekking tot de komst van Christus in het vlees, alsof hij die komst niet kende, want hij had ze reeds uitdrukkelijk beleden, zeggende: “Ik heb het gezien, en ik heb getuigd, dat Hij de Zoon van God is” (Joh., 1, 34). Zijn vraag luidt dan ook niet: “Zijt gij degene, die gekomen zijt?”, maar wel: “Zijt gij degene, die komen moet?” Hij stelt zijn vraag met betrekking tot de toekomst, niet met betrekking tot het verleden. Het is ook niet aan te nemen, dat hij niet wist, dat Christus komen zou om te lijden; hij zelf toch had gezegd: “Ziedaar het Lam Gods, ziedaar degene die de zonden van de wereld wegneemt”, waardoor hij Christus' toekomstige slachtoffering voorspeld had. Overigens, ook aan andere profeten was dat niet onbekend gebleven, maar ze hadden het voorspeld, zoals voornamelijk blijkt uit Jesaja (53). Men mag dus met Gregorius zeggen (26e Homelie op het Evangelie), dat Johannes die vraag stelde, omdat hij niet wist, of Christus zelf zou nederdalen ter helle. Hij wist, dat de kracht van Christus' lijden zich zou uitstrekken tot hen, die in het voorgeborchte waren, maar het woord van Zacharias (9, 11): “In het bloed van uw testament hebt gij ook 88vrijgekocht de gevangenen, die verbleven in het meer, dat droog ligt, waar geen water was”. Maar dat Christus daar persoonlijk zou nederdalen, hoefde Johannes niet uitdrukkelijk te geloven, voor het gebeurd was.
Vel potest dici, sicut Ambrosius dicit super Luc. [cap. 7. 29.], quod non quaesivit ex dubitatione, seu ignorantia, sed magis ex pietate. Vel potest dici, sicut Chrysostomus dicit [hom. 36.], quod non quaesivit, quia ipse ignoraret, sed ut per Christum satisfaceret suis discipulis. Unde et Christus ad discipulorum instructionem respondit, signa operum ostendens.
Men kan ook zeggen, zooals Ambrosius zegt (Verklaring van Lucas, 7, 29), dat Joannes die vraag niet stelde omdat hij twijfelde, of uit onwetendheid, maar veeleer uit godsvrucht. Of ook, zooals Chrysostomus zegt (in zijn 36e Homelie), dat Joannes de vraag niet stelde alsof hij zelf onwetend was, maar om door Christus zelf zijn discipelen te gemoet te komen. En inderdaad, Christus antwoordde met het oog op het onderricht der leerlingen, door hen op zijn wonderen te wijzen.Men kan ook zeggen, zoals Ambrosius zegt (Verklaring van Lukas, 7, 29), dat Johannes die vraag niet stelde omdat hij twijfelde, of uit onwetendheid, maar veeleer uit godsvrucht. Of ook, zoals Chrysostomus zegt (in zijn 36e Homelie), dat Johannes de vraag niet stelde alsof hij zelf onwetend was, maar om door Christus zelf zijn discipelen te gemoet te komen. En inderdaad, Christus antwoordde met het oog op het onderricht van de leerlingen, door hen op zijn wonderen te wijzen.
Ad tertium dicendum, quod multis Gentilium facta fuit revelatio de Christo, ut patet per ea, quae praedixerunt, nam Job 19 [v. 25] dicitur : « Scio, quod Redemptor meus vivit. » Sibylla etiam praenuntiavit quaedam de Christo, ut Augustinus dicit [lib. 13. cont. Faust. cap. 15.]. Invenitur etiam in historiis Romanorum, quod tempore Constantini Augustinus et Irenae matris ejus inventum fuit quoddam sepulchrum, in quo jacebat homo auream laminam habens in pectore, in qua scriptum erat : « Christus 89nascetur ex Virgine, et ego credo in eum. O Sol, sub Irenae et Constantini temporibus iterum me videbis. »
3. Veel heidenen ontvingen de openbaring van Christus, zooals blijkt uit hun voorzeggingen. Zoo lezen we bij Job (19, 25) : « Ik weet, dat mijn Verlosser leeft ». De Sibylle van haar kant voorspelde verschillende dingen omtrent Christus, zooals Augustinus zegt (in zijn Boek Tegen Faustus, 13e B., 15e H.). We lezen verder in de geschiedenis der Romeinen, dat ten tijde van Constantinus Augustus en van Irena, zijn moeder, een graf werd gevonden, waar een mensch in lag, die op zijn borst een gulden band droeg, waarop geschreven stond: « De Christus zal geboren 89worden uit een maagd; ik geloof in Hem. O Zon, ge zult me terug zien ten tijde van Irena en Constantinus ».3. Veel heidenen ontvingen de openbaring van Christus, zoals blijkt uit hun voorzeggingen. Zo lezen we bij Job (19, 25): “Ik weet, dat mijn Verlosser leeft”. De Sibille van haar kant voorspelde verschillende dingen omtrent Christus, zoals Augustinus zegt (in zijn Boek Tegen Faustus, 13e B., 15e H.). We lezen verder in de geschiedenis van de Romeinen, dat ten tijde van Constantinus Augustus en van Irena, zijn moeder, een graf werd gevonden, waar een mens in lag, die op zijn borst een gulden band droeg, waarop geschreven stond: “De Christus zal geboren 89worden uit een maagd; ik geloof in Hem. O Zon, ge zult me terug zien ten tijde van Irena en Constantinus”.
Si qui tamen salvati fuerunt, quibus revelatio non fuit facta, non fuerunt salvati absque fide Mediatoris, quia etsi non habuerunt fidem explicitam, habuerunt tamen fidem implicitam in divina providentia, credentes Deum esse liberatorem hominum secundum modos sibi placitos, et secundum quod aliquibus veritatem cognoscentibus spiritus revelasset, secundum illud Job 35 : « Qui docet nos super jumenta terrae. »
Als er nu zalig geworden zijn zonder de openbaring ontvangen te hebben, toch werden ze niet zalig zonder het geloof in den middelaar. Want al hadden ze geen uitdrukkelijk geloof, toch hadden ze een impliciet geloof in de goddelijke voorzienigheid, daar ze geloofden, dat God de menschen zou verlossen op de wijze die Hij verkoos en naar wat de Geest zou openbaren aan hen, die de waarheid kenden, zooals we lezen bij Job (35) : « Hij, die ons op een meer verheven wijze onderwijst dan de lastdieren der aarde ».Als er nu zalig geworden zijn zonder de openbaring ontvangen te hebben, toch werden ze niet zalig zonder het geloof in de middelaar. Want al hadden ze geen uitdrukkelijk geloof, toch hadden ze een impliciet geloof in de goddelijke voorzienigheid, daar ze geloofden, dat God de mensen zou verlossen op de wijze die Hij verkoos en naar wat de Geest zou openbaren aan hen, die de waarheid kenden, zoals we lezen bij Job (35): “Hij, die ons op een meer verheven wijze onderwijst dan de lastdieren van de aarde”.
