Theologische Summa · Secunda Secundae · De liefdeSumma · II-II · De liefdeSumma · II-II · Kw. 24Kw. 24
Quaestio XXIV

De charitatis subjecto in duodecim articulos divisa

Kwestie 24

Over den zetel der liefdeOver de zetel van de liefde

(Twaalf Artikelen)

168Deinde considerandum est de charitate in comparatione ad subjectum. Et circa hoc quaeruntur duodecim : 1. Utrum charitas sit in voluntate tamquam in subjecto. — 2. Utrum charitas causetur in homine ex actibus praecedentibus vel ex infusione divina. — 3. Utrum infundatur secundum capacitatem naturalium. — 4. Utrum augeatur in habente ipsam. — 5. Utrum augeatur per additionem. — 6. Utrum quolibet actu augeatur. — 7. Utrum augeatur in infinitum. — 8. Utrum charitas viae possit esse perfecta. — 9. De diversis gradibus charitatis. — 10. Utrum charitas possit diminui. — 16911. Utrum charitas semel habita possit amitti. — 12. Utrum amittatur per unum actum peccati mortalis.

168Vervolgens beschouwen we den zetel der liefde. Daaromtrent stellen wij twaalf vragen : 1. Is de wil de zetel der liefde? 2. Wordt de liefde in den mensch veroorzaakt door voorafgaande daden of wordt zij door God ingestort? 3. Wordt de liefde ingestort volgens de ontvankelijkheid der natuurlijke vermogens? 4. Vermeerdert de liefde in hem die haar bezit? 5. Vermeerdert de liefde door toevoeging? 6. Vermeerdert de liefde door elke daad? 7. Vermeerdert de liefde tot in het oneindige? 8. Kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn? 9. Over de verschillende graden der liefde. 10. Kan de liefde verminderen? 16911. Kan men de liefde verliezen? 12. Verliest men de liefde door één enkele doodzonde?168Vervolgens beschouwen we de zetel van de liefde. Daaromtrent stellen wij twaalf vragen: 1. Is de wil de zetel van de liefde? 2. Wordt de liefde in de mens veroorzaakt door voorafgaande daden of wordt zij door God ingestort? 3. Wordt de liefde ingestort volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens? 4. Vermeerdert de liefde in hem die haar bezit? 5. Vermeerdert de liefde door toevoeging? 6. Vermeerdert de liefde door elke daad? 7. Vermeerdert de liefde tot in het oneindige? 8. Kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn? 9. Over de verschillende graden van de liefde. 10. Kan de liefde verminderen? 16911. Kan men de liefde verliezen? 12. Verliest men de liefde door één enkele doodzonde?

Articulus I

Utrum voluntas sit subjectum charitatis

[1-2. q. 56. a. 6; 3. Dist. 27. q. 2. art. 3; De Verit. q. 1. art. 5.]
Ie Artikel

Is de wil de zetel der liefde?Is de wil de zetel van de liefde?

antwoord 1 ↓

Ad primum sic proceditur. Videtur, quod voluntas non sit subjectum charitatis. Charitas enim amor quidam est. Sed amor secundum Philosophum [lib. 2. Top. 3.] est in concupiscibili. Ergo et charitas est in concupiscibili et non in voluntate.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de wil de zetel der liefde niet is. — 1. De liefde is een genegenheid. Welnu, volgens den Wijsgeer behoort de genegenheid tot het begeervermogen. Bijgevolg is het begeervermogen, en niet de wil, de zetel der liefde.Bedenkingen. — Men beweert, dat de wil de zetel van de liefde niet is. — 1. De liefde is een genegenheid. Welnu, volgens de Wijsgeer behoort de genegenheid tot het begeervermogen. Bijgevolg is het begeervermogen, en niet de wil, de zetel van de liefde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, charitas est principalissima virtutum, ut supra dictum est [q. praec. art. 6.]. Sed subjectum virtutis est ratio. Ergo videtur quod charitas sit in ratione et non in voluntate.

2. Er werd gezegd (23e Kw. 6e Art.) dat de liefde de voornaamste deugd is. Welnu de zetel van de deugd is de rede. Bijgevolg is de zetel der liefde de rede, en niet de wil.2. Er werd gezegd (23e Kw. 6e Art.) dat de liefde de voornaamste deugd is. Welnu de zetel van de deugd is de rede. Bijgevolg is de zetel van de liefde de rede, en niet de wil.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, charitas se extendit ad omnes actus humanos, secundum illud 1. ad Cor. ult. [v. 14] : « Omnia vestra in charitate fiant ». Sed principium humanorum actuum est liberum arbitrium. Ergo videtur quod 170charitas maxime sit in libero arbitrio sicut in subjecto et non in voluntate.

3. De liefde strekt zich uit tot alle menschelijke handelingen, naar het woord van den Apostel in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (16. 14) : « Alles geschiede bij u in liefde ». Welnu het beginsel der menschelijke daden is het vrije beschikkingsvermogen. 170Bijgevolg is de zetel der liefde hoofdzakelijk het vrije beschikkingsvermogen, en niet de wil.3. De liefde strekt zich uit tot alle menselijke handelingen, naar het woord van de Apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (16, 14): “Alles geschiede bij u in liefde”. Welnu het beginsel van de menselijke daden is het vrije beschikkingsvermogen. 170Bijgevolg is de zetel van de liefde hoofdzakelijk het vrije beschikkingsvermogen, en niet de wil.

Sed contra est, quod objectum charitatis est bonum, quod etiam est objectum voluntatis. Ergo charitas est in voluntate sicut in subjecto.

Daartegenover staat echter dat het voorwerp van de liefde het goede is, wat ook het voorwerp is van den wil. Bijgevolg is de zetel der liefde de wil.Daartegenover staat echter dat het voorwerp van de liefde het goede is, wat ook het voorwerp is van de wil. Bijgevolg is de zetel van de liefde de wil.

Respondeo dicendum, quod cum duplex sit appetitus, sensitivus scilicet et intellectivus qui dicitur voluntas, ut in 1. habitum est [q. 80. art. 2.], utriusque objectum est bonum sed diversimode. Nam objectum appetitus sensitivi est bonum per sensum apprehensum. Objectum vero appetitus intellectivi vel voluntatis est bonum sub communi ratione boni, prout est apprehensibile ab intellectu. Charitatis autem objectum non est aliquod bonum sensibile sed bonum divinum, quod solo intellectu cognoscitur. Et ideo charitatis subjectum non est appetitus sensitivus, sed appetitus intellectivus, idest voluntas.

Leerstelling. — We bezitten een dubbel streefvermogen, een zinnelijk en een verstandelijk dat de wil is, zooals vroeger is aangetoond (I 80e Kw. 2e Art.). Beide hebben het goed als voorwerp, hoewel niet op dezelfde wijze. Het voorwerp van het zinnelijk streefvermogen is het goed door de zinnen waargenomen; het voorwerp van het verstandelijk streefvermogen is het goed in zijn algemeenheid beschouwd, en dat door het verstand waargenomen wordt. Het voorwerp van de liefde is geen zinnelijk goed, maar het goddelijk goed dat slechts door het verstand kan gekend worden. Bijgevolg is de zetel van de liefde niet het zinnelijk streefvermogen, doch het verstandelijke, dat de wil is.Leerstelling. — We bezitten een dubbel streefvermogen, een zinnelijk en een verstandelijk dat de wil is, zoals vroeger is aangetoond (I 80e Kw. 2e Art.). Beide hebben het goed als voorwerp, hoewel niet op dezelfde wijze. Het voorwerp van het zinnelijk streefvermogen is het goed door de zinnen waargenomen; het voorwerp van het verstandelijk streefvermogen is het goed in zijn algemeenheid beschouwd, en dat door het verstand waargenomen wordt. Het voorwerp van de liefde is geen zinnelijk goed, maar het goddelijk goed dat slechts door het verstand kan gekend worden. Bijgevolg is de zetel van de liefde niet het zinnelijk streefvermogen, doch het verstandelijke, dat de wil is.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod concupiscibilis est pars appetitus 171sensitivi, non autem appetitus intellectivi, ut in 1. ostensum est [q. 81. art. 2.]. Unde amor qui est in concupiscibili, est amor sensitivi boni. Ad bonum autem divinum, quod est intelligibile, concupiscibilis se extendere non potest. sed sola voluntas. Et ideo concupiscibilis subjectum charitatis esse non potest.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het begeervermogen 171maakt deel uit van het zinnelijk, niet van het verstandelijk streefvermogen, zooals boven is aangetoond (I 81e Kw. 2e Art.). Derhalve is de genegenheid die aangetroffen wordt in het begeervermogen, de liefde tot het zinnelijke goed. Het begeervermogen kan echter het goddelijke goed, dat een verstandelijk goed is, niet omvatten; dat kan slechts de wil. Bijgevolg kan het zinnelijk begeervermogen de zetel der liefde niet zijn.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het begeervermogen 171maakt deel uit van het zinnelijk, niet van het verstandelijk streefvermogen, zoals boven is aangetoond (I 81e Kw. 2e Art.). Derhalve is de genegenheid die aangetroffen wordt in het begeervermogen, de liefde tot het zinnelijke goed. Het begeervermogen kan echter het goddelijke goed, dat een verstandelijk goed is, niet omvatten; dat kan slechts de wil. Bijgevolg kan het zinnelijk begeervermogen de zetel van de liefde niet zijn.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod voluntas etiam secundum Philosophum in 3. de An. [tex. 42.], in ratione est, et ideo per hoc quod charitas est in voluntate non est aliena a ratione. Tamen ratio non est regula charitatis sicut humanarum virtutum sed regulatur a Dei sapientia et excedit regulam rationis humanae, secundum illud Ephes. 3. [v. 19] : « Supereminentem scientiae charitatem Christi ». Unde non est in ratione sicut in subjecto, sicut prudentia, neque sicut in regulante sicut justitia, vel temperantia, sed solum per quamdam affinitatem voluntatis ad rationem.

2. Volgens den Wijsgeer behoort ook de wil tot de rede. Indien dan de liefde haar zetel heeft in den wil, is zij daarom niet vreemd aan de rede. Deze regelt nochtans de liefde niet zooals zij de menschelijke deugden regelt. De liefde wordt geordend door de goddelijke wijsheid, en overtreft den norm die de menschelijke rede is, naar het woord van den Brief aan de Ephesiërs (3. 19) : « Gij zult de liefde van Christus leeren beseffen, die alle begrip te boven gaat ». Bijgevolg is de rede niet de zetel der liefde, zooals zij de zetel der verstandigheid is. De liefde is evenmin in de rede als iets wat door haar geregeld wordt, zooals de rechtvaardigheid en de matigheid. Ze behoort enkel tot de rede door een zekere verwantschap tusschen den wil en de rede.2. Volgens de Wijsgeer behoort ook de wil tot de rede. Indien dan de liefde haar zetel heeft in de wil, is zij daarom niet vreemd aan de rede. Deze regelt nochtans de liefde niet zoals zij de menselijke deugden regelt. De liefde wordt geordend door de goddelijke wijsheid, en overtreft de norm die de menselijke rede is, naar het woord van de Brief aan de Efesiërs (3, 19): “Gij zult de liefde van Christus leren beseffen, die alle begrip te boven gaat”. Bijgevolg is de rede niet de zetel van de liefde, zoals zij de zetel van de verstandigheid is. De liefde is evenmin in de rede als iets wat door haar geregeld wordt, zoals de rechtvaardigheid en de matigheid. Ze behoort enkel tot de rede door een zekere verwantschap tussen de wil en de rede.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod liberum arbitrium non est alia potentia a voluntate, ut in 1. dictum est [q. 83. art. 4.]. Et tamen charitas non 172est in voluntate secundum rationem liberi arbitrii cujus actus est eligere. Electio enim est eorum quae sunt ad finem, voluntas autem est ipsius finis, ut dicitur in 3. Ethic. [cap. 2.]. Unde charitas cujus objectum est finis ultimus, magis debet dici esse in voluntate quam in libero arbitrio.

3. Zooals boven gezegd is (I 83e Kw. 4e Art.), is het vrije beschikkingsvermogen, als vermogen niet onderscheiden van den wil. De liefde behoort nochtans niet tot den wil in zoover hij vrij 172is en het kiezen als eigen daad heeft. Men kiest immers datgene wat tot het doel leidt. De wil echter is op het doel zelf gericht, zooals in de Ethica gezegd wordt. Bijgevolg moet de liefde, die het einddoel als voorwerp heeft, haar zetel hebben in den wil veeleer dan in het vrij beschikkingsvermogen.3. Zoals boven gezegd is (I 83e Kw. 4e Art.), is het vrije beschikkingsvermogen, als vermogen niet onderscheiden van de wil. De liefde behoort nochtans niet tot de wil in zover hij vrij 172is en het kiezen als eigen daad heeft. Men kiest immers datgene wat tot het doel leidt. De wil echter is op het doel zelf gericht, zoals in de Ethica gezegd wordt. Bijgevolg moet de liefde, die het einddoel als voorwerp heeft, haar zetel hebben in de wil veeleer dan in het vrij beschikkingsvermogen.

Articulus II

Utrum charitas causetur in nobis ex infusione

[3. Cont. g. cap. 151; De duob. Praec. Prol.]
IIe Artikel

Wordt de liefde in ons ingestort?

antwoord 1 ↓

Ad secundum sic proceditur. Videtur quod charitas non causetur in nobis ex infusione. Illud enim quod est commune omnibus creaturis naturaliter hominibus inest. Sed, sicut Dionysius dicit in 4. cap. de Div. Nom. [part. 1. lect. 5.], omnibus diligibile et amabile est bonum divinum quod est objectum charitatis. Ergo charitas inest nobis naturaliter et non ex infusione.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde in ons niet wordt ingestort. — 1. Wat gemeengoed is van alle schepselen, bezit ook de mensch van natuurswege. Welnu, volgens Dionysius heeft eenieder het goddelijk goed lief, en bemint het. Dit goddelijk goed is het voorwerp der liefde. Bijgevolg bezitten we de liefde van natuurswege en wordt ze ons niet ingestort.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde in ons niet wordt ingestort. — 1. Wat gemeengoed is van alle schepselen, bezit ook de mens van natuurswege. Welnu, volgens Dionysius heeft eenieder het goddelijk goed lief, en bemint het. Dit goddelijk goed is het voorwerp van de liefde. Bijgevolg bezitten we de liefde van natuurswege en wordt ze ons niet ingestort.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, quanto aliquid est magis diligibile, tanto facilius diligi 173potest. Sed Deus est maxime diligibilis cum sit summe bonus. Ergo facilius est ipsum diligere quam alia. Sed ad alia diligenda non indigemus aliquo habitu infuso. Ergo nec etiam ad diligendum Deum.

2. Hoe beminnenswaardiger iets is, hoe gemakkelijker het 173bemind wordt. Welnu God is boven alles beminnenswaardig, daar Hij het opperste goed is. Bijgevolg kan men Hem gemakkelijker beminnen dan al het overige. Maar om dit andere te beminnen moet ons geen vaardigheid ingestort worden. Bijgevolg ook niet om God te beminnen.2. Hoe beminnenswaardiger iets is, hoe gemakkelijker het 173bemind wordt. Welnu God is boven alles beminnenswaardig, daar Hij het opperste goed is. Bijgevolg kan men Hem gemakkelijker beminnen dan al het overige. Maar om dit andere te beminnen moet ons geen vaardigheid ingestort worden. Bijgevolg ook niet om God te beminnen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea. Apostolus dicit 1. ad Tim. 1. [v. 5] : « Finis praecepti est charitas de corde puro, et conscientia bona, et fide non ficta ». Sed haec tria pertinent ad actus humanos. Ergo charitas causatur in nobis ex actibus praecedentibus et non ex infusione.

3. In den Eersten Brief aan Timotheus (1. 5) wordt gezegd : « Het doel der prediking is de liefde, die voortspruit uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof ». Welnu, deze drie dingen staan in verband met de menschelijke handelingen. Bijgevolg wordt de liefde in ons veroorzaakt door voorafgaande handelingen, en niet ingestort.3. In de Eerste Brief aan Timoteüs (1, 5) wordt gezegd: “Het doel van de prediking is de liefde, die voortspruit uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof”. Welnu, deze drie dingen staan in verband met de menselijke handelingen. Bijgevolg wordt de liefde in ons veroorzaakt door voorafgaande handelingen, en niet ingestort.

Sed contra est, quod Apostolus dicit Rom. 5. [v. 5] : « Charitas Dei diffusa est in cordibus nostris per Spiritum Sanctum, qui datus est nobis »,

Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Brief aan de Romeinen (5. 5) : « De liefde Gods is uitgestort in onze harten door den H. Geest, die ons geschonken is ».Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Brief aan de Romeinen (5, 5): “De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de H. Geest, die ons geschonken is”.

Respondeo dicendum, quod, sicut dictum est [q. praec. art. 1.], charitas est amicitia quaedam hominis ad Deum, fundata super communicationem beatitudinis aeternae. Haec autem communicatio non est secundum bona naturalia, sed secundum dona gratuita, quia, ut dicitur Rom. 6. [v. 23] : 174« Gratia Dei vita aeterna ». Unde et ipsa charitas facultatem naturae excedit. Quod autem excedit naturae facultatem non potest esse neque naturale, neque per potentias naturales acquisitum, quia effectus naturalis non transcendit suam causam. Unde charitas non potest neque naturaliter nobis inesse, neque per vires naturales est acquisita, sed per infusionem Spiritus Sancti qui est amor Patris et Filii, cujus participatio in nobis est ipsa charitas causata1, sicut supra dictum est [q. praec. art. 2.].

Leerstelling. — Zooals boven gezegd werd (23e Kw. 1e Art.), is de liefde een vriendschap tusschen den mensch en God, gegrondvest op de mededeeling der eeuwige zaligheid. Welnu deze mededeeling volgt niet uit wat we natuurlijkerwijze bezitten, maar uit vrije genadegaven, zooals in den Brief aan de Romeinen (6. 17423) gezegd wordt : « De genadegave van God is het eeuwig leven ». Bijgevolg overtreft de liefde het vermogen van de natuur. Datgene echter wat het natuurlijk vermogen overtreft, kan niet natuurlijk zijn of door de natuurlijke vermogens verworven worden, daar een natuurlijk uitwerksel zijn oorzaak niet kan overtreffen. Bijgevolg is het niet mogelijk dat de liefde ons op natuurlijke wijze eigen zou zijn, noch dat we haar door onze natuurlijke vermogens zouden verwerven. Ze is ons ingestort door de H. Geest, die de liefde is van den Vader en den Zoon. De geschapen liefde is een deelachtigheid aan die liefde, zooals boven gezegd is (23e Kw. 2e Art.).Leerstelling. — Zoals boven gezegd werd (23e Kw. 1e Art.), is de liefde een vriendschap tussen de mens en God, gegrondvest op de mededeling van de eeuwige zaligheid. Welnu deze mededeling volgt niet uit wat we natuurlijkerwijze bezitten, maar uit vrije genadegaven, zoals in de Brief aan de Romeinen (6. 17423) gezegd wordt: “De genadegave van God is het eeuwig leven”. Bijgevolg overtreft de liefde het vermogen van de natuur. Datgene echter wat het natuurlijk vermogen overtreft, kan niet natuurlijk zijn of door de natuurlijke vermogens verworven worden, daar een natuurlijk uitwerksel zijn oorzaak niet kan overtreffen. Bijgevolg is het niet mogelijk dat de liefde ons op natuurlijke wijze eigen zou zijn, noch dat we haar door onze natuurlijke vermogens zouden verwerven. Ze is ons ingestort door de H. Geest, die de liefde is van de Vader en de Zoon. De geschapen liefde is een deelachtigheid aan die liefde, zoals boven gezegd is (23e Kw. 2e Art.).

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Dionysius loquitur de dilectione Dei quae fundatur super communicationem naturalium bonorum, et ideo naturaliter omnibus inest. Sed charitas fundatur super quadam communicatione supernaturali. Unde non est similis ratio.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dionysius spreekt over de liefde die een gevolg is van de mededeeling der natuurlijke goederen. Daarom is deze liefde in allen van nature uit. De deugd van liefde echter onderstelt een bovennatuurlijke mededeeling. Bijgevolg gaat de reden niet op.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Dionysius spreekt over de liefde die een gevolg is van de mededeling van de natuurlijke goederen. Daarom is deze liefde in allen van nature uit. De deugd van liefde echter onderstelt een bovennatuurlijke mededeling. Bijgevolg gaat de reden niet op.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod sicut Deus secundum se est maxime cognoscibilis, non tamen a nobis propter defectum nostrae cognitionis quae dependet a rebus sensibilibus, ita etiam Deus in se est maxime diligibilis 175inquantum est objectum beatitudinis. Sed hoc modo non est maxime diligibilis a nobis, propter inclinationem affectus nostri ad visibilia bona. Unde patet, quod ad Deum maxime diligendum hoc modo, necesse est quod nostris cordibus etiam charitas infundatur.

2. Hoewel God uiteraard hoogst kenbaar is, toch is Hij niet kenbaar door ons, omdat onze kennis, die afhangt van het zinnelijk waarneembare, ontoereikend is. Evenzoo is God, als voorwerp van 175de zaligheid, uiteraard hoogst beminnelijk, echter niet door ons, omdat onze genegenheid naar het zichtbare getrokken wordt. Om God boven alles op die wijze te beminnen, moet de liefde in onze harten ingestort worden.2. Hoewel God uiteraard hoogst kenbaar is, toch is Hij niet kenbaar door ons, omdat onze kennis, die afhangt van het zinnelijk waarneembare, ontoereikend is. Evenzo is God, als voorwerp van 175de zaligheid, uiteraard hoogst beminnelijk, echter niet door ons, omdat onze genegenheid naar het zichtbare getrokken wordt. Om God boven alles op die wijze te beminnen, moet de liefde in onze harten ingestort worden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod cum charitas dicitur in nobis procedere « ex corde puro, et conscientia bona, et fide non ficta », hoc referendum est ad actum charitatis qui ex praemissis excitatur. Vel etiam hoc dicitur quia hujusmodi actus disponunt hominem ad recipiendum charitatis infusionem. Et similiter etiam dicendum est de eo, quod Augustinus dicit [tract. 9. in epist. Joan. ante med.], quod « timor introducit charitatem ». Et de hoc quod dicitur in Gloss. Matth. 1. quod « fides generat spem, et spes charitatem ».

