De charitate secundum se, in octo articulos divisa
Over de liefde op zichzelf beschouwd
135Consequenter considerandum est de charitate : et primo de ipsa charitate secundo de dono sapientiae ei correspondente. Circa primum consideranda sunt quinque. Primo, de ipsa charitate; secundo, de objecto charitatis; tertio, de actibus ejus; quarto, de vitiis oppositis; quinto, de praeceptis ad hoc pertinentibus. Circa primum est duplex consideratio. Prima, quidem de ipsa charitate secundum se; secunda, de charitate per comparationem ad subjectum. Circa primum quaeruntur octo : 1. Utrum charitas sit amicitia. — 2. Utrum sit aliquid creatum in anima. — 3. Utrum sit virtus. — 4. Utrum 136sit virtus specialis. — 5. Utrum sit una virtus. — 6. Utrum sit maxima virtutum. — 7. Utrum sine ea possit esse aliqua vera virtus. — 8. Utrum sit forma virtutum.
135Vervolgens moeten wij spreken over de liefde. Vooreerst over de liefde op zichzelf beschouwd; daarna over de gave van wijsheid die bij de liefde aansluit. Omtrent de liefde op zichzelf beschouwd handelen wij : ten eerste, over de liefde zelf; ten tweede, over haar voorwerp; ten derde, over haar handelingen; ten vierde, over de ondeugden die er tegenover staan; ten vijfde, over de geboden omtrent de liefde gegeven. — Wat de liefde zelf aangaat beschouwen we : ten eerste, de liefde op zichzelf; ten tweede, de liefde in verband met haar subjekt. Omtrent de liefde op zichzelf beschouwd, stellen we acht vragen : 1. Is de liefde een vriendschap? 2. Is de liefde iets geschapen in de ziel? 3. Is de liefde een deugd? 1364. Is de liefde een afzonderlijke deugd? 5. Is er slechts één deugd van liefde? 6. Is de liefde de voornaamste deugd? 7. Is er een ware deugd mogelijk zonder de liefde? 8. Is de liefde de vorm van alle deugden?135Vervolgens moeten wij spreken over de liefde. Vooreerst over de liefde op zichzelf beschouwd; daarna over de gave van wijsheid die bij de liefde aansluit. Omtrent de liefde op zichzelf beschouwd handelen wij: ten eerste, over de liefde zelf; ten tweede, over haar voorwerp; ten derde, over haar handelingen; ten vierde, over de ondeugden die er tegenover staan; ten vijfde, over de geboden omtrent de liefde gegeven. — Wat de liefde zelf aangaat beschouwen we: ten eerste, de liefde op zichzelf; ten tweede, de liefde in verband met haar subject. Omtrent de liefde op zichzelf beschouwd, stellen we acht vragen: 1. Is de liefde een vriendschap? 2. Is de liefde iets geschapen in de ziel? 3. Is de liefde een deugd? 1364. Is de liefde een afzonderlijke deugd? 5. Is er slechts één deugd van liefde? 6. Is de liefde de voornaamste deugd? 7. Is er een ware deugd mogelijk zonder de liefde? 8. Is de liefde de vorm van alle deugden?
Utrum charitas sit amicitia
Is de liefde een vriendschap?
Ad primum sic proceditur. Videtur, quod charitas non sit amicitia. Nihil enim est ita proprium amicitiae, sicut convivere amico, ut dicit Phil. in 8. Ethicor. [cap. 5.]. Sed charitas est hominis ad Deum, et ad Angelos, « quorum non est cum hominibus conversatio », ut dicitur Daniel. 2. [v. 2.]. Ergo charitas non est amicitia.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen vriendschap is. — 1. Volgens de leer van den Wijsgeer is niets de vriendschap meer eigen, dan de omgang van vrienden met elkander. Welnu de liefde van den mensch gaat naar God en de engelen, die naar het woord uit het Boek Daniël (2. 11) : « geen omgang met menschen hebben ». Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen vriendschap is. — 1. Volgens de leer van de Wijsgeer is niets de vriendschap meer eigen, dan de omgang van vrienden met elkander. Welnu de liefde van de mens gaat naar God en de engelen, die naar het woord uit het Boek Daniël (2, 11): “geen omgang met mensen hebben”. Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.
2. Praeterea, amicitia non est sine redamatione, ut dicitur in 8. Ethic. [cap. 2.]. Sed charitas habetur etiam ad inimicos, secundum illud Matth. 1375. [v. 44] : « Diligite inimicos vestros ». Ergo charitas non est amicitia.
2. In de vriendschap is de genegenheid wederkeerig, zooals de Wijsgeer zegt. Welnu de deugd van liefde omvat ook de vijanden, naar het woord bij Mattheus (5. 44) : « Bemint uw 137vijanden ». Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.2. In de vriendschap is de genegenheid wederkerig, zoals de Wijsgeer zegt. Welnu de deugd van liefde omvat ook de vijanden, naar het woord bij Matteüs (5, 44): “Bemint uw 137vijanden”. Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.
3. Praeterea, amicitiae tres sunt species, secundum Philos. in 8. Ethic. [cap. 3.]. scilicet : « amicitia delectabilis, utilis et honesti ». Sed charitas non est amicitia utilis, aut delectabilis. Dicit enim Hieronymus in epist. ad Paulinum, quae ponitur in principio Bibliae : « Illa est vera necessitudo, et Christi glutino copulata, quam non utilitas rei familiaris, non praesentia tantum corporum, non subdola, et palpans adulatio, sed Dei timor, et divinarum Scripturarum studia conciliant ». Similiter etiam non est amicitia honesti; quia charitate diligimus etiam peccatores. Amicitia vero honesti non est nisi ad virtuosos, ut dicitur in 8. Ethicor. [cap. 4.] ; ergo charitas non est amicitia.
3. Volgens den Wijsgeer zijn er drie soorten vriendschap : de genotbrengende, de voordeelige en de eerzame vriendschap. Welnu de liefde is geen genotbrengende noch voordeelige vriendschap. Hieronymus zegt immers : « De vriendschappelijke omgang, waarvan Christus de band is, wordt niet geboren uit de voordeelen van de gemeenschapsbetrekkingen, uit lichamelijke tegenwoordigheid, uit vleierige woorden en omhelzingen, doch uit de vreeze Gods en de studie der H. Schrift ». De liefde is evenmin een eerzame vriendschap. Want door de liefde beminnen we ook de zondaars; terwijl de eerzame vriendschap, naar de leer van den Wijsgeer, slechts de deugdzamen bemint. Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.3. Volgens de Wijsgeer zijn er drie soorten vriendschap: de genotbrengende, de voordelige en de eerzame vriendschap. Welnu de liefde is geen genotbrengende noch voordelige vriendschap. Hieronymus zegt immers: “De vriendschappelijke omgang, waarvan Christus de band is, wordt niet geboren uit de voordelen van de gemeenschapsbetrekkingen, uit lichamelijke tegenwoordigheid, uit vleierige woorden en omhelzingen, doch uit de vreze Gods en de studie van de H. Schrift”. De liefde is evenmin een eerzame vriendschap. Want door de liefde beminnen we ook de zondaars; terwijl de eerzame vriendschap, naar de leer van de Wijsgeer, slechts de deugdzamen bemint. Bijgevolg is de liefde geen vriendschap.
Sed contra est, quod Joann. 15. [v. 15] dicitur : « Jam non dicam vos servos, sed amicos meos ». Sed hoc non dicebatur eis nisi ratione charitatis. Ergo charitas est amicitia.
Daartegenover staat echter het woord bij Joannes (15. 15) : « Ik noem u geen dienstknechten meer, maar Ik heb u vrienden genoemd ». Dit werd aan de Apostelen gezegd, op grond van de liefde. Bijgevolg is de liefde een vriendschap.Daartegenover staat echter het woord bij Johannes (15, 15): “Ik noem u geen dienstknechten meer, maar Ik heb u vrienden genoemd”. Dit werd aan de Apostelen gezegd, op grond van de liefde. Bijgevolg is de liefde een vriendschap.
Respondeo dicendum, quod secundum Philos. in 8. Ethic. [cap. 2. 138et 3.] non quilibet amor habet rationem amicitiae, sed amor qui est cum benevolentia, quando scilicet sic amamus aliquem ut ei bonum velimus. Si autem rebus amatis non bonum velimus, sed ipsum eorum bonum nobis velimus, sicut dicimur amare vinum, aut equum, aut aliquid hujusmodi, non est amor amicitiae sed cujusdam concupiscentiae. Ridiculum enim est dicere quod aliquis habet amicitiam ad vinum, vel ad equum. Sed nec benevolentia sufficit ad rationem amicitiae, sed requiritur quaedam mutua amatio : quia amicus est amico amicus. Talis enim mutua benevolentia fundatur super aliquam communicationem. Cum ergo sit aliqua communicatio hominis ad Deum, secundum quod nobis suam beatitudinem communicat, super hanc communicationem oportet aliquam amicitiam fundari. De qua quidem communicatione dicitur 1. ad Cor. 1. [v. 9] : « Fidelis Deus, per quem vocati estis in societatem Filii ejus ». Amor autem super hanc communicationem fundatus est charitas. Unde manifestum est, quod 139charitas amicitia quaedam est hominis ad Deum.
Leerstelling. — Zooals de Wijsgeer zegt verdient niet elke 138liefde den naam van vriendschap. Vriendschap onderstelt immers een welwillende liefde, waardoor we iemand op zoodanige wijze beminnen dat we hém goed willen. Wanneer men echter niet het goed wil van het beminde, maar integendeel, het goed van het beminde voor zichzelf wil, — in dien zin bemint men den wijn of een paard, of iets dergelijks, — dan is er geen liefde van vriendschap doch een baatzuchtige liefde. Het ware toch belachelijk te beweren dat men de vriend is van wijn of van een paard. Zelfs de welwillendheid is niet heel de vriendschap. Deze onderstelt immers een wederkeerige welwillendheid, daar de vriend de vriend is van zijn vriend. Dergelijke wederkeerige welwillendheid is gegrondvest op een zekere mededeeling (of op een zeker onderling verkeer )*. Daar er dus een zeker verkeer tusschen den mensch en God (of een mededeeling van God aan den mensch) aangetroffen wordt, doordat God ons deelachtig maakt aan zijn zaligheid, moet om reden van deze mededeeling (of dit verkeer), een vriendschap tot stand komen. De Eerste Brief aan de Corinthiërs (1. 9) zegt daaromtrent : « God is getrouw, Hij door wien gij geroepen zijt tot de gemeenschap met zijn Zoon ». De liefde die op deze mededeeling gegrondvest is, is de deugd van liefde. 139Waaruit blijkt dat de deugd van liefde, een vriendschap is tusschen den mensch en God.Leerstelling. — Zoals de Wijsgeer zegt verdient niet elke 138liefde de naam van vriendschap. Vriendschap onderstelt immers een welwillende liefde, waardoor we iemand op zodanige wijze beminnen dat we hém goed willen. Wanneer men echter niet het goed wil van het beminde, maar integendeel, het goed van het beminde voor zichzelf wil, — in die zin bemint men de wijn of een paard, of iets dergelijks, — dan is er geen liefde van vriendschap doch een baatzuchtige liefde. Het ware toch belachelijk te beweren dat men de vriend is van wijn of van een paard. Zelfs de welwillendheid is niet heel de vriendschap. Deze onderstelt immers een wederkerige welwillendheid, daar de vriend de vriend is van zijn vriend. Dergelijke wederkerige welwillendheid is gegrondvest op een zekere mededeling (of op een zeker onderling verkeer )*. Daar er dus een zeker verkeer tussen de mens en God (of een mededeling van God aan de mens) aangetroffen wordt, doordat God ons deelachtig maakt aan zijn zaligheid, moet om reden van deze mededeling (of dit verkeer), een vriendschap tot stand komen. De Eerste Brief aan de Korintiërs (1, 9) zegt daaromtrent: “God is getrouw, Hij door wie gij geroepen zijt tot de gemeenschap met zijn Zoon”. De liefde die op deze mededeling gegrondvest is, is de deugd van liefde. 139Waaruit blijkt dat de deugd van liefde, een vriendschap is tussen de mens en God.
Ad primum ergo dicendum, quod duplex est hominis vita. Una quidem exterior secundum naturam sensibilem et corporalem et secundum hanc vitam non est nobis communicatio vel conversatio cum Deo et Angelis. Alia autem est vita hominis spiritualis secundum mentem, et secundum hanc vitam est nobis conversatio et cum Deo et Angelis. In praesenti quidem statu imperfecte; unde dicitur Philip. 3. [v. 20] : « Nostra conversatio in coelis est ». Sed ista conversatio perficietur in patria, quando « servi ejus servient Deo et videbunt faciem ejus », ut dicitur Apocal. ult. [v. 3, 4]. Et ideo hic est charitas imperfecta, sed perficietur in patria.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De mensch bezit een dubbel leven : ten eerste een uitwendig zintuigelijk en lichamelijk leven. Volgens dit leven, is een verkeer tusschen ons en God en de engelen niet mogelijk. Vervolgens heeft de mensch een geestelijk leven naar de ziel, en volgens dit leven is verkeer met God en de engelen mogelijk : hier op aarde op onvolmaakte wijze, naar het woord van den Brief aan de Philippenzen (3. 20) : « Ons vaderland is in den hemel »; volkomener echter in het vaderland wanneer : « de dienaars van God Hem dienen, en Zijn Aanschijn aanschouwen », zooals in het Boek der Openbaring gezegd wordt (22. 4). Hier op aarde is de liefde bijgevolg onvolmaakt; maar ze zal vervolmaakt worden in het vaderland.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De mens bezit een dubbel leven: ten eerste een uitwendig zintuigelijk en lichamelijk leven. Volgens dit leven, is een verkeer tussen ons en God en de engelen niet mogelijk. Vervolgens heeft de mens een geestelijk leven naar de ziel, en volgens dit leven is verkeer met God en de engelen mogelijk: hier op aarde op onvolmaakte wijze, naar het woord van de Brief aan de Filippenzen (3, 20): “Ons vaderland is in de hemel”; volkomener echter in het vaderland wanneer: “de dienaars van God Hem dienen, en Zijn Aanschijn aanschouwen”, zoals in het Boek van de Openbaring gezegd wordt (22, 4). Hier op aarde is de liefde bijgevolg onvolmaakt; maar ze zal vervolmaakt worden in het vaderland.