Utrum explicite credere Trinitatem sit de necessitate salutis
Moet men, om zalig te worden, uitdrukkelijk gelooven in de Drieëenheid?Moet men, om zalig te worden, uitdrukkelijk geloven in de Drieëenheid?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod credere Trinitatem explicite 90non fuerit de necessitate salutis. Dicit enim Apostolus ad Heb. 11 [v. 6] : « Credere oportet accedentem ad Deum, quia est, et quia inquirentibus se remunerator est. » Sed hoc potest credi absque fide Trinitatis. Ergo non oportebat explicite fidem de Trinitate habere.
Bedenkingen. — Men beweert, dat men, om zalig te worden, niet uitdrukkelijk moet gelooven in de Drieéénheid. — 1. De 90Apostel immers zegt, dat « wie tot God komt, moet gelooven, dat Hij bestaat en beloont die Hem zoeken » (Brief aan de Hebreërs 11, 6). Welnu, dat kan men gelooven zonder te gelooven in de Drieéénheid. Bijgevolg moest men niet uitdrukkelijk te gelooven in de Drieéénheid.Bedenkingen. — Men beweert, dat men, om zalig te worden, niet uitdrukkelijk moet geloven in de Drie-eenheid. — 1. De 90Apostel immers zegt, dat “wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en beloont die Hem zoeken” (Brief aan de Hebreërs 11, 6). Welnu, dat kan men geloven zonder te geloven in de Drie-eenheid. Bijgevolg moest men niet uitdrukkelijk te geloven in de Drie-eenheid.
2. Praeterea, Dominus dicit Joan. 17. [v. 6] : « Pater, manifestavi nomen tuum hominibus », quod exponens Augustinus [tract. 106. in Joan.] dicit : « Non id nomen tuum, quo vocaris Deus, sed id quo vocaris pater meus. » Et postea subdit etiam : « In hoc, quod Deus fecit hunc mundum, notus in omnibus gentibus; in hoc, quod non est cum diis falsis colendus, notus in Judaea Deus; in hoc vero, quod Pater est hujus Christi, per quem tollit peccata mundi, hoc nomen ejus prius occultum, nunc manifestavit eis. » Ergo ante Christi adventum non erat cognitum, quod in divinitate esset paternitas et filiatio. Non ergo Trinitas explicite credebatur.
2. Christus zegt bij Joannes (17, 6) : « Vader, ik heb uw naam bekend gemaakt aan de menschen », waarop Augustinus in zijn 106e Verhandeling op Joannes zegt: « Niet uw naam, waarnaar gij God genoemd wordt, maar die waardoor gij mijn Vader genoemd wordt ». En verder voegt hij er aan toe: « Als de God, die de wereld gemaakt heeft, is Hij bekend onder alle volkeren; als de God, die niet op gelijke lijn moet vereerd worden met de andere goden, is hij bekend in Judea; als Vader van Christus, door Wien de zonden der wereld worden weggenomen, werd Zijn naam, die eerst verborgen was, nu bekend gemaakt ». Voor de komst van Christus was het bijgevolg niet bekend, dat er in de Godheid een vaderschap en een zoonschap is, en bijgevolg was er geen uitdrukkelijk geloof in de Drieéénheid.2. Christus zegt bij Johannes (17, 6): “Vader, ik heb uw naam bekend gemaakt aan de mensen”, waarop Augustinus in zijn 106e Verhandeling op Johannes zegt: “Niet uw naam, waarnaar gij God genoemd wordt, maar die waardoor gij mijn Vader genoemd wordt”. En verder voegt hij er aan toe: “Als de God, die de wereld gemaakt heeft, is Hij bekend onder alle volkeren; als de God, die niet op gelijke lijn moet vereerd worden met de andere goden, is hij bekend in Judea; als Vader van Christus, door Wie de zonden van de wereld worden weggenomen, werd Zijn naam, die eerst verborgen was, nu bekend gemaakt”. Voor de komst van Christus was het bijgevolg niet bekend, dat er in de Godheid een vaderschap en een zoonschap is, en bijgevolg was er geen uitdrukkelijk geloof in de Drie-eenheid.
3. Praeterea, illud tenemur explicite credere in Deo, quod est beatitudinis objectum. Sed objectum beatitudinis est bonitas summa, quae potest 91intelligi in Deo etiam sine personarum distinctione. Ergo non fuit necessarium explicite credere Trinitatem.
3. We moeten datgene uitdrukkelijk in God gelooven, wat het voorwerp is van onze zaligheid. Welnu, het voorwerp van onze zaligheid is het hoogste goed, dat bij God ook zonder het 91onderscheid van personen kan begrepen worden. Het was dus geenszins noodig uitdrukkelijk te gelooven in de Drieéénheid.3. We moeten datgene uitdrukkelijk in God geloven, wat het voorwerp is van onze zaligheid. Welnu, het voorwerp van onze zaligheid is het hoogste goed, dat bij God ook zonder het 91onderscheid van personen kan begrepen worden. Het was dus geenszins nodig uitdrukkelijk te geloven in de Drie-eenheid.
Sed contra est, quod in veteri testamento multipliciter expressa est Trinitas personarum, sicut statim in principio Gen. dicitur ad expressionem Trinitatis : « Faciamus hominem ad imaginem et similitudinem nostram. » Ergo a principio de necessitate salutis fuit credere Trinitatem explicite.