3. Wanneer gezegd wordt dat de liefde voortspruit : « uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof », dan slaat dit op de liefdedaad, welke door die gesteldheden opgewekt wordt. Men kan ook zeggen dat die gesteldheden den mensch geschikt maken om de ingestorte liefde te ontvangen. Hetzelfde geldt voor het woord van Augustinus, nl. dat « de vrees, de liefde in ons binnenleidt » of voor den Glossatekst : « Het geloof teelt de hoop, de hoop de liefde ».3. Wanneer gezegd wordt dat de liefde voortspruit: “uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof”, dan slaat dit op de liefdedaad, welke door die gesteldheden opgewekt wordt. Men kan ook zeggen dat die gesteldheden de mens geschikt maken om de ingestorte liefde te ontvangen. Hetzelfde geldt voor het woord van Augustinus, nl. dat “de vrees, de liefde in ons binnenleidt” of voor de Glossatekst: “Het geloof teelt de hoop, de hoop de liefde”.

Articulus III

Utrum charitas infundatur secundum capacitatem1 naturalium

[1. q. 62. art. 6; 3. q. 69. art. 8. ad 1; 1. Dist. 17. q. 1. art. 3; 2. Dist. 3. part. 1. Exp. Litt.; 3. Dist. 31. q. 1. a. 4. qla. 1; De Virt. q. 2. art. 7. ad 9; in Matth. c. 25.]
IIIe Artikel

Wordt de liefde ingestort volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens?

antwoord 1 ↓

176Ad tertium sic proceditur. Videtur, quod charitas infundatur secundum capacitatem2 naturalium. Dicitur enim Matth. 25. [v. 15] quod « dedit unicuique secundum propriam virtutem ». Sed charitatem nulla virtus praecedit in homine nisi naturalis, quia sine charitate nulla est virtus, ut dictum est [q. praec. art. 7.]. Ergo secundum quantitatem3 virtutis naturalis infunditur homini charitas a Deo.

176Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde ingestort wordt volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens. — 1. Bij Mattheus (25. 15) lezen wij : « Hij gaf aan ieder volgens zijn bekwaamheid ». Welnu, alleen een natuurlijke bekwaamheid gaat in den mensch aan de liefde vooraf, want zonder de liefde is geen deugd mogelijk, zooals boven gezegd werd (23e Kw. 7e Art.). Dus wordt de liefde den mensch door God ingestort volgens de maat van zijn natuurlijke bekwaamheid.176Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde ingestort wordt volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens. — 1. Bij Matteüs (25, 15) lezen wij: “Hij gaf aan ieder volgens zijn bekwaamheid”. Welnu, alleen een natuurlijke bekwaamheid gaat in de mens aan de liefde vooraf, want zonder de liefde is geen deugd mogelijk, zoals boven gezegd werd (23e Kw. 7e Art.). Dus wordt de liefde de mens door God ingestort volgens de maat van zijn natuurlijke bekwaamheid.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, omnium ordinatorum ad invicem secundum proportionatur primo, sicut videmus quod in rebus naturalibus forma proportionatur materiae, et in donis gratuitis gloria proportionatur gratiae. Sed charitas, 177cum sit perfectio naturae, comparatur ad capacitatem naturalem sicut secundum ad primum. Ergo videtur, quod charitas infundatur secundum naturalium capacitatem.

2. Wanneer meerdere dingen onderling geordend zijn, dan is het tweede geëvenredigd aan het eerste. In de natuur is immers de vorm geëvenredigd aan de materie, en in de bovennatuur de 177glorie aan de genade. Welnu, daar de liefde de natuur vervolmaakt, staat zij tegenover de natuurlijke ontvankelijkheid als het tweede tegenover het eerste. Bijgevolg wordt de liefde ingestort volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, homines et Angeli secundum eamdem rationem participant charitatem, quia in utrisque est similis beatitudinis ratio, ut habetur Matth. 22. [v. 30] et Luc. 20. [v. 36]. Sed in Angelis charitas et alia dona gratuita sunt data secundum capacitatem naturalium, ut Magister dicit 3. dist. 2. lib. Sent. Ergo idem videtur esse in hominibus.

3. De deelhebbing aan de liefde is van denzelfden aard bij engelen en menschen, aangezien de zaligheid voor beiden van denzelfden aard is, zooals blijkt bij Mattheus (22. 30), en Lucas (20. 36.). Welnu, volgens de bevestiging van den Magister Sententiarum ontvangen de engelen de liefde en de andere genadegaven volgens hun natuurlijke ontvankelijkheid. Bijgevolg ook de menschen.3. De deelhebbing aan de liefde is van dezelfde aard bij engelen en mensen, aangezien de zaligheid voor beiden van dezelfde aard is, zoals blijkt bij Matteüs (22, 30), en Lukas (20, 36.). Welnu, volgens de bevestiging van de Magister Sententiarum ontvangen de engelen de liefde en de andere genadegaven volgens hun natuurlijke ontvankelijkheid. Bijgevolg ook de mensen.

Sed contra est, quod dicitur Joan. 3. [v. 8] : « Spiritus, ubi vult, spirat ». Et 1. ad Cor. 12. [v. 11] : « Haec omnia operatur unus, et idem Spiritus, dividens singulis, prout vult ». Ergo charitas datur non secundum capacitatem naturalium, sed secundum voluntatem spiritus sua dona distribuentis.

Daartegenover staat echter wat Joannes zegt (3. 8) : « De geest blaast waar hij wil ». En in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (12. 11) lezen we : « Maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt zooals het Hem goed dunkt ». Bijgevolg wordt de liefde niet toegemeten volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens, maar naar gelang de Geest zijn gaven naar goeddunken uitdeelt.Daartegenover staat echter wat Johannes zegt (3, 8): “De geest blaast waar hij wil”. En in de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 11) lezen we: “Maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt zoals het Hem goed dunkt”. Bijgevolg wordt de liefde niet toegemeten volgens de ontvankelijkheid van de natuurlijke vermogens, maar naar gelang de Geest zijn gaven naar goeddunken uitdeelt.

Respondeo dicendum, quod uniuscujusque rei quantitas dependet a 178propria causa rei, quia universalior causa effectum majorem producit. Charitas autem cum superexcedat proportionem naturae humanae, ut dictum est [art. praec.], non dependet ex aliqua naturali virtute, sed ex sola gratia Spiritus Sancti eam infundentis. Et ideo quantitas charitatis non dependet ex conditione naturae vel ex capacitate naturalis virtutis, sed solum ex voluntate Spiritus Sancti distribuentis sua dona prout vult. Unde et Apostolus dicit ad Ephes. 4. [v. 7] : « Unicuique nostrum data est gratia secundum mensuram donationis Christi ».

Leerstelling. — De hoegrootheid van elk ding is 178afhankelijk van zijn eigen oorzaak, want een meer algemeene oorzaak kan een grooter uitwerksel teweegbrengen. Welnu de liefde die, zooals boven gezegd is (vorig Art.), de menschelijke natuur te boven gaat, is van geen natuurlijke deugd afhankelijk, doch hangt uitsluitend af van de genade van den H. Geest, die haar instort. Bijgevolg is de hoegrootheid van de liefde niet afhankelijk van een natuurlijke geschiktheid of van de ontvankelijkheid van een natuurlijk vermogen, maar ze wordt uitsluitend bepaald door den wil van den H. Geest, die zijn gaven uitdeelt naar eigen goeddunken. Daarom wordt in den Brief aan de Ephesiërs (4. 7) gezegd : « Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat van Christus' gave ».Leerstelling. — De hoegrootheid van elk ding is 178afhankelijk van zijn eigen oorzaak, want een meer algemene oorzaak kan een groter uitwerksel teweegbrengen. Welnu de liefde die, zoals boven gezegd is (vorig Art.), de menselijke natuur te boven gaat, is van geen natuurlijke deugd afhankelijk, doch hangt uitsluitend af van de genade van de H. Geest, die haar instort. Bijgevolg is de hoegrootheid van de liefde niet afhankelijk van een natuurlijke geschiktheid of van de ontvankelijkheid van een natuurlijk vermogen, maar ze wordt uitsluitend bepaald door de wil van de H. Geest, die zijn gaven uitdeelt naar eigen goeddunken. Daarom wordt in de Brief aan de Efesiërs (4, 7) gezegd: “Aan ieder van ons is de genade geschonken naar de maat van Christus' gave”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod illa virtus, secundum quam sua dona Deus dat unicuique, est dispositio vel praeparatio praecedens, sive conatus gratiam accipientis. Sed hanc etiam dispositionem vel conatum praevenit Spiritus Sanctus movens mentem hominis vel plus vel minus, secundum suam voluntatem. Unde et Apostolus dicit ad Coloss. 1. [v. 12] : « Qui dignos nos fecit in partem sortis sanctorum in lumine ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De bekwaamheid volgens welke God zijn gaven aan een ieder toemeet, is een gesteldheid of een voorafgaande voorbereiding of een inspanning van hem die de genade ontvangt. Doch de H. Geest voorkomt deze gesteldheid of deze inspanning, doordat Hij naar goeddunken de ziel meer of minder er toe beweegt. Daarom zegt de Apostel in den Brief aan de Colossensen (1. 12) : « ...Die ons in staat heeft gesteld, om deel te nemen aan de erfenis der heiligen, in het licht ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De bekwaamheid volgens welke God zijn gaven aan een ieder toemeet, is een gesteldheid of een voorafgaande voorbereiding of een inspanning van hem die de genade ontvangt. Doch de H. Geest voorkomt deze gesteldheid of deze inspanning, doordat Hij naar goeddunken de ziel meer of minder er toe beweegt. Daarom zegt de Apostel in de Brief aan de Colossensen (1, 12): “...Die ons in staat heeft gesteld, om deel te nemen aan de erfenis van de heiligen, in het licht”.

↑ bedenking 2

179Ad secundum dicendum, quod forma non excedit materiae proportionem, sed sunt ejusdem generis. Similiter etiam gratia et gloria ad idem genus referuntur, quia gratia nihil est aliud quam quaedam inchoatio gloriae in nobis. Sed charitas et natura non pertinent ad idem genus. Et ideo non est similis ratio.

1792. De vorm overtreft de evenredigheid van de materie niet : ze zijn immers gelijkaardig; ook de genade en de glorie zijn gelijkaardig. De genade is immers niets anders dan een aanvang van de glorie in ons. Maar de liefde en de natuur zijn niet gelijkaardig. Bijgevolg gaat de vergelijking niet op.1792. De vorm overtreft de evenredigheid van de materie niet: ze zijn immers gelijkaardig; ook de genade en de glorie zijn gelijkaardig. De genade is immers niets anders dan een aanvang van de glorie in ons. Maar de liefde en de natuur zijn niet gelijkaardig. Bijgevolg gaat de vergelijking niet op.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod Angelus est intellectualis naturae, et secundum suam conditionem competit ei ut totaliter feratur in omne id in quod fertur, ut in 1. habitum est [q. 62. art. 6.]. Et ideo in superioribus Angelis fuit major conatus, et ad bonum in perseverantibus, et ad malum in cadentibus. Et ideo superiorum Angelorum persistentes facti sunt meliores, et cadentes facti sunt pejores aliis. Sed homo est naturae rationalis cui competit esse quandoque in potentia et quandoque in actu. Et ideo non oportet quod feratur totaliter in id in quod fertur sed ejus, qui habet meliora naturalia, potest esse minor conatus, et e converso. Et ideo non est simile.

3. De engel is een verstandelijke wezenheid, en het ligt in zijn aard onverdeeld na te streven wat hij nastreeft, zooals boven gezegd is (I 62e Kw. 6e Art.). Daarom was bij de verhevenste engelen, de poging om het goede te bezitten grooter bij diegenen die zouden volharden, en de poging om kwaad te doen grooter bij diegenen die afvallig werden. Daardoor werden de verhevenste engelen die trouw bleven beter, zij die afvallig werden slechter dan de andere. De mensch daarentegen is een redelijk wezen dat uiteraard nu eens in aanleg is, dan weer in akt. Daarom streeft hij niet onverdeeld naar datgene wat hij nastreeft. Zelfs hij die natuurlijkerwijze meer begaafd is kan zich minder moeite geven, en andersom. Bijgevolg gaat de vergelijking niet op.3. De engel is een verstandelijke wezenheid, en het ligt in zijn aard onverdeeld na te streven wat hij nastreeft, zoals boven gezegd is (I 62e Kw. 6e Art.). Daarom was bij de verhevenste engelen, de poging om het goede te bezitten groter bij diegenen die zouden volharden, en de poging om kwaad te doen groter bij diegenen die afvallig werden. Daardoor werden de verhevenste engelen die trouw bleven beter, zij die afvallig werden slechter dan de andere. De mens daarentegen is een redelijk wezen dat uiteraard nu eens in aanleg is, dan weer in act. Daarom streeft hij niet onverdeeld naar datgene wat hij nastreeft. Zelfs hij die natuurlijkerwijze meer begaafd is kan zich minder moeite geven, en andersom. Bijgevolg gaat de vergelijking niet op.

Articulus IV

Utrum charitas augeri possit

[1-2. q. 52. art. 1; q. 66. art. 1; 1 Dist. 17. q. 2. art. 1; de Malo q. 7. a. 2; de Virt. q. 1. art. 11; Quodl. 9. q. 6.]
IVe Artikel

Kan de liefde aangroeien?

antwoord 1 ↓

180Ad quartum sic proceditur. Videtur, quod charitas augeri non possit. Nihil enim augetur nisi quantum. Duplex autem est quantitas; scilicet : dimensiva et virtualis, quarum prima charitati non convenit, cum sit quaedam spiritualis perfectio. Virtualis autem quantitas attenditur secundum objecta, secundum quae charitas non crescit, quia minima charitas diligit omnia quae sunt ex charitate diligenda. Ergo charitas non augetur.

180Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet kan aangroeien. — 1. Alleen een hoegrootheid groeit aan. Welnu men kan een dubbele hoegrootheid onderscheiden: een meetbare hoegrootheid en een volmaaktheidsgrootheid. De liefde is geen meetbare hoegrootheid, want zij is een geestelijke volmaaktheid. De volmaaktheidshoegrootheid wordt geschat naar het aantal voorwerpen dat bereikt wordt. De geringste liefde echter bemint alles wat door de liefde moet bemind worden : ze kan bijgevolg niet groeien met betrekking tot het aantal voorwerpen. Bijgevolg kan de liefde niet vermeerderen.180Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet kan aangroeien. — 1. Alleen een hoegrootheid groeit aan. Welnu men kan een dubbele hoegrootheid onderscheiden: een meetbare hoegrootheid en een volmaaktheidsgrootheid. De liefde is geen meetbare hoegrootheid, want zij is een geestelijke volmaaktheid. De volmaaktheidshoegrootheid wordt geschat naar het aantal voorwerpen dat bereikt wordt. De geringste liefde echter bemint alles wat door de liefde moet bemind worden: ze kan bijgevolg niet groeien met betrekking tot het aantal voorwerpen. Bijgevolg kan de liefde niet vermeerderen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, id quod est in termino non recipit augmentum. Sed charitas est in termino quasi maxima virtutum existens et summus amor optimi boni. Ergo charitas augeri non potest.

2. Wat het hoogtepunt bereikt heeft, kan niet vermeerderen. Welnu de liefde heeft het hoogtepunt bereikt, daar zij de verhevenste der deugden is en de hoogste genegenheid voor het opperste goed. Bijgevolg kan de liefde niet vermeerderen.2. Wat het hoogtepunt bereikt heeft, kan niet vermeerderen. Welnu de liefde heeft het hoogtepunt bereikt, daar zij de verhevenste van de deugden is en de hoogste genegenheid voor het opperste goed. Bijgevolg kan de liefde niet vermeerderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, augmentum quidam motus est. Ergo quod augetur 181movetur. Quod ergo augetur essentialiter, movetur essentialiter. Sed non movetur essentialiter nisi quod corrumpitur vel generatur. Ergo charitas non potest augeri essentialiter, nisi forte de novo generetur vel corrumpatur. Quod est inconveniens.

3. Groeien is bewegen. Dus wat groeit, wordt bewogen. Groeit iets naar zijn wezen, dan wordt het naar zijn wezen bewogen. 181Doch naar zijn wezen wordt alleen bewogen wat vergaat en ontstaat. Bijgevolg kan de liefde niet naar haar wezen groeien, tenzij zij opnieuw ontstaat of vergaat. Wat bezwaarlijk kan aanvaard worden.

Sed contra est, quod Augustinus dicit super Joan. [epist. 106.], quod « charitas meretur augeri, ut aucta mereatur et perfici ».

Daartegenover staat echter het woord van Augustinus : « De liefde verdient vermeerderd te worden; en wanneer ze vermeerderd is, verdient zij voltooid te worden ».Daartegenover staat echter het woord van Augustinus: “De liefde verdient vermeerderd te worden; en wanneer ze vermeerderd is, verdient zij voltooid te worden”.

Respondeo dicendum, quod charitas viae potest augeri. Ex hoc enim dicimur esse viatores, quod in Deum tendimus qui est ultimus finis nostrae beatitudinis. In hac autem via tanto magis procedimus, quanto Deo magis propinquamus cui non appropinquatur passibus corporis sed affectibus mentis. Hanc autem propinquitatem facit charitas, quia per ipsam mens Deo unitur. Et ideo de ratione charitatis viae est ut possit augeri. Si enim non posset augeri, jam cessaret viae processus. Et ideo Apostolus charitatem viam nominat, dicens 1. ad Cor. 12. [v. 31] : « Adhuc excellentiorem 182viam vobis demonstro ».

Leerstelling. — Hier op aarde kan de liefde aangroeien. Want wij die op aarde leven, zijn op weg; we streven naar God, die het einddoel onzer zaligheid is. We gaan op dien weg vooruit naar gelang we dichter bij God komen. En we komen God naderbij, niet door lichamelijk voort te schrijden, doch doordat we Hem inniger liefhebben. De liefde brengt ons bijgevolg dichter bij God, daar onze ziel door de liefde met Hem vereenigd wordt. Derhalve is het, hier op aarde, de liefde eigen te kunnen aangroeien. Want, was die vermeerdering niet mogelijk, dan zouden we op den weg niet verder kunnen vooruitgaan. Het is daarom dat de Apostel in den Eersten Brief aan de Corinthiërs (12. 31), de liefde een weg 182noemt : « Ik wijs u een weg, die nog veel hooger ligt ».Leerstelling. — Hier op aarde kan de liefde aangroeien. Want wij die op aarde leven, zijn op weg; we streven naar God, die het einddoel van onze zaligheid is. We gaan op die weg vooruit naar gelang we dichter bij God komen. En we komen God naderbij, niet door lichamelijk voort te schrijden, doch doordat we Hem inniger liefhebben. De liefde brengt ons bijgevolg dichter bij God, daar onze ziel door de liefde met Hem verenigd wordt. Derhalve is het, hier op aarde, de liefde eigen te kunnen aangroeien. Want, was die vermeerdering niet mogelijk, dan zouden we op de weg niet verder kunnen vooruitgaan. Het is daarom dat de Apostel in de Eerste Brief aan de Korintiërs (12, 31), de liefde een weg 182noemt: “Ik wijs u een weg, die nog veel hoger ligt”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod charitati non convenit quantitas dimensiva sed solum quantitas virtualis, quae non solum attenditur secundum numerum objectorum, ut scilicet plura vel pauciora diligantur, sed etiam secundum intensionem actus, ut magis vel minus aliquid diligatur. Et hoc modo virtualis quantitas charitatis augetur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot de liefde kan men niet spreken van meetbare hoegrootheid, wel van volmaaktheidshoegrootheid. Want de volmaaktheidshoegrootheid is niet uitsluitend een kwestie van een aantal voorwerpen, zoodat men minder of meer voorwerpen liefheeft; ze duidt ook op een intensiteit, zoodat men iets minder of meer bemint. En in dien zin kan de volmaaktheidshoegrootheid der liefde vermeerderen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Met betrekking tot de liefde kan men niet spreken van meetbare hoegrootheid, wel van volmaaktheidshoegrootheid. Want de volmaaktheidshoegrootheid is niet uitsluitend een kwestie van een aantal voorwerpen, zodat men minder of meer voorwerpen liefheeft; ze duidt ook op een intensiteit, zodat men iets minder of meer bemint. En in die zin kan de volmaaktheidshoegrootheid van de liefde vermeerderen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod charitas est in summo ex parte objecti, inquantum scilicet ejus objectum est summum bonum. Et ex hoc sequitur quod ipsa sit excellentior aliis virtutibus. Non tamen1 charitas est in summo, quantum ad intensionem actus.

2. De liefde heeft den term bereikt, naar haar voorwerp beschouwd, in zoover haar voorwerp het hoogste goed is. Daaruit volgt dat ze uitmuntender is dan de andere deugden. Maar niet elke liefde heeft het hoogtepunt van de intensiteit bereikt.2. De liefde heeft de term bereikt, naar haar voorwerp beschouwd, in zover haar voorwerp het hoogste goed is. Daaruit volgt dat ze uitmuntender is dan de andere deugden. Maar niet elke liefde heeft het hoogtepunt van de intensiteit bereikt.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod quidam dixerunt charitatem non augeri secundum suam essentiam, sed solum secundum radicationem in subjecto vel secundum fervorem. Sed hi propriam vocem ignoraverunt. Cum enim accidens sit, ejus esse est inesse. Unde nihil est aliud ipsam secundum 183essentiam augeri, quam eam magis inesse subjecto, quod est magis eam radicari in subjecto. Similiter etiam ipsa essentialiter est virtus ordinata ad actum. Unde idem est ipsam augeri secundum essentiam et ipsam habere efficaciam ad producendum ferventioris dilectionis actum. Augetur ergo essentialiter, non quidem ita quod esse incipiat vel esse desinat in subjecto, sicut objectio illa procedit, sed ita quod magis ac magis in subjecto esse incipiat.