Ad secundum dicendum, quod amicitia se extendit ad aliquem dupliciter. Uno modo respectu sui ipsius, et sic amicitia numquam est nisi ad amicum. Alio modo se extendit ad aliquem respectu alterius personae, sicut si aliquis habet amicitiam ad aliquem hominem, ratione cujus diligit omnes 140ad illum hominem pertinentes sive filios, sive servos, sive qualitercumque ei attinentes. Et tanta potest esse dilectio amici quod propter amicum amentur hi, qui ad ipsum pertinent, etiamsi nos offendant, vel odiant. Et hoc modo amicitia charitatis se extendit etiam ad inimicos, quos diligimus ex charitate in ordine ad Deum. ad quem principaliter habetur amicitia charitatis.
2. De vriendschap strekt zich tot iemand uit, op een dubbele wijze : Vooreerst, omvat ze iemand persoonlijk om hemzelf; in dezen zin is nooit iemand anders dan de vriend het voorwerp van de vriendschap. Ten tweede, omvat ze iemand om wille van een ander; want wanneer iemand een vriend heeft, dan bemint hij ook al diegenen die zijn vriend dierbaar zijn, nl. zijn kinderen, 140zijn dienaars, of hoe ze hem ook aanbelangen. En die genegenheid tot een vriend kan zoo groot zijn, dat men allen die de vriend bemint ook liefheeft, zelfs wanneer ze ons beleedigen of haten. Zoodoende omvat de liefde ook de vijanden, die we beminnen uit liefde tot God, die het voornaamste voorwerp der vriendschapsliefde is.2. De vriendschap strekt zich tot iemand uit, op een dubbele wijze: Vooreerst, omvat ze iemand persoonlijk om hemzelf; in deze zin is nooit iemand anders dan de vriend het voorwerp van de vriendschap. Ten tweede, omvat ze iemand om wille van een ander; want wanneer iemand een vriend heeft, dan bemint hij ook al diegenen die zijn vriend dierbaar zijn, nl. zijn kinderen, 140zijn dienaars, of hoe ze hem ook aanbelangen. En die genegenheid tot een vriend kan zo groot zijn, dat men allen die de vriend bemint ook liefheeft, zelfs wanneer ze ons beledigen of haten. Zodoende omvat de liefde ook de vijanden, die we beminnen uit liefde tot God, die het voornaamste voorwerp van de vriendschapsliefde is.
Ad tertium dicendum, quod amicitia honesti non habetur nisi ad virtuosum, sicut ad principalem personam. Sed ejus intuitu diliguntur ad eum attinentes, etiamsi non sint virtuosi. Et hoc modo charitas, quae maxime est amicitia honesti, se extendit ad peccatores quos ex charitate diligimus propter Deum.
3. De deugdzame is het voornaamste voorwerp. Maar terwille van den deugdzame, bemint men diegene, die hem aanbelangen, zelfs als ze niet deugdzaam zijn. Op dergelijke wijze omvat de deugd van liefde die voornamelijk een eerzame vriendschap is de zondaars, die we uit liefde beminnen om God.3. De deugdzame is het voornaamste voorwerp. Maar terwille van de deugdzame, bemint men diegene, die hem aanbelangen, zelfs als ze niet deugdzaam zijn. Op dergelijke wijze omvat de deugd van liefde die voornamelijk een eerzame vriendschap is de zondaars, die we uit liefde beminnen om God.
Utrum charitas sit aliquid creatum in anima
Is de liefde iets geschapen in de ziel?
Ad secundum sic proceditur. Videtur quod charitas non sit aliquid 141creatum in anima. Dicit enim Augustinus in 8. de Trin. [cap. ] : « Qui proximum diligit, consequens est, ut ipsam dilectionem diligat. Deus autem dilectio est. Consequens est ergo ut praecipue Deum diligat ». Et in 15. de Trin. [cap. 17.] dicit : « Ita dictum est, Deus charitas est, sicut dictum est, Deus spiritus est ». Ergo charitas non est aliquod creatum in anima, sed est ipse Deus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geenszins iets 141geschapen is in de ziel. — 1. Augustinus zegt : « Hij die zijn evenmensch bemint, bemint daardoor de liefde zelf. Welnu, God zelf is de liefde. Bijgevolg bemint hij voornamelijk God ». En op een andere plaats : « Er is gezegd : God is liefde, zooals gezegd is : God is geest ». Derhalve is de liefde niet iets geschapen, maar God zelf.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geenszins iets 141geschapen is in de ziel. — 1. Augustinus zegt: “Hij die zijn evenmens bemint, bemint daardoor de liefde zelf. Welnu, God zelf is de liefde. Bijgevolg bemint hij voornamelijk God”. En op een andere plaats: “Er is gezegd: God is liefde, zoals gezegd is: God is geest”. Derhalve is de liefde niet iets geschapen, maar God zelf.
2. Praeterea, Deus est spiritualiter vita animae, sicut anima vita corporis, secundum illud Deut. 30 [v. 20] : « Ipse est vita tua ». Sed anima vivificat corpus per seipsam. Ergo Deus vivificat animam per seipsum. Vivificat autem eam per charitatem, secundum illud 1. Joan. 3. [v. 14] : « Nos scimus, quoniam translati sumus de morte ad vitam, quoniam diligimus fratres ». Ergo Deus est ipsa charitas.
2. God is op geestelijke wijze het leven der ziel, zooals de ziel het leven is van het lichaam, naar het woord van het Boek Deuteronomium (30. 20) : « Hij is uw leven ». Welnu, de ziel deelt rechtstreeks het leven mee aan het lichaam. Bijgevolg deelt God evenzoo rechtstreeks het leven mee aan de ziel. Welnu, dit leven wordt ons door de liefde geschonken, naar het woord uit den Eersten Brief van Joannes (3. 14) : « We weten dat we uit den dood tot het leven zijn overgegaan, omdat we de broeders beminnen ». Bijgevolg is de liefde God zelf.2. God is op geestelijke wijze het leven van de ziel, zoals de ziel het leven is van het lichaam, naar het woord van het Boek Deuteronomium (30, 20): “Hij is uw leven”. Welnu, de ziel deelt rechtstreeks het leven mee aan het lichaam. Bijgevolg deelt God evenzo rechtstreeks het leven mee aan de ziel. Welnu, dit leven wordt ons door de liefde geschonken, naar het woord uit de Eerste Brief van Johannes (3. 14): “We weten dat we uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat we de broeders beminnen”. Bijgevolg is de liefde God zelf.
3. Praeterea, nihil creatum est infinitae virtutis, sed magis omnis creatura est vanitas. Charitas autem non est vanitas, sed magis vanitati repugnat, et est infinitae virtutis, quia animam hominis ad bonum infinitum perducit. Ergo charitas non est aliquid creatum in anima.
3. Iets geschapen kan nooit over een oneindig vermogen beschikken; ieder schepsel is veeleer ijdelheid. Welnu, de liefde is geen ijdelheid, zij is eerder in strijd met de ijdelheid. Ze is immers een oneindige kracht, want door haar bereikt de ziel van den mensch een oneindig goed. Bijgevolg is de liefde niet iets geschapen in de ziel.3. Iets geschapen kan nooit over een oneindig vermogen beschikken; ieder schepsel is veeleer ijdelheid. Welnu, de liefde is geen ijdelheid, zij is eerder in strijd met de ijdelheid. Ze is immers een oneindige kracht, want door haar bereikt de ziel van de mens een oneindig goed. Bijgevolg is de liefde niet iets geschapen in de ziel.
142Sed contra est, quod Augustinus dicit in 3. de Doctr. Christ. [cap. 10.] : « Charitatem voco motum animi ad fruendum Deo propter ipsum ». Sed motus animi est aliquid creatum in anima. Ergo et charitas est aliquid creatum in anima.
142Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt : « Ik noem de liefde de neiging van de ziel die het genieten van God nastreeft om Hemzelf ». Welnu een neiging is iets geschapen. Bijgevolg is ook de liefde iets geschapen.142Daartegenover staat echter, wat Augustinus zegt: “Ik noem de liefde de neiging van de ziel die het genieten van God nastreeft om Hemzelf”. Welnu een neiging is iets geschapen. Bijgevolg is ook de liefde iets geschapen.
Respondeo dicendum, quod, Magister perscrutatur hanc quaestionem in 17. distinct. 1. lib. Sent. et ponit, quod charitas non est aliquid creatum in anima, sed est ipse Spiritus Sanctus mentem inhabitans. Nec est sua intentio quod iste motus dilectionis quo Deum diligimus, sit ipse Spiritus Sanctus. Sed quod iste motus dilectionis est a Spiritu Sancto, non mediante aliquo habitu, sicut a Spiritu Sancto sunt alii actus virtuosi mediantibus habitibus aliarum virtutum, puta fidei, aut spei, aut alicujus alterius virtutis. Et hoc dicebat propter excellentiam charitatis. Sed si quis recte consideret, hoc magis redundat in charitatis detrimentum. Non enim motus charitatis ita procedit a Spiritu Sancto movente humanam mentem, quod humana mens sit mota tantum, et nullo modo sit principium hujus motus, 143sicut cum aliquod corpus movetur ab aliquo exteriori movente. Hoc enim est contra rationem voluntarii, cujus oportet principium in ipso esse, sicut supra dictum est [1-2. q. 6. art. 1.]. Unde sequeretur, quod diligere non esset voluntarium quod implicat contradictionem, cum amor de sui ratione importet quod sit actus voluntatis. Similiter etiam non potest dici quod sic moveat Spiritus Sanctus voluntatem ad actum diligendi, sicut movetur instrumentum quod, etsi sit principium actus, non tamen est in ipso agere vel non agere. Sic enim etiam tolleretur ratio voluntarii, et excluderetur ratio meriti, cum tamen supra habitum sit [1-2. q. 114. art. 4.], quod dilectio charitatis est radix merendi. Sed oportet quod si voluntas moveatur a Spiritu Sancto ad diligendum, etiam ipsa sit efficiens hunc actum. Nullus autem actus perfecte producitur ab aliqua potentia activa, nisi sit ei connaturalis per aliquam formam quae sit principium actionis. Unde Deus, qui omnia movet ad debitos fines, singulis rebus indidit formas, per quas 144inclinantur ad fines sibi praestitutos a Deo; et secundum hoc « disponit omnia suaviter », ut dicitur Sap. 8. [v. 1]. Manifestum est autem, quod actus charitatis excedit naturam potentiae voluntatis. Nisi ergo aliqua forma superadderetur naturali potentiae, per quam inclinaretur ad dilectionis actum, [Hier is in de Latijnsche tekst van de uitgave een regel weggevallen.] esset facilis et delectabilis. Quod patet esse falsum, quia nulla virtus habet tantam inclinationem ad suum actum sicut charitas, nec aliqua ita delectabiliter operatur. Unde maxime necesse est quod ad actum charitatis in nobis existat aliqua habitualis forma superaddita potentiae naturali, inclinans ipsam ad charitatis actum, et faciens eam prompte et delectabiliter operari.