Daartegenover echter staat, dat er in het Oud Testament op veel plaatsen uitdrukkelijk spraak is over de Drieéénheid der Personen. Reeds in het begin van het Boek der Schepping (1, 26) wordt immers gezegd, om op de Drieéénheid te wijzen : « Laat ons den mensch maken naar ons beeld en gelijkenis ». Het was dus vanaf het begin noodig, om zalig te worden, uitdrukkelijk te gelooven in de Drieéénheid.Daartegenover echter staat, dat er in het Oud Testament op veel plaatsen uitdrukkelijk spraak is over de Drie-eenheid van de Personen. Reeds in het begin van het Boek van de Schepping (1, 26) wordt immers gezegd, om op de Drie-eenheid te wijzen: “Laat ons de mens maken naar ons beeld en gelijkenis”. Het was dus vanaf het begin nodig, om zalig te worden, uitdrukkelijk te geloven in de Drie-eenheid.
Respondeo dicendum quod mysterium Incarnationis Christi explicite credi non potest sine fide Trinitatis, quia in mysterio Incarnationis Christi hoc continetur, quod Filius Dei carnem assumpserit, quod per gratiam Spiritus Sancti mundum renovaverit, et iterum quod de Spiritu Sancto conceptus fuerit. Et ideo eodem modo, quo mysterium Incarnationis Christi ante Christum fuit explicite creditum a majoribus, implicite autem, et quasi obumbrate a minoribus, ita etiam et mysterium Trinitatis. Et ideo etiam post tempus gratiae divulgatae tenentur omnes ad explicite credendum 92mysterium Trinitatis. Et omnes qui renascuntur in Christo, hoc adipiscuntur per invocationem Trinitatis, secundum illud Matthaei ult [v. 19] : « Euntes docete omnes gentes, baptizantes eos in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti. »
Leerstelling. — Men kan het geheim van Christus' menschwording niet uitdrukkelijk gelooven zonder het geloof in de Drieéénheid, daar in het geheim van Christus' menschwording ligt opgesloten, dat de Zoon Gods het vleesch heeft aangenomen, door de genade van den Heiligen Geest de wereld hernieuwd heeft, en ontvangen werd uit den Heiligen Geest. Zooals dus het geheim van Christus' menschwording vôôr Christus uitdrukkelijk geloofd werd door de meerderen, en impliciet en op omsluierde wijze door de minderen, zoo ook het geheim der Drieéénheid. Bijgevolg moet 92na de verspreiding der genade, iedereen het geheim der Drieéénheid uitdrukkelijk gelooven. Overigens al degenen, die in Christus herboren worden, verwerven die kennis door de aanroeping van de Drieéénheid, zooals we lezen bij Mattheus (laatste Hoofdstuk, 19) : « Gaat, onderwijst alle volkeren, hen doopend in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Geestes. »Leerstelling. — Men kan het geheim van Christus' menswording niet uitdrukkelijk geloven zonder het geloof in de Drie-eenheid, daar in het geheim van Christus' menswording ligt opgesloten, dat de Zoon Gods het vlees heeft aangenomen, door de genade van de Heilige Geest de wereld hernieuwd heeft, en ontvangen werd uit de Heilige Geest. Zoals dus het geheim van Christus' menswording vôôr Christus uitdrukkelijk geloofd werd door de meerderen, en impliciet en op omsluierde wijze door de minderen, zo ook het geheim van de Drie-eenheid. Bijgevolg moet 92na de verspreiding van de genade, iedereen het geheim van de Drie-eenheid uitdrukkelijk geloven. Overigens al degenen, die in Christus herboren worden, verwerven die kennis door de aanroeping van de Drie-eenheid, zoals we lezen bij Matteüs (laatste Hoofdstuk, 19): “Gaat, onderwijst alle volkeren, hen dopend in de naam van de Vader, van de Zoon en van de H. Geest.”
Ad primum ergo dicendum, quod illa duo explicite credere de Deo omni tempore et quoad omnes necessarium fuit. Non tamen est sufficiens omni tempore et quoad omnes.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Te allen tijde moesten allen die twee dingen uitdrukkelijk gelooven omtrent God. Maar die dingen volstaan niet voor alle tijden, noch voor allen.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Te allen tijde moesten allen die twee dingen uitdrukkelijk geloven omtrent God. Maar die dingen volstaan niet voor alle tijden, noch voor allen.
Ad secundum dicendum, quod ante Christi adventum fides Trinitatis erat occultata in fide majorum. Sed per Christum manifestata est mundo, et per Apostolos.
2. Vôôr de komst van Christus was het geloof in de Drieéénheid ingesloten in het geloof der meerderen. Maar Christus heeft dit aan de wereld bekend gemaakt door zijn Apostelen.2. Vôôr de komst van Christus was het geloof in de Drie-eenheid ingesloten in het geloof van de meerderen. Maar Christus heeft dit aan de wereld bekend gemaakt door zijn Apostelen.
Ad tertium dicendum, quod summa bonitas Dei secundum modum quo nunc intelligitur per effectus, potest intelligi absque Trinitate personarum. Sed secundum quod intelligitur in seipso, prout videtur a beatis, non potest intelligi sine Trinitate personarum. Et iterum ipsa visio personarum divinarum perducit nos in beatitudinem.
3. Het hoogste goed in God kan begrepen worden zonder de Drieéénheid der Personen, zooals we het in dit leven kennen door de uitwerkselen, maar niet zooals het in zichzelf begrepen en gezien wordt door de gelukzaligen. Overigens is het de aanschouwing der goddelijke Personen, die ons zalig maakt.3. Het hoogste goed in God kan begrepen worden zonder de Drie-eenheid van de Personen, zoals we het in dit leven kennen door de uitwerkselen, maar niet zoals het in zichzelf begrepen en gezien wordt door de gelukzaligen. Overigens is het de aanschouwing van de goddelijke Personen, die ons zalig maakt.
Utrum credere sit meritorium
Is het geloof verdienstelijk?
93Ad nonum sic proceditur. Videtur quod credere non sit meritorium. Principium enim merendi est charitas, ut supra dictum est [1-2. q. 114. art. 4.]. Sed fides est praeambula ad charitatem, sicut et natura. Ergo sicut actus naturae non est meritorius, quia naturalibus non meremur, ita nec actus fidei.
93Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet verdienstelijk is. — 1. Het beginsel van de verdienste immers is de liefde, zooals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 114, 4e Art.). Welnu het geloof gaat aan de liefde vooraf, zooals ook de natuur, en evenmin als een natuurhandeling verdienstelijk is (door iets, wat uit de natuur is hebben we immers geen verdienste), is dus de geloofsakt verdienstelijk.93Bedenkingen. — Men beweert, dat het geloof niet verdienstelijk is. — 1. Het beginsel van de verdienste immers is de liefde, zoals hierboven gezegd is (1a 2ae, Kw. 114, 4e Art.). Welnu het geloof gaat aan de liefde vooraf, zoals ook de natuur, en evenmin als een natuurhandeling verdienstelijk is (door iets, wat uit de natuur is hebben we immers geen verdienste), is dus de geloofsact verdienstelijk.
2. Praeterea, credere medium est inter opinari et scire vel considerare scita. Sed consideratio scientiae non est meritoria. Similiter autem nec opinio. Ergo etiam neque credere est meritorium.
2. Gelooven houdt het midden tusschen een meening hebben, en weten of beschouwen wat men weet. Welnu, de beschouwing van de wetenschap is niet verdienstelijk, en evenmin de meening. Dus ook niet het geloof.2. Geloven houdt het midden tussen een mening hebben, en weten of beschouwen wat men weet. Welnu, de beschouwing van de wetenschap is niet verdienstelijk, en evenmin de mening. Dus ook niet het geloof.
3. Praeterea, ille qui assentit alicui rei credendo, aut habet causam sufficienter inducentem ipsum ad credendum, aut non. Si habet sufficiens inductivum ad credendum, non videtur hoc ei esse meritorium, quia non 94est ei jam liberum credere, et non credere. Si autem non habet sufficiens inductivum ad credendum, levitatis est credere, secundum illud Eccli. 19. [v. 4] : « Qui cito credit, levis est corde. » Et sic non videtur esse meritorium. Ergo credere nullo modo est meritorium.
3. Hij die iets aanvaardt door het geloof wordt daartoe ofwel bewogen door een voldoende oorzaak, die hem er toe aanzet om te gelooven, of niet. Is er een voldoende oorzaak, die hem er toe 94aanzet om te gelooven, dan is zijn geloof niet verdienstelijk, daar hij niet meer vrij is om te gelooven of niet te gelooven. Is er geen voldoende reden om te gelooven, dan is gelooven een lichtzinnige daad, naar het woord van Ecclesiasticus (19, 4) : « Hij die onmiddellijk gelooft, is lichtzinnig van gemoed ». Maar dan is het geloof ook niet verdienstelijk, en bijgevolg is het in geen enkel opzicht verdienstelijk te gelooven.3. Hij die iets aanvaardt door het geloof wordt daartoe ofwel bewogen door een voldoende oorzaak, die hem er toe aanzet om te geloven, of niet. Is er een voldoende oorzaak, die hem er toe 94aanzet om te geloven, dan is zijn geloof niet verdienstelijk, daar hij niet meer vrij is om te geloven of niet te geloven. Is er geen voldoende reden om te geloven, dan is geloven een lichtzinnige daad, naar het woord van Sirach (19, 4): “Hij die onmiddellijk gelooft, is lichtzinnig van gemoed”. Maar dan is het geloof ook niet verdienstelijk, en bijgevolg is het in geen enkel opzicht verdienstelijk te geloven.
Sed contra est, quod dicitur ad Hebr. 11. [v. 33], quod « sancti per fidem adepti sunt repromissiones. » Quod non esset, nisi credendo mererentur. Ergo ipsum credere est meritorium.
Daartegenover staat wat we lezen in den Brief aan de Hebreërs (11, 33), dat nl. de heiligen door geloof beloften verkregen hebben. Welnu, dat zou niet gebeurd zijn, indien het niet verdienstelijk was te gelooven. Dus is het verdienstelijk te gelooven.Daartegenover staat wat we lezen in de Brief aan de Hebreërs (11, 33), dat nl. de heiligen door geloof beloften verkregen hebben. Welnu, dat zou niet gebeurd zijn, indien het niet verdienstelijk was te geloven. Dus is het verdienstelijk te geloven.
Respondeo dicendum, quod, sicut supra dictum est [1-2. q. 114. art. 3. et 4.], actus nostri sunt meritorii, inquantum procedunt ex libero arbitrio moto a Deo per gratiam. Unde omnis actus humanus, qui subjicitur libero arbitrio, si sit relatus in Deum, potest meritorius esse. Ipsum autem credere est actus intellectus assentientis veritati divinae ex imperio voluntatis 95a Deo motae per gratiam, et sic subjacet libero arbitrio in ordine ad Deum. Unde actus fidei potest esse meritorius.
Leerstelling. — Vroeger (1a 2ae, Kw. 114, 3e en 4e Art.) hebben we gezegd, dat onze daden verdienstelijk zijn, in zoover ze voortspruiten uit den vrijen wil, dien God door de genade beweegt. Bijgevolg kan elke vrije menschelijke daad, wanneer zij om God gesteld wordt, verdienstelijk zijn. Welnu, het geloof is een daad van het verstand, die gesteld wordt onder bevel van den wil, dien God door de genade beweegt, en waardoor men de 95goddelijke waarheid aanvaardt, zoodat men vrij gelooft om God. Dus kan de geloofsdaad verdienstelijk zijn.Leerstelling. — Vroeger (1a 2ae, Kw. 114, 3e en 4e Art.) hebben we gezegd, dat onze daden verdienstelijk zijn, in zover ze voortspruiten uit de vrije wil, die God door de genade beweegt. Bijgevolg kan elke vrije menselijke daad, wanneer zij om God gesteld wordt, verdienstelijk zijn. Welnu, het geloof is een daad van het verstand, die gesteld wordt onder bevel van de wil, die God door de genade beweegt, en waardoor men de 95goddelijke waarheid aanvaardt, zodat men vrij gelooft om God. Dus kan de geloofsdaad verdienstelijk zijn.