3. Sommigen hebben beweerd dat de liefde niet wezenlijk aangroeien kan. Ze zou, volgens hen, slechts dieper in het subjekt ingeworteld worden, of vuriger worden. Zij die aldus spreken, vatten de draagwijdte van hun woorden niet. De liefde behoort immers tot het geslacht der bijkomstigheden, waarvan het zijn hierop neerkomt, in een subjekt te zijn. Bijgevolg beteekent een wezenlijke vermeerdering voor de liefde niets anders dan grondiger 183in het subjekt te zijn; d. w. z. dieper ingeworteld te zijn in het subjekt. Daarbij is de liefde van natuur uit een deugd, die op de daad gericht is. Bijgevolg beteekent de wezenlijke vermeerdering voor de liefde, dat ze kracht krijgt om vuriger liefdedaden te stellen. Derhalve vermeerdert de liefde niet wezenlijk doordat ze ontstaat of verdwijnt in het subjekt, zooals de bedenking het voorstelt. Ze vermeerdert doordat ze steeds opnieuw dieper èn dieper in het subjekt ingeworteld wordt.3. Sommigen hebben beweerd dat de liefde niet wezenlijk aangroeien kan. Ze zou, volgens hen, slechts dieper in het subject ingeworteld worden, of vuriger worden. Zij die aldus spreken, vatten de draagwijdte van hun woorden niet. De liefde behoort immers tot het geslacht van de bijkomstigheden, waarvan het zijn hierop neerkomt, in een subject te zijn. Bijgevolg betekent een wezenlijke vermeerdering voor de liefde niets anders dan grondiger 183in het subject te zijn; d. w. z. dieper ingeworteld te zijn in het subject. Daarbij is de liefde van natuur uit een deugd, die op de daad gericht is. Bijgevolg betekent de wezenlijke vermeerdering voor de liefde, dat ze kracht krijgt om vuriger liefdedaden te stellen. Derhalve vermeerdert de liefde niet wezenlijk doordat ze ontstaat of verdwijnt in het subject, zoals de bedenking het voorstelt. Ze vermeerdert doordat ze steeds opnieuw dieper èn dieper in het subject ingeworteld wordt.

Articulus V

Utrum charitas augeatur per additionem

[1-2. q. 52. art. 2; 1. Dist. 17. q. 2. art. 2; de Virt. q. 1. art. 11.]
Ve Artikel

Vermeerdert de liefde door toevoeging?

antwoord 1 ↓

Ad quintum sic proceditur. Videtur quod charitas augeatur per additionem. Sicut enim est augmentum secundum quantitatem corporalem, ita secundum quantitatem virtualem. Sed augmentum quantitatis corporalis fit per additionem. Dicit enim Philosophus in 1. de Gen. [tex. 31.], quod « augmentum est praeexistenti magnitudini additamentum ». Ergo etiam 184augmentum charitatis, quod est secundum virtualem quantitatem, erit per additionem.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde vermeerdert door toevoeging. — 1. De volmaaktheidshoegrootheid vermeerdert zooals de lichamelijke hoegrootheid. Welnu de lichamelijke hoegrootheid vermeerdert door toevoeging. De Wijsgeer zegt immers dat « een vermeerdering een toevoeging is aan een reeds 184bestaande hoegrootheid ». Bijgevolg moet ook de liefde, die vermeerdert zooals een volmaaktheidshoegrootheid, door toevoeging vermeerderen.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde vermeerdert door toevoeging. — 1. De volmaaktheidshoegrootheid vermeerdert zoals de lichamelijke hoegrootheid. Welnu de lichamelijke hoegrootheid vermeerdert door toevoeging. De Wijsgeer zegt immers dat “een vermeerdering een toevoeging is aan een reeds 184bestaande hoegrootheid”. Bijgevolg moet ook de liefde, die vermeerdert zoals een volmaaktheidshoegrootheid, door toevoeging vermeerderen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, charitas in anima est quoddam spirituale lumen, secundum illud 1. Joan. 2. [v. 10] : « Qui diligit fratrem suum, in lumine manet ». Sed lumen crescit in aëre per additionem, sicut in domo lumen crescit, alia candela superaccensa. Ergo etiam charitas crescit in anima per additionem.

2. De liefde is een geestelijk licht in de ziel, naar het woord van den Eersten Brief van Joannes (2. 10) : « Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht ». Welnu het licht vermeerdert in de lucht, wanneer nieuw licht toegevoegd wordt, zooals ook in de kamer het licht vermeerdert wanneer men meerdere kaarsen aansteekt. Bijgevolg groeit de liefde in de ziel door toevoeging.2. De liefde is een geestelijk licht in de ziel, naar het woord van de Eerste Brief van Johannes (2, 10): “Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht”. Welnu het licht vermeerdert in de lucht, wanneer nieuw licht toegevoegd wordt, zoals ook in de kamer het licht vermeerdert wanneer men meerdere kaarsen aansteekt. Bijgevolg groeit de liefde in de ziel door toevoeging.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, augere charitatem ad Deum pertinet, sicut et ipsam creare, secundum illud 2. ad Cor. 9. [v. 10] : « Augebit incrementa frugum justitiae vestrae ». Sed Deus primo infundendo charitatem aliquid facit in anima quod ibi prius non erat. Ergo etiam augendo charitatem aliquid ibi facit quod prius non erat. Ergo charitas augetur per additionem.

3. Het is God die de liefde vermeerdert, zooals Hij het is, die liefde teweegbrengt, naar het woord van Paulus in den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (9. 10) : « Hij zal de vruchten uwer gerechtigheid doen wassen ». Welnu wanneer God de liefde in de ziel instort, dan brengt Hij iets voort wat vroeger niet was. Bijgevolg wanneer Hij de liefde vermeerdert, dan moet Hij evenzoo iets voortbrengen wat vroeger niet bestond. Bijgevolg vermeerdert de liefde door toevoeging.3. Het is God die de liefde vermeerdert, zoals Hij het is, die liefde teweegbrengt, naar het woord van Paulus in de Tweede Brief aan de Korintiërs (9, 10): “Hij zal de vruchten van uw gerechtigheid doen wassen”. Welnu wanneer God de liefde in de ziel instort, dan brengt Hij iets voort wat vroeger niet was. Bijgevolg wanneer Hij de liefde vermeerdert, dan moet Hij evenzo iets voortbrengen wat vroeger niet bestond. Bijgevolg vermeerdert de liefde door toevoeging.

Sed contra est quod charitas est forma simplex. Simplex autem additum simplici non facit aliquid majus, ut probatur in 3. Physic. [tex. 59. 185et lib. 3. Metaph. tex. 16.]. Ergo charitas non augetur per additionem.

Daartegenover staat echter dat de liefde een enkelvoudige vorm is. Welnu, door toevoeging van het enkelvoudige aan het enkelvoudige, bekomt men geen omvangrijker hoegrootheid, zooals in 185de Physica gezegd wordt. Bijgevolg vermeerdert de liefde niet door toevoeging.Daartegenover staat echter dat de liefde een enkelvoudige vorm is. Welnu, door toevoeging van het enkelvoudige aan het enkelvoudige, bekomt men geen omvangrijker hoegrootheid, zoals in 185de Fysica gezegd wordt. Bijgevolg vermeerdert de liefde niet door toevoeging.

Respondeo dicendum, quod omnis additio est alicujus ad aliquid. Unde in omni additione oportet saltem praeintelligere distinctionem eorum, quorum unum additur alteri ante ipsam additionem. Si ergo charitas addatur charitati, oportet praesupponi charitatem additam ut distinctam a charitate cui additur, non quidem ex necessitate secundum esse, sed saltem secundum intellectum. Posset enim Deus etiam quantitatem corporalem augere, addendo aliquam magnitudinem non prius existentem sed tunc creatam, quae quamvis prius non fuerit in rerum natura, habet tamen in se unde ejus distinctio intelligi possit a quantitate cui additur. Si ergo charitas addatur charitati, oportet praesupponere ad minus secundum intellectum distinctionem unius charitatis ab alia.

Leerstelling. — Een toevoeging is een vereeniging van een ding met een ander. Aldus wordt bij een toevoeging ondersteld dat het toegevoegde, vóór het met iets anders vereenigd wordt, daarvan onderscheiden is. Wordt bijgevolg liefde toegevoegd aan liefde, dan is de toegevoegde liefde onderscheiden van diegene waaraan ze wordt toegevoegd, wel niet noodzakelijk naar het zijn, maar toch naar de opvatting van de rede. God zou b. v. de hoegrootheid van een lichaam kunnen vermeerderen door er een andere hoegrootheid aan toe te voegen, die niet vooraf bestond maar die Hij schept. Dit toegevoegde, hoewel het eerst niet bestond, kan nochtans onderscheiden gedacht worden van de hoegrootheid waaraan het toegevoegd is. Indien dus de liefde aan de liefde toegevoegd wordt, dan moet de eene liefde ten minste onderscheiden gedacht worden van de andere.Leerstelling. — Een toevoeging is een vereniging van een ding met een ander. Aldus wordt bij een toevoeging ondersteld dat het toegevoegde, vóór het met iets anders verenigd wordt, daarvan onderscheiden is. Wordt bijgevolg liefde toegevoegd aan liefde, dan is de toegevoegde liefde onderscheiden van diegene waaraan ze wordt toegevoegd, wel niet noodzakelijk naar het zijn, maar toch naar de opvatting van de rede. God zou bv. de hoegrootheid van een lichaam kunnen vermeerderen door er een andere hoegrootheid aan toe te voegen, die niet vooraf bestond maar die Hij schept. Dit toegevoegde, hoewel het eerst niet bestond, kan nochtans onderscheiden gedacht worden van de hoegrootheid waaraan het toegevoegd is. Indien dus de liefde aan de liefde toegevoegd wordt, dan moet de ene liefde ten minste onderscheiden gedacht worden van de andere.

Distinctio autem in formis est duplex : una quidem secundum speciem, alia autem secundum numerum. Distinctio quidem secundum speciem in habitibus est secundum objectorum diversitatem. Distinctio vero secundum 186numerum est secundum diversitatem subjecti. Potest ergo contingere quod aliquis habitus per additionem augeatur dum extenditur ad quaedam objecta, ad quae prius se non extendebat. Et sic augetur scientia geometriae in eo qui de novo incipit scire aliqua geometricalia, quae prius nesciebat. Hoc autem non potest dici de charitate, quia etiam minima charitas se extendit ad omnia illa quae sunt ex charitate diligenda. Non ergo talis additio in augmento charitatis potest intelligi praesupposita distinctione secundum speciem charitatis additae ad eam cui additur. Relinquitur ergo quod si fiat additio charitatis ad charitatem hoc fiat praesupposita distinctione secundum numerum, quae est secundum diversitatem subjectorum. Sicut albedo augetur per hoc quod album additur albo, quamvis hoc augmento non fiat aliquid magis album. Sed hoc in proposito dici non potest, quia subjectum charitatis non est nisi mens rationalis. Unde tale charitatis augmentum fieri non posset, nisi per hoc quod una mens rationalis alteri adderetur, quod est impossibile. Quamvis etiam si esset possibile tale augmentum faceret majorem diligentem, non autem magis diligentem. Relinquitur ergo quod nullo modo charitas augeri potest per additionem charitatis ad charitatem, sicut quidam 187ponunt. Sic ergo charitas augetur solum per hoc quod subjectum magis ac magis participat charitatem, idest secundum quod magis reducitur in actum illius ac magis subditur illi. Hic enim est augmenti modus proprius cujuslibet formae, quae intenditur, eo quod esse hujus formae totaliter consistit in eo quod inhaeret susceptibili. Et ideo cum magnitudo rei consequitur esse ipsius, formam esse majorem, hoc est eam magis inesse susceptibili, non autem aliam formam advenire. Hoc enim esset si forma haberet aliquam quantitatem ex seipsa non per comparationem ad subjectum. Sic ergo et charitas augetur per hoc quod intenditur in subjecto, et hoc est ipsam augeri secundum essentiam. Non autem per hoc quod charitas addatur charitati.

Vormen kunnen echter op dubbele wijze onderscheiden worden: soortelijk en naar hun getal. De vaardigheden worden soortelijk onderscheiden, naar hun voorwerpen; naar hun getal door hun 186subjekten. Een vaardigheid kan bijgevolg vermeerderen door toevoeging, wanneer ze op meerdere voorwerpen gericht wordt dan te voren; aldus vermeerdert de kennis der meetkunde bij iemand die nu meetkundige stellingen begint te begrijpen, die hij vroeger niet kende. De liefde kan op dergelijke wijze niet vermeerderen, want de geringste liefde omvat alle voorwerpen die moeten bemind worden. Het is bijgevolg niet mogelijk de vermeerdering der liefde door toevoeging aldus op te vatten, dat een liefde, soortelijk verschillend van de eerste, haar toegevoegd wordt. Bijgevolg indien de liefde vermeerdert door toevoeging, dan moet dit zijn op grond van numerisch verschil, d. i. een verschil van subjekten. Er is b. v. numerisch meer witheid wanneer men een wit subjekt toevoegt aan een ander wit subjekt, zonder dat iets daarom witter is. Maar dat kan op de liefde niet toegepast worden. Het subjekt van de liefde is de menschelijke ziel. De liefde zou numerisch vermeerderen, wanneer men een menschelijke ziel toevoegde aan een andere, wat onmogelijk is. Trouwens, indien dit wel mogelijk was, zou men een grooter beminnend subjekt hebben en niet een intenser beminnend subjekt. Het is derhalve uitgesloten dat de liefde vermeerdert door toevoeging van de eene 187liefde aan de andere, zooals sommigen beweerd hebben. De liefde kan bijgevolg slechts vermeerderen door het feit dat een subjekt meer en meer aan de liefde deelachtig wordt; d. w. z. doordat het subjekt meer door de liefde ingenomen wordt en intenser er aan onderworpen is. Die wijze van vermeerderen is eigen aan elke vorm die krachtiger wordt, want de wezenheid van dergelijke vormen bestaat juist er in te vergroeien met hun subjekt. Daar nu de maat van iets geëvenredigd is aan zijn wezenheid, vermeerderen dergelijke vormen doordat ze meer met het subjekt vergroeien, niet doordat een andere vorm bijgevoegd wordt. Er zou alleen spraak kunnen zijn van bijvoegen, indien deze vormen een hoegrootheid waren op zichzelf en niet slechts in afhankelijkheid van hun subjekt. We besluiten dus dat de liefde vermeerdert, omdat ze intenser in het subjekt ingeworteld geraakt, wat een wezenlijke vermeerdering is voor de liefde. Ze groeit niet doordat liefde aan liefde toegevoegd wordt.Vormen kunnen echter op dubbele wijze onderscheiden worden: soortelijk en naar hun getal. De vaardigheden worden soortelijk onderscheiden, naar hun voorwerpen; naar hun getal door hun 186subjecten. Een vaardigheid kan bijgevolg vermeerderen door toevoeging, wanneer ze op meerdere voorwerpen gericht wordt dan te voren; aldus vermeerdert de kennis van de meetkunde bij iemand die nu meetkundige stellingen begint te begrijpen, die hij vroeger niet kende. De liefde kan op dergelijke wijze niet vermeerderen, want de geringste liefde omvat alle voorwerpen die moeten bemind worden. Het is bijgevolg niet mogelijk de vermeerdering van de liefde door toevoeging aldus op te vatten, dat een liefde, soortelijk verschillend van de eerste, haar toegevoegd wordt. Bijgevolg indien de liefde vermeerdert door toevoeging, dan moet dit zijn op grond van numerisch verschil, d.i. een verschil van subjecten. Er is bv. numerisch meer witheid wanneer men een wit subject toevoegt aan een ander wit subject, zonder dat iets daarom witter is. Maar dat kan op de liefde niet toegepast worden. Het subject van de liefde is de menselijke ziel. De liefde zou numerisch vermeerderen, wanneer men een menselijke ziel toevoegde aan een andere, wat onmogelijk is. Trouwens, indien dit wel mogelijk was, zou men een groter beminnend subject hebben en niet een intenser beminnend subject. Het is derhalve uitgesloten dat de liefde vermeerdert door toevoeging van de ene 187liefde aan de andere, zoals sommigen beweerd hebben. De liefde kan bijgevolg slechts vermeerderen door het feit dat een subject meer en meer aan de liefde deelachtig wordt; d. w. z. doordat het subject meer door de liefde ingenomen wordt en intenser er aan onderworpen is. Die wijze van vermeerderen is eigen aan elke vorm die krachtiger wordt, want de wezenheid van dergelijke vormen bestaat juist er in te vergroeien met hun subject. Daar nu de maat van iets geëvenredigd is aan zijn wezenheid, vermeerderen dergelijke vormen doordat ze meer met het subject vergroeien, niet doordat een andere vorm bijgevoegd wordt. Er zou alleen spraak kunnen zijn van bijvoegen, indien deze vormen een hoegrootheid waren op zichzelf en niet slechts in afhankelijkheid van hun subject. We besluiten dus dat de liefde vermeerdert, omdat ze intenser in het subject ingeworteld geraakt, wat een wezenlijke vermeerdering is voor de liefde. Ze groeit niet doordat liefde aan liefde toegevoegd wordt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quantitas corporalis habet aliquid, inquantum est quantitas, et aliquid inquantum est forma accidentalis. Inquantum est quantitas habet quod sit distinguibilis secundum situm, et 188secundum numerum. Et ideo hoc modo consideratur augmentum magnitudinis per additionem, ut patet in animalibus. Inquantum vero est forma accidentalis est distinguibilis solum secundum subjectum. Et secundum hoc habet proprium augmentum, sicut et aliae formae accidentales, per modum intensionis ejus in subjecto. Sicut patet in his quae rarefiunt, ut probatur in 4. Physic. [tex. 80. et seq.]. Et similiter etiam scientia habet quantitatem, inquantum est habitus ex parte objectorum. Et sic augetur per additionem inquantum aliquis plura cognoscit. Habet etiam quantitatem inquantum est quaedam forma accidentalis ex eo quod inest subjecto. Et secundum hoc augetur in eo qui certius eadem scibilia cognoscit nunc quam prius. Similiter etiam et charitas habet duplicem quantitatem. Sed secundum eam quae est ex parte objecti non augetur, ut dictum est [in corp.]. Unde relinquitur quod per solam intensionem augeatur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de stoffelijke hoegrootheid moet men een onderscheid maken tusschen de hoegrootheid zelf, en de bijkomstige vorm. Als hoegrootheid, kan zij onderscheiden worden naar ruimte en getal; op die wijze 188vermeerdert iets door toevoeging, zooals blijkt bij dieren. Als bijkomstige vorm is de hoegrootheid slechts onderscheiden naar het subjekt. Aldus beschouwd vermeerdert zij op de haar eigen wijze, zooals de andere bijkomstige vormen, door intenser het subjekt in beslag te nemen. Dit blijkt bij de lichamen die verdunnen, zooals in de Physica bewezen wordt. De wetenschap als vaardigheid, kent ook een hoegrootheid, naar haar aantal voorwerpen : ze vermeerdert doordat ze talrijker voorwerpen kent. Maar ze bezit ook een hoegrootheid, in zoover zij in het subjekt aanwezig is : aldus vermeerdert zij, doordat men met grootere zekerheid dan vroeger dezelfde kennis bezit. Aldus heeft ook de liefde een dubbele hoegrootheid. Doch naar de hoegrootheid die gebaseerd is op het voorwerp groeit ze niet, zooals gezegd werd (in de Leerst.). Ze groeit alleen in kracht.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Bij de stoffelijke hoegrootheid moet men een onderscheid maken tussen de hoegrootheid zelf, en de bijkomstige vorm. Als hoegrootheid, kan zij onderscheiden worden naar ruimte en getal; op die wijze 188vermeerdert iets door toevoeging, zoals blijkt bij dieren. Als bijkomstige vorm is de hoegrootheid slechts onderscheiden naar het subject. Aldus beschouwd vermeerdert zij op de haar eigen wijze, zoals de andere bijkomstige vormen, door intenser het subject in beslag te nemen. Dit blijkt bij de lichamen die verdunnen, zoals in de Fysica bewezen wordt. De wetenschap als vaardigheid, kent ook een hoegrootheid, naar haar aantal voorwerpen: ze vermeerdert doordat ze talrijker voorwerpen kent. Maar ze bezit ook een hoegrootheid, in zover zij in het subject aanwezig is: aldus vermeerdert zij, doordat men met grotere zekerheid dan vroeger dezelfde kennis bezit. Aldus heeft ook de liefde een dubbele hoegrootheid. Doch naar de hoegrootheid die gebaseerd is op het voorwerp groeit ze niet, zoals gezegd werd (in de Leerst.). Ze groeit alleen in kracht.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod additio luminis ad lumen potest intelligi sic quod intenditur in aëre propter diversitatem luminarium causantium lumen. Sed talis distinctio non habet locum in proposito, quia non est nisi unum luminare influens lumen charitatis.

2. De toevoeging van licht bij licht in de lucht kan aldus verstaan worden, dat het licht in de lucht sterker wordt op grond van verschillende lichtbronnen. Maar dit gaat in ons geval niet op, omdat er slechts één lichtbron van de liefde is.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod infusio charitatis importat quamdam 189mutationem secundum habere charitatem, et non habere. Et ideo oportet quod aliquid adveniat, quod prius non infuit. Sed augmentatio charitatis importat mutationem secundum magis et minus habere. Et ideo non oportet quod aliquid insit quod prius non infuerit, sed quod magis insit quod prius minus inerat. Et hoc est quod facit Deus charitatem augendo, scilicet quod magis insit et quod perfectius similitudo Spiritus Sancti participetur in anima.