Leerstelling. — De Magister Sententiarum heeft deze kwestie onderzocht en hij beweert dat de liefde niet iets geschapen is in de ziel, maar de H. Geest zelf die in de ziel woont. Het is niet zijn inzicht te bevestigen dat de liefdedaad waardoor we God beminnen, de H. Geest zelf is. Maar de liefdedaad is rechtstreeks door den H. Geest veroorzaakt, zonder bemiddeling van een hebbelijkheid; zooals de daden van de andere deugden, door den H. Geest veroorzaakt worden, door bemiddeling van de hebbelijkheid der deugden, nl. de hebbelijkheid van het geloof, van de hoop of van een andere deugd. Hij beweerde dit, gezien de voortreffelijkheid der liefde. Wanneer men echter grondig over deze meening nadenkt, dan komt men tot het besluit dat zij de liefde kleineert. Want in het veroorzaken van de liefdedaad kan de H. Geest de menschelijke ziel niet zoo bewegen dat zij uitsluitend bewogen wordt en geenszins werkdadig deze 143daad voortbrengt, juist zooals een lichaam dat bewogen wordt door een uitwendigen beweger. Dit is immers in strijd met de wezenheid der willijke daad, die haar beginsel in het subjekt zelf heeft, zooals boven gezegd is (I-II. 6e Kw. 1e Art.). Men zou bijgevolg moeten besluiten dat de liefdedaad geen willijke daad is, wat tegenspraak insluit, daar de liefde uiteraard een wilsdaad is. Het is even ongegrond te beweren dat de H. Geest den wil beweegt, zooals men een werktuig beweegt. Want dit werktuig, hoewel het als beginsel van de daad kan beschouwd worden, bezit niettemin uit zichzelf het vermogen niet om te handelen of niet te handelen. En dergelijke daad kan daardoor in geen geval een willijke daad zijn, en derhalve ook geen verdienstelijke daad; terwijl we boven (I-II. 114e Kw. 4e Art.) toch hebben aangetoond dat de liefde het beginsel van de verdienste is. De wil moet bijgevolg op zoodanige wijze tot de liefdedaad bewogen worden, dat hij zelf het beginsel van de daad blijft. Geen enkele daad wordt echter op volkomene wijze door een aktief vermogen gesteld, indien ze niet natuurovereenkomstig is aan dat vermogen, dank zij een vorm die het beginsel is van de daad. Daarom heeft God, die alle wezens naar het hun aangewezen doel beweegt, aan elk wezen een eigen vorm meegedeeld, waardoor dit wezen het doel, door God vastgesteld, nastreeft. 144Zoodoende heeft God alles « ten beste beschikt », zooals in het Boek der Wijsheid (8. 1) gezegd wordt. Het is echter duidelijk dat de liefdedaad het natuurvermogen van den wil overtreft. Indien bijgevolg geen nieuwe vorm de ontoereikendheid van het natuurvermogen aanvult, zoodat de wil tot de liefdedaad geneigd wordt, dan is die daad onvolmaakter dan de natuurdaden en de daden der andere deugden; zij zal daarbij nooit vlot en genotvol gesteld worden. En dit is blijkbaar onjuist, daar geen enkele deugd zoo geneigd is tot haar daad, en geen deugd zoo genotvol handelt als de liefde. Het is daarom ten hoogste noodzakelijk te aanvaarden dat we, om de liefdedaad te stellen, beschikken over een hebbelijkheid die het natuurvermogen aanvult en waardoor dit vermogen tot de liefdedaad geneigd wordt en ze gemakkelijk en genotvol stelt.Leerstelling. — De Magister Sententiarum heeft deze kwestie onderzocht en hij beweert dat de liefde niet iets geschapen is in de ziel, maar de H. Geest zelf die in de ziel woont. Het is niet zijn inzicht te bevestigen dat de liefdedaad waardoor we God beminnen, de H. Geest zelf is. Maar de liefdedaad is rechtstreeks door de H. Geest veroorzaakt, zonder bemiddeling van een hebbelijkheid; zoals de daden van de andere deugden, door de H. Geest veroorzaakt worden, door bemiddeling van de hebbelijkheid van de deugden, nl. de hebbelijkheid van het geloof, van de hoop of van een andere deugd. Hij beweerde dit, gezien de voortreffelijkheid van de liefde. Wanneer men echter grondig over deze mening nadenkt, dan komt men tot het besluit dat zij de liefde kleineert. Want in het veroorzaken van de liefdedaad kan de H. Geest de menselijke ziel niet zo bewegen dat zij uitsluitend bewogen wordt en geenszins werkdadig deze 143daad voortbrengt, juist zoals een lichaam dat bewogen wordt door een uitwendigen beweger. Dit is immers in strijd met de wezenheid van de willijke daad, die haar beginsel in het subject zelf heeft, zoals boven gezegd is (1-2 6e Kw. 1e Art.). Men zou bijgevolg moeten besluiten dat de liefdedaad geen willijke daad is, wat tegenspraak insluit, daar de liefde uiteraard een wilsdaad is. Het is even ongegrond te beweren dat de H. Geest de wil beweegt, zoals men een werktuig beweegt. Want dit werktuig, hoewel het als beginsel van de daad kan beschouwd worden, bezit niettemin uit zichzelf het vermogen niet om te handelen of niet te handelen. En dergelijke daad kan daardoor in geen geval een willijke daad zijn, en derhalve ook geen verdienstelijke daad; terwijl we boven (1-2 114e Kw. 4e Art.) toch hebben aangetoond dat de liefde het beginsel van de verdienste is. De wil moet bijgevolg op zodanige wijze tot de liefdedaad bewogen worden, dat hij zelf het beginsel van de daad blijft. Geen enkele daad wordt echter op volkomene wijze door een actief vermogen gesteld, indien ze niet natuurovereenkomstig is aan dat vermogen, dank zij een vorm die het beginsel is van de daad. Daarom heeft God, die alle wezens naar het hun aangewezen doel beweegt, aan elk wezen een eigen vorm meegedeeld, waardoor dit wezen het doel, door God vastgesteld, nastreeft. 144Zodoende heeft God alles “ten beste beschikt”, zoals in het Boek van de Wijsheid (8, 1) gezegd wordt. Het is echter duidelijk dat de liefdedaad het natuurvermogen van de wil overtreft. Indien bijgevolg geen nieuwe vorm de ontoereikendheid van het natuurvermogen aanvult, zodat de wil tot de liefdedaad geneigd wordt, dan is die daad onvolmaakter dan de natuurdaden en de daden van de andere deugden; zij zal daarbij nooit vlot en genotvol gesteld worden. En dit is blijkbaar onjuist, daar geen enkele deugd zo geneigd is tot haar daad, en geen deugd zo genotvol handelt als de liefde. Het is daarom ten hoogste noodzakelijk te aanvaarden dat we, om de liefdedaad te stellen, beschikken over een hebbelijkheid die het natuurvermogen aanvult en waardoor dit vermogen tot de liefdedaad geneigd wordt en ze gemakkelijk en genotvol stelt.
Ad primum ergo dicendum, quod ipsa essentia divina charitas est, sicut et sapientia est et bonitas est. Unde sicut dicimur boni bonitate quae est Deus, et sapientes sapientia quae est Deus, [quia bonitas qua formaliter boni sumus, est participatio quaedam divinae bonitatis, et sapientia, qua formaliter sapientes sumus, est participatio quaedam divinae sapientiae] ; 145ita etiam charitas qua formaliter diligimus proximum, est quaedam participatio divinae charitatis. Hinc1 enim modus loquendi consuetus est apud Platonicos quorum doctrinis imbutus fuit Augustinus. Quod quidam non advertentes ex verbis ejus sumpserunt occasionem errandi.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods wezenheid zelf is Liefde, zooals zij Wijsheid en Goedheid is. Evenals wij goed zijn krachtens de Goedheid van God, en wijs krachtens zijn Wijsheid, — want de goedheid waardoor wij goed zijn is een deelhebbing aan Gods Goedheid, en de wijsheid waardoor wij wijs zijn, is een deelhebbing aan zijn Wijsheid, — evenzoo is 145de liefde waarmee wij den evenmensch beminnen een deelhebbing aan de Goddelijke Liefde. Vandaar een wijze van spreken van de Platonici, van wier leer Augustinus doortrokken was. Omdat sommigen daarmee geen rekening hielden, hebben zij zijn woorden verkeerd begrepen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Gods wezenheid zelf is Liefde, zoals zij Wijsheid en Goedheid is. Evenals wij goed zijn krachtens de Goedheid van God, en wijs krachtens zijn Wijsheid, — want de goedheid waardoor wij goed zijn is een deelhebbing aan Gods Goedheid, en de wijsheid waardoor wij wijs zijn, is een deelhebbing aan zijn Wijsheid, — evenzo is 145de liefde waarmee wij de evenmens beminnen een deelhebbing aan de Goddelijke Liefde. Vandaar een wijze van spreken van de Platonici, van wier leer Augustinus doortrokken was. Omdat sommigen daarmee geen rekening hielden, hebben zij zijn woorden verkeerd begrepen.
Ad secundum dicendum, quod Deus est vita effective, et animae per charitatem et corporis per animam. Sed formaliter charitas est vita animae, sicut et anima corporis. Unde per hoc potest concludi quod sicut anima immediate unitur corpori, ita charitas animae.
2. God is de bewerkende oorzaak én van het leven der ziel door de liefde, én van het leven van het lichaam door de ziel; doch de liefde is de vormoorzaak van het leven der ziel, zooals de ziel de vormoorzaak is van het leven van het lichaam. Daaruit kan men besluiten dat evenals de ziel onmiddellijk vereenigd is met het lichaam, aldus de liefde met de ziel.2. God is de bewerkende oorzaak én van het leven van de ziel door de liefde, én van het leven van het lichaam door de ziel; doch de liefde is de vormoorzaak van het leven van de ziel, zoals de ziel de vormoorzaak is van het leven van het lichaam. Daaruit kan men besluiten dat evenals de ziel onmiddellijk verenigd is met het lichaam, aldus de liefde met de ziel.
Ad tertium dicendum, quod charitas operatur formaliter. Efficacia autem formae est secundum virtutem agentis, qui inducit formam. Et ideo patet, quod charitas non est infinita2 sed quod facit effectum infinitum, dum conjungit animam Deo, justificando ipsam, hoc demonstrat infinitatem virtutis divinae, quae est charitatis auctor.
3. De liefde werkt als vormoorzaak. Welnu een vormoorzaak ontvangt haar doeltreffendheid van dengene die deze oorzaak instort. Waaruit blijkt dat de liefde niet iets ijdel is. Als haar uitwerksel oneindig is in de vereeniging van de ziel met God, dan bewijst dit de oneindigheid van de Goddelijke Kracht, die de liefde voortbracht.3. De liefde werkt als vormoorzaak. Welnu een vormoorzaak ontvangt haar doeltreffendheid van dengene die deze oorzaak instort. Waaruit blijkt dat de liefde niet iets ijdel is. Als haar uitwerksel oneindig is in de vereniging van de ziel met God, dan bewijst dit de oneindigheid van de Goddelijke Kracht, die de liefde voortbracht.
Utrum charitas sit virtus
Is de liefde een deugd?
146Ad tertium sic proceditur. Videtur quod charitas non sit virtus. Charitas enim amicitia est quaedam. Sed amicitia a philosophis non ponitur virtus, ut in 8. lib. Ethic. [cap. 1.] patet. Neque enim connumeratur inter virtutes morales, neque etiam inter intellectuales. Ergo etiam neque charitas est virtus.
146Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen deugd is. — 1. De liefde is een vriendschap. Welnu, volgens de wijsgeeren is de vriendschap geen deugd, zooals blijkt uit de Ethica. Inderdaad de vriendschap wordt vernoemd noch onder de zedelijke, noch onder de verstandelijke deugden. Bijgevolg is de liefde geen deugd.146Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen deugd is. — 1. De liefde is een vriendschap. Welnu, volgens de wijsgeren is de vriendschap geen deugd, zoals blijkt uit de Ethica. Inderdaad de vriendschap wordt vernoemd noch onder de zedelijke, noch onder de verstandelijke deugden. Bijgevolg is de liefde geen deugd.
2. Praeterea, « Virtus est ultimum potentiae », ut dicitur in lib. 1. de Coelo, et Mundo [tex. 116.]. Sed charitas non est ultimum, sed magis gaudium, et pax. Ergo videtur quod charitas non sit virtus, sed magis gaudium et pax.
2. « De deugd is de voltooiïng van het vermogen », zooals gezegd wordt in De Coelo et Mundo. Welnu, de liefde is niet de voltooiïng; dit komt de vreugde en den vrede toe. Bijgevolg is de liefde geen deugd, maar de vreugde en de vrede zijn deugden.2. “De deugd is de voltooiing van het vermogen”, zoals gezegd wordt in De Coelo et Mundo. Welnu, de liefde is niet de voltooiing; dit komt de vreugde en de vrede toe. Bijgevolg is de liefde geen deugd, maar de vreugde en de vrede zijn deugden.
3. Praeterea, omnis virtus est quidam habitus accidentalis. Sed charitas non est habitus accidentalis, cum sit nobilior ipsa anima. Nullum autem accidens est nobilius subjecto. Ergo charitas non est virtus.
3. Alle deugd is een bijkomstige hebbelijkheid. Welnu, de liefde is geen bijkomstige hebbelijkheid, want zij is voortreffelijker dan de ziel. Welnu een bijkomstigheid kan nooit voortreffelijker zijn dan haar subjekt. Bijgevolg is de liefde geen deugd.3. Alle deugd is een bijkomstige hebbelijkheid. Welnu, de liefde is geen bijkomstige hebbelijkheid, want zij is voortreffelijker dan de ziel. Welnu een bijkomstigheid kan nooit voortreffelijker zijn dan haar subject. Bijgevolg is de liefde geen deugd.
147Sed contra est, quod Augustinus dicit in lib. de Mor. Eccl. [cap. 11] : « Charitas est virtus, quae, cum nostra affectio est rectissima, conjungit nos Deo, qua eum diligimus ».
147Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « De liefde is een deugd die, daar zij onze genegenheden regelt, ons met God vereenigt, en waardoor wij Hem beminnen ».147Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “De liefde is een deugd die, daar zij onze genegenheden regelt, ons met God verenigt, en waardoor wij Hem beminnen”.
Respondeo dicendum, quod humani actus bonitatem habent secundum quod regulantur debita regula et mensura. Et ideo humana virtus quae est principium omnium bonorum actuum hominis, consistit in attingendo regulam humanorum actuum. Quae quidem est duplex, ut supra dictum est [q. 17. art. 1.], scilicet : humana ratio, et ipse Deus. Unde sicut virtus moralis definitur per hoc, quod est secundum rectam rationem, ut patet in 2. Ethic. [cap. 6.], ita etiam attingere Deum constituit rationem virtutis, sicut etiam supra dictum est [q. 4. art. 5. et q. 17. art. 1.] de fide et spe. Unde cum charitas attingat Deum quia conjungit nos Deo, ut patet per auctoritatem Augustini inductam [in arg. sed cont.], consequens est charitatem esse virtutem.