Ad primum ergo dicendum, quod natura comparatur ad charitatem, quae est merendi principium, sicut materia ad formam. Fides autem comparatur ad charitatem, sicut dispositio praecedens ultimam formam. Manifestum est autem, quod subjectum vel materia non potest agere, nisi virtute formae neque etiam dispositio praecedens, antequam forma adveniat. Sed postquam forma advenerit, tam subjectum quam dispositio praecedens agit in virtute formae, quae est principale agendi principium, sicut calor ignis agit in virtute formae substantialis. Sic ergo neque natura neque fides sine charitate possunt producere actum meritorium, sed, charitate superveniente, actus fidei fit meritorius per charitatem, sicut et actus naturae et naturalis liberi arbitrii.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. De natuur staat in gelijke verhouding tot de liefde, die het beginsel is van verdienste, als de stof tot de vorm-oorzaak. Het geloof echter staat in verhouding tot de liefde als een geschiktheid die de laatste vorm-oorzaak voorafgaat. Welnu, het is duidelijk, dat noch het subjekt, noch de stof kunnen handelen, dan door de kracht van den vorm, evenmin als die voorafgaande geschiktheid iets vermag, vôôr de vorm-oorzaak aanwezig is. Wanneer echter de vorm-oorzaak aanwezig is, handelen zoowel het subjekt als de voorafgaande geschiktheid door de kracht van den vorm, die het voornaamste beginsel van handelen is. Zoo werkt de warmte van het vuur door de kracht van den zelfstandigen vorm. Daarom kunnen noch de natuur, noch het geloof een verdienstelijke daad veroorzaken zonder liefde. Maar wanneer de liefde er bij komt, dan wordt de geloofsdaad verdienstelijk door de liefde, zooals ook de daden van de natuur en van den natuurlijken vrijen wil.Antwoord op de bedenkingen. — 1. De natuur staat in gelijke verhouding tot de liefde, die het beginsel is van verdienste, als de stof tot de vorm-oorzaak. Het geloof echter staat in verhouding tot de liefde als een geschiktheid die de laatste vorm-oorzaak voorafgaat. Welnu, het is duidelijk, dat noch het subject, noch de stof kunnen handelen, dan door de kracht van de vorm, evenmin als die voorafgaande geschiktheid iets vermag, vôôr de vorm-oorzaak aanwezig is. Wanneer echter de vorm-oorzaak aanwezig is, handelen zowel het subject als de voorafgaande geschiktheid door de kracht van de vorm, die het voornaamste beginsel van handelen is. Zo werkt de warmte van het vuur door de kracht van de zelfstandige vorm. Daarom kunnen noch de natuur, noch het geloof een verdienstelijke daad veroorzaken zonder liefde. Maar wanneer de liefde er bij komt, dan wordt de geloofsdaad verdienstelijk door de liefde, zoals ook de daden van de natuur en van de natuurlijke vrije wil.
Ad secundum dicendum, quod in scientia duo possunt considerari, scilicet ipse assensus scientis ad rem scitam, et consideratio rei scitae. Assensus 96autem scientiae non subjicitur libero arbitrio, quia sciens cogitur ad assentiendum per efficaciam demonstrationis. Et ideo assensus scientiae non est meritorius. Sed consideratio actualis rei scitae subjacet libero arbitrio : est enim in potestate hominis considerare, vel non considerare. Et ideo consideratio scientiae potest esse meritoria, si referatur ad finem charitatis, idest ad honorem Dei vel utilitatem proximi. Sed in fide utrumque subjacet libero arbitrio. Et ideo quantum ad utrumque actus fidei potest esse meritorius. Sed opinio non habet firmum assensum : est enim quoddam debile et infirmum, secundum Philosophum in 1. Poster. [tex. 44.]. Unde non videtur procedere ex perfecta voluntate. Et sic ex parte assensus non multum videtur habere rationem meriti. Sed ex parte considerationis actualis potest meritoria esse.
2. In de wetenschap kunnen we twee dingen beschouwen, te 96weten de aanvaarding van het gekende door hem, die iets op wetenschappelijke wijze kent, en het beschouwen van het gekende. De wetenschappelijke aanvaarding valt niet onder de vrijheid omdat hij, die iets op wetenschappelijke wijze kent, door de kracht van de bewijsvoering er toe gedwongen wordt om het te aanvaarden. Daarom is de aanvaarding in de wetenschap niet verdienstelijk. Doch de daadwerkelijke beschouwing van het gekende valt wel onder den vrijen wil, daar het in de macht ligt van den mensch het ding te beschouwen of niet te beschouwen. Daarom kan de beschouwing van de wetenschap verdienstelijk zijn, wanneer men ze nl. herleidt tot het doel der liefde, nl. Gods glorie en het nut van den medemensch. In het geloof echter vallen én de aanvaarding, én de beschouwing onder den vrijen wil, en daarom kan de geloofsdaad in dit dubbel opzicht verdienstelijk zijn. In de meening echter is er geen vaste aanvaarding, want ze is zwak en onvast, zooals de Wijsgeer zegt in zijn tweede werk Over de Redeneering. Daarom, komt ze niet voort uit een volmaakten wil, zoodat ze, zelfs van den kant van de aanvaarding, niet zeer verdienstelijk is. Ze kan echter verdienstelijk zijn van den kant van de daadwerkelijke beschouwing.2. In de wetenschap kunnen we twee dingen beschouwen, te 96weten de aanvaarding van het gekende door hem, die iets op wetenschappelijke wijze kent, en het beschouwen van het gekende. De wetenschappelijke aanvaarding valt niet onder de vrijheid omdat hij, die iets op wetenschappelijke wijze kent, door de kracht van de bewijsvoering er toe gedwongen wordt om het te aanvaarden. Daarom is de aanvaarding in de wetenschap niet verdienstelijk. Doch de daadwerkelijke beschouwing van het gekende valt wel onder de vrije wil, daar het in de macht ligt van de mens het ding te beschouwen of niet te beschouwen. Daarom kan de beschouwing van de wetenschap verdienstelijk zijn, wanneer men ze nl. herleidt tot het doel van de liefde, nl. Gods glorie en het nut van de medemens. In het geloof echter vallen én de aanvaarding, én de beschouwing onder de vrije wil, en daarom kan de geloofsdaad in dit dubbel opzicht verdienstelijk zijn. In de mening echter is er geen vaste aanvaarding, want ze is zwak en onvast, zoals de Wijsgeer zegt in zijn tweede werk Over de Redenering. Daarom, komt ze niet voort uit een volmaakten wil, zodat ze, zelfs van de kant van de aanvaarding, niet zeer verdienstelijk is. Ze kan echter verdienstelijk zijn van de kant van de daadwerkelijke beschouwing.
Ad tertium dicendum, quod ille qui credit, habet sufficiens inductivum 97ad credendum. Inducitur enim auctoritate divinae doctrinae miraculis confirmatae et, quod plus est, interiori instinctu Dei invitantis. Unde non leviter credit, cum sufficiens inductivum ad credendum1. Et ideo non tollitur ratio meriti.