3. Wanneer de liefde ingestort wordt, ontstaat een verschil 189tusschen de liefde bezitten en ze niet bezitten. Bijgevolg komt er iets tot stand wat vroeger niet in het subjekt bestond. Maar wanneer de liefde vermeerdert, ontstaat een verschil tusschen een intensere en minder intense liefde. Bijgevolg ontstaat niet iets wat vroeger niet was; doch iets dat eerst minder volmaakt aanwezig was, is nu volmaakter aanwezig. En dit wordt door God verwezenlijkt wanneer Hij de liefde vermeerdert : Hij versterkt de liefde, zoodat de ziel op volmaakter wijze deelachtig wordt aan de gelijkvormigheid met den H. Geest.3. Wanneer de liefde ingestort wordt, ontstaat een verschil 189tussen de liefde bezitten en ze niet bezitten. Bijgevolg komt er iets tot stand wat vroeger niet in het subject bestond. Maar wanneer de liefde vermeerdert, ontstaat een verschil tussen een intensere en minder intense liefde. Bijgevolg ontstaat niet iets wat vroeger niet was; doch iets dat eerst minder volmaakt aanwezig was, is nu volmaakter aanwezig. En dit wordt door God verwezenlijkt wanneer Hij de liefde vermeerdert: Hij versterkt de liefde, zodat de ziel op volmaakter wijze deelachtig wordt aan de gelijkvormigheid met de H. Geest.

Articulus VI

Utrum quolibet actu charitatis charitas augeatur

[1-2. q. 52. art. 3; q. 114. art. 8. ad 3; 1. Dist. 17. q. 2. art. 3; 2. Dist. 27. art. 5. ad 2.]
VIe Artikel

Vermeerdert de liefde door elke liefdedaad?

antwoord 1 ↓

Ad sextum sic proceditur. Videtur quod quolibet actu charitatis charitas augeatur. Quod enim potest id quod majus est, potest id quod minus est. Sed quilibet actus charitatis potest mereri1 vitam aeternam quae majus 190est quam simplex charitatis augmentum; quia vita aeterna includit charitatis perfectionem. Ergo multo magis quilibet actus charitatis charitatem auget.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde door elke liefdedaad vermeerdert. — 1. Wat het meerdere kan voortbrengen, kan eveneens het mindere voortbrengen. Welnu elke daad 190van liefde kan het eeuwig leven verdienen, wat meer is dan een eenvoudige vermeerdering van liefde, daar het eeuwig leven de volmaaktheid der liefde is. Er is bijgevolg des te meer reden om te zeggen dat elke liefdedaad de liefde vermeerdert.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde door elke liefdedaad vermeerdert. — 1. Wat het meerdere kan voortbrengen, kan eveneens het mindere voortbrengen. Welnu elke daad 190van liefde kan het eeuwig leven verdienen, wat meer is dan een eenvoudige vermeerdering van liefde, daar het eeuwig leven de volmaaktheid van de liefde is. Er is bijgevolg des te meer reden om te zeggen dat elke liefdedaad de liefde vermeerdert.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, sicut habitus virtutum acquisitarum generatur ex actibus, ita etiam augmentum charitatis causatur per actus charitatis. Sed quilibet actus virtuosus operatur ad virtutis generationem. Ergo etiam quilibet actus charitatis operatur ad charitatis augmentum.

2. Evenals de hebbelijkheid der aangeworven deugden door deugddaden voortgebracht wordt, is de liefdedaad oorzaak van de vermeerdering der liefde. Welnu elke deugdzame daad draagt ertoe bij om de deugd in het leven te roepen. Bijgevolg zal elke daad van liefde ertoe bijdragen om de liefde te vermeerderen.2. Evenals de hebbelijkheid van de aangeworven deugden door deugddaden voortgebracht wordt, is de liefdedaad oorzaak van de vermeerdering van de liefde. Welnu elke deugdzame daad draagt ertoe bij om de deugd in het leven te roepen. Bijgevolg zal elke daad van liefde ertoe bijdragen om de liefde te vermeerderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea. Gregorius dicit [Bernardus serm. 2. in Fest. Purific.], quod « in via Dei stare retrocedere est ». Sed nullus dum movetur actu charitatis, retrocedit. Ergo quicumque movetur actu charitatis procedit in via Dei. Ergo quolibet actu charitatis charitas augetur.

3. « Blijven staan op den weg naar God, is achteruit gaan », zegt Gregorius. Welnu niemand blijft staan wanneer hij door de daad der liefde bewogen wordt. Bijgevolg gaat hij, die door de daad der liefde bewogen wordt, vooruit op den weg naar God. Bijgevolg groeit de liefde door elke liefdedaad.3. “Blijven staan op de weg naar God, is achteruit gaan”, zegt Gregorius. Welnu niemand blijft staan wanneer hij door de daad van de liefde bewogen wordt. Bijgevolg gaat hij, die door de daad van de liefde bewogen wordt, vooruit op de weg naar God. Bijgevolg groeit de liefde door elke liefdedaad.

Sed contra est quod effectus non excedit virtutem causae. Sed quandoque aliquis actus charitatis cum aliquo tepore, vel remissione committitur2. Non ergo perducit ad excellentiorem charitatem sed magis disponit ad minorem.

Daartegenover staat echter dat het uitwerksel nooit de kracht van de oorzaak overtreft. Welnu, het gebeurt dat men met lauwheid of met mindere vurigheid bemint. Dergelijke daad kan dus geen grootere liefde voortbrengen; ze is veeleer een voorbereiding op een vermindering der liefde.Daartegenover staat echter dat het uitwerksel nooit de kracht van de oorzaak overtreft. Welnu, het gebeurt dat men met lauwheid of met mindere vurigheid bemint. Dergelijke daad kan dus geen grotere liefde voortbrengen; ze is veeleer een voorbereiding op een vermindering van de liefde.

191Respondeo dicendum, quod augmentum spirituale charitatis quodammodo simile est augmento corporali. Augmentum autem corporale in animalibus, et plantis non est motus continuus, ita scilicet quod si aliquid tantum augetur in tanto tempore, necesse sit quod proportionaliter in qualibet parte illius temporis augeatur, sicut contingit in motu locali. Sed per aliquod tempus natura operatur disponens ad augmentum et nihil augens actu, et postmodum producit in effectum id ad quod disposuerat augendo ipsum animal vel plantam in actu. Ita etiam non quolibet actu charitatis charitas actu augetur; sed quilibet actus charitatis disponit ad charitatis augmentum, inquantum ex uno actu charitatis homo redditur promptior iterum ad agendum secundum charitatem; et habilitate crescente, homo prorumpit in actum ferventiorem dilectionis quo conetur ad charitatis profectum : et tunc charitas augetur in actu.

191Leerstelling. — Men kan de geestelijke vermeerdering der liefde eenigszins vergelijken met den groei van een lichaam. Wanneer nu een dier of een plant groeit, dan is die groei geen doorloopende beweging, zoodat men moet zeggen dat, wanneer iets na bepaalden tijd zooveel aangegroeid is, het op elk oogenblik van dien tijd evenredig aangroeide, zooals het geval is in een plaatselijke beweging. Gedurende een heelen tijd bereidt de natuur den groei voor, zonder dat iets werkelijk aangroeit. Pas nadien komt het uitwerksel tot stand dat voorbereid was : het dier of de plant groeit werkelijk. En hetzelfde gebeurt met de liefde. Niet elke daad vermeerdert de liefde metterdaad. Elke daad bereidt de vermeerdering voor, in zoover men door een eerste liefdedaad, meer geschikt is om een nieuwe liefdedaad te stellen. Hoe geschikter men wordt, hoe vuriger de volgende daad is, waardoor men naar vooruitgang in de liefde streeft. En dan vermeerdert de liefde metterdaad.191Leerstelling. — Men kan de geestelijke vermeerdering van de liefde enigszins vergelijken met de groei van een lichaam. Wanneer nu een dier of een plant groeit, dan is die groei geen doorlopende beweging, zodat men moet zeggen dat, wanneer iets na bepaalden tijd zoveel aangegroeid is, het op elk ogenblik van die tijd evenredig aangroeide, zoals het geval is in een plaatselijke beweging. Gedurende een helen tijd bereidt de natuur de groei voor, zonder dat iets werkelijk aangroeit. Pas nadien komt het uitwerksel tot stand dat voorbereid was: het dier of de plant groeit werkelijk. En hetzelfde gebeurt met de liefde. Niet elke daad vermeerdert de liefde metterdaad. Elke daad bereidt de vermeerdering voor, in zover men door een eerste liefdedaad, meer geschikt is om een nieuwe liefdedaad te stellen. Hoe geschikter men wordt, hoe vuriger de volgende daad is, waardoor men naar vooruitgang in de liefde streeft. En dan vermeerdert de liefde metterdaad.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod quilibet actus charitatis meretur vitam aeternam, non quidem statim exhibendam, sed suo tempore. Similiter etiam 192quilibet actus charitatis meretur charitatis augmentum; non tamen statim augetur, sed quando aliquis conatur ad hujusmodi augmentum.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elke liefdedaad verdient het eeuwig leven, dat nochtans niet onmiddellijk moet geschonken worden maar ten gepasten tijde. Zoo verdient ook 192elke daad van liefde een vermeerdering der liefde. Deze vermeerdert daarom niet oogenblikkelijk, doch wanneer men moeite doet om die vermeerdering te bekomen.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elke liefdedaad verdient het eeuwig leven, dat nochtans niet onmiddellijk moet geschonken worden maar ten gepasten tijde. Zo verdient ook 192elke daad van liefde een vermeerdering van de liefde. Deze vermeerdert daarom niet ogenblikkelijk, doch wanneer men moeite doet om die vermeerdering te bekomen.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod etiam in generatione virtutis acquisitae non quilibet actus complet generationem virtutis; sed quilibet operatur ad eam, ut disponens; et ultimus, qui est perfectior agens in virtute omnium praecedentium, reducit eam in actum. Sicut etiam est in multis guttis cavantibus lapidem.

2. Bij het ontstaan der aangeworven deugden, is niet elke daad de oorzaak van de geboorte van die deugd. Elke daad is een voorbereiding daarop. De laatste daad, die de volmaaktste is, en die in zich de kracht draagt van alle voorgaande, brengt de deugd voort. Hier is het voorbeeld van de veelvuldige waterdruppels die een steen uithollen, toepasselijk.2. Bij het ontstaan van de aangeworven deugden, is niet elke daad de oorzaak van de geboorte van die deugd. Elke daad is een voorbereiding daarop. De laatste daad, die de volmaaktste is, en die in zich de kracht draagt van alle voorgaande, brengt de deugd voort. Hier is het voorbeeld van de veelvuldige waterdruppels die een steen uithollen, toepasselijk.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in via Dei procedit aliquis, non solum dum actu charitas ejus augetur; sed etiam dum disponitur ad ejus augmentum.

3. Men gaat vooruit op den weg naar God, niet alleen wanneer de liefde metterdaad vermeerdert, maar ook wanneer men deze vermeerdering voorbereidt.3. Men gaat vooruit op de weg naar God, niet alleen wanneer de liefde metterdaad vermeerdert, maar ook wanneer men deze vermeerdering voorbereidt.

Articulus VII

Utrum charitas augeatur in infinitum

[1. Dist. 17. q. 2. art. 4; 3. Dist. 19. art. 8. qla. 1. ad 2; de Virt. q. 2. art. 10. ad 3. in opp.]
VIIe Artikel

Kan de liefde tot in het oneindige vermeerderen?

antwoord 1 ↓

Ad septimum sic proceditur. Videtur, quod charitas non augeatur in 193infinitum. Omnis enim motus est ad aliquem finem et terminum, ut dicitur in 2. Metaph. [lect. 2.]. Sed augmentum charitatis est quidam motus. Ergo tendit ad aliquem finem et terminum. Ergo charitas in infinitum non augetur.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet tot in het 193oneindige kan vermeerderen. — 1. In de Metaphysica wordt gezegd dat elke beweging haar doel en eindterm heeft. Welnu de groei van de liefde is een beweging. Zij streeft bijgevolg naar een doel en een eindterm. Derhalve vermeerdert de liefde niet tot in het oneindige.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde niet tot in het 193oneindige kan vermeerderen. — 1. In de Metafysica wordt gezegd dat elke beweging haar doel en eindterm heeft. Welnu de groei van de liefde is een beweging. Zij streeft bijgevolg naar een doel en een eindterm. Derhalve vermeerdert de liefde niet tot in het oneindige.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, nulla forma excedit capacitatem sui subjecti. Sed capacitas creaturae rationalis, quae est subjectum charitatis, est finita. Ergo charitas in infinitum augeri non potest.

2. Een vorm overtreft den aanleg niet van het subjekt. Welnu de aanleg van het redelijk schepsel, dat het subjekt is der liefde, is beperkt. De liefde kan bijgevolg niet tot in het oneindige aangroeien.2. Een vorm overtreft de aanleg niet van het subject. Welnu de aanleg van het redelijk schepsel, dat het subject is van de liefde, is beperkt. De liefde kan bijgevolg niet tot in het oneindige aangroeien.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, omne finitum per continuum augmentum potest pertingere ad quantitatem alterius finiti quantumcumque majoris; nisi forte id quod accrescit per augmentum, semper sit minus et minus, sicut Philosophus dicit in 3. Physic. [tex. 57. et seq.], quod si uni lineae addatur, quod subtrahitur ab alia linea, quae in infinitum dividitur, in infinitum additione facta, numquam pertingetur ad quamdam determinatam quantitatem, quae est composita ex duabus lineis diversis, ea scilicet ex qua additur1, et ea cui additur, quod ex alia subtrahitur. Quod in proposito non contingit. Non 194enim necesse est ut secundum charitatis augmentum sit minus, quam primum; sed magis probabile est, quod sit aequale, aut majus. Cum ergo charitas patriae sit quiddam finitum, si charitas viae in infinitum augeri potest, sequitur quod charitas viae possit sibi adaequare charitatem patriae, quod est inconveniens. Non ergo charitas viae in infinitum potest augeri.

3. Wat eindig is, kan door voortdurend te vermeerderen de hoegrootheid bereiken van een ander eindig ding, hoe groot dit ook weze, tenzij datgene wat bijgevoegd wordt telkens iets kleiner is. Daarom zegt de Wijsgeer dat, wanneer men aan een lijn toevoegt wat men ontneemt aan een andere lijn, die tot in het oneindige verdeeld werd, zelfs wanneer men tot in het oneindige toevoegt, men nooit een hoegrootheid zal bereiken samengesteld uit de twee lijnen, de eene die men verdeelt, en de andere waaraan men toevoegt wat aan de eerste onttrokken is. Maar dit is hier niet toepasselijk. Want de tweede vermeerdering is niet noodzakelijker minder dan de voorgaande; het is zelfs 194waarschijnlijker dat ze meerder of op zijn minst gelijk zal zijn. Daar nu de liefde in den hemel iets eindig is zou, indien hier op aarde de liefde tot in het oneindige vermeerderde, het mogelijk zijn dat de liefde hier op aarde de liefde van den hemel evenaart. Wat bezwaarlijk kan aanvaard worden. Bijgevolg kan de liefde hier op aarde niet tot in het oneindige groeien.3. Wat eindig is, kan door voortdurend te vermeerderen de hoegrootheid bereiken van een ander eindig ding, hoe groot dit ook weze, tenzij datgene wat bijgevoegd wordt telkens iets kleiner is. Daarom zegt de Wijsgeer dat, wanneer men aan een lijn toevoegt wat men ontneemt aan een andere lijn, die tot in het oneindige verdeeld werd, zelfs wanneer men tot in het oneindige toevoegt, men nooit een hoegrootheid zal bereiken samengesteld uit de twee lijnen, de ene die men verdeelt, en de andere waaraan men toevoegt wat aan de eerste onttrokken is. Maar dit is hier niet toepasselijk. Want de tweede vermeerdering is niet noodzakelijker minder dan de voorgaande; het is zelfs 194waarschijnlijker dat ze meerder of op zijn minst gelijk zal zijn. Daar nu de liefde in de hemel iets eindig is zou, indien hier op aarde de liefde tot in het oneindige vermeerderde, het mogelijk zijn dat de liefde hier op aarde de liefde van de hemel evenaart. Wat bezwaarlijk kan aanvaard worden. Bijgevolg kan de liefde hier op aarde niet tot in het oneindige groeien.

Sed contra est, quod Apostolus dicit ad Philip. 3. [v. 12] : « Non quod jam acceperim, aut jam perfectus sim; sequor autem, si quo modo comprehendam » ubi dicit Glossa : « Nemo fidelium, etsi multum profecerit, dicat : Sufficit mihi. Qui enim hoc dicit, de via exit ante finem ». Ergo semper charitas in via potest magis ac magis augeri.

Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in den Brief aan de Philippensen (3. 12) : « Zeker, ik heb het nog niet bereikt, en nog ben ik niet volmaakt; maar ik jaag het na, om het te grijpen ». De Glossa merkt daarbij op : « Geen enkele geloovige, hoever hij ook gevorderd is, bewere : Ik heb het ver genoeg gebracht. Want hij die zoo spreekt verlaat den weg, vooraleer hij het doel bereikt heeft ». Bijgevolg kan hier op aarde de liefde steeds vermeerderen.Daartegenover staat echter wat de Apostel zegt in de Brief aan de Filippenzen (3, 12): “Zeker, ik heb het nog niet bereikt, en nog ben ik niet volmaakt; maar ik jaag het na, om het te grijpen”. De Glossa merkt daarbij op: “Geen enkele gelovige, hoever hij ook gevorderd is, bewere: Ik heb het ver genoeg gebracht. Want hij die zo spreekt verlaat de weg, vooraleer hij het doel bereikt heeft”. Bijgevolg kan hier op aarde de liefde steeds vermeerderen.

Respondeo dicendum, quod terminus augmento alicujus formae potest praefigi tripliciter. Uno modo ex ratione ipsius formae quae habet terminatam mensuram, ad quam cum perventum fuerit, non potest ultra procedi in forma. 195Sed si ultra processum fuerit, pervenietur ad aliam formam. Sicut patet in pallore. cujus terminos per continuam alterationem aliquis transit, vel ad albedinem, vel ad nigredinem perveniens. Alio modo ex parte agentis, cujus virtus non se extendit ad ulterius augendum formam in subjecto. Tertio ex parte subjecti, quod non est capax ulterioris perfectionis. Nullo autem istorum modorum imponitur terminus augmento charitatis in statu viae. Ipsa enim charitas secundum rationem propriae speciei terminum augmenti non habet; est enim participatio quaedam infinitae charitatis, quae est Spiritus Sanctus. Similiter etiam causa agens charitatem est infinitae virtutis, scilicet Deus. Similiter etiam ex parte subjecti terminus huic augmento praefigi non potest. Quia semper charitate excrescente, superexcrescit habilitas ad ulterius augmentum. Unde relinquitur quod charitatis augmento nullus terminus praefigatur in hac vita.

Leerstelling. — De eindterm van den groei van een vorm kan op drievoudige wijze vastgesteld worden : Eerstens, de vorm kan uiteraard, derwijze beperkt zijn, dat hij niet vermeerderen kan, wanneer hij een bepaalde maat bereikt heeft. Vermeerdert hij toch, dan ontstaat een andere vorm. B. v. wanneer men 195voortdurend de tint verandert van een bleek voorwerp, dan bekomt men of een wit, of een zwart voorwerp. Ten tweede, de bewerkende oorzaak beschikt slechts over een beperkte kracht, zoodat zij den vorm in het subjekt niet vermeerderen kan. Ten derde, het subjekt zelf is beperkt en niet geschikt om een volmaakteren vorm te ontvangen. De vermeerdering van de liefde hier op aarde is op geen enkel dezer drie wijzen beperkt. Ten eerste, de liefde is uiteraard niet beperkt daar ze een deelachtigheid is aan de oneindige liefde, die de H. Geest is. Daarbij is de bewerkende oorzaak van de vermeerdering van de liefde oneindig-machtig, nl. God zelf. Ten laatste, het subjekt legt geen beperking op aan den groei der liefde, want naar gelang de liefde groeit, groeit meteen de geschiktheid om een nieuwe vermeerdering te ontvangen. Bijgevolg is er in dit leven geen eindterm aan den groei der liefde.Leerstelling. — De eindterm van de groei van een vorm kan op drievoudige wijze vastgesteld worden: Eerstens, de vorm kan uiteraard, derwijze beperkt zijn, dat hij niet vermeerderen kan, wanneer hij een bepaalde maat bereikt heeft. Vermeerdert hij toch, dan ontstaat een andere vorm. Bv. wanneer men 195voortdurend de tint verandert van een bleek voorwerp, dan bekomt men of een wit, of een zwart voorwerp. Ten tweede, de bewerkende oorzaak beschikt slechts over een beperkte kracht, zodat zij de vorm in het subject niet vermeerderen kan. Ten derde, het subject zelf is beperkt en niet geschikt om een volmaakteren vorm te ontvangen. De vermeerdering van de liefde hier op aarde is op geen enkel van deze drie wijzen beperkt. Ten eerste, de liefde is uiteraard niet beperkt daar ze een deelachtigheid is aan de oneindige liefde, die de H. Geest is. Daarbij is de bewerkende oorzaak van de vermeerdering van de liefde oneindig-machtig, nl. God zelf. Ten laatste, het subject legt geen beperking op aan de groei van de liefde, want naar gelang de liefde groeit, groeit meteen de geschiktheid om een nieuwe vermeerdering te ontvangen. Bijgevolg is er in dit leven geen eindterm aan de groei van de liefde.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod augmentum charitatis est ad aliquem finem. Sed ille finis non est in hac vita sed in futura.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vermeerdering der liefde streeft naar een doel. Dit doel ligt echter niet in dit leven, maar in het toekomstige.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. De vermeerdering van de liefde streeft naar een doel. Dit doel ligt echter niet in dit leven, maar in het toekomstige.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod capacitas creaturae rationalis per 196charitatem augetur. Quia per ipsam cor dilatatur, secundum illud 2. ad Cor. 6. [v. 11] : « Cor nostrum dilatatum est ». Et ideo adhuc ulterius manet habilitas ad majus augmentum.