Leerstelling. — De menschelijke handelingen zijn goed wanneer ze geregeld zijn volgens den vereischten norm en maatstaf. De menschelijke deugd, die het beginsel is van alle menschelijke goede daden, moet bijgevolg overeenkomen met den norm van de menschelijke handelingen. Die norm is dubbel, zooals vroeger gezegd is (17e Kw. 1e Art.), nl. de menschelijke rede en God zelf. Derhalve evenals de zedelijke deugd bepaald wordt door haar overeenkomst met de rechte rede, zooals de Wijsgeer zegt, evenzoo zal datgene waarvan God de maatstaf is, deugd genoemd worden, zooals boven gezegd is van het geloof en de hoop (4e Kw. 5e Art.; 17e Kw. 1e Art.). Welnu, de liefde is geregeld door God, want ze vereenigt ons met God, zooals uit Augustinus gebleken is. Bijgevolg is de liefde een deugd.Leerstelling. — De menselijke handelingen zijn goed wanneer ze geregeld zijn volgens de vereiste norm en maatstaf. De menselijke deugd, die het beginsel is van alle menselijke goede daden, moet bijgevolg overeenkomen met de norm van de menselijke handelingen. Die norm is dubbel, zoals vroeger gezegd is (17e Kw. 1e Art.), nl. de menselijke rede en God zelf. Derhalve evenals de zedelijke deugd bepaald wordt door haar overeenkomst met de rechte rede, zoals de Wijsgeer zegt, evenzo zal datgene waarvan God de maatstaf is, deugd genoemd worden, zoals boven gezegd is van het geloof en de hoop (4e Kw. 5e Art.; 17e Kw. 1e Art.). Welnu, de liefde is geregeld door God, want ze verenigt ons met God, zoals uit Augustinus gebleken is. Bijgevolg is de liefde een deugd.
Ad primum ergo dicendum, quod Philos. in 8. Ethic. non negat 148amicitiam esse virtutem, sed dicit quod est virtus vel cum virtute. Posset enim dici, quod est virtus moralis circa operationes quae sunt ad alium, sub alia tamen ratione quam justitia. Nam justitia est circa operationes quae sunt ad alium sub ratione debiti legalis. Amicitia autem sub ratione cujusdam debiti amicabilis et moralis, vel magis sub ratione beneficii gratuiti, ut patet per Philos. in 8. Ethic. [cap. 13.]. Potest tamen dici quod non est virtus per se ab aliis distincta. Non enim habet rationem laudabilis et honesti nisi ex objecto, secundum scilicet quod fundatur super honestatem virtutum. Quod patet ex hoc quod non quaelibet amicitia habet rationem laudabilis, et honesti, sicut patet in amicitia delectabilis et utilis. Unde amicitia virtuosa magis est aliquid consequens ad virtutem quam sit virtus. Nec est simile de charitate, quae non fundatur principaliter super virtutem humanam, sed super bonitatem divinam.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Wijsgeer ontkent niet dat de vriendschap een deugd is; hij beweert dat zij een 148deugd is of de deugd vergezelt. Men zou kunnen zeggen dat zij een zedelijke deugd is die onze betrekkingen met anderen regelt, doch anders dan de rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid immers regelt onze betrekkingen met anderen, opdat we elk geven waarop hij wettelijk recht heeft. De vriendschap daarentegen regelt onze betrekkingen met anderen, opdat we voldoen aan de plichten van vriendschap en zedelijke rechtschapenheid, of beter nog, opdat we welwillend anderen weldoen, zooals bij den Wijsgeer blijkt. Men kan niettemin zeggen dat de vriendschap niet uit zichzelf onderscheiden is van andere deugden. Ze is immers slechts lofwaardig en eerbaar voor zoover haar voorwerp dit is; ze onderstelt immers de eerbaarheid der deugd. Zoo treft men ook een vriendschap aan die niet lofwaardig en eerzaam is, nl. de vriendschap die alleen het genotgevende en het voordeel zoekt. Bijgevolg is de deugdzame vriendschap veeleer het gevolg van de deugd dan de deugd zelf. Doch de liefde waarover we nu spreken, hangt niet hoofdzakelijk af van de menschelijke deugd, doch van de Goddelijke Goedheid; zoodat de reden niet dezelfde is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De Wijsgeer ontkent niet dat de vriendschap een deugd is; hij beweert dat zij een 148deugd is of de deugd vergezelt. Men zou kunnen zeggen dat zij een zedelijke deugd is die onze betrekkingen met anderen regelt, doch anders dan de rechtvaardigheid. De rechtvaardigheid immers regelt onze betrekkingen met anderen, opdat we elk geven waarop hij wettelijk recht heeft. De vriendschap daarentegen regelt onze betrekkingen met anderen, opdat we voldoen aan de plichten van vriendschap en zedelijke rechtschapenheid, of beter nog, opdat we welwillend anderen weldoen, zoals bij de Wijsgeer blijkt. Men kan niettemin zeggen dat de vriendschap niet uit zichzelf onderscheiden is van andere deugden. Ze is immers slechts lofwaardig en eerbaar voor zover haar voorwerp dit is; ze onderstelt immers de eerbaarheid van de deugd. Zo treft men ook een vriendschap aan die niet lofwaardig en eerzaam is, nl. de vriendschap die alleen het genotgevende en het voordeel zoekt. Bijgevolg is de deugdzame vriendschap veeleer het gevolg van de deugd dan de deugd zelf. Doch de liefde waarover we nu spreken, hangt niet hoofdzakelijk af van de menselijke deugd, doch van de Goddelijke Goedheid; zodat de reden niet dezelfde is.
Ad secundum dicendum, quod ejusdem virtutis est diligere aliquem et gaudere de illo. Nam gaudium amorem consequitur, ut supra habitum est 149[1-2. q. 25. art. 2.], cum de passionibus ageretur. Et ideo magis ponitur virtus amor quam gaudium, quod est amoris effectus. Ultimum autem, quod ponitur in ratione virtutis non importat ordinem effectus, sed magis ordinem excessus cujusdam, sicut centum librae excedunt quadraginta.
2. Door dezelfde deugd bemint men iemand en verheugt men zich over hem. Want de vreugde volgt uit de liefde, zooals boven gezegd is (I-II. 25e Kw. 2e Art.), waar over de hartstochten 149gehandeld werd. Daarom wordt de liefde meer dan de vreugde, die een uitwerksel der liefde is, deugd genoemd. Wanneer dan in de bepaling van de deugd gesproken wordt van voltooiïng, dan bedoelt men daarmee geenszins een uitwerksel, maar een overmaat, zooals honderd frank meer is dan veertig.2. Door dezelfde deugd bemint men iemand en verheugt men zich over hem. Want de vreugde volgt uit de liefde, zoals boven gezegd is (1-2 25e Kw. 2e Art.), waar over de hartstochten 149gehandeld werd. Daarom wordt de liefde meer dan de vreugde, die een uitwerksel van de liefde is, deugd genoemd. Wanneer dan in de bepaling van de deugd gesproken wordt van voltooiing, dan bedoelt men daarmee geenszins een uitwerksel, maar een overmaat, zoals honderd frank meer is dan veertig.
Ad tertium dicendum, quod omne accidens secundum suum esse est inferius substantia, quia substantia est ens per se, accidens autem in alio. Sed secundum rationem suae speciei, accidens quidem quod causatur ex principiis subjecti, est indignius subjecto, sicut effectus causa. Accidens autem quod causatur ex participatione alicujus superioris naturae, est dignius subjecto, inquantum est similitudo superioris naturae, sicut lux diaphano. Et hoc modo charitas est dignior anima, inquantum est participatio quaedam Spiritus Sancti.
3. Een bijkomstigheid als zoodanig, is steeds minder dan een zelfstandigheid: want wat zelfstandig is staat op zichzelf, terwijl een bijkomstigheid gedragen wordt door iets anders. Wanneer men echter let op den aard der bijkomstigheid, dan is een bijkomstigheid die uit een subjekt tot stand komt minderwaardig vergeleken met het subjekt zelf; zooals een uitwerksel minderwaardig is vergeleken met zijn oorzaak. Maar een bijkomstigheid die een deelhebbing is aan een hoogere natuur, is voortreffelijker dan het subjekt, omdat zij aan die hoogere natuur gelijk is; aldus is het licht voortreffelijker dan het doorschijnende lichaam. Daarom is ook de liefde voortreffelijker dan de ziel, in zoover zij een deelhebbing is aan den H. Geest.3. Een bijkomstigheid als zodanig, is steeds minder dan een zelfstandigheid: want wat zelfstandig is staat op zichzelf, terwijl een bijkomstigheid gedragen wordt door iets anders. Wanneer men echter let op de aard van de bijkomstigheid, dan is een bijkomstigheid die uit een subject tot stand komt minderwaardig vergeleken met het subject zelf; zoals een uitwerksel minderwaardig is vergeleken met zijn oorzaak. Maar een bijkomstigheid die een deelhebbing is aan een hogere natuur, is voortreffelijker dan het subject, omdat zij aan die hogere natuur gelijk is; aldus is het licht voortreffelijker dan het doorschijnende lichaam. Daarom is ook de liefde voortreffelijker dan de ziel, in zover zij een deelhebbing is aan de H. Geest.
Utrum charitas sit virtus specialis
Is de liefde een afzonderlijke deugd?
150Ad quartum sic proceditur. Videtur quod charitas non sit virtus specialis : dicit enim Hieronymus [August. Epist. 167. olim 29.] : « Ut breviter omnem virtutis definitionem complectar; virtus est charitas qua diligitur Deus et proximus ». Et Augustinus dicit in libro de Mor. Eccles. [lib. 15. de Civ. Dei, cap. 22.], quod « virtus est ordo amoris ». Sed nulla virtus specialis ponitur in definitione virtutis communis. Ergo charitas non est specialis virtus.
150Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen afzonderlijke deugd is. — 1. Hieronymus zegt : « Om bondig de deugd te bepalen zeg ik, dat de deugd de liefde is waarmee men God en den evenmensch bemint ». Ook Augustinus leert : « De deugd is de orde van de liefde ». Welnu geen enkele afzonderlijke deugd behoort tot de bepaling der deugd in het algemeen. Bijgevolg is de liefde geen afzonderlijke deugd.150Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde geen afzonderlijke deugd is. — 1. Hieronymus zegt: “Om bondig de deugd te bepalen zeg ik, dat de deugd de liefde is waarmee men God en de evenmens bemint”. Ook Augustinus leert: “De deugd is de orde van de liefde”. Welnu geen enkele afzonderlijke deugd behoort tot de bepaling van de deugd in het algemeen. Bijgevolg is de liefde geen afzonderlijke deugd.
2. Praeterea, id quod se extendit ad opera omnium virtutum, non potest esse specialis virtus. Sed charitas se extendit ad opera omnium virtutum, secundum illud 1. ad Cor. 13. [v. 4] : « Charitas patiens est, benigna est, etc. ». Extendit etiam se ad omnia opera humana, secundum 151illud 1. ad Cor. ult. [v. 14] : « Omnia opera vestra in charitate fiant ». Ergo charitas non est specialis virtus.
2. Een deugd die betrokken is in de handelingen van alle deugden, is geen afzonderlijke deugd. Welnu de liefde is betrokken in de handelingen van alle deugden, naar het woord van den Apostel in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 4) : « De liefde is geduldig, de liefde is goedertieren, enz. ». Ze is ook betrokken in alle menschelijke handelingen, naar dit andere woord 151uit denzelfden Brief (16. 14) : « Alles geschiede bij u in liefde ». Bijgevolg is de liefde geen afzonderlijke deugd.2. Een deugd die betrokken is in de handelingen van alle deugden, is geen afzonderlijke deugd. Welnu de liefde is betrokken in de handelingen van alle deugden, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 4): “De liefde is geduldig, de liefde is goedertieren, enz.”. Ze is ook betrokken in alle menselijke handelingen, naar dit andere woord 151uit dezelfde Brief (16, 14): “Alles geschiede bij u in liefde”. Bijgevolg is de liefde geen afzonderlijke deugd.
3. Praeterea, praecepta legis respondent actibus virtutum. Sed August. in lib. de Perf. Hum. Just. [cap. 5.], dicit, « quod generalis jussio est : Diliges, et generalis prohibitio : Non concupisces ». Ergo charitas est generalis virtus.
3. De voorschriften van de wet beantwoorden aan de deugdzame daden. Welnu Augustinus zegt : « Het algemeene gebod luidt : Bemin; het algemeene verbod : Wees niet begeerig ». Bijgevolg is de liefde een algemeene deugd.3. De voorschriften van de wet beantwoorden aan de deugdzame daden. Welnu Augustinus zegt: “Het algemene gebod luidt: Bemin; het algemene verbod: Wees niet begerig”. Bijgevolg is de liefde een algemene deugd.
Sed contra. Nullum generale connumeratur speciali. Sed charitas connumeratur specialibus virtutibus, scilicet : spei, et fidei, secundum illud 1. ad Cor. 13. [v. 13] : « Nunc autem manent fides, spes, charitas, tria haec ». Ergo charitas est specialis virtus.