3. Hij die gelooft, heeft voldoende redenen om te gelooven, want hij wordt bewogen door het gezag van de goddelijke leer, 97die door wonderen bekrachtigd is, en wat meer is, door een inwendigen aandrang van God, die hem er toe aanspoort om te gelooven. Daarom gelooft hij niet op lichtzinnige wijze, hoewel hij geen voldoende gronden heeft om iets op wetenschappelijke wijze te kennen, zoodat de verdienste niet uitgesloten is.3. Hij die gelooft, heeft voldoende redenen om te geloven, want hij wordt bewogen door het gezag van de goddelijke leer, 97die door wonderen bekrachtigd is, en wat meer is, door een inwendigen aandrang van God, die hem er toe aanspoort om te geloven. Daarom gelooft hij niet op lichtzinnige wijze, hoewel hij geen voldoende gronden heeft om iets op wetenschappelijke wijze te kennen, zodat de verdienste niet uitgesloten is.
Utrum ratio inductiva ad ea, quae sunt fidei, minuat meritum fidei
Vermindert een verstandsreden, die men aanvoert om de geloofswaarheden te bewijzen, de verdienste van het geloof?
Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod ratio inductiva ad ea, quae sunt fidei, diminuat meritum fidei : Dicit enim Gregorius in quadam homilia [26], quod « fides non habet meritum, cui humana ratio praebet experimentum. » Si ergo ratio humana sufficienter experimentum praebeat, totaliter 98excludit meritum fidei. Videtur ergo, quod qualiscumque ratio humana inducta ad ea, quae sunt fidei, diminuat meritum fidei.
Bedenkingen. — Men beweert, dat een verstandsreden, die men aanvoert om de geloofswaarheden te bewijzen de verdienste van het geloof vermindert. — 1. Gregorius immers zegt in een zijner Homelieën (26e Homelie), dat het geloof ophoudt verdienstelijk te zijn, zoo spoedig de menschelijke rede beweegredenen aanvoert. Wanneer dus de menschelijke rede één voldoende beweegreden aanvoert, dan is de verdienste van het geloof volkomen uitgesloten, en bijgevolg vermindert iedere menschelijke reden, die 98men aanvoert om de geloofswaarheden te bewijzen, de verdienste van het geloof.Bedenkingen. — Men beweert, dat een verstandsreden, die men aanvoert om de geloofswaarheden te bewijzen de verdienste van het geloof vermindert. — 1. Gregorius immers zegt in een van zijn Homelieën (26e Homelie), dat het geloof ophoudt verdienstelijk te zijn, zo spoedig de menselijke rede beweegredenen aanvoert. Wanneer dus de menselijke rede één voldoende beweegreden aanvoert, dan is de verdienste van het geloof volkomen uitgesloten, en bijgevolg vermindert iedere menselijke reden, die 98men aanvoert om de geloofswaarheden te bewijzen, de verdienste van het geloof.
2. Praeterea, quidquid diminuit rationem virtutis, diminuit rationem meriti, quia felicitas virtutis est praemium, ut Philosophus dicit in 1. Ethic. [cap. 9.]. Sed ratio humana videtur diminuere rationem virtutis ipsius fidei, quia de ratione fidei est quod non sit apparentium, ut supra dictum est [q. 1. art. 4. et 5.]. Quanto autem plures rationes inducuntur ad aliquid, tanto minus hoc fidei diminuit.
2. Alles wat de deugd vermindert, vermindert ook de verdienste, want, zooals de Wijsgeer zegt in zijn Ethica (1e B., 9e H.), is het geluk de belooning van de deugd. Welnu, een menschelijke verstandsreden vermindert de deugd in het geloof, want het is aan het geloof eigen, betrekking te hebben op dingen die men niet ziet, zooals hierboven gezegd werd (1e Kw., 4e Art.). Welnu, hoe meer redenen men voor iets aanvoert, des te minder mag men het beschouwen als iets, wat men niet ziet. Een menschelijke verstandsreden, aangevoerd met betrekking tot de geloofszaken, vermindert dus de verdienste van het geloof.2. Alles wat de deugd vermindert, vermindert ook de verdienste, want, zoals de Wijsgeer zegt in zijn Ethica (1e B., 9e H.), is het geluk de beloning van de deugd. Welnu, een menselijke verstandsreden vermindert de deugd in het geloof, want het is aan het geloof eigen, betrekking te hebben op dingen die men niet ziet, zoals hierboven gezegd werd (1e Kw., 4e Art.). Welnu, hoe meer redenen men voor iets aanvoert, des te minder mag men het beschouwen als iets, wat men niet ziet. Een menselijke verstandsreden, aangevoerd met betrekking tot de geloofszaken, vermindert dus de verdienste van het geloof.
3. Praeterea, contrariorum contrariae sunt causae. Sed id quod inducitur in contrarium fidei, auget meritum fidei, sive sit persecutio cogentis ad recedendum a fide, sive etiam sit ratio aliqua hoc persuadens. Ergo ratio coadjuvans fidem diminuit meritum fidei.
3. Tegenovergestelde dingen hebben tegenovergestelde oorzaken. Welnu, wat tegenover het geloof staat vermeerdert de verdienste van het geloof, zooals een vervolging, die er iemand toe dwingt om van het geloof af te vallen, of een verstandsreden, die er toe beweegt. Bijgevolg vermindert een verstandsreden, die het geloof versterkt, de verdienste van het geloof.3. Tegenovergestelde dingen hebben tegenovergestelde oorzaken. Welnu, wat tegenover het geloof staat vermeerdert de verdienste van het geloof, zoals een vervolging, die er iemand toe dwingt om van het geloof af te vallen, of een verstandsreden, die er toe beweegt. Bijgevolg vermindert een verstandsreden, die het geloof versterkt, de verdienste van het geloof.
Sed contra est, quod 1. Pet. 3. [v. 15] dicitur : « Parati semper ad satisfactionem omni poscenti vos reddere rationem de ea, quae in vobis 99est, fide et spe. » Non autem ad hoc induceret Apostolus, si per hoc meritum fidei diminueretur. Non ergo ratio diminuit meritum fidei.