2. De ontvankelijkheid van het geestelijk wezen wordt door 196de liefde vermeerderd, want steeds wordt het hart breeder, naar dit woord uit den Tweeden Brief aan de Corinthiërs (6. 11) : « Ons hart staat wagenwijd open ». Bijgevolg blijft er verdere aanleg om een nieuwe vermeerdering te ontvangen.2. De ontvankelijkheid van het geestelijk wezen wordt door 196de liefde vermeerderd, want steeds wordt het hart breder, naar dit woord uit de Tweede Brief aan de Korintiërs (6, 11): “Ons hart staat wagenwijd open”. Bijgevolg blijft er verdere aanleg om een nieuwe vermeerdering te ontvangen.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod ratio illa procedit in his quae habent quantitatem ejusdem rationis, non autem in his quae habent diversam rationem quantitatis. Sicut linea, quantumcumque crescat, non attingit quantitatem superficiei. Non est autem eadem ratio quantitatis charitatis viae, quae sequitur cognitionem fidei et charitatis patriae, quae sequitur visionem apertam. Unde non sequitur ratio.

3. De beschouwing in de bedenking aangevoerd, geldt voor gelijksoortige hoegrootheden, niet voor ongelijksoortige. Aldus bereikt de lijn, hoever ze zich ook uitstrekt, nooit de hoegrootheid van de oppervlakte. Welnu de hoegrootheid van de liefde hier op aarde en de hoegrootheid van de liefde in den hemel, berusten niet op denzelfden grond. Want de liefde hier op aarde volgt op de kennis van het geloof, de liefde in den hemel op de rechtstreeksche schouwing. De bedenking gaat derhalve niet op.3. De beschouwing in de bedenking aangevoerd, geldt voor gelijksoortige hoegrootheden, niet voor ongelijksoortige. Aldus bereikt de lijn, hoever ze zich ook uitstrekt, nooit de hoegrootheid van de oppervlakte. Welnu de hoegrootheid van de liefde hier op aarde en de hoegrootheid van de liefde in de hemel, berusten niet op dezelfde grond. Want de liefde hier op aarde volgt op de kennis van het geloof, de liefde in de hemel op de rechtstreekse schouwing. De bedenking gaat derhalve niet op.

Articulus VIII

Utrum charitas in hac vita possit esse perfecta

[Infr. q. 184. art. 2; 3. Dist. 27. q. 3. art. 4; de Verit. q. 2. art. 10; de Perf. vitae Spir. c. 3; ad Philipp. c. 3. lect. 2.]
VIIIe Artikel

Kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn?

antwoord 1 ↓

Ad octavum sic proceditur. Videtur quod charitas in hac vita non 197possit esse perfecta. Maxime enim haec perfectio in Apostolis fuisset. Sed in eis non fuit. Dicit enim Apostolus ad Philip. 3. [v. 12] : « Non quod jam comprehenderim, aut perfectus sim ». Ergo charitas in hac vita perfecta esse non potest.

Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde hier op aarde niet volmaakt kan zijn. — 1. Indien de liefde volmaakt kon zijn 197op aarde, zouden de Apostelen ongetwijfeld de volmaakte liefde hebben bezeten. Welnu, ook bij hen was de liefde niet volmaakt, naar het woord uit den Brief aan de Philippensen (3. 12) : « Zeker, ik heb het nog niet bereikt, en nog ben ik niet volmaakt ». Dus kan de liefde hier op aarde niet volmaakt zijn.Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde hier op aarde niet volmaakt kan zijn. — 1. Indien de liefde volmaakt kon zijn 197op aarde, zouden de Apostelen ongetwijfeld de volmaakte liefde hebben bezeten. Welnu, ook bij hen was de liefde niet volmaakt, naar het woord uit de Brief aan de Filippenzen (3, 12): “Zeker, ik heb het nog niet bereikt, en nog ben ik niet volmaakt”. Dus kan de liefde hier op aarde niet volmaakt zijn.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea. Augustinus dicit in lib. 83. QQ. [q. 36.], quod « nutrimentum charitatis est diminutio cupiditatis; perfectio, nulla cupiditas ». Sed hoc non potest esse in hac vita, in qua sine peccato vivere non possumus, secundum illud 1. Joan. 1. [v. 8] : « Si dixerimus, quoniam peccatum non habemus, ipsi nos seducimus ». Omne autem peccatum ex aliqua inordinata cupiditate procedit. Ergo in hac vita charitas perfecta esse non potest.

2. « De liefde wordt gevoed, zegt Augustinus, doordat de begeerlijkheid vermindert; de volmaakte liefde ontstaat door het verdwijnen van de begeerlijkheid ». Welnu, de begeerlijkheid kan in dit leven niet verdwijnen daar we niet zonder zonde leven kunnen, naar het woord uit den Eersten Brief van Joannes (1. 8) : « Als we beweren geen zonde te hebben, dan misleiden we onszelf ». Welnu elke zonde is het gevolg van een ongeregelde begeerlijkheid. Dus kan de liefde op aarde niet volmaakt zijn.2. “De liefde wordt gevoed, zegt Augustinus, doordat de begeerlijkheid vermindert; de volmaakte liefde ontstaat door het verdwijnen van de begeerlijkheid”. Welnu, de begeerlijkheid kan in dit leven niet verdwijnen daar we niet zonder zonde leven kunnen, naar het woord uit de Eerste Brief van Johannes (1, 8): “Als we beweren geen zonde te hebben, dan misleiden we onszelf”. Welnu elke zonde is het gevolg van een ongeregelde begeerlijkheid. Dus kan de liefde op aarde niet volmaakt zijn.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, illud quod jam perfectum est non potest ulterius crescere. Sed charitas in hac vita semper potest augeri, ut dictum est [art. praec.]. Ergo charitas in hac vita non potest esse perfecta.

3. Wat volmaakt is, kan niet vermeerderen. Welnu er werd gezegd (vorig Art.), dat de liefde altijd vermeerderen kan. Bijgevolg kan de liefde in dit leven niet volmaakt zijn.

Sed contra est, quod Augustinus dicit super 1. Canon. Joan. [tract. 5] : « Charitas, cum fuerit roborata, perficitur : cum autem ad perfectionem venerit, dicit : Cupio dissolvi, et esse cum Christo ». Sed hoc possibile 198est in hac vita, sicut in Paulo fuit. Ergo charitas in hac vita potest esse perfecta.

Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « De liefde die krachtiger wordt, wordt volmaakt; wanneer ze de volmaaktheid bereikt heeft, dan zegt zij : Ik smacht er naar, ontbonden te 198worden en met Christus te zijn ». Welnu, het voorbeeld van Paulus bewijst dat dit mogelijk is. Bijgevolg kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn.Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “De liefde die krachtiger wordt, wordt volmaakt; wanneer ze de volmaaktheid bereikt heeft, dan zegt zij: Ik smacht er naar, ontbonden te 198worden en met Christus te zijn”. Welnu, het voorbeeld van Paulus bewijst dat dit mogelijk is. Bijgevolg kan de liefde hier op aarde volmaakt zijn.

Respondeo dicendum, quod perfectio charitatis potest intelligi dupliciter : uno modo ex parte diligibilis; alio modo ex parte diligentis. Ex parte quidem diligibilis perfecta est charitas, ut diligatur aliquid, quantum diligibile est. Deus autem tantum diligibilis est, quantum bonus est. Bonitas autem ejus est infinita; unde infinite diligibilis est. Nulla autem creatura potest eum diligere infinite, cum quaelibet virtus creata sit finita. Unde per hunc modum nullius creaturae charitas potest esse perfecta, sed solum charitas Dei, qua seipsum diligit.

Leerstelling. — Men kan de volmaaktheid der liefde op tweevoudige wijze opvatten : van den kant van het beminde voorwerp, en van den kant van hem die liefheeft. Van den kant van het beminde voorwerp is de liefde volmaakt, wanneer men iets bemint in de mate van zijn beminnenswaardigheid. Welnu, God is zoo beminnelijk als Hij goed is. Zijn Goedheid is oneindig; dus ook zijn beminnelijkheid. Geen enkel schepsel echter kan Hem op oneindige wijze liefhebben, daar elk geschapen vermogen eindig is. Bijgevolg kan de liefde van geen enkel schepsel, onder dit opzicht, volmaakt zijn. God alleen kan zichzelf beminnen in de mate van zijn beminnelijkheid.Leerstelling. — Men kan de volmaaktheid van de liefde op tweevoudige wijze opvatten: van de kant van het beminde voorwerp, en van de kant van hem die liefheeft. Van de kant van het beminde voorwerp is de liefde volmaakt, wanneer men iets bemint in de mate van zijn beminnenswaardigheid. Welnu, God is zo beminnelijk als Hij goed is. Zijn Goedheid is oneindig; dus ook zijn beminnelijkheid. Geen enkel schepsel echter kan Hem op oneindige wijze liefhebben, daar elk geschapen vermogen eindig is. Bijgevolg kan de liefde van geen enkel schepsel, onder dit opzicht, volmaakt zijn. God alleen kan zichzelf beminnen in de mate van zijn beminnelijkheid.

Ex parte vero diligentis tunc est charitas perfecta quando diligit tantum quantum potest. Quod quidem contingit tripliciter. Uno modo sic, quod totum cor hominis actualiter semper feratur in Deum; et haec est perfectio charitatis patriae, quae non est possibilis in hac vita, in qua impossibile est propter humanae vitae infirmitatem, semper actu cogitare de Deo et moveri dilectione ad ipsum. Alio modo, ut homo 199studium suum deputet ad vacandum Deo et rebus divinis, praetermissis aliis, nisi quantum necessitas praesentis vitae requirit. Et ista est perfectio charitatis, quae est possibilis in via. Non tamen est communis omnibus habentibus charitatem. Tertio modo ita quod habitualiter aliquis totum cor suum ponat in Deo; ita scilicet quod nihil cogitet vel velit quod divinae dilectioni sit contrarium. Et haec perfectio est communis omnibus charitatem habentibus.

De liefde is volmaakt van den kant van hem die bemint, wanneer men uit al zijn krachten liefheeft. En dit kan op drievoudige wijze geschieden : Ten eerste, wanneer de mensch altijd daadwerkelijk zijn hart naar God keert. Dergelijke liefde is de liefde van den hemel en is hier op aarde niet mogelijk; want de menschelijke zwakheid laat niet toe, altijd uitdrukkelijk aan God te 199denken en door de liefde naar Hem te streven. Ten tweede, iemand kan zijn leven wijden aan den omgang met God en het goddelijke, en alles op zij laten wat niet strikt door de noodwendigheden van dit leven vereischt wordt. Dergelijke volmaaktheid is mogelijk in dit leven, hoewel ze niet gemeen is aan allen die de liefde bezitten. Ten derde, men kan blijvend zijn hart naar God toekeeren, doordat men aan niets denkt of niets wil wat in strijd is met de goddelijke liefde. Dergelijke volmaaktheid bezitten allen die in liefde leven.De liefde is volmaakt van de kant van hem die bemint, wanneer men uit al zijn krachten liefheeft. En dit kan op drievoudige wijze geschieden: Ten eerste, wanneer de mens altijd daadwerkelijk zijn hart naar God keert. Dergelijke liefde is de liefde van de hemel en is hier op aarde niet mogelijk; want de menselijke zwakheid laat niet toe, altijd uitdrukkelijk aan God te 199denken en door de liefde naar Hem te streven. Ten tweede, iemand kan zijn leven wijden aan de omgang met God en het goddelijke, en alles op zij laten wat niet strikt door de noodwendigheden van dit leven vereist wordt. Dergelijke volmaaktheid is mogelijk in dit leven, hoewel ze niet gemeen is aan allen die de liefde bezitten. Ten derde, men kan blijvend zijn hart naar God toekeren, doordat men aan niets denkt of niets wil wat in strijd is met de goddelijke liefde. Dergelijke volmaaktheid bezitten allen die in liefde leven.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod Apostolus negat de se perfectionem patriae; unde Glossa, ibidem dicit, quod « perfectus erat viator, sed nondum ipsius itineris perfectione perventor ».

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Paulus ontkent dat hij de volmaaktheid van den hemel bereikt heeft. Daarom zegt de Glossa, op bewuste plaats, dat « Paulus volmaakt op weg was, doch nog niet het einddoel van den weg bereikt had ».Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Paulus ontkent dat hij de volmaaktheid van de hemel bereikt heeft. Daarom zegt de Glossa, op bewuste plaats, dat “Paulus volmaakt op weg was, doch nog niet het einddoel van de weg bereikt had”.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod hoc dicitur propter peccata venialia, quae non contrariantur habitui charitatis, sed actui. Et ita non repugnant perfectioni viae sed perfectioni patriae.

2. Wat in de bedenking gezegd is geldt voor de dagelijksche zonden, die niet in strijd zijn met de deugd van liefde maar met de daad van liefde. Daarom zijn ze niet onverzoenbaar met de volmaaktheid op aarde, doch met de volmaaktheid in den hemel.2. Wat in de bedenking gezegd is geldt voor de dagelijkse zonden, die niet in strijd zijn met de deugd van liefde maar met de daad van liefde. Daarom zijn ze niet onverzoenbaar met de volmaaktheid op aarde, doch met de volmaaktheid in de hemel.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod perfectio viae non est perfectio simpliciter. Et ideo semper habet, quo crescat.

3. De liefde is, hier op aarde, nooit volkomen zonder meer, daarom kan ze steeds groeien.

Articulus IX

Utrum convenienter distinguantur tres gradus charitatis : incipiens, proficiens et perfecta

[3. Dist. 29. a. 8. qla. 1; In Isaiam. c. 44.]
IXe Artikel

Is het passend drie graden in de liefde te onderscheiden : de graad van de beginnende, van de toenemende, en van de volmaakte liefde?Is het passend drie graden in de liefde te onderscheiden: de graad van de beginnende, van de toenemende, en van de volmaakte liefde?

antwoord 1 ↓

200Ad nonum sic proceditur. Videtur, quod inconvenienter distinguantur tres gradus charitatis, scilicet : charitas incipiens, proficiens et perfecta. Inter principium enim charitatis et ejus ultimam perfectionem sunt multi gradus medii. Non ergo unum solum medium debuit poni.

200Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is de liefde in te deelen in drie graden : de beginnende, de toenemende, en de volmaakte liefde. — 1. Tusschen de beginnende liefde en haar laatste volmaaktheid, treft men veelvuldige graden aan. Men moet dus niet spreken van één enkelen graad tusschen die twee.200Bedenkingen. — Men beweert, dat het niet passend is de liefde in te delen in drie graden: de beginnende, de toenemende, en de volmaakte liefde. — 1. Tussen de beginnende liefde en haar laatste volmaaktheid, treft men veelvuldige graden aan. Men moet dus niet spreken van één enkelen graad tussen die twee.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, statim cum charitas incipit esse incipit etiam proficere. Non ergo debet distingui charitas proficiens a charitate incipiente.

2. Zoohaast de liefde ontstaat, begint ze ook te groeien. Men moet dus de beginnende liefde niet onderscheiden van de toenemende liefde.2. Zohaast de liefde ontstaat, begint ze ook te groeien. Men moet dus de beginnende liefde niet onderscheiden van de toenemende liefde.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, quantumcumque aliquis habeat in hoc mundo charitatem perfectam, potest ejus charitas augeri, ut dictum est [art. 7.]. Sed charitatem augeri est ipsam proficere. Ergo charitas perfecta non debet distingui a charitate proficiente. Inconvenienter ergo praedicti tres gradus charitatis assignantur.

3. Hoe volmaakt ook de liefde hier op aarde bij iemand is, steeds kan ze nog groeien, zooals gezegd werd (7e Art.). Welnu aangroeien is toenemen. Bijgevolg moet men de volmaakte liefde niet onderscheiden van de toenemende liefde. Waaruit blijkt dat vermelde indeeling in graden niet passend is.3. Hoe volmaakt ook de liefde hier op aarde bij iemand is, steeds kan ze nog groeien, zoals gezegd werd (7e Art.). Welnu aangroeien is toenemen. Bijgevolg moet men de volmaakte liefde niet onderscheiden van de toenemende liefde. Waaruit blijkt dat vermelde indeling in graden niet passend is.

201Sed contra est. quod Augustinus dicit super 1. Canon. Joan. [tract. 5] : « Charitas, cum fuerit nata, nutritur », quod pertinet ad incipientes. « Cum fuerit nutrita, roboratur », quod pertinet ad proficientes. « Cum fuerit roborata, perficitur », quod pertinet ad perfectos. Ergo est triplex gradus charitatis.

201Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt : « De liefde, wanneer ze geboren is, voedt zich »; dit slaat op de liefde der beginnelingen. « Wanneer de liefde zich voedt, dan wordt ze krachtiger »; dit op de liefde van hen die vordering maken. « Wanneer de liefde versterkt is, dan wordt ze volmaakt »; wat duidt op de liefde der volmaakten. Bijgevolg zijn er drie graden in de liefde.201Daartegenover staat echter wat Augustinus zegt: “De liefde, wanneer ze geboren is, voedt zich”; dit slaat op de liefde van de beginnelingen. “Wanneer de liefde zich voedt, dan wordt ze krachtiger”; dit op de liefde van hen die vordering maken. “Wanneer de liefde versterkt is, dan wordt ze volmaakt”; wat duidt op de liefde van de volmaakten. Bijgevolg zijn er drie graden in de liefde.

Respondeo dicendum, quod spirituale augmentum charitatis considerari potest quantum ad aliquid simile corporali hominis augmento, quod quidem quamvis in plurimas partes distingui possit, habet tamen aliquas determinatas distinctiones secundum determinatas actiones vel studia ad quae homo perducitur per augmentum. Sicut infantilis aetas dicitur, antequam habeat usum rationis. Postea autem distinguitur alius status hominis, quando jam incipit loqui et ratione uti. Iterum tertius status ejus est pubertas, cum jam incipit posse generare. Et sic deinde quousque perveniatur ad perfectum. Ita etiam diversi gradus charitatis distinguuntur secundum diversa studia, 202ad quae homo perducitur per charitatis augmentum. Nam primo quidem incumbit homini studium principale ad recedendum a peccato et resistendum concupiscentiis ejus, quae in contrarium charitatis movent. Et hoc pertinet ad incipientes, in quibus charitas est nutrienda vel fovenda, ne corrumpatur. Secundum autem studium succedit, ut homo principaliter intendat ad hoc quod in bono proficiat. Et hoc studium pertinet ad proficientes, qui ad hoc principaliter intendunt, ut in eis charitas per augmentum roboretur. Tertium autem studium est, ut homo ad hoc principaliter intendat ut Deo inhaereat et eo fruatur. Et hoc pertinet ad perfectos, qui cupiunt dissolvi, et esse cum Christo. Sicut etiam videmus in motu corporali, quod primum est recessus a termino, secundum autem est appropinquatio ad alium terminum, tertium est quies in termino.

Leerstelling. — De geestelijke groei der liefde kan eenigszins vergeleken worden met den groei van het menschelijk lichaam. Deze wasdom doorloopt weliswaar veelvuldige toestanden, maar niettemin zijn er bepaalde onderscheiden toestanden, die erkend worden aan de bepaalde handelingen waartoe de mensch, ten gevolge van den wasdom, in staat wordt gesteld. Aldus hebben we eerst de kinderjaren, nl. de tijd vooraleer de mensch het gebruik van het verstand heeft. Daarna de tijd waarin de mensch ertoe komt te spreken en gebruik te maken van zijn verstand. Later de puberteitsjaren, wanneer de mensch huwbaar wordt. Eindelijk, het geheele tijdverloop, totdat de mensch zijn hoogtepunt bereikt. De verschillende graden van de liefde worden evenzoo onderscheiden volgens de verschillende handelingen 202waarop men zich toelegt ten gevolge van den groei der liefde. Eerstens legt men zich voornamelijk toe op het vluchten van de zonde en op het weerstand bieden aan de begeerlijkheid, die het tegenovergestelde van de liefde nastreeft. Aldus gedragen zich de beginnelingen, bij wie de liefde moet gevoed en aangevuurd worden, opdat ze niet uitgedoofd wordt. Daarna legt men zich voornamelijk toe op den vooruitgang in het goede. Aldus zij die vordering maken, en den groei der liefde nastreven door haar te versterken. Ten slotte legt men zich voornamelijk toe op de vereening met en het genieten van God. Aldus de volmaakten, die verlangen ontbonden te worden en met Christus te zijn. Iets dergelijks kunnen wij vaststellen in de plaatselijke beweging, die van een bepaald punt vertrekt, den eindterm benadert, en eindelijk in den eindterm stilvalt.Leerstelling. — De geestelijke groei van de liefde kan enigszins vergeleken worden met de groei van het menselijk lichaam. Deze wasdom doorloopt weliswaar veelvuldige toestanden, maar niettemin zijn er bepaalde onderscheiden toestanden, die erkend worden aan de bepaalde handelingen waartoe de mens, ten gevolge van de wasdom, in staat wordt gesteld. Aldus hebben we eerst de kinderjaren, nl. de tijd vooraleer de mens het gebruik van het verstand heeft. Daarna de tijd waarin de mens ertoe komt te spreken en gebruik te maken van zijn verstand. Later de puberteitsjaren, wanneer de mens huwbaar wordt. Eindelijk, het gehele tijdverloop, totdat de mens zijn hoogtepunt bereikt. De verschillende graden van de liefde worden evenzo onderscheiden volgens de verschillende handelingen 202waarop men zich toelegt ten gevolge van de groei van de liefde. Eerstens legt men zich voornamelijk toe op het vluchten van de zonde en op het weerstand bieden aan de begeerlijkheid, die het tegenovergestelde van de liefde nastreeft. Aldus gedragen zich de beginnelingen, bij wie de liefde moet gevoed en aangevuurd worden, opdat ze niet uitgedoofd wordt. Daarna legt men zich voornamelijk toe op de vooruitgang in het goede. Aldus zij die vordering maken, en de groei van de liefde nastreven door haar te versterken. Ten slotte legt men zich voornamelijk toe op de vereniging met en het genieten van God. Aldus de volmaakten, die verlangen ontbonden te worden en met Christus te zijn. Iets dergelijks kunnen wij vaststellen in de plaatselijke beweging, die van een bepaald punt vertrekt, de eindterm benadert, en eindelijk in de eindterm stilvalt.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod omnis illa determinata distinctio quae potest accipi in augmento charitas, comprehenditur sub istis tribus, quae dicta sunt [in corp. art.] : sicut etiam omnis divisio continuorum comprehenditur sub tribus his : principio, medio, et fine, ut Philosophus dicit in 1. de Coelo [tex. 2.].