Daartegenover staat echter dat iets algemeens niet bij afzonderlijke dingen vermeld wordt. Welnu de liefde wordt vermeld onder de afzonderlijke deugden, samen met de hoop en het geloof, naar het woord van Paulus in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 13) : « Zoo blijven staan geloof, hoop en liefde, drie in getal ». Bijgevolg is de liefde een afzonderlijke deugd.Daartegenover staat echter dat iets algemeens niet bij afzonderlijke dingen vermeld wordt. Welnu de liefde wordt vermeld onder de afzonderlijke deugden, samen met de hoop en het geloof, naar het woord van Paulus in de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 13): “Zo blijven staan geloof, hoop en liefde, drie in getal”. Bijgevolg is de liefde een afzonderlijke deugd.
Respondeo dicendum quod actus et habitus specificantur per objecta, ut ex supra dictis patet [1-2. q. 18. art. 2. et q. 54. art. 2.]. Proprium autem objectum amoris est bonum, ut supra habitum [1-2. q. 17. art. 1.]. Et ideo ubi est specialis ratio boni, ibi est specialis ratio amoris. Bonum 152autem divinum inquantum est beatitudinis objectum, habet specialem rationem boni. Et ideo amor charitatis qui est amor hujus boni, est specialis amor. Unde et charitas est specialis virtus.
Leerstelling. — De handelingen en de vaardigheden worden soortelijk ingedeeld naar hun voorwerpen, zooals boven gezegd is (I-II. 18e Kw. 2e Art.; 54e Kw. 2e Art.). Welnu, het eigen voorwerp van de liefde is het goed, zooals boven gezegd is (I-II. 17e Kw. 1e Art.). Elk afzonderlijk goed beantwoordt daarom aan een afzonderlijke liefde. Het goddelijk goed nu, 152beschouwd als voorwerp van zaligheid, is een afzonderlijk goed. Derhalve is de deugd van liefde die de liefde tot dat goed is, een afzonderlijke liefde. Daarom is ook die liefde een afzonderlijke deugd.Leerstelling. — De handelingen en de vaardigheden worden soortelijk ingedeeld naar hun voorwerpen, zoals boven gezegd is (1-2 18e Kw. 2e Art.; 54e Kw. 2e Art.). Welnu, het eigen voorwerp van de liefde is het goed, zoals boven gezegd is (1-2 17e Kw. 1e Art.). Elk afzonderlijk goed beantwoordt daarom aan een afzonderlijke liefde. Het goddelijk goed nu, 152beschouwd als voorwerp van zaligheid, is een afzonderlijk goed. Derhalve is de deugd van liefde die de liefde tot dat goed is, een afzonderlijke liefde. Daarom is ook die liefde een afzonderlijke deugd.
Ad primum ergo dicendum, quod charitas ponitur in definitione omnis virtutis, non quia sit essentialiter omnis virtus sed quia dependent ab ea aliqualiter omnes virtutes, ut infra dicetur [art. 7.]. Sic etiam prudentia ponitur in definitione virtutum moralium, ut patet in 2. Ethic. [cap. 6.] et in 6. [cap. ult.], eo quod virtutes morales dependent a prudentia.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde wordt in de bepaling van elke deugd vernoemd, niet omdat de liefde tot de wezenheid van elke deugd behoort, doch omdat alle deugden van haar afhangen, zooals verder gezegd wordt (7e Art.). De verstandigheid ook behoort aldus tot de bepaling der zedelijke deugden zooals blijkt uit de Ethica, omdat al de zedelijke deugden van de verstandigheid afhangen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde wordt in de bepaling van elke deugd vernoemd, niet omdat de liefde tot de wezenheid van elke deugd behoort, doch omdat alle deugden van haar afhangen, zoals verder gezegd wordt (7e Art.). De verstandigheid ook behoort aldus tot de bepaling van de zedelijke deugden zoals blijkt uit de Ethica, omdat al de zedelijke deugden van de verstandigheid afhangen.
Ad secundum dicendum, quod virtus, vel ars ad quam pertinet finis ultimus, imperat virtutibus vel artibus ad quas pertinent alii fines secundarii; sicut militaris imperat equestri, ut dicitur in 1. Ethic. [cap. 1.]. Et ideo quia charitas habet pro objecto ultimum finem humanae vitae scilicet beatitudinem aeternam, ideo extendit se ad actus totius humanae vitae per modum imperii et non quasi immediate eliciens omnes actus virtutum.
2. De deugd of de kunstvaardigheid die op het einddoel betrekking heeft, beheerscht de deugden of de kunstvaardigheden die op ondergeschikte doeleinden betrekking hebben. Aldus is het africhten van paarden ondergeschikt aan de krijgskunst, zooals de Wijsgeer zegt. Het voorwerp echter van de liefde, nl. de eeuwige zaligheid, is het einddoel van het menschelijk leven. Daarom heerscht de liefde over al de daden van het menschelijk leven; maar zij zelf stelt alle deugddaden niet.2. De deugd of de kunstvaardigheid die op het einddoel betrekking heeft, beheerst de deugden of de kunstvaardigheden die op ondergeschikte doeleinden betrekking hebben. Aldus is het africhten van paarden ondergeschikt aan de krijgskunst, zoals de Wijsgeer zegt. Het voorwerp echter van de liefde, nl. de eeuwige zaligheid, is het einddoel van het menselijk leven. Daarom heerst de liefde over al de daden van het menselijk leven; maar zij zelf stelt alle deugddaden niet.
Ad tertium dicendum, quod praeceptum de diligendo dicitur esse jussio 153generalis, quia ad hoc reducuntur omnia alia praecepta, sicut ad finem, secundum illud 1. ad Tim. 1. [v. 5] : « Finis praecepti charitas est ».
3. Het gebod der liefde is een algemeene verplichting omdat de liefde het doel is van alle geboden, naar het woord van den 153Apostel in den Eersten Brief aan Timotheus (1. 5) : « Het doel der prediking is de liefde ».3. Het gebod van de liefde is een algemene verplichting omdat de liefde het doel is van alle geboden, naar het woord van de 153Apostel in de Eerste Brief aan Timoteüs (1, 5): “Het doel van de prediking is de liefde”.
Utrum charitas sit una virtus
Is de liefde één enkele deugd?
Ad quintum sic proceditur. Videtur, quod charitas non sit una virtus. Habitus enim distinguuntur secundum objecta. Sed duo sunt objecta charitatis, scilicet : Deus, et proximus, quae in infinitum ab invicem distant. Ergo charitas non est una virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet één enkele deugd is. — 1. De vaardigheden worden onderscheiden naar hun voorwerpen. Welnu, de liefde heeft een dubbel voorwerp nl. God en den evenmensch. En deze voorwerpen staan oneindig ver van elkander af. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet één enkele deugd is. — 1. De vaardigheden worden onderscheiden naar hun voorwerpen. Welnu, de liefde heeft een dubbel voorwerp nl. God en de evenmens. En deze voorwerpen staan oneindig ver van elkander af. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd.
2. Praeterea, diversae rationes objecti diversificant habitum etiamsi objectum sit realiter idem, ut ex supra dictis patet [q. 17. art. 6. ad 1; 1-2. q. 54. art. 2. ad 2.]. Sed multae sunt rationes diligendi Deum, quia ex singulis beneficiis ejus perceptis debitores sumus dilectionis ipsius. Ergo charitas non est una virtus.
2. Zelfs wanneer een voorwerp in de werkelijkheid één is doch onder verschillende opzichten beschouwd wordt, worden verschillende vaardigheden onderscheiden, zooals boven gezegd is (17e Kw. 6e Art. 1e Antw.; I-II. 54e Kw. 2e Art. 2e Antw.). Welnu, veelvuldig zijn de beschouwingen die ons tot de liefde Gods aanzetten, want elke ontvangen weldaad brengt haar liefdeplicht mee. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd.2. Zelfs wanneer een voorwerp in de werkelijkheid één is doch onder verschillende opzichten beschouwd wordt, worden verschillende vaardigheden onderscheiden, zoals boven gezegd is (17e Kw. 6e Art. 1e Antw.; 1-2 54e Kw. 2e Art. 2e Antw.). Welnu, veelvuldig zijn de beschouwingen die ons tot de liefde Gods aanzetten, want elke ontvangen weldaad brengt haar liefdeplicht mee. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd.
1543. Praeterea, sub charitate includitur amicitia ad proximum. Sed Philosophus in 8. Ethic. [cap. 11. et 12.] ponit diversas species amicitiae. Ergo charitas non est una virtus sed multiplicatur in diversas species.
1543. De vriendschap tot den evenmensch wordt onder de liefde gerekend. Welnu, de Wijsgeer verdeelt de vriendschap in velerlei soorten. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd maar zij wordt ingedeeld in afzonderlijke soorten.1543. De vriendschap tot de evenmens wordt onder de liefde gerekend. Welnu, de Wijsgeer verdeelt de vriendschap in velerlei soorten. Bijgevolg is de liefde niet één enkele deugd maar zij wordt ingedeeld in afzonderlijke soorten.
Sed contra, sicut objectum fidei est Deus, ita et charitatis. Sed fides est una virtus propter unitatem divinae veritatis, secundum illud ad Eph. 4. [v. 5] : « Una fides ». Ergo etiam charitas est una virtus propter unitatem divinae bonitatis.
Daartegenover staat echter dat, evenals God, het voorwerp is van het geloof, Hij ook het voorwerp is van de liefde. Welnu het geloof is één enkele deugd omdat de Goddelijke Waarheid één is, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (4. 5) : « Eén geloof ». Bijgevolg is ook de liefde één enkele deugd omdat de Goddelijke Goedheid één is.Daartegenover staat echter dat, evenals God, het voorwerp is van het geloof, Hij ook het voorwerp is van de liefde. Welnu het geloof is één enkele deugd omdat de Goddelijke Waarheid één is, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (4, 5): “Eén geloof”. Bijgevolg is ook de liefde één enkele deugd omdat de Goddelijke Goedheid één is.
Respondeo dicendum, quod charitas, sicut dictum est [art. 1.], est quaedam amicitia hominis ad Deum. Diversae autem amicitiarum species accipiuntur : quidem uno modo secundum diversitatem finis, et secundum hoc dicuntur tres species amicitiae, scilicet : amicitia utilis, delectabilis, et honesti. Alio modo secundum diversitatem communicationum in quibus amicitiae fundantur, sicut alia species amicitiae est consanguineorum, et alia concivium aut peregrinantium, quarum una fundatur super communicatione 155naturali, alia super communicatione civili vel peregrinationis, ut patet per Philosophum in 8. Ethic. [cap. 11. et 12.]. Neutro autem istorum modorum charitas potest dividi in plura. Nam charitatis finis est unus, scilicet divina bonitas. Est etiam et una communicatio beatitudinis aeternae super quam haec amicitia fundatur. Unde relinquitur quod charitas est simpliciter una virtus non distincta in plures species.
Leerstelling. — Zooals gezegd is (1e Art.), is de liefde een vriendschap tusschen den mensch en God. Er zijn echter verschillende soorten van vriendschap. De vriendschap wordt ten eerste ingedeeld naar de verscheidenheid van doel; aldus hebben we een drievoudige vriendschap : de voordeelige, de genotgevende en de eerzame vriendschap. De vriendschap wordt ook ingedeeld naar de verscheidenheid van verkeer waarop de vriendschap gebouwd is; aldus hebben we de vriendschap van de bloedverwanten, de burgerlijke vriendschap, de vriendschap tusschen 155reizigers. De eerste volgt uit een verkeer door de natuur zelf gewild; de andere uit het feit dat men medeburger is of samenreist. Geen van beide indeelingen is echter op de deugd van liefde toepasselijk. Het doel van die liefde is immers één, nl. de Goddelijke Goedheid. Ook de omgang is één, nl. die der eeuwige zaligheid, waarop de vriendschap gebouwd is. Bijgevolg is de liefde één enkele deugd zonder meer, niet ingedeeld in verschillende soorten.Leerstelling. — Zoals gezegd is (1e Art.), is de liefde een vriendschap tussen de mens en God. Er zijn echter verschillende soorten van vriendschap. De vriendschap wordt ten eerste ingedeeld naar de verscheidenheid van doel; aldus hebben we een drievoudige vriendschap: de voordelige, de genotgevende en de eerzame vriendschap. De vriendschap wordt ook ingedeeld naar de verscheidenheid van verkeer waarop de vriendschap gebouwd is; aldus hebben we de vriendschap van de bloedverwanten, de burgerlijke vriendschap, de vriendschap tussen 155reizigers. De eerste volgt uit een verkeer door de natuur zelf gewild; de andere uit het feit dat men medeburger is of samenreist. Geen van beide indelingen is echter op de deugd van liefde toepasselijk. Het doel van die liefde is immers één, nl. de Goddelijke Goedheid. Ook de omgang is één, nl. die van de eeuwige zaligheid, waarop de vriendschap gebouwd is. Bijgevolg is de liefde één enkele deugd zonder meer, niet ingedeeld in verschillende soorten.