Daartegenover staat echter wat we lezen in den 1n Brief van Petrus (3, 15) : « Weest altijd bereid om iedereen te woord te 99staan die u rekenschap vraagt over het geloof en de hoop die in u is ». Welnu de Apostel zou daar niet toe aansporen, wanneer de verdienste van het geloof daardoor verminderd werd. Bijgevolg verminderen die redenen de verdienste van het geloof niet.Daartegenover staat echter wat we lezen in de 1n Brief van Petrus (3, 15): “Weest altijd bereid om iedereen te woord te 99staan die u rekenschap vraagt over het geloof en de hoop die in u is”. Welnu de Apostel zou daar niet toe aansporen, wanneer de verdienste van het geloof daardoor verminderd werd. Bijgevolg verminderen die redenen de verdienste van het geloof niet.
Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [art. praec.], actus fidei potest esse meritorius, inquantum subjacet voluntati, non solum quantum ad usum, sed etiam quantum ad assensum. Ratio autem humana inducta ad ea, quae sunt fidei, dupliciter se potest habere ad voluntatem credentis. Uno quidem modo sicut praecedens, puta cum aliquis aut tantum haberet voluntatem, aut non haberet promptam voluntatem ad credendum, nisi ratio humana induceretur. Et sic ratio humana inducta diminuit meritum fidei. Sic etiam supra dictum est [1-2. q. 24. 3. ad 1. et q. 77. art. 6. ad 2.], quod passio praecedens electionem in virtutibus moralibus diminuit laudem virtuosi actus. Sicut enim homo actus virtutum moralium debet exercere propter judicium rationis, non propter passionem, ita credere debet homo ea, 100quae sunt fidei, non propter rationem humanam, sed propter auctoritatem divinam.
Leerstelling. — In het vorige Artikel zeiden we, dat de geloofsdaad verdienstelijk kan zijn in zoover zij gewild is, niet alleen in zoover men haar stelt of niet stelt, maar ook door de daad van aanvaarding zelf. Welnu, een menschelijke verstandsreden, aangevoerd voor de geloofswaarheden, kan zich op twee manieren verhouden tot den wil van hem die gelooft. Ten eerste als iets, wat voorafgaat, zooals wanneer iemand pas dan zou willen gelooven, of pas dan met gereeden wil zou gelooven, wanneer er een menschelijke verstandsreden wordt voor aangevoerd. In dat geval zal de aangevoerde menschelijke verstandsreden de verdienste van het geloof verminderen, zooals we vroeger zeiden (1a 2ae, Kw. 24, 3e Art., Antw. op 1e Bed.), over den hartstocht, die bij de zedelijke deugden de keuze voorafgaat en de verdienste van de deugdzame handeling vermindert. Want evenals de mensch zedelijke deugden moet beoefenen om het oordeel van het verstand, en niet uit hartstocht, zoo ook moet de mensch de geloofswaarheden 100aanvaarden, niet om een menschelijke verstandsreden, maar op het gezag van God.Leerstelling. — In het vorige Artikel zeiden we, dat de geloofsdaad verdienstelijk kan zijn in zover zij gewild is, niet alleen in zover men haar stelt of niet stelt, maar ook door de daad van aanvaarding zelf. Welnu, een menselijke verstandsreden, aangevoerd voor de geloofswaarheden, kan zich op twee manieren verhouden tot de wil van hem die gelooft. Ten eerste als iets, wat voorafgaat, zoals wanneer iemand pas dan zou willen geloven, of pas dan met gereden wil zou geloven, wanneer er een menselijke verstandsreden wordt voor aangevoerd. In dat geval zal de aangevoerde menselijke verstandsreden de verdienste van het geloof verminderen, zoals we vroeger zeiden (1a 2ae, Kw. 24, 3e Art., Antw. op 1e Bed.), over de hartstocht, die bij de zedelijke deugden de keuze voorafgaat en de verdienste van de deugdzame handeling vermindert. Want evenals de mens zedelijke deugden moet beoefenen om het oordeel van het verstand, en niet uit hartstocht, zo ook moet de mens de geloofswaarheden 100aanvaarden, niet om een menselijke verstandsreden, maar op het gezag van God.
Alio modo ratio humana potest se habere ad voluntatem credentis consequenter : cum enim homo habet promptam voluntatem ad credendum, diligit veritatem creditam, et super ea excogitat, et amplectitur si quas rationes ad hoc invenire potest. Et quantum ad hoc ratio humana non excludit meritum fidei, sed est signum majoris meriti; sic etiam passio consequens in virtutibus moralibus est signum promptioris voluntatis, ut supra dictum est [1-2. q. 24. art. 3. ad 1.]. Et hoc significatur Joan. 4. [v. 42], ubi Samaritani ad mulierem, per quam ratio humana figuratur, dixerunt : « Jam non propter tuam loquelam credimus. »
Een menschelijke verstandsreden kan ten tweede volgen op den wil van hem, die gelooft. Iemand toch, die met gereeden wil gelooft, bemint de waarheid, die hij gelooft, overweegt ze, en stemt met de verstandsredenen in, die hij er voor vinden kan. In dat geval sluit de menschelijke verstandsreden de verdienste van het geloof niet uit, maar is ze veeleer een teeken van grooter verdienste, evenals voor de zedelijke deugden, de hartstocht, die volgt, een teeken is van een meer gereeden wil, zooals we vroeger reeds gezegd hebben (1a 2ae, Kw. 24, 3e Art., Antw. op 1e Bed.). En daarop duidt Joannes (4, 42), wanneer de Samaritanen zeggen tot de vrouw, die de menschelijke rede verbeeldt: « Nu gelooven we niet langer om het geen gij ons zegt ».Een menselijke verstandsreden kan ten tweede volgen op de wil van hem, die gelooft. Iemand toch, die met gereden wil gelooft, bemint de waarheid, die hij gelooft, overweegt ze, en stemt met de verstandsredenen in, die hij er voor vinden kan. In dat geval sluit de menselijke verstandsreden de verdienste van het geloof niet uit, maar is ze veeleer een teken van groter verdienste, evenals voor de zedelijke deugden, de hartstocht, die volgt, een teken is van een meer gereden wil, zoals we vroeger reeds gezegd hebben (1a 2ae, Kw. 24, 3e Art., Antw. op 1e Bed.). En daarop duidt Johannes (4, 42), wanneer de Samaritanen zeggen tot de vrouw, die de menselijke rede verbeeldt: “Nu geloven we niet langer om het geen gij ons zegt”.