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elk bepaald verschil dat in den groei der liefde aangetroffen wordt, valt onder de indeeling in de Leerst. vermeld. Elke indeeling kan ten andere herleid worden tot een begin, een midden en een einde, zooals de Wijsgeer zegt.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Elk bepaald verschil dat in de groei van de liefde aangetroffen wordt, valt onder de indeling in de Leerst. vermeld. Elke indeling kan ten andere herleid worden tot een begin, een midden en een einde, zoals de Wijsgeer zegt.

↑ bedenking 2

203Ad secundum dicendum, quod illis in quibus charitas incipit, quamvis proficiant, principalior tamen cura imminet, ut resistant peccatis, quorum impugnatione inquietantur. Sed postea hanc impugnationem minus sentientes, jam quasi securius intendunt ad perfectum. Ex una tamen parte facientes opus, et ex alia parte habentes manum ad gladium, ut dicitur in Esdra de aedificatoribus Hierusalem [Lib. 2. cap. 4.].

2032. Zij, bij wie de liefde begint, hoewel ze vordering maken, zorgen er vooral voor dat ze weerstand bieden aan de zonde wier aanvallen ze duchten. Daarna zijn ze minder aan die aanvallen onderhevig, en streven met grootere zekerheid naar de volmaaktheid. Met de eene hand werken ze, met de andere hanteeren ze het zwaard, zooals we lezen, in het Tweede Boek Esdras (4. 17), van hen die de stad Jerusalem opbouwden.2032. Zij, bij wie de liefde begint, hoewel ze vordering maken, zorgen er vooral voor dat ze weerstand bieden aan de zonde wier aanvallen ze duchten. Daarna zijn ze minder aan die aanvallen onderhevig, en streven met grotere zekerheid naar de volmaaktheid. Met de ene hand werken ze, met de andere hanteren ze het zwaard, zoals we lezen, in het Tweede Boek Esdras (4, 17)a, van hen die de stad Jerusalem opbouwden.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod perfecti etiam in charitate proficiunt. Sed non est ad hoc principalis eorum cura, sed jam eorum studium circa hoc maxime versatur, ut Deo inhaereant. Et quamvis etiam hoc quaerant et incipientes et proficientes; tamen magis sentiunt circa alia suam solicitudinem, incipientes quidem de vitatione peccatorum, proficientes vero de profectu virtutum.

3. Ook de volmaakten maken vordering in de liefde. Daarover echter zijn ze niet in de eerste plaats bezorgd. Wat hen hoofdzakelijk bekommert is hun vereeniging met God. Beginnelingen of groeienden in de liefde, zoeken weliswaar ook die vereeniging. Toch gaat hun eerste bezorgdheid naar iets anders. De beginnelingen zijn voor alles bezorgd om de zonde te vermijden, en zij die in de liefde vorderen, om in de deugd vooruit te gaan.3. Ook de volmaakten maken vordering in de liefde. Daarover echter zijn ze niet in de eerste plaats bezorgd. Wat hen hoofdzakelijk bekommert is hun vereniging met God. Beginnelingen of groeienden in de liefde, zoeken weliswaar ook die vereniging. Toch gaat hun eerste bezorgdheid naar iets anders. De beginnelingen zijn voor alles bezorgd om de zonde te vermijden, en zij die in de liefde vorderen, om in de deugd vooruit te gaan.

Articulus X

Utrum charitas possit diminui

[1. Dist. 17. q. 2. art. 5; de Mal. q. 7. art. 2.]
Xe Artikel

Kan de liefde verminderen?

antwoord 1 ↓

204Ad decimum sic proceditur. Videtur, quod charitas possit diminui. Contraria enim nata sunt fieri circa idem. Sed augmentatio et diminutio sunt contraria. Cum ergo charitas augeatur, ut dictum est supra [art. 4.], videtur etiam quod possit diminui.

204Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde kan verminderen. — 1. Hetzelfde subjekt kan tegengestelde bewegingen ondergaan. Welnu vermeerderen en verminderen zijn tegengestelde bewegingen. Daar de liefde vermeerdert, zooals gezegd werd (4e Art.), moet ze dus ook kunnen verminderen.204Bedenkingen. — Men beweert, dat de liefde kan verminderen. — 1. Hetzelfde subject kan tegengestelde bewegingen ondergaan. Welnu vermeerderen en verminderen zijn tegengestelde bewegingen. Daar de liefde vermeerdert, zoals gezegd werd (4e Art.), moet ze dus ook kunnen verminderen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus 10. Conf. [cap. 29.] ad Deum loquens, dicit : « Minus te amat, qui tecum aliquid amat ». Et in lib. 83. QQ. [q. 36.] dicit, quod « nutrimentum charitatis est diminutio cupiditatis ». Ex quo videtur quod etiam e converso augmentum cupiditatis sit diminutio charitatis. Sed cupiditas qua amatur aliquid aliud quam Deus, potest in homine crescere. Ergo charitas potest diminui.

2. Augustinus, sprekend tot God, zegt : « Hij heeft U minder lief, die, naast U nog iets anders bemint ». En elders : « De liefde wordt gevoed doordat de begeerlijkheid vermindert ». Daaruit volgt dat, andersom, de liefde vermindert wanneer de begeerlijkheid vermeerdert. Welnu de begeerlijkheid waardoor men iets anders buiten God bemint, kan vermeerderen. Bijgevolg kan de liefde verminderen.2. Augustinus, sprekend tot God, zegt: “Hij heeft U minder lief, die, naast U nog iets anders bemint”. En elders: “De liefde wordt gevoed doordat de begeerlijkheid vermindert”. Daaruit volgt dat, andersom, de liefde vermindert wanneer de begeerlijkheid vermeerdert. Welnu de begeerlijkheid waardoor men iets anders buiten God bemint, kan vermeerderen. Bijgevolg kan de liefde verminderen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, sicut Augustinus dicit 8. super Genes. ad lit. [cap. 12.], « non ita Deus operatur hominem justum, justificando eum, ut, si abscesserit, 205maneat in absente, quod facit ». Ex quo potest accipi, quod eodem modo Deus operatur in homine, charitatem ejus conservando, quo operatur primo ei charitatem infundendo. Sed in prima charitatis infusione minus se praeparanti Deus minorem charitatem infundit. Ergo etiam in conservatione charitatis minus se praeparanti minorem charitatem conservat. Potest ergo charitas diminui.

3. Augustinus zegt : « Wanneer God iemand rechtvaardigt, dan werkt Hij niet zoodanig in den rechtvaardige, dat, zoo deze zich terugtrekt, Gods werk blijft in hem die zich van God 205vervreemdt ». Daaruit kan men afleiden, dat God op dezelfde wijze te werk gaat om de liefde te bewaren, als Hij te werk gaat om de liefde voor het eerst in te storten. Welnu God zal een geringere liefde instorten in hem die zich minder voorbereidt. Dus zal ook de liefde minder behouden blijven in hem die zich minder waardig toont. Bijgevolg kan de liefde verminderen.3. Augustinus zegt: “Wanneer God iemand rechtvaardigt, dan werkt Hij niet zodanig in de rechtvaardige, dat, zo deze zich terugtrekt, Gods werk blijft in hem die zich van God 205vervreemdt”. Daaruit kan men afleiden, dat God op dezelfde wijze te werk gaat om de liefde te bewaren, als Hij te werk gaat om de liefde voor het eerst in te storten. Welnu God zal een geringere liefde instorten in hem die zich minder voorbereidt. Dus zal ook de liefde minder behouden blijven in hem die zich minder waardig toont. Bijgevolg kan de liefde verminderen.

Sed contra est, quod charitas in Scriptura igni comparatur, secundum illud Cant. 8. [v. 6] : « Lampades ejus, scilicet charitatis, lampades ignis, atque flammarum ». Sed ignis, quamdiu manet, semper ascendit. Ergo charitas, quamdiu manet, ascendere potest; sed descendere, idest diminui, non potest.

Daartegenover staat echter, dat de liefde in de H. Schrift vergeleken wordt bij een vuur, zooals gezegd wordt in het Hooglied (8. 6) : « Haar vlammen, nl. van de liefde, laaien op als een flitsend vuur ». Welnu zoolang het vuur brandt, zoolang ook stijgt het naar boven. Bijgevolg moet de liefde zoolang ze voortbestaat, opstijgen, en kan ze niet naarbeneden slaan of verminderen.Daartegenover staat echter, dat de liefde in de H. Schrift vergeleken wordt bij een vuur, zoals gezegd wordt in het Hooglied (8, 6): “Haar vlammen, nl. van de liefde, laaien op als een flitsend vuur”. Welnu zolang het vuur brandt, zolang ook stijgt het naar boven. Bijgevolg moet de liefde zolang ze voortbestaat, opstijgen, en kan ze niet naarbeneden slaan of verminderen.

Respondeo dicendum, quod quantitas charitatis, quam habet in comparatione ad objectum proprium, minui non potest, sicut nec augeri, ut supra dictum est [art. 4. ad 2.]. Sed cum augeatur secundum quantitatem quam habet per comparationem ad subjectum, hic oportet considerare, utrum 206ex hac parte diminui possit. Si autem diminuatur, oportet, quod vel diminuatur per aliquem actum, vel per solam cessationem ab actu. Per cessationem quidem ab actu diminuuntur virtutes ex actibus acquisitae, et quandoque etiam corrumpuntur, ut supra dictum est [1-2. q. 53. art. 3.]. Unde de amicitia Philosophus dicit in 8. Ethicor. [cap. 5.], quod multas amicitias inappellatio solvit idest non appellare amicum, vel non colloqui ei. Sed hoc ideo est, quia conservatio uniuscujusque rei dependet ex sua causa. Causa autem virtutis acquisitae est actus humanus. Unde, cessantibus humanis actibus, virtus acquisita diminuitur, et tandem totaliter corrumpitur. Sed hoc in charitate locum non habet. Quia charitas non causatur ab humanis actibus, sed solum a Deo, ut supra dictum est [art. 2.]. Unde relinquitur quod etiam cessante actu, propter hoc nec diminuitur, nec corrumpitur, si desit peccatum in ipsa cessatione. Relinquitur ergo quod diminutio charitatis non possit causari, nisi vel a Deo vel ab aliquo peccato. A Deo quidem non causatur aliquis defectus in nobis, nisi per modum poenae, secundum quod subtrahit gratiam in poenam peccati. Unde nec ei competit diminuere 207charitatem, nisi per modum poenae. Poena autem debetur peccato. Unde relinquitur, quod si charitas diminuatur, causa diminutionis ejus sit peccatum vel effective, vel meritorie. Neutro autem modo peccatum mortale diminuit charitatem, sed totaliter corrumpit ipsam. Et effective, quia omne peccatum mortale contrariatur charitati, ut infra dicetur [art. 12.] ; et etiam meritorie, quia cum peccando mortaliter aliquis contra charitatem agit, dignum est ut Deus ei subtrahat charitatem. Similiter etiam nec per peccatum veniale charitas diminui potest, neque effective, neque meritorie. Effective quidem non, quia ad ipsam charitatem non attingit; charitas enim est circa finem ultimum. Veniale autem peccatum est quaedam inordinatio circa ea, quae sunt ad finem : non autem diminuitur amor finis ex hoc, quod aliquis inordinationem aliquam committit circa ea quae sunt ad finem. Sicut aliquando contingit, quod aliqui infirmi, multum amantes sanitatem, inordinate 208tamen se habent circa diaetae observationem; sicut etiam in speculativis scientiis falsae opiniones circa ea quae deducuntur ex principiis, non diminuunt certitudinem principiorum. Similiter etiam veniale peccatum non meretur diminutionem charitatis. Cum enim aliquis delinquit in minori, non meretur detrimentum pati in majori. Deus enim non plus se avertit ab homine, quam homo avertat se ab ipso. Unde qui inordinate se habet circa ea quae sunt ad finem, non meretur detrimentum pati in charitate, per quam ordinatur ad ultimum finem. Unde consequens est, quod charitas nullo modo diminui possit, directe loquendo. Potest tamen indirecte dici diminutio charitatis dispositio ad corruptionem ipsius; quae fit vel per peccata venialia, vel etiam per cessationem ab exercitio operum charitatis.

Leerstelling. — De hoegrootheid van de liefde kan verminderen noch vermeerderen, van den kant van haar eigen voorwerp, zooals boven gezegd is (4e Art. 2e Antw.). Ze kan echter vermeerderen in hoegrootheid, beschouwd van den kant van het subjekt. Men moet derhalve nagaan of ze van dien kant ook 206kan verminderen. Indien zij vermindert, dan vermindert zij omdat men een daad stelt, of omdat men ophoudt een daad te stellen. De deugden die we door eigen daden verwerven, verminderen wanneer men met die daden ophoudt; ze kunnen zelfs volledig verloren gaan, zooals boven gezegd is (I-II. 53e Kw. 3e Art.). Zoo worden veel vriendschappen ontbonden, zegt de Wijsgeer, omdat de vrienden niet met elkander omgaan, d. i. omdat ze elkander geen vriend noemen, of zich met elkander niet onderhouden. De reden hiervan is te zoeken in het feit dat het behoud van elk ding, van zijn oorzaak afhangt. De oorzaak der verworven deugden is de menschelijke daad. Houdt die daad op, dan verminderen die deugden en weldra zullen ze volledig verdwijnen. Dit kan echter het geval niet zijn voor de liefde. De liefde hangt immers niet af van de menschelijke daad, maar van God alleen, zooals gezegd werd (2e Art.). De liefde zal derhalve verminderen noch verdwijnen, wanneer de liefdedaad ophoudt, tenzij dit verzuim zelf zonde zou zijn. De vermindering van de liefde kan bijgevolg slechts veroorzaakt worden of door God of door de zonde. Welnu, God zal nooit een tekort in ons veroorzaken tenzij om ons te straffen, zooals Hij iemand de genade ontneemt, als straf voor zijn zonde. Hij zal bijgevolg de 207liefde niet verminderen, tenzij als straf. Straf echter onderstelt zonde. Indien dus de liefde vermindert, dan is de zonde de oorzaak van deze vermindering, hetzij zij de vermindering bewerkt, of ze verdient. De doodzonde nu kan op geen van beide wijzen de liefde verminderen. De doodzonde doodt immers de liefde daadwerkelijk, omdat elke doodzonde in strijd is met de liefde, zooals verder zal gezegd worden (12e Art.). Eveneens verdient ze den dood van de liefde, daar het billijk is dat God aan hem die doodelijk zondigt en daardoor tegen de liefde handelt, de liefde ontneemt. Ook de dagelijksche zonde kan de vermindering van de liefde niet bewerken of verdienen. Ze kan die vermindering niet bewerken, omdat ze de liefde zelf niet benadeelt. Want de liefde is gericht op het einddoel. De dagelijksche zonde is daarentegen een ongeregeldheid, betreffende datgene wat tot het einddoel leidt. Welnu de liefde tot het doel, wordt niet vermindert omdat iemand een ongeregeldheid begaat in verband met iets wat tot het doel leidt. B. v. een zieke, die zeer gehecht is aan de gezondheid, kan niettemin ongeregeld zijn in het onderhouden van een voorgeschreven dieet; evenzoo zal in de bewijsvoerende wetenschappen, de zekerheid betreffende de beginselen niet verminderen omdat men er een of andere verkeerde meening op nahoudt 208omtrent datgene wat uit die beginselen afgeleid wordt. De dagelijksche zonde kan evenmin een vermindering der liefde verdienen. Want wanneer iemand tekort komt in het mindere, moet hij daarom niet in het meerdere benadeeld worden. God keert zich niet verder van den mensch af, dan de mensch zich van God afwendt. Bijgevolg zal hij die een ongeregeldheid begaat omtrent iets wat tot het doel leidt, niet benadeeld worden in de liefde, waardoor hij op het einddoel zelf geordend is. Het besluit is, dat de liefde op geen enkele wijze rechtstreeks kan verminderd worden. Toch kan men spreken van een zijdelingsche vermindering, wanneer men in acht neemt dat de dagelijksche zonde of het nalaten van de liefdedaden, de ziel op weg zetten om de liefde te verliezen.Leerstelling. — De hoegrootheid van de liefde kan verminderen noch vermeerderen, van de kant van haar eigen voorwerp, zoals boven gezegd is (4e Art. 2e Antw.). Ze kan echter vermeerderen in hoegrootheid, beschouwd van de kant van het subject. Men moet derhalve nagaan of ze van die kant ook 206kan verminderen. Indien zij vermindert, dan vermindert zij omdat men een daad stelt, of omdat men ophoudt een daad te stellen. De deugden die we door eigen daden verwerven, verminderen wanneer men met die daden ophoudt; ze kunnen zelfs volledig verloren gaan, zoals boven gezegd is (1-2 53e Kw. 3e Art.). Zo worden veel vriendschappen ontbonden, zegt de Wijsgeer, omdat de vrienden niet met elkander omgaan, d.i. omdat ze elkander geen vriend noemen, of zich met elkander niet onderhouden. De reden hiervan is te zoeken in het feit dat het behoud van elk ding, van zijn oorzaak afhangt. De oorzaak van de verworven deugden is de menselijke daad. Houdt die daad op, dan verminderen die deugden en weldra zullen ze volledig verdwijnen. Dit kan echter het geval niet zijn voor de liefde. De liefde hangt immers niet af van de menselijke daad, maar van God alleen, zoals gezegd werd (2e Art.). De liefde zal derhalve verminderen noch verdwijnen, wanneer de liefdedaad ophoudt, tenzij dit verzuim zelf zonde zou zijn. De vermindering van de liefde kan bijgevolg slechts veroorzaakt worden of door God of door de zonde. Welnu, God zal nooit een tekort in ons veroorzaken tenzij om ons te straffen, zoals Hij iemand de genade ontneemt, als straf voor zijn zonde. Hij zal bijgevolg de 207liefde niet verminderen, tenzij als straf. Straf echter onderstelt zonde. Indien dus de liefde vermindert, dan is de zonde de oorzaak van deze vermindering, hetzij zij de vermindering bewerkt, of ze verdient. De doodzonde nu kan op geen van beide wijzen de liefde verminderen. De doodzonde doodt immers de liefde daadwerkelijk, omdat elke doodzonde in strijd is met de liefde, zoals verder zal gezegd worden (12e Art.). Eveneens verdient ze de dood van de liefde, daar het billijk is dat God aan hem die dodelijk zondigt en daardoor tegen de liefde handelt, de liefde ontneemt. Ook de dagelijkse zonde kan de vermindering van de liefde niet bewerken of verdienen. Ze kan die vermindering niet bewerken, omdat ze de liefde zelf niet benadeelt. Want de liefde is gericht op het einddoel. De dagelijkse zonde is daarentegen een ongeregeldheid, betreffende datgene wat tot het einddoel leidt. Welnu de liefde tot het doel, wordt niet vermindert omdat iemand een ongeregeldheid begaat in verband met iets wat tot het doel leidt. Bv. een zieke, die zeer gehecht is aan de gezondheid, kan niettemin ongeregeld zijn in het onderhouden van een voorgeschreven dieet; evenzo zal in de bewijsvoerende wetenschappen, de zekerheid betreffende de beginselen niet verminderen omdat men er een of andere verkeerde mening op nahoudt 208omtrent datgene wat uit die beginselen afgeleid wordt. De dagelijkse zonde kan evenmin een vermindering van de liefde verdienen. Want wanneer iemand tekort komt in het mindere, moet hij daarom niet in het meerdere benadeeld worden. God keert zich niet verder van de mens af, dan de mens zich van God afwendt. Bijgevolg zal hij die een ongeregeldheid begaat omtrent iets wat tot het doel leidt, niet benadeeld worden in de liefde, waardoor hij op het einddoel zelf geordend is. Het besluit is, dat de liefde op geen enkele wijze rechtstreeks kan verminderd worden. Toch kan men spreken van een zijdelingse vermindering, wanneer men in acht neemt dat de dagelijkse zonde of het nalaten van de liefdedaden, de ziel op weg zetten om de liefde te verliezen.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod contraria sunt circa idem, quando subjectum aequaliter se habet ad utrumque contrariorum. Sed charitas non eodem modo se habet ad augmentum et diminutionem. Potest enim habere causam augentem, sed non potest habere causam minuentem, sicut dictum 209est [in corp.]. Unde ratio non sequitur.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hetzelfde subjekt ondergaat tegengestelde bewegingen, wanneer dit subjekt in eenzelfde verhouding staat tot beide tegengestelde bewegingen. Welnu de verhouding van de liefde tot vermeerdering is niet dezelfde als haar verhouding tot vermindering. Want voor vermeerdering is er een oorzaak, voor vermindering niet, zooals gezegd is (in 209de Leerst.). Bijgevolg is vernoemd beginsel hier niet toepasselijk.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Hetzelfde subject ondergaat tegengestelde bewegingen, wanneer dit subject in eenzelfde verhouding staat tot beide tegengestelde bewegingen. Welnu de verhouding van de liefde tot vermeerdering is niet dezelfde als haar verhouding tot vermindering. Want voor vermeerdering is er een oorzaak, voor vermindering niet, zoals gezegd is (in 209de Leerst.). Bijgevolg is vernoemd beginsel hier niet toepasselijk.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod duplex est cupiditas. Una quidem, qua finis in creaturis constituitur. Et haec mortificat totaliter charitatem, cum sit venenum ipsius, ut Augustinus dicit ibid. Et hoc facit, quod Deus minus ametur, scilicet quam debet amari ex charitate, non quidem charitatem diminuendo, sed eam totaliter tollendo. Et sic intelligendum est, quod dicitur: « Minus te amat, qui tecum aliquid amat ». Subditur enim : « Quod non propter te amat, », quod non contingit in peccato veniali, sed solum in mortali. Quod enim amatur in peccato veniali, propter Deum amatur habitu, etsi non actu. Est autem alia cupiditas venialis peccati, quae semper diminuitur per charitatem. Sed tamen talis cupiditas charitatem diminuere non potest, ratione jam dicta [in corp. art.].