Ad primum ergo dicendum, quod ratio illa directe procederet si Deus, et proximus ex aequo essent charitatis objecta. Hoc autem non est verum. Sed Deus est principale objectum charitatis, proximus autem ex charitate diligitur propter Deum.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eerste bedenking zou opgaan, indien God en de evenmensch op gelijke wijze het voorwerp van de liefde waren. Maar dit is niet het geval. God is het voornaamste voorwerp; de evenmensch wordt bemind om God.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De eerste bedenking zou opgaan, indien God en de evenmens op gelijke wijze het voorwerp van de liefde waren. Maar dit is niet het geval. God is het voornaamste voorwerp; de evenmens wordt bemind om God.
Ad secundum dicendum, quod charitate diligitur Deus propter seipsum. Unde una sola ratio diligendi attenditur principaliter a charitate, scilicet divina bonitas, quae est ejus substantia, secundum illud Psalmus 105. [v. 1] : « Confitemini Domino, quoniam bonus ». Aliae autem rationes ad diligendum inducentes vel debitum dilectionis facientes, sunt secundariae et consequentes ex prima.
2. Door de liefde wordt God om Hemzelf bemind. Bijgevolg kent de liefde hoofdzakelijk één enkele beweegreden, nl. de Goddelijke Goedheid die Gods Wezen is, naar het woord uit het Boek der Psalmen (105. 1) : « Looft den Heer, want Hij is goed ». Alle andere beschouwingen waardoor we tot de liefde aangezet worden of die een liefdeplicht meebrengen, zijn ondergeschikt aan en volgen uit die beweegreden.2. Door de liefde wordt God om Hemzelf bemind. Bijgevolg kent de liefde hoofdzakelijk één enkele beweegreden, nl. de Goddelijke Goedheid die Gods Wezen is, naar het woord uit het Boek van de Psalmen (105, 1)a: “Looft de Heer, want Hij is goed”. Alle andere beschouwingen waardoor we tot de liefde aangezet worden of die een liefdeplicht meebrengen, zijn ondergeschikt aan en volgen uit die beweegreden.
156Ad tertium dicendum, quod amicitiae humanae, de qua Philosophus loquitur, est diversus finis et diversa communicatio. Quod in charitate locum non habet, ut dictum est [in corp. art.]. Et ideo non est similis ratio.
1563. De verschillende soorten van menschelijke vriendschap waarover de Wijsgeer spreekt, zijn verschillend naar doel en omgang. De deugd van liefde kent geen dergelijk verschil, zooals gezegd werd (in de Leerst.). Bijgevolg gaat die reden niet op.1563. De verschillende soorten van menselijke vriendschap waarover de Wijsgeer spreekt, zijn verschillend naar doel en omgang. De deugd van liefde kent geen dergelijk verschil, zoals gezegd werd (in de Leerst.). Bijgevolg gaat die reden niet op.
Utrum charitas sit excellentissima virtutum
Is de liefde de uitmuntendste onder de deugden?
Ad sextum sic proceditur. Videtur quod charitas non sit excellentissima virtutum. Altioris enim potentiae altior est virtus, sicut et altior operatio. Sed intellectus est altior voluntate quia dirigit ipsam. Ergo fides quae est in intellectu, est excellentior charitate quae est in voluntate.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet de uitmuntendste is onder de deugden. — 1. Hoe voornamer vermogen, hoe voornamer deugd en hoe voornamer daad. Welnu het verstand is voornamer dan de wil, want het verstand beheerscht den wil. Bijgevolg is het geloof, dat behoort tot het verstand, uitmuntender dan de liefde, die behoort tot den wil.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet de uitmuntendste is onder de deugden. — 1. Hoe voornamer vermogen, hoe voornamer deugd en hoe voornamer daad. Welnu het verstand is voornamer dan de wil, want het verstand beheerst de wil. Bijgevolg is het geloof, dat behoort tot het verstand, uitmuntender dan de liefde, die behoort tot de wil.
2. Praeterea, illud per quod aliud operatur, videtur eo esse inferius, sicut minister per quem dominus aliquid operatur est inferior domino. Sed 157fides per dilectionem operatur, ut habetur ad Gal. 5. [v. 6]. Ergo fides est excellentior charitate.
2. Datgene wat een ander dient, is minderwaardig, zooals een dienaar waarvan de meester zich bedient, en die daarom de mindere is. Welnu, zooals de Apostel zegt in den Brief aan de 157Galaten (5. 6) : « Het geloof werkt door de liefde ». Bijgevolg is het geloof voortreffelijker dan de liefde.2. Datgene wat een ander dient, is minderwaardig, zoals een dienaar waarvan de meester zich bedient, en die daarom de mindere is. Welnu, zoals de Apostel zegt in de Brief aan de 157Galaten (5, 6): “Het geloof werkt door de liefde”. Bijgevolg is het geloof voortreffelijker dan de liefde.
3. Praeterea. illud quod se habet ex additione ad aliud, videtur esse perfectius. Sed spes videtur se habere ex additione ad charitatem. Nam charitatis objectum est bonum, spei autem objectum est bonum arduum. Ergo spes est excellentior charitate.
3. Wat aan iets anders toegevoegd wordt, is volmaakter dan dit andere. Welnu de hoop is toegevoegd aan de liefde. Het voorwerp van de liefde immers is het goed, het voorwerp van de hoop, het goed dat moeilijk te bereiken is. Bijgevolg is de hoop uitmuntender dan de liefde.
Sed contra est, quod dicitur 1. ad Cor. 13. [v. 13] : « Major horum est charitas ».
Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 13) : « Maar de grootste daarvan is de liefde ».Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 13): “Maar de grootste daarvan is de liefde”.
Respondeo dicendum, quod cum bonum in humanis actibus attendatur secundum quod regulantur debita regula, necesse est quod virtus humana, quae est principium bonorum actuum, consistat in attingendo humanorum actuum regulam. Est autem duplex regula humanorum actuum, ut supra dictum est [art. 3.], scilicet : ratio humana et Deus. Sed Deus est prima regula a qua etiam humana ratio regulanda est. Et ideo virtutes 158theologicae quae consistunt in attingendo illam regulam primam, eo quod earum objectum est Deus, excellentiores sunt virtutibus moralibus, vel intellectualibus, quae consistunt in attingendo rationem humanam. Propter quod oportet quod etiam inter ipsas virtutes theologicas illa sit potior quae magis Deum attingit. Semper autem id quod est per se, magis est eo quod est per aliud. Fides autem et spes attingunt quidem Deum secundum quod ex ipso provenit nobis vel cognitio veri vel adeptio boni. Sed charitas attingit ipsum Deum ut in ipso sistat, non ut ex eo aliquid nobis proveniat. Et ideo charitas est excellentior fide et spe, et per consequens omnibus aliis virtutibus. Sicut etiam prudentia quae attingit rationem secundum se, est excellentior quam aliae virtutes morales quae attingunt rationem secundum quod ex ea medium constituitur in operationibus vel passionibus humanis.
Leerstelling. — De menschelijke handelingen zijn goed doordat ze door den vereischten maatstaf geregeld worden. Daaruit volgt dat de menschelijke deugd, die het beginsel der goede handelingen is, moet overeenstemmen met den norm van de menschelijke handelingen. Welnu, zooals boven gezegd werd (3e Art.), is de norm der menschelijke daden tweevoudig : de menschelijke rede en God. God is de eerste norm, die ook de menschelijke rede regelt. Bijgevolg zijn de goddelijke deugden, die 158volgens dien hoogsten maatstaf geregeld worden, daar ze God zelf als voorwerp hebben, voortreffelijker dan de zedelijke of verstandelijke deugden, die geregeld worden door de menschelijke rede. Daarom nog moet onder de goddelijke deugden deze deugd de uitmuntendste zijn, die God het dichtst nabijkomt. Welnu wat door zichzelf is, is voortreffelijker dan wat door iets anders is. Het geloof nu en de hoop zijn op God gericht, in zoover wij door Hem de kennis der waarheid verwerven of het goede bekomen. De liefde daarentegen, vereenigt ons met God, om bij Hem te rusten, zonder iets anders te verwachten. Waaruit duidelijk blijkt dat de liefde uitmuntender is dan het geloof en de hoop, en dus dan alle andere deugden. Derwijze is ook de verstandigheid die onmiddellijk de rede zelf regelt, uitmuntender dan de andere zedelijke deugden die slechts overeenstemmen met den maatstaf van de rede in zoover deze den middenweg aanwijst, die de menschelijke handelingen en hartstochten moeten volgen.Leerstelling. — De menselijke handelingen zijn goed doordat ze door de vereiste maatstaf geregeld worden. Daaruit volgt dat de menselijke deugd, die het beginsel van de goede handelingen is, moet overeenstemmen met de norm van de menselijke handelingen. Welnu, zoals boven gezegd werd (3e Art.), is de norm van de menselijke daden tweevoudig: de menselijke rede en God. God is de eerste norm, die ook de menselijke rede regelt. Bijgevolg zijn de goddelijke deugden, die 158volgens die hoogste maatstaf geregeld worden, daar ze God zelf als voorwerp hebben, voortreffelijker dan de zedelijke of verstandelijke deugden, die geregeld worden door de menselijke rede. Daarom nog moet onder de goddelijke deugden deze deugd de uitmuntendste zijn, die God het dichtst nabijkomt. Welnu wat door zichzelf is, is voortreffelijker dan wat door iets anders is. Het geloof nu en de hoop zijn op God gericht, in zover wij door Hem de kennis van de waarheid verwerven of het goede bekomen. De liefde daarentegen, verenigt ons met God, om bij Hem te rusten, zonder iets anders te verwachten. Waaruit duidelijk blijkt dat de liefde uitmuntender is dan het geloof en de hoop, en dus dan alle andere deugden. Derwijze is ook de verstandigheid die onmiddellijk de rede zelf regelt, uitmuntender dan de andere zedelijke deugden die slechts overeenstemmen met de maatstaf van de rede in zover deze de middenweg aanwijst, die de menselijke handelingen en hartstochten moeten volgen.
Ad primum ergo dicendum, quod operatio intellectus completur secundum quod intellectum est in intelligente. Et ideo nobilitas operationis intellectualis attenditur secundum mensuram intellectus. Operatio autem 159voluntatis et cujuslibet virtutis appetitivae perficitur ex inclinatione appetentis ad rem sicut ad terminum. Ideo dignitas operationis appetitivae attenditur secundum rem quae est objectum operationis. Ea autem quae sunt infra animam, nobiliori modo sunt in anima quam in seipsis, quia unumquodque est in aliquo per modum ejus in quo est, ut habetur in libro de Causis [propos. 12. et 20.]. Quae vero sunt supra animam, nobiliori modo sunt in seipsis quam sint in anima. Et ideo eorum quae sunt infra nos, nobilior est cognitio quam dilectio. Propter quod Philosophus in 6. Ethic. [cap. 7. et 12.] praetulit virtutes intellectuales moralibus. Sed eorum quae sunt supra nos, et praecipue dilectio Dei, cognitioni praefertur. Et ideo charitas est excellentior fide.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandsdaad is af, wanneer het gekende in het kenvermogen opgenomen wordt. Daarom hangt de waarde van een verstandsdaad af, van de 159waarde van het verstand. De wilsdaad daarentegen, en de handeling van elk begeervermogen zijn af, wanneer het subjekt het begeerde ding, voor zoover het buiten het subjekt bestaat, nastreeft. Derhalve hangt de waarde van een wilsdaad af van de waarde van het begeerde voorwerp. Daaruit volgt, dat alles wat minder waarde heeft dan de ziel zelf, eenmaal opgenomen in het kenvermogen, een edeler bestaan heeft dan in zichzelf. Want alles wat in een ander opgenomen wordt deelt in de waarde van dit andere, zooals de Wijsgeer zegt. Maar alles wat hoogere waarde heeft dan de ziel, is edeler in zichzelf dan opgenomen in het kenvermogen der ziel. Bijgevolg is de kennis van de dingen die een geringer waarde hebben dan wij, edeler dan de liefde tot die dingen. Daarom stelt de Wijsgeer de verstandelijke deugden boven de zedelijke deugden. Maar de liefde tot datgene wat ons overtreft, bijzonder de liefde tot God, is uitmuntender dan de kennis van die dingen. Daarom is de liefde uitmuntender dan het geloof.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De verstandsdaad is af, wanneer het gekende in het kenvermogen opgenomen wordt. Daarom hangt de waarde van een verstandsdaad af, van de 159waarde van het verstand. De wilsdaad daarentegen, en de handeling van elk begeervermogen zijn af, wanneer het subject het begeerde ding, voor zover het buiten het subject bestaat, nastreeft. Derhalve hangt de waarde van een wilsdaad af van de waarde van het begeerde voorwerp. Daaruit volgt, dat alles wat minder waarde heeft dan de ziel zelf, eenmaal opgenomen in het kenvermogen, een edeler bestaan heeft dan in zichzelf. Want alles wat in een ander opgenomen wordt deelt in de waarde van dit andere, zoals de Wijsgeer zegt. Maar alles wat hogere waarde heeft dan de ziel, is edeler in zichzelf dan opgenomen in het kenvermogen van de ziel. Bijgevolg is de kennis van de dingen die een geringer waarde hebben dan wij, edeler dan de liefde tot die dingen. Daarom stelt de Wijsgeer de verstandelijke deugden boven de zedelijke deugden. Maar de liefde tot datgene wat ons overtreft, bijzonder de liefde tot God, is uitmuntender dan de kennis van die dingen. Daarom is de liefde uitmuntender dan het geloof.
Ad secundum dicendum, quod fides non operatur per dilectionem sicut per instrumentum, ut dominus per servum, sed sicut per formam propriam. Et ideo ratio non sequitur.