Ad primum ergo dicendum, quod Gregorius loquitur in casu illo, quando homo non habet voluntatem credendi ea, quae sunt fidei, nisi propter rationem inductam. Quando autem homo habet voluntatem credendi ea, quae sunt fidei, ex sola auctoritate divina, etiamsi habeat rationem demonstrativam 101ad aliquid eorum, puta ad hoc quod est Deum esse, non propter hoc tollitur vel diminuitur meritum fidei.
Antwoord op de bedenkingen. — 1. Gregorius bedoelt het geval waarin men de geloofswaarheden niet wil aanvaarden, dan wanneer er een verstandsreden wordt aangevoerd. Wanneer echter de mensch de geloofswaarheden wil aanvaarden, alleen op het gezag van God, zelf wanneer hij een of andere 101geloofswaarheid kan bewijzen, b. v. Gods bestaan, dan wordt de verdienste van het geloof noch uitgesloten, noch verminderd.Antwoord op de bedenkingen. — 1. Gregorius bedoelt het geval waarin men de geloofswaarheden niet wil aanvaarden, dan wanneer er een verstandsreden wordt aangevoerd. Wanneer echter de mens de geloofswaarheden wil aanvaarden, alleen op het gezag van God, zelf wanneer hij een of andere 101geloofswaarheid kan bewijzen, bv. Gods bestaan, dan wordt de verdienste van het geloof noch uitgesloten, noch verminderd.
Ad secundum dicendum, quod rationes, quae inducuntur ad auctoritatem fidei, non sunt demonstrationes, quae in visionem intelligibilem intellectum humanum reducere possunt; et ideo non desinunt esse non apparentia. Sed removent impedimenta fidei, ostendendo non esse impossibile, quod in fide proponitur. Unde per tales rationes non diminuitur meritum fidei, nec ratio fidei. Sed rationes demonstrativae inductae ad ea, quae sunt fidei praeambula, videlicet ad articulos, etsi diminuant rationem fidei, quia faciunt esse apparens id, quod proponitur, non tamen diminuunt rationem charitatis per quam voluntas est prompta ad ea credendum, etiamsi non apparerent. Et ideo non diminuitur ratio meriti.
2. De redenen, die aangevoerd worden om het geloof te bekrachtigen, zijn geen bewijsvoeringen, waardoor het menschelijk verstand die waarheden kan kennen, zooals iets wat men verstandelijk inziet. Daarom houden die waarheden niet op niet gezien te worden. Ze nemen echter de hinderpalen van het geloof weg, door aan te duiden, dat hetgeen men gelooft niet onmogelijk is. De verdienste van het geloof of het geloof zelf wordt bijgevolg dóór dergelijke redenen niet verminderd. De bewijsvoeringen echter, die aangevoerd worden om de waarheden te bewijzen, die de artikelen van het geloof voorafgaan, ofschoon ze het geloof zelf verminderen, daar ze doen inzien wat voorgehouden wordt, toch verminderen ze de liefde niet, waardoor de wil bereid is die dingen te gelooven, ook als ze zich zouden voordoen als iets wat men zien kan. Bijgevolg wordt de verdienste niet verminderd.2. De redenen, die aangevoerd worden om het geloof te bekrachtigen, zijn geen bewijsvoeringen, waardoor het menselijk verstand die waarheden kan kennen, zoals iets wat men verstandelijk inziet. Daarom houden die waarheden niet op niet gezien te worden. Ze nemen echter de hinderpalen van het geloof weg, door aan te duiden, dat hetgeen men gelooft niet onmogelijk is. De verdienste van het geloof of het geloof zelf wordt bijgevolg dóór dergelijke redenen niet verminderd. De bewijsvoeringen echter, die aangevoerd worden om de waarheden te bewijzen, die de artikelen van het geloof voorafgaan, ofschoon ze het geloof zelf verminderen, daar ze doen inzien wat voorgehouden wordt, toch verminderen ze de liefde niet, waardoor de wil bereid is die dingen te geloven, ook als ze zich zouden voordoen als iets wat men zien kan. Bijgevolg wordt de verdienste niet verminderd.
Ad tertium dicendum, quod ea quae repugnant fidei, sive in consideratione hominis, sive in exteriori persecutione, intantum augent meritum fidei, inquantum ostenditur voluntas magis prompta et firma in fide. Et ideo etiam 102martyres majus fidei meritum habuerunt, non recedentes a fide propter persecutiones; et etiam sapientes majus meritum fidei habent, non recedentes a fide propter rationes philosophorum vel haereticorum contra fidem inductas. Sed ea quae conveniunt fidei, non semper diminuunt promptitudinem voluntatis ad credendum, et ideo non semper diminuunt meritum fidei.
3. Wat strijdig is met het geloof, hetzij het iets is in de kennis van den mensch, hetzij het een uiterlijke vervolging is, dat alles vermeerdert de verdienste van het geloof, in zoover daaruit duidelijker blijkt, dat de wil bereid is om te gelooven en vaststaat in het geloof. Daarom ook was het geloof der martelaren 102verdienstelijker, die van het geloof niet afvielen om de vervolgingen. Ook de wijzen kunnen meer verdienste hebben, wanneer zij van het geloof niet afvallen om de bewijsvoeringen, die wijsgeeren of ketters aanvoeren tegen het geloof. Wat echter met het geloof overeenstemt, vermindert niet altijd de bereidwilligheid van den wil om te gelooven, en bijgevolg verminderen ze niet altijd de verdienste van het geloof.3. Wat strijdig is met het geloof, hetzij het iets is in de kennis van de mens, hetzij het een uiterlijke vervolging is, dat alles vermeerdert de verdienste van het geloof, in zover daaruit duidelijker blijkt, dat de wil bereid is om te geloven en vaststaat in het geloof. Daarom ook was het geloof van de martelaren 102verdienstelijker, die van het geloof niet afvielen om de vervolgingen. Ook de wijzen kunnen meer verdienste hebben, wanneer zij van het geloof niet afvallen om de bewijsvoeringen, die wijsgeren of ketters aanvoeren tegen het geloof. Wat echter met het geloof overeenstemt, vermindert niet altijd de bereidwilligheid van de wil om te geloven, en bijgevolg verminderen ze niet altijd de verdienste van het geloof.