2. We onderscheiden een dubbele begeerlijkheid. Eerstens, een begeerlijkheid, die het geschapene als einddoel beschouwt. Deze doodt de liefde volledig, want ze is vergif voor de liefde, zooals Augustinus zegt. Deze begeerlijkheid is de schuld dat men God minder bemint dan men Hem uit liefde moet beminnen, niet omdat die begeerlijkheid de liefde vermindert, maar omdat ze de liefde volledig rooft. Zoo moet dan het woord van Augustinus begrepen worden : « Hij heeft U minder lief, die naast U nog iets anders bemint ». Hij voegt er immers aan toe : « Want hij bemint dit andere niet om U ». Welnu, dit is niet het geval met de dagelijksche zonde, doch alleen met de doodzonde. Want datgene wat de dagelijksche zonde bemint, wordt nog om God bemind door de deugd van liefde, hoewel niet metterdaad. Er bestaat een tweede begeerlijkheid, nl. die van de dagelijksche zonde, die door de liefde verminderd wordt. Maar deze kan de liefde niet verminderen om de aangevoerde reden (in de Leerst.).2. We onderscheiden een dubbele begeerlijkheid. Eerstens, een begeerlijkheid, die het geschapene als einddoel beschouwt. Deze doodt de liefde volledig, want ze is vergif voor de liefde, zoals Augustinus zegt. Deze begeerlijkheid is de schuld dat men God minder bemint dan men Hem uit liefde moet beminnen, niet omdat die begeerlijkheid de liefde vermindert, maar omdat ze de liefde volledig rooft. Zo moet dan het woord van Augustinus begrepen worden: “Hij heeft U minder lief, die naast U nog iets anders bemint”. Hij voegt er immers aan toe: “Want hij bemint dit andere niet om U”. Welnu, dit is niet het geval met de dagelijkse zonde, doch alleen met de doodzonde. Want datgene wat de dagelijkse zonde bemint, wordt nog om God bemind door de deugd van liefde, hoewel niet metterdaad. Er bestaat een tweede begeerlijkheid, nl. die van de dagelijkse zonde, die door de liefde verminderd wordt. Maar deze kan de liefde niet verminderen om de aangevoerde reden (in de Leerst.).

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod in infusione charitatis requiritur motus liberi arbitrii, sicut supra dictum est [1-2. q. 113. art. 3.]. Et ideo illud quod diminuit intensionem liberi arbitrii, dispositive operatur ad hoc quod 210charitas infundenda sit minor. Sed ad conservationem charitatis non requiritur motus liberi arbitrii. Alioquin non remaneret in dormientibus. Unde per impedimentum intensionis motus liberi arbitrii non diminuitur charitas.

3. Waar de liefde ingestort wordt, wordt een vrije wilsdaad ondersteld, zooals vroeger gezegd is (I-II. 113e Kw. 3e Art.). Derhalve zal datgene wat de vurigheid van die wilsdaad 210vermindert, schikkenderwijze bewerken dat de ingestorte liefde geringer is. Maar die vrije wilsdaad is niet vereischt voor het bewaren der liefde. Was dit zoo, dan zou de liefde verdwijnen gedurende den slaap. Bijgevolg vermindert de liefde niet omdat de vurigheid van de vrije wilsdaad vermindert.3. Waar de liefde ingestort wordt, wordt een vrije wilsdaad ondersteld, zoals vroeger gezegd is (1-2 113e Kw. 3e Art.). Derhalve zal datgene wat de vurigheid van die wilsdaad 210vermindert, schikkenderwijze bewerken dat de ingestorte liefde geringer is. Maar die vrije wilsdaad is niet vereist voor het bewaren van de liefde. Was dit zo, dan zou de liefde verdwijnen gedurende de slaap. Bijgevolg vermindert de liefde niet omdat de vurigheid van de vrije wilsdaad vermindert.

Articulus XI

Utrum charitas semel habita possit amitti

[3. Dist. 31. q. 1. art. 1; 4. Cont. gent. cap. 70; de Virt. q. 2. art. 12; ad Rom. c. 8. lect. 7; 1. Cor. c. 13. lect. 3.]
XIe Artikel

Kan men de liefde, wanneer men ze eenmaal bezit, verliezen?

antwoord 1 ↓

Ad undecimum sic proceditur. Videtur, quod charitas semel habita non possit amitti. Si enim amittitur, non amittitur nisi propter peccatum. Sed ille qui habet charitatem, non potest peccare. Dicitur enim. 1. Joan. 3. [v. 9] : « Omnis, qui natus est ex Deo, peccatum non facit, quia semen ipsius in eo manet : et non potest peccare, quoniam ex Deo natus est ». Charitatem autem non habent nisi filii Dei. « Ipsa enim est, quae distinguit inter filios regni, et filios perditionis », ut Augustinus dicit in 21115. de Trinit. [cap. 18.]. Ergo ille qui habet charitatem non potest eam amittere.

Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde, wanneer men ze eenmaal bezit, niet kan verliezen. — 1. Wanneer men de liefde verliest is dit door de zonde. Welnu, hij die de liefde bezit kan niet zondigen, naar het woord uit den Eersten Brief van Joannes (3. 9) : « Wie uit God geboren is, bedrijft geen zonde, want Zijn zaad is in hem; hij kan zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is geboren ». Welnu Gods zonen alleen bezitten de liefde; want, zegt Augustinus : « door de liefde 211worden de zonen van het rijk onderscheiden van de zonen van het verderf ». Bijgevolg kan hij die de liefde bezit, ze niet verliezen.Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde, wanneer men ze eenmaal bezit, niet kan verliezen. — 1. Wanneer men de liefde verliest is dit door de zonde. Welnu, hij die de liefde bezit kan niet zondigen, naar het woord uit de Eerste Brief van Johannes (3, 9): “Wie uit God geboren is, bedrijft geen zonde, want Zijn zaad is in hem; hij kan zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is geboren”. Welnu Gods zonen alleen bezitten de liefde; want, zegt Augustinus: “door de liefde 211worden de zonen van het rijk onderscheiden van de zonen van het verderf”. Bijgevolg kan hij die de liefde bezit, ze niet verliezen.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Augustinus dicit in 8. de Trinit. [cap. 7.] quod « dilectio, si non est vera, dilectio dicenda non est ». Sed, sicut ipse dicit in epist. ad Jul. Comitem : « Charitas, quae deficere potest, numquam vera fuit ». Ergo neque charitas fuit. Si ergo charitas semel habeatur, numquam amittitur.

2. Augustinus zegt dat « een liefde die niet echt is, den naam van liefde niet verdient ». Welnu, op een andere plaats zegt hij: « Een liefde die kan verloren worden, is nooit echt geweest ». Ze was dus nooit liefde. Bijgevolg wie de liefde bezit, kan ze niet verliezen.2. Augustinus zegt dat “een liefde die niet echt is, de naam van liefde niet verdient”. Welnu, op een andere plaats zegt hij: “Een liefde die kan verloren worden, is nooit echt geweest”. Ze was dus nooit liefde. Bijgevolg wie de liefde bezit, kan ze niet verliezen.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, Gregorius dicit in homil. Pentecostes [30.], quod « amor Dei magna operatur, si est. Si desinit operari, charitas non est ». Sed nullus magna operando amittit charitatem. Ergo si charitas insit, amitti non potest.

3. Gregorius zegt : « Zoolang de liefde liefde is, werkt ze groote dingen uit; wanneer ze ophoudt te werken, dan is zij geen liefde meer ». Welnu, niemand die groote dingen uitwerkt, verliest de liefde. Bijgevolg kan hij die de liefde bezit, ze niet verliezen.3. Gregorius zegt: “Zolang de liefde liefde is, werkt ze grote dingen uit; wanneer ze ophoudt te werken, dan is zij geen liefde meer”. Welnu, niemand die grote dingen uitwerkt, verliest de liefde. Bijgevolg kan hij die de liefde bezit, ze niet verliezen.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, liberum arbitrium non inclinatur ad peccatum, nisi per aliquod motivum ad peccandum. Sed charitas excludit omnia motiva ad peccandum, et amorem sui, et cupiditatem, et quidquid aliud hujusmodi est. Ergo charitas amitti non potest.

4. De vrije wil neigt niet tot zonde tenzij onder invloed van een zondige beweegreden. Welnu de liefde sluit alle zondige beweegredenen uit, de eigenliefde, de begeerlijkheid en dergelijke. Bijgevolg kan de liefde niet verloren worden.

Sed contra est, quod dicitur Apocal. 2. [v. 4] : « Habeo adversum 212te pauca, quod primam charitatem reliquisti ».

Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in het Boek 212der Openbaring (2. 4) : « Maar Ik heb tegen u, dat ge uw eerste liefde verloren hebt ».Daartegenover staat echter wat gezegd wordt in het Boek 212van de Openbaring (2, 4): “Maar Ik heb tegen u, dat ge uw eerste liefde verloren hebt”.

Respondeo dicendum, quod per charitatem Spiritus Sanctus in nobis habitat, ut ex supra dictis patet [q. 23. art. 2.]. Tripliciter ergo possumus considerare charitatem. Uno modo ex parte Spiritus Sancti moventis animam ad diligendum Deum. Et ex hac parte charitas impeccabilitatem habet ex virtute Spiritus Sancti, qui infallibiliter operatur quodcumque voluerit. Unde impossibile est haec duo simul esse vera, quod Spiritus Sanctus velit aliquem movere ad actum charitatis, et quod ipse charitatem amittat peccando. Nam donum perseverantiae computatur inter beneficia Dei, « quibus certissime liberantur, quicumque liberantur », ut Augustinus dicit in lib. 2. Praedestin. Sanct. Alio modo potest considerari charitas secundum propriam rationem. Et sic charitas non potest aliquid, nisi id quod pertinet ad charitatis rationem. Unde charitas nullo modo potest peccare; sicut nec calor potest infrigidare; et sicut etiam injustitia non potest bonum facere, ut Augustinus dicit in lib. 2. de Serm. Dom. in monte [cap. 24.]. Tertio modo potest 213considerari charitas ex parte subjecti, quod est vertibile secundum arbitrii libertatem. Potest autem attendi comparatio charitatis ad hoc subjectum, et secundum universalem rationem, qua comparatur forma ad materiam; et secundum specialem rationem, qua comparatur habitus ad potentiam. Est autem de ratione formae, quod sit in subjecto amissibiliter, quando non replet totam potentialitatem materiae. Sicut patet in formis generabilium et corruptibilium; quia materia horum sic recipit unam formam, quod remanet in ea potentia ad aliam formam, quasi non repleta tota materiae potentialitate per unam formam. Et ideo una forma potest amitti per acceptionem alterius. Sed forma corporis coelestis, quia replet totam materiae potentialitatem, ita quod non remanet in ea potentia ad aliam formam, inamissibiliter inest. Sic ergo charitas patriae, quia replet totam potentialitatem rationalis mentis, inquantum scilicet omnis actualis motus ejus fertur in Deum, inamissibiliter habetur. Charitas autem viae non sic replet potentialitatem sui subjecti; quia non semper actu fertur in Deum. Unde quando actu in Deum non fertur, potest aliquid occurrere, per quod charitas amittatur.

Leerstelling. — Door de liefde woont de H. Geest in ons, zooals boven gezegd is (23e Kw. 2e Art.). Welnu we kunnen de liefde onder een drievoudig opzicht beschouwen : Vooreerst, van den kant van den H. Geest, die de ziel tot de liefde Gods beweegt. Zoo beschouwd, is de liefde vrij van zonde door de kracht van den H. Geest, die onfeilbaar alles uitwerkt wat Hij wil. Het is bijgevolg onmogelijk dat die twee dingen tegelijk waar zijn : dat de H. Geest iemand tot de liefdedaad wil bewegen, en deze mensch door te zondigen de liefde verliest. Want de gave der volharding wordt onder de weldaden Gods gerekend, « zoodat de verlosten, zeker verlost worden », zooals Augustinus zegt. Men kan, ten tweede, de liefde beschouwen naar haar eigen wezenheid. Aldus vermag de liefde slechts datgene wat haar van nature mogelijk is. Het is derhalve onmogelijk dat de liefde zondigt, zooals de warmte geen koude kan veroorzaken en de ongerechtigheid geen goede daden kan verrichten, zooals Augustinus zegt. Men kan, ten derde, de liefde beschouwen van den kant van het subjekt dat, omwille van de vrijheid, veranderlijk 213is. Men kan hier echter de verhouding van de liefde tot dat subjekt beschouwen én onder een algemeen opzicht, de verhouding nl. van den vorm tot de materie, én onder een bijzonder opzicht, de verhouding nl. van een vaardigheid tot het vermogen. Welnu een subjekt kan een vorm verliezen wanneer deze vorm niet volledig de mogelijkheid van de materie omvademt; zooals de vorm van de wezens die ontstaan en vergaan, en waar de materie door een vorm verdaadwerkelijkt in aanleg blijft om een anderen te ontvangen, omdat de volledige mogelijkheid van die materie door dezen vorm niet is uitgeput. Zoodoende gaat een vorm verloren omdat een andere ontvangen wordt. De vorm echter der hemellichamen put volledig den aanleg van de stof uit, zoodat deze geenszins in aanleg blijft tot een anderen vorm, en deze vorm onverliesbaar is. Aldus is ook de liefde van het hemelsche vaderland onverliesbaar omdat zij de volle mogelijkheid van het redelijke wezen vervult, daar elk van zijn actueele bewegingen op God gericht is. Maar de liefde hier op aarde, vervult niet op dezelfde wijze den volledigen aanleg van het subjekt, daar ze niet steeds daadwerkelijk op God gericht is. Op een oogenblik dat ze niet metterdaad op God gericht is, kan dus iets voorkomen waardoor ze verloren gaat.Leerstelling. — Door de liefde woont de H. Geest in ons, zoals boven gezegd is (23e Kw. 2e Art.). Welnu we kunnen de liefde onder een drievoudig opzicht beschouwen: Vooreerst, van de kant van de H. Geest, die de ziel tot de liefde Gods beweegt. Zo beschouwd, is de liefde vrij van zonde door de kracht van de H. Geest, die onfeilbaar alles uitwerkt wat Hij wil. Het is bijgevolg onmogelijk dat die twee dingen tegelijk waar zijn: dat de H. Geest iemand tot de liefdedaad wil bewegen, en deze mens door te zondigen de liefde verliest. Want de gave van de volharding wordt onder de weldaden Gods gerekend, “zodat de verlosten, zeker verlost worden”, zoals Augustinus zegt. Men kan, ten tweede, de liefde beschouwen naar haar eigen wezenheid. Aldus vermag de liefde slechts datgene wat haar van nature mogelijk is. Het is derhalve onmogelijk dat de liefde zondigt, zoals de warmte geen koude kan veroorzaken en de ongerechtigheid geen goede daden kan verrichten, zoals Augustinus zegt. Men kan, ten derde, de liefde beschouwen van de kant van het subject dat, omwille van de vrijheid, veranderlijk 213is. Men kan hier echter de verhouding van de liefde tot dat subject beschouwen én onder een algemeen opzicht, de verhouding nl. van de vorm tot de materie, én onder een bijzonder opzicht, de verhouding nl. van een vaardigheid tot het vermogen. Welnu een subject kan een vorm verliezen wanneer deze vorm niet volledig de mogelijkheid van de materie omvademt; zoals de vorm van de wezens die ontstaan en vergaan, en waar de materie door een vorm verdaadwerkelijkt in aanleg blijft om een anderen te ontvangen, omdat de volledige mogelijkheid van die materie door deze vorm niet is uitgeput. Zodoende gaat een vorm verloren omdat een andere ontvangen wordt. De vorm echter van de hemellichamen put volledig de aanleg van de stof uit, zodat deze geenszins in aanleg blijft tot een anderen vorm, en deze vorm onverliesbaar is. Aldus is ook de liefde van het hemelse vaderland onverliesbaar omdat zij de volle mogelijkheid van het redelijke wezen vervult, daar elk van zijn actuele bewegingen op God gericht is. Maar de liefde hier op aarde, vervult niet op dezelfde wijze de volledige aanleg van het subject, daar ze niet steeds daadwerkelijk op God gericht is. Op een ogenblik dat ze niet metterdaad op God gericht is, kan dus iets voorkomen waardoor ze verloren gaat.

Habitui 214vero proprium est, ut inclinet potentiam ad agendum. Quod convenit habitui, inquantum facit id videri bonum, quod ei convenit, malum autem, quod ei repugnat. Sicut enim gustus dijudicat sapores secundum suam dispositionem, ita mens hominis dijudicat de aliquo faciendo secundum suam habitualem dispositionem. Unde et Philosophus dicit in 3. Ethic. [cap. 5.] quod « qualis unusquisque est, talis finis videtur ei ». Ibi ergo charitas inamissibiliter habetur, ubi id quod convenit charitati, non potest videri nisi bonum, scilicet in patria, ubi Deus videtur per essentiam, quae est ipsa essentia bonitatis. Et ideo charitas patriae amitti non potest. Charitas autem viae, in cujus statu non videtur ipsa essentia Dei bonitatis esse essentia1, potest amitti.

214Het is iets eigen aan de vaardigheid het vermogen tot de daad te neigen. Ze doet dit in zoover ze doet inzien dat wat met haar overeenkomt goed is, en slecht wat haar vijandig is. Evenals dan de smaak proeft volgens zijn gesteldheid, aldus oordeelt de menschelijke geest, volgens een vaste gesteldheid, omtrent datgene wat moet ondernomen worden. Daarom zegt de wijsgeer, dat « elk over het einddoel oordeelt naar gelang hij gesteld is ». De liefde kan dus niet verloren gaan, waar datgene wat met de liefde overeenkomt noodzakelijk als goed beoordeeld wordt, nl. in den hemel, waar men God ziet die de wezenheid der goedheid is. Bijgevolg kan men de liefde in den hemel niet verliezen. Hier op aarde echter waar men Gods wezen niet ziet, dat de wezenheid der goedheid is, kan de liefde verloren gaan.214Het is iets eigen aan de vaardigheid het vermogen tot de daad te neigen. Ze doet dit in zover ze doet inzien dat wat met haar overeenkomt goed is, en slecht wat haar vijandig is. Evenals dan de smaak proeft volgens zijn gesteldheid, aldus oordeelt de menselijke geest, volgens een vaste gesteldheid, omtrent datgene wat moet ondernomen worden. Daarom zegt de wijsgeer, dat “elk over het einddoel oordeelt naar gelang hij gesteld is”. De liefde kan dus niet verloren gaan, waar datgene wat met de liefde overeenkomt noodzakelijk als goed beoordeeld wordt, nl. in de hemel, waar men God ziet die de wezenheid van de goedheid is. Bijgevolg kan men de liefde in de hemel niet verliezen. Hier op aarde echter waar men Gods wezen niet ziet, dat de wezenheid van de goedheid is, kan de liefde verloren gaan.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod auctoritas illa loquitur secundum potestatem Spiritus Sancti, cujus conservatione a peccato immunes redduntur quos ipse movet, quantum ipse voluerit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tekst doelt op de kracht van den H. Geest, door wiens behoud, zij die door Hem en volgens zijn wilsbeschikking bewogen worden, van de zonde bevrijd blijven.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Deze tekst doelt op de kracht van de H. Geest, door wiens behoud, zij die door Hem en volgens zijn wilsbeschikking bewogen worden, van de zonde bevrijd blijven.

↑ bedenking 2

Ad secundum dicendum, quod charitas, quae deficere potest, ex ipsa 215ratione charitatis, vera charitas non est. Hoc enim esset, si hoc in suo amore haberet, quod ad tempus amaret, et postea amare desineret. Quod non esset verae dilectionis. Sed si charitas amittatur ex mutabilitate subjecti contra propositum charitatis, quod in suo actu includitur, hoc non repugnat veritati charitatis.

2. De liefde die uiteraard kan verloren worden, is geen echte 215liefde. Was dit zoo, dan zou de liefde van nature uit een tijd beminnen en dan met de liefde afbreken. Dat ware geen echte liefde. Maar indien de liefde verloren gaat, omdat het subjekt veranderlijk is en in strijd handelt met het voornemen in de liefdedaad ingesloten, dan is dergelijk verlies niet in strijd met de waarachtigheid van de liefde.2. De liefde die uiteraard kan verloren worden, is geen echte 215liefde. Was dit zo, dan zou de liefde van nature uit een tijd beminnen en dan met de liefde afbreken. Dat ware geen echte liefde. Maar indien de liefde verloren gaat, omdat het subject veranderlijk is en in strijd handelt met het voornemen in de liefdedaad ingesloten, dan is dergelijk verlies niet in strijd met de waarachtigheid van de liefde.

↑ bedenking 3

Ad tertium dicendum, quod amor Dei semper magna operatur in proposito; quod pertinet ad rationem charitatis. Non tamen semper magna operatur in actu, propter conditionem subjecti.

3. De liefde Gods heeft steeds het voornemen groote dingen uit te werken. En dit is de liefde uiteraard eigen. Daarom echter werkt de liefde niet altijd metterdaad het groote uit, wat te wijten is aan de gesteldheid van het subjekt.3. De liefde Gods heeft steeds het voornemen grote dingen uit te werken. En dit is de liefde uiteraard eigen. Daarom echter werkt de liefde niet altijd metterdaad het grote uit, wat te wijten is aan de gesteldheid van het subject.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod charitas secundum rationem sui actus excludit omne motivum ad peccandum. Sed quandoque contingit, quod charitas actu non agit. Et tunc potest intervenire aliquod motivum ad peccandum, cui si consentiatur, charitas amittitur.

4. De natuur van de liefdedaad sluit elke beweegreden tot zonde uit. Doch het gebeurt dat de liefde metterdaad niet handelt, en dan kan een zondige beweegreden opkomen. Stemt men daarin toe, dan gaat de liefde verloren.

Articulus XII

Utrum charitas amittatur per unum actum peccati mortalis

[3. Dist. 31. q. 1. art. 1; de Virt. q. 2. art. 6, 13.]
XIIe Artikel

Verliest men de liefde door één enkele doodzonde?

antwoord 1 ↓

216Ad duodecimum sic proceditur. Videtur, quod charitas non amittatur per unum actum peccati mortalis. Dicit enim Origenes in 1. Periarch. [cap. 3] : « Si aliquando satietas capit aliquem ex his qui in summo perfectoque constiterint gradu, non arbitror quod ad subitum quis evacuetur, aut decidat; sed paulatim ac etiam per partes eum decidere necesse est ». Sed homo decidit charitatem amittens. Ergo charitas non amittitur per unum solum actum peccati mortalis.

216Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde niet door één enkele doodzonde verliest. — 1. Origenes zegt : « Wanneer vooraanstaanden of volmaakten door afkeer en tegenzin overrompeld worden, dan denk ik niet dat ze alles te gelijk verliezen of plots vallen; ze dwalen trapsgewijze en geleidelijk af ». Welnu de mensch dwaalt af, door het verlies der liefde. Bijgevolg gaat de liefde niet verloren door één enkele doodzonde.216Bedenkingen. — Men beweert, dat men de liefde niet door één enkele doodzonde verliest. — 1. Origenes zegt: “Wanneer vooraanstaanden of volmaakten door afkeer en tegenzin overrompeld worden, dan denk ik niet dat ze alles te gelijk verliezen of plots vallen; ze dwalen trapsgewijze en geleidelijk af”. Welnu de mens dwaalt af, door het verlies van de liefde. Bijgevolg gaat de liefde niet verloren door één enkele doodzonde.

antwoord 2 ↓

2. Praeterea, Leo Papa dicit in serm. [9.] de Passione alloquens Petrum : « Vidit in te Dominus non fidem fictam, non dilectionem aversam, sed constantiam fuisse turbatum : abundavit fletus, ubi non defecit affectus; et fons charitatis lavit verba formidinis ». Et ex hoc accepit Bernardus [colligitur ex lib. 2. de Amore Dei, cap. 6.], quod dicit, « in Petro charitatem non fuisse extinctam, sed sopitam ». Sed Petrus negando 217Christum peccavit mortaliter. Ergo charitas non amittitur per unum actum peccati mortalis.

2. Paus Leo, zich richtend tot Petrus, zegt : « De Heer zag dat bij u het geloof niet overwonnen was, noch de liefde veranderd, maar dat uw standvastigheid geschokt was. De tranen waren overvloedig, waar de liefde niet te kort schoot; de bron der liefde wischte alle woorden van vreesachtigheid uit ». Vandaar dat Bernardus zegde : « In Petrus was de liefde niet uitgedoofd, maar ingesluimerd ». Welnu, door Christus te verloochenen heeft 217Petrus zwaar gezondigd. Bijgevolg gaat de liefde door één enkele doodzonde niet verloren.2. Paus Leo, zich richtend tot Petrus, zegt: “De Heer zag dat bij u het geloof niet overwonnen was, noch de liefde veranderd, maar dat uw standvastigheid geschokt was. De tranen waren overvloedig, waar de liefde niet te kort schoot; de bron van de liefde wiste alle woorden van vreesachtigheid uit”. Vandaar dat Bernardus zegde: “In Petrus was de liefde niet uitgedoofd, maar ingesluimerd”. Welnu, door Christus te verloochenen heeft 217Petrus zwaar gezondigd. Bijgevolg gaat de liefde door één enkele doodzonde niet verloren.

antwoord 3 ↓

3. Praeterea, charitas est fortior, quam virtus acquisita. Sed habitus virtutis acquisitae non tollitur per unum actum peccati [Hier is in de Latijnsche tekst van de uitgave een regel weggevallen.] mortalis contrarium.

3. De liefde is krachtiger dan een verworven deugd. Welnu de hebbelijkheid van een verworven deugd gaat niet verloren door één enkele daad die strijdig is met die deugd. Veel minder nog zal bijgevolg de liefde verloren gaan door één enkele zonde die in strijd is met de liefde.

antwoord 4 ↓

4. Praeterea, charitas importat dilectionem Dei et proximi. Sed aliquis committens aliquod peccatum mortale retinet dilectionem Dei et proximi, ut videtur : inordinatio enim affectionis circa ea quae sunt ad finem, non tollit amorem finis, ut supra dictum est [art. 10.]. Ergo potest remanere charitas ad Deum, existente peccato mortali per inordinatam affectionem circa aliquod temporale bonum.

4. De liefde omvat de liefde tot God en tot de evenmensch. Doch wanneer men doodzonde bedrijft, behoudt men blijkbaar de liefde tot God en den evenmensch. Want een ongeregeldheid met betrekking tot datgene wat tot het doel leidt, vernietigt de liefde tot het doel zelf niet, zooals boven (10e Art.) gezegd is. Bijgevolg kan de liefde tot God gerust samengaan met een doodzonde, die een ongeregelde gehechtheid is aan een tijdelijk goed.4. De liefde omvat de liefde tot God en tot de evenmens. Doch wanneer men doodzonde bedrijft, behoudt men blijkbaar de liefde tot God en de evenmens. Want een ongeregeldheid met betrekking tot datgene wat tot het doel leidt, vernietigt de liefde tot het doel zelf niet, zoals boven (10e Art.) gezegd is. Bijgevolg kan de liefde tot God gerust samengaan met een doodzonde, die een ongeregelde gehechtheid is aan een tijdelijk goed.

antwoord 5 ↓

5. Praeterea, virtutis theologicae objectum est ultimus finis. Sed aliae virtutes theologicae, scilicet : fides, et spes, non excluduntur per unum actum peccati mortalis, immo remanent informes. Ergo etiam charitas potest remanere informis, etiam uno peccato mortali perpetrato.

5. Het voorwerp van een goddelijke deugd is het einddoel. Welnu de goddelijke deugden, nl. het geloof en de hoop, gaan niet verloren door één doodzonde, want het doode geloof en de doode hoop blijven. Bijgevolg kan evenzoo een doode liefde blijven, nadat men een doodzonde bedreven heeft.5. Het voorwerp van een goddelijke deugd is het einddoel. Welnu de goddelijke deugden, nl. het geloof en de hoop, gaan niet verloren door één doodzonde, want het dode geloof en de dode hoop blijven. Bijgevolg kan evenzo een dode liefde blijven, nadat men een doodzonde bedreven heeft.

Sed contra. Per peccatum mortale fit homo dignus morte aeterna, 218secundum illud Rom. 6. [v. 23] : « Stipendia peccati mors ». Sed quilibet habens charitatem habet meritum vitae aeternae. Dicitur enim Joan. 14. [v. 21] : « Si quis diligit me, diligetur a Patre meo; et ego diligam eum, et manifestabo ei meipsum ». In qua quidem manifestatione vita aeterna consistit, secundum illud Joan. 17. [v. 3] : « Haec est vita aeterna, ut cognoscant te verum Deum, et quem misisti Jesum Christum ». Nullus autem potest esse simul dignus vita aeterna et morte aeterna. Ergo impossibile est quod aliquis habeat charitatem cum peccato mortali. Tollitur ergo charitas per unum actum peccati mortalis.

Daartegenover staat echter, dat de mensch door de doodzonde 218de eeuwige dood schuldig is, naar het woord uit den Brief aan de Romeinen (6. 23) : « Het loon der zonde is de dood ». Maar alwie de liefde bezit verdient het eeuwig leven, naar het woord bij Joannes (14. 21) : « Wie Mij liefheeft zal door mijn Vader worden bemind, en ook Ikzelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren ». Deze openbaring is het eeuwig leven, naar dit andere woord bij Joannes (17. 3) : « Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenig waarachtigen God, en Hem dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus ». Welnu niemand kan tegelijk het eeuwig leven en de eeuwige dood verdienen. Het is bijgevolg uitgesloten dat iemand de liefde bezit, die doodzonde bedreven heeft. Derhalve gaat de liefde verloren door één enkele doodzonde.Daartegenover staat echter, dat de mens door de doodzonde 218de eeuwige dood schuldig is, naar het woord uit de Brief aan de Romeinen (6, 23): “Het loon van de zonde is de dood”. Maar alwie de liefde bezit verdient het eeuwig leven, naar het woord bij Johannes (14, 21): “Wie Mij liefheeft zal door mijn Vader worden bemind, en ook Ikzelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren”. Deze openbaring is het eeuwig leven, naar dit andere woord bij Johannes (17, 3): “Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enig waarachtigen God, en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus”. Welnu niemand kan tegelijk het eeuwig leven en de eeuwige dood verdienen. Het is bijgevolg uitgesloten dat iemand de liefde bezit, die doodzonde bedreven heeft. Derhalve gaat de liefde verloren door één enkele doodzonde.

Respondeo dicendum, quod unum contrarium per aliud contrarium superveniens tollitur. Quilibet autem actus peccati mortalis contrariatur charitati secundum propriam rationem, quae consistit in hoc quod Deus diligatur super omnia, et quod homo totaliter illi se subjiciat, omnia sua referendo in ipsum. Est ergo de ratione charitatis ut sic diligat Deum, quod in omnibus velit se ei subjicere, et praeceptorum ejus regulam in omnibus 219sequi. Quidquid enim contrariatur praeceptis ejus, manifeste contrariatur charitati. Unde de se habet quod charitatem excludere possit.

Leerstelling. — Twee tegengestelde dingen zijn onvereenigbaar : het eene verdrijft het andere. Welnu, elke doodzonde is van nature tegengesteld aan de liefde, die vraagt dat men God boven alles zou beminnen, en dat de mensch zich volledig aan Hem zou onderwerpen door alles naar Hem te richten. De wezenheid der liefde vergt dus dat de mensch God zoodanig bemint, dat hij in alles aan Hem wil onderworpen zijn en zich in 219alles wil schikken, naar de voorschriften van zijn wet. Wat in strijd is met de goddelijke voorschriften is noodzakelijk in strijd met de liefde, en sluit bijgevolg de liefde uit.Leerstelling. — Twee tegengestelde dingen zijn onverenigbaar: het ene verdrijft het andere. Welnu, elke doodzonde is van nature tegengesteld aan de liefde, die vraagt dat men God boven alles zou beminnen, en dat de mens zich volledig aan Hem zou onderwerpen door alles naar Hem te richten. De wezenheid van de liefde vergt dus dat de mens God zodanig bemint, dat hij in alles aan Hem wil onderworpen zijn en zich in 219alles wil schikken, naar de voorschriften van zijn wet. Wat in strijd is met de goddelijke voorschriften is noodzakelijk in strijd met de liefde, en sluit bijgevolg de liefde uit.

Et si quidem charitas esset habitus acquisitus ex virtute subjecti dependens, non oporteret, quod statim per unum actum contrarium tolleretur. Actus enim non directe contrariatur habitui, sed actui; continuatio autem habitus in subjecto non requirit continuitatem actus. Unde ex superveniente contrario actu non statim habitus acquisitus excluditur. Sed charitas, cum sit habitus infusus, dependet ex actione Dei infundentis, qui sic se habet in infusione et conservatione charitatis, sicut sol in illuminatione aëris, ut dictum est [art. 10. arg. 3; q. 4. art. 4. ad 3.]. Et ideo sicut lumen statim cessaret esse in aëre per hoc quod aliquod obstaculum poneretur illuminationi solis, ita etiam charitas statim deficit esse in anima per hoc quod aliquod obstaculum ponitur influentiae charitatis a Deo in animam. Manifestum est autem quod per quodlibet mortale peccatum, quod divinis praeceptis contrariatur, ponitur praedictae infusioni obstaculum. Quia ex hoc ipso quod homo eligendo 220praefert peccatum divinae amicitiae, quae requiritur ut Dei voluntatem sequamur, consequens est ut statim per unum actum peccati mortalis habitus charitatis perdatur. Unde et Augustinus dicit 8. super Gen. ad literam [cap. 12. in med.] quod « homo, Deo sibi praesente, illuminatur; absente autem continuo tenebratur, a quo non locorum intervallis, sed voluntatis aversione disceditur ».

Was de liefde een verworven hebbelijkheid, die afhangt van het vermogen van het subjekt, dan zou deze hebbelijkheid niet noodzakelijk door één enkele tegengestelde daad verloren gaan. Want een daad is niet onmiddellijk tegengesteld aan een hebbelijkheid, maar aan een daad. Het voortbestaan van een hebbelijkheid in een subjekt eischt niet dat de daad onafgebroken zou gesteld worden. Daarom wordt door een tegengestelde daad de verworven hebbelijkheid niet onmiddellijk uitgebannen. Doch de liefde is een ingestorte hebbelijkheid, die afhangt van de werking van God, die haar instort. Die werking is met betrekking tot de instorting en het bewaren van de liefde, wat de zon is met betrekking tot het verlichten van de lucht, zooals boven gezegd werd (10e Art. 3e Bed.; 4e Kw. 4e Art. 3e Antw.). Welnu evenals de lucht onmiddellijk verduistert, wanneer de verlichting van de zon verhinderd wordt, evenzoo verdwijnt de liefde in de ziel, wanneer een belemmering gesteld wordt aan den invloed van de liefde in de ziel. Welnu het is duidelijk dat elke doodzonde, die de goddelijke wetten weerstreeft, de goddelijke instorting der liefde hindert. Want wanneer de mensch de zonde verkiest boven de goddelijke 220vriendschap, die eischt dat men Gods wil volgt, moet noodzakelijk door één enkele doodzonde, de hebbelijkheid der liefde verloren gaan. Zoo zegt dan Augustinus dat « de mensch, wanneer God aanwezig is, verlicht wordt, doch duisternis is, wanneer God afwezig is, van Wien men zich verwijdert niet door afstand te scheppen in de ruimte, maar door een afkeer van den wil ».Was de liefde een verworven hebbelijkheid, die afhangt van het vermogen van het subject, dan zou deze hebbelijkheid niet noodzakelijk door één enkele tegengestelde daad verloren gaan. Want een daad is niet onmiddellijk tegengesteld aan een hebbelijkheid, maar aan een daad. Het voortbestaan van een hebbelijkheid in een subject eist niet dat de daad onafgebroken zou gesteld worden. Daarom wordt door een tegengestelde daad de verworven hebbelijkheid niet onmiddellijk uitgebannen. Doch de liefde is een ingestorte hebbelijkheid, die afhangt van de werking van God, die haar instort. Die werking is met betrekking tot de instorting en het bewaren van de liefde, wat de zon is met betrekking tot het verlichten van de lucht, zoals boven gezegd werd (10e Art. 3e Bed.; 4e Kw. 4e Art. 3e Antw.). Welnu evenals de lucht onmiddellijk verduistert, wanneer de verlichting van de zon verhinderd wordt, evenzo verdwijnt de liefde in de ziel, wanneer een belemmering gesteld wordt aan de invloed van de liefde in de ziel. Welnu het is duidelijk dat elke doodzonde, die de goddelijke wetten weerstreeft, de goddelijke instorting van de liefde hindert. Want wanneer de mens de zonde verkiest boven de goddelijke 220vriendschap, die eist dat men Gods wil volgt, moet noodzakelijk door één enkele doodzonde, de hebbelijkheid van de liefde verloren gaan. Zo zegt dan Augustinus dat “de mens, wanneer God aanwezig is, verlicht wordt, doch duisternis is, wanneer God afwezig is, van Wie men zich verwijdert niet door afstand te scheppen in de ruimte, maar door een afkeer van de wil”.

↑ bedenking 1

Ad primum ergo dicendum, quod verbum Origenis potest uno modo sic intelligi, quod homo qui est in statu perfecto, non subito procedit in actum peccati mortalis, sed ad hoc disponitur per aliquam negligentiam praecedentem. Unde et peccata venialia dicuntur esse dispositio ad mortale, sicut supra dictum est [1-2. q. 88. art. 3.]. Sed tamen per unum actum peccati mortalis, si eum commiserit, decidit, charitate amissa. Sed quia ipse subdit : « Si aliquis brevis lapsus acciderit, et cito resipiscat, non penitus ruere videtur », potest aliter dici, quod ipse intelligit, eum penitus evacuari et decidere qui sic decidit ut ex malitia peccet. Quod non statim in viro perfecto a principio contingit.

Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het citaat uit Origenes kan aldus verklaard worden : De volmaakte bedrijft niet onmiddellijk een doodzonde, doch voorafgaande nalatigheden bereiden de zonde voor. Daarom zeggen we dat de dagelijksche zonden den mensch geschikt maken voor de doodzonde, zooals boven voorgehouden werd (I-II. 88e Kw. 3e Art.). Nochtans, indien men in één enkele doodzonde valt, verliest men de liefde. Origenes voegt echter het volgende aan vorige woorden toe : « Indien hij slechts een oogenblik valt, en onmiddellijk opstaat, dan valt hij niet volledig ». Daarom kan men zijn eerste woorden verklaren en zeggen dat door de woorden alles verliezen en vallen bedoeld wordt de zonde uit kwaadwilligheid. Deze zonde komt niet plotseling en als een begin voor, bij hem die volmaakt is.Antwoord op de Bedenkingen. — 1. Het citaat uit Origenes kan aldus verklaard worden: De volmaakte bedrijft niet onmiddellijk een doodzonde, doch voorafgaande nalatigheden bereiden de zonde voor. Daarom zeggen we dat de dagelijkse zonden de mens geschikt maken voor de doodzonde, zoals boven voorgehouden werd (1-2 88e Kw. 3e Art.). Nochtans, indien men in één enkele doodzonde valt, verliest men de liefde. Origenes voegt echter het volgende aan vorige woorden toe: “Indien hij slechts een ogenblik valt, en onmiddellijk opstaat, dan valt hij niet volledig”. Daarom kan men zijn eerste woorden verklaren en zeggen dat door de woorden alles verliezen en vallen bedoeld wordt de zonde uit kwaadwilligheid. Deze zonde komt niet plotseling en als een begin voor, bij hem die volmaakt is.

↑ bedenking 2

221Ad secundum dicendum, quod charitas amittitur dupliciter : uno modo directe per actualem contemptum : et hoc modo Petrus charitatem non amisit. Alio modo indirecte, quando committitur aliquid contrarium charitati, propter aliquam passionem concupiscentiae vel timoris. Et hoc modo Petrus contra charitatem faciens charitatem amisit, sed eam cito recuperavit.

2212. Men kan de liefde op een dubbele wijze verliezen : Vooreerst en rechtstreeks, door een uitgesproken misprijzen, en op die wijze heeft Petrus de liefde niet verloren. Ten tweede en zijdelings, wanneer men een daad stelt die in strijd is met de liefde, en dit onder invloed van een hartstocht, nl. van begeerlijkheid of vrees. En op die wijze zondigde Petrus tegen de liefde en verloor hij ze om ze onmiddellijk daarna terug te krijgen.2212. Men kan de liefde op een dubbele wijze verliezen: Vooreerst en rechtstreeks, door een uitgesproken misprijzen, en op die wijze heeft Petrus de liefde niet verloren. Ten tweede en zijdelings, wanneer men een daad stelt die in strijd is met de liefde, en dit onder invloed van een hartstocht, nl. van begeerlijkheid of vrees. En op die wijze zondigde Petrus tegen de liefde en verloor hij ze om ze onmiddellijk daarna terug te krijgen.

↑ bedenking 3

Ad tertium patet responsio ex dictis [in corp.].

3. Het antwoord is duidelijk uit de Leerst.

↑ bedenking 4

Ad quartum dicendum, quod non quaelibet inordinatio affectionis quae est circa ea quae sunt ad finem, idest circa bona creata, constituit peccatum mortale; sed solum quando est talis inordinatio quae repugnat divinae voluntati. Et haec inordinatio directe contrariatur charitati, ut dictum est [in corp.].

4. Niet elke ongeregelde gehechtheid aan iets wat tot het doel leidt, d. i. aan een geschapen goed, is doodzonde, maar enkel diegene die in strijd is met den wil van God; want dergelijke ongeregeldheid is rechtstreeks in strijd met de liefde, zooals gezegd is (in de Leerst.).4. Niet elke ongeregelde gehechtheid aan iets wat tot het doel leidt, d.i. aan een geschapen goed, is doodzonde, maar enkel diegene die in strijd is met de wil van God; want dergelijke ongeregeldheid is rechtstreeks in strijd met de liefde, zoals gezegd is (in de Leerst.).

↑ bedenking 5

Ad quintum dicendum, quod charitas importat unionem quamdam ad Deum, non autem fides, neque spes. Omne autem peccatum mortale consistit in aversione a Deo, ut supra dictum est [q. 20. art. 3.] ; et ideo omne peccatum mortale contrariatur charitati. Non autem omne peccatum mortale contrariatur fidei vel spei, sed quaedam determinata peccata per quae 222habitus fidei vel spei tollitur, sicut et per omne peccatum mortale habitus charitatis tollitur. Unde patet quod charitas non potest remanere informis, sum sit ultima forma virtutum ex hoc quod respicit Deum in ratione finis ultimi, ut dictum est [q. 23. art. 8.].

5. De liefde sluit de vereeniging in met God, wat niet het geval is voor het geloof en de hoop. Welnu, elke doodzonde is een afkeer van God, zooals boven gezegd is (20e Kw. 3e Art.). Bijgevolg is elke doodzonde in strijd met de liefde. Echter niet elke doodzonde is in strijd met het geloof en de hoop, maar alleen die zonden, waardoor de hebbelijkheden van geloof en hoop verloren worden, zooals door elke doodzonde de hebbelijkheid der 222liefde verloren gaat. Daaruit blijkt dat de liefde nooit een doode liefde kan zijn, daar zij de laatste vorm van de deugden is, omdat zij op God gericht is als op het laatste einddoel, zooals boven gezegd is (23e Kw. 8e Art.).5. De liefde sluit de vereniging in met God, wat niet het geval is voor het geloof en de hoop. Welnu, elke doodzonde is een afkeer van God, zoals boven gezegd is (20e Kw. 3e Art.). Bijgevolg is elke doodzonde in strijd met de liefde. Echter niet elke doodzonde is in strijd met het geloof en de hoop, maar alleen die zonden, waardoor de hebbelijkheden van geloof en hoop verloren worden, zoals door elke doodzonde de hebbelijkheid van de 222liefde verloren gaat. Daaruit blijkt dat de liefde nooit een dode liefde kan zijn, daar zij de laatste vorm van de deugden is, omdat zij op God gericht is als op het laatste einddoel, zoals boven gezegd is (23e Kw. 8e Art.).