2. Het geloof bedient zich niet van de liefde als van een werktuig, zooals een meester een dienstknecht gebruikt; het geloof werkt door de liefde als door haar eigen vorm. Daarom is de reden waarop de bedenking steunt niet gegrond.2. Het geloof bedient zich niet van de liefde als van een werktuig, zoals een meester een dienstknecht gebruikt; het geloof werkt door de liefde als door haar eigen vorm. Daarom is de reden waarop de bedenking steunt niet gegrond.
Ad tertium dicendum, quod idem bonum est objectum charitatis et spei. 160Sed charitas importat unionem ad illud bonum, spes autem distantiam quamdam ab eo. Et inde est quod charitas non respicit illud bonum ut arduum, sicut spes. Quod enim jam unitum est, non habet rationem ardui. Et ex hoc apparet quod charitas est perfectior spe.
3. Hetzelfde goed is het voorwerp van de liefde en van de 160hoop. Doch de liefde zegt eeniging met dit goed, de hoop echter afstand er van. Daarom is dit goed voor de liefde geen lastig bereikbaar goed, zooals voor de hoop; want datgene waarmee men vereenigd is, wordt niet moeilijk bereikbaar geacht. Waaruit duidelijk is dat de liefde volmaakter is dan de hoop.3. Hetzelfde goed is het voorwerp van de liefde en van de 160hoop. Doch de liefde zegt eniging met dit goed, de hoop echter afstand er van. Daarom is dit goed voor de liefde geen lastig bereikbaar goed, zoals voor de hoop; want datgene waarmee men verenigd is, wordt niet moeilijk bereikbaar geacht. Waaruit duidelijk is dat de liefde volmaakter is dan de hoop.
Utrum sine charitate possit esse aliqua vera virtus
Is de ware deugd mogelijk zonder de liefde?
Ad septimum sic proceditur. Videtur quod sine charitate possit esse aliqua vera virtus. Virtutis enim proprium est bonum actum producere. Sed illi qui non habent charitatem, faciunt aliquos bonos actus, puta dum nudum vestiunt, famelicum pascunt, et similia operantur. Ergo sine charitate potest esse aliqua vera virtus.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de ware deugd zonder de liefde mogelijk is. — 1. Goede werken worden door de deugd uitgewerkt. Welnu, zij die de liefde niet hebben, kunnen toch goede werken doen. Ze kunnen immers de naakten kleeden, de hongerigen spijzen, enz. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de ware deugd zonder de liefde mogelijk is. — 1. Goede werken worden door de deugd uitgewerkt. Welnu, zij die de liefde niet hebben, kunnen toch goede werken doen. Ze kunnen immers de naakten kleden, de hongerigen spijzen, enz. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.
2. Praeterea, charitas non potest esse sine fide. Procedit enim « ex fide non ficta », ut Apostolus dicit 1. ad Timoth 1. [v. 5] : Sed in 161infidelibus potest esse vera castitas, dum concupiscentias cohibent, et vera justitia, dum recte judicant. Ergo vera virtus potest esse sine charitate.
2. De liefde is onmogelijk zonder geloof, want de liefde, naar het woord van Paulus in den Eersten Brief aan Timotheus (1. 5) spruit voort uit : « een ongeveinsd geloof ». Doch de ongeloovigen 161kunnen waarlijk kuisch leven wanneer ze hun driften beteugelen, ze kunnen de rechtvaardigheid beoefenen, wanneer ze juist oordeelen. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.2. De liefde is onmogelijk zonder geloof, want de liefde, naar het woord van Paulus in de Eerste Brief aan Timoteüs (1, 5) spruit voort uit: “een ongeveinsd geloof”. Doch de ongelovigen 161kunnen waarlijk kuis leven wanneer ze hun driften beteugelen, ze kunnen de rechtvaardigheid beoefenen, wanneer ze juist oordelen. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.
3. Praeterea, scientia, et ars virtutes quaedam sunt, ut patet in 6. Ethic. [cap. 3. et 4.]. Sed hujusmodi inveniuntur in hominibus peccatoribus non habentibus charitatem. Ergo vera virtus potest esse sine charitate.
3. De wetenschap en de kunstvaardigheid kunnen eenigszins deugden genoemd worden, zooals in de Ethica gezegd is. Welnu ook zondige menschen die de liefde niet bezitten, kunnen de wetenschap en de kunstvaardigheid beoefenen. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.3. De wetenschap en de kunstvaardigheid kunnen enigszins deugden genoemd worden, zoals in de Ethica gezegd is. Welnu ook zondige mensen die de liefde niet bezitten, kunnen de wetenschap en de kunstvaardigheid beoefenen. Bijgevolg is de ware deugd mogelijk zonder de liefde.
Sed contra est, quod Apostolus dicit 1. ad Cor. 13. [v. 3] : « Si distribuero in cibos pauperum omnes facultates meas, et si tradidero corpus meum ita ut ardeam, charitatem autem non habeam, nihil mihi prodest ». Sed virtus vera multum prodest, secundum illud Sap. 8. [v. 7] : « Sobrietatem, et justitiam docet, prudentiam, et virtutem, quibus in vita nihil est utilius hominibus ». Ergo sine charitate vera virtus esse non potest.
Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (13. 3) : « Al schenk ik weg al wat ik heb, al geef ik mijn lichaam om me te laten verbranden, zoo ik de liefde niet heb, het dient mij tot niets ». Welnu de ware deugd dient tot veel, naar het woord van het Boek der Wijsheid (8. 7) : « Want zij leert matigheid en rechtvaardigheid, voorzichtigheid en sterkte; en niets bestaat er wat nuttiger is voor den mensch in zijn leven ». Bijgevolg is de ware deugd zonder de liefde niet mogelijk.Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Eerste Brief aan de Korintiërs (13, 3): “Al schenk ik weg al wat ik heb, al geef ik mijn lichaam om me te laten verbranden, zo ik de liefde niet heb, het dient mij tot niets”. Welnu de ware deugd dient tot veel, naar het woord van het Boek van de Wijsheid (8, 7): “Want zij leert matigheid en rechtvaardigheid, voorzichtigheid en sterkte; en niets bestaat er wat nuttiger is voor de mens in zijn leven”. Bijgevolg is de ware deugd zonder de liefde niet mogelijk.
Respondeo dicendum, quod virtus ordinatur ad bonum, ut supra habitum est [1-2. q. 55. art. 4.]. Bonum autem principaliter est finis. 162Nam ea quae sunt ad finem non dicuntur bona, nisi in ordine ad finem. Sicut ergo duplex est finis, unus ultimus, et alius proximus, ita etiam est duplex bonum. Unum quidem ultimum, et universale; et aliud proximum, et particulare. Ultimum quidem, et principale bonum hominis est Dei fruitio, secundum illud Psalm. 72. [28] : « Mihi adhaerere Deo bonum est ». Et ad hoc ordinatur homo per charitatem. Bonum autem secundarium et quasi particulare hominis potest esse duplex : unum quidem, quod est vere bonum, utpote ordinabile quantum est in se ad principale bonum, quod est ultimus finis. Aliud autem est bonum apparens et non verum, quia abducit a finali bono. Sic ergo patet quod virtus vera simpliciter est illa quae ordinat ad principale bonum hominis, sicut etiam Philosophus in 7. Physic. [tex. 17.] dicit, quod « virtus est dispositio perfecti ad optimum ». Et sic nulla vera virtus potest esse sine charitate. Sed si accipiatur virtus secundum quod est in ordine ad aliquem finem particularem, sic potest aliqua virtus dici sine charitate inquantum ordinatur ad aliquod particulare bonum. Sed si illud 163particulare bonum non est verum bonum sed apparens, virtus etiam quae est in ordine ad hoc bonum non erit vera virtus sed falsa similitudo virtutis. Sicut « non est vera virtus avarorum prudentia qua excogitant diversa genera lucrorum, et avarorum justitia, qua gravium damnorum metu contemnunt aliena, et avarorum temperantia, qua luxuriae, quae sumptuosa est cohibent appetitum, et avarorum fortitudo, qua, ut ait Horatius lib. 1. epist. 1. : « Per mare pauperiem fugiunt, per saxa, per ignes » », ut Augustinus dicit in 4. libro contra Julian. [cap. 3.]. Si vero illud bonum particulare sit verum bonum, puta conservatio civitatis vel aliquid hujusmodi, erit quidem vera virtus sed imperfecta, nisi referatur ad finale et perfectum bonum. Et secundum hoc simpliciter vera virtus sine charitate esse non potest.
Leerstelling. — De deugd is gericht op het goede, zooals boven gezegd is (I-II 55e Kw. 4e Art.). Het voornaamste goed 162nu is het doel. Want alles wat tot het doel leidt is goed, omdat het in verband staat met het doel. Welnu, er bestaat een einddoel en een naaste doel, en evenzoo een dubbel goed : een laatste en universeele goed; een naaste en particulier goed. Het bezit van God is het laatste en hoofdzakelijke doel van den mensch, naar het woord uit het Boek der Psalmen (72. 27) : « Mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven ». En het is door de liefde dat de mensch op dit goed gericht is. Het ondergeschikte en particulier goed van den mensch kan tweevoudig zijn : Ten eerste, datgene wat te recht goed genoemd wordt, omdat het uiteraard kan gericht worden op het hoofdzakelijke goed, nl. op het einddoel. Ten tweede, datgene wat slechts een schijngoed is en werkelijk geen goed, omdat het van het eindgoed afhoudt. Waaruit duidelijk volgt dat de ware deugd werkelijk en zonder meer die deugd is, welke ons richt op het hoofdzakelijke goed van den mensch, zooals ook door den Wijsgeer bevestigd wordt : « De deugd is de gesteldheid van wat volmaakt is, om het volmaaktste te worden ». Aldus beschouwd, is de ware deugd zonder de liefde niet mogelijk. Wanneer men daarentegen de deugd neemt in zoover zij gericht is op een particulier goed, dan is een ware deugd mogelijk zonder liefde. Indien dit particulier goed geen waar goed is doch een schijngoed, dan zal ook de deugd die op dit goed gericht is, geen ware 163deugd zijn, maar een valsche nabootsing van de deugd. Aldus zegt Augustinus : « De verstandigheid van den vrek die allerlei winstjes verzint, is geen ware deugd; evenmin zijn rechtvaardigheid, die andermans goed eerbiedigt uit vrees voor de kwade gevolgen; noch zijn matigheid, die ontucht vermijdt omdat deze hem in onkosten zou jagen; noch zijn sterkte, die naar het woord van Horatius de armoede vlucht, doorheen zeeën en rotsen en vuur ». Indien echter dit particuliere goed een waar goed is, b. v. de vrijwaring van het gemeenebest of iets dergelijks, dan hebben we wel een ware, maar een onvolmaakte deugd, tenzij men deze deugd ook op het laatste en volmaakte goed richt. Derhalve is de ware deugd zonder meer, buiten de liefde niet mogelijk.Leerstelling. — De deugd is gericht op het goede, zoals boven gezegd is (1-2 55e Kw. 4e Art.). Het voornaamste goed 162nu is het doel. Want alles wat tot het doel leidt is goed, omdat het in verband staat met het doel. Welnu, er bestaat een einddoel en een naaste doel, en evenzo een dubbel goed: een laatste en universele goed; een naaste en particulier goed. Het bezit van God is het laatste en hoofdzakelijke doel van de mens, naar het woord uit het Boek van de Psalmen (72, 27)a: “Mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven”. En het is door de liefde dat de mens op dit goed gericht is. Het ondergeschikte en particulier goed van de mens kan tweevoudig zijn: Ten eerste, datgene wat te recht goed genoemd wordt, omdat het uiteraard kan gericht worden op het hoofdzakelijke goed, nl. op het einddoel. Ten tweede, datgene wat slechts een schijngoed is en werkelijk geen goed, omdat het van het eindgoed afhoudt. Waaruit duidelijk volgt dat de ware deugd werkelijk en zonder meer die deugd is, welke ons richt op het hoofdzakelijke goed van de mens, zoals ook door de Wijsgeer bevestigd wordt: “De deugd is de gesteldheid van wat volmaakt is, om het volmaaktste te worden”. Aldus beschouwd, is de ware deugd zonder de liefde niet mogelijk. Wanneer men daarentegen de deugd neemt in zover zij gericht is op een particulier goed, dan is een ware deugd mogelijk zonder liefde. Indien dit particulier goed geen waar goed is doch een schijngoed, dan zal ook de deugd die op dit goed gericht is, geen ware 163deugd zijn, maar een valse nabootsing van de deugd. Aldus zegt Augustinus: “De verstandigheid van de vrek die allerlei winstjes verzint, is geen ware deugd; evenmin zijn rechtvaardigheid, die andermans goed eerbiedigt uit vrees voor de kwade gevolgen; noch zijn matigheid, die ontucht vermijdt omdat deze hem in onkosten zou jagen; noch zijn sterkte, die naar het woord van Horatius de armoede vlucht, doorheen zeeën en rotsen en vuur”. Indien echter dit particuliere goed een waar goed is, bv. de vrijwaring van het gemenebest of iets dergelijks, dan hebben we wel een ware, maar een onvolmaakte deugd, tenzij men deze deugd ook op het laatste en volmaakte goed richt. Derhalve is de ware deugd zonder meer, buiten de liefde niet mogelijk.
Ad primum ergo dicendum, quod actus alicujus charitate carentis potest esse duplex : unus quidem secundum hoc quod charitate caret, utpote cum facit aliquid in ordine ad id, per quod caret charitate. Et talis actus semper est malus, sicut Augustinus dicit in 4. contra Jul. [cap. 3.], quod actus infidelis, inquantum est infidelis, semper est peccatum etiamsi 164nudum operiat, vel quidquid aliud hujusmodi faciat ordinans ad finem suae infidelitatis. Alius autem potest esse actus charitate carentis, non secundum id quod charitate caret, sed secundum quod habet aliquod aliud donum Dei vel fidem, vel spem, vel etiam naturae bonum quod non totum per peccatum tollitur, ut supra dictum est [q. 10. art. 4. et 1-2. q. 85. art. 2.]. Et secundum hoc sine charitate potest quidem esse aliquis actus bonus ex suo genere, non tamen perfecte bonus, quia deest debita ordinatio ad ultimum finem.
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wie de liefde niet bezit, kan op twee wijzen een daad stellen : Eerstens, een daad die van hem uitgaat in zoover hij de liefde niet bezit. D. w. z. een daad die gericht is op datgene waardoor hij de liefde niet heeft. Dergelijke daad is altijd slecht. Aldus zegt Augustinus, dat de daad van den ongeloovige precies als ongeloovige, steeds zondig is, zelfs wanneer hij een naakte kleedt of iets dergelijks 164verricht en daarbij zijn ongeloof als doel heeft. Ten tweede, kan hij die de liefde niet bezit, een daad stellen, niet in zoover hij de liefde ontbeert, maar in zoover hij een andere gave Gods bezit, het geloof, de hoop, of een natuurlijke hoedanigheid. Want alle natuurlijke hoedanigheden gaan met de zonde niet verloren, zooals boven gezegd is (10e Kw. 4e Art.; I-II 85e Kw. 2e Art.). Op dergelijke wijze kan hij die de liefde niet bezit, een daad stellen die uiteraard goed is. Deze daad is echter niet volledig goed, omdat ze niet op gepaste wijze op het einddoel geordend is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Wie de liefde niet bezit, kan op twee wijzen een daad stellen: Eerstens, een daad die van hem uitgaat in zover hij de liefde niet bezit. D. w. z. een daad die gericht is op datgene waardoor hij de liefde niet heeft. Dergelijke daad is altijd slecht. Aldus zegt Augustinus, dat de daad van de ongelovige precies als ongelovige, steeds zondig is, zelfs wanneer hij een naakte kleedt of iets dergelijks 164verricht en daarbij zijn ongeloof als doel heeft. Ten tweede, kan hij die de liefde niet bezit, een daad stellen, niet in zover hij de liefde ontbeert, maar in zover hij een andere gave Gods bezit, het geloof, de hoop, of een natuurlijke hoedanigheid. Want alle natuurlijke hoedanigheden gaan met de zonde niet verloren, zoals boven gezegd is (10e Kw. 4e Art.; 1-2 85e Kw. 2e Art.). Op dergelijke wijze kan hij die de liefde niet bezit, een daad stellen die uiteraard goed is. Deze daad is echter niet volledig goed, omdat ze niet op gepaste wijze op het einddoel geordend is.
Ad secundum dicendum, quod cum finis se habeat in agibilibus, sicut principium in speculabilibus, sicut non potest esse simpliciter vera scientia, si desit recta aestimatio de primo et indemonstrabili principio, ita non potest esse simpliciter vera justitia aut vera castitas si desit ordinatio debita ad finem quae est per charitatem, quantumcumque aliquis se recte circa alia habeat.
2. Het doel is met betrekking tot datgene wat ons te doen staat, wat het beginsel is met betrekking tot datgene wat voorwerp van bespiegeling is. Evenals dan een ware wetenschap niet mogelijk is, wanneer het juiste oordeel omtrent het eerste en onbewijsbaar beginsel ontbreekt, zoo zijn evenmin ware rechtvaardigheid of kuischheid mogelijk, wanneer de vereischte, door de liefde gegeven, doelsrichting ontbreekt, hoe rechtgeordend men overigens ook weze.2. Het doel is met betrekking tot datgene wat ons te doen staat, wat het beginsel is met betrekking tot datgene wat voorwerp van bespiegeling is. Evenals dan een ware wetenschap niet mogelijk is, wanneer het juiste oordeel omtrent het eerste en onbewijsbaar beginsel ontbreekt, zo zijn evenmin ware rechtvaardigheid of kuisheid mogelijk, wanneer de vereiste, door de liefde gegeven, doelsrichting ontbreekt, hoe rechtgeordend men overigens ook weze.
Ad tertium dicendum, quod scientia et ars de sui ratione important ordinem ad aliquod particulare bonum non autem ultimum finem 165humanae vitae, sicut virtutes morales quae simpliciter faciunt hominem bonum, ut supra dictum est [1-2. q. 56. art. 3.]. Et ideo non est similis ratio.
3. De wetenschap en de kunstvaardigheid zijn uiteraard gericht op een particulier goed, zonder rechtstreeksche betrekking met het einddoel van het menschelijk leven, in tegenstelling met de zedelijke deugden die den mensch goed maken zonder meer, zooals 165vroeger werd aangetoond (I-II 56e Kw. 3e Art.). De reden is bijgevolg dezelfde niet.3. De wetenschap en de kunstvaardigheid zijn uiteraard gericht op een particulier goed, zonder rechtstreekse betrekking met het einddoel van het menselijk leven, in tegenstelling met de zedelijke deugden die de mens goed maken zonder meer, zoals 165vroeger werd aangetoond (1-2 56e Kw. 3e Art.). De reden is bijgevolg dezelfde niet.
Utrum charitas sit forma virtutum
Is de liefde de vorm van de deugden?
Ad octavum sic proceditur. Videtur, quod charitas non sit forma virtutum. Forma enim alicujus rei vel est exemplaris vel essentialis. Sed charitas non est forma exemplaris aliarum virtutum, quia sic oporteret quod aliae virtutes essent ejusdem speciei cum ipsa. Similiter etiam non est forma essentialis aliarum virtutum, quia non distingueretur ab aliis. Ergo nullo modo est forma virtutum.
Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde de vorm der deugden niet is. — 1. De vorm van iets is ofwel de wezensvorm ofwel het oerbeeld. De liefde nu is het oerbeeld der andere deugden niet, want dan zouden alle deugden soortelijk gelijk zijn met de liefde. Zij is evenmin de wezensvorm der deugden, want dan zou zij niet van de andere deugden onderscheiden zijn. Bijgevolg is de liefde op geenerlei wijze de vorm der deugden.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde de vorm van de deugden niet is. — 1. De vorm van iets is ofwel de wezensvorm ofwel het oerbeeld. De liefde nu is het oerbeeld van de andere deugden niet, want dan zouden alle deugden soortelijk gelijk zijn met de liefde. Zij is evenmin de wezensvorm van de deugden, want dan zou zij niet van de andere deugden onderscheiden zijn. Bijgevolg is de liefde op generlei wijze de vorm van de deugden.
2. Praeterea, charitas comparatur ad alias virtutes, ut radix et fundamentum, secundum illud Ephes. 3. [17] : « In charitate radicati, et fundati ». Radix autem vel fundamentum non habet rationem formae sed magis 166rationem materiae, quia est prima pars in generatione. Ergo charitas non est forma virtutum.
2. De liefde is voor de deugden wortel en grondvest, naar het woord uit den Brief aan de Ephesiërs (3. 17) : « Dat ge geworteld moogt blijven en gegrondvest in liefde ». Welnu de wortel en de 166grondvest zijn niet de vorm doch de materie van iets, want ze zijn het eerste wat ontstaat. Bijgevolg is de liefde de vorm der deugden niet.2. De liefde is voor de deugden wortel en grondvest, naar het woord uit de Brief aan de Efesiërs (3, 17): “Dat ge geworteld moogt blijven en gegrondvest in liefde”. Welnu de wortel en de 166grondvest zijn niet de vorm doch de materie van iets, want ze zijn het eerste wat ontstaat. Bijgevolg is de liefde de vorm van de deugden niet.
3. Praeterea. Forma et finis et efficiens non coincidunt in idem numero, ut patet in 2. Physic. [tex. 70.]. Sed charitas dicitur finis et mater virtutum. Ergo non debet dici forma virtutum.
3. Vorm, doel en bewerkende oorzaak zijn nooit numerisch hetzelfde, zooals in de Physica gezegd wordt. Welnu de liefde is het doel en de moeder der deugden. Ze is bijgevolg niet de vorm der deugden.3. Vorm, doel en bewerkende oorzaak zijn nooit numerisch hetzelfde, zoals in de Fysica gezegd wordt. Welnu de liefde is het doel en de moeder van de deugden. Ze is bijgevolg niet de vorm van de deugden.
Sed contra est, quod Ambrosius dicit [Gloss. Lomb. ad Rom. cap. 1. v. 17.], charitatem esse formam virtutum.
Daartegenover staat echter dat Ambrosius zegt, dat de liefde de vorm is der deugden.Daartegenover staat echter dat Ambrosius zegt, dat de liefde de vorm is van de deugden.
Respondeo dicendum, quod in moralibus forma actus attenditur principaliter ex parte finis. Cujus ratio est quia principium moralium actuum est voluntas cujus objectum et quasi forma est finis. Semper autem forma actus consequitur formam agentis. Unde oportet quod in moralibus id quod dat actu ordinem ad finem, det ei et formam. Manifestum est autem secundum praedicta [art. praec.], quod per charitatem ordinantur actus omnium aliarum virtutum ad ultimum finem. Et secundum hoc ipsa dat 167formam actibus omnium aliarum virtutum, et pro tanto dicitur esse forma virtutum. Nam et ipsae virtutes dicuntur in ordine ad actus formatos.
Leerstelling. — In de zedelijke orde wordt de vorm van de handelingen hoofdzakelijk bepaald door het doel. Dit is zoo, omdat de wil het beginsel is der zedelijke daden, en het doel het voorwerp en de zoogezegde vorm van den wil. Welnu de vorm van de handeling stemt overeen met den vorm van het handelend subjekt. Bijgevolg bepaalt datgene wat de handeling op het doel richt, den vorm van de handeling. Welnu, er is gebleken (vorig Art.) dat de liefde de handelingen van alle deugden op het einddoel richt. Daardoor bepaalt ze meteen den vorm van alle deugdzame 167daden. Daarom wordt de liefde de vorm genoemd van alle deugden. Want de deugden zijn slechts deugden, in zoover ze « gevormde » handelingen stellen.Leerstelling. — In de zedelijke orde wordt de vorm van de handelingen hoofdzakelijk bepaald door het doel. Dit is zo, omdat de wil het beginsel is van de zedelijke daden, en het doel het voorwerp en de zoogezegde vorm van de wil. Welnu de vorm van de handeling stemt overeen met de vorm van het handelend subject. Bijgevolg bepaalt datgene wat de handeling op het doel richt, de vorm van de handeling. Welnu, er is gebleken (vorig Art.) dat de liefde de handelingen van alle deugden op het einddoel richt. Daardoor bepaalt ze meteen de vorm van alle deugdzame 167daden. Daarom wordt de liefde de vorm genoemd van alle deugden. Want de deugden zijn slechts deugden, in zover ze “gevormde” handelingen stellen.
Ad primum ergo dicendum, quod charitas dicitur esse forma aliarum virtutum non quidem exemplariter aut essentialiter, sed magis effective, inquantum scilicet omnibus formam imponit secundum modum praedictum [in corp. art.].
Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde is niet de vorm der deugden, als oerbeeld of wezenheidsvorm, doch veeleer als bewerkende oorzaak die aan alle deugden hun vorm geeft, zooals gezegd is (in de Leerst.).Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De liefde is niet de vorm van de deugden, als oerbeeld of wezenheidsvorm, doch veeleer als bewerkende oorzaak die aan alle deugden hun vorm geeft, zoals gezegd is (in de Leerst.).
Ad secundum dicendum, quod charitas comparatur fundamento et radici, inquantum ex ea sustentantur et nutriuntur omnes aliae virtutes et non secundum rationem qua fundamentum et radix habent rationem causae materialis.
2. De liefde wordt genoemd wortel en grondvest aller deugden, in zoover alle deugden door de liefde gedragen en gevoed worden. Ze is geenszins wortel en grondvest, in den zin van een materieele oorzaak.2. De liefde wordt genoemd wortel en grondvest aller deugden, in zover alle deugden door de liefde gedragen en gevoed worden. Ze is geenszins wortel en grondvest, in de zin van een materiële oorzaak.
Ad tertium dicendum, quod charitas dicitur finis aliarum virtutum quia omnes alias virtutes ordinat ad finem suum. Et quia mater est quae in se concipit ex alio, ex hac ratione dicitur mater aliarum virtutum, quia ex appetitu finis ultimi concipit actus aliarum virtutum imperando ipsos.
3. De liefde is het doel van alle deugden, omdat alle deugden op haar doel gericht worden. Ze is de moeder aller deugden, omdat evenals de moeder uit een ander ontvangt, de liefde uit de neiging naar het einddoel de daden der deugden ontvangt, door deze te beheerschen.3. De liefde is het doel van alle deugden, omdat alle deugden op haar doel gericht worden. Ze is de moeder aller deugden, omdat evenals de moeder uit een ander ontvangt, de liefde uit de neiging naar het einddoel de daden van de deugden ontvangt, door deze te beheersen.